Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Riigikohus (Estland) op 4 oktober 2017 – Mittetulundusühing Järvelaev / Põllumajanduse Registrite ja Informatsiooni Amet (PRIA)

(Zaak C-580/17)

Procestaal: Ests

Verwijzende rechter

Riigikohus

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Mittetulundusühing Järvelaev

Verwerende partij: Põllumajanduse Registrite ja Informatsiooni Amet (PRIA)

Prejudiciële vragen

Dient bij de terugvordering van in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, wanneer de steun op 6 september 2011 werd toegekend, de laatste termijn op 19 november 2013 werd uitbetaald, de inbreuk op 4 december 2014 werd geconstateerd en het terugvorderingsbesluit op 27 januari 2015 werd vastgesteld, met het oog op de vereiste duurzaamheid van de concrete actie, toepassing te worden gegeven aan artikel 72 van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad1 , dan wel aan artikel 71, lid 1, van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad2 ? Wordt de grondslag van de terugvordering onder deze omstandigheden gevormd door artikel 33, lid 1, van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad3 , of door artikel 56 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad4 ?

Ingeval de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat verordening nr. 1698/2005 van toepassing is: dient dan de verhuur van een investeringsobject (zeilboot) dat is verworven met behulp van een in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, door de vereniging zonder winstoogmerk die de steun heeft ontvangen, aan een andere vereniging zonder winstoogmerk die de zeilboot voor dezelfde concrete actie gebruikt waarvoor de steun aan de begunstigde werd toegekend, te worden aangemerkt als belangrijke wijziging in de zin van artikel 72, lid 1, onder a), van verordening nr. 1698/2005 die de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de concrete actie raakt of een onderneming onrechtmatig voordeel oplevert? Moet het betaalorgaan van een lidstaat, met het oog op de vervulling van de voorwaarde van onrechtmatigheid van het voordeel, vaststellen waarin het voordeel concreet bestond? Ingeval dit bevestigend wordt beantwoord: kan het onrechtmatige voordeel dan hierin bestaan dat de feitelijke gebruiker van het investeringsobject, indien hij zelf een aanvraag met dezelfde inhoud had ingediend, de projectsteun niet had ontvangen?

2a)    Ingeval de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat verordening nr. 1303/2013 van toepassing is: dient dan de verhuur van een investeringsobject (zeilboot) dat is verworven met behulp van een in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, door de vereniging zonder winstoogmerk die de steun heeft ontvangen, aan een andere vereniging zonder winstoogmerk die de zeilboot op dezelfde wijze gebruikt als waarvoor de steun aan de begunstigde werd toegekend, te worden aangemerkt als substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden van de concrete actie in de zin van artikel 71, lid 1, onder c), van verordening nr. 1303/2013 waardoor de oorspronkelijke doelstellingen worden ondermijnd?

3)    Ingeval de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat verordening nr. 1698/2005 van toepassing is: dient dan de verhuur van een investeringsobject (zeilboot) dat is verworven met behulp van een in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, door de begunstigde aan een andere vereniging zonder winstoogmerk die de zeilboot voor dezelfde concrete actie gebruikt als waarvoor de steun aan de begunstigde werd toegekend, te worden aangemerkt als belangrijke wijziging in de zin van artikel 72, lid 1, onder b), van verordening nr. 1698/2005 die het gevolg is hetzij van een verandering in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij van de beëindiging of verplaatsing van een productieactiviteit, indien hierbij in aanmerking wordt genomen dat de eigendom van de zeilboot ongewijzigd is gebleven, maar de begunstigde niet meer onmiddellijke, maar middellijke bezitter van de zeilboot is en huurinkomsten genereert in plaats van inkomsten uit het verrichten van de in de aanvraag omschreven dienst?

3a)    Ingeval de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat verordening nr. 1303/2013 van toepassing is: dient dan de verhuur van een investeringsobject (zeilboot) dat is verworven met behulp van een in het kader van een Leader-maatregel toegekende projectsteun, door de vereniging zonder winstoogmerk die de steun heeft ontvangen, aan een andere vereniging zonder winstoogmerk die de zeilboot voor dezelfde concrete actie gebruikt als waarvoor de steun aan de begunstigde werd toegekend, te worden aangemerkt als een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening waardoor een onderneming een onrechtmatig voordeel behaalt, in de zin van artikel 71, lid 1, onder b), van verordening nr. 1303/2013, indien hierbij in aanmerking wordt genomen dat de eigendom van de zeilboot ongewijzigd is gebleven, maar de begunstigde niet meer onmiddellijke, maar middellijke bezitter van de zeilboot is en huurinkomsten genereert in plaats van inkomsten uit het verrichten van de in de aanvraag omschreven dienst? Moet het betaalorgaan van een lidstaat, met het oog op de vervulling van de voorwaarde van onrechtmatigheid van het voordeel, vaststellen waarin het voordeel concreet bestond? Ingeval dit bevestigend wordt beantwoord: kan het onrechtmatige voordeel dan hierin bestaan dat de feitelijke gebruiker van het investeringsobject, indien hij zelf een aanvraag met dezelfde inhoud had ingediend, de projectsteun niet had ontvangen?

4)    Mag aan de begunstigde bij een nationaal decreet waarin een Leader-maatregel wordt geregeld, de verplichting worden opgelegd om het investeringsobject voor een periode van vijf jaar te behouden, en wel onder strengere voorwaarden dan in artikel 72, lid 1, van verordening nr. 1698/2005 of artikel 71, lid 1, van verordening nr. 1303/2013?

5)    Ingeval de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord: zijn dan de bepaling van een nationaal decreet op grond waarvan de begunstigde van de projectsteun verplicht is om het met behulp van de steun verworven investeringsobject te behouden en doelmatig te gebruiken voor een periode van ten minste vijf jaar na de uitbetaling van de laatste termijn van de steun, alsmede de uitlegging van deze bepaling op grond waarvan de begunstigde het investeringsobject persoonlijk moet gebruiken, in overeenstemming met artikel 72, lid 1, van verordening nr. 1698/2005 respectievelijk artikel 71, lid 1, van verordening nr. 1303/2013?

6)    Moet het als onregelmatigheid in de zin van artikel 33, lid 1, van verordening nr. 1290/2005 respectievelijk artikel 56 van verordening nr. 1306/2013 worden beschouwd, als de begunstigde een concrete actie niet uitvoert die volgens een nationaal decreet waarin een Leader-maatregel is geregeld, niet verplicht was, maar waarnaar de begunstigde in de in zijn steunaanvraag opgenomen „samenvatting van de doelstellingen en werkzaamheden in het kader van de concrete actie en de investering” had verwezen en die één van de criteria was op grond waarvan de aanvragen werden beoordeeld met het oog op de plaatsing ervan op een ranglijst?

7)    Ingeval de zesde vraag bevestigend wordt beantwoord: wordt de terugvordering dan onrechtmatig doordat hierop een beroep is gedaan vóór afloop van vijf jaar sinds de laatste betaling en de begunstigde de inbreuk gedurende de gerechtelijke procedure inzake de terugvordering opheft?

____________

1.    Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB 2005, L 277, blz. 1).

2.    Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 320).

3.    Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1).

4.    Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549).