ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

15 maart 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Unierecht – Rechten toegekend aan particulieren – Schending door een rechterlijke instantie – Prejudiciële vragen – Voorlegging aan het Hof – Nationale rechterlijke instantie die uitspraak doet in laatste aanleg”

In zaak C‑3/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het hof van beroep Brussel (België) bij beslissing van 23 december 2015, ingekomen bij het Hof op 4 januari 2016, in de procedure

Lucio Cesare Aquino

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. G. Fernlund en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 november 2016,

gelet op de opmerkingen van:

–        Lucio Cesare Aquino, vertegenwoordigd door M. Verwilghen en H. Vandenberghe, advocaten,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Pochet en M. Jacobs als gemachtigden, bijgestaan door E. Matterne, D. Lindemans en F. Judo, advocaten,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑P. Keppenne en H. Kranenborg als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 267, derde alinea, VWEU en artikel 47, tweede alinea, alsmede artikel 52, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Lucio Cesare Aquino en de Belgische Staat over een vordering wegens niet-contractuele aansprakelijkheid.

 Toepasselijke bepalingen

3        Artikel 18 van het koninklijk besluit tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State van 30 november 2006 (Belgisch Staatsblad, 1 december 2006, blz. 66844) bepaalt:

„1.       Wanneer de auditeur concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is of moet worden verworpen, brengt de hoofdgriffier het verslag ter kennis van de verzoekende partij, die dertig dagen de tijd heeft om te vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord.

Indien de verzoekende partij niet vraagt om te worden gehoord, bezorgt de hoofdgriffier het dossier aan de kamer, opdat deze de afstand van geding kan toewijzen [...]. Het verslag van de auditeur wordt samen met het arrest ter kennis gebracht van de partijen die het nog niet zouden hebben ontvangen.

Indien de verzoekende partij vraagt om te worden gehoord, bepaalt de staatsraad bij beschikking de datum waarop de partijen moeten verschijnen.

De hoofdgriffier maakt melding van deze paragraaf bij de kennisgeving, aan de verzoekende partij, van het verslag waarin wordt geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk is of moet worden verworpen.

2.      Wanneer de auditeur niet concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is of moet worden verworpen, bepaalt de kamervoorzitter of de staatsraad die hij aanwijst meteen bij beschikking de datum van de terechtzitting waarop het beroep zal worden behandeld.”

4        Artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 (Belgisch Staatsblad, 21 maart 1973, blz. 3461), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, dat zowel geldt voor beroepen tot nietigverklaring als voor cassatieberoepen tegen beslissingen van administratieve rechtscolleges, luidt:

„Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding wanneer zij geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient, binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het verslag van de auditeur of van de mededeling dat toepassing werd gemaakt van artikel 30, § 1, derde lid, en waarin de verwerping of onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld.”

5        Artikel 39/60, tweede alinea, van de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 15 december 1980 (Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet van 15 december 1980”), bepaalt:

„De partijen en hun advocaat mogen ter terechtzitting hun opmerkingen mondeling voordragen. Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de nota uiteengezet zijn.”

6        Artikel 39/67 van de wet van 15 december 1980 bepaalt:

„De uitspraken van de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen] zijn niet vatbaar voor verzet, derdenverzet of herziening. Ze zijn enkel vatbaar voor het cassatieberoep voorzien bij artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.”

 Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

7        Verzoeker in het hoofdgeding, die de Italiaanse nationaliteit heeft, leeft sinds 1970 in België.

8        Bij arrest van het hof van beroep Antwerpen (België) van 23 november 2006 is verzoeker in het hoofdgeding veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van zeven jaar.

9        Op 9 november 2011 heeft verzoeker in het hoofdgeding een aanvraag voor een verklaring van inschrijving ingediend bij de gemeente Maasmechelen (België). Op 23 februari 2012 heeft de Dienst Vreemdelingenzaken (België) hem een beslissing van 22 februari 2012 betekend waarbij zijn verblijf werd geweigerd en hij werd gelast het grondgebied te verlaten, om redenen van openbare orde en nationale veiligheid (hierna: „beslissing van 22 februari 2012”).

10      Op 6 maart 2012 heeft verzoeker in het hoofdgeding bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) beroep ingesteld tegen deze beslissing. Op 15 mei 2012 heeft betrokkene onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof in het betrokken gebied die rechterlijke instantie verzocht om een prejudiciële vraag te stellen over de uitlegging van artikel 16, lid 4, en artikel 28, lid 3, onder c), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35).

11      Bij arrest van 24 augustus 2012 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bij hem ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoekschrift geen middel bevatte. In het bijzonder heeft die rechterlijke instantie het verzoek van verzoeker in het hoofdgeding om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen afgewezen op grond dat dit verzoek net vóór de terechtzitting was ingediend en betrokkene geen redenen had aangevoerd tot staving dat dit verzoek niet eerder kon worden geformuleerd.

12      Op 24 september 2012 heeft verzoeker in het hoofdgeding tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State (België). Nadat de auditeur had geconcludeerd dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk was bij ontbreken van ontvankelijke middelen, heeft betrokkene binnen de voorgeschreven termijn niet verzocht om voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord. Bijgevolg heeft de Raad van State op 4 april 2013 op grond van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vastgesteld dat ten aanzien van verzoeker in het hoofdgeding een vermoeden van afstand van geding bestond.

13      Ondertussen had verzoeker in het hoofdgeding op 27 juni 2010 een procedure ingesteld bij de strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) met het oog op het bekomen van elektronisch toezicht. Die rechter heeft het verzoek bij vonnis van 2 maart 2012 verworpen. Bij een ander vonnis, van 23 mei 2012, heeft diezelfde rechter ook een verzoek van verzoeker in het hoofdgeding tot voorwaardelijke invrijheidstelling afgewezen.

14      Tegen laatstbedoeld vonnis heeft verzoeker in het hoofdgeding cassatieberoep ingesteld bij het Hof van Cassatie (België). Hij voerde daarbij onder meer aan dat dit vonnis de artikelen 16 en 28 van richtlijn 2004/38 schond en verzocht om het Hof hierover een prejudiciële vraag te stellen. Bij arrest van 19 juni 2012 heeft het Hof van Cassatie de hogere voorziening afgewezen en daarbij benadrukt dat het geen prejudiciële vraag aan het Hof hoefde te stellen, aangezien de door verzoeker in het hoofdgeding aangevoerde middelen niet-ontvankelijk waren wegens een aan de rechtspleging voor het Hof van Cassatie eigen reden.

15      De strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel heeft bij vonnis van 21 november 2012 elektronisch toezicht van verzoeker in het hoofdgeding toegestaan en hem bij vonnis van 14 augustus 2013 de gevraagde voorwaardelijke invrijheidstelling verleend.

16      Eerder, op 6 september 2012, had verzoeker in het hoofdgeding een nieuwe aanvraag voor een verklaring van inschrijving ingediend bij de gemeente Maasmechelen. Op 22 april 2013 heeft die gemeente hem een verblijfstitel bezorgd die geldig is tot 3 april 2018.

17      Op 31 augustus 2012 heeft verzoeker in het hoofdgeding een vordering ingesteld bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, waarbij hij verzocht om:

–        de Belgische Staat te veroordelen tot het intrekken van de beslissing van 22 februari 2012 omdat deze beslissing indruist tegen de bepalingen van richtlijn 2004/38;

–        voor recht te zeggen dat de strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, in haar vonnis van 23 mei 2012, en het Hof van Cassatie, in zijn arrest van 19 juni 2012, zijn verblijfsrecht ten onrechte als „precair” hebben bestempeld en hem eveneens ten onrechte de voorwaardelijke invrijheidstelling hebben ontzegd;

–        de Belgische Staat te veroordelen tot betaling van 25 000 EUR schadevergoeding wegens schending van het Unierecht door de strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, het Hof van Cassatie en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, op grond dat die rechterlijke instanties, die in laatste aanleg uitspraak hebben gedaan, het Unierecht hebben geschonden en niet hebben voldaan aan de op hen rustende verplichting om het Hof prejudicieel te adiëren.

18      Bij vonnis van 27 mei 2013 heeft de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel dit beroep ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond verklaard. Daarop heeft verzoeker in het hoofdgeding tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

19      Wat de beslissing van 22 februari 2012 betreft, heeft het hof van beroep Brussel vastgesteld dat deze beslissing in strijd met artikel 27, lid 2, van richtlijn 2004/38 uitsluitend was gebaseerd op eerdere strafrechtelijke veroordelingen van verzoeker in het hoofdgeding. Die rechter heeft de Belgische Staat dan ook veroordeeld tot betaling van een vergoeding van 5 000 EUR voor de door die beslissing geleden immateriële schade.

20      Wat de schade betreft die voortvloeit uit de vermeende schending van het Unierecht door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, merkt de verwijzende rechter op dat verzoeker in het hoofdgeding die rechterlijke instantie in een memorie die na het verstrijken van de termijn was ingediend, had verzocht om het Hof een prejudiciële vraag te stellen en dat dit verzoek bij arrest van 24 augustus 2012 is afgewezen omdat het te laat was ingediend. De verwijzende rechter brengt eveneens in herinnering dat het cassatieberoep dat tegen dat arrest is ingesteld bij de Raad van State, is verworpen wegens afstand van geding.

21      Volgens het hof van beroep Brussel rijst dan ook de vraag of voor elk van de drie door verzoeker in het hoofdgeding genoemde rechterlijke instanties de voorwaarden zijn vervuld om de Belgische Staat aansprakelijk te stellen.

22      Met betrekking tot de strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel stelt de verwijzende rechter vast dat uit geen enkel dossierstuk blijkt dat verzoeker in het hoofdgeding die rechtbank heeft verzocht om het Hof een prejudiciële vraag te stellen. De successieve beslissingen van die rechtbank, die alle definitief zijn geworden, zijn geen voorwerp geweest van een wissingsprocedure, zodat betrokkene er geen schade door heeft kunnen lijden. Uit hoofde van het rechtspreken van die rechtbank kan er dan ook geen grond bestaan om de Belgische Staat aansprakelijk te stellen.

23      Wat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft, merkt de verwijzende rechter op dat het verzoek om het Hof een prejudiciële vraag te stellen bij arrest van 24 augustus 2012 is verworpen omdat het was geformuleerd in een net vóór de terechtzitting ontvangen processtuk en er geen redenen werden aangevoerd tot staving dat dit verzoek niet reeds eerder kon worden geformuleerd.

24      De verwijzende rechter merkt evenwel op dat het cassatieberoep tegen dat arrest bij de Raad van State niet ten gronde en zelfs niet op zijn ontvankelijkheid is beoordeeld, aangezien ten aanzien van verzoeker in het hoofdgeding een wettelijk vermoeden van afstand van geding werd vastgesteld omdat niet was verzocht om voortzetting van de procedure binnen de wettelijke termijn na kennisgeving van het verslag van de auditeur. Derhalve rijst de vraag of dit arrest in dergelijke omstandigheden moet worden geacht afkomstig te zijn van een in laatste aanleg rechtsprekende instantie, aangezien het cassatieberoep geen aanleiding heeft gegeven tot een beoordeling ten gronde. Het verzoek waarbij verzoeker in het hoofdgeding de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzocht om het Hof een prejudiciële vraag te stellen is immers afgewezen omdat het was geformuleerd in een processtuk dat wegens het tijdstip van indiening ervan niet in aanmerking kon worden genomen.

25      De verwijzende rechter merkt op dat de Belgische Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor schending van het Unierecht wegens een mogelijke fout in de uitoefening van de rechtsprekende functie indien het gaat om een kennelijke schending. De weigering om een prejudiciële vraag te stellen kan een dergelijke schending van het Unierecht opleveren.

26      Volgens de verwijzende rechter moet in de omstandigheden van het hoofdgeding worden nagegaan of de weigering van het Hof van Cassatie om in te gaan op het verzoek om het Hof een prejudiciële vraag te stellen, een schending inhoudt van artikel 267 VWEU, mede in het licht van artikel 47, tweede alinea, juncto artikel 52, lid 3, van het Handvest.

27      Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af of de rechtsgang bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 47, tweede alinea, juncto artikel 52, lid 3, van het Handvest heeft geschonden, doordat werd geoordeeld dat een procedureregel in de weg stond aan de inwilliging van het verzoek om het Hof een prejudiciële vraag te stellen. Dit verzoek is immers afgewezen omdat het werd geformuleerd in een processtuk dat wegens het tijdstip van indiening ervan niet in aanmerking kon worden genomen.

28      Tot slot is er de vraag of door die weigering artikel 267 VWEU is geschonden.

29      In die omstandigheden heeft het hof van beroep Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Dient met het oog op de toepassing van de door het Hof van Justitie ontwikkelde rechtspraak in de zaken Köbler (arrest van 30 september 2003, C‑224/01, EU:C:2003:513) en Traghetti del Mediterraneo (arrest van 13 juni 2006, C‑173/03, EU:C:2006:391), inzake overheidsaansprakelijkheid voor foutief handelen van rechtscolleges dat schending van het Unierecht inhoudt, als een rechter in laatste aanleg te worden beschouwd, de rechter wiens beslissing binnen het kader van een cassatieberoep niet werd beoordeeld omdat met toepassing van een nationale procesrechtelijke regel de klager, die in de cassatieprocedure een memorie heeft ingediend, onweerlegbaar geacht wordt afstand van geding te hebben gedaan?

2)      Is met artikel 267, derde alinea, VWEU bestaanbaar, mede in het licht van de artikelen 47, tweede alinea, en 52, lid 3, samen, van het Handvest [...] dat een nationale rechterlijke instantie die volgens deze Verdragsbepaling gehouden is om het Hof van Justitie prejudicieel te bevragen een verzoek tot bevraging verwerpt op de enkele grond dat het verzoek wordt geformuleerd in een memorie die volgens het toepasselijke procesrecht niet in aanmerking behoort te worden genomen omdat ze ontijdig werd ingediend?

3)      Behoort in het geval waarin het hoogste van de gewone rechtscolleges niet ingaat op een verzoek om een prejudiciële vraag te stellen, te worden aangenomen dat een schending van artikel 267, derde alinea, VWEU wordt begaan, mede in het licht van de artikelen 47, tweede alinea, en 52, lid 3, samen, van het Handvest [...], wanneer dat rechtscollege het verzoek verwerpt met als enige redengeving dat ,aangezien de middelen niet ontvankelijk zijn wegens een aan de rechtspleging voor het Hof eigen reden’ de vraag niet wordt gesteld?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

30      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 267, derde alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep niettemin kan worden beschouwd als een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de gevallen waarin het cassatieberoep tegen een beslissing van die rechterlijke instantie niet is beoordeeld wegens afstand van geding door de verzoekende partij.

31      Om te beginnen zij in herinnering gebracht dat volgens artikel 267, derde alinea, VWEU de nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden zijn zich tot het Hof te wenden (zie in die zin arrest van 6 oktober 1982, Cilfit e.a., 283/81, EU:C:1982:335, punt 6).

32      De in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof moet immers worden gezien in het kader van de samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties in hun hoedanigheid van rechters belast met de toepassing van het Unierecht, en het Hof ter verzekering van de juiste toepassing en de eenvormige uitlegging van het Unierecht in alle lidstaten (zie in die zin arrest van 9 september 2015, X en Van Dijk, C‑72/14 en C‑197/14, EU:C:2015:564, punt 54).

33      Deze in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verwijzingsplicht heeft overigens met name tot doel te voorkomen dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet met de regels van het Unierecht strookt (zie in die zin arrest van 15 september 2005, Intermodal Transports, C‑495/03, EU:C:2005:552, punt 29).

34      Zoals het Hof herhaaldelijk heeft beklemtoond, is een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie per definitie de laatste instantie waarbij particulieren de hun door het Unierecht toegekende rechten geldend kunnen maken. De rechterlijke instanties die uitspraak doen in laatste aanleg zijn ermee belast op nationaal niveau de eenvormige uitlegging van de rechtsvoorschriften te verzekeren (zie in die zin arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 34, en 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C‑173/03, EU:C:2006:391, punt 31).

35      In dit verband blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens artikel 39/67 van de wet van 15 december 1980 vatbaar zijn voor het cassatieberoep waarin is voorzien bij artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

36      Daaruit volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan worden beschouwd als een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, aangezien zijn beslissingen kunnen worden getoetst door een hogere instantie waarbij particulieren de hun door het Unierecht toegekende rechten geldend kunnen maken. Zijn beslissingen zijn bijgevolg niet afkomstig van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep in de zin van artikel 267, derde alinea, VWEU.

37      De omstandigheid dat een verzoeker die cassatieberoep heeft ingesteld tegen een beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens de bepalingen van artikel 18 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State onweerlegbaar wordt vermoed afstand van geding te hebben gedaan indien hij niet heeft verzocht om voortzetting van de procedure binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag waarop hem het verslag is meegedeeld waarin de auditeur concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is of moet worden verworpen, doet niet af aan het feit dat tegen de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan worden opgekomen bij een hogere instantie en zij dus afkomstig zijn van een rechterlijke instantie die niet in laatste aanleg uitspraak doet.

38      Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 267, derde alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep niet kan worden beschouwd als een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de gevallen waarin het cassatieberoep tegen een beslissing van die rechterlijke instantie niet is beoordeeld wegens afstand van geding door de verzoekende partij.

 Tweede vraag

39      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 267, derde alinea, VWEU in het licht van artikel 47, tweede alinea, en artikel 52, lid 3, van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie een verzoek om het Hof een prejudiciële vraag te stellen mag afwijzen op de enkele grond dat dit verzoek is geformuleerd in een memorie die volgens het toepasselijke procesrecht niet in aanmerking mag worden genomen omdat zij te laat is ingediend.

40      Voor zover de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan worden beschouwd als een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag, en de tweede vraag op de omgekeerde premisse is gebaseerd, hoeft deze vraag niet te worden beantwoord.

 Derde vraag

41      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 267, derde alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie het Hof geen prejudiciële vraag hoeft te stellen wanneer een cassatieberoep moet worden verworpen wegens redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die rechterlijke instantie.

42      In dat verband zij om te beginnen in herinnering gebracht dat wanneer geen hoger beroep openstaat tegen de uitspraak van een nationale rechterlijke instantie, deze instantie in beginsel is gehouden zich krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU tot het Hof te wenden wanneer voor haar een vraag over de uitlegging van het VWEU wordt opgeworpen (arrest van 18 juli 2013, Consiglio Nazionale dei Geologi, C‑136/12, EU:C:2013:489, punt 25).

43      Uit het verband tussen artikel 267, tweede alinea, VWEU en artikel 267, derde alinea, VWEU volgt dat de in artikel 267, derde alinea, bedoelde rechterlijke instanties over dezelfde beoordelingsbevoegdheid beschikken als elke andere nationale rechterlijke instantie bij de vraag of een beslissing op een punt van Unierecht noodzakelijk is voor het wijzen van hun vonnis. Zij zijn derhalve niet gehouden een voor hen opgeworpen vraag van uitlegging van het Unierecht te verwijzen wanneer die vraag niet ter zake dienend is, dat wil zeggen wanneer het antwoord erop, hoe het ook luidt, geen invloed kan hebben op de oplossing van het geschil (arrest van 18 juli 2013, Consiglio Nazionale dei Geologi, C‑136/12, EU:C:2013:489, punt 26).

44      Indien de middelen die zijn aangevoerd bij een rechterlijke instantie zoals bedoeld in artikel 267, derde alinea, VWEU niet-ontvankelijk moeten worden verklaard op grond van de procedureregels van de betrokken lidstaat, kan een verzoek om een prejudiciële beslissing derhalve niet worden beschouwd als noodzakelijk en ter zake dienend voor die rechterlijke instantie om haar vonnis te wijzen.

45      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de rechtvaardiging van een prejudiciële vraag immers niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan een werkelijke beslechting van een geschil (arrest van 2 april 2009, Elshani, C‑459/07, EU:C:2009:224, punt 42).

46      In casu heeft het Hof van Cassatie, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, geoordeeld dat het wegens de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 23 mei 2012 niet zinvol was een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen, aangezien het antwoord op die vraag geen invloed kon hebben op de oplossing van het geschil.

47      Nationale procedureregels mogen echter geen afbreuk doen aan de bevoegdheid die een nationale rechterlijke instantie aan artikel 267 VWEU ontleent of haar ontslaan van de verplichtingen die krachtens deze bepaling op haar rusten.

48      In dit verband zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof dat het, bij ontbreken van Unievoorschriften ter zake, krachtens het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten is om de procedureregels vast te stellen voor vorderingen in rechte die worden ingediend ter bescherming van de rechten van de justitiabelen, op voorwaarde evenwel dat die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 17 maart 2016, Bensada Benallal, C‑161/15, EU:C:2016:175, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      Daaruit volgt dat een lidstaat twee cumulatieve voorwaarden moet vervullen, namelijk naleving van het gelijkwaardigheidsbeginsel en van het doeltreffendheidsbeginsel, om zich te kunnen beroepen op het beginsel van procedurele autonomie in gevallen die worden beheerst door het Unierecht (arrest van 17 maart 2016, Bensada Benallal, C‑161/15, EU:C:2016:175, punt 25).

50      Wat in de eerste plaats het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat dit eist dat het geheel van regels die van toepassing zijn op vorderingen, gelijkelijk van toepassing is op vorderingen die zijn gebaseerd op een schending van het Unierecht en op soortgelijke vorderingen die zijn gebaseerd op niet-inachtneming van het nationale recht (zie in die zin arresten van 16 januari 2014, Pohl, C‑429/12, EU:C:2014:12, punt 26, en 20 oktober 2016, Danqua, C‑429/15, EU:C:2016:789, punt 30).

51      In casu bestaan er voor het Hof geen aanwijzingen om eraan te twijfelen dat de procedureregels aan de orde in het hoofdgeding met dat beginsel in overeenstemming zijn.

52      Wat in de tweede plaats het doeltreffendheidsbeginsel betreft, mag een nationale procedureregel zoals die in het hoofdgeding de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (arrest van 20 oktober 2016, Danqua, C‑429/15, EU:C:2016:789, punt 29).

53      Voorts zij in herinnering gebracht dat blijkens de rechtspraak van het Hof in de gevallen waarin de vraag rijst of een nationaal procedurevoorschrift de uitoefening van door de rechtsorde van de Unie aan particulieren verleende rechten onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, ook moet worden onderzocht welke plaats dit voorschrift in de gehele procedure inneemt en welk verloop en welke bijzonderheden deze procedure voor de verschillende nationale instanties heeft. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 21 februari 2008, Tele2 Telecommunication, C‑426/05, EU:C:2008:103, punt 55).

54      In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing en de opmerkingen van partijen dat het Hof van Cassatie de middelen die verzoeker in het hoofdgeding had aangevoerd ter ondersteuning van het cassatieberoep tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 23 mei 2012, niet-ontvankelijk heeft verklaard op basis van nationale procedurevoorschriften, op grond dat betrokkene met die middelen weliswaar een van de tegenaanwijzingen heeft betwist die laatstbedoelde rechterlijke instantie in aanmerking had genomen om zijn verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen, maar de andere door deze rechterlijke instantie vastgestelde tegenaanwijzingen op zich volstonden om dat vonnis te verantwoorden.

55      Derhalve blijkt niet dat de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.

56      Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 267, derde alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie het Hof geen prejudiciële vraag hoeft te stellen wanneer een cassatieberoep wordt verworpen wegens redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die rechterlijke instantie, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen.

 Kosten

57      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.


Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 267, derde alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep niet kan worden beschouwd als een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de gevallen waarin het cassatieberoep tegen een beslissing van die rechterlijke instantie niet is beoordeeld wegens afstand van geding door de verzoekende partij.

2)      De tweede vraag behoeft niet te worden beantwoord.

3)      Artikel 267, derde alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie het Hof geen prejudiciële vraag hoeft te stellen wanneer een cassatieberoep wordt verworpen wegens redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die rechterlijke instantie, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen.


Silva de Lapuerta

Bonichot

Arabadjiev

Fernlund

 

Rodin

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 maart 2017.

De griffier

 

De president van de Eerste kamer

A. Calot Escobar

 

R. Silva de Lapuerta


** Procestaal: Nederlands.