Language of document : ECLI:EU:C:2020:950

Zaak C59/19

Wikingerhof GmbH & Co. KG

tegen

Booking.com BV

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesgerichtshof)

 Arrest van het Hof (Grote kamer) van 24 november 2020

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Rechterlijke bevoegdheid – Artikel 7, punten 1 en 2 – Bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad – Vordering tot staking van handelspraktijken die worden geacht in strijd met het mededingingsrecht te zijn – Gesteld misbruik van machtspositie dat tot uiting komt in handelspraktijken die onder contractuele bepalingen vallen – Platform voor het online reserveren van accommodatie booking.com”

1.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 1215/2012 – Bijzondere bevoegdheden – Bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad – Begrip – Aansprakelijkheidsvordering die niet berust op verbintenissen uit overeenkomst

[Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, punt 1, a), en punt 2]

(zie punt 23)

2.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 1215/2012 – Bijzondere bevoegdheden – Bevoegdheid inzake verbintenissen uit overeenkomst – Bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad – Criteria voor de afbakening van verbintenissen uit overeenkomst ten opzichte van verbintenissen uit onrechtmatige daad – Vordering die is ingesteld tussen contractpartijen – Inaanmerkingneming van de verbintenis die aan deze vordering ten grondslag ligt

(Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, punten 1 en 2)

(zie punten 26 en 31‑33)

3.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 1215/2012 – Bijzondere bevoegdheden – Bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad – Begrip – Vordering tot staking van handelspraktijken in het kader van de contractuele relatie tussen de verzoekende partij en de verwerende partij – Vordering die is gebaseerd op een verwijt dat in strijd met het mededingingsrecht misbruik wordt gemaakt van een machtspositie – Daaronder begrepen

(Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, punt 2)

(zie punten 33‑38 en dictum)

Samenvatting

Een hotel dat gebruikmaakt van het platform Booking.com, kan dit platform in beginsel oproepen voor een gerecht van de lidstaat waar dit hotel is gevestigd, om een einde te maken aan een eventueel misbruik van machtspositie

Hoewel de aldus betwiste gedragingen plaatsvinden in het kader van een contractuele relatie, is de in de Brussel I bisverordening neergelegde regel inzake bijzondere bevoegdheid voor verbintenissen uit onrechtmatige daad daarop van toepassing

Wikingerhof GmbH & Co. KG, een vennootschap naar Duits recht die in Duitsland een hotel exploiteert, heeft in 2009 een overeenkomst gesloten met Booking.com BV, een in Nederland gevestigde vennootschap naar Nederlands recht die een platform voor het reserveren van accommodatie exploiteert. Het ging hierbij om een door Booking.com verstrekte standaardovereenkomst waarin onder meer het volgende was bepaald: „Het hotel verklaart een kopie van versie 0208 van de algemene voorwaarden [...] van Booking.com te hebben ontvangen. Deze zijn online beschikbaar op Booking.com [...]. Het hotel bevestigt dat het de voorwaarden heeft gelezen en begrepen en daarmee instemt. De voorwaarden vormen een integrerend bestanddeel van deze overeenkomst [...]”. Vervolgens heeft Booking.com haar algemene voorwaarden, die toegankelijk zijn op het Extranet van deze vennootschap, herhaaldelijk gewijzigd.

Wikingerhof heeft schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de opname in de betrokken overeenkomst van een nieuwe versie van de algemene voorwaarden, die Booking.com op 25 juni 2015 ter kennis van haar contractpartners heeft gebracht. Wikingerhof was van mening dat zij, vanwege de machtspositie van Booking.com op de markt van bemiddelingsdiensten en websites voor de reservering van accommodatie, geen andere keuze had dan deze overeenkomst te sluiten en de gevolgen van de latere wijzigingen van de algemene voorwaarden van Booking.com te ondergaan, ook al zijn bepaalde praktijken van Booking.com onbillijk en dus in strijd met het mededingingsrecht.

Vervolgens heeft Wikingerhof bij het Landgericht Kiel (rechter in eerste aanleg Kiel, Duitsland) een rechtsvordering ingesteld. Zij eiste dat het Booking.com zou worden verboden (i) om de door Wikingerhof opgegeven prijs zonder haar toestemming op het platform voor de reservering van accommodatie aan te duiden als een „voordeelprijs” of een „prijs met korting”, (ii) om haar de toegang te ontzeggen tot de contactgegevens die haar contractpartners op dat platform hebben meegedeeld en (iii) om de positie die het door haar geëxploiteerde hotel inneemt in de zoekresultaten afhankelijk te stellen van een provisie van meer dan 15 %. Het Landgericht Kiel kwam tot de slotsom dat het geen territoriale en internationale bevoegdheid had. Dit werd in hoger beroep bevestigd door het Oberlandesgericht Schleswig (rechter in tweede aanleg Schleswig, Duitsland). Laatstgenoemde rechter oordeelde dat, naast het feit dat aan de Duitse gerechten geen algemene bevoegdheid toekwam krachtens verordening nr. 1215/2012(1) (Brussel I-bis verordening), omdat Booking.com in Nederland is gevestigd, in casu noch de bijzondere bevoegdheid van het gerecht van de plaats waar de contractuele verbintenis is of moet worden uitgevoerd in de zin van artikel 7, punt 1, onder a), van verordening 1215/2012, noch de bijzondere bevoegdheid van het gerecht van de plaats van het schadebrengende feit in de zin van artikel 7, punt 2, van die verordening vaststond.

Wikingerhof heeft beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland). Zij betoogde dat het Oberlandesgericht Schleswig ten onrechte heeft geoordeeld dat de betrokken vordering niet valt onder zijn bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad. Het Bundesgerichtshof heeft vervolgens het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing.

Het Hof wordt aldus gevraagd of artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 van toepassing is op een vordering tot staking van bepaalde gedragingen in het kader van de contractuele relatie tussen de verzoekende partij en de verwerende partij, die is gebaseerd op het verwijt dat laatstgenoemde in strijd met het mededingingsrecht misbruik maakt van een machtspositie.

Beoordeling door het Hof

In antwoord op deze vraag merkt het Hof op dat de toepasselijkheid van hetzij artikel 7, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012, hetzij artikel 7, punt 2, punt, daarvan onder meer afhangt van het onderzoek door de aangezochte rechter of sprake is van de specifieke in die bepalingen genoemde omstandigheden. Wanneer een verzoeker zich beroept op een van voornoemde regels, dient de aangezochte rechter dus na te gaan of de aanspraken van de verzoeker, ongeacht hoe zij naar nationaal recht worden gekwalificeerd, van contractuele aard zijn dan wel voortvloeien uit een onrechtmatige daad in de zin van die verordening. In het bijzonder moet de aangezochte rechter, teneinde een tussen de contractpartijen ingestelde vordering in te delen onder „verbintenissen uit overeenkomst” dan wel onder „verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van verordening nr. 1215/2012, de verbintenis – „uit overeenkomst” dan wel „uit onrechtmatige daad” – die eraan ten grondslag ligt onderzoeken.

Zo heeft een vordering betrekking op verbintenissen uit overeenkomst in de zin van artikel 7, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012, wanneer de uitlegging van de overeenkomst tussen verweerder en verzoeker noodzakelijk is om vast te stellen of de gedraging die laatstgenoemde verwijt aan eerstgenoemde, geoorloofd dan wel ongeoorloofd is. Wanneer de eiser zich in zijn verzoekschrift beroept op de regels inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, te weten schending van een wettelijk opgelegde verplichting, en het niet nodig lijkt de inhoud van de met de verweerder gesloten overeenkomst te onderzoeken om te beoordelen of de aan de verweerder verweten gedraging rechtmatig of onrechtmatig is, betreft de vordering daarentegen een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.

In casu beroept Wikingerhof zich in haar verzoekschrift op schending van het Duitse mededingingsrecht, dat een algemeen verbod op misbruik van machtspositie bevat, onafhankelijk van enige overeenkomst of andere vrijwillige verbintenis. De rechtsvraag die in het hoofdgeding centraal staat, is dus of Booking.com misbruik heeft gemaakt van een machtspositie in de zin van voornoemd mededingingsrecht. Om vast te stellen of de praktijken die Booking.com worden verweten volgens dat recht geoorloofd dan wel ongeoorloofd zijn, is het niet noodzakelijk om de overeenkomst tussen de partijen in het hoofdgeding uit te leggen, aangezien een dergelijke uitlegging hooguit noodzakelijk is om vast te stellen of die praktijken daadwerkelijk bestaan.

Het Hof komt, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, tot de slotsom dat de vordering van Wikingerhof – voor zover deze is gebaseerd op de wettelijke verplichting om geen misbruik te maken van een machtspositie – betrekking heeft op verbintenissen uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.


1      Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).