Language of document : ECLI:EU:C:2021:782

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Voltallige zitting)

30 september 2021 (*)

Inhoud


I. Toepasselijke bepalingen

A. Unierecht

1. VWEU

2. Statuut

3. Verordening nr. 2290/77

4. Richtlijn 2008/118

5. Verordening nr. 883/2013

6. Interne regels van de Rekenkamer

a) Reglement van orde

b) Besluit nr. 12003

c) Besluit nr. 72004

d) Besluit nr. 332004

e) Gedragscode van 2004

f) Besluit nr. 192009

g) Besluit nr. 662011

h) Gedragscode van 2012

i) Uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde

B. Luxemburgs recht

II. Aan het geding ten grondslag liggende feiten

III. Onderzoeken en procedures die zijn ingesteld

A. Voorlopige maatregelen van de Rekenkamer

B. Onderzoek van OLAF

C. Inleiding van de procedure binnen de Rekenkamer

D. Door de Luxemburgse autoriteiten ingeleide strafprocedure

IV. Conclusies van partijen

V. Verzoek tot schorsing van de onderhavige procedure

A. Argumenten van partijen

B. Beoordeling door het Hof

VI. Verzoek om overlegging te gelasten van bepaalde documenten

A. Argumenten van partijen

B. Beoordeling door het Hof

VII. Verzoek om een document uit het dossier te verwijderen

A. Argumenten van partijen

B. Beoordeling door het Hof

VIII. Beroep

A. Ontvankelijkheid van het beroep

1. Vermeende onverenigbaarheid van de onderhavige procedure met het recht op effectieve rechterlijke bescherming

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

2. Vermeende onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

3. Vermeende onregelmatigheid van de in de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

4. Beweerde vertraging waarmee het beroep van de Rekenkamer is ingesteld

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

B. Grieven

1. Vierde grief: niet-aangegeven en onwettige politieke activiteit en positie als beheerder van een vastgoedmaatschappij

a) Eerste onderdeel van de vierde grief: niet-aangegeven en onwettige uitoefening van een politieke activiteit

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Tweede onderdeel van de vierde grief: de niet-aangegeven en onwettige positie als beheerder van een vastgoedmaatschappij

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

2. Eerste grief: misbruik van de middelen van de Rekenkamer om activiteiten te financieren die geen verband hielden met zijn taken als lid van die instelling of daarmee niet verenigbaar waren

a) Ontvankelijkheid van de eerste grief

1) Uitoefening door Rekenkamer van haar beoordelingsbevoegdheid

i) Argumenten van partijen

ii) Beoordeling door het Hof

2) Presentatie van het verzoekschrift en ontvankelijkheid van de als bijlage bij de memorie van repliek gevoegde tabel

i) Argumenten van partijen

ii) Beoordeling door het Hof

b) Gegrondheid van de eerste grief

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

i) Schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen

ii) Dienstreiskosten en dagvergoedingen

– Verblijf in Crans-Montana

– Verblijf in Cuba

– Betrekkingen met politieke verantwoordelijken en bewegingen

– Betrekkingen met leiders van privébedrijven

– Betrekkingen met representatieve organen en verenigingen

– Uitoefenen van een toegestane externe activiteit

– Deelname aan jachtpartijen

– Andere door de Rekenkamer vermelde dienstreizen

iii) Representatie- en ontvangstkosten

– Representatiekosten voor betrekkingen met politieke verantwoordelijken

– Representatiekosten voor betrekkingen met andere personen

– Kosten voor recepties in de woning van Pinxten

iv) Gebruik van het dienstvoertuig en beroep op een chauffeur

– Vervoerskosten buiten dienstreizen van Pinxten

– Vervoerskosten voor de dienstreizen van Pinxten

– Gebruik van het dienstvoertuig zonder een beroep te doen op een chauffeur

3. Tweede grief: misbruik en onrechtmatig gebruik van fiscale voorrechten

a) Eerste onderdeel van de tweede grief: het houden en gebruiken van een tankkaart door een kind van Pinxten dat geen deel meer uitmaakte van zijn gezin

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Tweede onderdeel van de tweede grief: gebruik van een tankkaart om brandstof te kopen voor voertuigen van derden

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

4. Derde grief: valse verklaringen ten aanzien van de verzekeraar in het kader van vermeende ongevallen waarbij het dienstvoertuig en de aan het kabinet van Pinxten toegewezen chauffeur betrokken waren

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

5. Vijfde grief: door Pinxten gecreëerde situatie van een belangenconflict in het kader van een contact met het hoofd van een gecontroleerde entiteit

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

C. Vervallenverklaring van het recht op pensioen of van andere daarvoor in de plaats tredende voordelen

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Hof

IX. Door Pinxten ingediende vordering tot schadevergoeding

A. Argumenten van partijen

B. Beoordeling door het Hof

Kosten


„Artikel 286, lid 6, VWEU – Niet-nakoming van de uit de taak van een lid van de Europese Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen – Verval van het recht op pensioen – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Regelmatigheid van het onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) – Interne procedure bij de Rekenkamer – Activiteit die onverenigbaar is met de taken als lid van de Rekenkamer – Dienstreiskosten en dagvergoedingen – Representatie- en ontvangstkosten – Gebruik van het dienstvoertuig – Beroep op de diensten van een chauffeur – Belangenconflict – Evenredigheid van de sanctie”

In zaak C‑130/19,

betreffende een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU, ingesteld op 15 februari 2019,

Europese Rekenkamer, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Lesauvage, J. Vermer en É. von Bardeleben, vervolgens door C. Lesauvage als gemachtigden,

verzoekster,

tegen

Karel Pinxten, vertegenwoordigd door L. Levi, advocaat,

verweerder,

wijst

HET HOF (Voltallige zitting),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, vicepresident, waarnemend voor de president, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, M. Vilaras, E. Regan, M. Ilešič, L. Bay Larsen (rapporteur) en N. Piçarra, kamerpresidenten, T. von Danwitz, C. Toader, M. Safjan, D. Šváby, S. Rodin, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, P. G. Xuereb, L. S. Rossi en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: V. Giacobbo, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 september 2020,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 december 2020,

het navolgende

Arrest

1        Met haar beroep verzoekt de Europese Rekenkamer het Hof vast te stellen dat Karel Pinxten heeft opgehouden aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen, en bijgevolg de in artikel 286, lid 6, VWEU vastgestelde sanctie uit te spreken.

I.      Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      VWEU

2        Artikel 285 VWEU bepaalt:

„De Rekenkamer verricht de controle van de rekeningen van de [Europese] Unie.

In de Rekenkamer heeft één onderdaan van iedere lidstaat zitting. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit, in het algemeen belang van de Unie.”

3        Artikel 286 VWEU bepaalt in de leden 1, 3, 4 en 6:

„1.      De leden van de Rekenkamer worden gekozen uit personen die in hun eigen staat behoren of behoord hebben tot de externe controle-instanties of die voor deze functie bijzonder geschikt zijn. Zij moeten alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden.

[...]

3.      Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden de leden van de Rekenkamer instructies van enige regering of enig lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt.

4.      De leden van de Rekenkamer mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode.

[...]

6.      De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij hebben opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen.”

4        Artikel 287, lid 2, VWEU luidt:

„De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.

[...]”

2.      Statuut

5        Artikel 11, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 (PB 2004, L 124, blz. 1; hierna: „Statuut”), luidt als volgt:

„De ambtenaar mag, zonder machtiging van het tot aanstelling bevoegde gezag, van een regering of wie dan ook buiten zijn instelling, geen eerbewijzen, onderscheidingen, gunsten, giften of beloningen van welke aard ook aanvaarden, behalve wegens vóór zijn aanstelling bewezen diensten of wegens diensten welke gedurende een bijzonder verlof ter zake van militaire dienst of andere nationale dienst uit hoofde van zodanige dienst zijn bewezen.”

6        Artikel 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut preciseert in de eerste alinea:

„Als te zijnen laste komend kind wordt aangemerkt: een wettig, onwettig of geadopteerd kind van de ambtenaar of van diens echtgenoot, dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden.”

7        Artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut bepaalt:

„Indien tegen de ambtenaar naar aanleiding van dezelfde feiten een strafrechtelijke vervolging is ingesteld, wordt zijn positie pas definitief geregeld nadat de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.”

3.      Verordening nr. 2290/77

8        Artikel 7 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2290/77 van de Raad van 18 oktober 1977 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer (PB 1977, L 268, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1293/2004 van de Raad van 30 april 2004 (PB 2004, L 243, blz. 26) (hierna: „verordening nr. 2290/77”), luidde als volgt:

„Het lid van de Rekenkamer, dat zich voor de uitoefening van zijn ambt moet begeven buiten de plaats waar de Rekenkamer voorlopig is gevestigd, geniet:

a)      vergoeding van zijn reiskosten;

b)      vergoeding van zijn hotelkosten (kamerprijs, bedieningsgeld en belastingen, met uitsluiting van alle andere kosten);

c)      een vergoeding per gehele dag, gelijk aan 105 % van de dagvergoeding voor dienstreizen die in het [Statuut] is vastgesteld.”

4.      Richtlijn 2008/118

9        Artikel 12 van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12), luidt als volgt:

„1.      Accijnsgoederen zijn vrijgesteld van de betaling van accijns wanneer zij bestemd zijn om te worden gebruikt:

a)      in het kader van diplomatieke of consulaire betrekkingen;

b)      door internationale instellingen die als dusdanig door de overheid van de gastlidstaat zijn erkend, alsmede door de leden van deze instellingen, zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de internationale verdragen tot oprichting van deze instellingen of bij de vestigingsovereenkomsten;

[...]

2.      De vrijstellingen zijn afhankelijk van de voorwaarden en beperkingen die door de gastlidstaat worden vastgesteld. De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen door middel van teruggaaf van de accijns.”

5.      Verordeningnr. 883/2013

10      Artikel 1 van verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1), bepaalt in lid 1:

„Met het oog op een krachtigere bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie [...] worden geschaad, verricht het Europees Bureau voor fraudebestrijding [(OLAF)] de onderzoekstaken die zijn toevertrouwd aan de [Europese] Commissie [...]

[...]”.

11      Artikel 4 van verordening nr. 883/2013 bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      [OLAF] verricht binnen de instellingen, organen en instanties administratieve onderzoeken op de in artikel 1 bedoelde terreinen [...].

Deze interne onderzoeken worden verricht onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in deze verordening en in de besluiten van de respectieve instellingen, organen of instanties.

2.      Voor zover de in lid 1 vermelde bepalingen worden nageleefd:

a)      heeft [OLAF] zonder voorafgaande waarschuwing onmiddellijke toegang tot alle relevante informatie, inclusief informatie in databases, die in het bezit is van de instellingen, organen en instanties, alsmede tot hun gebouwen. [...] [OLAF] kan alle documenten en de inhoud van alle geautomatiseerde bestanden die deze instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben, kopiëren of daarvan uittreksels verkrijgen [...];

[...]”

12      Artikel 5 van deze verordening bepaalt in de leden 1 tot en met 3:

„1.      De directeur-generaal kan een onderzoek openen bij voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook indien de desbetreffende informatie door derden of anoniem wordt verstrekt. [...]

2.      [...]

Het besluit om een intern onderzoek te openen, wordt genomen door de directeur-generaal, die handelt op eigen initiatief dan wel op verzoek van de instelling, het orgaan of de instantie waarbij het onderzoek moet worden verricht of op verzoek van een lidstaat.

3.      Zolang de directeur-generaal overweegt om naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in lid 2 al dan niet een onderzoek te openen, en/of wanneer [OLAF] een intern onderzoek verricht, openen de instellingen, organen en instanties in kwestie geen parallel onderzoek naar dezelfde feiten, tenzij anderszins met [OLAF] is overeengekomen.”

13      Artikel 7, lid 2, van deze verordening luidt:

„De personeelsleden van [OLAF] verrichten hun taken na vertoon van een schriftelijke machtiging, waarin hun identiteit en hun hoedanigheid zijn vermeld. De directeur-generaal verstrekt die machtiging, waarin het voorwerp en het doel van het onderzoek, de rechtsgronden voor het verrichten van dit onderzoek en de daaruit voortvloeiende onderzoeksbevoegdheden zijn vermeld.”

14      Artikel 9 van die verordening preciseert in lid 4:

„Onverminderd artikel 4, lid 6, en artikel 7, lid 6, mogen na afloop van het onderzoek geen conclusies over een met naam genoemde betrokken persoon worden getrokken zonder dat die persoon in de gelegenheid wordt gesteld om zijn oordeel te geven over alle feiten die op hem betrekking hebben.

[...]”

15      Artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2013 luidt als volgt:

„De na afloop van een intern onderzoek opgestelde verslagen en aanbevelingen en alle relevante daarmee verband houdende documenten worden aan de betrokken instellingen, organen of instanties toegezonden. Die instellingen, organen of instanties ondernemen de acties, in het bijzonder de acties van tuchtrechtelijke of juridische aard, die op grond van de resultaten van het interne onderzoek geboden zijn en brengen daarover verslag uit aan [OLAF] binnen de in de aanbevelingen die het verslag vergezellen bepaalde termijn, en bovendien op verzoek van [OLAF].”

6.      Interne regels van de Rekenkamer

a)      Reglement van orde

16      Artikel 4 van het reglement van orde van de Rekenkamer (hierna: „reglement van orde”) luidt als volgt:

„1.      Wanneer de Rekenkamer bij meerderheid van stemmen van haar leden van oordeel is dat op grond van de haar verstrekte informatie kan worden vastgesteld dat een lid heeft opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt of aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen (artikel 286, lid 6, [VWEU]), belast zij de president [...] met de opstelling van een voorbereidend verslag.

2.      Het voorbereidend verslag wordt, vergezeld van bewijsstukken, toegezonden aan alle leden, met inbegrip van het betrokken lid, dat in antwoord daarop binnen een redelijke termijn, gesteld door de president of, indien de president het betrokken lid is, door het lid dat in rangorde op hem volgt, zijn schriftelijke opmerkingen indient.

3.      Het betrokken lid zal ook worden uitgenodigd om zijn zaak mondeling voor de Rekenkamer toe te lichten.

4.      Het besluit om zich tot het Hof te wenden om het betrokken lid van zijn ambt te ontheffen en/of hem van zijn recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen te verklaren, wordt bij geheime stemming met een meerderheid van vier vijfde van de leden van de Rekenkamer genomen. Het betrokken lid neemt niet aan de stemming deel.”

17      Artikel 23 van het reglement van orde bepaalt:

„Van iedere vergadering van de Rekenkamer worden notulen opgesteld.”

18      Artikel 25, lid 3, van het reglement van orde luidt:

„Onverminderd de artikelen 4, lid 4, en 7, lid 2, worden de overige besluiten genomen bij meerderheid van stemmen van de ter vergadering aanwezige leden van de Rekenkamer. Op voorstel van een lid kan de Rekenkamer evenwel bij meerderheid van stemmen van de ter vergadering aanwezige leden verklaren dat een besluit over een bepaalde aan haar voorgelegde kwestie bij meerderheid van stemmen van de leden van de Rekenkamer dient te worden genomen.”

b)      Besluit nr. 12003

19      Artikel 1 van besluit nr. 1‑2003 van de Rekenkamer van 16 januari 2003 betreffende de dienstreiskosten van de leden van de Rekenkamer, van toepassing ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep (hierna: „besluit nr. 1‑2003”), preciseerde:

„De juridische verbintenissen (te weten de dienstreisopdrachten) moeten wat de dienstreiskosten betreft zo spoedig mogelijk worden aangevraagd. De ordonnateur voor de dienstreiskosten van de leden is de president van de Rekenkamer. [...]”

20      Artikel 3 van dit besluit luidde:

„Tijdens hun dienstreizen mogen de leden zich verplaatsen per dienstvoertuig, per vliegtuig, per spoor of per schip.”

21      Artikel 5 van dit besluit bepaalde:

„Vergoeding van dienstreiskosten wordt zo spoedig mogelijk na terugkeer van het lid aangevraagd. Hotelkosten (uitgezonderd maaltijden) komen in aanmerking voor vergoeding.”

22      Artikel 6 van dat besluit luidde als volgt:

„Voor dienstreizen van minder dan twaalf uur op één dag, wordt de helft van de desbetreffende dagvergoeding betaald. In alle andere gevallen wordt de dagvergoeding volledig uitbetaald.”

c)      Besluit nr. 72004

23      Artikel 2 van besluit nr. 7‑2004 van de Rekenkamer van 22 april 2004 betreffende de representatie- en ontvangstkosten van haar leden, van toepassing ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep (hierna: „besluit nr. 7‑2004”), luidde als volgt:

„Aan het begin van elk begrotingsjaar en na raadpleging van de leden worden de kredieten in twee delen verdeeld:

[...]

–        Een tweede deel, B genaamd, is bestemd voor de algemene representatie- en ontvangstuitgaven die de leden doen in hun hoedanigheid van lid van een instelling. Deze uitgaven worden aan het eind van elk trimester terugbetaald op basis van aangiften waarbij ontvangstbewijzen of andere gelijkwaardig geachte schriftelijke bewijsstukken zijn gevoegd, met vermelding van de datum van de uitnodiging, het aantal gasten en de hoedanigheid van de hoofdgast. [...]”

24      Artikel 6 van dit besluit bepaalde:

„Voor ontvangsten aan huis vergoedt de Rekenkamer de gemaakte kosten ten belope van de overgelegde bewijsstukken.”

25      Dit besluit ging vergezeld van een nota ter attentie van de leden van de Rekenkamer van 22 april 2004 met „suggesties in verband met de representatie- en ontvangstkosten” (hierna: „nota van 22 april 2004”). Hierin stond te lezen:

„[...]

De representatiekosten zijn hoofdzakelijk bedoeld om de externe betrekkingen van de Rekenkamer te bevorderen.

De leden vertegenwoordigen de Rekenkamer met name wanneer zij in het belang van de Rekenkamer professionele betrekkingen onderhouden met personen die functies uitoefenen binnen de [...] Unie, de lidstaten of andere landen.

[...]

De uitgaven voor elk evenement moeten in verhouding staan tot het belang ervan en de hoedanigheid van de deelnemers.

Wanneer de leden de Rekenkamer vertegenwoordigen, mogen ook hun echtgenoot/partner deelnemen aan het evenement. Ook de genodigden mogen worden vergezeld.

Wat vrienden of persoonlijke contacten betreft gaat het noodzakelijkerwijs om privé-uitnodigingen.

[...]

In bijlage 1 worden hiervoor richtsnoeren gegeven.

De uitgaven moeten duidelijk en beknopt worden aangegeven met behulp van bijlage 2.”

26      Bijlage 1 bij deze nota verduidelijkte dat „representaties/ontvangsten buiten de Rekenkamer in de regel betrekking moeten hebben op personen die vooraanstaande functies uitoefenen binnen de Unie [...], de lidstaten of andere landen” en dat uitgaven voor representaties/ontvangsten in de privéwoning van het lid „niet groter mogen zijn dan hetgeen daartoe noodzakelijk is, bloemstukken inbegrepen”.

27      In deze bijlage stond tevens dat „[w]anneer op de gastenlijst, naast personen van buiten de instelling, ook personeelsleden van de Rekenkamer staan, een billijk evenwicht tussen beide categorieën moet worden bewaard”, en dat „persoonlijke vrienden en familieleden (met uitzondering van de echtgenoot/partner) privé moeten worden uitgenodigd op kosten van het lid”.

d)      Besluit nr. 332004

28      Artikel 1 van besluit nr. 33‑2004 van de Rekenkamer van 15 juni 2004 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Europese Rekenkamer, van toepassing ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep en tot aan de inwerkingtreding van besluit nr. 19‑2009 van de Rekenkamer van 20 april 2009 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Europese Rekenkamer (hierna: „besluit nr. 33‑2004”), bepaalde:

„Dienstvoertuigen worden permanent ter beschikking gesteld van de leden en van de secretaris-generaal van de Rekenkamer voor verplaatsingen in het kader van hun taken.”

29      Artikel 4 van dit besluit luidde als volgt:

„De Rekenkamer draagt, naast de huurkosten, ook de kosten van het gebruik van het voertuig door de leden en de secretaris-generaal in de uitvoering van hun taken.

Als verplaatsingen in de uitvoering van de taken worden beschouwd:

–        verplaatsingen die gepaard gaan met een dienstreisopdracht,

–        andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken, forfaitair geraamd op 15 000 km/jaar.”

30      Artikel 5 van dat besluit luidde:

„Wanneer de leden of de secretaris-generaal het dienstvoertuig gebruiken voor andere verplaatsingen dan die bedoeld in artikel 4, komen de desbetreffende kosten (tolgeld, brandstofkosten en eventuele extra huurkosten bij een totale overschrijding van 45 000 km/jaar zoals vastgesteld in de kaderovereenkomst) voor hun rekening.”

31      Artikel 6 van dat besluit bepaalde:

„De chauffeurs hebben recht op vergoeding van de dienstreiskosten [...] wanneer zij de leden of de secretaris-generaal vervoeren bij hun verplaatsingen in de uitvoering van hun taken.”

32      Besluit nr. 33‑2004 ging vergezeld van een document getiteld „Opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer” (hierna: „opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004”).

33      In de opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 stond met betrekking tot artikel 4 van dit besluit te lezen:

„Als ‚andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken’ worden beschouwd:

–        trajecten tussen de woonplaats (op de standplaats) en de werkplek,

–        trajecten tussen de standplaats/woning en een luchthaven,

–        protocolverplichtingen die binnen een beperkte omtrek plaatsvinden en die niet onder een dienstreisopdracht vallen,

–        gevallen van overmacht (ziekte, medische controles, onmogelijkheid om te rijden, enz.).”

e)      Gedragscode van 2004

34      Artikel 4 van de gedragscode van toepassing op de leden van de Rekenkamer, vastgesteld door die instelling op 16 december 2004 (hierna: „gedragscode van 2004”), bepaalde:

„1.      De leden van de Rekenkamer wijden zich volledig aan de uitoefening van hun mandaat. Zij mogen geen enkele politieke functie vervullen. Zij onthouden zich van alle externe beroepswerkzaamheden en van alle andere externe activiteiten die onverenigbaar zijn met hun beschikbaarheidsplicht bij de uitoefening van hun taken.

[...]

3.      De leden vermelden hun nevenactiviteiten [...]”.

f)      Besluit nr. 192009

35      In de artikelen 1 en 4 tot en met 6 van besluit nr. 19‑2009 werd de tekst van de overeenkomstige artikelen van besluit nr. 33‑2004 overgenomen.

36      Artikel 7 van besluit nr. 19‑2009 luidde:

„Dit besluit annuleert en vervangt besluit nr. 33‑2004. Het treedt in werking op dezelfde datum als de nieuwe interinstitutionele kaderovereenkomst voor huurwagens.”

37      Besluit nr. 19‑2009 ging vergezeld van een document getiteld „Opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer” (hierna: „opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009”).

38      De opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009 met betrekking tot artikel 4 van dit besluit waren dezelfde als die bij besluit nr. 33‑2004 met betrekking tot artikel 4 daarvan.

g)      Besluit nr. 662011

39      Artikel 1 van besluit nr. 66‑2011 van de Rekenkamer van 26 oktober 2011 houdende de gedragscode voor de Europese Rekenkamer luidt:

„Deze Gedragscode is van toepassing op de [...] Rekenkamer [...]”.

40      De bij dit besluit gevoegde gedragscode (hierna: „gedragscode voor de Europese Rekenkamer”) bepaalt:

„[...]

2.2.      We beheren de middelen van de Rekenkamer op een wettige, regelmatige wijze en in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer. De Rekenkamer dient te handelen als een rolmodel op het gebied van financieel beheer: haar middelen dienen te worden beheerd in volledige overeenstemming met het Financieel Reglement en met elke andere toepasselijke regel. Haar doelstellingen dienen te worden verwezenlijkt op een spaarzame, doelmatige en doeltreffende wijze.

[...]

3.3.      We vermijden elk daadwerkelijk of schijnbaar belangenconflict. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij lidmaatschap van politieke organisaties, politieke ambten, lidmaatschap van besturen en financiële belangen in gecontroleerde entiteiten. We besteden bijzondere aandacht aan deze kwesties en aan de mogelijke perceptie daarvan door derden.

3.4.      We onderhouden geen enkele band met de gecontroleerde entiteit die onze onafhankelijkheid kan aantasten. Familie‑ en/of persoonlijke relaties met personeel in de gecontroleerde entiteit die de resultaten van ons werk kunnen beïnvloeden, vallen onder de situaties die de onafhankelijkheid kunnen aantasten. Voordat de controletaak wordt uitgevoerd dient de mogelijke impact van een dergelijke relatie te worden beoordeeld en de leidinggevende te worden ingelicht; hiertoe heeft de Rekenkamer een jaarlijkse confirmatieprocedure ingevoerd.

[...]

3.7.      We voeren alleen externe activiteiten uit die binnen het kader van het Statuut vallen en zijn ons te allen tijde bewust van onze loyaliteitsverplichting tegenover de Rekenkamer. We onthouden ons van elke activiteit die de reputatie van de Rekenkamer kan schaden, twijfel doet rijzen over onze onpartijdigheid of ons in ons werk belemmert.

[...]”

h)      Gedragscode van 2012

41      Artikel 2 van de gedragscode van toepassing op de leden van de Rekenkamer, vastgesteld door die instelling op 8 februari 2012 (hierna: „gedragscode van 2012”), bepaalde in de leden 1, 2 en 4:

„1.      De leden vermijden elke situatie die kan leiden tot een belangenconflict. Zij behandelen geen kwesties waarbij zij een persoonlijk belang hebben, met name een familie‑ of financieel belang, waardoor hun onpartijdigheid in het gedrang kan komen. [...]

2.      De leden van de Rekenkamer doen een opgave van hun financiële belangen en hun vermogen waaruit bij de uitvoering van hun ambt mogelijk belangenconflicten kunnen voortvloeien, ongeacht of het gaat om individuele deelnemingen in bedrijfskapitaal, met name aandelen, dan wel om andere vormen van deelnemingen zoals converteerbare obligaties of beleggingscertificaten. [...] Enig onroerend goed dat direct of via een vastgoedbedrijf in eigendom is, moet worden aangegeven, met uitzondering van woningen die uitsluitend worden gebruikt door de eigenaar of zijn familie.

[...]

4.      Bij hun ambtsaanvaarding dienen de leden de in de voorgaande paragrafen genoemde opgave toe te sturen aan de President van de Rekenkamer met gebruikmaking van het in de bijlage opgenomen formulier. [...] De opgave moet bij ingrijpende wijzigingen worden herzien en opnieuw worden ingediend. [...]”

42      Artikel 4 van de gedragscode van 2012 luidde:

„1.      De leden van de Rekenkamer wijden zich volledig aan de uitoefening van hun mandaat. Zij mogen geen enkele politieke functie vervullen.

2.      De leden onthouden zich van alle externe beroepswerkzaamheden en van alle andere externe activiteiten die niet verenigbaar zijn met de uitoefening van hun ambt.

[...]

6.      De leden vermelden hun nevenactiviteiten, met uitzondering van de in lid 4 genoemde activiteiten, in de opgave van belangen waar in artikel 2 naar wordt verwezen.”

i)       Uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde

43      Tijdens de twee mandaten van Pinxten als lid van de Rekenkamer werden de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde achtereenvolgens geregeld bij besluit nr. 92‑2004 van de Rekenkamer van 8 december 2004, besluit nr. 26‑2010 van de Rekenkamer van 11 maart 2010 en besluit nr. 38‑2016 van de Rekenkamer van 2 juni 2016 (hierna: „uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde”). Deze besluiten zijn gewijzigd alvorens te worden ingetrokken.

44      De voor de onderhavige procedure relevante bepalingen zijn in die periode niet wezenlijk gewijzigd.

45      Artikel 5 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde luidde als volgt:

„1.      De leden onthouden zich van alle externe beroepswerkzaamheden en van elke andere externe activiteit die onverenigbaar is met de beginselen van onafhankelijkheid en beschikbaarheid bij de uitoefening van hun taken als bedoeld in artikel 286, de leden 3 en 4, VWEU.

2.      Hiertoe zal elke feitelijke of beoogde externe activiteit worden beoordeeld in het licht van de volgende algemene criteria:

a)      met de activiteit wordt de onpartijdigheid van de Rekenkamer niet ondermijnd;

b)      er is geen sprake van belangenverstrengeling;

c)      de activiteit legt geen buitensporig beslag op beschikbare tijd;

d)      de activiteit levert geen geldelijk gewin op.”

46      Artikel 6 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde bepaalde in de leden 1 en 2:

„1.      Binnen een termijn van maximaal dertig werkdagen, te rekenen vanaf de ambtsaanvaarding, doet elk lid aan de president van de Rekenkamer opgave van zijn externe werkzaamheden en beschrijft hij deze zo nauwkeurig mogelijk, gelet op elk van de vier in artikel 5, lid 2, omschreven criteria.

2.      Elke nieuwe externe activiteit anders dan de in lid 1 genoemde activiteiten [...] moet onverwijld aan de president van de Rekenkamer worden gemeld. [...]”

47      Artikel 8 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde bepaalde in de eerste alinea:

„De vergaderingen die in het kader van de procedure van artikel 4 van het Reglement van orde worden gehouden, zijn besloten in de zin van artikel 49 van deze uitvoeringsbepalingen.”

48      Artikel 39 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde preciseerde in lid 1:

„De secretaris-generaal is belast met het secretariaat van de Rekenkamer en als zodanig onder meer verantwoordelijk voor het opmaken van de ontwerpnotulen van de vergaderingen van de Rekenkamer [...]. Hij ondersteunt de president bij de voorbereiding van de vergaderingen van de Rekenkamer, de naleving van de procedures en de correcte uitvoering van de besluiten van de Rekenkamer.”

49      Artikel 49, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde bepaalde:

„Bij besloten vergaderingen zijn geen tolken of personeelsleden van de Rekenkamer aanwezig, tenzij tijdens een voorafgaande vergadering van de Rekenkamer of de kamer anders is besloten.”

50      Artikel 50, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde luidde:

„De ontwerpnotulen van de vergaderingen van de Rekenkamer worden opgesteld door de secretaris-generaal of door ieder ander daartoe aangewezen persoon. Ze worden zo spoedig mogelijk aan de leden toegezonden en tijdens een volgende vergadering door de Rekenkamer goedgekeurd.”

B.      Luxemburgs recht

51      Règlement ministériel du 18 mars 2010, portant publication de la loi belge du 22 décembre 2009 relative au régime général d’accise transposant la directive 2008/118 et abrogeant la directive 92/12/CEE en la matière (ministeriële verordening van 18 maart 2010 houdende bekendmaking van de Belgische wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen en tot omzetting van richtlijn 2008/118 en intrekking van richtlijn 92/12/EEG op hetzelfde gebied; hierna: „ministeriële verordening van 18 maart 2010”), bepaalt in artikel 1:

„De Belgische wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen wordt bekendgemaakt in de Mémorial om in het Groothertogdom Luxemburg te worden uitgevoerd.”

52      Artikel 13 van de Belgische wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, die krachtens artikel 1 van de ministeriële verordening van 18 maart 2010 geldt in Luxemburg, luidt als volgt:

„In het kader van de vrijstellingsregeling inzake accijnzen die op hen van toepassing is, zijn de diplomaten, consulaire ambtenaren, strijdkrachten en instellingen bedoeld in artikel 20, 7° tot en met 12°, van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen gemachtigd om onder een accijnsschorsingsregeling accijnsgoederen te ontvangen herkomstig uit andere lidstaten [...]”.

53      Artikel 20, 7°, van de Belgische algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen luidt:

„Tenzij een internationaal verdrag of zetelverdrag anders bepaalt, wordt onder door de Koning te bepalen voorwaarden en eventuele beperkingen op de redelijke hoeveelheden vrijstelling van accijnzen verleend:

[...]

7°      voor redelijke hoeveelheden van goederen welke bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van diplomatieke ambtenaren, van consulaire beroepsambtenaren, van leden van het administratieve en technisch personeel van de diplomatieke zendingen en van consulaire bedienden, in functie in het land, voor zover de belanghebbenden geen Belgische onderdanen zijn of geen permanent verblijf houden in België en er geen beroeps- of handelsactiviteiten uitoefenen tot hun persoonlijk voordeel”.

54      Artikel 1, onder c) en f), van het règlement grand-ducal du 7 février 2013, concernant les franchises et exonérations de la taxe sur la valeur ajoutée accordées aux missions diplomatiques et aux postes consulaires, ainsi qu’aux agents diplomatiques, aux fonctionnaires consulaires et aux agents de chancellerie (Luxemburgse verordening van 7 februari 2013 betreffende ontheffingen en vrijstellingen van de belasting over de toegevoegde waarde voor diplomatieke zendingen, consulaire posten, diplomatieke ambtenaren, consulaire ambtenaren en ambassadepersoneel (hierna: „Luxemburgse verordening van 7 februari 2013”), luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

c)      diplomatieke ambtenaren: hoofden van diplomatieke zendingen, ministers-raadgevers, raadgevers, secretarissen en medewerkers van diplomatieke zendingen, voor zover de belanghebbenden geen onderdanen zijn van of permanent verblijf houden in het Groothertogdom Luxemburg en er geen winstgevende privéactiviteiten uitoefenen;

[...]

f)      persoonlijk gebruik door diplomatieke ambtenaren, consulaire ambtenaren en ambassadepersoneel: rechtstreeks, daadwerkelijk en exclusief gebruik binnen het land voor de eigen en privébehoeften van deze ambtenaren en personeelsleden en die van inwonende gezinsleden, voor zover deze laatsten geen onderdanen zijn van of permanent verblijf houden in het Groothertogdom Luxemburg en er geen winstgevende privéactiviteiten uitoefenen”.

55      Artikel 4, lid 1, van deze Luxemburgse verordening preciseert:

„Van de belasting over de toegevoegde waarde zijn vrijgesteld leveringen van goederen en diensten ten bedrage van minstens 240 EUR elk, exclusief belasting, daaronder begrepen leveringen in een andere lidstaat, ten behoeve van diplomatieke ambtenaren, consulaire ambtenaren en ambassadepersoneel van wie het Groothertogdom Luxemburg het gastland is [...]”.

II.    Aan het geding ten grondslag liggende feiten

56      Pinxten was lid van de Rekenkamer van 1 maart 2006 tot en met 30 april 2018 en heeft daar twee mandaten volbracht.

57      Hij was gedurende deze mandaten toegewezen aan kamer III van die instelling, die verantwoordelijk is voor de controle van de uitgaven van de Unie op het gebied van externe betrekkingen, uitbreiding en humanitaire hulp. Van 4 april 2011 tot aan het eind van zijn laatste mandaat heeft Pinxten het ambt van deken van kamer III bekleed.

58      Na een gunstig advies van het comité belast met de beoordeling van de externe activiteiten van de leden van de Rekenkamer, heeft Pinxten bij besluit van 30 april 2015 toestemming gekregen om voorzitter te zijn van de Stichting Behoud Natuur en Leefmilieu Vlaanderen (België) (hierna: „SBNL‑V”).

59      Pinxten beschikte tijdens zijn ambtstermijnen over een dienstvoertuig en een tankkaart. Door middel van deze tankkaart kon de brandstof voor dit voertuig in rekening worden gebracht aan de Rekenkamer. Hij kreeg op zijn verzoek ook twee extra tankkaarten.

60      Van 2006 tot en met maart 2014 stelde de Rekenkamer Pinxten een chauffeur ter beschikking. Vanaf april 2014 kon Pinxten een beroep doen op een chauffeur uit de onder de verantwoordelijkheid van de directeur Financiën van de Rekenkamer vallende „pool van chauffeurs”.

61      Verder is Pinxten tijdens zijn mandaten vergoed voor representatie- en ontvangstkosten en voor diverse kosten die hij had gemaakt tijdens dienstreizen die op zijn verzoek door de president van de Rekenkamer waren goedgekeurd. Hij heeft tevens dagvergoedingen voor deze dienstreizen ontvangen.

III. Onderzoeken en procedures die zijn ingesteld

A.      Voorlopige maatregelen van de Rekenkamer

62      De Rekenkamer geeft aan dat zij in 2016 informatie heeft ontvangen over verschillende ernstige onregelmatigheden die Pinxten werden verweten. Op 18 juli 2016 heeft de secretaris-generaal van die instelling Pinxten mondeling in kennis gesteld van de tegen hem geuite beschuldigingen.

63      De diensten van de Rekenkamer hebben in de zomer van 2016 een analyse verricht van de dienstreizen van Pinxten en van die van de chauffeurs van die instelling voor wie hij dienstreisopdrachten had opgesteld, teneinde mogelijke onregelmatigheden op te sporen. Vervolgens zijn er tussen die diensten en Pinxten verschillende brieven uitgewisseld over de beweerde onregelmatigheid van bepaalde van zijn dienstreizen of die van deze chauffeurs. Deze uitwisselingen hebben niet geleid tot de terugbetaling door Pinxten van de door de Rekenkamer gevorderde bedragen.

64      Op 26 juli 2016 zou de Rekenkamer ervan in kennis zijn gesteld dat Pinxten in 2011, na een incident tussen zijn dienstvoertuig en zijn eigen privévoertuig, verzekeringsfraude had gepleegd. Op 1 september 2016 heeft de secretaris-generaal van die instelling deze aantijgingen mondeling aan Pinxten gemeld. In een nota van dezelfde dag heeft laatstgenoemde beweerd dat het ongeval in kwestie het gevolg was van een botsing tussen zijn dienstvoertuig, bestuurd door de aan zijn kabinet toegewezen chauffeur, en zijn privévoertuig, bestuurd door zijn zoon.

B.      Onderzoek van OLAF

65      Op 14 oktober 2016 heeft de secretaris-generaal van de Rekenkamer in opdracht van de president van die instelling OLAF een dossier toegezonden over de activiteiten van Pinxten die mogelijk tot onverschuldigde uitgaven ten laste van de begroting van de Unie hadden geleid.

66      Op 31 maart 2017 heeft de directeur-generaal van OLAF de president van de Rekenkamer formeel in kennis gesteld van de opening van een onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden – waarbij Pinxten betrokken was en waardoor de financiële belangen van de Unie waren geschaad – bij het gebruik van de middelen van de Rekenkamer en bij de dienstreizen die in strijd met de toepasselijke regels waren uitgevoerd of goedgekeurd.

67      Op 22 september 2017 is Pinxten door OLAF in kennis gesteld van de opening van dit onderzoek en van zijn status als „betrokken persoon” in het kader daarvan.

68      Op 20 november 2017 heeft OLAF een inspectie uitgevoerd in de lokalen van het kabinet van Pinxten en daarbij diverse documenten verzameld. Na een eerste analyse daarvan heeft OLAF Pinxten op 15 december 2017 meegedeeld dat het voorwerp van het onderzoek was uitgebreid tot mogelijke belangenconflicten en andere niet-nakomingen van de artikelen 285 en 286 VWEU en van de gedragscode van 2012.

69      Pinxten is op 22 december 2017 mondeling gehoord door de onderzoekers van OLAF. Op 15 mei 2018 heeft hij schriftelijke opmerkingen ingediend bij OLAF naar aanleiding van de overlegging door dit bureau van een samenvatting van de aan het eind van het onderzoek vastgestelde feiten.

70      Op 2 juli 2018 heeft de Rekenkamer het eindverslag ontvangen dat OLAF na afloop van zijn onderzoek had opgesteld (hierna: „verslag van OLAF”). In dit verslag werd geconcludeerd dat Pinxten de middelen van de Rekenkamer had misbruikt in het kader van activiteiten die geen verband hielden met zijn taken en dat hij misbruik had gemaakt van tankkaarten en van de autoverzekeringsovereenkomst voor zijn dienstvoertuig. In het verslag werd bovendien geconcludeerd dat er sprake was van ongerechtvaardigde afwezigheden, dat hij bepaalde externe activiteiten niet had gemeld, dat hij vertrouwelijke informatie had doorgegeven en dat er zich belangenconflicten hadden voorgedaan.

71      Gelet op de in dat verslag vastgestelde elementen heeft OLAF de Rekenkamer aanbevolen een tuchtprocedure tegen Pinxten in te leiden, passende maatregelen te nemen met het oog op de terugvordering van 472 869,09 EUR, wat overeenkomt met de kosten die de Rekenkamer ten onrechte heeft gedragen, en de terugvordering te overwegen van 97 954,52 EUR, wat overeenkomt met het salaris dat is betaald voor de perioden waarin Pinxten ongerechtvaardigd afwezig was.

72      Aangezien sommige van de in het onderzoek aan het licht gekomen feiten als strafbare feiten konden worden aangemerkt, heeft OLAF tevens inlichtingen verstrekt aan de Luxemburgse gerechtelijke autoriteiten en deze autoriteiten zijn aanbevelingen doen toekomen.

C.      Inleiding van de procedure binnen de Rekenkamer

73      Op 3 juli 2018 heeft de president van de Rekenkamer de leden van die instelling een kopie van het verslag van OLAF en van de aanbevelingen van dit orgaan doen toekomen.

74      Op 5 oktober 2018 heeft de president van de Rekenkamer een voorbereidend verslag aan de leden van die instelling toegezonden. Daarin werd de Rekenkamer aanbevolen om het Hof te verzoeken „de vastgestelde feiten te onderzoeken en te bepalen of Pinxten heeft verzuimd de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen na te komen”. Dit verslag en het verslag van OLAF zijn op dezelfde dag aan Pinxten bezorgd. De bijlagen bij het verslag van OLAF zijn hem op 17 oktober 2018 toegezonden.

75      Op 19 november 2018 heeft Pinxten schriftelijke opmerkingen aan de Rekenkamer doen toekomen. Op 26 november 2018 is hij door de leden van die instelling gehoord in een besloten vergadering.

76      Op 29 november 2018 heeft de Rekenkamer in een besloten vergadering beslist om de zaak Pinxten op grond van artikel 286, lid 6, VWEU voor te leggen aan het Hof.

D.      Door de Luxemburgse autoriteiten ingeleide strafprocedure

77      Op grond van de door OLAF doorgestuurde informatie heeft de openbare aanklager van het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg (arrondissementsrechtbank van Luxemburg, Luxemburg) de Rekenkamer bij brief van 1 oktober 2018 verzocht Pinxtens immuniteit van rechtsvervolging op te heffen. Op 15 november 2018 heeft die instelling dat verzoek ingewilligd.

IV.    Conclusies van partijen

78      De Rekenkamer verzoekt het Hof:

–        het verzoek van Pinxten tot schorsing van de procedure bij het Hof af te wijzen;

–        vast te stellen dat Pinxten heeft opgehouden te voldoen aan de verplichtingen die uit zijn taak voortvloeien krachtens de artikelen 285 en 286 VWEU en de ter uitvoering daarvan vastgestelde regels;

–        bijgevolg de in artikel 286, lid 6, VWEU vastgestelde sanctie uit te spreken, waarbij de Rekenkamer het aan de wijsheid van het Hof overlaat om de omvang ervan te bepalen;

–        de vordering tot schadevergoeding van Pinxten niet-ontvankelijk te verklaren, en

–        Pinxten te verwijzen in de kosten.

79      Pinxten verzoekt het Hof:

–        de Rekenkamer te verzoeken het verslag over te leggen betreffende de interne controle, voor de periode van 2012 tot en met 2018 van de dienstreiskosten van de leden van de Rekenkamer en van het gebruik van dienstvoertuigen door al deze leden, en aan te geven welke maatregelen naar aanleiding van dat verslag zijn genomen, alsmede alle nota’s over te leggen over de druk die op de interne controleur is uitgeoefend;

–        het verzoek van de Rekenkamer af te wijzen;

–        de Rekenkamer te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 50 000 EUR voor de door hem geleden immateriële schade, en

–        de Rekenkamer te verwijzen in de kosten.

V.      Verzoek tot schorsing van de onderhavige procedure

A.      Argumenten van partijen

80      Pinxten benadrukt dat er in Luxemburg een strafprocedure loopt. Derhalve vereist het adagium „le pénal tient le disciplinaire en l’état” (een tuchtprocedure moet wachten op de uitkomst van de strafvervolging) of op zijn minst het beginsel van behoorlijk bestuur dat het Hof geen uitspraak doet vóór de Luxemburgse strafrechtelijke autoriteiten.

81      Een schorsing van de behandeling van de onderhavige procedure maakt het volgens hem mogelijk om zowel zijn positie in het kader van de in Luxemburg ingestelde strafrechtelijke vervolging niet te beïnvloeden als te verzekeren dat rekening wordt gehouden met de feiten die worden vastgesteld door de Luxemburgse strafrechtelijke autoriteiten, die over ruimere onderzoeksbevoegdheden beschikken dan het Hof.

82      De Rekenkamer verzet zich tegen dit verzoek.

B.      Beoordeling door het Hof

83      Er zij allereerst op gewezen dat het Unierecht geen enkele bepaling bevat op grond waarvan een krachtens artikel 286, lid 6, VWEU bij het Hof ingeleide procedure moet worden geschorst wanneer een strafprocedure is ingeleid die geheel of ten dele betrekking heeft op dezelfde feiten.

84      Stellig bepaalt artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut dat indien tegen een ambtenaar naar aanleiding van dezelfde feiten een strafrechtelijke vervolging is ingesteld, zijn positie pas definitief wordt geregeld nadat de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.

85      De procedures betreffende schending door een lid van de Rekenkamer van de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen vallen evenwel onder een autonome rechtsgang, namelijk artikel 286, lid 6, VWEU, en verlopen dus niet volgens de in het Statuut neergelegde regels voor tuchtprocedures (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 118).

86      Vervolgens moet worden onderstreept dat, zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU een eigen doel dient, namelijk het goed functioneren van de instellingen van de Unie te verzekeren, en dat dit doel verschilt van dat van een nationale strafprocedure.

87      Ten slotte volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het Hof in het kader van de in die bepaling bedoelde procedure niet gebonden is aan de juridische kwalificatie die aan de feiten is gegeven in het kader van de strafzaak en het met gebruikmaking van zijn volledige beoordelingsvrijheid moet onderzoeken of de aan het betrokken lid van de Rekenkamer verweten feiten een niet-nakoming vormen van de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 121).

88      Een eventuele schorsing van de onderhavige procedure in afwachting van de uitkomst van de in Luxemburg ingeleide strafprocedure is dan ook niet noodzakelijk, aangezien die uitkomst hoe dan ook niet van dien aard is dat zij de draagwijdte beperkt van de beoordelingen die het Hof dient te verrichten om uitspraak te doen op het onderhavige beroep.

89      In die omstandigheden moet het verzoek van Pinxten tot schorsing van de onderhavige procedure worden afgewezen.

VI.    Verzoek om overlegging te gelasten van bepaalde documenten

A.      Argumenten van partijen

90      Pinxten betoogt dat de Rekenkamer voor de periode van 2012 tot en met 2018 een volledige interne audit heeft verricht van de dienstreiskosten van de leden van die instelling en van het gebruik van dienstvoertuigen door deze leden.

91      In zijn memorie van dupliek verzoekt hij het Hof de Rekenkamer bij wijze van maatregel van instructie te gelasten het na die interne audit opgestelde verslag over te leggen en aan te geven welke maatregelen naar aanleiding van dit verslag zijn genomen. Een dergelijke maatregel van instructie biedt volgens Pinxten de mogelijkheid het Hof duidelijkheid te verschaffen over de beoordeling van zijn situatie door het interne auditcomité van de Rekenkamer, over het bestaan van onregelmatigheden begaan door andere leden van die instelling en over de wijze waarop die instelling met deze onregelmatigheden is omgegaan.

92      Pinxten betoogt bovendien dat de onafhankelijkheid van de interne controleur werd bedreigd door de secretaris-generaal van die instelling en dat het nuttig zou zijn dat het Hof in het bezit wordt gesteld van alle nota’s betreffende deze situatie, zodat het kan bepalen hoe de tegen Pinxten ingebrachte grieven moeten worden beoordeeld.

B.      Beoordeling door het Hof

93      Om te beginnen is het van belang in herinnering te brengen dat enkel het Hof bevoegd is om te beoordelen of een verzoek tot overlegging van documenten relevant is voor het voorwerp van het geschil en of de gevraagde documenten noodzakelijk zijn voor de beslechting van dat geschil (zie in die zin beschikking van 3 maart 2020, Commissie/Polen, C‑791/19 R, niet gepubliceerd, EU:C:2020:147, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94      In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het Hof, met het oog op een uitspraak op het onderhavige beroep, de omvang dient te bepalen van de uit de taak van lid van de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen, en op basis van de door partijen overgelegde bewijzen dient te beoordelen of een schending door Pinxten van deze verplichtingen bewezen moet worden geacht.

95      Gesteld al dat het door Pinxten genoemde interne auditverslag inderdaad een beoordeling van de regelmatigheid van zijn gedrag bevat, neemt dit in die omstandigheden niet weg dat het standpunt dat een intern orgaan van de Rekenkamer dienaangaande inneemt, niet doorslaggevend kan zijn voor de afdoening van het door die instelling ingestelde beroep.

96      In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de onderhavige procedure uitsluitend betrekking heeft op de onregelmatigheden die de Rekenkamer verwijt aan Pinxten.

97      De omstandigheid dat andere leden van die instelling vergelijkbare of ergere onregelmatigheden hebben begaan, gesteld al dat dit het geval is, heeft niet tot gevolg dat het gedrag van Pinxten regelmatig was of zou kunnen worden geacht te voldoen aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen, in de zin van artikel 286, lid 6, VWEU.

98      In de derde plaats is het eventuele bestaan van een conflict binnen de Rekenkamer over het verrichten van een interne audit na het verstrijken van het tweede mandaat van Pinxten als lid van die instelling, gelet op de taken waarmee het Hof in de onderhavige procedure is belast, zoals deze in punt 94 van het onderhavige arrest zijn aangegeven, irrelevant voor de behandeling van het beroep van die instelling.

99      Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat uit de redenen die Pinxten voor zijn verzoek tot overlegging van documenten aanvoert, niet blijkt welk belang deze documenten zouden kunnen hebben voor de onderhavige procedure, en dat dit verzoek bijgevolg moet worden afgewezen.

VII. Verzoek om een document uit het dossier te verwijderen

A.      Argumenten van partijen

100    De Rekenkamer verzoekt om uit het dossier een kopie te verwijderen van een e‑mail van de president van deze instelling die op 13 februari 2019 is verstuurd aan de andere leden en de secretaris-generaal van die instelling en die Pinxten heeft overgelegd in bijlage B.10 bij zijn verweerschrift (hierna: „e-mail van 13 februari 2019”).

101    Zij betoogt dat het om een strikt vertrouwelijke e-mail gaat, die enkel naar de leden van de Rekenkamer is gestuurd en nadat het tweede mandaat van Pinxten als lid van die instelling was afgelopen. Zij leidt daaruit af dat dit document noodzakelijkerwijs onregelmatig is verkregen, waardoor met name inbreuk is gemaakt op het recht van de Rekenkamer op eerbiediging van de vertrouwelijkheid van de communicatie.

102    Volgens Pinxten moet dit verzoek om de e-mail van 13 februari 2019 uit het dossier te verwijderen, worden afgewezen.

103    Hij stelt in dit verband om te beginnen dat hij deze e-mail niet op onregelmatige wijze heeft verkregen, voorts dat de e-mail in werkelijkheid niet vertrouwelijk was, aangezien volgens de gedragsregels van de Rekenkamer geen vertrouwelijke informatie per elektronische post mag worden verstuurd en een dergelijke e-mail door alle leden van de kabinetten van de geadresseerden wordt ontvangen, en ten slotte dat het vertrouwelijke karakter of de onregelmatige verkrijging van een document niet de verwijdering ervan uit het dossier rechtvaardigt wanneer dit document noodzakelijk is voor de uitspraak van het Hof, wat volgens hem in casu het geval is.

B.      Beoordeling door het Hof

104    Er zij aan herinnerd dat in het Unierecht het beginsel van de vrije beoordeling van het bewijs primeert, waaruit volgt dat de ontvankelijkheid van tijdig overgelegd bewijsmateriaal voor de Unierechter enkel kan worden betwist door zich te baseren op het feit dat het onrechtmatig is verkregen (zie in die zin arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie, C‑99/17 P, EU:C:2018:773, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

105    In deze context heeft het Hof reeds besloten om in een zaak een document uit het dossier te verwijderen met name omdat er twijfel bestond over de vraag of de partij die zich erop beriep, het op geoorloofde wijze had verkregen (zie in die zin arrest van 17 december 1981, Ludwigshafener Walzmühle Erling e.a./Raad en Commissie, 197/80–200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, EU:C:1981:311, punt 16).

106    Diezelfde benadering werd gevolgd in verband met een juridisch advies dat voor intern gebruik was opgesteld door een nationale dienst die dit advies niet had toegezonden aan de partij die zich erop beriep, en die evenmin had ingestemd met de toezending ervan aan die partij (beschikking van 23 maart 2007, Stadtgemeinde Frohnleiten en Gemeindebetriebe Frohnleiten, C‑221/06, EU:C:2007:185, punten 19‑23).

107    Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat een juridisch advies dat door de juridische dienst van een instelling is uitgebracht en dat niet op regelmatige wijze bij die instelling is verkregen door de partij die zich erop beroept, uit het dossier moet worden verwijderd, tenzij een hoger openbaar belang rechtvaardigt dat die partij dat juridisch advies overlegt (zie in die zin beschikking van 29 januari 2009, Donnici/Parlement, C‑9/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:40, punten 17‑23).

108    In casu betwist Pinxten weliswaar formeel de bewering van de Rekenkamer dat hij de e-mail van 13 februari 2019 noodzakelijkerwijs onregelmatig heeft verkregen, maar legt hij niet uit hoe hij dan wel aan deze e-mail is geraakt en benadrukt hij louter dat vele personeelsleden van de Rekenkamer er toegang toe hadden.

109    De e-mail van 13 februari 2019 vormt echter interne communicatie tussen de leden van de Rekenkamer waarin uitdrukkelijk is aangegeven dat het om strikt vertrouwelijke informatie gaat.

110    Daarenboven staat vast dat de e-mail niet is gestuurd naar Pinxten, die sinds 30 april 2018 geen lid meer was van de Rekenkamer.

111    Derhalve moet worden geoordeeld dat kan worden betwijfeld of Pinxten de e-mail op geoorloofde wijze heeft verkregen.

112    Voorts beroept Pinxten zich op de e-mail van 13 februari 2019 om aan te tonen dat andere leden van de Rekenkamer gunstiger zijn behandeld dan hij.

113    Gesteld al dat die instelling andere van haar leden daadwerkelijk gunstiger dan Pinxten heeft behandeld wat betreft de onregelmatigheden die zij in het kader van hun taken beweerdelijk hebben begaan, kan daaruit evenwel hoe dan ook geenszins blijken dat Pinxten niet heeft verzuimd de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen na te komen in de zin van artikel 286, lid 6, VWEU.

114    Daarenboven volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het beginsel van gelijke behandeling moet worden geconcilieerd met het gebod van rechtmatig handelen, op grond waarvan niemand zich in zijn voordeel kan beroepen op een onrechtmatigheid die is begaan ten gunste van een ander (arresten van 10 november 2011, The Rank Group, C‑259/10 en C‑260/10, EU:C:2011:719, punt 62, en 13 september 2017, Pappalardo e.a./Commissie, C‑350/16 P, EU:C:2017:672, punt 52).

115    Pinxten heeft dan ook niet het bewijs geleverd van het bestaan van een hoger openbaar belang dat de overlegging van het betrokken document zou kunnen rechtvaardigen.

116    Bijgevolg moet het verzoek van de Rekenkamer om de e-mail van 13 februari 2019, die in bijlage B.10 bij het verweerschrift is opgenomen, uit het dossier te verwijderen, worden toegewezen.

VIII. Beroep

A.      Ontvankelijkheid van het beroep

117    Pinxten heeft allereerst vier argumenten aangevoerd waarmee hij de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep betwist: 1) onverenigbaarheid van de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU met het recht op effectieve rechterlijke bescherming; 2) onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF; 3) onregelmatigheid van de in de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep, en 4) excessieve vertraging waarmee dit beroep is ingesteld.

1.      Vermeende onverenigbaarheid van de onderhavige procedure met het recht op effectieve rechterlijke bescherming

a)      Argumenten van partijen

118    Met zijn eerste argument inzake niet-ontvankelijkheid betoogt Pinxten dat zijn recht op toegang tot de rechter niet zal worden geëerbiedigd in de onderhavige procedure en dat hij geen toegang tot een rechter in twee instanties zal hebben, wat in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 2 van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”).

119    Ook al heeft het Hof eerder in het arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:455), een argument over het gebrek aan toegang tot een rechter in twee instanties afgewezen, het gaat volgens hem daarbij eraan voorbij dat het in casu optreedt als tuchtautoriteit en niet als gerecht.

120    Indien het optreden van de Rekenkamer dient te worden onderzocht volgens de in artikel 286, lid 6, VWEU vastgestelde regeling, blijft Pinxten naar eigen zeggen verstoken van enige vorm van rechterlijke bescherming, zodat deze bepaling niet de grondslag kan vormen voor het door de Rekenkamer ingestelde beroep.

121    Volgens de Rekenkamer is dit middel niet-ontvankelijk, aangezien het Hof daarmee in werkelijkheid wordt verzocht de ongeldigheid van een bepaling van primair recht vast te stellen. Hoe dan ook is dit middel reeds afgewezen in het arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:455).

b)      Beoordeling door het Hof

122    Wat om te beginnen het gebrek aan toegang tot een rechter in twee instanties betreft, volstaat het eraan te herinneren dat het feit dat in de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU geen beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van het Hof, geen leemte is die het recht van het betrokken lid of voormalig lid van de Rekenkamer op effectieve bescherming door de rechter als gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest aantast (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punten 112 en 113).

123    Voorts moet worden benadrukt dat, waar Pinxten stelt dat zijn argument verschilt van het door het Hof in het arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:455), onderzochte argument aangezien hij spreekt van een totaal gebrek aan rechterlijke bescherming en niet slechts van een schending van het recht op toegang tot een rechter in twee instanties, het Hof in de onderhavige procedure uitspraak doet, na Pinxten te hebben gehoord, als bij het VEU en het VWEU opgericht onafhankelijk en onpartijdig gerecht en niet als een administratieve autoriteit in tuchtzaken.

124    Het onderzoek door het Hof, in eerste en laatste aanleg, van de grieven inzake een beweerde niet-nakoming door Pinxten van de uit zijn taak van lid van de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen, biedt hem dan ook voldoende effectieve rechterlijke bescherming.

2.      Vermeende onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF

a)      Argumenten van partijen

125    Met zijn tweede argument inzake niet-ontvankelijkheid stelt Pinxten dat het beroep van de Rekenkamer gebaseerd is op het verslag van OLAF en dat dit verslag is opgesteld na een onregelmatige procedure.

126    In de eerste plaats heeft OLAF de reikwijdte van zijn onderzoek op onregelmatige wijze uitgebreid.

127    Uit artikel 7, lid 2, van verordening nr. 883/2013 volgt namelijk dat een inspectie van de gebouwen van een instelling moet worden verricht op basis van een schriftelijke machtiging waarin melding wordt gemaakt van de verrichtingen van het toegestane onderzoek, waarvan de reikwijdte is omschreven in een besluit tot opening van een onderzoek.

128    OLAF kan dan ook geen inspectie verrichten die tot doel of tot gevolg heeft dat eventuele inbreuken worden ontdekt waarvan het nog geen kennis heeft en die buiten het kader van het gevoerde onderzoek vallen. In casu kon OLAF dus niet rechtsgeldig de reikwijdte van zijn onderzoek uitbreiden op basis van de analyse van de tijdens de inspectie van het kabinet van Pinxten verzamelde gegevens.

129    In de tweede plaats heeft OLAF het recht op persoonlijke levenssfeer van Pinxten geschonden. Om te beginnen heeft dit bureau niet kunnen bevestigen dat het geen onder het beroepsgeheim vallende briefwisseling tussen Pinxten en zijn advocaat in beslag heeft genomen. Voorts heeft OLAF privédossiers in beslag genomen die uitdrukkelijk als privé stonden aangemerkt en die met name gingen over de deelname van de betrokkene aan jachtpartijen en over de verhuur van een appartement waarvan hij eigenaar is.

130    In de derde plaats heeft OLAF de rechten van verdediging van Pinxten geschonden.

131    Ten eerste was de samenvatting van de feiten die Pinxten vóór de vaststelling van het verslag van OLAF werden gepresenteerd, uiterst kort, waren de bij deze samenvatting gevoegde tabellen nagenoeg onbegrijpelijk en werden de bijbehorende bewijsstukken niet tijdig overgelegd.

132    Ten tweede is dit verslag gebaseerd op een reeks feiten en getuigenverhoren die Pinxten niet ter kennis waren gebracht toen hij door OLAF werd gehoord.

133    Ten derde was zijn recht van verdediging puur formeel: zijn tegenargumenten werden, op enkele uitzonderingen na, niet besproken maar eenvoudigweg gekopieerd aan het eind van het verslag.

134    Ten vierde heeft de voormalige assistente van Pinxten geen transcript van haar mondelinge verklaringen ontvangen, terwijl OLAF haar een kopie had moeten bezorgen, wat bevestigt dat OLAF niet zowel de belastende als de ontlastende elementen heeft onderzocht.

135    Volgens de Rekenkamer is het middel inzake de onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF niet ter zake dienend omdat het verslag van dit bureau niet het beslissende element is voor de aanhangigmaking van de zaak bij het Hof.

136    Subsidiair is dit middel volgens haar ongegrond.

137    In de eerste plaats stelt de Rekenkamer dat niets OLAF ervan weerhoudt de reikwijdte van een onderzoek uit te breiden, en dat het dit moet kunnen doen wanneer een inspectie van de gebouwen van een instelling ernstige verdenkingen oplevert. Het onderzoek in kwestie is trouwens uitgebreid tot verdenkingen die nauw verband hielden met de oorspronkelijke reikwijdte ervan.

138    In de tweede plaats is het recht op persoonlijke levenssfeer van Pinxten geëerbiedigd. Om te beginnen blijkt uit geen enkel door hem aangedragen gegeven dat OLAF zich heeft gebaseerd op een document waarvoor de vertrouwelijkheid van de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt geldt. Voorts heeft OLAF krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 883/2013 onmiddellijke toegang tot alle informatie die in het bezit is van de instellingen en kan het alle documenten die zij in hun bezit hebben kopiëren. Het beschikt dus over een beoordelingsmarge en het kan niet zomaar in zijn bevoegdheden worden beperkt doordat bepaalde documenten als „privé” worden aangemerkt.

139    In de derde plaats diende Pinxten aan te tonen dat de betrokken procedure een ander resultaat zou kunnen hebben gehad zonder de beweerde schending van zijn rechten van verdediging, waarin hij echter niet is geslaagd. Hoe dan ook is OLAF in casu zijn verplichtingen nagekomen door een samenvatting van de feiten over te leggen die volstond om Pinxten in staat te stellen zijn opmerkingen in te dienen, wat hij trouwens ook heeft gedaan. Tevens heeft hij eveneens de gelegenheid gehad om verweer te voeren tijdens de interne procedure bij de Rekenkamer, op basis van het volledige verslag van OLAF. Verder was OLAF niet verplicht om de voormalige assistente van Pinxten een transcript te overhandigen, aangezien zij gehoord was als getuige.

b)      Beoordeling door het Hof

140    Eerst moet worden ingegaan op het argument van de Rekenkamer dat niet hoeft te worden onderzocht of het onderzoek van OLAF regelmatig was, aangezien het verslag van OLAF niet het doorslaggevende element was om de zaak aanhangig te maken bij het Hof krachtens artikel 286, lid 6, VWEU.

141    Dienaangaande moet worden opgemerkt dat in de vijf grieven die de Rekenkamer ter ondersteuning van haar beroep aanvoert, wordt verwezen naar de vaststellingen die OLAF in zijn verslag heeft gedaan.

142    Om de gegrondheid van deze grieven aan te tonen, legt de Rekenkamer bewijsstukken over die grotendeels bestaan uit documenten die OLAF in beslag heeft genomen tijdens zijn onderzoek en als bijlage bij zijn verslag heeft gevoegd. Bijlage A.37 van het verzoekschrift, waarnaar de Rekenkamer in haar geschriften zeer uitvoerig verwijst, wordt trouwens uitdrukkelijk voorgesteld als bestaande uit de „[b]ijlagen bij het verslag van OLAF dat op 2 juli 2018 aan de president van de Rekenkamer is toegezonden”.

143    Bovendien heeft de Rekenkamer, in antwoord op vragen van het Hof waarom zij haar aanvankelijke beoordeling van de regelmatigheid van de aan Pinxten betaalde dienstreiskosten, representatie- en ontvangstkosten en dagvergoedingen had herzien, aangegeven dat haar nieuwe beoordeling gebaseerd was op het materiaal dat OLAF in beslag had genomen tijdens zijn onderzoek.

144    In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep niet afhangt van de regelmatigheid van het onderzoek van OLAF.

145    Niettemin zou een eventuele onregelmatigheid van dit onderzoek kunnen betekenen dat het door de Rekenkamer ter ondersteuning van haar beroep overgelegde bewijsmateriaal geheel of gedeeltelijk in strijd met de toepasselijke rechtsregels werd verzameld, waardoor het Hof zou moeten bepalen of deze onregelmatigheid gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid van dat bewijsmateriaal in de onderhavige procedure.

146    Alvorens uitspraak te doen over de grieven van de Rekenkamer, moet dus eerst worden nagegaan of de argumenten van Pinxten over de onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF gegrond zijn.

147    Wat in de eerste plaats de vermeend onwettige uitbreiding van het voorwerp van het onderzoek van OLAF betreft, moet worden beklemtoond dat OLAF op grond van artikel 4, lid 2, onder a), van verordening nr. 883/2013 toegang kan hebben tot alle relevante informatie die in het bezit is van de instellingen van de Unie alsmede tot de gebouwen daarvan.

148    Volgens artikel 4, leden 1 en 2, van deze verordening kan deze bevoegdheid enkel worden uitgeoefend in het kader van een intern onderzoek en onder de voorwaarden die in deze verordening zijn vastgesteld.

149    Op basis van artikel 5, lid 1, van die verordening kan de directeur-generaal van OLAF een onderzoek openen bij voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

150    Verder volgt uit artikel 7, lid 2, van verordening nr. 883/2013 dat de personeelsleden van OLAF de gebouwen van een instelling inspecteren na vertoon van een schriftelijke machtiging, waarin met name het voorwerp en het doel van het onderzoek, de rechtsgronden voor het verrichten van dit onderzoek en de daaruit voortvloeiende onderzoeksbevoegdheden zijn vermeld.

151    Hieruit volgt ten eerste dat wanneer OLAF de gebouwen van een instelling zou inspecteren zonder vooraf te beschikken over elementen die met recht doen vermoeden dat er sprake is van onwettige activiteiten die onder zijn bevoegdheid vallen, deze inspectie onregelmatig zou zijn, en ten tweede dat een inspectie erop gericht moet zijn bewijsmateriaal met betrekking tot de vermoedelijke onwettige activiteiten te verzamelen (zie naar analogie arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 37).

152    Uit de artikelen 4, 5 en 7 van verordening nr. 883/2013 volgt daarentegen niet dat OLAF geen elementen in aanmerking mag nemen die terloops worden ontdekt tijdens een rechtmatige inspectie van de gebouwen van een instelling en die wijzen op onwettige activiteiten waarvoor het bevoegd is en waarvan het vóór die inspectie geen kennis had en die verschillen van de onwettige activiteiten waarop het onderzoek in het kader waarvan die inspectie is verricht, aanvankelijk betrekking had.

153    Bovendien zou de door Pinxten voorgestelde uitlegging van de regels voor de activiteiten van OLAF er in de praktijk op neerkomen dat de daders van onwettige activiteiten die tijdens een OLAF-onderzoek aan het licht komen, onbestraft blijven, zonder dat die consequentie noodzakelijk is om misbruik van de aan die instantie verleende bevoegdheden te voorkomen of om de rechten van verdediging van de betrokkene te beschermen, waardoor het gevaar zou ontstaan dat wordt afgedaan aan de in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 883/2013 vermelde doelstelling van een krachtiger bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

154    Wanneer OLAF tijdens een regelmatige inspectie van de gebouwen van een instelling terloops elementen ontdekt die voldoende ernstige verdenkingen opleveren van onwettige activiteiten waarvoor het bevoegd is en die verschillen van die waarop het onderzoek in het kader waarvan die inspectie wordt verricht, aanvankelijk betrekking had, dient het derhalve, indien het inlichtingen wil inwinnen om de gegevens waarvan het tijdens die inspectie toevallig kennis heeft gekregen op hun juistheid te controleren of aan te vullen, een nieuw onderzoek in te leiden (zie naar analogie arresten van 17 oktober 1989, Dow Benelux/Commissie, 85/87, EU:C:1989:379, punt 19, en 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 301), dan wel in voorkomend geval het aanvankelijke voorwerp van zijn onderzoek uit te breiden, mits de toevallig ontdekte onwettige activiteiten voldoende verband houden met die welke het voorwerp uitmaakten van het aanvankelijke onderzoek als rechtvaardiging om deze het voorwerp te doen uitmaken van dezelfde onderzoeksprocedure.

155    In casu betwist Pinxten noch de regelmatigheid van het besluit om een intern onderzoek te openen zoals dit door de directeur-generaal van OLAF is genomen op basis van de door de Rekenkamer verstrekte informatie, noch de regelmatigheid van de inspectie die op 20 november 2017 door OLAF in het kader van dat onderzoek in de gebouwen van die instelling is verricht.

156    Bovendien betoogt hij niet dat de door OLAF tijdens die inspectie ontdekte elementen geen voldoende ernstige verdenkingen konden opleveren van onwettige activiteiten waarvoor OLAF bevoegd is.

157    Dat het besluit van OLAF tot uitbreiding van het voorwerp van het aanvankelijk geopende onderzoek van eventuele door Pinxten begane en voor de financiële belangen van de Unie nadelige onregelmatigheden bij het gebruik van de middelen van de Rekenkamer en bij de dienstreizen die in strijd met de geldende regels zijn verricht of toegestaan, tot mogelijke belangenconflicten en andere schendingen van de artikelen 285 en 286 VWEU en van de gedragscode van 2012, steunt op elementen die tijdens de inspectie van 20 november 2017 zijn ontdekt, betekent derhalve niet dat dit besluit onregelmatig is.

158    Wat in de tweede plaats de argumenten over de aantasting van het recht op persoonlijke levenssfeer van Pinxten betreft, zij erop gewezen dat het Hof zich, gezien het voorwerp van de onderhavige procedure, in casu niet dient uit te spreken over elke aantasting van dit recht die OLAF tijdens zijn onderzoek begaan zou kunnen hebben, maar zich uitsluitend dient uit te spreken over de beweerde aantastingen van dit recht die verband houden met het verzamelen van het door de Rekenkamer ter ondersteuning van haar beroep overgelegde bewijsmateriaal. De procedurele onregelmatigheden die OLAF eventueel heeft begaan bij het verzamelen van bewijsmateriaal, zouden immers hoe dan ook slechts een invloed kunnen hebben op het onderzoek van het onderhavige beroep voor zover dit beroep steunt op de bewijzen die OLAF onwettig heeft verkregen.

159    In dit verband moet om te beginnen worden vastgesteld dat Pinxten onder de door de Rekenkamer overgelegde bewijsstukken geen enkel document aanwijst dat onder het beginsel van vertrouwelijkheid van de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt valt.

160    Het feit dat OLAF niet heeft bevestigd geen enkele briefwisseling tussen Pinxten en zijn raadsman in beslag te hebben genomen, gesteld al dat dit vaststaat, is in casu dan ook niet relevant.

161    Wat vervolgens de bewijzen betreffende de deelname van Pinxten aan jachtpartijen betreft, moet erop worden gewezen dat de Rekenkamer het Hof documenten over deze activiteit heeft overgelegd die rechtstreeks verband houden met verschillende dienstreizen die hij als lid van de Rekenkamer heeft uitgevoerd.

162    Niettegenstaande het feit dat deze documenten werden bewaard in een map waarop uitdrukkelijk „privé” stond, kunnen zij, gezien hun verband met die dienstreizen, niet worden geacht betrekking te hebben op activiteiten die Pinxten louter als particulier verrichtte.

163    Bovendien volgt uit de in punt 158 van dit arrest verrichte vaststelling dat het voor de onderhavige procedure niet noodzakelijk is om zich uit te spreken over de bewering van Pinxten dat OLAF ook een reeks documenten heeft meegenomen of gekopieerd over jachtpartijen die niet onder dienstreisopdrachten vielen.

164    Tot slot moet stellig worden geconstateerd dat de brief van 20 november 2014 die Pinxten naar de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid heeft gestuurd om haar een appartement in Brussel (België) te huur aan te bieden, betrekking had op het beheer van zijn privégoederen, en dat de toevoeging van een kopie van deze brief aan het dossier van OLAF dus een beperking vormt van zijn recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest.

165    Het gebruik van deze brief door OLAF is evenwel wettelijk beperkt en afgebakend, aangezien deze brief enkel kan worden gebruikt in het kader van het onderzoek van OLAF en de naar aanleiding van dit onderzoek ingeleide procedures.

166    Bijgevolg leveren de door Pinxten aangevoerde argumenten in de onderhavige procedure niet het bewijs op dat OLAF afbreuk heeft gedaan aan zijn recht op eerbiediging van het privéleven op ongeoorloofde wijze.

167    Wat in de derde plaats de vermeende aantasting van de rechten van verdediging van Pinxten betreft, moet eraan worden herinnerd dat artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest bepaalt dat het recht op behoorlijk bestuur met name het recht van eenieder behelst om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.

168    Aan dit beginsel wordt uitvoering gegeven in artikel 9, lid 4, van verordening nr. 883/2013, waarin staat te lezen dat na afloop van het onderzoek in beginsel geen conclusies over een met naam genoemde betrokken persoon mogen worden getrokken zonder dat OLAF die persoon in de gelegenheid stelt om zijn oordeel te geven over alle feiten die op hem betrekking hebben.

169    Voorts heeft het Hof in een met artikel 286, lid 6, VWEU vergelijkbare procedure, betreffende een lid van de Commissie, geoordeeld dat moest worden nagegaan of het betrokken Commissielid tijdig in kennis was gesteld van de tegen haar ingebrachte bezwaren en of zij de mogelijkheid had gekregen om te worden gehoord (arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 105). Een dergelijke verplichting is trouwens ook opgenomen in artikel 4, leden 2 en 3, van het reglement van orde.

170    Ook al moeten zowel OLAF als de Rekenkamer hun respectieve verplichtingen nakomen, in die omstandigheden dient de vraag of het recht om te worden gehoord van het betrokken lid of voormalig lid van die instelling is nageleefd, in het kader van de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU globaal te worden beoordeeld, aangezien niet kan worden uitgesloten dat dit lid of voormalig lid voor de Rekenkamer voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord over elementen waarover hij zich vóór de vaststelling van het verslag van OLAF niet daadwerkelijk zou hebben kunnen uitspreken.

171    In casu staat vast dat OLAF Pinxten op 22 december 2017 mondeling heeft gehoord, dat er verschillende schriftelijke uitwisselingen zijn geweest tussen OLAF en de raadsman van Pinxten en dat deze laatste, na de mededeling van een samenvatting van de aan het eind van het onderzoek vastgestelde feiten, OLAF een schriftelijk document heeft kunnen doen toekomen teneinde de in die samenvatting geformuleerde beweringen te weerleggen.

172    Vervolgens is Pinxten op 5 oktober 2018 in kennis gesteld van het verslag van OLAF en van het voorbereidend verslag dat de president van de Rekenkamer de leden van die instelling had toegezonden. Hij heeft over deze verslagen een standpunt kunnen innemen in schriftelijke opmerkingen én tijdens een hoorzitting bij die instelling.

173    Daarbij stelt hij weliswaar dat het onderzoek van OLAF vier verschillende – in de punten 131 tot en met 134 van het onderhavige arrest genoemde – onregelmatigheden vertoonde die ertoe hebben geleid dat hij niet werkelijk is gehoord door OLAF, maar hij voert in deze context geen enkel argument aan ten bewijze dat hij zich voor de Rekenkamer onvoldoende heeft kunnen uitlaten over bepaalde elementen die hem werden tegengeworpen voordat het verslag van OLAF is vastgesteld.

174    In die omstandigheden blijkt dat de door Pinxten aangevoerde argumenten, wat de onderhavige procedure betreft, niet tot de vaststelling kunnen leiden dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden.

175    Bijgevolg moeten alle argumenten van Pinxten betreffende de onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF worden afgewezen en hoeft voor de afdoening van het onderhavige beroep dus niet te worden nagegaan of onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan worden aangevoerd in het kader van de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU.

3.      Vermeende onregelmatigheid van de in de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep

a)      Argumenten van partijen

176    Met zijn derde argument van niet-ontvankelijkheid betoogt Pinxten ten eerste dat zijn hoorzitting bij de Rekenkamer, ondanks zijn protest, heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de secretaris-generaal en het hoofd van de juridische dienst van die instelling, terwijl in artikel 49, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde was bepaald dat een lid van die instelling wordt gehoord in afwezigheid van tolken of personeelsleden van die instelling alvorens een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU wordt ingesteld.

177    De aanwezigheid van de betrokken personeelsleden heeft de debatten kunnen beïnvloeden, met name gelet op de verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal van de Rekenkamer voor het ontoereikende toezicht door die instelling en de „opmerkelijke” rol van het hoofd van de juridische dienst tijdens het onderzoek.

178    Pinxten is ten tweede van mening dat een onvoldoende aantal leden van de Rekenkamer voor de inleiding van het onderhavige beroep heeft gestemd.

179    Artikel 4, lid 4, van het reglement van orde schrijft immers een meerderheid van vier vijfde van de leden – te weten 23 leden – voor om de inleiding van een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU te kunnen goedkeuren, terwijl slechts 22 leden voor de inleiding van het onderhavige beroep hebben gestemd.

180    Het feit dat twee leden van de Rekenkamer zich hebben verschoond, is volgens hem niet van belang. Artikel 4, lid 4, van het reglement van orde vereist een meerderheid berekend ten opzichte van het totale aantal leden, waardoor de situatie van de leden van de Rekenkamer die zich hebben verschoond, dus vergelijkbaar is met die van de leden van die instelling die zich hebben onthouden.

181    De Rekenkamer vraagt zich af of de argumenten van Pinxten over het besluit om bij het Hof het onderhavige beroep in te stellen, wel ter zake dienend zijn, aangezien dit besluit volgens haar niet kan worden gelijkgesteld met de handeling waarmee de zaak aanhangig is gemaakt bij het Hof, zoals de beschikking van 9 september 2005, Commissie/Cresson (C‑432/04, niet gepubliceerd, EU:C:2005:539), aangeeft.

182    Volgens de Rekenkamer neemt de secretaris-generaal van de Rekenkamer hoe dan ook deel aan alle vergaderingen van die instelling om notulen op te stellen overeenkomstig artikel 23 van het reglement van orde en artikel 39 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde. Ook kon de Rekenkamer op grond van artikel 50, lid 1, van deze uitvoeringsbepalingen een persoon aanduiden om ontwerpnotulen op te stellen. Zij heeft deze bevoegdheid uitgeoefend op 12 februari 2015, toen het hoofd van haar juridische dienst met deze taak is belast.

183    Bovendien moet de meerderheid die vereist is om een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU in te stellen, worden berekend op basis van het totale aantal leden van de Rekenkamer verminderd met het lid in kwestie en met de leden die hebben besloten zich te verschonen. Het reglement van orde spreekt inderdaad niet over het geval waarin leden van die instelling een belangenconflict hebben, maar indien deze leden zouden worden beschouwd als leden die zich onthouden, zouden zij de facto deelnemen aan een besluitvormingsproces waarvan zij zouden moeten worden uitgesloten.

b)      Beoordeling door het Hof

184    Vooraf dient te worden benadrukt dat wanneer bij het Hof een exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt opgeworpen op grond van schending van de regels voor de vaststelling door de Rekenkamer van het besluit om een beroep in te stellen krachtens artikel 286, lid 6, VWEU, het zich over deze exceptie dient uit te spreken alvorens in voorkomend geval de gegrondheid van het beroep te onderzoeken.

185    Een dergelijke exceptie van niet-ontvankelijkheid kan niet worden afgewezen op basis van de vaststelling die is verricht in punt 4 van de beschikking van 9 september 2005, Commissie/Cresson (C‑432/04, niet gepubliceerd, EU:C:2005:539), namelijk dat bij een beroep krachtens artikel 213, lid 2, EG het besluit van de Commissie om zich tot het Hof te wenden niet kan worden gelijkgesteld met de handeling waarmee de zaak aanhangig wordt gemaakt bij het Hof.

186    Die vaststelling strekte er immers uitsluitend toe duidelijk te maken dat het Hof enkel uitspraak diende te doen over de elementen die in het beroep waren opgenomen en het dus geen rekening hoefde te houden met de redenen waarom de Commissie het opportuun had geacht om zich tot het Hof te wenden. Zij houdt geenszins in dat de eventuele onregelmatigheid van een besluit om een beroep in te stellen, geen gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid ervan.

187    De argumenten van Pinxten over de vermeende onregelmatigheid van de in de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep, moeten dus worden onderzocht.

188    Wat ten eerste het verloop van de hoorzitting van Pinxten bij de Rekenkamer betreft, zij erop gewezen dat uit artikel 4, leden 1, 3 en 4, van het reglement van orde blijkt dat wanneer die instelling van mening is dat uit de haar verstrekte inlichtingen kan blijken dat een van haar leden heeft opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt of aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen, dit lid wordt uitgenodigd om zijn zaak mondeling voor die instelling toe te lichten, alvorens zij beslist om zich al dan niet tot het Hof te wenden om hem van zijn ambt te laten ontheffen of van zijn recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen te laten verklaren.

189    Artikel 8 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde preciseerde dat de vergaderingen die in het kader van de procedure van artikel 4 van het reglement van orde worden gehouden, besloten zijn in de zin van artikel 49 van deze uitvoeringsbepalingen.

190    Volgens artikel 49, lid 3, van deze uitvoeringsbepalingen mochten er bij dergelijke vergaderingen geen tolken of personeelsleden van de Rekenkamer aanwezig zijn, tenzij tijdens een voorafgaande vergadering van die instelling anders was besloten.

191    Uit deze bepalingen volgt dat de hoorzitting van Pinxten in aanwezigheid van enkel de leden van de Rekenkamer had moeten plaatsvinden.

192    Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van de Rekenkamer dat de aanwezigheid van de secretaris-generaal van die instelling niettemin gerechtvaardigd was omdat hij de notulen moest opstellen van de besloten vergadering waar die hoorzitting had plaatsgevonden en hij de president van die instelling moest bijstaan.

193    Het is juist dat artikel 23 van het reglement van orde bepaalt dat van iedere vergadering van de Rekenkamer notulen worden opgesteld. Voorts preciseerde artikel 39, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen bij dit reglement dat de secretaris-generaal van de Rekenkamer onder meer tot taak heeft de ontwerpnotulen van de vergaderingen van die instelling op te stellen en de president van die instelling te helpen die vergaderingen voor te bereiden en de procedures te doen naleven. Evenzo bepaalde artikel 50, lid 1, van deze uitvoeringsbepalingen dat van elke vergadering van de Rekenkamer ontwerpnotulen worden opgesteld door de secretaris-generaal van die instelling of door ieder ander daartoe aangewezen persoon.

194    Uit de in het vorige punt vermelde bepalingen volgt echter niet dat de secretaris-generaal van de Rekenkamer noodzakelijkerwijs aanwezig moest zijn bij de besloten vergadering van die instelling waar de hoorzitting van Pinxten heeft plaatsgevonden om de notulen van deze vergadering op te stellen. Indien nodig had immers volgens artikel 50, lid 1, van die uitvoeringsbepalingen een lid van de Rekenkamer kunnen worden aangesteld om deze notulen op te stellen.

195    Bovendien moet worden benadrukt dat artikel 49, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde een bijzondere regel vormde die afweek van de gewone regels voor de organisatie van de vergaderingen van de Rekenkamer, met name om ervoor te zorgen dat de leden van die instelling in alle vrijheid konden beraadslagen.

196    Derhalve kunnen de regels die de secretaris-generaal van de Rekenkamer een algemene rol van bijstand aan de president van die instelling toebedelen, niet rechtvaardigen dat deze secretaris-generaal aanwezig is op een besloten vergadering van die instelling, te meer daar artikel 49, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde in een specifieke procedure voorzag om de aanwezigheid van een personeelslid van die instelling bij een besloten vergadering toe te staan. De Rekenkamer heeft niet gesteld dat zij deze procedure in casu heeft gevolgd.

197    In die omstandigheden kon de aanwezigheid van het hoofd van de juridische dienst van de Rekenkamer bij de betrokken besloten vergadering evenmin worden gerechtvaardigd door de taak – namelijk het opstellen van ontwerpnotulen van de vergaderingen van de Rekenkamer – waarmee hij bij besluit van 12 februari 2015 zou zijn belast op grond van artikel 50, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde.

198    Uit het transcript van die besloten vergadering blijkt trouwens dat de president van de Rekenkamer de aanwezigheid van het hoofd van de juridische dienst van die instelling niet onder verwijzing naar die taak maar onder verwijzing naar diens rol als raadsman had gemotiveerd.

199    Ook al vloeit uit het voorgaande voort dat de aanwezigheid van de secretaris-generaal en van het hoofd van de juridische dienst van de Rekenkamer bij de besloten vergadering waar Pinxten is gehoord, onregelmatig was, uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat een dergelijke onregelmatigheid slechts doorslaggevend zou kunnen blijken te zijn indien Pinxten erin slaagde aan te tonen dat de procedure in de Rekenkamer zonder die onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben [zie naar analogie arresten van 4 april 2019, OZ/EIB, C‑558/17 P, EU:C:2019:289, punt 76, en 4 juni 2020, C.F. (Belastingcontrole), C‑430/19, EU:C:2020:429, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

200    Pinxten blijft evenwel in gebreke aan te tonen hoe de aanwezigheid van die personeelsleden van de Rekenkamer, die, zoals uit het transcript van de opname van die besloten vergadering blijkt, aldaar niet het woord hebben genomen, een invloed heeft kunnen hebben op het verloop van die vergadering, laat staan op het besluit dat die instelling uiteindelijk heeft genomen.

201    Waar Pinxten inzonderheid betoogt dat de secretaris-generaal van de Rekenkamer aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor de nalatigheden bij de door hem te verrichten controle op de uitgaven van die instelling, moet worden geconstateerd dat de besloten vergadering in kwestie er uitsluitend toe strekte Pinxten de kans te geven een standpunt in te nemen over de hem ten laste gelegde feiten.

202    Bovendien wordt de kritiek op de houding van het hoofd van de juridische dienst van de Rekenkamer tijdens het onderzoek hoofdzakelijk gestaafd door een door Pinxten overgelegde ontwerpbrief die zijn chauffeur zou hebben gedicteerd maar waarvan vaststaat dat deze niet is ondertekend door die chauffeur. Pinxten heeft dus niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de aanwezigheid van het hoofd van de juridische dienst van de Rekenkamer op de betrokken besloten vergadering een invloed zou kunnen hebben gehad op het verloop van deze vergadering gelet op de houding van dit personeelslid.

203    Wat ten tweede de stemming in de Rekenkamer over het al dan niet instellen van het onderhavige beroep betreft, bepaalt artikel 4, lid 4, van het reglement van orde dat dit besluit bij geheime stemming moest worden genomen met een meerderheid van vier vijfde van de leden van die instelling.

204    Deze bepaling preciseert tevens dat het betrokken lid van de Rekenkamer niet deelneemt aan de stemming, maar deze regel is in casu irrelevant, aangezien het besluit is genomen toen Pinxten geen lid meer was van die instelling.

205    Zoals de advocaat-generaal in punt 90 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt uit een vergelijking van de formulering van artikel 4, lid 4, van het reglement van orde met die van artikel 25, lid 3, ervan dat de vereiste meerderheid om een dergelijk besluit te nemen moest worden berekend op basis van het totale aantal leden van de Rekenkamer en niet op basis van het aantal leden van die instelling dat aanwezig was op de betrokken vergadering.

206    Daarbij zij evenwel aangetekend dat artikel 41, lid 1, van het Handvest met name bepaalt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken door de instellingen, organen en instanties van de Unie onpartijdig worden behandeld.

207    Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat het vereiste van onpartijdigheid waaraan de instellingen, organen en instanties van de Unie moeten voldoen, bestaat uit twee componenten, namelijk, ten eerste, de subjectieve onpartijdigheid, die vereist dat geen enkel lid van de betrokken instelling blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en, ten tweede, de objectieve onpartijdigheid, die vereist dat deze instelling voldoende waarborgen biedt om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent een eventuele vooringenomenheid uit te sluiten (zie in die zin arrest van 27 maart 2019, August Wolff en Remedia/Commissie, C‑680/16 P, EU:C:2019:257, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

208    Om de naleving van dit vereiste te garanderen moeten de leden van de Rekenkamer die niet onpartijdig kunnen deelnemen aan de procedure betreffende de eventuele verwijzing van een van de leden of voormalige leden van die instelling naar het Hof, en dit met name wegens hun persoonlijke band met het betrokken lid of voormalig lid, er zeker van kunnen zijn dat zij geen enkele invloed zullen uitoefenen op de uitkomst van die procedure, en dus de mogelijkheid hebben om zich te verschonen.

209    Indien artikel 4, lid 4, van het reglement van orde in die zin zou worden uitgelegd dat de daarin vereiste meerderheid wordt berekend zonder dat van het totale aantal leden van de Rekenkamer het aantal leden dat zich heeft verschoond wordt afgetrokken, zou hun beslissing om zich te verschonen de facto een potentieel beslissende invloed hebben op de uitkomst van de in deze bepaling beschreven procedure.

210    Gezien de meerderheid die deze bepaling vereist, zou een dergelijke uitlegging ervan het in de praktijk bovendien extreem moeilijk of zelfs onmogelijk maken om die procedure in te leiden wanneer een zeker aantal leden van die instelling heeft besloten zich te moeten verschonen.

211    Derhalve moet artikel 4, lid 4, van het reglement van orde in overeenstemming met artikel 41, lid 1, van het Handvest worden uitgelegd, namelijk in die zin dat de in die eerste bepaling genoemde viervijfdemeerderheid van de leden van de Rekenkamer moet worden berekend op basis van het totale aantal leden van die instelling die wettig aan de betrokken stemming konden deelnemen zonder afbreuk te doen aan het vereiste van onpartijdigheid.

212    In casu staat vast dat twee leden van de Rekenkamer zich hebben verschoond om de naleving van dit vereiste te verzekeren, om redenen die geenszins zijn betwist.

213    Bijgevolg was de stemming waarbij 22 leden van de Rekenkamer voor de instelling van het onderhavige beroep hebben gestemd, voldoende om de door artikel 4, lid 4, van het reglement van orde vereiste meerderheid te bereiken.

214    Hieruit volgt dat de argumenten van Pinxten betreffende de onregelmatigheid van de binnen de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep, moeten worden afgewezen.

4.      Beweerde vertraging waarmee het beroep van de Rekenkameris ingesteld

a)      Argumenten van partijen

215    Met zijn vierde argument inzake niet-ontvankelijkheid stelt Pinxten dat de Rekenkamer het in artikel 41, lid 1, van het Handvest neergelegde beginsel van eerbiediging van een redelijke termijn heeft geschonden waar zij de rechtmatigheid in twijfel heeft getrokken van betalingsverzoeken die hij had ingediend sinds 2006, terwijl deze instelling reeds bij de indiening van die verzoeken over alle relevante informatie beschikte om zich ervan te vergewissen dat deze legitiem waren dan wel om te beslissen om nadere uitleg te vragen.

216    Volgens hem vereist het rechtszekerheidsbeginsel, naar analogie met de financiële regelgeving van de Unie en de desbetreffende rechtspraak van het Hof, dat een instelling een debetnota meedeelt binnen een termijn van normaliter niet meer dan vijf jaar vanaf het moment dat die instelling haar schuldvordering kon doen gelden, welke termijn naargelang de omstandigheden evenwel kan worden verkort of verlengd.

217    Bovendien hoeft in casu niet te worden aangetoond dat de overschrijding van de redelijke termijn een impact heeft gehad op de inhoud van een Uniehandeling, aangezien het onderhavige beroep er niet toe strekt een dergelijke handeling nietig te doen verklaren. In deze context moet worden geoordeeld dat de Rekenkamer wegens verjaring geen grieven kan aanvoeren met betrekking tot feiten die meer dan drie jaar of hoogstens vijf jaar vóór 5 oktober 2018 hebben plaatsgevonden, de datum waarop het voorbereidend verslag van de president van die instelling is gepresenteerd aan haar leden.

218    Volgens de Rekenkamer is de zaak binnen een redelijke termijn aan het Hof voorgelegd. Zij kon deze procedure immers pas instellen nadat zij op 2 juli 2018 het verslag van OLAF had ontvangen. Gezien de omvang van de beweerde onregelmatigheden is een termijn van acht maanden te rekenen vanaf die datum niet excessief. Bovendien kunnen de verjaringsregels op het gebied van inning van schuldvorderingen niet worden toegepast op de onderhavige procedure.

b)      Beoordeling door het Hof

219    Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de Rekenkamer ervoor moet zorgen dat zij de instelling van een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU niet eindeloos uitstelt, om te voldoen aan de fundamentele eis van rechtszekerheid en om geen inbreuk te maken op de rechten van verdediging van de betrokkene door het moeilijker te maken de in dit beroep aangevoerde argumenten te weerleggen (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 90).

220    Aangezien in die bepaling geen precieze termijn staat vermeld, kan de redelijkheid van de door de Rekenkamer te respecteren termijn evenwel niet worden bepaald aan de hand van een in abstracto vastgesteld nauwkeurig maximum, maar moet die per geval worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB, C‑334/12 RX-II, EU:C:2013:134, punten 28 en 29).

221    Bovendien moet erop worden gewezen, zoals de advocaat-generaal heeft gedaan in punt 104 van zijn conclusie, dat het weerlegbaar vermoeden dat een termijn van meer dan vijf jaar vanaf de betrokken feiten onredelijk is, zoals het Hof dit heeft gehanteerd in punt 105 van het arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement (C‑566/14 P, EU:C:2016:437), en waaraan Pinxten refereert, niet kan worden toegepast in de onderhavige procedure.

222    Dit vermoeden vindt zijn oorsprong immers in de regels voor de inning van schuldvorderingen van de Unie (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punten 101‑103).

223    Zelfs wanneer een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU deels steunt op een grief inzake misbruik van de middelen van de Rekenkamer, neemt dit niet weg dat een dergelijk beroep niet bedoeld is om terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die volgens die instelling onterecht zijn uitgekeerd aan het betrokken lid.

224    Bijgevolg moet in het licht van de in punt 220 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof worden onderzocht of de Rekenkamer haar beroep binnen een redelijke termijn heeft ingesteld.

225    In casu moet inderdaad worden vastgesteld dat de oudste feiten die Pinxten worden verweten dateren van 2006, dat wil zeggen meer dan twaalf jaar voordat het onderhavige beroep is ingesteld.

226    Daarnaast blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt weliswaar dat indien de Rekenkamer de door haar leden ingediende betalingsverzoeken strikter had gecontroleerd, zij op zijn minst een groot deel van de Pinxten verweten onregelmatigheden eerder had kunnen opsporen, maar dit neemt niet weg dat de elementen die tijdens het onderzoek van OLAF aan het licht zijn gekomen, een stelselmatig heronderzoek van zijn situatie rechtvaardigden.

227    Het door de Rekenkamer krachtens artikel 286, lid 6, VWEU ingestelde beroep steunt op een combinatie van alle gegevens waarover die instelling na afloop van dit stelselmatige heronderzoek beschikte. Het staat dus niet vast dat de Rekenkamer zonder de door OLAF verzamelde informatie had kunnen beslissen het onderhavige beroep in te stellen.

228    Bovendien heeft de Rekenkamer, nadat zij in 2016 inlichtingen had ontvangen die Pinxten in opspraak brachten, in de loop van datzelfde jaar een intern onderzoek verricht. Vanaf het tijdstip waarop de directeur van OLAF de Rekenkamer op 27 oktober 2016 heeft laten weten dat hij overwoog een onderzoek te openen en totdat hij zijn verslag op 2 juli 2018 aan de Rekenkamer heeft overgelegd, kon die instelling haar onderzoek niet voortzetten gelet op artikel 5, lid 3, van verordening nr. 883/2013, tenzij anders werd overeengekomen met OLAF. Zodra de Rekenkamer dit verslag heeft ontvangen, heeft zij de uit verschillende stappen bestaande procedure van artikel 4 van het reglement van orde ingeleid, welke procedure heeft gelopen van 12 juli tot en met 29 november 2018.

229    Hieruit volgt dat de Rekenkamer snel heeft gereageerd op de ontvangst van informatie over vermeende onregelmatigheden van Pinxten en zij vervolgens de tot haar bevoegdheden behorende procedures heeft gevoerd met een zekere spoed, ook al was artikel 286, lid 6, VWEU nog nooit toegepast en maakte het verslag van OLAF gewag van een zeer groot aantal door Pinxten begane onregelmatigheden.

230    Zo het Hof in voorkomend geval dus rekening dient te houden met de tijd die is verstreken tussen bepaalde van de betrokken feiten en het moment waarop de Rekenkamer specifieke bezwaren heeft geformuleerd waar het moet nagaan in hoeverre van Pinxten kan worden verwacht dat hij uitleg of aanvullende bewijzen in verband met die feiten verstrekt, kan echter niet worden geoordeeld dat het onderhavige beroep over het algemeen na een onredelijke termijn is ingesteld of dat de Rekenkamer zich in de onderhavige procedure niet op bepaalde in dit beroep aan de kaak gestelde onregelmatigheden kan beroepen.

231    Bijgevolg moeten de argumenten van Pinxten over de vertraging waarmee het onderhavige beroep is ingesteld, worden afgewezen.

232    Aangezien geen enkel van de vier argumenten betreffende de ontvankelijkheid van het beroep is aanvaard, moet worden vastgesteld dat het onderhavige beroep ontvankelijk is.

B.      Grieven

233    Ter ondersteuning van haar beroep voert de Rekenkamer vijf grieven aan: 1) misbruik van de middelen van die instelling; 2) misbruik en onrechtmatig gebruik van fiscale voorrechten; 3) valse verklaringen over een schadegeval aan de verzekeraar; 4) niet-aangegeven en onwettige uitoefening van bepaalde activiteiten, en 5) het creëren van een situatie waarin sprake is van een belangenconflict.

234    Alvorens deze grieven te onderzoeken, moet worden gepreciseerd dat de Rekenkamer het Hof op grond van artikel 286, lid 6, VWEU kan verzoeken om leden van die instelling van hun ambt te ontheffen of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen te verklaren wanneer die leden hebben opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

235    Om welke verplichtingen het gaat, wordt met name verduidelijkt in de artikelen 285 en 286 VWEU.

236    Zo dienen die leden volgens artikel 285 VWEU hun ambt volkomen onafhankelijk uit te oefenen, in het algemeen belang van de Unie.

237    Artikel 286, lid 3, VWEU bepaalt onder meer dat de leden van de Rekenkamer zich moeten onthouden van iedere handeling die onverenigbaar is met het karakter van hun ambt.

238    Volgens artikel 286, lid 4, VWEU mogen zij gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten, met name teneinde hun beschikbaarheid tijdens de uitoefening van hun ambt te verzekeren. Deze bepaling preciseert tevens dat zij zich plechtig ertoe moeten verbinden gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode.

239    Deze laatste verplichtingen worden slechts bij wijze van voorbeeld genoemd: het begrip „uit hun taak voortvloeiende verplichtingen” in de zin van artikel 286, lid 6, VWEU moet ruim worden uitgelegd. Gelet op de grote verantwoordelijkheid die aan de leden van de Rekenkamer is toevertrouwd, is het belangrijk dat zij voldoen aan de hoogste maatstaven van gedrag en te allen tijde het algemeen belang van de Unie laten prevaleren, niet alleen boven nationale, maar ook boven persoonlijke belangen (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punten 70 en 71).

240    Hiertoe worden de verplichtingen van de leden van de Rekenkamer die in het primaire recht zijn neergelegd, overgenomen en geconcretiseerd in de regels die door deze instelling worden vastgesteld en waaraan de leden zich strikt moeten houden.

241    In het bijzonder moeten de leden van de Rekenkamer nauwgezet de in deze regels opgenomen aangifteverplichtingen nakomen, teneinde de naleving van artikel 286, leden 3 en 4, VWEU te verzekeren en aldus ervoor te zorgen dat die instelling volledig wordt geïnformeerd aangaande verzoeken om middelen van deze instelling aan te wenden ter vergoeding van onder meer dienstreiskosten en representatie- en ontvangstkosten.

242    Bij twijfel over de exacte omvang van de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen dienen de leden van de Rekenkamer zich tot de bevoegde diensten van die instelling te wenden om deze twijfel weg te nemen.

243    Zo de leden van de Rekenkamer zich dus onberispelijk dienen te gedragen, betekent dit evenwel niet dat de geringste afwijking van de voor hen geldende normen kan worden veroordeeld op grond van artikel 286, lid 6, VWEU. Er moet daartoe sprake zijn van een min of meer ernstige niet-nakoming (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 72).

244    Het onderzoek van de vijf grieven van de Rekenkamer moet er dus op gericht zijn te bepalen of uit het dossier waarover het Hof beschikt ten aanzien van Pinxten een min of meer ernstige niet-nakoming blijkt van de uit de taak van een lid van die instelling voortvloeiende verplichtingen, zoals die in het primaire recht zijn neergelegd en in de door die instelling vastgestelde regels zijn verduidelijkt.

245    Daartoe dient het Hof alle bewijzen te onderzoeken, zowel die welke zijn overgelegd door de Rekenkamer, die het bestaan van de door haar aan Pinxten verweten niet-nakoming dient aan te tonen, als die welke door Pinxten naar voren zijn gebracht. Het Hof moet met name de materiële juistheid en de betrouwbaarheid van deze bewijzen beoordelen, teneinde te bepalen of deze volstaan om een min of meer ernstige niet-nakoming in de zin van artikel 286, lid 6, VWEU te kunnen vaststellen.

1.      Vierde grief: niet-aangegeven en onwettige politieke activiteit en positie als beheerder van een vastgoedmaatschappij

246    Met haar vierde grief betoogt de Rekenkamer dat Pinxten zijn verplichtingen inzake belangeloosheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid, toewijding, integriteit, verantwoordelijkheid, voorbeeldigheid en transparantie niet is nagekomen door tijdens zijn mandaten op irreguliere wijze twee externe activiteiten uit te oefenen.

247    Aangezien het in de eerste grief aan de orde gestelde misbruik van de middelen van de Rekenkamer deels ziet op aanwendingen van de middelen van die instelling die volgens haar verband houden met die externe activiteiten, moet de vierde grief als eerste worden onderzocht.

248    Zoals in punt 238 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, mogen de leden van de Rekenkamer volgens artikel 286, lid 4, VWEU gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten.

249    Om te garanderen dat die leden onafhankelijk zijn in de zin van artikel 285 VWEU en zij zich overeenkomstig artikel 286, lid 3, VWEU onthouden van iedere handeling die onverenigbaar is met het karakter van hun ambt, preciseren de door de Rekenkamer vastgestelde regels, waaraan, zoals in punt 241 van dit arrest is aangegeven, de leden zich nauwgezet moeten houden, onder welke voorwaarden zij tijdens hun ambtsperiode een externe activiteit kunnen uitoefenen.

250    Aldus bepaalt punt 3.7 van de gedragscode voor de Europese Rekenkamer dat de leden van de Rekenkamer alleen externe activiteiten mogen uitvoeren die binnen het kader van het Statuut vallen, en zich moeten onthouden van elke activiteit die de reputatie van die instelling kan schaden, twijfel doet rijzen over hun onpartijdigheid of hen in hun werk belemmert.

251    In artikel 4, lid 1, van de gedragscode van 2004 en artikel 4, leden 1 en 2, van de gedragscode van 2012 was bepaald dat de leden van de Rekenkamer zich volledig aan de uitoefening van hun mandaat moeten wijden, geen enkele politieke functie mogen vervullen en zich onthouden van elke externe beroepsactiviteit en elke andere externe activiteit die onverenigbaar is met de uitoefening van hun ambt.

252    Artikel 5, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde bepaalde dat de leden van de Rekenkamer zich onthouden van elke externe beroepsactiviteit en elke andere externe activiteit die onverenigbaar is met de beginselen van onafhankelijkheid en beschikbaarheid in de uitoefening van hun ambt.

253    Artikel 5, lid 2, van deze uitvoeringsbepalingen gaf aan dat elke feitelijke of beoogde externe activiteit moet worden beoordeeld in het licht van vier algemene criteria: geen ondermijning van de onpartijdigheid van de Rekenkamer, geen belangenverstrengeling, geen buitensporig beslag op beschikbare tijd en geen geldelijk gewin.

254    Daarnaast voorzien – op procedureel vlak – artikel 4, lid 3, van de gedragscode van 2004, artikel 4, lid 6, van de gedragscode van 2012 en artikel 6, leden 1 en 2, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde in de verplichting om elke externe activiteit te melden aan de president van de Rekenkamer, niet alleen bij de indiensttreding van een lid van die instelling maar ook gedurende de rest van zijn mandaat.

255    Uit het voorgaande volgt dat ter afdoening van de vierde grief moet worden beoordeeld of Pinxten, wat betreft de twee externe activiteiten waarop het eerste en het tweede onderdeel van deze grief betrekking hebben, heeft voldaan aan de verplichtingen om elke externe activiteit te melden en geen externe activiteit uit te oefenen die onverenigbaar is met zijn ambt.

a)      Eerste onderdeel van de vierde grief: niet-aangegeven en onwettige uitoefening van een politieke activiteit

1)      Argumenten van partijen

256    Met het eerste onderdeel van haar vierde grief betoogt de Rekenkamer dat Pinxten actief aan politiek heeft gedaan terwijl hij lid was van die instelling. Zo heeft hij deelgenomen aan talrijke bestuursvergaderingen van de politieke partij Open VLD (hierna: „betrokken politieke partij”), en was hij tot 2008 zelfs stemgerechtigd lid van die partij.

257    Deze activiteit werd niet gemeld aan of goedgekeurd door de Rekenkamer en is hoe dan ook onverenigbaar met de taken van een lid van die instelling.

258    Pinxten ontkent op enigerlei wijze politiek actief te zijn geweest toen hij lid was van de Rekenkamer. Hij heeft weliswaar bepaalde vergaderingen van de betrokken politieke partij bijgewoond, maar dit waren vergaderingen van het „uitgebreide” partijbestuur, waaraan ook parlementsleden van die partij deelnamen en waarbij hij geen stemrecht had, aangezien hij geen verkozen lid van dat bestuur was. Zijn deelname aan deze vergaderingen had tot doel de activiteiten van de Rekenkamer te bevorderen en professionele relaties met nationale politieke verantwoordelijken te onderhouden.

2)      Beoordeling door het Hof

259    Ten eerste moet worden opgemerkt dat de stelling van de Rekenkamer dat Pinxten tot 2008 als stemgerechtigd lid aan de bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij heeft deelgenomen, niet als vaststaand kan worden beschouwd, aangezien het dossier waarover het Hof beschikt geen enkel bewijs daarvan bevat.

260    Wat ten tweede de deelname van Pinxten – vanaf 2008 – aan de bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij betreft zonder dat hij daarbij stemrecht had, verstrekt de Rekenkamer onder meer een e-mail van 24 november 2008 van de politieke directeur van die partij waarin Pinxten wordt verzekerd dat hij systematisch zou worden uitgenodigd voor de bestuursvergaderingen van die partij, alsook notulen van deze vergaderingen waaruit blijkt dat Pinxten van 9 maart 2009 tot en met 26 april 2010 aan minstens dertig van deze vergaderingen heeft deelgenomen.

261    Zoals de advocaat-generaal in punt 182 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt uit deze notulen tevens dat de bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij waaraan Pinxten heeft deelgenomen, bedoeld waren om diverse Belgische en Europese politieke kwesties te bespreken.

262    Bovendien, ofschoon het dossier waarover het Hof beschikt geen notulen van de bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij bevat die dateren van na 26 april 2010, wijst een aantal elementen uit dit dossier erop dat Pinxten ook na deze datum is blijven deelnemen aan die vergaderingen.

263    Met name blijkt uit e-mailverkeer van mei 2012 dat Pinxten er bezorgd over was dat hij geen uitnodigingen meer ontving voor de bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij en dat hem werd geantwoord dat het om een technisch probleem ging. Dat Pinxten belangstelling had voor deze vergaderingen blijkt ook uit e-mailverkeer van januari 2016, waarin hij zich beklaagde over het feit dat hij de uitnodigingen voor deze vergaderingen te laat ontving om ze op te nemen in zijn agenda en dus te kunnen bijwonen.

264    E-mails van september 2014 en september en oktober 2015 bevestigen dat Pinxten heeft deelgenomen aan bepaalde bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij.

265    Vervolgens blijkt uit verschillende e-mails van 2016 en 2017 dat Pinxten uitnodigingen voor die vergaderingen bleef ontvangen, en blijkt uit stukken betreffende verschillende van zijn dienstreizen dat hij in die twee jaren aan minstens vier van die vergaderingen heeft deelgenomen.

266    Pinxten heeft tijdens zijn hoorzitting bij de Rekenkamer en daarna tijdens de terechtzitting overigens erkend dat hij regelmatig heeft deelgenomen aan de vergaderingen van het „uitgebreide” bestuur van de betrokken politieke partij, namelijk zowat acht tot tien keer per jaar gemiddeld.

267    Uit deze gegevens volgt dat Pinxten gedurende het grootste deel van zijn twee mandaten actief aan politiek heeft gedaan, wat met name blijkt uit zijn rechtstreekse en regelmatige deelname aan het bestuur van een nationale politieke partij.

268    Deze vaststelling wordt onverlet gelaten door het argument van Pinxten dat hij, net als de parlementsleden van de betrokken partij, als genodigde of waarnemer aan die vergaderingen deelnam, zonder daartoe verkozen of stemgerechtigd te zijn.

269    De regelmatige aanwezigheid op bestuursvergaderingen van een politieke partij biedt namelijk, zelfs zonder stemrecht, een reële mogelijkheid om via deelname aan de aldaar gevoerde debatten de politieke activiteit van die partij te beïnvloeden. De door Pinxten aangevoerde gelijkenis tussen het statuut van de parlementsleden van de betrokken partij en dat van hemzelf wat de deelname aan de betrokken vergaderingen betreft, bevestigt trouwens dat deze deelname samenhing met een politieke activiteit.

270    Naast het feit dat Pinxten deze activiteit geenszins heeft aangegeven, moet worden geconstateerd dat zij duidelijk onverenigbaar is met de taken van een lid van de Rekenkamer.

271    Naast de tijd die nodig is om zich op werkdagen naar politieke vergaderingen te verplaatsen en deze bij te wonen, terwijl het betrokken lid een beschikbaarheidsverplichting heeft, doet een activiteit van die aard immers afbreuk aan zijn onafhankelijkheid en kan zij, indien bekend, schadelijk zijn voor het beeld dat het publiek heeft van de onpartijdigheid van de Rekenkamer.

272    Een dergelijke activiteit is dus onverenigbaar met de verplichtingen die zijn neergelegd in het primaire recht en is tevens in strijd met de regels van de Rekenkamer die zijn vermeld in de punten 250 tot en met 253 van dit arrest. De uitoefening van een politieke functie wordt met name uitdrukkelijk verboden door de gedragscodes van 2004 en 2012, en volgens punt 3.3 van de gedragscode voor de Europese Rekenkamer moet elk belangenconflict dat zich zou kunnen voordoen bij lidmaatschap van een politieke organisatie, worden vermeden.

273    Onderstreept moet worden dat een lid van de Rekenkamer dat gedurende het grootste deel van zijn ambtstermijnen een politieke activiteit handhaaft, op bijzonder ernstige wijze inbreuk maakt op de meest elementaire verplichtingen die uit zijn taak voortvloeien.

274    De schending van deze verplichtingen is in het onderhavige geval des te ernstiger omdat Pinxten er zich geenszins onbewust van kon zijn dat zijn gedrag onregelmatig was: bij zijn ambtsaanvaarding had hij gevraagd om zijn titel van burgemeester van de gemeente Overpelt (België) te kunnen behouden, maar het comité dat belast is met de beoordeling van de externe activiteiten van de leden van de Rekenkamer had dit met name geweigerd op basis van een nota van 10 mei 2006 van de juridische dienst van die instelling waarin werd benadrukt dat de leden van die instelling geen enkele politieke functie mogen uitoefenen.

275    Bijgevolg is het eerste onderdeel van de vierde grief gegrond.

b)      Tweede onderdeel van de vierde grief: de niet-aangegeven en onwettige positie als beheerder van een vastgoedmaatschappij

1)      Argumenten van partijen

276    Met het tweede onderdeel van haar vierde grief betoogt de Rekenkamer dat Pinxten in 2016 een privéonderneming heeft opgericht, waaruit hij inkomsten haalde, voor de exploitatie van een wijngaard in Côte-d’Or (Frankrijk).

277    Deze activiteit werd noch aangegeven bij de Rekenkamer noch door haar goedgekeurd, en is hoe dan ook onverenigbaar met de taken van een lid van die instelling aangezien het om een winstgevende beroepsactiviteit gaat.

278    Volgens Pinxten is de door de Rekenkamer vermelde vennootschap een vastgoedmaatschappij die geen commerciële activiteit uitoefent en die enkel huur ontvangt voor een goed dat werd aangegeven in zijn belangenverklaring. Het gaat dus gewoon om een volkomen transparante vorm van onroerende eigendom.

2)      Beoordeling door het Hof

279    Blijkens het dossier waarover het Hof beschikt heeft Pinxten daadwerkelijk de functie van beheerder van een vastgoedmaatschappij bekleed, vanaf de oprichting ervan in 2016 tot aan het einde van zijn tweede mandaat.

280    Pinxten en zijn echtgenote bezaten 97 % van de aandelen van die vastgoedmaatschappij, de overige 3 % was in handen van hun drie kinderen.

281    Verder blijkt uit de door de Rekenkamer overgelegde notariële akten en e-mails dat diezelfde vastgoedmaatschappij op 12 september 2016 verschillende percelen heeft verworven die onmiddellijk in pacht zijn gegeven voor exploitatie door een derde.

282    Aangaande de vraag of de aldus door Pinxten uitgeoefende functie verenigbaar was met zijn taken moet echter worden vastgesteld dat geen van de beginselen die aan het Statuut van de leden van de Rekenkamer ten grondslag liggen, zich verzet tegen het direct of indirect bezitten van onroerend goed of tegen het ontvangen van huurinkomsten uit onroerend goed.

283    Uit artikel 2, lid 2, van de gedragscode van 2012, waarin het „direct of via een vastgoedbedrijf in eigendom [hebben van onroerend goed]” aan dezelfde meldingsregeling werd onderworpen, volgt trouwens dat de interne regels van de Rekenkamer uitdrukkelijk voorzagen in de mogelijkheid voor haar leden om direct of indirect onroerend goed in eigendom te hebben.

284    Aangezien niet is aangevoerd, laat staan is aangetoond, dat de activiteiten van de betrokken vastgoedmaatschappij verder reikten dan het beheren van de in punt 281 van dit arrest genoemde landbouwpercelen, blijkt dat deze percelen, die niet rechtstreeks werden geëxploiteerd door deze onderneming, door Pinxten als beheerder van die vennootschap enkel dienden te worden beheerd zoals hij zou hebben moeten doen indien hij de percelen rechtstreeks in eigendom zou hebben gehad.

285    In die omstandigheden, en bij gebreke van andere elementen waaruit zou kunnen blijken dat hetgeen de Rekenkamer Pinxten in dit verband verwijt, gegrond is, lijkt de door hem uitgeoefende activiteit van beheerder van een familiale vastgoedmaatschappij niet van dien aard te zijn dat daardoor afbreuk werd gedaan aan de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zijn beschikbaarheid werd verminderd of deze activiteit hem meer inkomsten opleverde dan hij zou hebben kunnen verkrijgen als eigenaar van de goederen die in die maatschappij waren ingebracht.

286    Bijgevolg kan deze activiteit, anders dan de Rekenkamer stelt, niet worden beschouwd als een activiteit die onverenigbaar is met de taken van een lid van de Rekenkamer.

287    Wat de vraag betreft of Pinxten heeft voldaan aan zijn verplichting om die activiteit te melden, volgde uit artikel 2, leden 2 en 4, van de gedragscode van 2012 dat een lid van de Rekenkamer dat in de loop van zijn mandaat via een vastgoedbedrijf een onroerend goed verwierf dat niet de uitsluitend door hem gebruikte woning betrof, een nieuwe opgave van zijn financiële belangen en zijn vermogen moest indienen waarin dat goed werd vermeld.

288    Gezien deze specifieke meldingsplicht voor het bezitten van onroerend goed en het feit dat de gedragscode van 2012 in dit verband naar vastgoedbedrijven verwijst, moet worden geoordeeld dat het voor een lid van de Rekenkamer dat beheerder was van een vastgoedbedrijf, volstond om een opgave van zijn financiële belangen en zijn vermogen te doen en daarin het goed te vermelden dat hij via dit vastgoedbedrijf in eigendom had, om aan zijn meldingsplichten jegens die instelling te voldoen.

289    Aangezien de functie van beheerder van een vastgoedmaatschappij als zodanig niet onverenigbaar is met de taken van een lid van de Rekenkamer en een eventueel belangenconflict in verband met deze functie naar zijn aard zou voortvloeien uit het bezit van het betrokken goed en niet uit de uitoefening zelf van die functie, is de aanvullende aangifte hiervan als externe activiteit in het kader van de in punt 254 van dit arrest bedoelde procedure in wezen niet noodzakelijk om de Rekenkamer in staat te stellen na te gaan of haar leden de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen nakomen.

290    In casu wordt niet betwist dat de door de betrokken vastgoedmaatschappij gehouden landbouwpercelen daadwerkelijk werden vermeld in een nieuwe, door Pinxten na de verwerving van deze percelen gedane opgave van zijn financiële belangen en vermogen.

291    Derhalve moet het tweede onderdeel van de vierde grief ongegrond worden verklaard.

292    Bijgevolg dient deze grief gedeeltelijk te worden toegewezen.

2.      Eerste grief: misbruik van de middelen van de Rekenkamer om activiteiten te financieren die geen verband hielden met zijn taken als lid van die instelling of daarmee niet verenigbaar waren

a)      Ontvankelijkheid van de eerste grief

293    Pinxten heeft twee argumenten aangevoerd tegen de ontvankelijkheid van de eerste grief, namelijk ten eerste dat de Rekenkamer haar beoordelingsbevoegdheid niet heeft uitgeoefend en dat het verzoekschrift qua presentatie vormgebreken vertoont, en ten tweede dat de als bijlage bij de memorie van repliek gevoegde tabel niet-ontvankelijk is.

1)      Uitoefening door Rekenkamer van haar beoordelingsbevoegdheid

i)      Argumenten van partijen

294    Pinxten betoogt dat de Rekenkamer louter heeft verwezen naar het verslag van OLAF zonder het te analyseren en met name zonder precies aan te geven in welke zin de betwiste uitgaven onregelmatig zouden zijn. Aldus heeft de Rekenkamer nagelaten de haar door artikel 286, lid 6, VWEU verleende beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen. Deze tekortkoming wordt nog verergerd doordat de Rekenkamer van Pinxten uiteindelijk slechts ongeveer 27 % eist van het door OLAF berekende bedrag, zonder uit te leggen waarom zij niettemin alle verwijten overneemt die Pinxten worden gemaakt in het verslag van OLAF.

295    Volgens de Rekenkamer diende zij het verslag van OLAF te analyseren en daarnaar te verwijzen. Niettemin heeft zij haar eigen analyse van de betrokken feiten verricht, zoals het voorbereidend verslag en het verzoekschrift trouwens aantonen.

ii)    Beoordeling door het Hof

296    Uit artikel 286, lid 6, VWEU volgt dat enkel de Rekenkamer de in deze bepaling vastgestelde procedure kan inleiden.

297    Die instelling dient dus te beoordelen of de gegevens die haar ter beschikking staan over het gedrag van het betrokken lid of voormalig lid van die instelling volstaan om die procedure te kunnen inleiden. Artikel 4 van het reglement van orde voorziet overigens in een interne procedure om die instelling in staat te stellen hierover een geïnformeerd besluit te nemen.

298    Dat er een verslag van OLAF over het gedrag van het betrokken lid of voormalig lid van de Rekenkamer is opgesteld, leidt er bovendien niet toe dat de beoordelingsmarge waarover die instelling in dit verband beschikt, wordt beperkt. Uit artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2013 volgt namelijk dat de instelling waaraan dat verslag wordt toegezonden, zelf bepaalt welk gevolg aan dit verslag en aan de bijbehorende aanbevelingen moet worden gegeven.

299    Zoals met name uit de punten 188 tot en met 214 van het onderhavige arrest blijkt, is in casu de procedure van artikel 4 van het reglement van orde gevolgd en heeft de Rekenkamer op basis daarvan besloten om het onderhavige beroep in te stellen, rekening houdend met alle elementen waarover zij beschikte, waaronder het verslag van OLAF.

300    Aangezien de Rekenkamer geenszins verplicht is om zich te distantiëren van de in het verslag van OLAF gedane vaststellingen, doet het feit dat het verzoekschrift in zeer grote mate op deze vaststellingen is gebaseerd, in die omstandigheden niet af aan de ontvankelijkheid van de eerste grief.

301    De Rekenkamer heeft trouwens in haar verzoekschrift niet alle in het verslag van OLAF opgesomde verwijten overgenomen. Zo heeft zij met name geen bezwaren geformuleerd over ongerechtvaardigde afwezigheden van Pinxten en heeft zij daarnaast de analyse van OLAF betreffende de onregelmatigheid van bepaalde van zijn dienstreizen buiten beschouwing gelaten.

302    Bijgevolg moet het argument van Pinxten dat de Rekenkamer haar beoordelingsbevoegdheid niet heeft uitgeoefend, worden afgewezen.

2)      Presentatie van het verzoekschrift en ontvankelijkheid van de als bijlage bij de memorie van repliek gevoegde tabel

i)      Argumenten van partijen

303    Pinxten betoogt dat de Rekenkamer als vervolgende autoriteit niet heeft voldaan aan haar verplichting de feiten aan te tonen door te bewijzen dat elke in de eerste grief betwiste uitgave daadwerkelijk onregelmatig was.

304    Dat bewijs kan niet worden geleverd door principieel en automatisch te verwijzen naar het verslag van OLAF en de vele bijlagen daarbij: een dergelijke verwijzing is onacceptabel. Evenzo kan die instelling niet geldig haar betoog staven door naar de tabel in bijlage C.1 bij de memorie van repliek te verwijzen, te meer daar deze tabel dateert van na haar beslissing om zich tot het Hof te wenden.

305    Volgens de Rekenkamer is het verzoekschrift voldoende gemotiveerd. Zo worden daarin representatieve voorbeelden van de aan Pinxten verweten niet-nakomingen gegeven waarbij elke grief wordt vermeld en als bijlage een gedetailleerdere tabel wordt gevoegd. Bovendien heeft de Rekenkamer, nadat Pinxten op 4 februari 2019 opmerkingen heeft ingediend, alle uitgaven opnieuw onderzocht en een tabel opgesteld en deze gevoegd bij haar besluit van 11 april 2019 tot vaststelling van de schuld en de terugvordering ervan.

ii)    Beoordeling door het Hof

306    Vooraf moet erop worden gewezen dat het betoog van Pinxten dat de Rekenkamer niet het bewijs levert van de feiten waarop de eerste grief steunt, moet worden beoordeeld in het stadium van het onderzoek van de gegrondheid van deze grief en niet in het stadium van het onderzoek van de ontvankelijkheid ervan.

307    Wat voor het overige ten eerste de presentatie van het verzoekschrift betreft, zij eraan herinnerd dat het verzoekschrift volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 120, onder c), van zijn Reglement voor de procesvoering onder meer het voorwerp van het geschil, de conclusies van de verzoeker en de aangevoerde middelen en argumenten moet bevatten.

308    Deze verplichting moet de verwerende partij in staat stellen haar verweer voor te bereiden en het Hof in staat stellen zijn controle uit te oefenen. Daaruit volgt dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk moeten blijken uit de tekst van het verzoekschrift zelf, en dat de conclusies van dat verzoekschrift op ondubbelzinnige wijze moeten zijn geformuleerd, teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita recht doet of nalaat op een van de grieven recht te doen.

309    In het kader van een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU moet de Rekenkamer dus de grieven coherent en nauwkeurig uiteenzetten opdat het betrokken lid of voormalig lid van de Rekenkamer de aard van de verweten schending van de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen precies kan begrijpen, wat noodzakelijk is opdat dit lid of voormalig lid nuttig verweer kan voeren en het Hof het bestaan van de vermeende schending kan beoordelen.

310    De tekst van het verzoekschrift mag daartoe weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit de bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere stukken – ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd – kan het ontbreken van de wezenlijke elementen van het juridische betoog, die in het verzoekschrift zelf moeten worden vermeld, niet goedmaken (zie naar analogie arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

311    Het is dus niet de taak van het Hof om in de bijlagen bij het verzoekschrift de grieven en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen (zie naar analogie arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

312    In casu bevat het verzoekschrift van de Rekenkamer een algemene uiteenzetting van de eerste grief met daarin inzonderheid een overzicht van de categorieën van situaties waarin Pinxten volgens die instelling haar middelen heeft misbruikt.

313    Deze uiteenzetting wordt aangevuld met zeer omvangrijke bijlagen waarnaar het verzoekschrift herhaaldelijk verwijst.

314    Dienaangaande moet inderdaad worden geconstateerd dat de manier waarop in het verzoekschrift naar deze bijlagen wordt verwezen, discutabel is waar de Rekenkamer haar betoog vaak onderbouwt met een onvoldoende nauwkeurige verwijzing naar bijlage A.37 bij het verzoekschrift, die talrijke, vaak slordig gepresenteerde documenten bevat en duizenden pagina’s telt.

315    Hoewel het Hof door deze werkwijze niet over een nauwkeurige, gedetailleerde analyse beschikt, laat het verzoekschrift niettemin toe de aard van de eerste grief van de Rekenkamer alsook de argumenten die zij tot staving van de onregelmatigheid van het gedrag van Pinxten beoogt aan te voeren, te begrijpen.

316    Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het onderhavige beroep is gebaseerd, voldoende blijken uit de tekst van het verzoekschrift, en dat de vele verwijzingen naar de bijlagen bij het verzoekschrift er dus niet toe strekken op dit punt een gebrek in het verzoekschrift goed te maken.

317    Wat meer specifiek de overlegging door de Rekenkamer van de in bijlage A.47 bij het verzoekschrift opgenomen tabel betreft, zij erop gewezen dat deze tabel die instelling toelaat het verzoekschrift te staven en aan te vullen, nu daarin uitputtend en nauwkeurig de concrete situaties worden beschreven waarin de in de eerste grief van het verzoekschrift genoemde onregelmatigheden zouden hebben plaatsgevonden.

318    Bovendien kan met deze tabel de continuïteit worden verzekerd met de voorafgaande administratieve procedure, waarin zowel de Rekenkamer als Pinxten dezelfde verwijzingen hanteerde om de situaties in kwestie aan te duiden.

319    Gezien het grote aantal concrete situaties waarop de eerste grief ziet, was een volledige weergave daarvan in de tekst van het verzoekschrift eigenlijk de facto moeilijk denkbaar.

320    Deze vormelijke moeilijkheid betekent evenwel niet dat op de Rekenkamer niet de verplichting zou rusten om aan het Hof opgave te doen van alle feiten waaruit volgens haar in hun geheel beschouwd de niet-nakomingen van Pinxten van de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen blijken.

321    In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de manier waarop de eerste grief in het verzoekschrift is weergegeven, Pinxten in staat stelt zijn rechten van verdediging uit te oefenen, zoals hij tijdens de procedure voor het Hof overigens omstandig heeft gedaan, en het Hof in staat stelt zich uit te spreken over de gegrondheid van deze grief.

322    Bijgevolg kunnen de vormgebreken in de presentatie van het verzoekschrift niet tot gevolg hebben dat de eerste grief geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk is.

323    Wat ten tweede de stelling betreft dat de in bijlage C.1 bij de memorie van repliek opgenomen tabel niet-ontvankelijk is omdat deze na het verzoekschrift is opgesteld en in het stadium van de memorie van repliek is overgelegd, moet in herinnering worden geroepen dat nieuwe middelen volgens artikel 127 van het Reglement voor de procesvoering niet mogen worden voorgedragen in de loop van het geding, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Artikel 128, lid 1, van dit Reglement bepaalt voorts dat partijen in de memorie van repliek nog bewijs kunnen overleggen of aanbieden om hun stellingen nader te bewijzen, en dat de vertraging waarmee zodanig bewijs wordt ingediend of dit bewijsaanbod wordt gedaan, in dat geval dient te worden gemotiveerd.

324    Dienaangaande moet worden geconstateerd dat de met bijlage C.1 bij de memorie van repliek overgelegde tabel een nieuwe presentatie is van de tabel in bijlage A.47 bij het verzoekschrift. Deze nieuwe presentatie is bedoeld om het bewijsmateriaal voor elk van de in deze tabel genoemde situaties makkelijker te kunnen terugvinden en om rekening te kunnen houden met de argumenten die Pinxten had aangevoerd in zijn verweerschrift.

325    Aangezien niet is gebleken dat de in bijlage C.1 bij de memorie van repliek opgenomen tabel nieuwe grieven bevat of verwijst naar bewijsmateriaal dat niet als bijlage bij het verzoekschrift was gevoegd, kan die tabel gelet op de artikelen 127 en 128 van het Reglement voor de procesvoering niet als geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden beschouwd.

b)      Gegrondheid van de eerste grief

1)      Argumenten van partijen

326    Met haar eerste grief voert de Rekenkamer aan dat Pinxten, door misbruik te maken van de middelen van die instelling, zijn verplichtingen inzake belangeloosheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid, toewijding, integriteit, verantwoordelijkheid, voorbeeldigheid en transparantie niet is nagekomen.

327    In de eerste plaats verwijt de Rekenkamer Pinxten te hebben verzocht om betaling van dienstreiskosten en dagvergoedingen voor activiteiten die geen verband hielden met zijn taken.

328    De Rekenkamer benadrukt in dit verband dat uit artikel 7 van verordening nr. 2290/77 en uit besluit nr. 1‑2003 volgde dat deze vergoedingen enkel konden worden verkregen voor taken die zij een lid opdroeg en die verband hielden met de uitoefening van zijn ambt.

329    Pinxten heeft echter ten eerste om vergoeding van dienstreiskosten en om dagvergoedingen verzocht voor recreatieve activiteiten, te weten ontspanningsactiviteiten, zoals een verblijf in het in de bergen gelegen ontspanningsoord Crans-Montana (Zwitserland), vrijetijdsactiviteiten, met name jachtpartijen, toeristische reizen, zoals een reis naar Cuba, en recepties en bruiloften van vrienden.

330    Ten tweede heeft Pinxten vergoedingen en betalingen gevraagd voor activiteiten die verband hielden met zijn vermogensbelangen, met name in het kader van de aankoop van een wijngaard.

331    Ten derde heeft hij dienstreizen uitgevoerd voor activiteiten die onverenigbaar waren met zijn taken, zoals activiteiten in het kader van de betrokken politieke partij. Dat dit daadwerkelijk het geval was blijkt uit zowel de frequentie van de ontmoetingen met de leden van deze partij als het door OLAF verzamelde materiaal.

332    Ten vierde heeft Pinxten „dienstreizen zonder vergoedingen” ingevoerd voor activiteiten waarvan hij toegeeft dat ze geen verband hielden met zijn taken, opdat de kilometers die daarbij met het voor zijn dienstreizen gebruikte dienstvoertuig werden afgelegd niet zouden worden meegerekend voor de jaarlijkse bovengrens van 15 000 km, bij overschrijding waarvan de verplaatsingen voor zijn rekening kwamen.

333    Pinxten rechtvaardigt talrijke dienstreizen door het feit dat hij daarvoor een formele uitnodiging heeft ontvangen. Deze rechtvaardiging kan echter niet worden aanvaard, enerzijds omdat het formele karakter daarvan – en met name het feit dat de geadresseerde daarin in zijn hoedanigheid van lid van de Rekenkamer wordt aangesproken – wellicht een teken van beleefdheid is, zodat er geen sprake is van een band met zijn taken als lid van de Rekenkamer, en anderzijds omdat vaststaat dat de betrokken uitnodigingen in een aantal gevallen op verzoek van Pinxten werden verzonden. Ook de positie of de titel van de tijdens een dienstreis ontmoete personen vormt geen geldige reden, aangezien dit niet volstaat om het officiële karakter van het evenement aan te tonen. Het is trouwens de president van de Rekenkamer die tot taak heeft de externe vertegenwoordiging van die instelling te verzekeren, sinds 2016 daarin bijgestaan door de leden die belast zijn met de institutionele betrekkingen en de kwaliteitscontrole van de audit.

334    In de tweede plaats voert de Rekenkamer aan dat Pinxten in de trimestriële afrekeningen van zijn representatie- en ontvangstkosten uitgaven heeft opgegeven die een privékarakter hadden of onverenigbaar waren met zijn taken.

335    Uit artikel 2 van besluit nr. 7‑2004 blijkt echter dat terugbetaling van representatiekosten enkel gold voor uitgaven die de leden van de Rekenkamer in deze hoedanigheid deden, en dat vrienden of persoonlijke contacten een privé-uitnodiging moesten krijgen.

336    De Rekenkamer benadrukt inzonderheid dat Pinxten in zijn woning een reeks diners heeft georganiseerd waarvan het verband met zijn taken als lid van die instelling niet is aangetoond en die, gelet op de bewoordingen van een brief van 28 april 2015 aan de eerste minister van het Koninkrijk België met een uitnodiging voor een van deze diners (hierna: „brief van 28 april 2015”), moeten worden geacht in werkelijkheid tot doel te hebben gehad vrienden van Pinxten bijeen te brengen.

337    In de derde plaats heeft Pinxten zijn dienstvoertuig gebruikt en een beroep gedaan op de diensten van de chauffeurs van de Rekenkamer voor activiteiten die geen verband hielden of onverenigbaar waren met zijn taken, ook in gevallen waarin hij niet op dienstreis was.

338    Uit de artikelen 1 en 4 van besluit nr. 33‑2004 blijkt evenwel dat de Rekenkamer de kosten van het gebruik van het dienstvoertuig enkel diende te dragen indien dit geschiedde in de uitvoering van de taken van de leden van die instelling. Dit was volgens deze bepalingen het geval voor verplaatsingen die onder een dienstreisopdracht vielen of voor bepaalde specifieke verplaatsingen – tot een maximum van 15 000 km per jaar – die werden geacht verband te houden met de uitvoering van de taken. Bovendien konden de leden van de Rekenkamer enkel voor verplaatsingen in de uitvoering van hun taken gebruikmaken van de diensten van een chauffeur.

339    De gezondheidstoestand van Pinxten kon niet rechtvaardigen dat een beroep werd gedaan op de chauffeurs van de Rekenkamer voor privéverplaatsingen. Het medisch attest met de contra-indicatie voor langeafstandsritten is trouwens pas op 31 oktober 2016 opgesteld.

340    Volgens de Rekenkamer waren de tijdens de litigieuze periode geldende reglementaire bepalingen duidelijk, nauwkeurig, voorspelbaar en volkomen bekend voor Pinxten. Zij sloten consequent elke betaling uit die betrekking had op particuliere activiteiten of op activiteiten die onverenigbaar waren met de hoedanigheid van lid van de Rekenkamer. In deze context kan Pinxten zijn aansprakelijkheid voor zijn eigen tekortkomingen niet afschuiven op de Rekenkamer, die over passende interne controlesystemen beschikte.

341    Ter zake kan geen sprake zijn van schending van het vertrouwensbeginsel, aangezien het stilzwijgen van de administratie of onverschuldigde betalingen niet als nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen kunnen worden beschouwd.

342    Hoe dan ook kan een onregelmatige praktijk geen gewettigd vertrouwen wekken. De president van de Rekenkamer heeft de door Pinxten uitgeschreven dienstreisopdrachten gevalideerd op basis van informatie waaruit niet kon worden afgeleid dat zij geen betrekking hadden op activiteiten die verband hielden met de uitvoering van zijn taken. De goedkeuring van de president was dan ook ongeldig door de opzettelijke weglatingen of het bedrog van Pinxten.

343    Volgens Pinxten moet de eerste grief worden afgewezen.

344    Hij beroept zich in de eerste plaats op de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen.

345    Hij betoogt dienaangaande dat de regels die tot 2018 in de Rekenkamer golden, geen definitie bevatten van de begrippen „dienstreis”, „uitvoering van de taken” of „belang van de Rekenkamer”. De enige nuttige tekst destijds betrof de opmerkingen bij artikel 4 van besluit nr. 33‑2004, waaruit bleek dat de uitvoering van de taken ruim moest worden opgevat.

346    Bovendien heeft Pinxten de president van de Rekenkamer systematisch de door besluit nr. 1‑2003 vereiste informatie verstrekt. Hij heeft hem ook laten weten dat hij om gezondheidsredenen een beroep deed op een chauffeur, via het aanvragen van „dienstreizen zonder vergoedingen”. Verder heeft hij alle vragen beantwoord die de diensten van de Rekenkamer hem mogelijkerwijs hebben gesteld. Gelet op de transparante praktijk die hij aldus aan de dag heeft gelegd, kan hij niet verantwoordelijk worden gehouden voor de controletekortkomingen van deze diensten, waardoor hij eventuele vergissingen niet heeft kunnen ontdekken.

347    In deze context heeft Pinxten via de verleende goedkeuringen en de praktijk van de Rekenkamer gedurende meer dan tien jaar nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen van betrouwbare bronnen gekregen, die de gewettigde verwachting hebben gewekt dat de verrichte betalingen regelmatig waren. Het beroep van de Rekenkamer is dus in strijd met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

348    In de tweede plaats berusten de door de Rekenkamer in het kader van haar eerste grief verrichte beoordelingen op een reeks kennelijke fouten.

349    Zo heeft de Rekenkamer, in navolging van OLAF, het doel van talrijke dienstreizen ter discussie gesteld en zich gebaseerd op wat zij als het „werkelijke doel” van deze dienstreizen ziet, zonder uit leggen welke documenten deze benadering rechtvaardigden.

350    Pinxten voert in het bijzonder aan dat hij gedurende zijn mandaten als lid van de Rekenkamer nooit politiek actief is geweest. Hij heeft leden van de betrokken politieke partij ontmoet als lid van de Rekenkamer en met name om de werkzaamheden van die instelling te bevorderen. Ook de taken die hij binnen de SBNL-V heeft verricht, hebben ertoe bijgedragen dat de werkzaamheden van de Rekenkamer bekendheid verkregen bij de belanghebbenden.

351    Wat de jachtpartijen betreft, merkt Pinxten op dat zijn dienstreizen naar het kasteel van Chambord (Frankrijk) pasten in het kader van Europese dagen waar vooraanstaande Europese figuren samenkwamen. In meer algemene zin is het niet omdat een officiële ontmoeting gepaard gaat met meer informele evenementen, dat zij geen verband houdt met de taken van een lid van de Rekenkamer.

352    De president van de Rekenkamer heeft de dienstreis naar Crans-Montana goedgekeurd zonder aanvullende informatie te eisen. Pinxten heeft op die manier kunnen deelnemen aan het „Crans Montana Forum”, dat als doel heeft vooraanstaande personen samen te brengen om algemene aangelegenheden te bespreken. Verweerder heeft het bestaan van dit forum trouwens vernomen van de president van de Rekenkamer.

353    Ook de reis naar Cuba was – met de instemming van de president van de Rekenkamer – ingegeven door de wens om plaatselijke actoren te ontmoeten, wetende dat het gelet op de aard van het Cubaanse regime slechts mogelijk was om pas ter plaatse contact op te nemen. De organisatie van de reis werd bovendien bemoeilijkt door het gebrek aan medewerking van de delegatie van de Unie in Cuba.

354    De medische onderzoeken, waarvoor hij geen enkele vergoeding heeft ontvangen, behoren tot de in artikel 4 van besluit nr. 33‑2004 bedoelde gevallen waarin een beroep op een chauffeur is toegestaan.

355    Voorts verstrekt Pinxten gedetailleerde preciseringen over een reeks dienstreizen waarvan het voorwerp onjuist is omschreven in het verzoekschrift of waarover de Rekenkamer onjuiste feitelijke beweringen heeft gedaan.

356    Wat de representatie- en ontvangstkosten betreft, benadrukt Pinxten onder verwijzing naar besluit nr. 7‑2004 en de mededelingen van de Rekenkamer dat die instelling er belang bij had dat haar leden contacten onderhielden met vooraanstaande actoren. Geen enkele regel verbood dat representatieactiviteiten werden toegespitst op reeds bekende personen, aangezien enkel persoonlijke vrienden en familieleden privé moesten worden uitgenodigd.

357    Hij verzet zich in dit verband tegen de benadering van de Rekenkamer dat representatieactiviteiten uitsluitend aan haar president toekwamen. Deze benadering is niet in overeenstemming met de praktijk van die instelling of met haar strategische doelstellingen en strookt niet met het feit dat haar leden representatiekosten mogen maken.

358    De door Pinxten aan de chauffeurs gegeven opdrachten hielden ofwel verband met de dienstreizen van Pinxten, ofwel waren zij gerechtvaardigd volgens artikel 4 van besluit nr. 33‑2004 en artikel 4 van besluit nr. 19‑2009. De administratie van de Rekenkamer was overigens volkomen op de hoogte van de activiteiten van de betrokken chauffeurs.

2)      Beoordeling door het Hof

359    Vooraf zij erop gewezen dat de eerste grief betrekking heeft op honderden verschillende verwijten in verband met evenveel feitelijke situaties waarin de middelen van de Rekenkamer volgens haar na aanvragen van Pinxten op abusieve wijze zijn aangewend.

360    Om een volledige analyse van deze verwijten op een voor partijen begrijpelijke wijze mogelijk te maken, zullen ze worden aangeduid aan de hand van de – door de Rekenkamer voor invorderingsdoeleinden opgestelde – nummering die is voorgesteld in de tabel in bijlage A.47 bij het verzoekschrift en die wordt hernomen in de tabel in bijlage C.1 bij de memorie van repliek.

361    In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof zich over de eerste grief dient uit te spreken op basis van het aan het Hof overgelegde bewijsmateriaal en gelet op de criteria die zijn vastgesteld in artikel 286, lid 6, VWEU. Het moet daarbij bepalen of de beweerde onregelmatigheden kunnen worden aangemerkt als een niet-nakoming van de uit de taak van lid van de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen in de zin van deze bepaling.

362    Hoewel de Rekenkamer Pinxten op 11 april 2019 een besluit tot vaststelling van de schuld en de terugvordering daarvan voor de in de eerste grief aan de orde zijnde beweerde onregelmatigheden heeft doen toekomen, heeft het door het Hof in de onderhavige procedure over deze grief in te nemen standpunt dus geen betrekking op de vaststelling van de bedragen die Pinxten verschuldigd zou zijn en loopt het dus niet vooruit op de beoordeling van dat besluit in het kader van het door Pinxten bij het Gerecht van de Europese Unie ingestelde beroep tot nietigverklaring ervan.

363    Alvorens achtereenvolgens de verwijten van de Rekenkamer betreffende, ten eerste, de dienstreiskosten en de dagvergoedingen, ten tweede, de representatie- en ontvangstkosten en, ten derde, het gebruik van het dienstvoertuig en van de diensten van een chauffeur te onderzoeken, moet worden ingegaan op het argument van Pinxten dat de eerste grief in strijd is met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

i)      Schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen

364    Opgemerkt zij dat hoewel Pinxten zich formeel zowel op het rechtszekerheidsbeginsel als op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen beroept, zijn betoog in werkelijkheid uitsluitend handelt over het tweede van deze beginselen, zoals de nieuwe formulering van dit betoog in de memorie van dupliek trouwens bevestigt.

365    Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de betrokkene zich alleen op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen beroepen indien hij van de bevoegde instanties van de Unie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen heeft gekregen die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn (arrest van 8 september 2020, Commissie en Raad/Carreras Sequeros e.a., C‑119/19 P en C‑126/19 P, EU:C:2020:676, punt 144 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

366    De toepasselijkheid van dit beginsel moet al meteen worden uitgesloten met betrekking tot de middelen die de Rekenkamer heeft aangewend voor de representatie- en ontvangstkosten, het gebruik van het dienstvoertuig en het beroep op een chauffeur.

367    Enerzijds kunnen betalingen zoals die voor representatie- en ontvangstkosten volgens de rechtspraak van het Hof, bij gebreke van enige andere relevante omstandigheid en zelfs indien een lang tijdvak is verstreken tussen die betalingen en het moment waarop de regelmatigheid ervan wordt betwist, bij de begunstigde niet het gewettigd vertrouwen wekken dat zij niet meer ter discussie kunnen worden gesteld (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 79).

368    De praktijk waarbij de Rekenkamer representatie- en ontvangstkosten op basis van de door Pinxten verstrekte gegevens terugbetaalde zonder meer informatie te vragen of de gegrondheid van zijn terugbetalingsverzoeken te betwisten, volstaat niet als bewijs dat die instelling hem nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen heeft gedaan met betrekking tot de regelmatigheid van die verzoeken.

369    Anderzijds heeft de Rekenkamer geen enkel uitdrukkelijk besluit genomen over het gebruik door Pinxten van zijn dienstvoertuig of het feit dat hij een beroep deed op een chauffeur, en is bij het Hof geen gewag gemaakt van enige andere soort specifieke standpuntbepaling van de Rekenkamer over de praktijk die Pinxten in dit verband diende te volgen.

370    Gesteld al dat de Rekenkamer op dit gebied praktijken heeft laten voortduren waarvan zij, zoals Pinxten aanvoert, niet onkundig kon zijn, kan deze omstandigheid dus hoe dan ook niet tot de vaststelling leiden dat die instelling hem ter zake nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen heeft gedaan.

371    Daarentegen vormen de dienstreisopdrachten die de president van de Rekenkamer op verzoek van Pinxten uitdrukkelijk heeft verstrekt, voldoende toezeggingen in de zin van de in punt 365 van dit arrest aangehaalde rechtspraak om in beginsel een gewettigd vertrouwen in de regelmatigheid van de betrokken dienstreizen te kunnen wekken.

372    Dit gezegd zijnde moet er om te beginnen op worden gewezen dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat een justitiabele geen gewettigd vertrouwen kan inroepen in handhaving van een situatie die wordt gekenmerkt door fraude (zie in die zin arrest van 14 juni 2017, Santogal M-Comércio e Reparação de Automóveis, C‑26/16, EU:C:2017:453, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

373    Vervolgens is het zo dat, gezien de verplichting van de leden van de Rekenkamer om, zoals uit punt 241 van het onderhavige arrest blijkt, nauwgezet de in de regels van de Rekenkamer neergelegde aangifteverplichtingen na te leven opdat die instelling volledige informatie krijgt inzake verzoeken om haar middelen aan te wenden, een dienstreisopdracht die is gegeven op basis van een verzoek waarin informatie is weggelaten die essentieel is om de president van die instelling in staat te stellen de regelmatigheid van de betrokken dienstreis te beoordelen, zelfs bij afwezigheid van fraude geen gewettigd vertrouwen in die regelmatigheid kan wekken bij het betrokken lid.

374    Tot slot kan op het vertrouwensbeginsel geen beroep worden gedaan door een persoon die zich schuldig heeft gemaakt aan een kennelijke schending van de geldende regeling (arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, C‑96/89, EU:C:1991:213, punt 30, en 14 juli 2005, ThyssenKrupp/Commissie, C‑65/02 P en C‑73/02 P, EU:C:2005:454, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

375    Hieruit volgt ten eerste dat Pinxten zich niet kan beroepen op een gewettigd vertrouwen waar het gaat om frauduleus verkregen dienstreisopdrachten of, zelfs waar geen frauduleuze intentie is aangetoond, om dienstreisopdrachten die de president van de Rekenkamer heeft toegestaan op basis van een aanvraag waarin informatie werd weggelaten die essentieel was om de regelmatigheid van de betrokken dienstreis te kunnen beoordelen.

376    Anders dan de Rekenkamer stelt, kan evenwel niet worden geoordeeld dat de aan Pinxten verleende goedkeuringen die in het kader van de eerste grief worden gelaakt, systematisch werden verleend op basis van dergelijke informatie. Integendeel, uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat in talrijke goedkeuringsaanvragen voor dienstreizen op duidelijke en transparante wijze een doel werd omschreven dat de Rekenkamer inmiddels als zodanig als onregelmatig beschouwt.

377    Ten tweede kan in de gevallen waarin een door de president van de Rekenkamer op verzoek van Pinxten gegeven dienstreisopdracht kennelijk onrechtmatig is, zonder evenwel frauduleus of op basis van een aanvraag met onvolledige informatie te zijn verkregen, het vertrouwensbeginsel niet uitsluiten dat het Hof de mogelijkheid heeft om vast te stellen dat Pinxten, door deze goedkeuring aan te vragen en vervolgens te gebruiken om betaling te verkrijgen, de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.

378    Een dergelijke benadering vloeit trouwens voort uit de in punt 239 van het onderhavige arrest aangehaalde verplichting van de leden van de Rekenkamer om aan de hoogste maatstaven van gedrag te voldoen.

379    Wanneer een dienstreis duidelijk onregelmatig bleek te zijn, kon Pinxten daar immers niet redelijkerwijs onkundig van zijn. Pinxten kon in dergelijke omstandigheden geen toestemming vragen of gebruiken zonder in feite te willen profiteren van een bestaande tolerantie voor onregelmatige praktijken of van tekortkomingen inzake het in de Rekenkamer verrichte toezicht.

380    Gelet op de voorgaande overwegingen kan de Rekenkamer Pinxten in de onderhavige procedure evenwel niet op goede gronden verwijten dat hij vergoedingen voor dienstreiskosten of dagvergoedingen heeft genoten voor een dienstreis die de president van de Rekenkamer heeft goedgekeurd op basis van een aanvraag die niet frauduleus was, waarin geen essentiële informatie was weggelaten en die niet als kennelijk onregelmatig voorkwam.

381    In die omstandigheden moet de vraag of de door de president van de Rekenkamer op verzoek van Pinxten toegekende dienstreisopdrachten bij deze laatste een gewettigd vertrouwen in de regelmatigheid van de betrokken dienstreizen konden wekken, per geval worden beoordeeld, met name door de in de goedkeuringsaanvraag gegeven reden te vergelijken met de werkelijke bedoeling van de dienstreis, zoals deze uit het aan het Hof overgelegde bewijsmateriaal blijkt. Deze beoordeling valt samen met het onderzoek ten gronde van de eerste grief van de Rekenkamer.

382    Waar Pinxten daarnaast ook aanvoert dat de op de leden van de Rekenkamer toepasselijke regels onduidelijk waren, kan dit argument geen algehele afwijzing van de eerste grief rechtvaardigen.

383    Het is waar dat men niet om de vaststelling heen kan dat de regels voor de in de eerste grief genoemde situaties gekenmerkt worden door een zekere vaagheid die met name voortkomt uit het gebrek aan duidelijkheid omtrent de situaties waarin een dienstreis kan worden goedgekeurd, de documenten die moeten worden overgelegd bij een aanvraag tot goedkeuring van een dienstreis of de voorwaarden waaronder een aan een derde gerichte uitnodiging in verband kan worden gebracht met de hoedanigheid van lid van de Rekenkamer, met name wat betreft de toegestane redenen van representatie en de gegevens die moeten worden overgelegd ten bewijze dat de ingeroepen reden reëel is.

384    Deze vaagheid brengt mee dat de bevoegde organen van de Rekenkamer een ruime beoordelingsmarge hadden om te bepalen of de betaling van dienstreiskosten, dagvergoedingen of representatie- en ontvangstkosten gerechtvaardigd was.

385    Het Hof zal hier dus per geval rekening mee moeten houden waar het de regelmatigheid van het gedrag van Pinxten of, a fortiori, de kennelijke onregelmatigheid daarvan zal beoordelen.

386    De betrekkelijke vaagheid van de relevante regels volstaat evenwel niet om in algemene zin vast te stellen dat de beweringen van de Rekenkamer over het misbruik van haar middelen door Pinxten ongegrond zijn.

ii)    Dienstreiskosten en dagvergoedingen

387    Ten tijde van de feiten waarop het onderhavige beroep betrekking heeft, was de regeling inzake de dienstreiskosten en de dagvergoedingen, binnen het bij de artikelen 285 tot en met 287 VWEU vastgestelde kader, opgenomen in artikel 7 van verordening nr. 2290/77, dat bepaalde dat deze kosten werden vergoed en deze vergoedingen werden betaald wanneer het betrokken lid van de Rekenkamer zich voor de uitoefening van zijn ambt moest begeven buiten de plaats waar die instelling is gevestigd.

388    Er zij met betrekking tot het ambt van de leden van de Rekenkamer aan herinnerd dat volgens artikel 285 VWEU de eerste taak van die instelling erin bestaat de controle van de rekeningen van de Unie te verrichten. Hiertoe dient zij overeenkomstig artikel 287, leden 1 en 2, VWEU de wettigheid en de regelmatigheid van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie te onderzoeken en na te gaan of een goed financieel beheer werd gevoerd.

389    De regeling voor dienstreiskosten en dagvergoedingen werd nader uitgewerkt bij besluit nr. 1‑2003.

390    Artikel 1 van dit besluit bepaalde dat dienstreisopdrachten zo snel als mogelijk moesten worden aangevraagd en dat de voor de dienstreiskosten van de leden bevoegde ordonnateur de president van die instelling was.

391    Volgens artikel 3 van dit besluit mochten verplaatsingen tijdens een dienstreis worden gedaan met een dienstvoertuig, en de artikelen 5 en 6 ervan voorzagen in de vergoeding van dienstreiskosten respectievelijk de betaling van dagvergoedingen.

392    Bijgevolg moet een verzoek tot vergoeding van dienstreiskosten of tot betaling van dagvergoedingen als onregelmatig worden beschouwd indien blijkt dat de activiteit die tijdens de betrokken dienstreisopdracht daadwerkelijk is verricht, niet in verband kan worden gebracht met de uitvoering van de taken van Pinxten. Gelet op de overwegingen in de punten 371 tot en met 381 van dit arrest zal die onregelmatigheid in aanmerking kunnen worden genomen voor de onderhavige procedure, hetzij wanneer de dienstreisopdracht werd verkregen op frauduleuze wijze of op basis van een aanvraag waarin essentiële informatie werd weggelaten, hetzij wanneer er kennelijk geen verband bestaat tussen de betrokken activiteit en die taken.

393    Alvorens de regelmatigheid van elk van de dienstreizen waarop de eerste grief betrekking heeft in detail te beoordelen, moet eerst het argument worden onderzocht waarmee de Rekenkamer aanvoert dat Pinxten tijdens zijn hoorzitting bij OLAF heeft erkend dat alle dienstreizen die in de aanvragen voor dienstreisopdrachten expliciet als „dienstreizen zonder vergoeding” werden voorgesteld, geen enkel verband hielden met zijn taken.

394    Uit het proces-verbaal van die hoorzitting blijkt dat Pinxten enkel heeft verklaard dat hij die aanvragen ter wille van de transparantie op die manier presenteerde wanneer een dienstreis „een doelstelling had die verband hield met [zijn] functie maar ook een privéaspect had” of wanneer hij „twijfelde aan de gepastheid” van de dienstreis gezien het doel en het belang van de betrokken activiteit.

395    Aangezien hij dit standpunt voor het Hof heeft gehandhaafd, moeten de dienstreizen die Pinxten uitdrukkelijk als „dienstreizen zonder vergoeding” heeft voorgesteld, op dezelfde wijze worden onderzocht als de andere dienstreizen waarop de eerste grief ziet.

–       Verblijf in Crans-Montana

396    Het staat vast dat Pinxten, in het kader van de in rij nr. 252 bedoelde dienstreis, van 22 tot en met 25 augustus 2013 met zijn echtgenote in het in de bergen gelegen ontspanningsoord Crans-Montana heeft verbleven om deel te nemen aan de zomersessie van het „Crans Montana Forum”.

397    Voor deze dienstreis werden inschrijvings- en hotelkosten vergoed en dagvergoedingen betaald. De kosten voor het verblijf van de echtgenote van Pinxten werden niet door de Rekenkamer betaald.

398    In de goedkeuringsaanvraag voor deze dienstreis stond vermeld dat deze ertoe strekte deel te nemen aan de zomersessie van het „Crans Montana Forum”, een Zwitserse niet-gouvernementele organisatie. De aanvraag ging vergezeld van een door Pinxten ondertekende korte interne nota waarin werd gepreciseerd dat de zomersessie een gelegenheid was om actuele internationale beleidskwesties te bespreken met leiders uit de hele wereld. De dienstreisopdracht werd op basis van deze gegevens toegekend, zonder dat aanvullende informatie werd gevraagd over bijvoorbeeld het programma van dit evenement.

399    Het is in dit verband natuurlijk juist dat de omstandigheid dat een lid van de Rekenkamer op een dienstreis deelneemt aan een evenement dat incidenteel een activiteit omvat die als toerisme of vrijetijdsbesteding kan worden aangemerkt, niet noodzakelijkerwijs impliceert dat de dienstreis geen verband houdt met de taken van dat lid wanneer het evenement hoe dan ook hoofdzakelijk is toegespitst op professionele activiteiten.

400    Het evenement in kwestie werd door de organisatoren ervan in een door de Rekenkamer overgelegde prospectus evenwel omschreven als volledig gewijd aan contacten, vriendschap, aangename wandelingen en informele ontmoetingen. Deze omschrijving wordt bevestigd door het gedetailleerde programma van het evenement, waarin enkel wordt gesproken van vrijetijdsactiviteiten, met name wandelingen en een geanimeerde avond.

401    In een e-mail van 29 mei 2013 van de organisatoren van het evenement wordt ook aangegeven dat de zomersessie van het „Crans Montana Forum” een informeel karakter heeft dat haar onderscheidt van de andere sessies van dit forum.

402    Ook al heeft Pinxten voor het Hof verklaard dat de zomersessie een echte professionele dimensie had, hij heeft bovendien geen bewijzen overgelegd die deze stelling ondersteunen.

403    Bijgevolg kan uit het enkele feit dat de deelname aan deze zomersessie eventueel ontmoetingen en uitwisselingen met internationale leiders kon bevorderen, hetgeen overigens niet is bewezen, niet worden afgeleid dat de betrokken dienstreis daadwerkelijk verband hield met de taken van Pinxten.

404    Deze dienstreis moet dan ook als kennelijk onregelmatig worden beschouwd.

405    In die omstandigheden maakt het feit dat de president van de Rekenkamer de leden van die instelling informatie over het „Crans Montana Forum” heeft doen toekomen, wat die instelling niet betwist, geen verschil. Het kan er hooguit op wijzen dat die instelling de dienstreis met volledige kennis van zaken goedkeurde, wat overeenkomstig de in punt 374 van dit arrest aangehaalde rechtspraak niet kon volstaan om bij Pinxten een gewettigd vertrouwen te wekken dat eraan in de weg zou staan dat de kennelijke onregelmatigheid ervan in aanmerking wordt genomen wat de onderhavige procedure betreft.

–       Verblijf in Cuba

406    Het wordt niet betwist dat Pinxten van 30 maart tot en met 14 april 2015 met zijn echtgenote in Cuba heeft verbleven, wat aanleiding heeft gegeven tot vergoeding van met name vervoers‑ en verblijfskosten en tot betaling van dagvergoedingen (dienstreis rij nr. 343). De kosten van het verblijf van de echtgenote van Pinxten werden niet door de Rekenkamer betaald.

407    De Rekenkamer heeft deze dienstreis goedgekeurd nadat Pinxten op verzoek van de president van die instelling aanvullende informatie had verstrekt, waaruit bleek dat met deze dienstreis werd beoogd informatie te verzamelen over de betrekkingen tussen de Unie en Cuba via contacten met het plaatselijke maatschappelijke middenveld en bezoeken aan door de Unie gefinancierde projecten.

408    Nagegaan moet worden of op basis van de bewijsstukken waarover het Hof beschikt, kan worden vastgesteld dat de bewering van de Rekenkamer dat Pinxten hoofdzakelijk voor privédoeleinden naar Cuba is gegaan, gegrond is.

409    Dienaangaande blijkt uit een door het kabinet van Pinxten opgesteld en door OLAF in beslag genomen programma dat het betrokken verblijf bijna uitsluitend was gewijd aan toeristische activiteiten.

410    De enige onderdelen van dit programma die eventueel in verband zouden kunnen worden gebracht met de taken van Pinxten waren een ontmoeting met de ambassadeur van de Unie in Cuba op 31 maart 2015, een lunch met deze ambassadeur in aanwezigheid van de verantwoordelijke van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en de ambassadeur van het Koninkrijk België in Cuba op 2 april 2015 en een ontmoeting met laatstgenoemde ambassadeur op 3 april 2015.

411    Uit de door de ambassadeur van de Unie in Cuba aan OLAF verstrekte informatie blijkt echter dat de lunch van 2 april 2015 louter beleefdheidshalve was georganiseerd en geen werklunch was. Deze ambassadeur heeft er ook op gewezen dat het verblijf van Pinxten hoe dan ook niet kon worden geacht professioneel van aard te zijn, aangezien een dergelijk bezoek aan Cuba niet mogelijk is met een toeristenvisum.

412    Dit laatste element is aan OLAF bevestigd door een ander lid van de delegatie van de Unie in Cuba, dat ook heeft aangegeven dat Pinxten geen rekening had gehouden met waarschuwingen dat de data van zijn verblijf ongeschikt waren, en dat de met hem gevoerde discussies geenszins technisch van aard waren.

413    Geconstateerd moet worden dat Pinxten er niet in slaagt de door de Rekenkamer aangedragen bewijzen te weerleggen waaruit blijkt dat zijn verblijf in Cuba bijna uitsluitend was gewijd aan toeristische activiteiten, laat staan aan het Hof andere stukken over te leggen die zijn standpunt kunnen staven dat zijn verblijf in Cuba daadwerkelijk een doel had dat verband hield met zijn taken.

414    Hij verwijst met name naar de hoedanigheid van de verschillende verantwoordelijken met wie hij tijdens het verblijf van gedachten heeft kunnen wisselen, maar het is duidelijk dat hij deze personen grotendeels heeft ontmoet tijdens de lunch op de ambassade van de Unie in Cuba, die, zoals uit punt 411 van dit arrest blijkt, niet het karakter van een werklunch had.

415    De betrouwbaarheid van de door Pinxten op dit punt verstrekte informatie wordt nog verder ondermijnd door het feit dat zich onder de genoemde verantwoordelijken een „zakenman” bevond die in werkelijkheid de eigenaar was van de door Pinxten tijdens zijn verblijf gehuurde accommodatie.

416    In een nota die hij na afloop van zijn dienstreis bij de president van de Rekenkamer heeft ingediend, heeft Pinxten aangevoerd dat bepaalde bezoeken op het laatste moment moesten worden geannuleerd, doch deze omstandigheid kan niet verklaren waarom zijn verblijf in Cuba geen echte beroepsdimensie had.

417    Ten eerste blijkt uit de stukken van het dossier betreffende de voorbereiding van het verblijf dat dit ab initio bedoeld was als een zuiver toeristisch verblijf.

418    In dit verband moet met name worden gewezen op de e-mails die de assistente van Pinxten op 28 en 29 januari 2015 naar de ambassadeur van de Unie in Cuba heeft gestuurd waarin zij preciseert dat Pinxten inlichtingen wenst voor een privéreis naar dit nog nooit door hem bezochte land, zonder dat melding wordt gemaakt van enige beroepsmatige strekking van het voorgenomen verblijf.

419    Ten tweede laten de stappen die vóór de reis naar Cuba zijn ondernomen om activiteiten te organiseren die verband zouden kunnen houden met de taken van Pinxten bij de Rekenkamer, het privékarakter van zijn verblijf in dat land onverlet.

420    Deze stappen blijken met name zeer laat te zijn ondernomen, wat moeilijk te rijmen valt met de organisatie van een studiereis naar een derde land, zoals Cuba, waar de betrokkene voor het eerst naartoe wilde gaan. Zo blijkt uit de e-mails waarover het Hof beschikt dat pas op 18 maart 2015 contact is opgenomen met het UNDP en dat er op 19 maart 2015 – minder dan twee weken voordat Pinxten naar Cuba vertrok – geen enkel officieel programma vastlag.

421    Bovendien hadden zowel de ambassadeurs van de Unie en het Koninkrijk België in Cuba als de UNDP-medewerkers in dat land Pinxten in – door de Rekenkamer overgelegde – e‑mails duidelijk te kennen gegeven dat beroeps- en toeristische activiteiten in dat land moeilijk konden worden gecombineerd, dat elk officieel bezoek vooraf aan de Cubaanse autoriteiten moest worden gemeld en dat daarvoor een passend visum vereist was, en dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat hij Cubaanse verantwoordelijken zou kunnen ontmoeten in een informeel kader.

422    Pinxten kan dus niet op goede gronden stellen dat hij bij zijn vertrek naar Cuba niet wist dat zijn verblijf in dit derde land niet werkelijk van dien aard was dat hij er werkzaamheden kon verrichten die verband hielden met zijn taken als lid van de Rekenkamer.

423    In het licht van al deze elementen, en hoewel het ontbreken van extra controles vooraf en achteraf bij een dienstreis waarmee aanzienlijke bedragen waren gemoeid, zeker vermeldenswaardig is, blijft het een feit dat de informatie die vóór en ná de in rij nr. 343 bedoelde dienstreis aan de Rekenkamer is verstrekt, zeer misleidend was wat het werkelijke doel van het verblijf van Pinxten in Cuba betrof, en dat deze dienstreis als onregelmatig moet worden beschouwd, aangezien het verblijf geen verband hield met de taken van Pinxten.

424    Hieruit volgt dat ook de in rij nr. 341 vermelde dienstreis, die tot doel had verschillende personen te ontmoeten om het verblijf in Cuba voor te bereiden, onregelmatig moet worden bevonden.

–       Betrekkingen met politieke verantwoordelijken en bewegingen

425    Vele van de dienstreizen van Pinxten waarvoor dienstreiskosten zijn vergoed of dagvergoedingen zijn betaald en die de Rekenkamer in de eerste grief als onregelmatig bestempelt, zagen op ontmoetingen met politieke verantwoordelijken.

426    Teneinde een uitspraak te kunnen doen over deze dienstreizen, moet eerst worden nagegaan of dergelijke ontmoetingen in beginsel het voorwerp konden uitmaken van dienstreizen van leden van de Rekenkamer.

427    Zoals uit punt 387 van dit arrest blijkt, bepaalde de ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep geldende Uniewetgeving hierover dat de dienstreizen van de leden van de Rekenkamer betrekking moesten hebben op verplaatsingen „in de uitvoering van hun taken”.

428    Zoals Pinxten stelt, kunnen de taken van een lid van de Rekenkamer protocollaire activiteiten omvatten, die met name tot doel hebben bekendheid te geven aan de werkzaamheden van die instelling en deze te bevorderen, en in het belang van die instelling betrekkingen te onderhouden met vooraanstaande leidinggevenden.

429    Bij dergelijke protocollaire activiteiten zijn mogelijk vaker verantwoordelijken uit dezelfde lidstaat als het betrokken lid van de Rekenkamer betrokken, onder meer wegens eventuele contacten van dit lid vóór zijn indiensttreding, praktische redenen, met name op taalvlak, dan wel een betere kennis van de nationale belangen die een rol kunnen spelen wat het onthaal van de werkzaamheden van de Rekenkamer betreft.

430    Teneinde ervoor te zorgen dat dergelijke protocollaire activiteiten konden plaatsvinden, beschikte de Rekenkamer over een zekere beoordelingsmarge om te bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden dienstreizen om politieke verantwoordelijken te ontmoeten konden worden toegestaan, mits deze dienstreizen in werkelijkheid niet bedoeld waren om een politieke activiteit uit te oefenen, hetgeen, zoals uit punt 272 van het onderhavige arrest blijkt, onverenigbaar is met de taken van een lid van de Rekenkamer.

431    Waar uit punt 383 van het onderhavige arrest blijkt dat uit de interne voorschriften van de Rekenkamer voor de dienstreizen van haar leden ter zake geen duidelijke door die instelling vastgestelde regeling naar voren kwam, kunnen uit de regels voor de representatie- en ontvangstkosten nuttige aanwijzingen worden afgeleid over de binnen die instelling op dit gebied gevolgde leer.

432    Het belang dat de Rekenkamer hechtte aan de betrekkingen tussen haar leden en politieke verantwoordelijken blijkt namelijk uit de nota van 22 april 2004, waarin werd verduidelijkt dat „de leden [met name] de [Rekenkamer] vertegenwoordigen [...] wanneer zij in het belang van de Rekenkamer professionele betrekkingen onderhouden met personen die functies uitoefenen in de [...] Unie, de lidstaten of andere landen”.

433    Evenzo werd zowel in de strategie 2013‑2017 van de Rekenkamer als in de strategie voor communicatie en betrekkingen met belanghebbenden die zij op 12 december 2013 heeft vastgesteld, verwezen naar de noodzaak voor de Rekenkamer om betrekkingen te onderhouden met verschillende actoren, waaronder de nationale en Europese politieke autoriteiten die belast zijn met het toezicht op het gebruik van de middelen van de Unie. In dat tweede document werd bovendien verklaard dat de leden en hun kabinetten de betrekkingen met de nationale parlementen moesten verzekeren.

434    De praktijk die de Rekenkamer met betrekking tot de dienstreizen van Pinxten heeft gevolgd, bevestigt dat zij haar beoordelingsmarge in die zin heeft uitgeoefend dat in beginsel een verband werd aanvaard tussen dienstreizen die tot doel hadden nationale politieke verantwoordelijken te ontmoeten en de taken van haar leden.

435    Om te beginnen zijn in de loop van de twee mandaten van Pinxten tientallen van zijn dienstreizen goedgekeurd hoewel die enkel tot doel hadden een Belgische politieke verantwoordelijke te ontmoeten.

436    Voorts zijn deze dienstreizen, bij het eerste heronderzoek van de dienstreizen van Pinxten dat de diensten van de Rekenkamer hebben verricht vóór het onderzoek van OLAF, geenszins aangemerkt als mogelijkerwijs problematische dienstreizen die nadere motivering behoefden.

437    Ten slotte blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat, behoudens de dienstreizen die in de eerste grief als onregelmatig worden aangemerkt, andere dienstreizen van Pinxten die tot doel hadden Belgische politieke figuren te ontmoeten, voor de Rekenkamer volkomen regelmatig blijven.

438    Gelet op het voorgaande kunnen de op transparante wijze goedgekeurde dienstreizen om politieke verantwoordelijken te ontmoeten niet algemeen worden beschouwd als dienstreizen die kennelijk onregelmatig zijn wegens hun doel.

439    Deze vaststelling wordt niet op losse schroeven gezet door het argument van de Rekenkamer dat de vertegenwoordiging van die instelling werd verzorgd door haar president en door haar leden die belast waren met de institutionele betrekkingen en de kwaliteitscontrole van de audit.

440    Dit argument wordt rechtstreeks weersproken door de in punt 433 van dit arrest vermelde documenten van die instelling en strookt evenmin met het feit dat volgens besluit nr. 7‑2004 alle leden van die instelling representatie- en ontvangstkosten mochten maken in hun hoedanigheid van lid.

441    Derhalve moet worden beoordeeld of de door de Rekenkamer verstrekte uitleg en bewijzen, voor elk van de dienstreizen die tot doel had een politieke verantwoordelijke te ontmoeten, grond opleveren om aan te nemen dat de dienstreis in kwestie geen legitieme protocollaire doelstelling had.

442    In dit verband blijkt in de eerste plaats dat verschillende dienstreizen die Pinxten voorstelde als ertoe strekkende Belgische politieke verantwoordelijken te ontmoeten, rechtstreeks kunnen worden gelinkt aan zijn politieke activiteit – die onverenigbaar was met zijn ambt en waarvan bij het onderzoek van de vierde grief is vastgesteld dat deze zeer reëel was – aangezien die dienstreizen in feite bedoeld waren om hem in staat te stellen deel te nemen aan een bestuursvergadering van de betrokken politieke partij.

443    Dergelijke dienstreizen, die werden toegestaan op basis van aanvragen waarin essentiële informatie was weggelaten en die in werkelijkheid verband hielden met een activiteit die onverenigbaar is met de taken van een lid van de Rekenkamer, kunnen niet als regelmatig worden beschouwd.

444    Die vaststelling geldt voor de dienstreizen waarvan sprake is in de rijen nrs. 54, 60, 61, 70, 81, 84, 85, 88 en 94, aangezien de Rekenkamer notulen overlegt waaruit blijkt dat Pinxten tijdens deze dienstreizen aanwezig was op bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij, welke vergaderingen evenwel nergens stonden vermeld in de goedkeuringsaanvragen voor die dienstreizen.

445    De omstandigheid dat de in rij nr. 94 bedoelde dienstreis niet alleen tot doel had Belgische politieke figuren te ontmoeten maar ook deel te nemen aan een bijeenkomst in het Europees Parlement, kan niet ertoe leiden dat het om een regelmatige dienstreis gaat. Uit de door de betrokken politieke partij respectievelijk het Europees Parlement opgestelde notulen blijkt namelijk dat Pinxten enkel aan de door deze partij georganiseerde vergadering heeft deelgenomen.

446    Ook de in de rijen nrs. 95, 396, 410, 413 en 414 genoemde dienstreizen moeten worden geacht in werkelijkheid tot doel te hebben gehad Pinxten in staat te stellen deel te nemen aan bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij, gelet op de aanwijzingen daarvoor in zijn agenda en in met de verantwoordelijken van die partij uitgewisselde e-mails. Hetzelfde geldt reeds op basis van de duidelijke vermeldingen in zijn agenda alleen ook voor de dienstreizen in de rijen nrs. 299 en 369.

447    Hoewel voor verschillende dienstreizen niet een ontmoeting met een Belgische politieke figuur als doel werd opgegeven, moet hier naar analogie melding daarvan worden gemaakt voor zover Pinxten daardoor heeft kunnen deelnemen aan de bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij. Om deze reden moeten zij worden geacht deels onregelmatig te zijn.

448    Dit is het geval voor de dienstreizen in de rijen nrs. 39, 45 en 86. Terwijl van deze drie dienstreizen werd beweerd dat zij tot doel hadden personen uit het bedrijfs‑ of het verenigingsleven te ontmoeten, beschikt het Hof over notulen van bestuursvergaderingen van de betrokken politieke partij waaruit blijkt dat Pinxten op de data die overeenkomen met die van deze dienstreizen aanwezig was op deze vergaderingen.

449    Zo moet ook de in rij nr. 68 genoemde dienstreis als deels onregelmatig worden beschouwd, ook al betrof deze tevens een representatieactiviteit waarvan de regelmatigheid niet wordt betwist. Pinxten heeft gedurende deze dienstreis namelijk ook deelgenomen aan een bestuursvergadering van de betrokken politieke partij, zoals de notulen van deze vergadering aantonen.

450    In de tweede plaats had een reeks dienstreizen van Pinxten tot doel deel te nemen aan andere activiteiten of recepties van de betrokken politieke partij dan haar bestuursvergaderingen.

451    Gelet op de door Pinxten ontvangen uitnodigingen en de vermeldingen in zijn agenda, blijken de in de rijen nrs. 120, 175, 221 en 365 genoemde dienstreizen, officieel onder het mom van ontmoetingen met Belgische politieke figuren, aldus bedoeld te zijn geweest om deel te nemen aan de parlementaire dagen van de betrokken politieke partij, de in de rijen nrs. 207, 298 en 381 genoemde dienstreizen en deels de in rij nr. 229 genoemde dienstreis bedoeld te zijn geweest om deel te nemen aan de nieuwjaarsrecepties van deze partij, de in rij nr. 258 genoemde dienstreis bedoeld te zijn geweest om deel te nemen aan een voor de leden van deze partij georganiseerd stadsbezoek, en de in de rijen nrs. 260 en 289 genoemde dienstreizen bedoeld te zijn geweest om deel te nemen aan een studiedag respectievelijk een congres van diezelfde partij.

452    Bovendien werden soms soortgelijke activiteiten verricht onder aanvoering van andere redenen dan het ontmoeten van Belgische politieke figuren.

453    Zo blijkt om te beginnen uit de agenda van Pinxten dat dienstreis nr. 69, voorgesteld als bedoeld om deel te nemen aan een „congres”, verband hield met het congres van de betrokken politieke partij.

454    Vervolgens werd de dienstreis in rij nr. 275 gemotiveerd met een uitnodiging van een persoon waarvan de functie niet werd vermeld, maar blijkt uit een door de Rekenkamer overgelegde factuur en een vermelding in de agenda van Pinxten dat deze verplaatsing in werkelijkheid tot doel had deel te nemen aan een door die politieke partij georganiseerd „politiek café”.

455    Tot slot moet op basis van die agenda en een e-mail van 25 juli 2017 van een assistente van Pinxten worden vastgesteld dat de in de rijen nrs. 308 en 416 genoemde dienstreizen, onder het mom van een uitnodiging van de politieke fractie ALDE van het Europees Parlement, bedoeld waren om deel te nemen aan de parlementaire dagen van de betrokken politieke partij.

456    De dienstreis vermeld in rij nr. 269 had officieel als voorwerp „Invitation formelle, Ministre d’État, Herman de Croo Centrum”, maar moet eveneens worden gelinkt aan de politieke activiteit van Pinxten, aangezien het daarbij ging om een bezoek aan een instelling die naar eigen zeggen is opgericht om hulde te brengen aan de voormalige voorzitter van de betrokken politieke partij.

457    De in de punten 451 tot en met 456 van het onderhavige arrest vermelde dienstreizen moeten als onlosmakelijk verbonden met de in het eerste onderdeel van de vierde grief onderzochte politieke activiteit van Pinxten en dus als kennelijk onregelmatig worden beschouwd.

458    De omstandigheid dat de door de betrokken politieke partij georganiseerde evenementen waarop een aantal van deze dienstreizen betrekking had, a priori niet tot doel hadden de politieke lijn van de partij te bespreken maar eerder een feestelijke dimensie hadden, doet niet af aan deze beoordeling, aangezien Pinxten, gelet op de band tussen die evenementen en een politieke beweging waarbinnen hij een met zijn taken onverenigbare activiteit uitoefende, daaraan niet kon deelnemen zonder zijn onafhankelijkheidsplicht te schenden.

459    Bijgevolg is het feit dat sommige van die dienstreizen werden toegestaan op basis van een aanvraag waarin het voorwerp ervan voldoende transparant werd omschreven, irrelevant voor de onderhavige procedure.

460    Daarentegen kan met betrekking tot de dienstreis in rij nr. 34 uit het feit dat in de agenda van Pinxten staat vermeld dat hij op 19 januari 2009 zou deelnemen aan de nieuwjaarsreceptie van de betrokken politieke partij, terwijl de dienstreis tot doel had de volgende ochtend deel te nemen aan een vergadering van het Europees Parlement, niet worden afgeleid dat zijn aankomst in Brussel op 19 januari 2009 duidelijk losstond van het aangekondigde doel van de dienstreis, aangezien die keuze kan zijn gemaakt om praktische redenen.

461    Zo ook wat de dienstreis in rij nr. 74 betreft: hoewel de Rekenkamer stelt dat Pinxten heeft deelgenomen aan een bestuursvergadering van de betrokken politieke partij, blijkt uit de dienstreisopdracht dat de dienstreis pas enkele uren na deze vergadering een aanvang heeft genomen.

462    In de derde plaats kunnen andere dienstreizen die officieel tot doel hadden Belgische politieke verantwoordelijken te ontmoeten, gelet op het dossier waarover het Hof beschikt, niet in verband worden gebracht met vergaderingen of andere activiteiten van de betrokken politieke partij.

463    Het is juist dat de Rekenkamer de politieke verantwoordelijken die in de desbetreffende dienstreisopdrachten worden genoemd, in de meeste gevallen geloofwaardig voorstelt als behorende tot die politieke partij.

464    De nauwe banden waarvan sprake is tussen Pinxten en de betrokken politieke partij, volstaan in het kader van de onderhavige procedure evenwel niet om een vermoeden te vestigen volgens hetwelk stelselmatig kan worden geconcludeerd dat een dienstreis met het oog op een ontmoeting met een politieke verantwoordelijke kennelijk onregelmatig is louter omdat deze persoon lid is van die politieke partij.

465    Met name gelet op de belangrijke rol die deze partij in het Belgische politieke leven heeft gespeeld en de relaties die Pinxten redelijkerwijs binnen deze partij kon hebben vanwege zijn activiteiten vóór zijn indiensttreding, is het immers niet onaannemelijk dat een zeker aantal protocollaire dienstreizen werd georganiseerd waarbij politieke verantwoordelijken werden ontmoet die tot die partij behoren.

466    De Rekenkamer voert bij het Hof weliswaar aan dat zij vóór het onderzoek van OLAF niet op de hoogte was van de partijaanhorigheid van deze politieke verantwoordelijken, maar dit argument volstaat niet als bewijs dat de verzoeken van Pinxten frauduleus waren of dat daarin essentiële informatie werd weggelaten, temeer daar de betrokken dienstreizen meestal een klein aantal personen betroffen van wie algemeen bekend was tot welke politieke partij ze behoorden en verschillende van die dienstreizen bedoeld waren om politieke verantwoordelijken te ontmoeten die uitdrukkelijk werden omschreven als „partijleider”.

467    In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de Rekenkamer niet heeft voldaan aan de bewijslast die op haar rust voor de gevallen waarin zij het Hof verzoekt een dienstreis onregelmatig te verklaren op de enkele grond dat de in de betrokken dienstreisopdracht bedoelde politieke verantwoordelijke lid was van de betrokken politieke partij, zonder enig bewijs aan te dragen dat de dienstreis niet voldeed aan de in de relevante periode door de Rekenkamer gehanteerde criteria om een protocollaire dienstreis te aanvaarden als regelmatig.

468    Dit is het geval voor een reeks dienstreizen waarbij Pinxten toestemming verkreeg om een politieke verantwoordelijke met een hoge functie te ontmoeten. Het gaat onder meer om een lid van het Europees Parlement (dienstreizen in de rijen nrs. 19, 301, 330, 355 en 402 en deels de dienstreis in rij nr. 296), een lid van een Belgische regering (dienstreizen in de rijen nrs. 43, 66, 92, 97, 169, 211, 215, 248, 303, 352 en 395 en deels de dienstreizen in de rijen nrs. 118, 326 en 339) en een lid van het Belgische parlement (dienstreizen in de rijen nrs. 41, 59, 171, 203, 204, 208, 211, 238, 313, 331, 334, 336, 346, 354 en deels de dienstreis in rij nr. 326).

469    Hetzelfde geldt voor de dienstreizen in de rijen nrs. 1 en 7, die tot doel hadden een lid van een ministerieel kabinet te ontmoeten.

470    Wat de dienstreizen in de rijen nrs. 319 en 320 betreft, omschrijft de Rekenkamer het in de dienstreisopdracht vermelde lid van een ministerieel kabinet niet als behorende tot de betrokken politieke partij. Niettemin is zij van mening dat deze dienstreizen aan een politieke of privéactiviteit moeten worden gelinkt wegens hun band met de vervoerssector. Dit element volstaat echter niet om de kennelijke onregelmatigheid van deze dienstreizen aan te tonen.

471    In de vierde plaats kan de logica van de dienstreizen die tot doel hadden politici met hoge ambten te ontmoeten, niet worden doorgetrokken naar dienstreizen die tot doel hadden personen te ontmoeten die in het verleden dergelijke ambten hadden bekleed doch niet meer op het moment van de betrokken dienstreis, aangezien een dergelijke ontmoeting, behoudens specifieke omstandigheden, moet worden geacht kennelijk geen protocollair belang voor de Rekenkamer te hebben.

472    Evenzo moet een ontmoeting met een plaatselijk politicus, behoudens bijzondere omstandigheden, worden geacht duidelijk geen verband te houden met de uitvoering van de taken van een lid van de Rekenkamer.

473    Op basis van deze criteria en aangezien Pinxten geen gegevens heeft overgelegd waaruit bijzondere omstandigheden zouden blijken, moeten de in de rijen nrs. 15 en 253 genoemde dienstreizen als kennelijk onregelmatig worden beschouwd, aangezien uit het voorwerp ervan als zodanig – zoals dit werd vermeld door Pinxten – blijkt dat deze ertoe strekten een voormalig minister respectievelijk een voormalig lid van het Belgische parlement te ontmoeten.

474    Met betrekking tot de dienstreis in rij nr. 232 moet worden vastgesteld dat de hoedanigheid van „minister van Staat” van de persoon die tijdens deze dienstreis werd ontmoet, een eretitel is die niet impliceert dat op dat ogenblik een hoog politiek ambt werd bekleed. De reden voor deze dienstreis lijkt dus misleidend en de dienstreis moet hoe dan ook als kennelijk onregelmatig worden beschouwd.

475    Zo moet ook de deelname aan een door de gemeente Overpelt georganiseerde receptie, wat deels de reden was voor de dienstreis in rij nr. 378, worden geacht kennelijk geen verband te houden met de taken van een lid van de Rekenkamer.

–       Betrekkingen met leiders van privébedrijven

476    Verschillende van de in de eerste grief aan de orde zijnde dienstreizen waarvoor dienstreiskosten zijn vergoed en dagvergoedingen zijn betaald, betroffen betrekkingen die Pinxten onderhield met leiders van privébedrijven.

477    De juridische regeling voor dienstreizen van de leden van de Rekenkamer om dergelijke leiders te ontmoeten, moet worden onderscheiden van die voor dienstreizen voor betrekkingen met politieke verantwoordelijken.

478    Aangezien de Rekenkamer krachtens artikel 285 VWEU tot taak heeft de rekeningen van de Unie te controleren, zijn betrekkingen met particuliere marktdeelnemers immers mogelijk minder interessant voor die instelling dan betrekkingen met publieke verantwoordelijken.

479    Deze vaststelling wordt bevestigd door het feit dat er in de nota van 22 april 2004, bij de suggesties voor regelmatig gebruik van representatie- en ontvangstkosten door de leden van de Rekenkamer, niet wordt gesproken over uitnodigingen voor privébedrijfsleiders.

480    De in punt 433 van dit arrest bedoelde documenten waarin de communicatiestrategie van de Rekenkamer is vastgelegd, vermelden die leiders evenmin als belanghebbenden tot wie die instelling zich wenst te wenden om haar werkzaamheden te bevorderen.

481    Het argument van Pinxten dat dienstreizen om privébedrijfsleiders te ontmoeten, worden gerechtvaardigd door het feit dat het noodzakelijk is om van gedachten te wisselen met actoren uit de economische wereld teneinde nieuwe debatten in de Rekenkamer aan te dragen, is in deze context ontoereikend om te kunnen gewagen van een verband met de taken van een lid van die instelling dat de inzet van haar middelen rechtvaardigt.

482    Ofschoon de Rekenkamer de meeste dienstreizen om privébedrijfsleiders te ontmoeten op basis van volstrekt transparante aanvragen van Pinxten goedkeurde, kon deze dus niet onkundig zijn van het feit dat – behoudens specifieke omstandigheden die een bijzondere band konden creëren tussen de respectieve activiteiten van de betrokken particuliere marktdeelnemer en die van die instelling – voornoemde reden duidelijk geen voldoende link inhield met de uitvoering van zijn taken als lid van die instelling.

483    In deze context moeten in de eerste plaats de dienstreizen die gemotiveerd werden met een uitnodiging van een leider van een multinational als kennelijk onregelmatig worden beschouwd.

484    Deze conclusie geldt in het bijzonder voor de dienstreizen in de rijen nrs. 33 en 104, die samenhingen met uitnodigingen van leiders van industriële groepen, de dienstreis in rij nr. 45, die tot doel had te lunchen met een persoon die door Pinxten werd omschreven als een lid van verschillende bestuursraden, en de dienstreis in rij nr. 325, die tot doel had een topman van een zakenbank te ontmoeten.

485    Hoewel de beweringen van de Rekenkamer over de werkelijke bedoeling van de in de rijen nrs. 257 en 259 genoemde dienstreizen niet lijken vast te staan gelet op de stukken waarover het Hof beschikt, moeten ook deze dienstreizen niettemin als kennelijk onregelmatig worden beschouwd, aangezien daarmee werd gereageerd op uitnodigingen van respectievelijk een internationaal advocatenkantoor en een elektriciteitsoperator.

486    Hetzelfde geldt voor de dienstreis in rij nr. 74, die gemotiveerd werd aan de hand van een uitnodiging van een topman van een verzekeringsgroep om, zo blijkt uit de informatie in de agenda van Pinxten, een concert bij te wonen.

487    Ook de dienstreizen in de rijen nrs. 75 en 307 en deels de dienstreis in rij nr. 86 moeten kennelijk onregelmatig worden geacht, aangezien zij tot doel hadden de directeur van een postconcern te ontmoeten, temeer daar uit de door de Rekenkamer overgelegde e-mails kan worden opgemaakt dat Pinxten als tussenpersoon voor deze directeur is opgetreden in een staatssteunzaak.

488    In de tweede plaats geldt de kennelijke onregelmatigheid die in beginsel geldt voor de dienstreizen om privébedrijfsleiders te ontmoeten, a fortiori voor de dienstreizen die verricht werden om plaatselijke particuliere ondernemers te ontmoeten.

489    Dat is allereerst het geval voor de dienstreizen in de rijen nrs. 73, 76, 251 en 295, die ertoe strekten verantwoordelijken van accountingbedrijven te ontmoeten uit de regio van waar Pinxten afkomstig is, alsook voor de dienstreis in rij nr. 130, die tot doel had een leider van diverse bedrijven uit deze regio te ontmoeten.

490    Evenzo moeten de in rij nr. 82 vermelde dienstreis en deels de in de nrs. 121 en 310 vermelde dienstreizen als kennelijk onregelmatig worden gezien, daar herhaalde ontmoetingen met een projectontwikkelaar die actief is in de geboortestreek van Pinxten geen enkel verband lijken te houden met zijn taken in de Rekenkamer.

491    Het doet daarbij niet ter zake dat die instelling er niet in slaagt haar gelijk aan te tonen waar zij stelt dat Pinxten deze projectontwikkelaar heeft ontmoet uit interesse voor een specifiek vastgoedproject.

492    Verder kunnen door particuliere ondernemers georganiseerde plaatselijke festiviteiten, zoals de verjaardag van een Antwerps havenbedrijf, waarop de dienstreis in rij nr. 363 betrekking had, of de inhuldiging van een bottellijn in een fabriek, die de dienstreis in rij nr. 390 rechtvaardigde, duidelijk evenmin worden geacht verband te houden met de taken van Pinxten bij de Rekenkamer.

493    Ten slotte moeten ook de dienstreizen in de rijen nrs. 100, 239, 283, 287, 359 en 406 om dezelfde reden als kennelijk onregelmatig worden beschouwd, aangezien zij bedoeld waren om een Belgische zakenman te ontmoeten die Pinxten tijdens zijn hoorzitting bij OLAF heeft omschreven als de bestuurder van een groep waarvan hij aandeelhouder is en die een „oude vriend” van hem is. Dat de middelen van de Rekenkamer zijn aangewend om dergelijke dienstreizen te financieren, toont aan dat Pinxten de belangen van die instelling verwarde met zijn privébelangen, temeer daar uit de aan het Hof overgelegde documenten blijkt dat Pinxten die zakenman adviezen gaf over diens relaties met de Commissie.

494    In de derde plaats kan evenwel niet worden geoordeeld dat dienstreizen om van gedachten te wisselen met verantwoordelijken van internationale auditkantoren, kennelijk onregelmatig zijn.

495    Aangezien de concrete taken van deze kantoren immers deels vergelijkbaar zijn met die waarmee de leden en personeelsleden van de Rekenkamer zijn belast en deze instelling dient samen te werken met die kantoren, valt niet uit te sluiten dat de leden van die instelling dienstreizen uitvoeren om professionele relaties met deze kantoren te onderhouden.

496    De Rekenkamer heeft overigens in de loop van de onderhavige procedure erkend dat er regelmatig contacten zijn tussen haar personeelsleden en die van internationale auditkantoren.

497    Die instelling betoogt weliswaar dat deze contacten moeten worden geregeld via overheidsopdrachten of deel moeten uitmaken van opleidingsactiviteiten, maar vastgesteld moet worden dat dergelijke vereisten niet zijn opgenomen in de interne regels waarnaar die instelling verwijst en niet overeenstemmen met haar praktijk zoals deze blijkt uit de dienstreisopdrachten van Pinxten.

498    Bijgevolg kunnen de dienstreizen in de rijen nrs. 47, 103, 161, 210 en 277, die openlijk bedoeld waren om Pinxten te laten deelnemen aan een door een internationaal auditkantoor georganiseerd evenement voor leiders van de Europese instellingen, niet als kennelijk onregelmatig worden aangemerkt.

499    Hetzelfde geldt voor de dienstreis in rij nr. 237 en deels voor de dienstreizen in de rijen nrs. 373 en 374, die tot doel hadden verantwoordelijken van internationale auditkantoren te ontmoeten. De omstandigheid dat de in rij nr. 157 genoemde dienstreis en deels de in rij nr. 339 genoemde dienstreis, waaraan een vergelijkbaar doel ten grondslag lag, plaatsvonden op de zetel van respectievelijk een privékring en een grote onderneming, kan bij gebreke van aanvullende informatie niet volstaan om tot een andere conclusie te komen wat deze dienstreizen betreft.

500    Met betrekking tot de dienstreis in rij nr. 199, die eveneens tot doel had de verantwoordelijke van een internationaal auditkantoor te ontmoeten, stelt de Rekenkamer dat het werkelijke doel daarvan was een werkaanbieding te bespreken die een van de kinderen van Pinxten kon interesseren.

501    De door die instelling overgelegde stukken tonen evenwel niet rechtens genoegzaam aan dat deze ontmoeting om die reden was georganiseerd of hoofdzakelijk de familiale belangen van Pinxten betrof, en dus evenmin dat deze dienstreis kennelijk onregelmatig is. Het is juist dat uit de door die instelling overgelegde e-mails blijkt dat de persoon die tijdens deze dienstreis werd ontmoet, na zijn onderhoud met Pinxten het curriculum vitae van een van diens kinderen in ontvangst heeft genomen en de vooruitzichten op eventuele tewerkstelling voor dat kind kenbaar heeft gemaakt. De door Pinxten hiervoor verstrekte rechtvaardiging dat een werklunch gepaard kan gaan met meer informele besprekingen over onder meer de gezinssituatie van de medegasten die deze e‑mails kunnen verklaren, lijkt echter niet onaannemelijk.

–       Betrekkingen met representatieve organen en verenigingen

502    Veertig dienstreizen die tot vergoeding van dienstreiskosten of betaling van dagvergoedingen hebben geleid en die de Rekenkamer in de eerste grief als onregelmatig bestempelt, zagen op activiteiten van Pinxten die verband hielden met representatieve organen of verenigingen.

503    Dergelijke dienstreizen bevinden zich in een positie die het midden houdt tussen de dienstreizen voor betrekkingen met politieke verantwoordelijken en de dienstreizen voor betrekkingen met leiders van privébedrijven.

504    Hoewel organen die de burgermaatschappij vertegenwoordigen niet werden vermeld in de regels van de Rekenkamer voor de representatie- en ontvangstkosten, noch in de documenten houdende de omschrijving van de communicatiestrategie van die instelling waarover het Hof beschikt, kunnen die organen niettemin standpunten over de werking van de instellingen naar voren brengen waarmee de Rekenkamer rekening kan houden bij de opstelling van verslagen over deze werking.

505    In die omstandigheden kan niet volledig worden uitgesloten dat de Rekenkamer in bijzondere gevallen terecht van oordeel is dat dienstreizen in verband met dergelijke organen gelinkt moeten worden aan de taakuitoefening van haar leden.

506    Uit het onderzoek van de door Pinxten gevolgde praktijk, zoals deze uit de relevante dienstreisopdrachten naar voren komt, blijkt evenwel dat hij, ondanks de herhaalde goedkeuringen van de Rekenkamer op een doorgaans transparante basis, niet onkundig kon zijn van het feit dat zijn dienstreizen naar representatieve organen of verenigingen kennelijk geen echt belang voor die instelling hadden.

507    Om te beginnen heeft Pinxten, zoals uit punt 502 van het onderhavige arrest blijkt, tijdens zijn mandaten tientallen van dit soort dienstreizen verricht.

508    Vervolgens blijkt dat deze dienstreizen bijna systematisch gericht waren op plaatselijke organen waarvan het actieterrein beperkt was tot Limburg of Vlaanderen (België).

509    Tot slot hebben die dienstreizen in werkelijkheid plaatsgevonden bij een zeer beperkt aantal actoren, die Pinxten herhaaldelijk heeft bezocht.

510    Aangezien dergelijke dienstreizen wegens het indirecte verband tussen de activiteiten van de Rekenkamer en representatieve organen of verenigingen slechts in bijzondere gevallen als regelmatig zouden kunnen worden aangemerkt, kan duidelijk niet worden gesteld dat het in het belang van de Rekenkamer was om haar werkzaamheden herhaaldelijk bij plaatselijke actoren te gaan promoten of met hen van gedachten te wisselen.

511    In zoverre moeten de dienstreizen in de rijen nrs. 48, 132, 170, 192, 209, 217, 224, 228, 242, 256, 271, 292, 304, 305, 318, 328, 353, 361, 380 en 398 en deels de dienstreis in rij nr. 155 als kennelijk onregelmatig worden beschouwd, aangezien zij tot doel hadden betrekkingen te onderhouden met het Vlaams netwerk van ondernemingen Limburg (België) via ontmoetingen met de directeuren ervan of deelnames aan jaarlijkse bijeenkomsten, nieuwjaarsrecepties, zomerfeesten en andere sociale activiteiten die dit orgaan organiseerde.

512    Dezelfde conclusie geldt voor de in de rijen nrs. 83, 174, 219 en 311 genoemde dienstreizen en deels de in rij nr. 118 genoemde dienstreis, die betrekking hadden op uitnodigingen van een Limburgse werkgeversorganisatie, alsook voor de in de rijen nrs. 131, 227, 261 genoemde dienstreizen en deels de in de rijen nrs. 326 en 378 genoemde dienstreizen, die bedoeld waren om deel te nemen aan vergaderingen van een groep in Overpelt actieve ondernemingen uit de industriële sector.

513    Hoewel de dienstreis in rij nr. 93 en deels die in rij nr. 310 betrekking hadden op organisaties uit Limburg – een vereniging voor arbeidsintegratie respectievelijk een informele groepering van lokale bestuurders – die slechts het voorwerp van één dienstreis hebben uitgemaakt, kunnen zij op grond van de in de punten 506 tot en met 509 van dit arrest beschreven context eveneens als kennelijk onregelmatig worden beschouwd.

514    Deze analyse geldt ook voor de dienstreizen in de rijen nrs. 154 en 230, die betrekking hadden op een organisatie die tot doel heeft de Vlaamse belangen in Brussel te bevorderen, alsook voor de dienstreizen in de rijen nrs. 134 en 135, bedoeld om de nieuwjaarsreceptie van een investeringsfonds van het Vlaamse Gewest bij te wonen.

515    Daarentegen impliceert de belangrijke rol van ondernemersorganisaties met een nationale dimensie dat de dienstreizen in de rijen nrs. 137 en 143, die ertoe strekten de voorzitter van het verbond van Belgische ondernemingen te ontmoeten, alsook de dienstreis in rij nr. 290 en deels die in rij nr. 155, waarbij werd deelgenomen aan door dit verbond georganiseerde fora, niet als kennelijk onregelmatig moeten worden gezien.

–       Uitoefenen van een toegestane externe activiteit

516    Zoals uit punt 58 van het onderhavige arrest blijkt, heeft de Rekenkamer Pinxten bij besluit van 30 april 2015 gemachtigd een externe activiteit uit te oefenen die verenigbaar was met zijn taken als lid van die instelling, namelijk het bekleden van de functie van voorzitter van de SBNL-V.

517    In het verzoek dat tot dit besluit heeft geleid, werd deze stichting omschreven als een vereniging zonder winstoogmerk ter bevordering van de bijdrage van grondeigenaren aan de biodiversiteit en aan een goed ecologisch beheer in België.

518    Aangezien een externe activiteit per definitie verschilt van de taken die een lid van de Rekenkamer binnen die instelling vervult, kunnen daarvoor geen dienstreizen in de hoedanigheid van lid worden gemaakt.

519    Dat dienstreizen die rechtstreeks verband houden met een toegestane externe activiteit onregelmatig zijn, moet bovendien als evident worden beschouwd, aangezien dit voortvloeit uit de aard zelf van een dergelijke activiteit.

520    Rekening houdend met deze overwegingen moet worden nagegaan of bepaalde van de door de Rekenkamer toegestane dienstreizen in werkelijkheid de externe activiteit van Pinxten dienden.

521    Zo moet de dienstreis in rij nr. 368 en deels de dienstreis in rij nr. 392, die de Rekenkamer op basis van een volkomen transparante aanvraag heeft goedgekeurd, niettemin als kennelijk onregelmatig worden beschouwd voor zover zij bedoeld waren om gevolg te geven aan een uitnodiging van de SBNL-V, waarnaar in de dienstreisopdracht werd verwezen.

522    Naast deze twee dienstreizen kunnen ook de in de rijen nrs. 323, 360, 385 en 405 genoemde dienstreizen en deels de in rij nr. 392 genoemde dienstreis in verband worden gebracht met de toegestane externe activiteit van Pinxten, te weten het voorzitterschap van die stichting.

523    De dienstreis in rij nr. 405 en deels die in rij nr. 385 hadden immers betrekking op een ontmoeting met het hoofd van een fonds dat de hoofdprijs financiert die jaarlijks wordt uitgereikt door de SBNL-V.

524    De in de rijen nrs. 323 en 360 en deels de in de rijen nrs. 385 en 392 genoemde dienstreizen betroffen hetzij een activiteit van de European Landowners Organisation (Europese organisatie van grondeigenaren; hierna: „ELO”) hetzij een ontmoeting met een verantwoordelijke van deze organisatie, op een moment dat Pinxten voorzitter van de SBNL-V was.

525    Hoewel Pinxten geen precieze uitleg geeft over het verband tussen ELO en zijn taken als lid van de Rekenkamer, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat deze organisatie nauw verbonden is met de SBNL-V.

526    Zo blijkt om te beginnen uit de in punt 517 van dit arrest gegeven omschrijving van het doel van de SBNL‑V dat deze stichting en ELO allebei tot doel hebben de belangen van grondeigenaren te verdedigen.

527    Voorts had de door Pinxten in het kader van door de Rekenkamer goedgekeurde dienstreizen ontmoete verantwoordelijke van ELO, als secretaris-generaal van de SBNL-V het document ondertekend dat Pinxten aan die instelling had overhandigd om het ambt van voorzitter van deze stichting te mogen bekleden. Uit door de Rekenkamer overgelegde notulen blijkt ook dat die verantwoordelijke van ELO zitting heeft gehad in de algemene vergadering van de SBNL-V.

528    Ten slotte blijkt uit e-mails in het dossier waarover het Hof beschikt, dat er andere banden bestaan tussen de SBNL-V en ELO, zoals het feit dat ELO heeft deelgenomen aan de goedkeuringsprocedure voor de voormelde externe activiteit of heeft meegeholpen met de voorbereiding van de uitreiking van de hoofdprijs die elk jaar wordt toegekend door de SBNL-V.

529    Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat de in punt 524 van dit arrest vermelde dienstreizen kennelijk onregelmatig zijn.

530    Deze vaststelling geldt ook voor de dienstreis in rij nr. 296, die gedeeltelijk bedoeld was om Pinxten in staat te stellen bestuurders van ELO en van de SBNL‑V te ontmoeten kort voor zijn benoeming tot voorzitter van deze stichting.

531    Verder moet met betrekking tot de dienstreis in rij nr. 393 worden opgemerkt dat, hoewel in de dienstreisopdracht duidelijk de deelname aan de algemene vergadering van de internationale raad voor de jacht in Brussel stond aangekondigd, Pinxten in het programma van deze algemene vergadering niet alleen als lid van de Rekenkamer maar ook als voorzitter van de SBNL-V werd voorgesteld en dat in dit programma stond aangegeven dat hij „namens België” een welkomstwoord zou uitspreken.

532    Daarenboven blijkt uit e-mailverkeer voorafgaand aan deze dienstreis dat Pinxten oorspronkelijk een gezamenlijke toespraak moest houden met een Belgische minister en dat zijn deelname aan die algemene vergadering met name was voorbereid door ELO.

533    Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de toespraak van Pinxten op de algemene vergadering van de internationale raad voor de jacht moet worden gelinkt aan zijn functie van voorzitter van de SBNL-V en niet aan zijn hoedanigheid van lid van de Rekenkamer, wat impliceert dat de dienstreis in rij nr. 393 als kennelijk onregelmatig moet worden beschouwd.

534    Daarentegen kan de in rij nr. 128 genoemde dienstreis, ook al houdt deze uitdrukkelijk verband met ELO, niet om deze reden alleen als kennelijk onregelmatig worden beschouwd, aangezien zij plaatsvond verschillende jaren voordat Pinxten toestemming heeft gekregen om voorzitter van de SBNL-V te worden.

535    In die omstandigheden kan Pinxten niet worden verweten dat hij middels een transparante dienstreisopdracht aan een in het Europees Parlement georganiseerde conferentie in verband met een representatieve organisatie met een Europese dimensie heeft deelgenomen.

536    Hetzelfde geldt voor de dienstreizen in de rijen nrs. 411 en 412, die zagen op evenementen van de vereniging Friends of the Countryside (vrienden van het platteland) respectievelijk de Fondation wallonne pour la conservation des habitats (Waalse stichting voor de instandhouding van de habitats), aangezien de Rekenkamer haar verwijten baseert op vermeende banden tussen deze inrichtingen en de SBNL-V zonder dat zij bewijzen daarvan aan het Hof heeft overgelegd.

–       Deelname aan jachtpartijen

537    Elf in de eerste grief aan de orde gestelde dienstreizen waarvoor dienstreiskosten zijn vergoed of dagvergoedingen zijn betaald, hadden volgens de Rekenkamer in werkelijkheid tot doel Pinxten te laten deelnemen aan jachtpartijen.

538    Blijkens het dossier waarover het Hof beschikt, heeft Pinxten tijdens deze verschillende dienstreizen ook daadwerkelijk gejaagd.

539    Vastgesteld moet evenwel worden dat al deze dienstreizen werden goedgekeurd op basis van aanvragen van Pinxten waarin naar een uitnodiging of een beoogde activiteit werd verwezen maar waarin niets stond vermeld over jacht.

540    Aangezien de omstandigheid dat op een dienstreis zal worden deelgenomen aan een jachtpartij, een essentieel gegeven is om de regelmatigheid ervan te kunnen beoordelen, kan Pinxten zich dus, gelet op de overwegingen in de punten 372 en 374 van het onderhavige arrest, niet op goede gronden op een gewettigd vertrouwen beroepen dat de goedkeuring van de betrokken dienstreizen zou worden gehandhaafd en kan van de Rekenkamer dus niet worden verlangd dat zij aantoont dat deze kennelijk onregelmatig waren.

541    Hoewel de deelname aan een jachtpartij op zich duidelijk geen enkel verband vertoont met de uitvoering van de taken van een lid van de Rekenkamer, zij er in deze context aan herinnerd dat uit de punten 399 en 428 van dit arrest blijkt dat een dienstreis van een lid van die instelling geldig kan inhouden dat hij deelneemt aan een hoofdzakelijk beroepsmatig evenement dat bijkomend ook een vrijetijdsactiviteit inhoudt, en dat een dienstreis van een lid ook kan worden gerechtvaardigd door een protocollair doel.

542    Derhalve moet voor de beoordeling van de regelmatigheid van de dienstreizen waarbij Pinxten heeft deelgenomen aan een jachtpartij, worden nagegaan of deze dienstreizen daadwerkelijk betrekking hadden op een hoofdzakelijk beroepsmatig evenement of een reëel protocollair karakter hadden.

543    In de eerste plaats kan een dergelijke dienstreis niet als regelmatig worden beschouwd wanneer zij officieel simpelweg tot doel heeft in te gaan op een uitnodiging van een persoon wiens functie geen nauw verband houdt met de activiteiten van de Rekenkamer.

544    De in de rijen nrs. 309, 327 en 366 genoemde dienstreizen moeten dus als onregelmatig worden beschouwd, aangezien de enige reden die ter rechtvaardiging ervan wordt gegeven een uitnodiging is van een persoon wiens hoedanigheid niet blijkt uit de dienstreisopdracht en die in de loop van de onderhavige procedure niet aan het licht is gekomen.

545    Hetzelfde geldt voor de dienstreizen in de rijen nrs. 329 en 377, voor zover deze volgden op een uitnodiging van een verantwoordelijke van ELO en dus hooguit verband hielden met de toegestane externe activiteit van Pinxten.

546    Voorts kan het belang dat zakelijke betrekkingen met internationale auditkantoren voor de Rekenkamer kunnen hebben, niet volstaan ter rechtvaardiging van de dienstreis in rij nr. 321, die werd voorgesteld als een antwoord op een uitnodiging van een verantwoordelijke van een dergelijk kantoor. Uit de door de Rekenkamer overgelegde stukken blijkt immers dat deze dienstreis enkel bedoeld was om deel te nemen aan een door deze verantwoordelijke georganiseerde jachtpartij.

547    In de tweede plaats verschillen de dienstreizen in de rijen nrs. 337 en 386 en deels die in rij nr. 229 van de andere dienstreizen in verband met jachtpartijen doordat zij werden voorgesteld als strekkende tot deelname aan de in het kasteel van Chambord georganiseerde „dagen van de Europese instellingen”.

548    Gelet op een verklaring van de directeur van het nationaal domein van Chambord en van door OLAF in beslag genomen stukken – in het bijzonder een e-mail van 13 januari 2012 die gewaagt van een „Europese jacht” en een lijst van deelnemers aan een van de betrokken evenementen – moet worden geconstateerd dat, anders dan de Rekenkamer stelt, in het kasteel van Chambord op de data van die dienstreizen wel degelijk evenementen lijken te zijn georganiseerd voor personen met leidinggevende functies in de Europese instellingen.

549    Ook al is dit het geval, uit geen enkel van de door OLAF in beslag genomen of door Pinxten overgelegde documenten blijkt dat deze evenementen enige professionele dimensie hadden. Integendeel, de door OLAF in beslag genomen programma’s maakten slechts melding van „traques” (drijfjacht), diners en „honneurs aux gibiers” (eerbetoon aan het wild).

550    Bovendien zijn noch in de goedkeuringsaanvraag voor de betrokken dienstreizen noch in andere aan het Hof overgelegde stukken aanwijzingen te vinden dat deze evenementen werden georganiseerd door een organisatie – of een verantwoordelijke daarvan – waarvoor het in het belang van de Rekenkamer is er betrekkingen mee te onderhouden. Bij gebreke van dergelijke gegevens, en overigens ook van enige verklaring van Pinxten dienaangaande, konden deze evenementen geen dienstreizen voor protocollaire doeleinden rechtvaardigen.

551    Bijgevolg moeten de dienstreizen in de rijen nrs. 337 en 386 en deels de dienstreis in rij nr. 229 als onregelmatig worden beschouwd.

552    In de derde plaats was de reden voor de in de rijen nrs. 315 en 371 genoemde dienstreizen een uitnodiging van de diensten van de Belgische kroon respectievelijk een lid van de Belgische koninklijke familie.

553    Blijkens het dossier waarover het Hof beschikt, is Pinxten inderdaad door de Belgische koninklijke familie uitgenodigd om deel te nemen aan de „chasses royales” (koninklijke jacht) in Ciergnon (België).

554    Aangezien in het dossier waarover het Hof beschikt echter geen gegevens voorhanden zijn die erop wijzen dat het betoog van Pinxten dat die jachtpartijen in het Koninkrijk België een aanzienlijke protocollaire dimensie hebben, gegrond is, moet de enkele omstandigheid dat de overgelegde uitnodigingen afkomstig zijn van de Belgische koninklijke familie als ontoereikend worden beschouwd om een verband te kunnen opleveren met de uitvoering van de taken van een lid van de Rekenkamer.

555    Bijgevolg dient de onregelmatigheid van de in de rijen nrs. 315 en 371 genoemde dienstreizen als bewezen te worden beschouwd.

–       Andere door de Rekenkamer vermelde dienstreizen

556    Een reeks in de eerste grief aan de orde gestelde dienstreizen waarvoor dienstreiskosten zijn vergoed of dagvergoedingen zijn betaald, vallen niet onder de reeds onderzochte categorieën en de regelmatigheid ervan moet dus per geval worden beoordeeld.

557    Voor veertien van deze dienstreizen moeten de verwijten van de Rekenkamer ongegrond worden verklaard.

558    Ten eerste kan de dienstreis in rij nr. 310, bij gebreke van enige verduidelijking door de Rekenkamer omtrent de reden voor de beweerde onregelmatigheid, niet als kennelijk onregelmatig worden beschouwd, voor zover zij deels overeenkwam met een bezoek aan een universiteit.

559    Zo ook wat de dienstreis in rij nr. 347 betreft: de ontmoeting met een verantwoordelijke van de Nationale Bank van België en met een Belgisch parlementslid en een advocaat, die ook een functie in deze bank bekleedt, kan niet louter op basis van het betoog van de Rekenkamer dat deze dienstreis „geen verband hield met de taken van Pinxten” en de omstandigheid dat dit parlementslid lid was van de betrokken politieke partij, als kennelijk onregelmatig worden aangemerkt.

560    Ten tweede zijn in verschillende gevallen de door de Rekenkamer overgelegde bewijzen ontoereikend om de door haar aangevoerde onregelmatigheid aan te tonen.

561    Wat om te beginnen de dienstreizen in de rijen nrs. 57 en 391 betreft, die zagen op vergaderingen met een lid van de Commissie, wordt niet betwist dat een dergelijke vergadering in beginsel in verband kon worden gebracht met de uitvoering van de taken van een lid van de Rekenkamer.

562    Wat de dienstreis in rij nr. 57 betreft is niet bewezen dat de bewering van die instelling dat deze in feite verband hield met de organisatie van een muziekfestival waarin Pinxten persoonlijk geïnteresseerd was, gegrond is.

563    Deze dienstreis heeft namelijk plaatsgevonden op 13 juli 2009, terwijl de e-mails die de Rekenkamer in verband met dit festival overlegt betrekking hebben op een subsidie voor 2011 en dateren van september en oktober 2011. Bovendien lijkt het verband tussen de dienstreis en de subsidie des te onwaarschijnlijker daar het betrokken Commissielid pas vanaf 10 februari 2010 belast werd met cultuur.

564    Wat de dienstreis in rij nr. 391 betreft legt de Rekenkamer geen enkel specifiek stuk over ter ondersteuning van de bewering dat deze een „privélunch” betrof.

565    De – overigens niet bewezen – omstandigheid dat het betrokken Commissielid een jachtpartner van Pinxten is, bewijst op zich niet dat het om een privélunch ging. Uit het feit dat ook een verantwoordelijke van ELO op de lunch aanwezig was, blijkt evenmin dat het standpunt van de Rekenkamer hierover juist is, te meer daar niet wordt betwist dat de gastenlijst voor deze lunch, die plaatsvond op de zetel van de Commissie, niet werd opgesteld door Pinxten.

566    Voorts ontkent de Rekenkamer weliswaar niet dat de deelname van Pinxten aan een plechtigheid ter gelegenheid van het begin van het schooljaar van het Europacollege te Brugge (België) (dienstreis in rij nr. 63) gerechtvaardigd was, maar stelt zij dat hij deze plechtigheid niet heeft bijgewoond.

567    In dit verband moet evenwel worden geoordeeld dat het door de Rekenkamer overgelegde uittreksel van een internetsite niet volstaat ten bewijze van de afwezigheid van Pinxten op die plechtigheid, gelet op zowel de aard van dit document, dat niet kan worden gelijkgesteld met een proces-verbaal houdende een aanwezigheidslijst, als de in dit document gebruikte bewoordingen, waaruit blijkt dat daarin slechts een deel van de op die ceremonie aanwezige persoonlijkheden wordt vermeld.

568    Bovendien, zo weliswaar vaststaat dat Pinxten op de datum van de betrokken dienstreis heeft geluncht in Brussel, kan op basis van de door de Rekenkamer overgelegde bewijzen echter niet het tijdstip van deze lunch worden achterhaald.

569    Ten slotte worden vijf dienstreizen in verband met ontmoetingen met diplomaten, die in beginsel konden worden gelinkt aan de taken van een lid van de Rekenkamer dat zetelt in de kamer belast met de externe betrekkingen van de Unie, omschreven als privé van aard, maar wordt deze bewering niet rechtens genoegzaam gestaafd.

570    Zo stelt de Rekenkamer over de dienstreis in rij nr. 56 dat een lunch met een consul van de Russische Federatie verband hield met een interventie ten gunste van een Belgisch echtpaar dat in dat land een kind wilde adopteren.

571    Uit de door de Rekenkamer dienaangaande overgelegde stukken, die dateren van verschillende maanden ná de datum van deze dienstreis en waarin noch naar deze lunch noch naar enige eerdere gebeurtenis wordt verwezen, kan echter niet met zekerheid worden afgeleid dat het doel van deze dienstreis losstond van de taken van Pinxten.

572    De dienstreizen in de rijen nrs. 138, 196 en 382 betroffen, voor de laatste twee op volstrekt transparante wijze, de deelname van Pinxten aan een „diplomatiek diner” dat elk jaar plaatsvindt in Brussel.

573    Aangezien niet wordt betwist dat op dit diner een groot aantal Belgische diplomaten samenkomt, lijkt dit evenement in principe een gelegenheid te kunnen bieden om van gedachten te wisselen over aangelegenheden die de Rekenkamer interesseren en om haar werkzaamheden bekend te maken en te bevorderen bij nationale hoge verantwoordelijken.

574    In die omstandigheden volstaat het enkele feit dat dit diner wordt georganiseerd door een organisatie die tot doel heeft de Vlaamse belangen in Brussel te bevorderen niet om te concluderen dat de stelling van de Rekenkamer dat het diner tot doel had „Vlaamse ondernemers te laten kennismaken met Belgische diplomaten die in het buitenland werken”, gegrond is. De betrokken dienstreizen kunnen dan ook niet als kennelijk onregelmatig worden beschouwd.

575    Wat de lunch met de ambassadeur van het Koninkrijk België in Frankrijk betreft (dienstreis in rij nr. 284), betoogt de Rekenkamer dat deze lunch een privékarakter had gezien de vriendschappelijke relatie tussen de ambassadeur en Pinxten en rekening houdend met wie mee aan tafel zat. Vastgesteld moet echter worden dat dit privékarakter niet wordt aangetoond, aangezien geen enkel bewijs is overgelegd dat het Hof informatie kan verschaffen over het doel van die lunch en op basis van het feit alleen dat het om een dergelijke relatie ging, hoe dan ook niet kan worden uitgesloten dat de lunch een professionele dimensie had.

576    Ten derde kan de aanwezigheid op de begrafenis van de vader van een assistente van Pinxten (dienstreis in rij nr. 335), die de president van de Rekenkamer op basis van transparante informatie heeft goedgekeurd, worden gekoppeld aan de uitvoering van de taken van een lid van die instelling, van wie redelijkerwijs mag worden verwacht dat hij bij een dergelijke gelegenheid zijn persoonlijke steun verleent aan een van zijn naaste medewerkers binnen die instelling.

577    Ten vierde, ten slotte, moet de kritiek op de in de rijen nrs. 102, 293 en 294 genoemde dienstreizen worden afgewezen voor zover de onregelmatigheden die de Rekenkamer Pinxten verwijt, als verschoonbare vergissingen van hem kunnen worden beschouwd.

578    Aldus betreft de beweerde onregelmatigheid van de dienstreis in rij nr. 102 het niet aangeven van een aangeboden maaltijd van ongeveer 30 EUR, zonder enige aanwijzing dat het bij een dergelijk geïsoleerd incident niet gewoon om een vergetelheid gaat.

579    Wat de dienstreizen in de rijen nrs. 293 en 294 betreft, lijkt de bewering van de Rekenkamer dat deze dienstreizen werden gehandhaafd ondanks de annulering van de ontmoeting die deze rechtvaardigde, te kloppen. Gelet op een aantekening in de agenda van Pinxten, is het evenwel niet bewezen dat er daarbij sprake is van fraude, aangezien op het aanvankelijk voor de uitvoering van de dienstreizen geplande tijdstip een bij de Rekenkamer aangegeven lunch is gehouden.

580    Daarentegen kunnen 31 van de in punt 556 van dit arrest bedoelde dienstreizen wel geheel of gedeeltelijk aan Pinxten worden verweten in het kader van de onderhavige procedure.

581    Ten eerste kan een bezoek aan een plaatselijk medisch centrum (dienstreis in rij nr. 286) om deel te nemen aan een plechtigheid ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van de oprichting ervan, duidelijk niet in verband worden gebracht met de taken als lid van de Rekenkamer.

582    Ten tweede waren verschillende van de in de eerste grief genoemde dienstreizen bedoeld om een persoon te ontmoeten van wie de hoedanigheid niet werd gepreciseerd in de dienstreisopdracht en die door Pinxten in de loop van de onderhavige procedure niet duidelijk is aangegeven.

583    Hoewel het toekennen van een dienstreisopdracht en het vervolgens vergoeden van dienstreiskosten of betalen van dagvergoedingen in dergelijke gevallen blijk geeft van een aanzienlijk gebrek aan controle door de Rekenkamer, neemt dit niet weg dat een dienstreis om een persoon te ontmoeten die geen identificeerbare band met die instelling heeft, als kennelijk onregelmatig moet worden beschouwd.

584    Zo levert de Rekenkamer voor de dienstreis in rij nr. 49 weliswaar niet het bewijs van het door haar gestelde verband tussen de in de betrokken dienstreisopdracht bedoelde persoon en de organisatie van een muziekfestival, maar moet er worden geconstateerd dat uit geen enkel element van het dossier waarover het Hof beschikt kan worden opgemaakt welke functie deze persoon bekleedt.

585    Ook de in de rijen nrs. 39, 234, 235, 297, 348 en 389 genoemde dienstreizen moeten als kennelijk onregelmatig worden aangemerkt voor zover zij gericht waren op ontmoetingen met personen van wie de hoedanigheid niet werd gespecificeerd, net als de dienstreis in rij nr. 79, die enkel werd gemotiveerd met een verwijzing naar een „formele uitnodiging”.

586    Dezelfde conclusie geldt voor de dienstreis in rij nr. 306, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan op de stelling van de Rekenkamer dat de bij de dienstreis betrokken persoon een notaris was, en ten dele voor de dienstreis in rij nr. 347, los van de vraag of die instelling gelijk heeft waar zij argumenteert dat deze verband hield met een huwelijksreceptie.

587    Zo ook wat de dienstreizen in de rijen nrs. 40, 44, 262 en 351 en deels de dienstreis in rij nr. 86 betreft: deze moeten als kennelijk onregelmatig worden aangemerkt aangezien zij zagen op ontmoetingen met personen die louter werden aangeduid als respectievelijk „directeur”, „baron”, „jurist en auditeur”, „magistraat” en „meester”.

588    Ten derde moeten bepaalde dienstreizen die gericht waren op een ontmoeting met een persoon van wie de hoedanigheid eventueel voldoende verband met de Rekenkamer zou kunnen houden, niettemin worden geacht te zijn toegestaan op basis van een aanvraag waarin essentiële informatie was weggelaten, en dus onregelmatig te zijn, aangezien die instelling bewijzen overlegt waaruit blijkt dat het doel van de betrokken ontmoeting privé van aard was.

589    Dit is het geval voor de dienstreis in rij nr. 108, die betrekking had op een vergadering met een lid van de Commissie, aangezien uit de e-mails die ter voorbereiding van deze vergadering zijn uitgewisseld blijkt dat deze handelde over de richtsnoeren die een vertegenwoordigend orgaan wenste voor te leggen aan de Commissie.

590    De dienstreis in rij nr. 122 hangt nauw samen met de dienstreis in rij nr. 108 voor zover zij bedoeld was om de bestuurder van dat vertegenwoordigend orgaan te ontmoeten en uit een e-mail van de dag na deze ontmoeting blijkt dat zij hetzelfde doel had als laatstgenoemde dienstreis.

591    Het diner met een admiraal (dienstreis in rij nr. 280) kan duidelijk niet in verband worden gebracht met de taken van Pinxten bij de Rekenkamer, aangezien uit door OLAF in beslag genomen e-mails blijkt dat dit diner werd georganiseerd door een particuliere ondernemer om Pinxten te bedanken voor de hulp die hij hem zou hebben verleend bij de ondertekening van een contract op het gebied van defensie.

592    Wat de dienstreis in rij nr. 404 betreft, is het doel van de lunch met een lid van de Belgische regering weliswaar onbekend maar blijkt uit een e-mail van 10 mei 2016 die aangeeft dat dit regeringslid werd uitgenodigd door Pinxten en zijn schoondochter, dat de lunch een privékarakter had.

593    Ten vierde moeten de dienstreizen voor vrijetijdsactiviteiten of vriendschappelijke contacten, gelet op de overwegingen in punt 399 van dit arrest, als kennelijk onregelmatig worden beschouwd wanneer het niet gaat om een evenement dat is toegespitst op beroepsmatige activiteiten.

594    Aldus kan worden verwezen naar de dienstreis in rij nr. 80, die betrekking had op een ontmoeting met de directeur van een culturele instelling, en de dienstreis in rij nr. 322, die, onder het mom van een uitnodiging van een particuliere ondernemer, volgens de aanwijzingen in de agenda van Pinxten in feite bedoeld was om een operavoorstelling bij te wonen.

595    Ondanks de transparantie van de betrokken dienstreisopdrachten kunnen dienstreis nr. 101, die betrekking had op de deelname aan het tuinfeest van het Orchestre Royal de Chambre de Wallonie (koninklijk kamerorkest van Wallonië, België), en de dienstreizen in de rijen nrs. 288, 345 en 394, die te maken hadden met een deelname aan een muziekfestival, duidelijk niet in verband worden gebracht met de taken van een lid van de Rekenkamer. Het feit dat dit laatste festival zich tot „Europese jongeren” richtte, kan geen tegengestelde oplossing rechtvaardigen.

596    Deze conclusie geldt des te meer voor de dienstreis in rij nr. 364, waarbij een kort bezoek werd gebracht aan een festival over de Schotse cultuur, op basis van een dienstreisopdracht waarin enkel sprake was van een formele uitnodiging van de Vlaamse vertegenwoordiging.

597    Hoewel de dienstreis in rij nr. 99 een plechtigheid in een universitair kader betrof, kan ook deze niet in verband worden gebracht met de taken van Pinxten voor zover uit de door de Rekenkamer overgelegde documenten blijkt dat de plechtigheid bedoeld was als eerbetoon aan artiesten en werd afgesloten met een concert.

598    Voorts staat vast dat de dienstreis in rij nr. 202 betrekking had op de deelname van Pinxten aan het huwelijk van een kind van de Belgische rechter bij het Hof.

599    Het voorwerp van deze dienstreis was niet duidelijk omschreven in de dienstreisopdracht, waarin gewoon werd verwezen naar een formele uitnodiging van die rechter, zonder te preciseren dat het om een familiale plechtigheid ging.

600    Uit de hoedanigheid van de betrokken personen kan echter niet worden afgeleid dat de in rij nr. 202 genoemde dienstreis regelmatig is.

601    Die redenering geldt ook voor de dienstreis in rij nr. 300 en deels voor die in rij nr. 362, aangezien uit de agenda van Pinxten blijkt dat deze dienstreizen betrekking hadden op huwelijken van kinderen van Belgische prominenten.

iii) Representatie- en ontvangstkosten

602    Ten tijde van de twee mandaten van Pinxten werd de vergoeding van de representatie- en ontvangstkosten van de leden van de Rekenkamer geregeld bij besluit nr. 7‑2004.

603    Artikel 2 van dit besluit voorzag in terugbetaling van de algemene representatie- en ontvangstuitgaven die deze leden „in hun hoedanigheid van lid van een instelling doen”.

604    Dit artikel bepaalde daarnaast dat de terugbetaling geschiedt op basis van aangiften waarin de datum van de uitnodiging, het aantal gasten en de hoedanigheid van de hoofdgast staan vermeld en waarbij ontvangstbewijzen of andere gelijkwaardig geachte schriftelijke bewijsstukken zijn gevoegd.

605    Artikel 6 van dit besluit preciseerde voorts dat kosten voor ontvangsten aan huis worden vergoed ten belope van de overgelegde bewijsstukken.

606    Uit deze bepalingen volgt dat de terugbetaling van representatie- en ontvangstkosten afhankelijk was van de overlegging van bewijsstukken en van de voorwaarde dat deze kosten waren gemaakt in de hoedanigheid van lid van de Rekenkamer.

607    Het begrip „representatie- en ontvangstkosten” werd verduidelijkt in de nota van 22 april 2004, die besluit nr. 7‑2004 aanvulde.

608    In dit verband moet worden opgemerkt dat uit de strekking van deze nota weliswaar volgt dat deze als zodanig geen bindende gevolgen had, maar dit neemt niet weg dat de leden van de Rekenkamer, teneinde hun in punt 243 van dit arrest in herinnering gebrachte verplichting om zich onberispelijk te gedragen na te komen, naar behoren rekening moesten houden met de beginselen die in deze nota waren vervat.

609    Uit de nota van 22 april 2004 blijkt om te beginnen dat de representatie- en ontvangstkosten hoofdzakelijk bedoeld waren om de externe betrekkingen van de Rekenkamer te bevorderen en dat de leden van die instelling haar met name vertegenwoordigden wanneer zij in het belang van die instelling professionele betrekkingen onderhielden met personen die functies bekleedden binnen de Unie, de lidstaten of andere landen.

610    Verder bepaalde deze nota dat de uitgaven voor elk evenement in verhouding moesten staan tot het belang ervan en de hoedanigheid van de deelnemers.

611    Tot slot stond daarin te lezen dat ook de echtgenoten en de partners van de leden van de Rekenkamer en van hun genodigden mochten deelnemen aan evenementen waarvoor representatie- en ontvangstkosten werden gemaakt. Daarentegen waren voor vrienden of persoonlijke betrekkingen privé-uitnodigingen vereist, wat betekent dat de uit hun uitnodiging voortvloeiende kosten door de betrokken leden moesten worden gedragen.

612    Bijlage 1 bij de nota van 22 april 2004 bevatte aanvullende richtsnoeren met betrekking tot de representatie- en ontvangstkosten.

613    Uit deze bijlage blijkt in het bijzonder dat kosten die buiten de Rekenkamer werden gemaakt, in de regel betrekking moesten hebben op personen met vooraanstaande functies binnen de Unie, de lidstaten of andere landen, en dat uitgaven die in de privéwoning van een lid van de Rekenkamer werden gemaakt, niet hoger mochten zijn dan noodzakelijk.

614    Bijlage 2 bij deze nota vormde een formulier om representatie- en ontvangstkosten aan te geven onder vermelding van de datum, het tijdstip, het soort evenement en de reden ervan, alsook het aantal deelnemers en hun hoedanigheid.

615    Uit de punten 609 tot en met 614 van dit arrest blijkt dat de reden voor de representatie of de ontvangst en de hoedanigheid van de genodigde(n) de voornaamste criteria waren die in de nota van 22 april 2004 en bijlage 1 daarbij werden gehanteerd om uitvoering te geven aan de in artikel 2 van besluit nr. 7‑2004 gestelde voorwaarde dat dergelijke kosten kunnen worden vergoed indien zij zijn gemaakt als lid van de Rekenkamer.

616    De enige substantiële informatie die overeenkomstig besluit nr. 7‑2004 en bijlage 2 bij de nota van 22 april 2004 moest worden verstrekt om terugbetaling van deze kosten te verkrijgen, had eveneens betrekking op deze twee elementen.

617    Het is dus op basis van deze elementen dat de rechtvaardiging die is verstrekt voor de aanwending van representatie- en ontvangstkosten waarvan Pinxten om vergoeding heeft verzocht, dient te worden beoordeeld.

618    Met betrekking tot de bewijslast moet er evenwel van worden uitgegaan dat wanneer professionele betrekkingen met een persoon, gelet op diens hoedanigheid, van belang lijken te zijn voor de Rekenkamer, een aan die persoon gerichte uitnodiging als regelmatig dient te worden beschouwd tenzij de Rekenkamer gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de uitnodiging een privékarakter had.

–       Representatiekosten voor betrekkingen met politieke verantwoordelijken

619    De in de punten 427 tot en met 438 van het onderhavige arrest verrichte analyse betreffende betalingen van dienstreiskosten en dagvergoedingen voor dienstreizen die betrekking hadden op ontmoetingen met politieke verantwoordelijken geldt ook voor de terugbetaling van de representatiekosten die met dergelijke ontmoetingen gepaard gingen.

620    Ten eerste blijkt immers uitdrukkelijk uit de nota van 22 april 2004 dat kosten in verband met ontmoetingen met personen die vooraanstaande functies uitoefenen binnen de Unie, de lidstaten of derde landen, waaronder politieke verantwoordelijken met belangrijke functies, aanvaardbaar waren als representatiekosten.

621    Ten tweede was voor het maken van representatiekosten weliswaar geen voorafgaande toestemming vereist, maar uit het feit dat deze kosten systematisch werden terugbetaald wanneer zij verband hielden met uitnodigingen die Pinxten richtte aan duidelijk als zodanig geïdentificeerde politieke verantwoordelijken, blijkt niettemin dat de Rekenkamer haar beoordelingsmarge in die zin uitoefende dat zij er belang bij had dat haar leden professionele betrekkingen met dergelijke verantwoordelijken onderhielden.

622    Derhalve kunnen de verzoeken van Pinxten tot terugbetaling van representatiekosten die hij maakte voor het uitnodigen van politieke verantwoordelijken, hem in beginsel niet worden verweten, tenzij uit de door de Rekenkamer overgelegde stukken blijkt dat een uitnodiging moest worden gescheiden van zijn taken.

623    Anders dan de Rekenkamer stelt, kan een dergelijke scheidbaarheid van de taken om de in de punten 464 tot en met 467 van dit arrest uiteengezette redenen niet worden vermoed op grond van het enkele feit dat de genodigde lid is van de betrokken politieke partij.

624    In die omstandigheden, en aangezien de Rekenkamer geen extra redenen of bewijzen van onregelmatigheid aanvoert, moeten de terugbetalingsverzoeken voor de representatiekosten die zijn gemaakt in het kader van uitnodigingen gericht aan leden van het Europees Parlement (rijen nrs. 2, 14, 19, 24, 65, 257, 314, 323, 338, 350, 357, 382 en 408), leden van de Belgische regering (rijen nrs. 12, 23, 27, 57 en 168) en leden van het Belgische parlement (rijen nrs. 23, 116, 117, 168, 171, 183, 184, 190, 194, 204, 218, 236, 276, 293, 294, 336, 354, 358, 367 en 381) als regelmatig worden beschouwd.

625    Hoewel minder centraal, zijn de functies van kabinetslid van de leider van een fractie van het Europees Parlement of van lid van de Belgische regering voldoende belangrijk om de regelmatigheid te rechtvaardigen van de door Pinxten gevraagde terugbetalingen voor de in de rijen nrs. 27, 63, 150 en 168 genoemde gevallen. Hetzelfde geldt voor een uitnodiging aan de kabinetschef van de Koning der Belgen (rij nr. 339).

626    Wat de kosten in de rijen nrs. 89 en 111 betreft, kan het feit dat de betrokken uitnodigingen naar leden van de Belgische regering zijn gestuurd tijdens een verlofperiode, niet tot de vaststelling leiden dat de daarvoor ingediende terugbetalingsverzoeken onregelmatig waren, aangezien de vrijheid waarover een lid van de Rekenkamer beschikt om zich tijdens dergelijke perioden naar zijn lidstaat van herkomst te begeven, meebrengt dat deze perioden bijzonder gunstig zijn voor representaties die tot doel hebben professionele betrekkingen met verantwoordelijken van die lidstaat te onderhouden.

627    Bovendien, aangezien artikel 2 van besluit nr. 7‑2004 enkel de vermelding van de hoofdgast vereiste om representatiekosten te rechtvaardigen, kan uit het enkele feit dat er op een diner met een nationaal parlementslid of een lunch met een lid van de Belgische regering nog een andere genodigde aanwezig was, wiens hoedanigheid dergelijke uitgaven als zodanig niet rechtvaardigde (rijen nrs. 90 en 281), niet worden afgeleid dat het volledige terugbetalingsverzoek voor de betrokken representatiekosten onregelmatig was.

628    Verder blijkt uit de aanwezigheid van de echtgenote van Pinxten en die van zijn genodigden tijdens een diner met leden van het Europees Parlement (rij nr. 370) niet dat dit diner een privékarakter had, aangezien, zoals uit punt 611 van het onderhavige arrest blijkt, de nota van 22 april 2004 deze praktijk uitdrukkelijk toestond.

629    Daarentegen kunnen, ten eerste, om de in de punten 471 en 472 van dit arrest genoemde redenen, in principe niet rechtmatig representatiekosten worden gemaakt voor uitnodigingen aan voormalige vooraanstaande politieke verantwoordelijken die hun ambt hebben neergelegd, en evenmin aan lokale politici.

630    Een dergelijke onregelmatigheid moet in het bijzonder worden vastgesteld voor de representatiekosten in de rijen nrs. 15, 152, 201 en 253, die zagen op uitnodigingen aan voormalige leden van het Belgische parlement of van de Belgische regering.

631    Hetzelfde geldt voor de kosten in rij nr. 341 voor een diner met een voormalig minister, dat tevens het voorwerp uitmaakte van een dienstreis waarvan de onregelmatigheid is vastgesteld in punt 424 van het onderhavige arrest.

632    Voorts kan ook uit het feit dat de kosten in rij nr. 302 werden gemotiveerd aan de hand van een diner met plaatselijke verkozenen, worden afgeleid dat het terugbetalingsverzoek voor deze kosten onregelmatig was.

633    Ten tweede moeten bepaalde terugbetalingsverzoeken voor representatiekosten die zijn ingediend voor uitnodigingen die Pinxten aan politieke verantwoordelijken heeft gericht, als onregelmatig worden beschouwd voor zover deze verzoeken wegens de omstandigheden waarin die uitnodigingen zijn verstuurd rechtstreeks kunnen worden gelinkt aan de door hem uitgeoefende politieke activiteit waarop het eerste onderdeel van de vierde grief betrekking heeft.

634    Dit is het geval voor de terugbetalingsverzoeken voor de kosten in de rijen nrs. 16, 20 en 29, voor zover die betrekking hadden op uitnodigingen aan personen die Pinxten voorstelde als personen met functies binnen de betrokken politieke partij en van wie niets erop wijst dat zij anderszins vooraanstaande politieke verantwoordelijkheden hadden.

635    Het verzoek tot terugbetaling van de in rij nr. 70 bedoelde kosten, die voortvloeiden uit een lunch met een kabinetslid van een Europese commissaris, moet eveneens als onregelmatig worden beschouwd, aangezien de lunch is georganiseerd na een bestuursvergadering van de betrokken politieke partij en uit de notulen van deze vergadering blijkt dat zowel die commissaris als Pinxten hieraan heeft deelgenomen.

636    Hetzelfde geldt voor de terugbetalingsverzoeken voor de kosten in de rijen nrs. 34, 54, 84, 85 en 88, die alle betrekking hadden op uitnodigingen die gericht waren aan Belgische politieke verantwoordelijken – leden van de betrokken politieke partij – in de marge van door deze politieke partij georganiseerde bijeenkomsten of festiviteiten waarvan vaststaat dat Pinxten daaraan heeft deelgenomen.

637    De terugbetaling, als representatiekosten, van de betaling in rij nr. 275 van een „bijdrage” die, gezien de vermeldingen op de desbetreffende factuur, toegang verschafte tot een door de betrokken politieke partij georganiseerd „politiek café”, moet eveneens onregelmatig worden geacht wegens het rechtstreekse verband met de politieke activiteit van Pinxten.

–       Representatiekosten voor betrekkingen met andere personen

638    Wat betreft de representatiekosten voor betrekkingen met andere personen dan politieke verantwoordelijken, moet worden opgemerkt dat, aangezien in de handelingen van de Rekenkamer betreffende de terugbetaling van dergelijke kosten nergens uitdrukkelijk wordt verwezen naar leiders van privébedrijven of verantwoordelijken van representatieve organen of verenigingen, de in de punten 476 tot en met 515 van dit arrest genoemde beginselen voor dienstreiskosten en dagvergoedingen mutatis mutandis moeten worden toegepast bij de beoordeling of de representatiekosten die in het kader van uitnodigingen aan dergelijke verantwoordelijken werden gemaakt, verband hielden met de taken van Pinxten.

639    Op grond hiervan moet worden vastgesteld dat de Rekenkamer er bij tien uitnodigingen aan andere personen dan politieke verantwoordelijken, niet in is geslaagd aan te tonen dat de door Pinxten ingediende terugbetalingsverzoeken voor representatiekosten betrekking hadden op kosten die niet waren gemaakt als lid van de Rekenkamer.

640    Zo bijvoorbeeld wat de kosten in rij nr. 17 betreft: een uitnodiging gericht aan een hoge administratieve verantwoordelijke die belast was met het voorzitterschap van een comité bij de directie van de Federale Overheidsdienst Financiën (België) moet, bij gebreke van bewijzen van het privékarakter van deze uitnodiging, worden geacht tot die categorie te behoren.

641    Gezien de hoedanigheid van de betrokkenen, moet die conclusie worden doorgetrokken voor de representatiekosten in de rijen nrs. 35, 373 en 374, die betrekking hadden op uitnodigingen gericht aan de rector van een universiteit en aan een persoon met verantwoordelijkheden binnen een internationale organisatie.

642    Hetzelfde geldt ook voor de kosten in de rijen nrs. 28 en 290, voor zover de uitnodigingen gericht aan de directeur van een representatieve groepering met een Europese dimensie en aan een verantwoordelijke van een internationaal auditkantoor op basis van de overwegingen in de punten 495 tot en met 497 en 515 van dit arrest in verband konden worden gebracht met de taken van een lid van de Rekenkamer.

643    Ook de terugbetalingsverzoeken voor de in de rijen nrs. 56, 138, 284 en 382 genoemde lunch- en dinerkosten moeten, gelet op de overwegingen in punt 638 van dit arrest, als regelmatig worden beschouwd, aangezien in de punten 570 tot en met 575 van dit arrest is vastgesteld dat de Rekenkamer niet heeft aangetoond dat de dienstreizen tijdens welke deze kosten werden gemaakt, onregelmatig waren.

644    Verder moeten ook de kosten die zijn gemaakt voor het in rij nr. 98 bedoelde diner met de kabinetschef van een Commissielid in beginsel, gelet op de functie van de genodigde, worden geacht te zijn gemaakt in de hoedanigheid van lid van de Rekenkamer.

645    Het door de Rekenkamer in dit verband overgelegde bewijs volstaat niet ter staving van haar bewering dat dit diner een privékarakter had.

646    Ten eerste beroept die instelling zich op e-mails die zijn verzonden op 20 mei 2010, maar dient te worden vastgesteld dat uit deze uitwisseling blijkt dat de daarin genoemde specifieke kwesties zijn geregeld vóór het diner en dat niets erop wijst dat deze het doel van het diner vormden.

647    Ten tweede levert het argument van de Rekenkamer dat de kosten van het diner impliceerden dat de genodigde de krachtens artikel 11 van het Statuut op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen, hoe dan ook niet het bewijs op dat dit diner privé van aard was.

648    Voor 26 uitnodigingen die aan andere personen dan politieke verantwoordelijken waren gericht, moeten de door Pinxten ingediende verzoeken om terugbetaling van representatiekosten daarentegen als onregelmatig worden beschouwd.

649    Gelet op de in de punten 484, 487, 489 en 493 van dit arrest reeds gedane vaststellingen over de onregelmatigheid van de in de rijen nrs. 45, 251, 283, 287, 307 en 325 vermelde dienstreizen, voor zover deze tot doel hadden privébedrijfsleiders te ontmoeten, kunnen de in het kader van deze dienstreizen gemaakte representatiekosten waarvan Pinxten om terugbetaling heeft verzocht, namelijk niet worden geacht te zijn gemaakt als lid van de Rekenkamer.

650    Ook de terugbetalingsverzoeken voor de in de rijen nrs. 13, 79, 115, 154, 178 en 318 vermelde representatiekosten, die voortvloeiden uit uitnodigingen gericht aan verantwoordelijken van ondernemingen of van representatieve organen, moeten als onregelmatig worden beschouwd.

651    Bovendien kunnen representatiekosten die in het kader van een toegestane externe activiteit zijn gemaakt, per definitie niet worden geacht als lid van de Rekenkamer te zijn gemaakt.

652    Zo moet het in rij nr. 385 bedoelde diner in verband worden gebracht met de functie van voorzitter van de SBNL-V, de toegestane externe activiteit die Pinxten uitoefende: in de kostenopgave werd bij zijn hoedanigheid van genodigde voor dit diner verwezen naar zijn functie bij het fonds dat de jaarlijks door de SBNL-V uitgereikte hoofdprijs financiert, en uit een e-mailwisseling van 2 februari 2016 kan worden opgemaakt dat dit diner bedoeld was om de organisatie te bespreken van de wedstrijd „Europese boom van het jaar”, die direct in het verlengde ligt van het werkterrein van de SBNL-V.

653    Gelet op de in de punten 525 tot en met 528 van dit arrest vastgestelde banden tussen de SBNL-V en ELO moeten de representatiekosten in rij nr. 409, die zagen op een diner voor de secretaris-generaal van ELO, eveneens in verband worden gebracht met de activiteit van Pinxten in de SBNL-V.

654    Een terugbetalingsverzoek voor representatiekosten moet ook onregelmatig worden geacht wanneer daarin niet duidelijk de hoedanigheid van de genodigde werd aangegeven, en Pinxten daarover in de loop van de onderhavige procedure geen aanvullende informatie heeft verstrekt.

655    Zulks is het geval voor de representatiekosten in de rijen nrs. 39, 262 en 297, gelet op de in de punten 585 en 587 reeds gedane vaststellingen over de onregelmatigheid van de dienstreizen tijdens welke deze kosten werden gemaakt.

656    Ook de hoedanigheid van „studiedirecteur” of „directeur”, welke functiebenamingen voor een genodigde werden gebruikt in de terugbetalingsverzoeken voor de representatiekosten in de rijen nrs. 21 en 40, kan niet volstaan ten bewijze dat deze kosten werden gemaakt als lid van de Rekenkamer. Hetzelfde geldt voor de hoedanigheden „Dr Pr” en „Dr” die gehanteerd werden in de terugbetalingsverzoeken voor de representatiekosten in de rijen nrs. 37, 254 en 255.

657    Hoewel de hoedanigheid van de genodigden nauwkeurig werd aangegeven in de terugbetalingsverzoeken voor de representatiekosten in de rijen nrs. 36 en 42, kan niet worden geoordeeld dat het verband tussen uitnodigingen die gericht zijn aan de directeur van een culturele instelling of aan een procureur en de taken van Pinxten vaststaat.

658    Uit de door de Rekenkamer overgelegde bewijzen kan daarnaast worden afgeleid dat bepaalde uitnodigingen gericht aan personen van wie de hoedanigheid in principe representatiekosten had kunnen rechtvaardigen, een privékarakter hadden.

659    Dit is het geval voor de uitnodiging aan de ambassadeur van het Koninkrijk België in Frankrijk (rij nr. 268), aangezien het daarbij ging om een diner in een restaurant naast een wijngaard en uit verschillende e-mails blijkt dat Pinxten en zijn genodigde zich in de regio verplaatsten om deze wijngaard te bezoeken.

660    Het privékarakter van de uitnodiging gericht aan een lid van de Belgische regering (rij nr. 404) moet eveneens worden geacht te zijn bewezen, gelet op de vaststellingen in punt 592 van het onderhavige arrest.

–       Kosten voor recepties in de woning van Pinxten

661    Tijdens zijn twee mandaten als lid van de Rekenkamer heeft Pinxten tien recepties in zijn woning georganiseerd waarvoor hij terugbetalingsverzoeken voor de ontvangstkosten heeft ingediend die de Rekenkamer in de onderhavige procedure als onregelmatig aanmerkt.

662    Zoals uit punt 605 van dit arrest blijkt, bepaalde artikel 6 van besluit nr. 7‑2004 dat kosten voor ontvangsten aan huis worden vergoed ten belope van de overgelegde bewijsstukken.

663    In casu heeft de door de Rekenkamer gestelde onregelmatigheid niet te maken met de buitensporigheid van de kosten voor de recepties waarvan Pinxten om terugbetaling heeft verzocht, noch met de ontoereikendheid van de ter zake overgelegde bewijsstukken. De Rekenkamer gaat er enkel van uit dat deze recepties een privékarakter hadden.

664    Aangezien de interne regels van de Rekenkamer geen specifiek criterium bevatten voor recepties in de woning van een lid van die instelling, moeten de kosten van een dergelijke receptie worden geacht te zijn gemaakt in de hoedanigheid van lid van die instelling wanneer met die receptie in het belang van die instelling professionele betrekkingen met de betrokken genodigden konden worden verzekerd.

665    Zoals uit punt 618 van dit arrest blijkt, moet het bestaan van een dergelijk belang voor de Rekenkamer in de onderhavige procedure in beginsel worden beoordeeld op basis van de hoedanigheid van de genodigden op de bij Pinxten thuis georganiseerde recepties.

666    Blijkens de richtsnoeren in bijlage 1 bij de nota van 22 april 2004 moesten die genodigden met name personen zijn met vooraanstaande functies binnen de Unie, de lidstaten of andere landen. Indien tot de genodigden ook personeelsleden van de Rekenkamer behoorden, moest een billijk evenwicht worden bewaard tussen deze personeelsleden en de personen van buiten die instelling.

667    Aangezien uit deze richtsnoeren blijkt dat persoonlijke vrienden en familieleden van het lid van de Rekenkamer, met uitzondering van zijn echtgenoot of partner, privé moesten worden uitgenodigd, konden kosten in verband met de uitnodiging van dergelijke personen voor een receptie in de woning van een lid van die instelling bovendien niet geldig worden terugbetaald door die instelling.

668    Voorts moet om de in punt 627 van dit arrest genoemde redenen worden aangenomen dat het feit dat artikel 2 van besluit nr. 7‑2004 een doorslaggevende rol toekende aan de „hoedanigheid van de hoofdgast”, betekent dat uit de aanwezigheid op een receptie bij een lid van de Rekenkamer thuis van een of meerdere genodigden van wie de hoedanigheid niet als zodanig ontvangstkosten kon rechtvaardigen, niet kan worden afgeleid dat de receptie in haar geheel geen verband hield met de taken van dat lid.

669    Aangezien de interne regels van de Rekenkamer niet duidelijk aangaven welke regeling voor dergelijke genodigden gold wanneer zij noch persoonlijke vrienden noch familieleden van het betrokken lid van die instelling waren, kan het feit dat Pinxten een terugbetalingsverzoek voor kosten heeft ingediend waarin geen onderscheid werd gemaakt tussen deze en andere genodigden maar waarin volledige informatie over de hoedanigheid van de verschillende genodigden werd gegeven, als zodanig niet relevant worden geacht om te beoordelen of hij de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen heeft geschonden.

670    In deze context zij er ten eerste op gewezen dat de door Pinxten ingediende terugbetalingsverzoeken voor ontvangstkosten doorgaans nauwkeurige informatie bevatten over elk van de genodigden op de bij hem thuis georganiseerde recepties, en dus meer informatie bevatten dan artikel 2 van besluit nr. 7‑2004 vereiste.

671    De Rekenkamer heeft dus, toen zij die verzoeken heeft behandeld, met volledige kennis van zaken de regelmatigheid kunnen beoordelen van de ontvangstkosten waarop deze betrekking hadden.

672    Ten tweede kan volgens de interne regels van de Rekenkamer de systematische aanwezigheid van de echtgenote van Pinxten en van die van de genodigden op de betrokken recepties geen onregelmatigheid vormen of een aanwijzing opleveren dat deze recepties een privékarakter hadden.

673    Ten derde moet worden onderzocht in hoeverre de brief van 28 april 2015 relevant is.

674    Volgens de Rekenkamer kan uit de bewoordingen van deze brief in het algemeen worden opgemaakt dat de bij Pinxten thuis georganiseerde recepties in feite bedoeld waren om zijn vrienden bijeen te brengen, en dus totaal geen verband hielden met zijn taken als lid van die instelling.

675    In die brief heeft Pinxten inderdaad gewezen op het feit dat hij regelmatig „een aantal vrienden uitnodigde voor een informeel diner bij [hem] thuis”, waaronder „een of twee vooraanstaande politieke figuren en enkele vrienden met hoge posities in het bedrijfsleven”, met de bedoeling „een aangename, ontspannen en productieve avond in goed gezelschap door te brengen”. De genodigden behoorden dus „allen tot [zijn] persoonlijke kring” en het diner bood telkens de gelegenheid voor een „gezellige, hartelijke, boeiende avond met zorgvuldig uitgekozen Vlaamse persoonlijkheden”. In dezelfde brief werden ten slotte de namen genoemd van de personen die voor een dergelijk diner konden worden uitgenodigd.

676    Er moet om te beginnen evenwel op worden gewezen dat geen van de terugbetalingsverzoeken voor ontvangstkosten in het aan het Hof overgelegde dossier zag op een diner dat zou zijn bijgewoond door de eerste minister van het Koninkrijk België en door de andere in de brief van 28 april 2015 genoemde personen.

677    Deze brief ging dus over een diner dat niet is georganiseerd of waarvoor althans geen terugbetalingsverzoek is ingediend dat de Rekenkamer onregelmatig acht.

678    Vervolgens gaf deze brief weliswaar een algemene beschrijving van de diners die bij Pinxten thuis werden georganiseerd, maar moet worden vastgesteld dat deze beschrijving niet echt overeenstemt met wat uit de door de Rekenkamer overgelegde terugbetalingsverzoeken blijkt, voor zover op de gastenlijsten van die diners niet enkel „Vlaamse persoonlijkheden” stonden maar ook vaak een of meer personen met verantwoordelijkheden binnen de Europese instellingen.

679    Tot slot moeten de termen „vrienden” en „persoonlijke kring”, die op het eerste gezicht zouden kunnen doen vermoeden dat de door Pinxten bij hem thuis georganiseerde diners een privékarakter hadden, niet noodzakelijkerwijs letterlijk worden opgevat, aangezien de brief van 28 april 2015 duidelijk tot doel had de door Pinxten georganiseerde diners in een aantrekkelijk daglicht te stellen, niet aan te geven hoe hij daarbij daadwerkelijk te werk ging.

680    Geconstateerd moet overigens worden dat de geadresseerde van die brief zelf geen vriend van Pinxten schijnt te zijn en dat het feit dat voor een van die diners ongeveer een veertigtal personen was uitgenodigd, moeilijk te rijmen valt met een letterlijke lezing van de termen „vrienden” en „persoonlijke kring”.

681    Uit het voorgaande volgt dat de brief van 28 april 2015 niet volstaat als bewijs dat alle door Pinxten bij hem thuis georganiseerde recepties een privékarakter hadden.

682    Ten vierde blijkt dat in acht gevallen (rijen nrs. 22, 55, 110, 160, 216, 243, 245 en 279) de hoedanigheid van het merendeel van de personen die op de in de woning van Pinxten georganiseerde receptie werden uitgenodigd, van dien aard was dat Pinxten in het belang van de Rekenkamer rechtmatig professionele betrekkingen met hen wenste te onderhouden.

683    Zo bevonden zich onder de genodigden personen met hoge verantwoordelijkheden binnen de Europese instellingen, te weten leden van het Europees Parlement, de Commissie, het Hof en de Rekenkamer, alsook binnen de lidstaten, zoals leden van het Belgische parlement, leden van de Belgische regering, leden van het kabinet van de Koning der Belgen en ambassadeurs of hoge ambtenaren.

684    Daarentegen hebben de genodigden voor de in rij nr. 123 bedoelde receptie geen voldoende band met de Rekenkamer om aan te nemen dat Pinxten de kosten van deze receptie als lid van die instelling heeft gemaakt.

685    Hoewel een van die genodigden inderdaad een Belgisch parlementslid was, hadden alle andere medegasten immers functies bij particuliere marktdeelnemers. Daarenboven moet worden benadrukt dat onder deze personen zich de in punt 493 van dit arrest genoemde Belgische zakenman bevond die door Pinxten werd omschreven als een „oude vriend”, alsook een directeur van een concern waarvan Pinxten bestuurder was voordat hij zijn werkzaamheden als lid van de Rekenkamer opnam.

686    Dezelfde conclusie geldt voor de receptie in rij nr. 376. Naast een lid van de Commissie bekleedden de vier andere personen die samen met hun echtgenoten voor het betrokken diner waren uitgenodigd, immers allen functies bij particuliere ondernemingen of representatieve organen. Bovendien moet worden opgemerkt dat de in het vorige punt genoemde zakenman en een verantwoordelijke van ELO, waarvan de band met de toegestane externe activiteit van Pinxten reeds is vastgesteld, tot deze personen behoorden.

iv)    Gebruik van het dienstvoertuig en beroep op een chauffeur

687    Tijdens de twee mandaten van Pinxten als lid van de Rekenkamer werd het gebruik van dienstvoertuigen en het beroep op de diensten van chauffeurs achtereenvolgens geregeld bij besluit nr. 33‑2004 en besluit nr. 19‑2009.

688    De bepalingen van deze besluiten die van belang zijn voor de onderhavige zaak waren in wezen gelijkluidend.

689    Artikel 1 van deze besluiten bepaalde dat dienstvoertuigen permanent ter beschikking stonden van de leden van de Rekenkamer voor verplaatsingen in het kader van hun taken.

690    Artikel 4, eerste alinea, van besluit nr. 33‑2004 en artikel 4, eerste alinea, van besluit nr. 19‑2009 bepaalden dat de Rekenkamer, naast de huurkosten, ook de kosten droeg van het gebruik van het voertuig door de leden van die instelling in de uitvoering van hun taken.

691    Volgens artikel 4, tweede alinea, van deze besluiten werden als verplaatsingen in de uitvoering van de taken beschouwd: verplaatsingen die onder een dienstreisopdracht vallen en andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken, forfaitair geraamd op 15 000 km/jaar.

692    Het begrip „andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken” werd verduidelijkt in de opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 en de opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009. Daaruit bleek dat als dergelijke verplaatsingen werden beschouwd: trajecten tussen de woonplaats (op de standplaats) en de werkplek, trajecten tussen de standplaats of de woning en een luchthaven, trajecten voor protocolverplichtingen die binnen een beperkte omtrek plaatsvinden en niet onder een dienstreisopdracht vallen, en „gevallen van overmacht (ziekte, medische controles, onmogelijkheid om te rijden, enz.)”.

693    Artikel 5 van besluit nr. 33‑2004 en artikel 5 van besluit nr. 19‑2009 bepaalden dat wanneer de leden van de Rekenkamer het dienstvoertuig gebruikten voor andere verplaatsingen dan die bedoeld in artikel 4 van deze besluiten, de desbetreffende kosten (tolgeld, brandstofkosten en eventuele extra huurkosten) voor hun rekening kwamen.

694    Derhalve mochten de leden van de Rekenkamer hun dienstvoertuig dus zowel voor verplaatsingen in de uitvoering van hun taken als voor privéverplaatsingen gebruiken, maar gold voor de kosten van deze twee types gebruik een andere regeling.

695    Verder bepaalden artikel 6 van besluit nr. 33‑2004 en artikel 6 van besluit nr. 19‑2009 dat de chauffeurs recht hadden op vergoeding van hun dienstreiskosten wanneer zij de leden van de Rekenkamer vervoerden bij hun verplaatsingen in de uitvoering van hun taken.

696    Hoewel uit de bewoordingen van deze artikelen niet blijkt dat deze tot doel hadden op algemene wijze de voorwaarden te omschrijven waaronder een lid van de Rekenkamer een beroep kon doen op een chauffeur, volgt uit deze artikelen dat voor een chauffeur slechts een dienstreisopdracht kon worden opgesteld – om een lid van die instelling te vervoeren – voor zover de verplaatsing van het betrokken lid een „verplaatsing in de uitvoering van de taken” was in de zin van artikel 4 van besluit nr. 33‑2004 en artikel 4 van besluit nr. 19‑2009.

697    Het onregelmatig opstellen van een dienstreisopdracht voor een chauffeur, namelijk om een lid van de Rekenkamer voor andere soorten verplaatsingen te vervoeren, kon voor de Rekenkamer aanzienlijke kosten met zich brengen, met name omdat dit inhield dat de chauffeur aanspraak kon maken op vergoeding van zijn dienstreiskosten en op betaling van dagvergoedingen.

698    Vast staat dat het volgens de tot 5 oktober 2016 in de Rekenkamer geldende regeling aan het lid van die instelling stond om de dienstreisopdrachten te ondertekenen voor de chauffeurs op wie hij een beroep deed.

699    In casu dateren de door de Rekenkamer als onregelmatig bestempelde dienstreisopdrachten van de chauffeurs van voor die datum en werden zij goedgekeurd door Pinxten.

700    Aangezien Pinxten als hiërarchieke meerdere de taken van de aan zijn kabinet toegewezen chauffeur diende te bepalen en als ordonnateur de dienstreisopdrachten van de chauffeurs diende te ondertekenen, viel het onder de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen om deze dienstreisopdrachten op te stellen met inachtneming van de toepasselijke regels en om met name geen chauffeursopdrachten te gelasten voor een verplaatsing die geen verband hield met de uitvoering van zijn taken.

–       Vervoerskosten buiten dienstreizen van Pinxten

701    In negentig gevallen hadden de door Pinxten ondertekende dienstreisopdrachten voor chauffeurs geen betrekking op trajecten die onder een dienstreisopdracht van hemzelf vielen.

702    In de eerste plaats hadden 81 van deze opdrachten volgens de Rekenkamer tot doel Pinxten ergens naartoe te brengen.

703    Aangezien het bij deze opdrachten niet ging om trajecten die met een dienstreisopdracht van Pinxten overeenkwamen, kunnen de betrokken verplaatsingen overeenkomstig de artikelen 4 en 6 van besluit nr. 33‑2004 en van besluit nr. 19‑2009 enkel regelmatig zijn indien deze konden worden aangemerkt als „andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken”.

704    Pinxten betoogt in dit verband onder meer dat zijn verplaatsingen over het algemeen als zodanig moesten worden aangemerkt, aangezien zijn gezondheidstoestand hem niet toeliet zijn dienstvoertuig te besturen over lange afstanden.

705    Het is juist dat in de opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 en de opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009 werd gepreciseerd dat een verplaatsing kon worden geacht verband te houden met de uitvoering van de taken in geval van overmacht, waarbij onder meer werd verwezen naar „ziekte” en „onmogelijkheid om te rijden”.

706    De medische attesten die Pinxten aan de administratie van de Rekenkamer heeft overgelegd, vormen dienaangaande echter ontoereikend bewijs dat hij in de relevante periode geen lange afstanden kon rijden om medische redenen.

707    In het eerste van deze medische attesten, dat van 5 december 2008, staat namelijk enkel dat Pinxten een aangepaste autostoel moet gebruiken wanneer hij lang in een wagen zit.

708    In het tweede van die medische attesten, dat van 31 oktober 2016, staat dat het Pinxten wegens zijn langzaam toenemend „medisch probleem” voortaan ten zeerste wordt afgeraden om een auto te besturen op trajecten van meer dan een uur of meer dan 100 km. Dit tweede medisch attest verschaft dus geen informatie over zijn gezondheidstoestand op het moment dat de litigieuze opdrachten werden gegeven.

709    Bijgevolg kan Pinxten zich niet op goede gronden op zijn gezondheidstoestand beroepen om de door hem opgestelde dienstreisopdrachten voor chauffeurs te rechtvaardigen.

710    In dit verband kunnen de opdrachten van de chauffeurs van de Rekenkamer die betrekking hadden op trajecten waarvoor Pinxten zelf geen dienstreisopdracht had, in drie groepen worden onderverdeeld.

711    Ten eerste waren er twaalf gevallen waarin de opdracht van de betrokken chauffeur erin bestond in te staan voor het vervoeren van Pinxten om een onbekende of duidelijk van zijn taken te onderscheiden reden.

712    Zo is de betrokken chauffeur voor de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 149, 166, 182, 189, 193 en 198 per trein naar Brussel gereisd om Pinxten per auto terug te brengen naar Luxemburg, zonder dat destijds of in de loop van de onderhavige procedure is gemotiveerd waarom Pinxten in Brussel was.

713    Omgekeerd bestonden de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 78, 212, 342 en 384 erin dat Pinxten vanuit Luxemburg met de auto naar Brussel werd gebracht, zonder dat enige beroepsreden werd opgegeven, waarbij de betrokken chauffeur vervolgens per trein terugkeerde naar Luxemburg.

714    De in de rijen nrs. 254 en 255 vermelde chauffeursopdracht had dan weer tot doel Pinxten naar Overpelt te brengen voor een diner dat, zoals in punt 656 van dit arrest is vastgesteld, niet in verband kan worden gebracht met zijn taken als lid van de Rekenkamer.

715    De chauffeursopdracht in rij nr. 64 had te maken met een verplaatsing van Pinxten naar een bestuursvergadering van de betrokken politieke partij in Brussel, en kan bijgevolg niet als regelmatig worden beschouwd. Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het feit dat uit de door die instelling overgelegde documenten blijkt dat de betrokken chauffeur op het moment van die vergadering in een trein zat en pas nadien in Brussel is aangekomen, aangezien hij naar die stad is gereisd om Pinxten weg te brengen na de vergadering.

716    Uit geen enkel gegeven in het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dus dat de in de punten 712 tot en met 715 van dit arrest bedoelde chauffeursopdrachten betrekking hadden op verplaatsingen die de uitoefening van de functie van Pinxten dienden. Deze opdrachten moeten dan ook als onregelmatig worden beschouwd.

717    Wat daarentegen de chauffeursopdracht in rij nr. 38 betreft, zou uit hetgeen volgens de Rekenkamer daarvoor de reden was – namelijk Pinxten gaan ophalen op zijn vakantiebestemming – weliswaar de onregelmatigheid van deze opdracht blijken, maar moet worden opgemerkt dat Pinxten ontkent deze opdracht te hebben goedgekeurd en dat de Rekenkamer niet heeft aangetoond dat de opdracht daadwerkelijk is uitgevoerd, aangezien het dossier waarover het Hof beschikt, ter zake geen door hem ondertekende dienstreisopdracht bevat.

718    Ten tweede hebben 57 chauffeursopdrachten betrekking op een traject tussen de stad Luxemburg, de zetel van de Rekenkamer, en de gemeente Overpelt, plaats van herkomst van Pinxten.

719    Aldus bestonden de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 107, 126, 144 tot en met 146, 148, 156, 158, 165, 179, 180, 188, 213, 220, 231, 238, 240, 241, 244, 246, 263 tot en met 265, 267, 270, 272, 273, 278, 291, 293, 294, 296, 305, 312, 316, 340, 356, 372, 375, 388, 399 en 400 erin Pinxten van Luxemburg naar Overpelt te brengen, waarbij de betrokken chauffeur de volgende dag met de trein terugkeerde naar Luxemburg.

720    Omgekeerd is de betrokken chauffeur voor de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 112, 136, 140, 206 en 387 met de trein naar Overpelt gereisd om Pinxten vervolgens naar Luxemburg te brengen.

721    Andere trajecten tussen Luxemburg en Overpelt die losstaan van enige dienstreis van Pinxten kunnen worden teruggevonden in de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 77, 109, 127, 226, 233, 285, 324, 349, 378 en 383, die verschillende vormen aannemen, zoals een heen-en-terugrit met het dienstvoertuig of een rit naar Overpelt met een tussenstop in Brussel.

722    Deze diverse chauffeursopdrachten kunnen niet in verband worden gebracht met enige verplaatsing van Pinxten in de uitvoering van zijn taken.

723    Meer bepaald blijkt uit de opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 en de opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009 weliswaar dat onder „andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken” ook trajecten tussen de woonplaats en de werkplek vielen, maar werd in deze opmerkingen duidelijk en bovendien in cursief aangegeven dat deze woonplaats diende te zijn gelegen „op de standplaats”, wat betekent dat trajecten tussen die plaats van tewerkstelling en de plaats van herkomst niet mochten worden beschouwd als „andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken” in de zin van artikel 4 van besluit nr. 33‑2004 en artikel 4 van besluit nr. 19‑2009.

724    Het is juist dat de administratie van de Rekenkamer, zoals Pinxten beklemtoont, moet hebben geweten van de jarenlang door hem gevolgde praktijk om een beroep te doen op een chauffeur om naar zijn plaats van herkomst te reizen, gelet op het feit dat in dit verband talrijke betalingen aan de betrokken chauffeurs zijn gedaan en dat die administratie de treinkaartjes voor deze chauffeurs aankocht.

725    De aldus aan de dag gelegde tolerantie voor deze praktijk kan Pinxten echter niet onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid ter zake, aangezien dit gedogen, zoals uit punt 370 van het onderhavige arrest blijkt, geen gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van deze praktijk kon wekken en Pinxten zich bovendien niet onbewust kon zijn van de onverenigbaarheid van deze praktijk met de interne regels van de Rekenkamer.

726    Aangaande de chauffeursopdrachten voor ritten naar of vanuit Overpelt moet nog worden gepreciseerd dat, gelet op de vage bewoordingen in de betrokken dienstreisopdrachten, niet volledig kan worden uitgesloten dat sommige van deze opdrachten als enig doel hadden om Pinxten zijn dienstvoertuig te brengen zodat hij erover kon beschikken op zijn plaats van herkomst, en dat een dergelijk doel enkel de privébelangen van Pinxten heeft gediend en niet als regelmatig kan worden beschouwd.

727    Ten derde betwist de Rekenkamer gedeeltelijk de regelmatigheid van elf chauffeursopdrachten voor zover deze een traject omvatten tussen Overpelt en de plaats van een dienstreis van Pinxten.

728    Een dergelijke situatie doet zich inderdaad voor bij de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 62, 181, 191 en 336, waarbij de betrokken chauffeur Pinxten na afloop van een van zijn dienstreizen naar Overpelt heeft gebracht, alsook bij de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 173 en 366, waarbij de betrokken chauffeur Pinxten in Overpelt is gaan halen om hem naar de bestemming van een dienstreis van deze laatste te brengen.

729    De in rij nr. 195 vermelde chauffeursopdracht, waarvan de Rekenkamer aanvaardt dat Pinxten in Brussel een tot zijn taken behorende activiteit heeft verricht voordat de aan zijn kabinet toegewezen chauffeur hem naar Overpelt heeft gebracht maar zonder dat daarvoor een dienstreisopdracht was gegeven, moet ook als een van die gevallen worden beschouwd.

730    Zelfs indien de regelmatigheid van de dienstreis van Pinxten niet wordt betwist, moet worden vastgesteld dat een traject tussen Overpelt en de plaats van deze dienstreis niet wordt gedekt door zijn dienstreisopdracht.

731    Bijgevolg kan dit traject niet worden gezien als een „verplaatsing die onder een dienstreisopdracht valt” in de zin van artikel 4 van besluit nr. 33‑2004 en artikel 4 van besluit nr. 19‑2009.

732    Aangezien dit traject, gelet op de overwegingen in de punten 709 en 723 van dit arrest, evenmin een „andere verplaatsing in verband met de uitvoering van de taken” in de zin van die artikelen vormt, moeten de in de punten 728 en 729 van dit arrest genoemde chauffeursopdrachten als onregelmatig worden beschouwd voor zover zij een traject naar of vanuit Overpelt inhielden.

733    Deze redenering moet mutatis mutandis worden toegepast op de chauffeursopdracht in rij nr. 124, waarbij de betrokken chauffeur Pinxten van de luchthaven van Frankfurt am Main (Duitsland) naar Overpelt heeft gebracht na een dienstreis van meerdere dagen in Macau (Volksrepubliek China).

734    Ook al maken de opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 en de opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009 bij „andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken” melding van trajecten tussen de standplaats of de woning en een luchthaven, het gaat daarbij geenszins om trajecten tussen de plaats van herkomst en een luchthaven.

735    Daarentegen kan de onregelmatigheid van de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 176, 317, 373 en 374 niet als bewezen worden beschouwd, aangezien het dossier waarover het Hof beschikt niet de dienstreisopdrachten van Pinxten bevat waarnaar de Rekenkamer verwijst en het dus niet kan worden uitgesloten dat de betwiste trajecten op legitieme wijze werden gedekt door die dienstreisopdrachten.

736    In de tweede plaats hadden negen van de door Rekenkamer als onregelmatig aangemerkte opdrachten van de aan het kabinet van Pinxten toegewezen chauffeur een ander doel dan het vervoer van Pinxten.

737    In dit verband moet stellig worden opgemerkt dat er niet uitdrukkelijk in de uitvoering van dergelijke opdrachten door een chauffeur was voorzien in de interne regeling van de Rekenkamer waarover het Hof beschikt.

738    Toch kunnen artikel 6 van besluit nr. 33‑2004 en artikel 6 van besluit nr. 19‑2009 niet aldus worden uitgelegd dat dit soort opdrachten onregelmatig was, aangezien deze artikelen enkel chauffeursopdrachten regelden die tot doel hadden leden van de Rekenkamer of de secretaris-generaal van die instelling te vervoeren.

739    Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat de door Pinxten ondertekende dienstreisopdrachten voor ritten door de aan zijn kabinet toegewezen chauffeur die een ander doel hadden dan hem te vervoeren, als regelmatig kunnen worden beschouwd, mits deze ritten daadwerkelijk de belangen van de Rekenkamer dienden.

740    Dit zou in beginsel het geval kunnen zijn voor opdrachten waarbij de betrokken chauffeur documenten vervoerde.

741    Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt trouwens dat verschillende opdrachten waarbij de betrokken chauffeur daarmee belast was, aanvankelijk aan Pinxten werden verweten, maar dat de Rekenkamer uiteindelijk ervan heeft afgezien de onregelmatigheid ervan aan de kaak te stellen in het onderhavige beroep.

742    Dit gezegd zijnde moet documentenvervoer door een chauffeur van de Rekenkamer tot doel hebben bij te dragen tot de vervulling van de taken van deze instelling en mag het gaandeweg geen buitensporig beslag op haar middelen leggen doordat grote afstanden worden afgelegd, zodat het dus, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, niet mag plaatsvinden tussen de werkplek en de plaats van herkomst van een van haar leden.

743    Waar die instelling betoogt dat de in de eerste grief aan de orde zijnde opdrachten die werden voorgesteld als strekkende tot documentenvervoer, in werkelijkheid een ander doel hadden, moet worden geconstateerd dat zij op één geval na niet preciseert wat dit doel dan zou zijn geweest, en dat de betrokken chauffeur tijdens zijn hoorzitting bij OLAF op 3 oktober 2017 heeft bevestigd opdrachten te hebben uitgevoerd waarbij documenten werden vervoerd die, na ondertekening, werden teruggebracht naar de zetel van de Rekenkamer.

744    In die omstandigheden moet de onregelmatigheid van de in de rijen nrs. 172, 222 en 249 vermelde chauffeursopdrachten als bewezen worden beschouwd, aangezien vaststaat dat deze tot doel hadden documenten te brengen naar de plaats van herkomst van Pinxten.

745    Wat de chauffeursopdracht in rij nr. 141 betreft, is weliswaar niet bewezen dat de bewering van de Rekenkamer dat deze verband hield met een ongeval, juist is, maar moet de opdracht niettemin als onregelmatig worden beschouwd, nu uit de betrokken dienstreisopdracht blijkt dat de chauffeur documenten naar Overpelt moest brengen.

746    Met betrekking tot de chauffeursopdracht in rij nr. 250 stelt de Rekenkamer dat deze opdracht, onder het mom van documentenvervoer, in werkelijkheid tot doel had flessen champagne te vervoeren voor het huwelijk van een kind van Pinxten, maar Pinxten ontkent deze bewering formeel.

747    Het Hof hoeft dienaangaande niet na te gaan of de tot staving van deze bewering overgelegde bewijzen toereikend zijn om de gegrondheid ervan vast te stellen. De in rij nr. 250 genoemde chauffeursopdracht moet immers hoe dan ook als onregelmatig worden aangemerkt, zelfs indien het doel ervan daadwerkelijk het vervoeren van documenten was, aangezien uit de dienstreisopdracht van de betrokken chauffeur blijkt dat hij naar Overpelt moest rijden, de plaats van herkomst van Pinxten.

748    Naast de opdrachten met betrekking tot documentenvervoer bestond de chauffeursopdracht in rij nr. 247 er volgens Pinxten in, zijn dienstvoertuig naar een garage te brengen voor onderhoud.

749    In dit verband kan het argument van de Rekenkamer dat deze rechtvaardiging niet kan worden aanvaard omdat het onderhoud van het voertuig werd verzekerd door een garage in een andere stad, bij gebreke van enig bewijs voor dit argument, niet worden aanvaard.

750    De in rij nr. 129 bedoelde chauffeursopdracht daarentegen, waarvan vaststaat dat deze tot doel had de echtgenote van Pinxten in Overpelt te gaan halen zodat zij kon deelnemen aan een door de Rekenkamer in Luxemburg georganiseerd officieel diner, kan niet worden geacht in het belang van die instelling te zijn uitgevoerd.

751    Evenzo moet de onregelmatigheid van de chauffeursopdracht in rij nr. 197 als bewezen worden beschouwd, aangezien uit de verklaringen van de chauffeur van het kabinet van Pinxten tijdens zijn hoorzitting bij OLAF op 16 oktober 2017 en uit een attest van afhaling blijkt dat de betrokken chauffeur met deze opdracht een nieuwe auto is gaan afhalen die Pinxten had besteld voor privégebruik.

752    Daarnaast wordt de onregelmatigheid van de in rij nr. 142 bedoelde chauffeursopdracht weliswaar niet betwist, maar deze onregelmatigheid kan Pinxten niet worden aangerekend in de onderhavige procedure.

753    Dienaangaande zij erop gewezen dat de chauffeur van het kabinet van Pinxten zich voor deze opdracht naar Zwitserland heeft begeven, waar Pinxten op vakantie was.

754    Hoewel partijen het oneens zijn over het precieze doel van deze opdracht, komt de verklaring van Pinxten dat deze tot doel had het dienstvoertuig op te halen na een ongeval – waarmee de verantwoordelijke van de chauffeurs van de Rekenkamer zijn akkoord had betuigd – in wezen overeen met de verklaringen die de betrokken chauffeur op 16 oktober 2017 heeft afgelegd tijdens zijn hoorzitting bij OLAF.

755    Bovendien staat vast dat Pinxten, na te zijn ingelicht over een mogelijke onregelmatigheid van de opdracht van de betrokken chauffeur, de administratie van de Rekenkamer in 2011 heeft verzocht om de bedragen te kunnen terugbetalen die voor deze opdracht ten onrechte ten laste van die instelling zouden zijn gebracht, en dat deze bedragen van zijn salaris zijn afgetrokken.

–       Vervoerskosten voor de dienstreizen van Pinxten

756    De andere door Pinxten ondertekende dienstreisopdrachten voor chauffeurs die de Rekenkamer in de onderhavige procedure onregelmatig acht, betroffen trajecten die onder een dienstreisopdracht van Pinxten vielen.

757    Een chauffeursopdracht voor het vervoer van Pinxten op een traject dat onder een dienstreisopdracht van hem viel, moet overeenkomstig de artikelen 4 en 6 van besluit nr. 33‑2004 en dezelfde artikelen van besluit nr. 19‑2009 in beginsel als regelmatig worden beschouwd.

758    De situatie is evenwel anders wanneer in het in de punten 387 tot en met 392 van dit arrest omschreven kader wordt vastgesteld dat de dienstreis van Pinxten waarop de opdracht van de chauffeur betrekking had, naargelang het geval onregelmatig of kennelijk onregelmatig was.

759    Derhalve moet worden aangenomen dat de door Pinxten ondertekende dienstreisopdrachten voor chauffeurs om te worden vervoerd tijdens een van zijn dienstreizen die, naargelang het geval, bij het in de punten 396 tot en met 601 van dit arrest verrichte onderzoek onregelmatig of kennelijk onregelmatig zijn verklaard, ook als onregelmatig dienen te worden beschouwd, en dus misbruik van middelen hebben opgeleverd.

760    Voor het overige lijkt in de eerste plaats de onregelmatigheid van de in de eerste grief bedoelde chauffeursopdrachten in drie gevallen niet vast te staan, aangezien de dienstreizen van Pinxten waarop zij betrekking hadden, niet als onregelmatig kunnen worden beschouwd op basis van de gegevens waarover het Hof beschikt.

761    Dit is het geval voor de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 3, 31 en 281, aangezien de dienovereenkomstige dienstreizen van Pinxten tot doel hadden politieke verantwoordelijken te ontmoeten die lid waren van de Belgische regering of van een ministerieel kabinet – waarbij het feit dat de opdracht voor de in rij nr. 281 bedoelde dienstreis weinig transparant was, niet volstaat om deze onregelmatig te verklaren.

762    In de tweede plaats moeten daarentegen 31 opdrachten van de chauffeur van het kabinet van Pinxten onregelmatig worden geacht voor zover zij betrekking hadden op dienstreizen van Pinxten die in het onderhavige arrest nog niet zijn onderzocht maar die op grond van de in de punten 396 tot en met 601 van dit arrest genoemde criteria geen verband lijken te houden met de uitvoering van zijn taken.

763    Zo had de chauffeursopdracht in rij nr. 344 – het vervoer van Pinxten na zijn reis in Cuba vanaf de luchthaven van Frankfurt am Main – betrekking op een onregelmatige dienstreis van hem.

764    Hetzelfde geldt voor de chauffeursopdracht in rij nr. 133, aangezien de desbetreffende dienstreis van Pinxten officieel bedoeld was om de voorzitter van de betrokken politieke partij te ontmoeten maar Pinxten in feite, gelet op de vermeldingen in zijn agenda, de nieuwjaarsreceptie van deze politieke partij heeft bijgewoond.

765    Ook de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 115, 163, 164, 177 en 178 moeten onregelmatig worden geacht voor zover zij bedoeld waren om Pinxten naar ontmoetingen met privébedrijfsleiders te brengen, net zoals de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 18 en 114, die samenhingen met dienstreizen van Pinxten die tot doel hadden de in punt 493 van dit arrest vermelde Belgische zakenman te ontmoeten die door Pinxten wordt omschreven als een „oude vriend”.

766    Op grond van de criteria voor de betrekkingen met verantwoordelijken van representatieve organen en verenigingen moet de regelmatigheid worden uitgesloten van de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 32 en 121, die overeenkwamen met dienstreizen van Pinxten die respectievelijk tot doel hadden de nieuwjaarsreceptie van de Kamer van Koophandel Limburg bij te wonen en deel te nemen aan een evenement van een stichting die beweerdelijk actief is op het gebied van medisch onderzoek.

767    Pinxten heeft ook een beroep gedaan op een chauffeur voor dienstreizen die in werkelijkheid familie- of vrijetijdsactiviteiten betroffen.

768    Dit is het geval voor de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 36 en 268, om de redenen die in de punten 657 en 659 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, voor de chauffeursopdracht in rij nr. 225, die in werkelijkheid tot doel had Pinxten in staat te stellen een opera bij te wonen, en voor de chauffeursopdracht in rij nr. 53, die betrekking had op een dienstreis van Pinxten die eenvoudigweg werd voorgesteld als een bezoek aan een Belgische universiteit maar die volgens zijn agenda bedoeld was om de diploma-uitreiking van een van zijn kinderen bij te wonen.

769    Voorts brengt de deelname aan een koninklijke jacht die mogelijk werd gemaakt door de in de rijen nrs. 67 en 223 genoemde dienstreizen, gelet op de overwegingen in punt 554 van dit arrest, de onregelmatigheid met zich mee van de dienstreisopdrachten van de betrokken chauffeur om Pinxten in dit kader te vervoeren.

770    Andere opdrachten van de chauffeur van het kabinet van Pinxten hadden betrekking op dienstreizen van laatstgenoemde die rechtstreeks zijn vermogensrechtelijke belangen lijken te hebben gediend.

771    Om te beginnen is er chauffeursopdracht nr. 404, die tot doel had Pinxten naar een afspraak te brengen met een notaris in Dijon (Frankrijk), die, zoals uit de door de Rekenkamer overgelegde e-mails blijkt, belast was met de aankoop van het bij het onderzoek van het tweede onderdeel van de vierde grief vermelde onroerend goed en met de opstelling van de juridische instrumenten voor het beheer van dit goed.

772    Voorts zijn er een aantal opdrachten van de chauffeur van het kabinet van Pinxten die in verband kunnen worden gebracht met het vastgoedproject „Kaïros”, waarin Pinxten blijkbaar voornemens was te investeren, gelet op een reeks e-mails in het dossier waarover het Hof beschikt.

773    Aldus waren er, naast de chauffeursopdracht in rij nr. 113, die overeenkwam met een dienstreis waarvoor als doel officieel „Kaïros” werd vermeld, de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 51 en 205, die bedoeld waren om Pinxten naar ontmoetingen te brengen met personen die in brieven van 10 april 2012 respectievelijk 9 februari 2012 werden aangeduid als de voormalige verantwoordelijke van dit vastgoedproject en als een architect die Pinxten had bijgestaan bij de oplevering van werken betreffende dit project.

774    Bovendien moeten ook de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 25, 26, 50, 139, 266 en 397 als onregelmatig worden beschouwd, aangezien zij overeenkwamen met dienstreizen van Pinxten waarvan het doel onvoldoende duidelijk was, aangezien hij naargelang van het geval verwees naar een „formeel diner”, naar personen van wie de juiste hoedanigheid onbekend bleef, of naar een „consultant”.

775    Een dergelijk gebrek aan nauwkeurigheid moet evenzo worden vastgesteld met betrekking tot de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 46, 52, 159 en 162, voor zover deze ertoe strekten Pinxten te vervoeren bij bezoeken aan een instelling voor secundair onderwijs en aan een hogeronderwijsinstelling die artistieke opleidingen aanbiedt, zonder dat de redenen voor deze bezoeken staan aangegeven in het dossier waarover het Hof beschikt.

776    In de derde plaats moeten de in de rijen nrs. 106, 151, 153, 167, 214 en 330 genoemde chauffeursopdrachten worden onderzocht, die ertoe strekten Pinxten te vervoeren in het kader van dienstreizen voor zijn medische afspraken.

777    De betrokken dienstreizen van Pinxten kunnen niet worden geacht verband te houden met de uitvoering van zijn taken als lid van de Rekenkamer, aangezien niet is aangevoerd, laat staan bewezen, dat die afspraken betrekking hadden op medische bezoeken die verplicht waren in die hoedanigheid.

778    Opgemerkt zij evenwel dat Pinxten voor deze dienstreizen geen vergoeding van dienstreiskosten of dagvergoedingen heeft gevraagd. De enige kosten die voor de Rekenkamer aan deze dienstreizen verbonden waren, betroffen dus die van het gebruik van het dienstvoertuig en het inzetten van een chauffeur.

779    Enerzijds zijn de opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 en bij besluit nr. 19‑2009 opvallend dubbelzinnig wat de mogelijkheid betreft om een traject naar een medische afspraak als een „andere verplaatsing in verband met de uitvoering van de taken” in de zin van artikel 4 van deze besluiten te beschouwen.

780    Bij de „gevallen van overmacht” die als een dergelijke verplaatsing konden worden beschouwd, is er immers ook sprake van „medische controles”.

781    Volgens vaste rechtspraak van het Hof die op diverse gebieden van het Unierecht is ontwikkeld, moet onder het begrip overmacht worden verstaan abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die zich hebben voorgedaan buiten toedoen van degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden (arrest van 25 januari 2017, Vilkas, C‑640/15, EU:C:2017:39, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

782    Daar het gebruik van het concept „overmacht” dus normaliter gepaard moet gaan met onvoorzienbaarheid, is de tekst van zowel de opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 als die bij besluit nr. 19‑2009 op dit punt inconsistent, aangezien het begrip „medische controles” elke spoedeisendheid of onvoorzienbaarheid uitsluit.

783    Anderzijds vereist het beroep op een chauffeur voor een „andere verplaatsing in verband met de uitoefening van de functie” weliswaar niet per definitie dat het betrokken lid van de Rekenkamer op dienstreis is, maar vastgesteld moet worden dat Pinxten die instelling op transparante wijze toestemming heeft gevraagd om in het kader van een dienstreis naar een medische afspraak te mogen gaan en hij die instelling aldus in staat heeft gesteld een voorafgaande controle te verrichten en zich, indien zij dat passend achtte, te verzetten tegen het door hem beoogde gebruik van de middelen van de Rekenkamer.

784    Gelet op deze twee elementen is de onregelmatigheid van de in punt 776 van dit arrest genoemde dienstreizen van Pinxten en opdrachten van de chauffeur van zijn kabinet niet in dier voege kennelijk van aard dat zij aan Pinxten kan worden verweten in de onderhavige procedure.

785    Deze redenering kan evenwel niet worden doorgetrokken wat de chauffeursopdracht in rij nr. 363 betreft, die beweerdelijk ook samenhing met een dienstreis van Pinxten voor een medische afspraak. De bestemming die in de dienstreisopdracht van de betrokken chauffeur werd vermeld, stemt namelijk niet overeen met die welke in de dienstreisopdracht van Pinxten vermeld staat.

786    In de vierde plaats zijn er tien opdrachten van de chauffeur van het kabinet van Pinxten die samenhingen met door hem gemaakte dienstreizen waarvoor geen dienstreiskosten zijn vergoed of dagvergoedingen zijn betaald en waarvan het principe zelf niet met succes ter discussie wordt gesteld, maar waarvan de regelmatigheid wordt betwist voor zover deze een of meer trajecten van of naar Overpelt – de plaats van herkomst van Pinxten – inhielden.

787    Van een dergelijke situatie is sprake bij de chauffeursopdrachten in de rijen nrs. 200, 214, 274, 280, 281, 313, 333, 355, 369 en 401.

788    Deze gevallen verschillen van die welke in de punten 727 tot en met 735 van dit arrest zijn onderzocht, aangezien het traject via Overpelt duidelijk werd aangekondigd in de overeenkomstige dienstreisopdrachten van Pinxten en dus vooraf door de Rekenkamer werd goedgekeurd.

789    Bij gebreke van enige met de taken van Pinxten verband houdende activiteit in Overpelt kon een dienstreisopdracht echter niet geldig voorzien in een of meer trajecten van of naar deze gemeente.

790    De omstandigheid dat op dezelfde dag een goedgekeurde dienstreis van Pinxten werd verricht, kan met name niet rechtvaardigen dat een dergelijk traject om persoonlijke redenen aan zijn dienstreisopdracht werd toegevoegd, wat extra kosten voor de Rekenkamer met zich bracht.

791    Hoewel de betrokken dienstreizen van Pinxten werden goedgekeurd zonder dat sprake was van enige vorm van fraude of nalatigheid, moet de onregelmatigheid ervan niettemin als kennelijk van aard worden aangemerkt, gelet op de duidelijke algemene regeling voor verplaatsingen naar de plaats van herkomst, die niet geldig onder een dienstreisopdracht kunnen vallen.

–       Gebruik van het dienstvoertuig zonder een beroep te doen op een chauffeur

792    Met haar eerste grief verwijt de Rekenkamer Pinxten tevens dat hij op onregelmatige wijze dienstreizen heeft aangegeven waarbij geen beroep werd gedaan op een chauffeur, met als enig doel privéverplaatsingen – wat de kosten van het gebruik van het dienstvoertuig betreft – onder de regeling voor verplaatsingen in de uitvoering van zijn taken te doen vallen.

793    Het is juist dat de kosten van privéverplaatsingen met het dienstvoertuig volgens artikel 5 van besluit nr. 33‑2004 en artikel 5 van besluit nr. 19‑2009 voor rekening van Pinxten kwamen, inzonderheid via extra huurkosten bij overschrijding van het in de huurovereenkomst vastgestelde maximum van 45 000 km/jaar. Hij kon er dus financieel belang bij hebben meer afstanden te laten doorgaan als afstanden die in het kader van de uitvoering van zijn taken werden afgelegd.

794    Bovendien blijkt uit de door de Rekenkamer overgelegde dienstreisopdrachten van Pinxten dat in vele gevallen het dienstvoertuig werd gebruikt voor de verplaatsingen tijdens deze dienstreizen.

795    Het dossier waarover het Hof beschikt, bevat echter geen enkele raming van de omvang van de te hoge aangifte van de beroepsmatige verplaatsingen aan de hand waarvan de opzettelijkheid of de ernst van deze praktijk zou kunnen worden beoordeeld.

796    Daarenboven werden er voor de ter onderbouwing van de eerste grief aangehaalde dienstreizen van Pinxten noch dienstreiskosten vergoed of dagvergoedingen betaald noch chauffeurs ingezet, zodat deze dienstreizen volkomen bijkomstig lijken.

797    Ook al is het zonder enige twijfel onregelmatig om te hoge beroepsmatige verplaatsingen aan te geven, het lijkt voor de onderhavige procedure dan ook niet nuttig om na te gaan of de Rekenkamer Pinxten terecht een dergelijke praktijk ten laste kon leggen.

798    Om dezelfde redenen hoeft niet te worden ingegaan op het verwijt van de Rekenkamer met betrekking tot de dienstreizen in de rijen nrs. 147, 187 en 330, namelijk dat het feit dat Pinxten zijn dienstvoertuig zelf bij zich hield zou hebben geleid tot een treinrit van de chauffeur die had moeten worden vermeden.

799    In het licht van al het voorgaande moet worden geconstateerd dat de eerste grief gedeeltelijk gegrond is.

3.      Tweede grief: misbruik en onrechtmatig gebruik van fiscale voorrechten

800    Met haar tweede grief betoogt de Rekenkamer dat Pinxten, door misbruik en onrechtmatig gebruik te maken van de hem ter beschikking gestelde tankkaarten, zijn verplichtingen inzake integriteit, voorbeeldig gedrag en belangeloosheid niet is nagekomen.

801    Vooraf moet worden opgemerkt dat blijkens het dossier waarover het Hof beschikt, tankkaarten ter beschikking worden gesteld van de leden van de Rekenkamer en van bepaalde leden van hun familie zodat zij tegen een door die instelling onderhandelde prijs brandstof kunnen aankopen zonder dat zij accijns of belasting over de toegevoegde waarde (btw) hoeven te betalen.

802    Hoewel een onregelmatig gebruik van een dergelijke tankkaart geen bijzondere uitgaven met zich brengt voor de Rekenkamer, neemt dat niet weg dat het dus een misbruik van de aan die instelling verleende fiscale vrijstellingen vormt, wat nadelig is voor de middelen van de lidstaten en van de Unie.

803    Om uitspraak te kunnen doen over de tweede grief moet dan ook worden nagegaan of uit het betoog van de Rekenkamer en uit de door haar overgelegde bewijsstukken kan worden afgeleid dat Pinxten op onregelmatige wijze gebruik heeft gemaakt van de hem ter beschikking gestelde tankkaarten, zoals de Rekenkamer met het eerste en het tweede onderdeel van deze grief aanvoert.

a)      Eerste onderdeel van detweede grief: het houden en gebruiken van een tankkaartdoor een kind vanPinxtendat geen deel meer uitmaakte van zijn gezin

1)      Argumenten van partijen

804    Met het eerste onderdeel van haar tweede grief voert de Rekenkamer aan dat Pinxten een van zijn kinderen een tankkaart heeft laten houden en gebruiken na 1 september 2012, de datum vanaf wanneer hij niet langer werd beschouwd als een van de kinderen ten laste van Pinxten.

805    Aldus heeft Pinxten de relevante regels geschonden die met name zijn neergelegd in richtlijn 2008/118, de Luxemburgse verordening van 7 februari 2013 en de ministeriële verordening van 18 maart 2010, door iemand die geen lid van zijn gezin was, te laten profiteren van fiscale vrijstellingen. De enkele omstandigheid dat dit kind bij hem in Luxemburg is blijven wonen, wat overigens niet is aangetoond, betekent niet dat het nog steeds in aanmerking kwam voor de betrokken fiscale vrijstellingen.

806    Volgens Pinxten maakte het betrokken kind tot 2018 deel uit van zijn gezin, aangezien deze hoedanigheid niet samenvalt met die van kind ten laste en dit kind tot en met februari 2018 bij hem heeft gewoond. Dat het kind in die periode in loondienst is geweest, is volgens Pinxten in casu irrelevant.

2)      Beoordeling door het Hof

807    Om te beginnen wordt niet betwist dat het betrokken kind na 1 september 2012 een door de Rekenkamer ter beschikking gestelde tankkaart heeft bewaard, hoewel uit het dossier waarover het Hof beschikt niet duidelijk blijkt wanneer deze situatie is beëindigd.

808    Vervolgens blijkt uit een door de Rekenkamer meegedeelde nota dat dit kind vanaf die datum niet meer als een kind ten laste van Pinxten in de zin van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut werd beschouwd wat de betaling van de kindertoelage betreft, aangezien het zijn studie had voltooid en was begonnen met een winstgevende activiteit.

809    Ten slotte moet de stelling van Pinxten dat het kind in zijn woning is blijven wonen, worden geacht te zijn bewezen, gelet op, ten eerste, een verklaring van wettig verblijf in Luxemburg van 27 november 2011 en, ten tweede, een door de Belgische overheid afgegeven certificaat van hoofdverblijf waaruit blijkt dat het met ingang van 9 februari 2018 is ingeschreven in de Brusselse bevolkingsregisters.

810    In dit verband is het van belang erop te wijzen dat de Rekenkamer geen enkele interne regel van die instelling aanhaalt die de voorwaarden vastlegt waaronder een gezinslid van een van haar leden kan beschikken over een tankkaart.

811    Het houden en gebruiken van een tankkaart door het betrokken kind na 1 september 2012 moet evenwel niettemin als onregelmatig worden beschouwd indien uit de fiscale vrijstellingsregels die van toepassing waren toen die kaart werd gebruikt, blijkt dat een kind van een lid van de Rekenkamer dat niet langer werd beschouwd als kind ten laste van dat lid in de zin van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut maar dat desondanks bij dat lid is blijven wonen, niet van deze fiscale vrijstellingen kon profiteren.

812    Wat de vrijstelling van de betaling van accijns betreft, bepaalt artikel 12, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2008/118 dat accijnsgoederen zijn vrijgesteld van de betaling van accijns wanneer zij bestemd zijn om te worden gebruikt in het kader van diplomatieke of consulaire betrekkingen of door internationale instellingen die als dusdanig door de overheid van de gastlidstaat zijn erkend, alsmede door de leden van deze instellingen, zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de internationale verdragen tot oprichting van deze instellingen of bij de vestigingsovereenkomsten.

813    Volgens artikel 12, lid 2, van deze richtlijn zijn de in dit artikel bedoelde vrijstellingen van de betaling van accijns afhankelijk van de voorwaarden en beperkingen die worden vastgesteld door de gastlidstaat.

814    Deze bepaling is ten uitvoer gebracht bij artikel 1 van de ministeriële verordening van 18 maart 2010, dat bepaalt dat de Belgische wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen in de Mémorial wordt bekendgemaakt met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in het Groothertogdom Luxemburg.

815    De Rekenkamer preciseert niet welke bepaling van deze wet volgens haar in casu van toepassing is, maar opgemerkt zij dat artikel 13 ervan refereert aan een vrijstelling van accijns voor diplomaten, consulaire ambtenaren, strijdkrachten en instellingen bedoeld in artikel 20, punten 7 tot en met 12, van de Belgische algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen.

816    Uit artikel 20, punt 7, van deze algemene wet, zoals van toepassing in Luxemburg, blijkt dat onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling van accijnzen wordt verleend voor redelijke hoeveelheden van goederen welke bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van diplomatieke ambtenaren en consulaire ambtenaren die in functie zijn in Luxemburg, voor zover de belanghebbenden geen onderdanen zijn van of permanent verblijf houden in het Groothertogdom Luxemburg en er geen beroeps- of handelsactiviteiten uitoefenen tot hun persoonlijk voordeel.

817    Wat de btw betreft, volgt uit artikel 1 juncto artikel 4 van de Luxemburgse verordening van 7 februari 2013 dat diplomatieke ambtenaren en consulaire ambtenaren aanspraak kunnen maken op een btw-vrijstelling voor het rechtstreekse, daadwerkelijke en exclusieve gebruik in Luxemburg van bepaalde producten, voor hun eigen en privébehoeften en die van hun inwonende gezinsleden, voor zover deze laatste geen onderdanen zijn van of permanent verblijf houden in het Groothertogdom Luxemburg en er geen winstgevende activiteiten uitoefenen.

818    De relevante bepalingen van Luxemburgs recht waarin de toepassingsvoorwaarden voor de betrokken accijns‑ en btw-vrijstellingen zijn vastgelegd, hebben betrekking op de „inwonende” gezinsleden van de voornaamste begunstigde van de betrokken fiscale vrijstellingen, maar uit deze bepalingen blijkt niet of dit begrip overeenstemt met het begrip „huishouden” in de zin van het Statuut.

819    Nu de Rekenkamer geen precieze gegevens overlegt over de draagwijdte van het begrip „inwonende” in het Luxemburgse recht, is niet bewezen dat het betrokken kind, van wie niet wordt gesteld en voor wie a fortiori niet vaststaat dat het in Luxemburg een winstgevende activiteit heeft uitgeoefend, niet meer in aanmerking kwam voor de fiscale voorrechten voor de gezinsleden van een lid van de Rekenkamer.

820    De Rekenkamer heeft dus niet aangetoond dat dit kind na 1 september 2012 op onregelmatige wijze een tankkaart heeft gehouden en gebruikt.

821    Bijgevolg moet het eerste onderdeel van de tweede grief ongegrond worden verklaard.

b)      Tweede onderdeel van de tweede grief: gebruik van een tankkaartom brandstof te kopen voor voertuigen van derden

1)      Argumenten van partijen

822    Met het tweede onderdeel van haar tweede grief stelt de Rekenkamer dat de overzichten van het gebruik van de aan Pinxten ter beschikking gestelde tankkaarten anomalieën bevatten waaruit blijkt dat hij derden heeft toegestaan deze kaarten te gebruiken.

823    Pinxten betoogt dat enkel de leden van zijn gezin hebben geprofiteerd van de door de Rekenkamer verstrekte tankkaarten. De door de Rekenkamer aan het licht gebrachte anomalieën zijn te verklaren door verplaatsingen van het gezin met verschillende auto’s en door het gebruik van vervangwagens. Ten tijde van de feiten had gemakkelijk precieze uitleg kunnen worden gegeven, maar omdat deze lang geleden hebben plaatsgevonden, is het onmogelijk om verdere opheldering erover te verschaffen.

2)      Beoordeling door het Hof

824    In casu wordt niet betwist dat de auto’s waarover Pinxten en zijn gezinsleden beschikten, waren uitgerust met dieselmotoren, en dat de hun ter beschikking gestelde tankkaarten niettemin werden gebruikt om niet alleen diesel maar ook benzine te kopen.

825    Zoals de advocaat-generaal in punt 169 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt met name uit de overzichten van het gebruik van deze tankkaarten in 2016 en 2017 dat ze minstens twaalf keer zijn gebruikt om benzine te kopen.

826    Aangezien de fiscale vrijstellingen die verbonden zijn aan het gebruik van een aan een lid van de Rekenkamer ter beschikking gestelde tankkaart, enkel ten goede mogen komen aan dat lid of bepaalde van zijn gezinsleden, mag een dergelijke kaart uitsluitend worden gebruikt om brandstof te kopen voor de voertuigen van deze personen.

827    De aankoop van benzine werd door Pinxten tijdens zijn hoorzitting bij OLAF en daarna in de onderhavige procedure verklaard door het feit dat er occasioneel vervangwagens werden gebruikt.

828    Aangezien Pinxten tijdens zijn hoorzitting bij OLAF op 22 december 2017 en vervolgens in het – hem op 5 oktober 2018 meegedeelde – voorbereidend verslag van de Rekenkamer erover is ingelicht dat er argwaan bestond rond de betrokken anomalieën, kan evenwel redelijkerwijs van hem worden verwacht dat hij gegevens verstrekt tot staving van zijn argument dat de anomalieën kunnen worden verklaard door het herhaalde gebruik van vervangwagens in 2016 en 2017.

829    Vastgesteld moet echter worden dat Pinxten geen enkel gegeven ter onderbouwing van dit argument heeft overgelegd.

830    Bijgevolg dient het tweede onderdeel van de tweede grief te worden aanvaard en moet deze grief dus gedeeltelijk worden toegewezen.

4.      Derde grief: valse verklaringenten aanzien van de verzekeraar in het kader van vermeende ongevallen waarbij het dienstvoertuig en de aan het kabinet van Pinxten toegewezen chauffeur betrokken waren

a)      Argumenten van partijen

831    Met haar derde grief verwijt de Rekenkamer Pinxten zijn verplichtingen inzake integriteit, voorbeeldig gedrag en belangeloosheid niet te zijn nagekomen door van een verzekeringsmaatschappij schadevergoeding te hebben ontvangen op basis van valse verklaringen die op verzoek van Pinxten werden ondertekend door de chauffeur van zijn kabinet.

832    Ten eerste heeft hij een vergoeding ontvangen voor een incident dat beweerdelijk heeft plaatsgevonden in januari 2010 en waarbij de chauffeur van het kabinet van Pinxten over een koffer van Pinxten is gereden waarin een fles wijn en verschillende kledingstukken zaten. Uit de verklaringen van deze chauffeur blijkt evenwel dat dit incident nooit heeft plaatsgevonden.

833    Ten tweede heeft Pinxten schadevergoeding ontvangen naar aanleiding van een aangifte van een ongeval dat op 17 januari 2011 heeft plaatsgevonden. In deze aangifte werd echter melding gemaakt van een ongeval in Brussel tussen zijn privévoertuig, bestuurd door een van zijn kinderen, en zijn dienstvoertuig, bestuurd door de chauffeur van zijn kabinet, terwijl de betrokken schade was veroorzaakt door een aanrijding in Frankrijk en laatstgenoemd voertuig werd bestuurd door Pinxten.

834    Pinxten heeft geen enkel element aangedragen waaruit blijkt dat de aan de verzekeringsmaatschappij gedeclareerde feiten juist waren. De aan deze maatschappij afgelegde verklaringen werden weliswaar ondertekend door de chauffeur van het kabinet van Pinxten, maar Pinxten had deze chauffeur moeten beletten dit te doen, aangezien hij de werkelijke situatie kende. Doordat hij zulks niet heeft gedaan, heeft hij zijn ondergeschikte gedwongen een strafbaar feit te plegen waarvan hij de opdrachtgever of de medeplichtige was.

835    Bovendien zijn de getuigenissen van de chauffeur van het kabinet van Pinxten volgens de Rekenkamer overtuigend, daar zij eensluidend zijn en gelet op het feit dat zij afkomstig zijn van iemand die zich daardoor blootstelt aan strafrechtelijke en tuchtrechtelijke vervolgingen.

836    Pinxten betoogt dat de bij de verzekeringsmaatschappij ingediende aangiften wel degelijk weergeven wat er echt is gebeurd.

837    Hij stelt dat uit de verklaringen van de verantwoordelijke van de chauffeurs van de Rekenkamer aan OLAF blijkt dat deze dienst voor de afhandeling van ongevallen ten aanzien van de verzekeringsmaatschappij zorgde. Bovendien wordt in geen enkele van de afgenomen verklaringen gewag gemaakt van een interventie van Pinxten in deze dossiers.

838    Daarenboven zijn de verklaringen van de aan het kabinet van Pinxten toegewezen chauffeur volgens hem onbetrouwbaar, gelet op de tegenstrijdigheden die zij bevatten en de omstandigheden waarin zij zijn afgelegd. Zo is de chauffeur onder druk gezet door het hoofd van de juridische dienst van de Rekenkamer, die hem tot driemaal toe heeft ondervraagd en er bij hem – tevergeefs – op heeft aangedrongen een aanklacht te ondertekenen die hem de status van klokkenluider zou verlenen.

b)      Beoordeling door het Hof

839    Wat ten eerste het ongeval betreft dat zou hebben plaatsgevonden op 17 januari 2011, staat in het aan de verzekeringsmaatschappij toegezonden schadeformulier dat de twee voertuigen die met elkaar in aanrijding zijn gekomen, werden bestuurd door respectievelijk het betrokken kind van Pinxten en de chauffeur van zijn kabinet, die dit formulier hebben ondertekend.

840    In dit verband moet zeker worden opgemerkt dat bepaalde indirecte bewijzen de stelling van de Rekenkamer lijken te ondersteunen dat de in dit formulier vermelde feiten onjuist zijn.

841    Om te beginnen heeft de chauffeur van het kabinet van Pinxten, na tijdens zijn hoorzitting in het kader van het interne onderzoek van de Rekenkamer te hebben beweerd dat hij inderdaad het dienstvoertuig van Pinxten bestuurde bij het ongeval in kwestie, tijdens zijn drie hoorzittingen bij OLAF consequent volgehouden dat hij niet aanwezig was bij de botsing tussen de twee betrokken voertuigen.

842    Vervolgens zijn er aanwijzingen dat de verzekeringsmaatschappij onsamenhangende informatie heeft ontvangen over de identiteit van de bestuurder van het betrokken dienstvoertuig.

843    Zo blijkt uit een interne e-mail van die maatschappij van 28 januari 2011 dat aan een van haar werknemers vóór de ontvangst van het schadeformulier mondeling is meegedeeld dat de betrokken voertuigen werden bestuurd door Pinxten en zijn zoon.

844    Bovendien bevestigen de antwoorden van een werknemer van deze maatschappij op de vragen die de Rekenkamer hem in 2017 en 2018 heeft gesteld, dat aanvankelijk aan de maatschappij werd meegedeeld dat Pinxten een van de twee betrokken voertuigen bestuurde.

845    Deze antwoorden zijn evenwel in tegenspraak met de verklaringen die de chauffeur heeft afgelegd bij OLAF voor zover hij daar heeft bevestigd dat twee verschillende schadeformulieren aan de verzekeringsmaatschappij zijn toegezonden, terwijl voornoemde antwoorden aangeven dat de verzekeringsmaatschappij slechts één schadeformulier heeft ontvangen.

846    Ten slotte staat vast dat Pinxten de verzekeringsmaatschappij op 11 januari 2012 een brief heeft doen toekomen waarin hij preciseert dat er op 17 januari 2011 „een aanrijding is gebeurd met [zijn] dienstvoertuig” en hij kritiek uit op de praktijk van deze maatschappij om niet te betalen voor reparaties aan een voertuig wanneer het schadeformulier is ondertekend door „twee personen van hetzelfde gezin”.

847    Gesteld dat deze gegevens volstaan als bewijs dat het door de Rekenkamer aan de verzekeringsmaatschappij toegezonden schadeformulier onjuiste informatie bevatte, kan op basis van het dossier waarover het Hof beschikt echter niet worden vastgesteld dat die valse verklaringen kunnen worden toegerekend aan Pinxten.

848    De enige elementen die de Rekenkamer heeft overgelegd ten bewijze van deze toerekenbaarheid zijn een verklaring in die zin van de betrokken chauffeur tijdens zijn hoorzitting bij OLAF op 7 december 2017 en de herhaling van dat standpunt in haar opmerkingen van 20 april 2018 over de haar door OLAF overgelegde samenvatting van de feiten.

849    Onderstreept moet echter worden dat het standpunt dat de chauffeur van het kabinet van Pinxten heeft ingenomen in de loop van het interne onderzoek van de Rekenkamer en vervolgens tijdens het onderzoek van OLAF aanzienlijk is gewijzigd.

850    Na tijdens het interne onderzoek van de Rekenkamer te hebben gesteld dat hij daadwerkelijk het dienstvoertuig bestuurde bij het ongeval van 17 januari 2011, heeft de chauffeur van het kabinet van Pinxten op 3 oktober 2017 tijdens zijn eerste hoorzitting bij OLAF verklaard dat hij niet dacht dat Pinxten hem had gevraagd om het schadeformulier in te vullen en dat hij een „vage herinnering” had dat hij instructies in die zin had ontvangen van de verantwoordelijke voor de chauffeurs van de Rekenkamer.

851    Tijdens zijn tweede hoorzitting bij OLAF op 16 oktober 2017 heeft de chauffeur van het kabinet van Pinxten te kennen gegeven dat hij zich niet herinnerde of de vraag om het schadeformulier in te vullen, van deze verantwoordelijke dan wel van Pinxten uitging, maar dat hij dacht dat die vraag „eerder” van deze laatste kwam.

852    Tijdens zijn derde hoorzitting bij OLAF op 7 december 2017 heeft hij verzekerd dat zijn herinneringen tijdens zijn vorige hoorzitting onnauwkeurig waren, maar dat hij nu „formeel” was en dat het „wel degelijk Pinxten [was die hem had] gevraagd om die nieuwe aangifte in te vullen”.

853    Er is geen reden om uitsluitend de laatste verklaringen van de chauffeur van het kabinet van Pinxten te geloven.

854    Daarenboven wordt in de antwoorden van een werknemer van de verzekeringsmaatschappij op de vragen die de Rekenkamer hem in 2017 en 2018 heeft gesteld, verwezen naar exclusieve contacten met de verantwoordelijke van de chauffeurs van de Rekenkamer, die spontaan een wijziging van de namen van de betrokken bestuurders zou hebben voorgesteld zodra werd aangegeven dat mogelijkerwijs zou worden geweigerd de schade aan het dienstvoertuig van Pinxten te vergoeden.

855    Tijdens zijn hoorzitting bij OLAF heeft deze verantwoordelijke trouwens elke tussenkomst van Pinxten met betrekking tot het betrokken ongeval uitgesloten en gewezen op een systematische praktijk binnen de dienst van de chauffeurs van de Rekenkamer – waarmee zijn „meerderen” bekend waren – van valse aangiften aan de verzekering, een praktijk waarnaar ook de chauffeur van het kabinet van Pinxten tijdens zijn hoorzitting bij OLAF op 16 oktober 2017 heeft verwezen.

856    Bovendien moet worden benadrukt dat de elementen die Pinxten in zijn brief van 11 januari 2012 aanvoert, erop lijken te wijzen dat hij geen kennis had van de inhoud van het schadeformulier dat de Rekenkamer heeft doen toekomen aan de verzekeringsmaatschappij.

857    Gelet op al deze overwegingen moet worden vastgesteld dat de door de Rekenkamer overgelegde gegevens niet volstaan om aan te tonen dat Pinxten in de onderhavige procedure aansprakelijk kan worden gesteld voor een valse verklaring aan de verzekering met betrekking tot het ongeval dat zou hebben plaatsgevonden op 17 januari 2011.

858    Wat het ongeluk van januari 2010 betreft, beroept de Rekenkamer zich ter staving van haar beweringen enkel op de verklaringen van de chauffeur van het kabinet van Pinxten tijdens zijn derde hoorzitting bij OLAF op 7 december 2017, die door Pinxten resoluut worden ontkend.

859    Uit het voorgaande volgt dat geen doorslaggevend gewicht kan worden toegekend aan de door de chauffeur van het kabinet van Pinxten tegenover OLAF afgelegde verklaringen alleen.

860    Daar komt nog bij dat deze chauffeur pas zeer laat in de procedure gewag heeft gemaakt van het ongeval van januari 2010, terwijl hij al eerder de gelegenheid had gehad om eventuele onregelmatigheden van Pinxten te vermelden waarvan OLAF niet op de hoogte was.

861    In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat niet is bewezen dat de beweringen van de Rekenkamer betreffende het ongeval van januari 2010 juist zijn.

862    Bijgevolg dient de derde grief in zijn geheel te worden afgewezen.

5.      Vijfde grief: door Pinxten gecreëerdesituatie van een belangenconflictin het kader van een contact met het hoofd van een gecontroleerde entiteit

a)      Argumenten van partijen

863    Met haar vijfde grief betoogt de Rekenkamer dat Pinxten, door in contact te treden met het hoofd van een gecontroleerde entiteit, zijn verplichtingen inzake belangeloosheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid, integriteit en voorbeeldig gedrag niet is nagekomen.

864    Hij heeft immers zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid ondermijnd of op zijn minst een dergelijke indruk gewekt door een privéappartement te huur aan te bieden aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, een entiteit die onder de bevoegdheid valt van kamer III van de Rekenkamer.

865    Pinxten beklemtoont dat in het aanbod tot het huren van zijn appartement niet werd verwezen naar zijn hoedanigheid van lid van de Rekenkamer. Het enige gegeven dat in dit voorstel verband hield met die instelling, was zijn e-mailadres, dat ook voor privédoeleinden werd gebruikt, aangezien hij geen ander e-mailadres had. Het aanbod stemde overigens overeen met de normale marktvoorwaarden.

b)      Beoordeling door het Hof

866    Bij brief van 20 november 2014 heeft Pinxten de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aangeboden om van hem een appartement te huren in Brussel.

867    Het wordt niet betwist dat zij het hoofd was van een entiteit die wordt gecontroleerd door de Rekenkamer, en meer bepaald door kamer III, waarvan Pinxten op dat moment deken was.

868    Teneinde te voldoen aan de in artikel 285 VWEU neergelegde verplichting om hun ambt volkomen onafhankelijk in het algemeen belang van de Unie uit te oefenen, moeten de leden van de Rekenkamer er echter voor zorgen dat zij elk belangenconflict vermijden.

869    Deze verplichting wordt herhaald in artikel 2, lid 1, van de gedragscode van 2012 en punt 3.3 van de gedragscode voor de Europese Rekenkamer. Punt 3.4 van laatstgenoemde gedragscode bepaalt onder meer dat de leden van de Rekenkamer geen enkele band met de gecontroleerde entiteit mogen onderhouden die hun onafhankelijkheid kan aantasten.

870    Door het hoofd van een gecontroleerde entiteit voor te stellen een betrekking van financiële aard met hem aan te gaan, heeft Pinxten zich blootgesteld aan een mogelijk belangenconflict dat zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid kon aantasten.

871    De omstandigheid dat in de betrokken brief niet uitdrukkelijk melding werd gemaakt van zijn hoedanigheid van lid van de Rekenkamer, is in dit verband irrelevant.

872    Naast het feit dat de band tussen Pinxten en de Rekenkamer kon worden afgeleid uit het in de brief vermelde e-mailadres, moet immers worden opgemerkt dat het feit dat Pinxten lid was van die instelling algemeen bekend was en dat er, indien de geadresseerde het aanbod in de brief zou hebben aanvaard, objectief gezien hoe dan ook sprake zou zijn geweest van een belangenconflict, zelfs indien die geadresseerde niet op de hoogte zou zijn geraakt van de functie van Pinxten.

873    Bijgevolg is de vijfde grief gegrond.

C.      Vervallenverklaring van het recht op pensioen of van andere daarvoor in de plaats tredende voordelen

1.      Argumenten van partijen

874    De Rekenkamer betoogt dat de handelingen van Pinxten bijzonder ernstig zijn en dus voldoen aan de ter zake in het arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:455), gestelde voorwaarde.

875    Deze handelingen tasten immers de fundamentele waarden van de Unie aan, hebben zeer frequent plaatsgevonden, hebben de Rekenkamer aanzienlijke schade berokkend, zouden kunnen worden gekwalificeerd als strafbare feiten en wijzen, gezien de verhullingspraktijken, op bedrieglijk opzet.

876    De Rekenkamer laat het aan het oordeel van het Hof over om de aard en de omvang van de sanctie te bepalen, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel, het hoge niveau van de verantwoordelijkheden van Pinxten, de schade aan het imago van die instelling, de ernst van de niet-nakomingen en de omvang van het financiële verlies voor de Unie.

877    Pinxten stelt dat hij de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen in de zin van artikel 286, lid 6, VWEU niet heeft geschonden.

878    Volgens hem verschilde zijn gedrag niet echt van dat van de andere leden van de Rekenkamer. Hij sluit niet uit mogelijkerwijs bepaalde fouten te hebben gemaakt, maar deze waren bijkomstig en hadden door die instelling moeten worden gecorrigeerd.

2.      Beoordeling door het Hof

879    Uit de analyse die voorafgaat volgt dat de derde grief van de Rekenkamer moet worden afgewezen, maar dat de eerste, de tweede, de vierde en de vijfde grief daarentegen minstens gedeeltelijk gegrond zijn, zodat de verantwoordelijkheid van Pinxten voor een reeks onregelmatigheden vaststaat.

880    Door een niet-aangegeven activiteit uit te oefenen die onverenigbaar was met zijn taken als lid van de Rekenkamer, misbruik te maken van de middelen van die instelling en te handelen op een wijze die een belangenconflict met een gecontroleerde persoon kon doen ontstaan, heeft Pinxten zich schuldig gemaakt aan bijzonder ernstige niet-nakomingen en dus in strijd gehandeld met de uit zijn taak van lid van die instelling voortvloeiende verplichtingen, in de zin van artikel 286, lid 6, VWEU.

881    Niet-nakoming van deze verplichtingen moet in beginsel leiden tot oplegging van een sanctie op grond van deze bepaling (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 149).

882    Het Hof kan ingevolge deze bepaling een sanctie opleggen, namelijk ontslag ambtshalve of verval van het recht van de betrokkene op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen. Ontslag kan slechts worden gegeven in geval van een niet-nakoming die wordt begaan en vervolgd terwijl het betrokken lid van de Rekenkamer nog in functie is. Verval van het recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen kan daarentegen onder meer worden uitgesproken indien de niet-nakoming wordt begaan tijdens de ambtsperiode van het lid en daarna wordt vervolgd, zoals in casu het geval is (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 73).

883    Aangezien uit de door partijen ter terechtzitting verstrekte informatie blijkt dat Pinxten enkel recht op pensioen heeft, moet die sanctie meer bepaald betrekking hebben op dit recht en niet op andere daarvoor in de plaats tredende voordelen.

884    Daar in artikel 286, lid 6, VWEU niets is bepaald over de omvang van het hierin bedoelde verval van het recht op pensioen, kan het Hof algeheel of gedeeltelijk verval daarvan uitspreken (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 73).

885    Deze sanctie moet evenwel evenredig zijn aan de ernst van de door het Hof vastgestelde niet-nakomingen van de uit de taak van lid van de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen.

886    Bij het bepalen van de ernst van de door het Hof vastgestelde niet-nakomingen van de uit de taak van lid van de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de aard van de niet-nakomingen, de omstandigheden waarin zij zijn begaan, de omvang van de schade aan de integriteit, de reputatie of de belangen van de Unie en de mate waarin zij opzettelijk of uit nalatigheid zijn begaan.

887    Teneinde te verzekeren dat het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd, moeten ook alle omstandigheden in aanmerking worden genomen die de aansprakelijkheid van Pinxten kunnen verzwaren, dan wel juist verminderen.

888    In deze context moet daarenboven rekening worden gehouden met het feit dat het volledige of gedeeltelijke verval van het recht op pensioen een beperking vormt van het door artikel 17 van het Handvest gewaarborgde recht op eigendom, aangezien het tot gevolg heeft dat de betrokkene de rechten op een ouderdomspensioen die hij tijdens zijn beroepsloopbaan heeft opgebouwd, geheel of gedeeltelijk verliest, welke rechten trouwens bedoeld zijn om bij te dragen tot het levensonderhoud van die persoon na afloop van zijn loopbaan.

889    Overigens blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, die krachtens artikel 52, lid 3, van het Handvest als minimumbeschermingsniveau in aanmerking moet worden genomen bij de uitlegging van artikel 17 ervan [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak], dat een sanctie die tot gevolg heeft dat een persoon zijn ouderdomspensioen geheel of ten dele verliest, noodzakelijkerwijs een inmenging vormt in zijn recht op het ongestoord genot van deze eigendom (zie in die zin EHRM, 14 juni 2016, Philippou tegen Cyprus, CE:ECHR:2016:0614JUD007114810, § 65).

890    Een volledig of gedeeltelijk verval van het recht op pensioen moet ook worden beschouwd als een beperking van het recht op sociale zekerheid en sociale bijstand als bedoeld in artikel 34 van het Handvest.

891    Uit een reeks omstandigheden blijkt evenwel dat de aan Pinxten toerekenbare onregelmatigheden bijzonder ernstig zijn.

892    Ten eerste volgt uit de bij het onderzoek van de eerste, de tweede, de vierde en de vijfde grief van de Rekenkamer gedane vaststellingen dat Pinxten gedurende zijn twee ambtstermijnen als lid van die instelling opzettelijk en herhaaldelijk de binnen die instelling geldende regels heeft overtreden, en daardoor systematisch in strijd heeft gehandeld met de meest fundamentele verplichtingen die uit zijn taak voortvloeiden.

893    Ten tweede heeft Pinxten dikwijls getracht deze inbreuken op die regels te verbergen, onder meer door goedkeuringsaanvragen voor dienstreizen in te dienen waarin essentiële informatie was weggelaten over de werkelijke activiteiten die daarmee werden beoogd of waarin deze activiteiten op misleidende wijze werden voorgesteld.

894    Ten derde hebben de onregelmatigheden van Pinxten grotendeels bijgedragen tot zijn persoonlijke verrijking, doordat hij middelen van de Rekenkamer heeft gebruikt voor de financiering van zijn privéactiviteiten.

895    Ten vierde heeft het gedrag van Pinxten de Rekenkamer aanzienlijke schade berokkend, niet alleen financiële schade maar ook imago- en reputatieschade.

896    Ten vijfde dient te worden benadrukt dat de Rekenkamer volgens artikel 287, lid 2, VWEU de wettigheid en de regelmatigheid van de uitgaven van de Unie moet onderzoeken en tevens moet nagaan of een goed financieel beheer werd gevoerd, met name door verslag uit te brengen over onregelmatigheden.

897    Punt 2.2 van de gedragscode voor de Europese Rekenkamer bepaalt met betrekking tot deze specifieke taak dat de Rekenkamer als een rolmodel op het gebied van financieel beheer dient te handelen en dat haar middelen in volledige overeenstemming met de toepasselijke regels moeten worden beheerd.

898    Zo weliswaar alle personen aan wie hoge taken binnen de Unie zijn opgedragen, aan de hoogste maatstaven van gedrag moeten voldoen, zoals in punt 239 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, brengt de specifieke taak van de Rekenkamer dan ook met zich mee dat de door Pinxten begane onregelmatigheden des te ernstiger zijn.

899    Andere factoren kunnen de aansprakelijkheid van Pinxten evenwel verlichten.

900    Zo heeft Pinxten zijn recht op pensioen verworven door het werk dat hij gedurende twaalf jaar in dienst van de Rekenkamer heeft verricht.

901    Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de kwaliteit van dit werk nooit ter discussie werd gesteld, en Pinxten werd vanaf 2011 door zijn gelijken zelfs verkozen tot deken van kamer III van de Rekenkamer.

902    Ook al zijn de door Pinxten begane inbreuken op de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen in de eerste plaats het gevolg van persoonlijke keuzen waarbij hij er niet onkundig van kon zijn dat deze onverenigbaar waren met de meest fundamentele van de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen, dit neemt bovendien niet weg dat de voortzetting van deze onregelmatigheden werd vergemakkelijkt door de vaagheid van de interne regels van die instelling en mogelijk werd gemaakt door het tekortschieten van de door haar opgezette controles.

903    Hoewel de Rekenkamer in beginsel moet kunnen vertrouwen op de verklaringen van haar leden zonder systematisch de juistheid van de daarin opgenomen informatie te hoeven controleren, blijkt uit het onderzoek van de eerste grief met name dat een groot aantal dienstreizen van Pinxten werd goedgekeurd niettegenstaande hij duidelijk onvoldoende informatie gaf om die goedkeuring te rechtvaardigen, en dat andere dienstreizen dan weer werden goedgekeurd terwijl uit hun onderwerp bleek dat ze kennelijk onregelmatig waren. Ook representatie- en ontvangstkosten werden op die manier vergoed.

904    Zo ook wat het systematisch onregelmatige beroep op de diensten van de chauffeurs gedurende zijn twee ambtstermijnen betreft: de administratie van de Rekenkamer kon hier niet onkundig van zijn, maar heeft het niet nodig geacht te reageren al was het maar door Pinxten erop te wijzen dat de door hem gecreëerde praktijk onregelmatig was.

905    In het licht van al deze factoren is het, gelet op de omstandigheden van de zaak, billijk te oordelen dat Pinxten vervallen wordt verklaard van twee derde van zijn recht op pensioen vanaf de datum van uitspraak van het onderhavige arrest.

IX.    Door Pinxten ingediende vordering tot schadevergoeding

A.      Argumenten van partijen

906    Pinxten vordert dat de Rekenkamer wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van 50 000 EUR ter vergoeding van de door hem als gevolg van de handelwijze van die instelling geleden immateriële schade.

907    Deze schade vloeit volgens hem met name voort uit de opeenvolgende berichten van de Rekenkamer. Deze hebben zijn carrière en reputatie verwoest.

908    Volgens de Rekenkamer is deze vordering niet-ontvankelijk, aangezien zij is ingediend bij een rechterlijke instantie die daarvoor niet bevoegd is.

B.      Beoordeling door het Hof

909    Uit de bewoordingen van artikel 286, lid 6, VWEU als zodanig blijkt dat deze bepaling in een specifieke rechtsgang voorziet waarbij uitsluitend het Hof kan uitmaken of een lid of voormalig lid van de Rekenkamer heeft opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt of aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

910    Het Hof moet zich weliswaar uitspreken over de grieven die de Rekenkamer in een krachtens die bepaling ingesteld beroep tegen het betrokken lid of voormalig lid van die instelling aanvoert en, in voorkomend geval, over de aan dat beroep accessoire procedurele vorderingen, maar het is niet bevoegd om uitspraak te doen over vorderingen die geen enkel verband houden met dat beroep.

911    Indien Pinxten van mening is dat de Rekenkamer hem met haar handelwijze schade heeft berokkend, en hij schadevergoeding wenst te verkrijgen, dient hij derhalve een afzonderlijke vordering in te stellen op grond van de artikelen 268 en 340 VWEU, waarbij overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU het Gerecht bevoegd is om in eerste aanleg uitspraak te doen over deze vordering. Hij kan daartoe echter geen reconventionele vordering instellen in het kader van een procedure die is ingeleid krachtens artikel 286, lid 6, VWEU.

912    Bijgevolg is het Hof niet bevoegd om uitspraak te doen over de door Pinxten ingediende vordering tot schadevergoeding.

 Kosten

913    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Artikel 138, lid 3, van dit Reglement bepaalt evenwel dat het Hof de kosten kan verdelen of kan beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.

914    De Rekenkamer is volledig in het gelijk gesteld wat haar vijfde grief betreft, en gedeeltelijk in het gelijk gesteld wat haar eerste, tweede en vierde grief betreft. Zij is daarentegen volledig in het ongelijk gesteld wat haar tweede en derde grief betreft, en gedeeltelijk in het ongelijk gesteld wat haar eerste en vierde grief betreft.

915    Gelet op de aard van de onderhavige procedure en de vaststelling dat Pinxten de uit zijn taak van lid van de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen herhaaldelijk zwaar heeft geschonden, eist een billijke beoordeling van de omstandigheden van de zaak echter dat Pinxten naast zijn eigen kosten ook die van de Rekenkamer zal dragen.

Het Hof (Voltallige zitting) verklaart:

1)      Het verzoek van Karel Pinxten om de procedure te schorsen tot het einde van de strafprocedure die de Luxemburgse autoriteiten hebben ingeleid nadat hun het verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) betreffende zaak nr. OC/2016/0069/A1 is overgelegd, wordt afgewezen.

2)      Het verzoek van Karel Pinxten om de Europese Rekenkamer te gelasten een na afloop van een interne controle opgesteld verslag over te leggen en de ten gevolge van dit verslag genomen maatregelen mee te delen alsook alle nota’s van die instelling over eventuele aantastingen van de onafhankelijkheid van de interne controleur over te leggen, wordt afgewezen.

3)      De door Karel Pinxten in bijlage B.10 bij zijn verweerschrift overgelegde e-mail van de president van de Europese Rekenkamer die op 13 februari 2019 naar de andere leden en de secretaris-generaal van die instelling is gestuurd, wordt verwijderd uit het dossier.

4)      Karel Pinxten heeft in strijd met de uit zijn taak van lid van de Europese Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen gehandeld in de zin van artikel 286, lid 6, VWEU door:

–        op onwettige wijze activiteiten uit te oefenen in het bestuursorgaan van een politieke partij en deze niet aan te geven;

–        misbruik te maken van de middelen van de Rekenkamer om activiteiten te financieren die geen verband hielden met de taken van een lid van die instelling voor zover is vastgesteld in de punten 387 tot en met 799 van het onderhavige arrest;

–        een tankkaart te gebruiken om brandstof voor voertuigen van derden aan te kopen, en

–        een belangenconflict in het leven te roepen in het kader van een contact met het hoofd van een gecontroleerde entiteit.

5)      Karel Pinxten wordt vervallen verklaard van twee derde van zijn pensioenrechten vanaf de datum van uitspraak van het onderhavige arrest.

6)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

7)      Het Hof is niet bevoegd om uitspraak te doen over de vordering tot schadevergoeding van Karel Pinxten.

8)      Karel Pinxten wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Europese Rekenkamer.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.