Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het High Court of Justice (Engeland en Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court) (Verenigd Koninkrijk) op 17 april 2013 - Sean Ambrose McCarthy, Helena Patricia McCarthy Rodriguez, Natasha Caley McCarthy Rodriguez / Secretary of State for the Home Department

(Zaak C-202/13)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

High Court of Justice (Engeland en Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Sean Ambrose McCarthy, Helena Patricia McCarthy Rodriguez, Natasha Caley McCarthy Rodriguez

Verwerende partij: Secretary of State for the Home Department

Prejudiciële vragen

Geeft artikel 35 van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: "richtlijn"), een lidstaat de bevoegdheid om een algemeen toepasselijke maatregel in te voeren die leidt tot ontzegging, beëindiging of intrekking van het recht dat voortvloeit uit artikel 5, lid 2, van de richtlijn, volgens hetwelk familieleden die geen EU-burger zijn en die in het bezit zijn van verblijfskaarten die krachtens artikel 10 van de richtlijn zijn afgegeven (hierna: "verblijfskaarthouders"), zijn vrijgesteld van de visumplicht?

Heeft het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 1 van Protocol nr. 20 betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 26 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op het Verenigd Koninkrijk en Ierland, de bevoegdheid om verblijfskaarthouders te verplichten om in het bezit te zijn van een inreisvisum dat zij vóór aankomst bij de grens dienen te verkrijgen?

Indien het antwoord op vraag 1 of vraag 2 bevestigend luidt, is dan de bejegening van het Verenigd Koninkrijk van verblijfskaarthouders in het onderhavige geval gerechtvaardigd, in aanmerking genomen het bewijs dat zakelijk is weergegeven in het vonnis van de verwijzende rechter?

____________

1 - Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77).