ARREST VAN HET HOF
23 februari 1999 (1)
Beschikking 96/664/EG van de Raad Bevordering van taalverscheidenheid in
Gemeenschap in informatiemaatschappij Rechtsgrondslag
In zaak C-42/97,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Schoo, afdelingshoofd bij de
juridische dienst, en N. Lorenz, lid van die dienst, als gemachtigden, domicilie
gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees
Parlement, Kirchberg,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Hoff-Nielsen,
afdelingshoofd bij de juridische dienst, en F. Anton, lid van die dienst, als
gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank,
Boulevard Konrad Adenauer 100,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 96/664/EG van de
Raad van 21 november 1996 tot vaststelling van een meerjarenprogramma ter
bevordering van de taalverscheidenheid in de Gemeenschap in de
informatiemaatschappij (PB L 306, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, president van de Vierde en de Zesde
kamer, waarnemend voor de president, G. Hirsch en P. Jann, kamerpresidenten,
G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, J. L. Murray, L. Sevón
(rapporteur), M. Wathelet, R. Schintgen en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 17 maart 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 mei 1998,
het navolgende
Arrest
- 1.
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 31 januari 1997, heeft het
Europees Parlement krachtens artikel 173, derde alinea, EG-Verdrag beroep
ingesteld tot nietigverklaring van beschikking 96/664/EG van de Raad van
21 november 1996 tot vaststelling van een meerjarenprogramma ter bevordering
van de taalverscheidenheid in de Gemeenschap in de informatiemaatschappij
(PB L 306, blz. 40; hierna: litigieuze beschikking), op grond dat die beschikking
niet alleen artikel 130 EG-Verdrag maar ook artikel 128 van het Verdrag als
rechtsgrondslag had moeten hebben.
- 2.
- Artikel 128 van het Verdrag luidt als volgt:
1. De Gemeenschap draagt bij tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten
onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen,
maar tegelijk ook de nadruk leggend op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed.
2. Het optreden van de Gemeenschap is erop gericht de samenwerking tussen de
lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten op de volgende gebieden te
ondersteunen en aan te vullen:
verbetering van de kennis en verbreiding van de cultuur en de geschiedenis
van de Europese volkeren,
instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees
belang,
culturele uitwisseling op niet-commerciële basis,
scheppend werk op artistiek en literair gebied, mede in de audiovisuele
sector.
(...)
4. De Gemeenschap houdt bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van
dit Verdrag rekening met de culturele aspecten.
5. Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel
neemt de Raad:
volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Comité
van de regio's, stimuleringsmaatregelen aan, met uitsluiting van harmonisatie
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. De
Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 189 B met
eenparigheid van stemmen;
met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie,
aanbevelingen aan.
- 3.
- Artikel 130, leden 1 en 3, van het Verdrag, bepaalt:
1. De Gemeenschap en de lidstaten dragen er zorg voor dat de omstandigheden
nodig voor het concurrentievermogen van de industrie van de Gemeenschap
aanwezig zijn.
Hiertoe is hun optreden, overeenkomstig een systeem van open en concurrerende
markten, erop gericht:
de aanpassing van de industrie aan structurele wijzigingen te bespoedigen;
een gunstig klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de
ontwikkeling van ondernemingen in de gehele Gemeenschap, met name van
het midden- en kleinbedrijf, te bevorderen;
een gunstig klimaat voor de samenwerking tussen ondernemingen te
bevorderen;
een betere benutting van het industrieel potentieel van het beleid inzake
innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren.
(...)
3. De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van
lid 1 door middel van haar beleid en optreden uit hoofde van andere bepalingen
van dit Verdrag. De Raad kan op voorstel van de Commissie, na raadpleging van
het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met eenparigheid
van stemmen specifieke maatregelen vaststellen ter ondersteuning van de
activiteiten die in de lidstaten worden ondernomen om de doelstellingen van lid 1
te verwezenlijken.
Deze titel verschaft geen grondslag voor invoering door de Gemeenschap van
maatregelen waardoor de mededinging kan worden vervalst.
- 4.
- De eerste drie overwegingen van de considerans van de litigieuze beschikking
luiden als volgt:
Overwegende dat de opkomst van de informatiemaatschappij het bedrijfsleven en
met name de taalindustrieën nieuwe perspectieven biedt voor communicatie en
handel op door een rijke verscheidenheid op taal- en cultureel gebied gekenmerkte
Europese en mondiale markten;
Overwegende dat het bedrijfsleven en alle overige belanghebbenden om ten volle
van de voordelen van de interne markt te kunnen profiteren en op de
wereldmarkten concurrerend te blijven, specifieke en passende oplossingen dienen
uit te werken om de taalbarrières te overwinnen;
Overwegende dat de particuliere sector op dit gebied hoofdzakelijk bestaat uit
KMO's, die geconfronteerd worden met aanzienlijke problemen bij het opereren
op de verschillende talenmarkten, en die derhalve gesteund dienen te worden, met
name gezien hun rol als bron van werkgelegenheid.
- 5.
- Vervolgens wordt in de vierde overweging gewezen op de noodzaak het gebruik te
stimuleren van technologieën, hulpmiddelen en methoden die de kosten van de
informatieoverdracht tussen mensen beperken.
- 6.
- Volgens de zesde overweging zou de opkomst van de informatiemaatschappij de
Europese burger ruimere toegang tot informatie kunnen verschaffen en hem een
uitnemende gelegenheid kunnen bieden om toegang te krijgen tot de rijkdom en
verscheidenheid van de Gemeenschap op cultureel en taalgebied.
- 7.
- De zevende overweging verduidelijkt, dat taalbeleid een aangelegenheid is die tot
de bevoegdheid behoort van de lidstaten, die daarbij het gemeenschapsrecht in acht
nemen; dat evenwel de bevordering van de ontwikkeling en het gebruik van
moderne hulpmiddelen voor taalverwerking een werkterrein is waarop
communautaire actie noodzakelijk is teneinde tot aanzienlijke schaalvoordelen en
cohesie tussen de verschillende taalgebieden te komen; dat de op communautair
niveau te ondernemen acties in verhouding moeten staan tot de te bereiken
doelstellingen en slechts die terreinen mogen bestrijken die voor de Gemeenschap
toegevoegde waarde kunnen opleveren.
- 8.
- De overige overwegingen hebben met name betrekking op:
de noodzaak voor de Gemeenschap om rekening te houden met de
culturele en taalkundige aspecten van de informatiemaatschappij (negende
overweging);
het feit dat het van essentieel belang is ervoor te zorgen, dat de burgers in
hun eigen taal op rechtvaardige wijze toegang tot informatie hebben (elfde
overweging);
het feit dat talen die van de informatiemaatschappij uitgesloten blijven, het
gevaar lopen meer of minder snel in een marginale positie te worden
gedrongen (twaalfde overweging).
- 9.
- Artikel 1, eerste alinea, van de litigieuze beschikking bepaalt:
Er wordt een communautair programma vastgesteld teneinde:
het bewustzijn te verhogen inzake, en het verstrekken te stimuleren van,
meertalige diensten in de Gemeenschap die gebruik maken van
taaltechnologieën, -hulpbronnen en -normen;
gunstige voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van de
taalindustrieën;
de kosten van informatieoverdracht tussen talen te verminderen, met name
ten behoeve van het MKB;
bij te dragen tot de bevordering van de taalverscheidenheid van de
Gemeenschap.
- 10.
- Volgens artikel 1, tweede alinea, sub b, van de litigieuze beschikking wordt onder
taalindustrieën verstaan: de ondernemingen, instellingen en beroepsbeoefenaars
die eentalige of meertalige diensten verstrekken of zulks mogelijk maken, op
gebieden als de ontsluiting van informatie, vertaling, taaltechnologie en
elektronische woordenboeken.
- 11.
- Artikel 2, eerste alinea, van de litigieuze beschikking bepaalt:
Teneinde de in artikel 1 vermelde doelstellingen te verwezenlijken, worden in
overeenstemming met de in bijlage I vervatte programmapunten en de in bijlage
III beschreven procedures voor de tenuitvoerlegging van het programma, de
volgende acties ondernomen:
ondersteuning van de totstandbrenging van een dienstenkader voor
taalhulpbronnen en aanmoediging van de bij die opbouw betrokken
verenigingen;
aanmoediging van het gebruik van taaltechnologieën, -hulpbronnen
en -normen, en de integratie ervan in informaticatoepassingen;
bevordering van het gebruik van geavanceerde taalhulpmiddelen in de
openbare sector van de Gemeenschap en de lidstaten;
begeleidende maatregelen.
- 12.
- In bijlage I bij de litigieuze beschikking zijn vier programmapunten uiteengezet, die
overeenkomen met de vier streepjes van artikel 2, eerste alinea.
- 13.
- Het eerste programmapunt, Ondersteuning van de totstandbrenging van een
dienstenkader voor taalhulpbronnen en aanmoediging van de bij die opbouw
betrokken verenigingen, heeft tot doel de ondersteuning, voor alle Europese
talen, van de opbouw van een Europese infrastructuur van meertalige
taalhulpbronnen en de stimulering van de totstandbrenging van elektronische
taalhulpbronnen. Voorts wordt gepreciseerd, dat de meeste ondernemingen die
in deze sector actief zijn, (...) KMO's (zijn), die vaak innoverend en efficiënt
werken, doch die over te weinig financiële middelen beschikken voor het vereiste
investeringsniveau.
- 14.
- Het tweede programmapunt, Aanmoediging van het gebruik van moderne
taaltechnologieën, -hulpmiddelen en -normen, en de integratie ervan in
informaticatoepassingen, heeft tot doel de taalindustrieën tot actie aan te zetten
door de overdracht van technologie en de vraag te bevorderen door middel van een
beperkt aantal demonstratieprojecten voor gezamenlijke rekening die in een aantal
sleutelsectoren een katalysatoreffect kunnen bewerkstelligen.
- 15.
- Het derde programmapunt, Bevordering van het gebruik van geavanceerde
taalhulpmiddelen in de openbare sector in de Europese Gemeenschap en de
lidstaten, heeft tot doel samenwerking tussen de overheidsdiensten van de
lidstaten en de instellingen van de Gemeenschap te bevorderen ter vermindering
van de kosten van meertalige communicatie in de openbare sector in de
Gemeenschap, met name door het centraliseren van geavanceerde
taalhulpmiddelen.
- 16.
- Het vierde programmapunt heeft betrekking op begeleidende maatregelen,
inzonderheid op het bevorderen van technische normen die aan de taalbehoeften
van de gebruikers beantwoorden, en het organiseren van overleg en coördinatie
tussen de belangrijkste, bij de ontwikkeling van een meertalige
informatiemaatschappij betrokken acteurs.
- 17.
- Volgens artikel 3 van de litigieuze beschikking bedraagt de duur van het
programma drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop de beschikking is vastgesteld,
en beloopt het bedrag van de financiering van het programma door de
Gemeenschap 15 miljoen ECU.
- 18.
- Volgens artikel 4 is de Commissie verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van
het programma en voor de coördinatie ervan met de overige communautaire
programma's.
- 19.
- Artikel 6 van de litigieuze beschikking bepaalt:
1. De Commissie zorgt ervoor dat de acties uit hoofde van deze beschikking
onderworpen worden aan een doelmatige beoordeling vooraf, controle en een
daaropvolgende evaluatie.
2. Tijdens de tenuitvoerlegging van de projecten en na hun voltooiing evalueert de
Commissie de wijze waarop ze zijn uitgevoerd en het effect van hun
tenuitvoerlegging om na te gaan of de oorspronkelijke doelstellingen zijn bereikt.
Daarbij bekijkt de Commissie met name in hoeverre de ten uitvoer gelegde
projecten ten goede zijn gekomen aan de doelgroep van kleine en middelgrote
ondernemingen.
(...)
- 20.
- Blijkens het dossier diende de Commissie op 8 november 1995 bij de Raad een
voorstel in voor een beschikking van de Raad tot vaststelling van eenmeerjarenprogramma ter bevordering van de taalverscheidenheid van de
Gemeenschap in de informatiemaatschappij (PB 1996, C 364, blz. 5; hierna:
MLIS-programma). Aan dit voorstel ging een mededeling vooraf met het
opschrift De meertalige informatiemaatschappij. Als rechtsgrondslag werd
artikel 130, lid 3, van het Verdrag voorgesteld.
- 21.
- Door de Raad om advies verzocht, sprak het Parlement zich in zijn resolutie van
21 juni 1996 (PB C 198, blz. 248) uit voor de dubbele rechtsgrondslag van
artikel 128, leden 1 en 2, en artikel 130, lid 3. Verder stelde het tal van
amendementen voor waarbij de nadruk op het culturele aspect van het MLIS-programma werd gelegd.
- 22.
- Het Parlement stelde inzonderheid voor, aan de considerans van de beschikking
een aantal overwegingen toe te voegen. Volgens het voorstel van het Parlement
zouden de eerste overwegingen van de considerans van de richtlijn komen te luiden
als volgt:
overwegende dat het behoud en de bevordering van de taalverscheidenheid in
Europa deel uitmaken van het behoud van het cultureel erfgoed in de zin van
artikel 128 van het Verdrag;
overwegende dat de culturele en sociale aspecten van de informatiemaatschappij
even belangrijk zijn als de economische belangen.
- 23.
- Het Parlement stelde eveneens voor, de doelstelling van bevordering van de
taalverscheidenheid van de Gemeenschap in de wereldomspannende
informatiemaatschappij te verplaatsen en in te voegen in de eerste volzin van
artikel 1, dat wil zeggen vóór het eerste streepje.
- 24.
- In zijn gewijzigd voorstel van 2 oktober 1996 (PB C 364, blz. 11) hield de
Commissie evenwel vast aan artikel 130, lid 3, van het Verdrag als enige
rechtsgrondslag van de beschikking. Zij wees de dubbele rechtsgrondslag af, op
grond dat het hoofddoel is acties van het bedrijfsleven voor het aanbieden van
meertalige diensten aan te moedigen. Eén juridische grondslag (art. 130) is hiervoor
voldoende. Er zijn culturele en sociale aspecten of spin-offs, maar dit geeft geen
aanleiding tot een dubbele juridische grondslag. Zij verwierp eveneens de met de
wijziging van de rechtsgrondslag verband houdende amendementen.
- 25.
- Nadat de Raad de litigieuze beschikking had vastgesteld op de enkele grondslag
van artikel 130 van het Verdrag, heeft het Parlement het onderhavige beroep tot
nietigverklaring ingesteld.
- 26.
- Het beroep van het Parlement is gebaseerd op de overweging, dat de talenrijkdom
van de Gemeenschap deel uitmaakt van het cultureel erfgoed waarvan de
Gemeenschap overeenkomstig artikel 128, lid 2, tweede streepje, van het Verdrag
de instandhouding en bescherming moet verzekeren. Met de bevordering van de
taalverscheidenheid van de Gemeenschap streeft het MLIS-programma een
cultureel doel na zodat het, behalve op de gekozen rechtsgrondslag, eveneens had
moeten worden vastgesteld op de grondslag van artikel 128 van het Verdrag.
- 27.
- Meer in het bijzonder merkt het Parlement op, dat de term bevordering in de
titel van de litigieuze richtlijn aantoont, dat het gaat om een stimuleringsmaatregel
in de zin van artikel 128, lid 5, van het Verdrag, die veel verder gaat dan de
verplichting die voortvloeit uit artikel 128, lid 4, dat slechts verlangt dat de
Gemeenschap bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van het Verdrag
rekening houdt met de culturele aspecten.
- 28.
- In het kader van het onderzoek van het doel van de litigieuze beschikking legt het
Parlement de nadruk op enkele van de overwegingen van de considerans,
inzonderheid op de tweede overweging, volgens welke het programma tot doel
heeft taalbarrières te overwinnen, op de negende overweging, volgens welke de
Gemeenschap rekening dient te houden met de culturele en taalkundige aspecten
van de informatiemaatschappij, en op de twaalfde overweging, volgens welke
talen die van de informatiemaatschappij uitgesloten blijven het gevaar zouden
lopen meer of minder snel in een marginale positie te worden gedrongen. Volgens
het Parlement is de technologie, zoals die in het kader van het MLIS-programma
wordt gezien, slechts het instrument van de cultuur, een middel dat de cultuur
toegankelijk maakt.
- 29.
- Wat de inhoud van de litigieuze beschikking betreft, stelt het Parlement vast, dat
artikel 2, derde streepje, ziet op de openbare sector van de Gemeenschap en de
lidstaten, waaruit het afleidt, dat die deelneming van de openbare sector buiten de
werkingssfeer valt van artikel 130 van het Verdrag, dat uitsluitend betrekking heeft
op de bevordering van het concurrentievermogen van de ondernemingen.
- 30.
- Na een analyse van de aan het MLIS-programma voorafgaande mededeling van de
Commissie stelt de Raad van zijn kant, dat aan het programma vooral een
economische en industriële gedachte ten grondslag ligt. Het moet de vertaalkosten
van de ondernemingen beperken, en daarbij tegelijkertijd de taalverscheidenheid
handhaven die noodzakelijk is voor de vitaliteit van het bedrijfsleven in de
Gemeenschap. Die taalverscheidenheid komt ten goede aan alle Europese burgers,
doch dit culturele aspect is slechts een extern gevolg van het programma, dat
industriële doeleinden nastreeft.
- 31.
- De Raad onderzoekt tevens de vier doelstellingen van het programma, en wijst op
de volgorde van presentatie in artikel 1 en op de zuiver economische en industriële
aard ervan. Wat meer bepaald de vierde en laatste doelstelling betreft (bij te
dragen tot de bevordering van de taalverscheidenheid van de Gemeenschap),
duidt niets erop, dat het zou gaan om een culturele doelstelling die los is te zien
van de andere doelstellingen en in vergelijking daarmee niet bijkomstig is. In het
kader van de ondersteuning van de taalindustrie kan de bevordering van de
taalverscheidenheid immers slechts een economisch, industrieel of commercieel
doel hebben. Gesteld al dat het om een culturele doelstelling zou gaan, dan blijkt
uit het feit dat zij niet in een afzonderlijk artikel is geregeld en uit de afwijzing van
het door het Parlement voorgestelde amendement, strekkende tot een dergelijke
kwalificatie, dat zij niet los van de andere doelstellingen kan worden gezien.
Gesteld tenslotte dat die doelstelling wél los hiervan zou kunnen worden gezien,
dan is het slechts een ondergeschikte doelstelling die niet van invloed is op het
voornaamste doel van het programma, zoals hieruit blijkt, dat de Raad evenmin
heeft ingestemd met het door het Parlement voorgestelde amendement ertoe
strekkende aan de culturele en sociale aspecten hetzelfde gewicht toe te kennen
als aan de economische belangen.
- 32.
- Wat tenslotte de inhoud van de litigieuze beschikking betreft, is de Raad van
mening, dat alle bepalingen ervan rechtstreeks en uitsluitend verband houden met
een of meer van de in artikel 130, lid 1, van het Verdrag bedoelde maatregelen.
Inzonderheid het derde programmapunt, inzake de bevordering van het gebruik
van geavanceerde taalhulpmiddelen in de openbare sector van de Gemeenschap
en de lidstaten, is er overeenkomstig die bepaling op gericht, enerzijds, een betere
benutting te stimuleren van het industrieel potentieel inzake innovatie, onderzoek
en technologische ontwikkeling, en anderzijds, een gunstig klimaat voor de
ontwikkeling van ondernemingen in de Gemeenschap te bevorderen. Er zijn dus
geen gronden om artikel 128 als aanvullende rechtsgrondslag te nemen.
- 33.
- Het MLIS-programma valt niet binnen de in artikel 128, lid 2, van het Verdrag
genoemde gebieden. Het programma komt niet rechtstreeks ten goede aan
culturele acteurs als de door de Raad genoemde auteurs, schrijvers van
theaterstukken of literaire vertalers, doch aan marktdeelnemers of institutionele
organisaties. Tenslotte maakt taal in de context van de beschikking geen deel uit
van de cultuur. Het betoog van het Parlement berust op een verkeerde grondslag
en op uit hun verband gelichte termen.
- 34.
- De Raad verzoekt het Hof, in geval van nietigverklaring van de litigieuze
beschikking, de uitwerking ervan te handhaven tot een nieuwe beschikking is
vastgesteld. Het Parlement daarentegen verzoekt de handhaving van de uitwerking
te beperken tot de maatregelen die vóór de datum van het arrest in de onderhavige
zaak zijn vastgesteld op de grondslag van de litigieuze beschikking. Handhaving van
de toekomstige uitwerking zou immers het arrest van het Hof zijn nuttig effect
ontnemen en zou tot gevolg kunnen hebben dat de Commissie nalaat onverwijld
een nieuw voorstel in te dienen.
De gegrondheid van het beroep
- 35.
- Vooraf zij opgemerkt, dat de keuze van artikel 130 van het Verdrag als
rechtsgrondslag van de litigieuze beschikking niet wordt betwist. Derhalve behoeft
in het kader van het onderhavige beroep enkel te worden nagegaan, of de
beschikking niet alleen op de gekozen rechtsgrondslag, maar eveneens op
artikel 128 van het Verdrag had moeten worden gebaseerd.
- 36.
- Het is vaste rechtspraak, dat in het kader van het stelsel van bevoegdheden van de
Gemeenschap de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling moet berusten
op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens
behoren met name het doel en de inhoud van de handeling (zie met name arresten
van 26 maart 1996, Parlement/Raad, C-271/94, Jurispr. blz. I-1689, punt 14, en
28 mei 1998, Parlement/Raad, C-22/96, Jurispr. blz. I-3231, punt 23).
- 37.
- De tekst van de titel van een handeling kan op zich niet bepalend zijn voor de
rechtsgrondslag, en in casu kunnen de woorden ter bevordering van de
taalverscheidenheid in de titel van de litigieuze beschikking niet los worden gezien
van de handeling in haar geheel en autonoom worden uitgelegd.
- 38.
- Om te bepalen of de door het Parlement aangevoerde dubbele rechtsgrondslag
noodzakelijk was, moet worden nagegaan, of de litigieuze beschikking naar haar
doel en inhoud, zoals die uit de tekst ervan naar voren komen, gelijktijdig en
onverbrekelijk zowel industrie als cultuur betreft (zie, in die zin, arrest van 11 juni
1991, Commissie/Raad, C-300/89, Jurispr. blz. I-2867, punt 13).
- 39.
- Dienaangaande volstaat het niet, dat de litigieuze beschikking een tweeledig doel
heeft of dat uit het onderzoek van de inhoud ervan blijkt, dat er sprake is van twee
componenten.
- 40.
- Volgt uit het onderzoek van de beschikking, dat de component industrie als
hoofdelement of overwegende component kan worden aangewezen, terwijl de
component cultuur slechts een ondergeschikt element is, dan zou dit immers
betekenen, dat uitsluitend artikel 130 van het Verdrag de passende rechtsgrondslag
vormde.
- 41.
- Een dergelijke uitlegging strookt met de tekst van artikel 128, lid 4, van het
Verdrag, volgens hetwelk de Gemeenschap bij haar optreden uit hoofde van andere
bepalingen van het Verdrag rekening houdt met de culturele aspecten.
- 42.
- Uit die bepaling volgt namelijk, dat een beschrijving van de culturele aspecten van
een communautair optreden niet noodzakelijkerwijs inhoudt, dat artikel 128 de
rechtsgrondslag vormt, wanneer de component cultuur niet essentieel is en niet
onverbrekelijk is verbonden met de andere component waarop de betrokken
handeling is gebaseerd, doch in vergelijking hiermee slechts een bijkomstig of
ondergeschikt element is.
- 43.
- In casu moet dus worden nagegaan, of het element cultuur een essentiële
component is van de litigieuze beschikking op dezelfde voet als het element
industrie, en hiermee onverbrekelijk is verbonden, dan wel of de beschikking
haar zwaartepunt heeft in de industriële dimensie van het communautair
optreden.
- 44.
- Dienaangaande moet om te beginnen worden vastgesteld, dat blijkens zowel de
tekst van de litigieuze beschikking als een aantal overwegingen van de considerans
ervan, het MLIS-programma rechtstreeks de ondernemingen begunstigt. De eerste
overweging spreekt van de taalindustrieën, die door de opkomst van de
informatiemaatschappij nieuwe perspectieven worden geboden; de tweede
overweging heeft betrekking op de situatie van het bedrijfsleven en van alle overige
belanghebbenden op de interne markt en op de wereldmarkten; de derde
overweging ziet op de particuliere sector, dat wil zeggen hoofdzakelijk kleine en
middelgrote ondernemingen die geconfronteerd worden met problemen om de
taalbarrières te overwinnen en om concurrerend te blijven wanneer zij op de
verschillende talenmarkten opereren.
- 45.
- De vierde overweging heeft evenwel betrekking op de overdracht van informatie
tussen mensen, en de zesde overweging op de toegang van de burgers van Europa
tot informatie. Zo gaat het over de Europese burgers in de tiende en de elfde
overweging, waar sprake is van de noodzaak om ervoor te zorgen, dat voor hen
gelijke kansen op deelneming aan de informatiemaatschappij worden gewaarborgd,
en van het belang dat zij kunnen beschikken over informatie in hun eigen taal.
- 46.
- De algemene formulering van die overwegingen maakt het evenwel niet mogelijk
de burgers aan te wijzen als directe begunstigden van het programma, wat wél het
geval is met de marktdeelnemers als bedoeld in de eerste overwegingen.
- 47.
- De burgers worden immers in het kader van de informatiemaatschappij geacht baat
te hebben bij de taalverscheidenheid in het algemeen. De marktdeelnemers, meer
in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen, worden evenwel geacht
te worden begunstigd door de concrete maatregelen die worden getroffen in
overeenstemming met de programmapunten van het bij de beschikking vastgestelde
programma.
- 48.
- De uit de tekst van die overwegingen voortvloeiende conclusie, dat de kleine en
middelgrote ondernemingen de voornaamste begunstigden van de litigieuze
beschikking zijn, vindt steun in de tekst van artikel 6, lid 2, tweede alinea, van debeschikking, waar die ondernemingen worden aangewezen als doelgroep van het
programma en de Commissie de verplichting wordt opgelegd, met name na te gaan
in hoeverre de ten uitvoer gelegde projecten aan die ondernemingen ten goede zijn
gekomen, terwijl een soortgelijk onderzoek niet wordt verlangd waar het de
Europese burgers betreft.
- 49.
- Vervolgens zij opgemerkt, dat enkele overwegingen, zoals de zesde en de negende,
weliswaar gewag maken van de culturele aspecten van de informatiemaatschappij,
doch blijkens de tekst ervan slechts uitdrukking geven aan algemene vaststellingen
of wensen zodat zij op zich niet kunnen worden aangemerkt als doelstellingen van
het programma. In de zesde overweging wordt immers geen doelstelling
geformuleerd, doch vastgesteld, dat de opkomst van de informatiemaatschappij de
burger een gelegenheid zou kunnen bieden om toegang te krijgen tot de rijkdom
en verscheidenheid van de Gemeenschap op cultureel en taalgebied, terwijl de
negende overweging eraan herinnert, dat de Gemeenschap rekening dient te
houden met de culturele en taalkundige aspecten van de informatiemaatschappij,
waarmee slechts de inhoud van artikel 128, lid 4, van het Verdrag in herinnering
wordt gebracht.
- 50.
- Het in de twaalfde overweging bedoelde gevaar, dat talen die van de
informatiemaatschappij uitgesloten blijven, in een marginale positie worden
gedrongen, is geen gevaar van specifiek culturele aard. Marginalisering van talen
kan immers worden opgevat als het verlies van een bestanddeel van het cultureel
erfgoed, doch eveneens als het ontstaan van een verschil in behandeling tussen
marktdeelnemers van de Gemeenschap, die in een gunstiger dan wel ongunstiger
positie komen te verkeren, naargelang de taal waarvan zij zich bedienen
wijdverbreid is of niet.
- 51.
- Ook volgens artikel 1 van de litigieuze beschikking is het doel van het programma
van economische aard. In de eerste alinea, tweede en derde streepje, worden
immers als beoogde doelstellingen genoemd het scheppen van gunstige
voorwaarden voor de ontwikkeling van de taalindustrieën en de vermindering van
de kosten van informatieoverdracht ten behoeve van de kleine en middelgrote
ondernemingen.
- 52.
- De in artikel 1, eerste alinea, laatste streepje, vermelde doelstelling om bij te
dragen tot de bevordering van de taalverscheidenheid van de Gemeenschap kan
niet afzonderlijk worden beschouwd, doch moet tezamen met de andere in die
alinea vermelde doelstellingen worden onderzocht.
- 53.
- Dienaangaande zij vastgesteld, dat hiermee geen uitdrukking wordt gegeven aan
een als zodanig nagestreefd cultureel doel, doch enkel aan één van de aspecten van
het programma, dat hoofdzakelijk en overwegend industrieel van aard is. Taal
wordt in die context immers niet beschouwd als een bestanddeel van het cultureel
erfgoed, doch wel als voorwerp of instrument van economische activiteiten.
- 54.
- Tenslotte zij beklemtoond, dat de Raad het niet eens was met het voorstel van het
Parlement om die doelstelling aan het begin van artikel 1 van de beschikking te
plaatsen, en aldus uitdrukking heeft gegeven aan de wens het zwaartepunt van
de beschikking niet te verplaatsen, doch de hoofdzakelijk economische en
industriële aard ervan te handhaven.
- 55.
- Wat de inhoud van de litigieuze beschikking betreft, zij opgemerkt dat de in
artikel 2 bedoelde acties en de in bijlage I bedoelde programmapunten betrekking
hebben op de ontwikkeling van de infrastructuur, het gebruik van technologieën en
hulpbronnen, de vermindering van de kosten door centralisatie van de beschikbare
hulpmiddelen of het bevorderen van technische normen op taalgebied.
- 56.
- Dergelijke acties kunnen niet worden geacht rechtstreeks bij te dragen tot de
verbreiding van de cultuur, de instandhouding of bescherming van het cultureel
erfgoed van Europees belang, of de aanmoediging van scheppend werk op artistiek
en literair gebied, in de zin van artikel 128, lid 2, van het Verdrag.
- 57.
- Wel hebben die acties als voornaamste gevolg, dat wordt voorkomen dat
ondernemingen van de markt verdwijnen of in hun concurrentievermogen worden
aangetast wegens communicatiekosten die verband houden met de
taalverscheidenheid.
- 58.
- Meer in het bijzonder is het in artikel 2, eerste alinea, derde streepje, van de
litigieuze beschikking bedoelde programmapunt, te weten de bevordering van het
gebruik van geavanceerde taalhulpmiddelen in de openbare sector van de
Gemeenschap en de lidstaten, overeenkomstig de zeventiende overweging van de
considerans, hoofdzakelijk gericht op de vermindering van de kosten van de
ontwikkeling en het gebruik van taalhulpmiddelen. Het vindt eveneens zijn
rechtvaardiging in de katalyserende rol die de openbare sector kan spelen voor
een snellere aanneming op bredere schaal van gemeenschappelijke normen en het
streven om de convergentie van de toekomstige ontwikkelingen van de
taalhulpmiddelen aan te moedigen, als bedoeld in punt 3 van bijlage I bij de
beschikking.
- 59.
- Op grond van het onderzoek van die elementen kan niet worden geconcludeerd,
dat dit programmapunt van specifiek culturele aard zou zijn. Integendeel, wanneer
het tezamen met de andere programmapunten wordt beschouwd, blijkt dat het een
van de elementen is van een volledig programma dat in de eerste plaats is gericht
op een rationele ontwikkeling van de taalhulpmiddelen en een snelle opbouw van
een meertalige infrastructuur.
- 60.
- Ofschoon een dergelijk programmapunt betrekking heeft op de openbare sector,
kan niet worden betwist dat het hoofdzakelijk deel uitmaakt van de in artikel 130,
lid 1, van het Verdrag vermelde doelstellingen, ongeacht of het erom gaat de
aanpassing van de industrie aan structurele wijzigingen te bespoedigen, een gunstig
klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van
ondernemingen in de Gemeenschap te bevorderen, dan wel een betere benutting
van het industrieel potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en
technologische ontwikkeling te stimuleren.
- 61.
- Uit dit onderzoek volgt, dat het voorwerp van het programma, te weten het
bevorderen van de taalverscheidenheid, wordt beschouwd als een element van
hoofdzakelijk economische aard en slechts in tweede instantie als een instrument
van cultuuroverdracht of een cultureel element als zodanig.
- 62.
- Onbetwist is immers, dat het programma gunstige gevolgen zal hebben voor de
verspreiding van culturele werken, met name door verbetering van de hulpmiddelen
voor vertaalwerkzaamheden. De Raad heeft dus terecht overeenkomstig
artikel 128, lid 4, van het Verdrag rekening hiermee gehouden en in enkele van de
overwegingen van de litigieuze beschikking melding gemaakt van die gevolgen voor
de cultuur.
- 63.
- Het betreft evenwel slechts indirecte en bijkomstige gevolgen in vergelijking met
de beoogde rechtstreekse gevolgen, die economisch van aard zijn, zodat er geen
grond aanwezig is om de beschikking tevens op artikel 128 van het Verdrag te
baseren.
- 64.
- Concluderend volgt uit de litigieuze beschikking in haar geheel beschouwd,
inzonderheid uit de in de overwegingen van de considerans en in artikel 1 vermelde
doelstellingen, alsmede uit de in artikel 2 en bijlage I bedoelde acties, dat met recht
enkel artikel 130 van het Verdrag aan de beschikking ten grondslag is gelegd.
- 65.
- Mitsdien moet het beroep worden verworpen.
Kosten
- 66.
- Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het
ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. De
Raad heeft gevorderd, dat het Parlement in de kosten zal worden verwezen. Het
Parlement is in het ongelijk gesteld, en dient dus in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst het Europees Parlement in de kosten.
|
KapteynHirsch
Jann
Mancini Moitinho de Almeida Gulmann Murray
Sevón Wathelet Schintgen Ioannou
|
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 februari 1999.
De griffier
De president
R. Grass
G. C. Rodríguez Iglesias