Beroep ingesteld op 12 oktober 2017 – Republiek Oostenrijk / Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-591/17)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: G. Hesse, gemachtigde)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

voor recht verklaren dat de Bondsrepubliek Duitsland de artikelen 18, 34, 56 en 92 VWEU heeft geschonden ten gevolge van de bij het Infrastrukturabgabengesetz (wet betreffende infrastructuurheffingen) van 8 juni 2015 (BGBl. I, blz. 904), zoals gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 18 mei 2017 (BGBl. I, blz. 1218), ingevoerde heffing voor personenauto’s, in samenhang met de bij het Zweites Verkehrsteueränderungsgesetz (tweede wet tot wijziging van de verkeersbelasting) van 8 juni 2015 (BGBl. I, blz. 901) in het Kraftfahrzeugsteuergesetz (wet betreffende de motorrijtuigenbelasting), in de versie van de bekendmaking van 26 september 2002 (BGBl. I, blz. 3818), ingevoerde en laatstelijk bij het Gesetz zur Änderung des Zweiten Verkehrsteueränderungsgesetzes (wet tot wijziging van het Zweites Verkehrsteueränderungsgesetz) van 6 juni 2017 (BGBl. I, blz. 1493) gewijzigde belastingvrijstelling ten belope van een bepaald bedrag voor de houders van in Duitsland toegelaten personenauto’s;

de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Indirecte discriminatie op grond van nationaliteit doordat de infrastructuurheffing voor houders van in Duitsland toegelaten voertuigen wordt gecompenseerd door een belastingvrijstelling ten belope van een bepaald bedrag

Krachtens het Infrastrukturabgabengesetz zijn alle gebruikers van het Duitse snelwegennet gehouden tot betaling van infrastructuurheffing, waarvan de hoogte afhangt van de emissieklasse van het betreffende voertuig. In Duitsland woonachtige weggebruikers krijgen evenwel ten minste hetzelfde bedrag terugbetaald via een belastingvrijstelling ten belope van een bepaald bedrag waarin het Kraftfahrzeugsteuergesetz voorziet. Doordat de infrastructuurheffing en de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting ten belope van (ten minste) hetzelfde bedrag tegelijkertijd zijn ingevoerd en inhoudelijk samenhangen, drukt de infrastructuurheffing feitelijk alleen op buitenlandse weggebruikers.

De Republiek Oostenrijk is van mening dat beide maatregelen gezamenlijk moeten worden getoetst aan het Unierecht, omdat zij chronologisch en inhoudelijk onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De regeling leidt tot een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit, die volgens artikel 18 VWEU moet worden gerechtvaardigd. Volgens de Republiek Oostenrijk ontbreekt een dergelijke rechtvaardiging voor de discriminatie van buitenlandse automobilisten. De regeling schendt derhalve artikel 18 VWEU.

Indirecte discriminatie op grond van nationaliteit door de wijze waarop de infrastructuurheffing is geconcipieerd

Binnenlandse en buitenlandse weggebruikers worden ook ongelijk behandeld doordat het toezicht op de nakoming van de betalingsverplichting en de sancties wegens een niet of niet correct betaalde infrastructuurheffing grotendeels buitenlandse automobilisten treffen. Aan Duitse automobilisten wordt de infrastructuurheffing immers automatisch gefactureerd.

3.    Schending van de artikelen 34 en 56 VWEU

Volgens de Republiek Oostenrijk wordt bovendien inbreuk gemaakt op het vrije verkeer van goederen en op het vrije verrichten van diensten, voor zover de regeling gevolgen heeft voor de grensoverschrijdende levering van goederen met kleine, aan de infrastructuurheffing onderworpen motorvoertuigen met een totaalgewicht van minder dan 3,5 t, alsook voor het verrichten van diensten door of ten behoeve van niet-ingezetenen. Die regeling moet dan ook – los van de reeds vermelde discriminatie – worden aangemerkt als een ontoelaatbare beperking van de genoemde fundamentele vrijheden, die niet kan worden gerechtvaardigd.

4.    Schending van artikel 92 VWEU

Ten slotte schendt de regeling artikel 92 VWEU, voor zover zij van toepassing is op commercieel busvervoer of goederenvervoer met motorvoertuigen van minder dan 3,5 t. Artikel 92 VWEU voorziet niet in een mogelijkheid tot rechtvaardiging, zodat reeds het bestaan van een discriminatie in de zin van artikel 92 VWEU met zich meebrengt dat de regeling in strijd is met het Unierecht.

____________