Language of document : ECLI:EU:T:2022:430

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)

6 juli 2022 (*)

„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniebeeldmerk NEHERA – Absolute nietigheidsgrond – Geen kwade trouw – Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”

In zaak T‑250/21,

Ladislav Zdút, wonende te Bratislava (Slowakije), vertegenwoordigd door Y. Echevarría García, advocaat,

verzoekende partij,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Gája als gemachtigde,

verwerende partij,

andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënten voor het Gerecht:

Isabel Nehera, wonende te Sutton, Ontario (Canada),

Jean-Henri Nehera, wonende te Burnaby, British Columbia (Canada),

Natacha Sehnal, wonende te Montferrier-sur-Lez (Frankrijk),

vertegenwoordigd door W. Woll, advocaat,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, E. Buttigieg, K. Kowalik-Bańczyk (rapporteur), G. Hesse en D. Petrlík, rechters,

griffier: E. Coulon,

gezien de stukken,

gelet op het feit dat de partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te hebben besloten uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest

1        Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoeker, Ladislav Zdút, vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 10 maart 2021 (zaak R 1216/2020‑2) (hierna: „bestreden beslissing”).

 Voorgeschiedenis van het geding

2        Op 6 mei 2013 heeft verzoeker bij het EUIPO een aanvraag tot inschrijving van een Uniemerk ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].

3        Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, betreft het volgende beeldteken:

Image not found

4        De waren waarvoor de merkaanvraag werd ingediend, behoren tot de klassen 18, 24 en 25 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Deze waren zijn voor elk van deze klassen onder meer omschreven als volgt:

–        klasse 18: „Leder en kunstleder en hieruit vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen; dierenhuiden; reiskoffers en koffers; paraplu’s, parasols; wandelstokken”;

–        klasse 24: „Spreien; tafellakens”;

–        klasse 25: „Kledingstukken, schoeisel, hoofddeksels”.

5        De merkaanvraag is in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 2013/107 van 10 juni 2013 gepubliceerd.

6        Op 31 oktober 2014 is het merk voor de hierboven in punt 4 vermelde waren ingeschreven onder nummer 11794112.

7        Op 17 juni 2019 hebben interveniënten, Isabel Nehera, Jean-Henri Nehera en Natacha Sehnal, overeenkomstig artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 een vordering tot nietigverklaring van dit merk ingesteld voor alle door dit merk aangeduide waren. Zij voerden aan dat verzoeker te kwader trouw was bij de indiening van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk (hierna: „litigieuze merkaanvraag”). Zij hebben met name uiteengezet dat hun grootvader, Jan Nehera, in de jaren 30 in Tsjechoslowakije een onderneming had opgericht die kledij en accessoires verhandelde en een nationaal merk had aangevraagd en gebruikt dat identiek was aan het litigieuze merk (hierna: „oud Tsjechoslowaaks merk”).

8        Bij beslissing van 22 april 2020 heeft de nietigheidsafdeling van het EUIPO de vordering tot nietigverklaring afgewezen op grond dat verzoekers kwade trouw bij de indiening van de litigieuze merkaanvraag niet was aangetoond.

9        Op 15 juni 2020 hebben interveniënten krachtens de artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

10      De tweede kamer van beroep van het EUIPO heeft bij de bestreden beslissing het beroep van interveniënten toegewezen, de beslissing van de nietigheidsafdeling vernietigd en het litigieuze merk nietig verklaard.

11      De kamer van beroep heeft in wezen opgemerkt dat het oude Tsjechoslowaakse merk een bekend merk was en in de jaren 30 normaal was gebruikt in Tsjechoslowakije. Zij heeft vastgesteld dat verzoeker op de hoogte was van het bestaan en de beroemdheid van zowel Jan Nehera als het oude Tsjechoslowaakse merk, dat nog een zekere overblijvende bekendheid genoot. De kamer van beroep heeft tevens aangegeven dat verzoeker had getracht een verband te creëren tussen hemzelf en dit merk. In die omstandigheden heeft zij geoordeeld dat verzoeker de bedoeling had ongerechtvaardigd voordeel te trekken uit de reputatie van Jan Nehera en het oude Tsjechoslowaakse merk. Zij heeft daaruit afgeleid dat verzoeker te kwader trouw was bij de indiening van de litigieuze merkaanvraag.

 Conclusies van partijen

12      Verzoeker vraagt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing te vernietigen;

–        het EUIPO te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO.

13      Het EUIPO en interveniënten verzoeken het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Ontvankelijkheid van de voor het eerst voor het Gerecht overgelegde stukken

14      Als bijlage bij het verzoekschrift heeft verzoeker, ten eerste, een uittreksel uit het Slowaakse handelsregister betreffende de vennootschap Jandl overgelegd en, ten tweede, een door deze vennootschap opgestelde brochure waarin het litigieuze merk wordt gepromoot.

15      Zoals het EUIPO terecht opmerkt, kunnen deze stukken die voor het eerst voor het Gerecht zijn overgelegd, niet in aanmerking worden genomen. Een beroep bij het Gerecht is immers gericht op toetsing van de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep van het EUIPO in de zin van artikel 72 van verordening nr. 2017/1001, zodat het Gerecht niet tot taak heeft de feiten opnieuw te onderzoeken tegen de achtergrond van bewijsstukken die voor het eerst voor hem zijn aangevoerd. Deze stukken dienen dus buiten beschouwing te worden gelaten en de bewijskracht ervan behoeft niet te worden onderzocht [zie in die zin arrest van 24 november 2005, Sadas/BHIM – LTJ Diffusion (ARTHUR ET FELICIE), T‑346/04, EU:T:2005:420, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

 Ten gronde

16      Vooraf dient te worden verduidelijkt dat, gelet op de datum van indiening van de betrokken inschrijvingsaanvraag, te weten 6 mei 2013, die bepalend is voor de vaststelling van het toepasselijke materiële recht, de feiten van de onderhavige zaak worden beheerst door de materiële bepalingen van verordening nr. 207/2009 (zie in die zin beschikking van 5 oktober 2004, Alcon/BHIM, C‑192/03 P, EU:C:2004:587, punten 39 en 40, en arrest van 29 januari 2020, Sky e.a., C‑371/18, EU:C:2020:45, punt 49). Bijgevolg moeten in casu, wat de materiële regels betreft, de verwijzingen door de kamer van beroep in de bestreden beslissing en door partijen in hun memories naar artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 worden begrepen als verwijzingen naar artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, dat dezelfde inhoud heeft.

17      Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker één middel aan, namelijk schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.

18      Verzoeker betoogt in wezen dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat hij te kwader trouw was bij de indiening van de litigieuze merkaanvraag. Ten eerste hebben interveniënten immers niet aangetoond dat het oude Tsjechoslowaakse merk op die datum nog was ingeschreven of gebruikt, zodat zij geen rechten op het teken en de naam Nehera hebben. Ten tweede hebben interveniënten evenmin aangetoond dat Jan Nehera en het oude Tsjechoslowaakse merk op die datum nog steeds faam of een overblijvende bekendheid genoten. In die omstandigheden kan hem geen oneerlijk oogmerk of oneerlijke praktijk worden verweten.

19      Het EUIPO en interveniënten betwisten verzoekers betoog.

 Voorafgaande opmerkingen

20      Er zij aan herinnerd dat overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 het Uniemerk op vordering bij het EUIPO of op reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig wordt verklaard wanneer de aanvrager te kwader trouw was bij de indiening van de aanvraag tot inschrijving van dat merk.

21      In dit verband zij opgemerkt dat het begrip „kwade trouw” als bedoeld in artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 in de wetgeving op geen enkele manier is gedefinieerd, afgebakend of zelfs maar beschreven [zie arrest van 29 juni 2017, Cipriani/EUIPO – Hotel Cipriani (CIPRIANI), T‑343/14, EU:T:2017:458, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

22      Niettemin moet worden opgemerkt dat het Hof en het Gerecht verschillende verduidelijkingen hebben verstrekt over de wijze waarop het begrip „kwade trouw” als bedoeld in artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 moet worden uitgelegd en het bestaan ervan moet worden beoordeeld.

23      In de eerste plaats veronderstelt het begrip „kwade trouw” overeenkomstig de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan dat er sprake is van een oneerlijke houding of een oneerlijk oogmerk (arresten van 12 september 2019, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO, C‑104/18 P, EU:C:2019:724, punt 45, en 29 januari 2020, Sky e.a., C‑371/18, EU:C:2020:45, punt 74).

24      Het begrip „kwade trouw” moet voorts worden begrepen in de context van het merkenrecht, te weten die van het economische verkeer. In dit verband beogen de regels inzake het Uniemerk in het bijzonder bij te dragen aan het stelsel van onvervalste mededinging in de Europese Unie, waarin elke onderneming, teneinde haar clientèle aan zich te binden door de kwaliteit van haar waren of diensten, tekens als merk moet kunnen inschrijven die de consument in staat stellen deze waren of diensten zonder gevaar voor verwarring te onderscheiden van waren of diensten van andere herkomst (arresten van 12 september 2019, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO, C‑104/18 P, EU:C:2019:724, punt 45, en 29 januari 2020, Sky e.a., C‑371/18, EU:C:2020:45, punt 74).

25      Bijgevolg is de absolute nietigheidsgrond van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 van toepassing wanneer uit relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de houder van een Uniemerk de aanvraag tot inschrijving van dat merk niet heeft ingediend om op een eerlijke wijze deel te nemen aan de mededinging, maar met het oogmerk om afbreuk te doen aan de belangen van derden op een wijze die niet strookt met de eerlijke gebruiken of met het oogmerk – zelfs zonder een derde in het bijzonder op het oog te hebben – een uitsluitend recht te verkrijgen voor andere doeleinden dan die welke vallen onder de functies van een merk, met name de in punt 24 hierboven in herinnering gebrachte wezenlijke functie van herkomstaanduiding (arresten van 12 september 2019, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO, C‑104/18 P, EU:C:2019:724, punt 46, en 29 januari 2020, Sky e.a., C‑371/18, EU:C:2020:45, punt 75).

26      In de tweede plaats is het oogmerk van de merkaanvrager een subjectief gegeven dat evenwel op objectieve wijze moet worden vastgesteld door de bevoegde administratieve en rechterlijke autoriteiten. Bijgevolg moet elke bewering van kwade trouw globaal worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante feitelijke omstandigheden van het concrete geval. Enkel op deze manier kan de bewering van kwade trouw objectief worden beoordeeld (zie arrest van 12 september 2019, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO, C‑104/18 P, EU:C:2019:724, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      Daartoe dient met name rekening te worden gehouden met, ten eerste, het feit dat de aanvrager weet of behoort te weten dat een derde in ten minste één lidstaat een gelijk of overeenstemmend teken gebruikt voor dezelfde of een soortgelijke waar, waardoor verwarring kan ontstaan met het teken waarvan inschrijving is aangevraagd, ten tweede, het oogmerk van de aanvrager om die derde het verdere gebruik van dit teken te beletten en, ten derde, de omvang van de rechtsbescherming die het teken van de derde en het teken waarvoor inschrijving is aangevraagd, genieten (arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C‑529/07, EU:C:2009:361, punt 53).

28      Niettemin zijn de in punt 27 hierboven opgesomde factoren slechts voorbeelden van een geheel van elementen die in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of een merkaanvrager eventueel te kwader trouw was bij de indiening van de merkaanvraag (zie in die zin arrest van 29 juni 2017, CIPRIANI, T‑343/14, EU:T:2017:458, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Zo kunnen zich gevallen voordoen waarin de aanvraag tot inschrijving van een merk kan worden geacht te kwader trouw te zijn ingediend, ook al is er geen sprake van gevaar voor verwarring tussen het door een derde gebruikte teken en het litigieuze merk, of is er geen gebruik door een derde van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met het litigieuze merk. In voorkomend geval kunnen immers andere feitelijke omstandigheden relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen vormen waaruit de kwade trouw van de aanvrager blijkt (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO, C‑104/18 P, EU:C:2019:724, punten 52‑56).

30      Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat bij de globale beoordeling op grond van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 ook rekening kan worden gehouden met de oorsprong van het betrokken teken en met het gebruik ervan sinds zijn ontstaan, met de commerciële logica die de indiening van de Uniemerkaanvraag voor dit teken volgt, alsook met de chronologische volgorde van de gebeurtenissen die deze indiening hebben gekenmerkt [zie arrest van 7 juli 2016, Copernicus-Trademarks/EUIPO – Maquet (LUCEO), T‑82/14, EU:T:2016:396, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

31      Evenzo kan rekening worden gehouden met de mate van bekendheid die het betrokken teken genoot op het tijdstip waarop om inschrijving ervan werd verzocht (zie in die zin arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C‑529/07, EU:C:2009:361, punt 51), met name wanneer een derde dit teken eerder heeft ingeschreven of gebruikt als merk [zie in die zin arrest van 8 mei 2014, Simca Europe/OHMI – PSA Peugeot Citroën (Simca), T‑327/12, EU:T:2014:240, punt 40].

32      De omstandigheid dat de aanvrager door het gebruik van een teken waarvan inschrijving wordt gevraagd, ongerechtvaardigd voordeel kan trekken uit de reputatie van een ouder merk of teken dan wel uit de naam van een beroemd persoon, toont immers de kwade trouw van de aanvrager aan [zie in die zin arresten van 8 mei 2014, Simca, T‑327/12, EU:T:2014:240, en 14 mei 2019, Moreira/EUIPO – Da Silva Santos Júnior (NEYMAR), T‑795/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:329].

33      In de derde plaats, wanneer de kwade trouw van de merkaanvrager is gebaseerd op zijn oogmerk om ongerechtvaardigd voordeel te trekken uit de reputatie van een ouder teken of een oudere naam, is het relevante publiek om te beoordelen of er sprake is van die reputatie en van het uit die reputatie getrokken ongerechtvaardigd voordeel, het publiek waarop het litigieuze merk betrekking heeft, te weten de gemiddelde consument van de waren waarvoor dit merk is ingeschreven (zie naar analogie arrest van 27 november 2008, Intel Corporation, C‑252/07, EU:C:2008:655, punt 36).

34      In de vierde en laatste plaats dient eraan te worden herinnerd dat het aan degene die verzoekt om nietigverklaring staat om de omstandigheden te bewijzen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de houder van een Uniemerk te kwader trouw was bij de indiening van de betreffende inschrijvingsaanvraag (zie arrest van 8 mei 2014, Simca, T‑327/12, EU:T:2014:240, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak), aangezien de goede trouw wordt vermoed tot bewijs van het tegendeel [arrest van 13 december 2012, pelicantravel.com/BHIM – Pelikan (Pelikan), T‑136/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:689, punt 57].

35      Tegen de achtergrond van deze voorafgaande overwegingen dient de rechtmatigheid van de bestreden beslissing te worden getoetst voor zover de kamer van beroep heeft geoordeeld dat verzoeker te kwader trouw was bij de indiening van de litigieuze merkaanvraag.

 Kwade trouw van verzoeker

36      Uit de punten 35 en 37 van de bestreden beslissing blijkt dat de kamer van beroep zich voor haar vaststelling dat verzoeker te kwader trouw was, heeft gebaseerd op het feit dat verzoeker met zijn litigieuze merkaanvraag in feite beoogde mee te liften op de reputatie van Jan Nehera en het oude Tsjechoslowaakse merk en aldus ongerechtvaardigd voordeel wilde trekken uit deze reputatie. De vaststelling van de kamer van beroep berust dan ook op het oogmerk om mee te liften (free-riding) op die reputatie.

37      Onder de verschillende factoren die in aanmerking kunnen worden genomen bij de globale beoordeling van verzoekers goede of kwade trouw is het in deze context meer in het bijzonder relevant om niet alleen de feitelijke en historische context van het geding te onderzoeken, maar ook de mate waarin zowel het oude Tsjechoslowaakse merk als de naam Jan Nehera rechtsbescherming geniet, daadwerkelijk is gebruikt en een reputatie geniet, alsmede de mate waarin verzoeker op de hoogte was van die gegevens.

38      Bovendien is, in het licht van de in punt 33 hierboven aangehaalde rechtspraak, het relevante publiek om te beoordelen of het oude Tsjechoslowaakse merk en de naam Jan Nehera een reputatie genieten en of daaruit ongerechtvaardigd voordeel is getrokken, in casu de gemiddelde consument van de in punt 4 hierboven bedoelde waren, te weten het grote publiek van de Unie.

–       Feitelijke en historische achtergrond

39      Vast staat dat Jan Nehera, geboren in 1899 te Kostelec na Hané (thans Tsjechische Republiek), een ondernemer in de modesector was die in de jaren 20, 30 en 40 in Tsjechoslowakije actief was. In het bijzonder heeft hij begin jaren 30 te Prostějov (thans Tsjechische Republiek) een onderneming opgericht waarvan de handelsnaam naar zijn familienaam verwees en die confectiekleding en accessoires voor dames, mannen en kinderen vervaardigde en verhandelde. Dankzij moderne managementmethoden en intensieve reclame heeft deze onderneming in Tsjechoslowakije en in het buitenland een zeker succes gekend. Op de vooravond van de tweede wereldoorlog had zij bijna 1 000 werknemers in dienst en beschikte zij over een netwerk van meer dan 130 detailhandelszaken in Europa, de Verenigde Staten en Afrika. Bovengenoemde onderneming zette haar activiteit tijdens de tweede wereldoorlog voort onder de feitelijke controle van een Duitse onderdaan na een aan Jan Nehera opgelegde „fusie”. Op 1 januari 1946 is deze onderneming genationaliseerd en is de eigendom ervan overgedragen aan de Tsjechoslowaakse Staat. Vervolgens heeft zij haar activiteit voortgezet onder een nieuwe handelsnaam, waarin niet langer werd verwezen naar de familienaam van haar oprichter. Op dat moment had Jan Nehera Tsjechoslowakije reeds verlaten en zich in Marokko gevestigd, waar hij twee kledingwinkels exploiteerde en waar hij in 1958 is overleden.

40      Tevens staat vast dat Jan Nehera via zijn onderneming in Tsjechoslowakije een merk heeft gedeponeerd dat gelijk is aan het litigieuze merk, te weten het oude Tsjechoslowaakse merk (zie punt 7 hierboven). Dit merk is in juni 1936 onder nummer 6414 ingeschreven in het Tsjechoslowaakse register van de kamers van koophandel, waarvan een uittreksel door interveniënten is overgelegd. Jan Nehera heeft dat merk in de jaren 30 en 40 gebruikt om de door zijn onderneming vervaardigde waren in Tsjechoslowakije en daarbuiten op de markt te brengen. Hij heeft dit merk ook in zijn Marokkaanse kledingwinkels gebruikt tot in de jaren 50.

41      Verzoeker is een Slowaakse ondernemer die actief is op het gebied van reclame en marketing. Hij is niet verwant met Jan Nehera en diens familie. In 2006 heeft hij in Tsjechië de inschrijving aangevraagd en verkregen van een nationaal merk dat gelijk was aan het oude Tsjechoslowaakse merk en het litigieuze merk. De geldigheid van deze Tsjechische merkinschrijving is in 2016 verstreken. Op 6 mei 2013 heeft hij verzocht om inschrijving van het litigieuze merk als Uniemerk. Dit merk is ingeschreven op 31 oktober 2014 (zie punten 2, 3 en 6 hierboven). In 2014 is hij het litigieuze merk beginnen gebruiken voor het presenteren van dameskledingcollecties in modeshows en het verhandelen daarvan.

–       Rechtsbescherming van het oude Tsjechoslowaakse merk en van de naam Jan Nehera

42      Uit het dossier blijkt niet – en evenmin voert een van de partijen aan – dat het oude Tsjechoslowaakse merk nog op naam van een derde was ingeschreven op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag. Integendeel, het EUIPO erkent dat het oude Tsjechoslowaakse merk in 1946 zijn geldigheid heeft verloren. Uit het door interveniënten overgelegde uittreksel uit het Tsjechoslowaakse register van de kamers van koophandel blijkt namelijk dat dit merk in juni 1946 is doorgehaald. Verder staat vast dat een nationaal merk dat gelijk was aan het oude Tsjechoslowaakse merk weliswaar tussen 1992 en 2002 op naam van een derde in Tsjechië was ingeschreven, maar de geldigheid ervan vóór de indiening van de litigieuze merkaanvraag was verstreken.

43      Evenmin is aangetoond of zelfs maar aangevoerd dat de naam Jan Nehera een specifieke rechtsbescherming genoot op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag.

–       Gebruik van het oude Tsjechoslowaakse merk en van de naam Jan Nehera

44      Uit het dossier blijkt evenmin – noch voert een van de partijen aan – dat het oude Tsjechoslowaakse merk of de naam Jan Nehera nog door een derde werd gebruikt om kleding te verhandelen op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag. Het EUIPO erkent namelijk dat, met uitzondering van een zeker gebruik in Marokko in de jaren 50 door Jan Nehera, dit merk na 1946 niet meer werd gebruikt. Interveniënten beroepen zich evenmin op enig gebruik van dit merk, noch in Europa na de nationalisering van de onderneming van Jan Nehera in 1946, noch in Marokko na diens overlijden in 1958. Voorts blijkt niet dat de derde die houder was van een nationaal merk dat gelijk was aan het oude Tsjechoslowaakse merk en dat in Tsjechië was ingeschreven tussen 1992 en 2002, dit merk ooit heeft gebruikt.

–       Bekendheid van het oude Tsjechoslowaakse merk en van de naam Jan Nehera

45      Anders dan de nietigheidsafdeling heeft de kamer van beroep in de punten 33 en 34 van de bestreden beslissing geoordeeld dat Jan Nehera een „beroemdheid” was en dat het oude Tsjechoslowaakse merk minstens nog een „zekere overblijvende bekendheid” genoot en aldus op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag een „historische waarde” behield.

46      Partijen zijn het erover eens dat het oude Tsjechoslowaakse merk en de naam Jan Nehera minstens een zekere bekendheid of een zekere beroemdheid genoten in het Tsjechoslowakije van de jaren 30 en 40. Daarentegen zijn zij het oneens over de vraag of deze bekendheid of beroemdheid voortduurde op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag.

47      Verzoeker is namelijk van mening dat Jan Nehera en het oude Tsjechoslowaakse merk thans volledig in de vergetelheid zijn geraakt. Het EUIPO erkent eveneens dat er op het eerste gezicht geen enkel bewijs lijkt te bestaan dat zij nog een overblijvende bekendheid genieten in Tsjechië of Slowakije. Alleen interveniënten betogen dat zij in 2013 in die twee lidstaten nog bekend waren.

48      In dit verband moet allereerst worden vastgesteld dat interveniënten voor het Gerecht enkel verwijzen naar twee bewijselementen om aan te tonen dat deze bekendheid voortduurt, te weten een artikel in de encyclopedie Wikipedia dat aan Jan Nehera is gewijd en een universitair proefschrift van een Tsjechische studente over de nationalisering van de onderneming van Jan Nehera en over de geschiedenis van deze onderneming in de periode 1945‑1948. Interveniënten beroepen zich met name op een uittreksel uit dit universitair proefschrift volgens hetwelk „de naam Jan Nehera de geschiedenis ingaat als een van de grootste Tsjechoslowaakse ondernemers in de kledingsector van de eerste [Tsjechoslowaakse] Republiek”.

49      De twee door interveniënten aangevoerde bewijselementen bevatten weliswaar informatie over de geschiedenis van Jan Nehera en diens onderneming in de jaren 30 en 40, maar zij bevatten geen omstandige informatie waaruit blijkt dat Jan Nehera of het oude Tsjechoslowaakse merk in 2013 nog bekend was bij een aanzienlijk deel van het relevante publiek. Bovendien is het EUIPO zelf van mening dat deze twee elementen geen bewijs opleveren.

50      Vervolgens merkt verzoeker terecht op dat de andere bewijzen die interveniënten voor het EUIPO hebben overgelegd evenmin kunnen aantonen dat Jan Nehera of het oude Tsjechoslowaakse merk nog steeds bekend was. Interveniënten hadden bijvoorbeeld de volgende stukken bij het dossier van het EUIPO gevoegd: ten eerste, een in de jaren 50 in Marokko genomen foto van een winkel waarop het oude Tsjechoslowaakse merk te zien is, ten tweede, een herdenkingsbrochure die in 2000 door de Slowaakse onderneming Ozeta is gepubliceerd naar aanleiding van haar zestigste verjaardag en waarin melding wordt gemaakt van de opening in 1940 van een fabriek te Trenčín (thans Slowakije) door de onderneming van Jan Nehera en, ten derde, meerdere persberichten en andere documenten betreffende verzoekers activiteiten. Deze verschillende bewijzen bevatten echter geen informatie waaruit blijkt dat het relevante publiek Jan Nehera of het oude Tsjechoslowaakse merk kende op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag.

51      In het bijzonder vestigt verzoeker de aandacht van het Gerecht op het door interveniënten overgelegde interview van een modeontwerper. In dit interview uit 2015, dat wil zeggen geruime tijd vóór de indiening van de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze merk en dus zonder enig verband met dit merk, verklaarde Samuel Drira, medeoprichter en hoofdredacteur van een Frans modetijdschrift, dat hij pas één dag voor zijn aankomst in Bratislava en ontmoeting met verzoeker op de hoogte was gebracht van het bestaan van het merk Nehera. Verzoeker had hem toen aangeboden om creatief directeur van zijn onderneming te worden. Aldus blijkt dat zelfs een modespecialist die door verzoeker was aangeworven om zijn activiteit van vervaardiging van dameskleding op te starten, totaal niet op de hoogte was van het bestaan van het oude Tsjechoslowaakse merk.

52      Ten slotte dient te worden opgemerkt dat bijna zeven decennia zijn verstreken tussen 1946, het jaar waarin het gebruik van het oude Tsjechoslowaakse merk in Europa is stopgezet, en 2013, het jaar waarin verzoeker de inschrijving van het litigieuze merk heeft aangevraagd.

53      In die omstandigheden hebben interveniënten niet het bewijs geleverd, waartoe zij volgens de in punt 34 hierboven vermelde rechtspraak verplicht zijn, dat het oude Tsjechoslowaakse merk in 2013 nog een zekere bekendheid genoot in Tsjechië, Slowakije of andere lidstaten of dat de naam Jan Nehera nog steeds beroemd was bij een aanzienlijk deel van het relevante publiek. Hieruit volgt dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat dit merk een „zekere overblijvende bekendheid” had behouden en dat deze naam nog beroemd was op het moment van indiening van de litigieuze merkaanvraag.

–       Verzoekers kennis van het bestaan en de vroegere bekendheid van het oude Tsjechoslowaakse merk en de naam Jan Nehera

54      Vast staat dat, zoals de kamer van beroep in punt 29 van de bestreden beslissing heeft geoordeeld, verzoeker op de hoogte was van het bestaan en de vroegere bekendheid van Jan Nehera en het oude Tsjechoslowaakse merk op het tijdstip waarop hij de litigieuze merkaanvraag heeft ingediend.

55      Uit het dossier, en met name uit de verklaringen van verzoeker in het verzoekschrift en in een e-mail die hij op 16 februari 2016 aan Sehnal heeft gezonden, blijkt namelijk dat hij op zoek was naar een oud, ongebruikt en vergeten merk dat hij kon gebruiken om zijn eigen activiteit van vervaardiging van dameskleding op te starten. Na verschillende namen te hebben overwogen, besloot hij het merk Nehera Praguea en vervolgens het oude Tsjechoslowaakse merk te gebruiken om „hulde te brengen” aan de „gouden eeuw van de Tsjechoslowaakse textielindustrie in de jaren 30” en in het bijzonder aan Jan Nehera, die hij beschouwde als een „groot figuur” en een „symbool” van die „gezegende periode” voor de Tsjechoslowaakse kledingsector.

–       Globale beoordeling

56      Uit de punten 42 tot en met 53 hierboven volgt dat het oude Tsjechoslowaakse merk en de naam Jan Nehera op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag niet langer waren ingeschreven of beschermd, evenmin door een derde werden gebruikt om kleding op de markt te brengen, en zelfs niet bekend waren bij het relevante publiek.

57      Meeliften op de reputatie van een teken of naam, zoals de kamer van beroep het in de bestreden beslissing heeft beschreven ter onderbouwing van de vaststelling dat verzoeker te kwader trouw was, is evenwel in beginsel slechts mogelijk indien dat teken of die naam daadwerkelijk en op dat moment enigszins bekend of beroemd is (zie naar analogie arrest van 3 september 2015, Iron & Smith, C‑125/14, EU:C:2015:539, punt 29).

58      Zo heeft de Unierechter reeds vastgesteld dat een persoon die verzocht om inschrijving van een Uniemerk het oogmerk had om ongerechtvaardigd voordeel te trekken uit de overblijvende bekendheid van een ouder merk, ook wanneer dit merk niet langer werd gebruikt (arrest van 8 mei 2014, Simca, T‑327/12, EU:T:2014:240), of uit het feit dat de naam van een natuurlijke persoon op dat moment beroemd was (arrest van 14 mei 2019, NEYMAR, T‑795/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:329), in gevallen waarin naar behoren was vastgesteld dat er sprake was van die overblijvende bekendheid of van die beroemdheid op dat moment. De Unierechter heeft daarentegen vastgesteld dat er geen sprake was van misbruik van de bekendheid van een door een derde geclaimde term en, bijgevolg, dat de merkaanvrager niet te kwader trouw was, wanneer die term in de Unie niet was ingeschreven of gebruikt en evenmin aldaar bekend was [zie in die zin arrest van 29 november 2018, Khadi and Village Industries Commission/EUIPO – BNP Best Natural Products (Khadi Ayurveda), T‑683/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:860, punten 68‑71].

59      In die omstandigheden, waarbij het oude Tsjechoslowaakse merk geen overblijvende bekendheid genoot en de naam Jan Nehera niet beroemd was op het moment van indiening van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk, kon het latere gebruik van laatstgenoemd merk door verzoeker in beginsel geen meeliftgedrag vormen waaruit de kwade trouw van verzoeker blijkt.

60      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat verzoeker op de hoogte was van het bestaan en de vroegere bekendheid van Jan Nehera en van het oude Tsjechoslowaakse merk (zie punten 54 en 55 hierboven). De enkele omstandigheid dat de merkaanvrager weet of behoort te weten dat een derde in het verleden een merk heeft gebruikt dat gelijk is aan of overeenstemt met het aangevraagde merk, volstaat immers niet als bewijs van de kwade trouw van deze aanvrager (zie in die zin en naar analogie arresten van 27 juni 2013, Malaysia Dairy Industries, C‑320/12, EU:C:2013:435, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 november 2018, Khadi Ayurveda, T‑683/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:860, punt 69).

61      Evenwel dienen nog de andere argumenten van het EUIPO en interveniënten te worden onderzocht, waarmee in wezen wordt beoogd het bewijs te leveren dat verzoeker wilde meeliften en te kwader trouw was, ongeacht het bestaan van een overblijvende bekendheid van het oude Tsjechoslowaakse merk en van de naam Jan Nehera.

62      In de eerste plaats verwijt het EUIPO, ondersteund door interveniënten, verzoeker in wezen dat hij heeft getracht een associatie te creëren tussen enerzijds zijn activiteit en anderzijds het oude Tsjechoslowaakse merk en Jan Nehera. Volgens het EUIPO heeft verzoeker een voordeel op de markt gekregen door het imago van zijn onderneming op te bouwen rond een expliciete band met een voorheen bekend merk en met een voorheen beroemde ondernemer.

63      Dienaangaande is het zeker juist dat, zoals de kamer van beroep in punt 35 van de bestreden beslissing in wezen heeft opgemerkt, verzoeker een verband heeft gecreëerd tussen zijn onderneming en het oude Tsjechoslowaakse merk. Het staat immers vast dat hij herhaaldelijk naar dit merk en Jan Nehera heef verwezen in het kader van de communicatie- en marketingstrategie van zijn onderneming. Zo maken tal van stukken uit het dossier, zoals bijvoorbeeld de website van verzoekers onderneming, de pagina van deze onderneming op het sociale netwerk Facebook en verschillende persberichten melding van het feit dat die onderneming het oude merk Nehera, dat door Jan Nehera in de jaren 30 is opgericht, „opnieuw heeft gelanceerd” en „nieuw leven heeft ingeblazen”.

64      Er zij evenwel aan herinnerd dat volgens de rechtspraak het feit dat het relevante publiek een verband legt tussen een jonger merk en een ouder teken of een oudere naam op zich niet volstaat om te concluderen dat ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit de reputatie van het oudere teken of de oudere naam (zie in die zin en naar analogie arresten van 27 november 2008, Intel Corporation, C‑252/07, EU:C:2008:655, punt 32, en 3 september 2015, Iron & Smith, C‑125/14, EU:C:2015:539, punt 31).

65      Voorts zij opgemerkt dat het begrip „ongerechtvaardigd voordeel trekken uit de reputatie van een teken of naam” betrekking heeft op de situatie waarin een derde in het kielzog van een ouder bekend teken of een oudere bekende naam vaart om te profiteren van de aantrekkingskracht, de reputatie en het prestige ervan en om zonder enige financiële vergoeding en zonder daarvoor passende inspanningen te moeten leveren, voordeel te halen uit de commerciële inspanning die de houder of de gebruiker van dit teken of deze naam heeft geleverd om het imago van dat teken of die naam te creëren en te onderhouden (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 juni 2009, L’Oréal e.a., C‑487/07, EU:C:2009:378, punt 49).

66      In casu betoogt verzoeker, zonder door het EUIPO en interveniënten te worden weersproken, dat het oude Tsjechoslowaakse merk en de naam Jan Nehera in 2013 bij het relevante publiek volledig in de vergetelheid waren geraakt en dat hijzelf veel inspanningen heeft geleverd en veel tijd en geld heeft geïnvesteerd om het merk Nehera nieuw leven in te blazen en om bekendheid te geven aan de geschiedenis van Jan Nehera en zijn onderneming. Hieruit volgt dat verzoeker helemaal niet heeft meegelift op de vroegere bekendheid van het oude Tsjechoslowaakse merk en van de naam Jan Nehera, maar een eigen commerciële inspanning heeft geleverd om het imago van dit merk te doen herleven en aldus op eigen kosten die bekendheid te herstellen. In deze omstandigheden is het enkele feit dat is verwezen naar het historische imago van Jan Nehera en van het oude Tsjechoslowaakse merk om het litigieuze merk te promoten, niet in strijd met de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel.

67      In de tweede plaats betogen het EUIPO en interveniënten dat verzoeker heeft getracht het publiek te misleiden door de indruk te wekken dat dat hij de erfgenaam en rechtmatige opvolger van Jan Nehera was. In het bijzonder verwijten interveniënten verzoeker dat hij een „illusie van continuïteit” en een „onjuiste relatie van vererving” tussen zijn onderneming en die van Jan Nehera heeft willen creëren. Interveniënten verwijzen ook naar artikel 7, lid 1, onder g), van verordening 2017/1001 dat bepaalt dat inschrijving wordt geweigerd van merken die het publiek kunnen misleiden, bijvoorbeeld ten aanzien van soort, kwaliteit of plaats van herkomst van de waren of diensten.

68      In dit verband moet worden opgemerkt dat niet kan worden uitgesloten dat in bepaalde bijzondere omstandigheden het hergebruik door een derde van een ouder merk dat voorheen bekend was of van de naam van een voorheen bekende persoon, een verkeerde indruk kan wekken van continuïteit of vererving met betrekking tot dat oude merk of die persoon. Dit kan met name het geval zijn wanneer de merkaanvrager zich bij het relevante publiek voorstelt als de rechtsopvolger of economische opvolger van de houder van het oude merk, terwijl er tussen de houder van het oude merk en de merkaanvrager geen relatie van continuïteit of vererving bestaat. Een dergelijke omstandigheid kan in aanmerking worden genomen om in voorkomend geval de kwade trouw van de merkaanvrager aan te tonen en vervolgens vast te stellen dat het nieuwe merk nietig is overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.

69      In casu dient evenwel allereerst te worden opgemerkt dat de kamer van beroep haar redenering niet erop heeft gebaseerd dat verzoeker zou beogen om een verkeerde indruk van continuïteit of vererving tussen zijn onderneming en die van Jan Nehera te wekken.

70      Vervolgens is hoe dan ook niet aangetoond of zelfs maar gesteld dat verzoeker een familieband met Jan Nehera heeft geclaimd, of dat hij zich als erfgenaam en rechtmatige rechtsopvolger van laatstgenoemde of diens onderneming heeft voorgesteld. Door aan te geven dat hij een bloeiend merk uit de jaren 30 opnieuw heeft gelanceerd en nieuw leven heeft ingeblazen, heeft verzoeker bovendien veeleer gesuggereerd dat er sprake was van een onderbreking en dus van discontinuïteit tussen de activiteit van Jan Nehera en zijn eigen activiteit. Derhalve blijkt niet dat verzoeker opzettelijk heeft getracht een verkeerde indruk van continuïteit of vererving tussen zijn onderneming en die van Jan Nehera te wekken.

71      Ten slotte zijn de bepalingen van artikel 7, lid 1, onder g), van verordening 2017/1001 irrelevant voor het onderhavige beroep. De kamer van beroep heeft het litigieuze merk immers niet nietig verklaard op grond van artikel 52, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 juncto artikel 7, lid 1, onder g), van deze verordening – die zien op merken die het publiek kunnen misleiden –, maar uitsluitend op grond van artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening, dat betrekking heeft op de kwade trouw van de aanvrager.

72      In de derde plaats voeren interveniënten aan dat verzoeker heeft getracht om de nakomelingen en erfgenamen van Jan Nehera te bedriegen en zich hun rechten toe te eigenen door hun geen toestemming te vragen alvorens de inschrijving van het litigieuze merk aan te vragen.

73      In dit verband zij opgemerkt dat de kamer van beroep haar redenering niet heeft gebaseerd op het oogmerk van verzoeker om de nakomelingen en erfgenamen van Jan Nehera te bedriegen of om zich hun rechten toe te eigenen.

74      Voorts genoten het oude Tsjechoslowaakse merk en de naam Jan Nehera op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag hoe dan ook geen enkele rechtsbescherming meer ten gunste van een derde (zie punten 42 en 43 hierboven). Hieruit volgt dat de nakomelingen en erfgenamen van Jan Nehera geen enkel recht hadden dat het voorwerp kon uitmaken van bedrog dan wel door verzoeker kon worden toegeëigend. Bijgevolg blijkt niet dat verzoeker met de litigieuze merkaanvraag het oogmerk had om de nakomelingen en erfgenamen van Jan Nehera te bedriegen of om zich hun vermeende rechten toe te eigenen.

75      In de vierde plaats betogen interveniënten dat Jan Nehera bij de nationalisering van zijn onderneming in 1946 op onrechtmatige wijze en ten onrechte van zijn eigendom is beroofd. Zij zijn van mening dat overeenkomstig het beginsel dat uit onrecht geen recht ontstaat (ex injuria jus non oritur) niemand thans van deze onrechtvaardigheid kan profiteren om zich te verrijken door de naam Jan Nehera te gebruiken.

76      In dit verband moet worden opgemerkt dat de nationalisering van de onderneming van Jan Nehera in 1946 niet aan verzoeker kan worden toegerekend. Hetzelfde geldt voor het feit dat het oude Tsjechoslowaakse merk gedurende bijna zeven decennia niet werd beschermd en gebruikt, en voor het teloorgaan van de bekendheid van dit merk en van de beroemdheid van de ontwerper ervan. In deze omstandigheden kan het feit dat Jan Nehera op onrechtmatige wijze of ten onrechte van zijn eigendom zou zijn beroofd, de kwade trouw van verzoeker niet aantonen.

77      In de vijfde en laatste plaats voert het EUIPO aan dat, zoals de kamer van beroep in punt 36 van de bestreden beslissing heeft aangegeven, het begrip „kwade trouw” niet noodzakelijkerwijs een zekere mate van morele laakbaarheid impliceert.

78      Dienaangaande volstaat de vaststelling dat volgens de in punt 23 hierboven aangehaalde rechtspraak het begrip „kwade trouw” veronderstelt dat er sprake is van een oneerlijke houding of een oneerlijk oogmerk. In casu hebben het EUIPO en interveniënten niet aangetoond dat verzoekers handelwijze ten tijde van de indiening van de litigieuze merkaanvraag werd ingegeven door een oneerlijke houding of een oneerlijk oogmerk.

79      Gelet op een en ander heeft de kamer van beroep ten onrechte geoordeeld dat verzoeker beoogde om ongerechtvaardigd voordeel te trekken uit de reputatie van Jan Nehera en het oude Tsjechoslowaakse merk en heeft zij daaruit ten onrechte afgeleid dat verzoeker te kwader trouw was bij de indiening van de litigieuze merkaanvraag.

80      Bijgevolg moet verzoekers enige middel worden aanvaard en moet de bestreden beslissing worden vernietigd.

 Kosten

81      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. In casu zijn het EUIPO en interveniënten in het ongelijk gesteld. Aangezien verzoeker enkel heeft gevorderd dat het EUIPO wordt verwezen in de kosten voor het Gerecht, dient het EUIPO te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van verzoeker in het kader van deze procedure.

82      Voorts heeft verzoeker gevorderd dat het EUIPO wordt verwezen in de kosten van de beroepsprocedure voor de kamer van beroep. In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de door de partijen in verband met de procedure voor de kamer van beroep gemaakte noodzakelijke kosten als invorderbare kosten worden aangemerkt. Bijgevolg dient het EUIPO tevens te worden verwezen in de door verzoeker in verband met de procedure voor de kamer van beroep gemaakte noodzakelijke kosten.

83      Verder zullen interveniënten overeenkomstig artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 10 maart 2021 (zaak R 1216/20202) wordt vernietigd.

2)      Het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten, alsmede in de kosten van Ladislav Zdút, daaronder begrepen de kosten die noodzakelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de beroepsprocedure voor de kamer van beroep van het EUIPO.

3)      Isabel Nehera, Jean-Henri Nehera en Natacha Sehnal dragen hun eigen kosten.

Kornezov

Buttigieg

Kowalik-Bańczyk

Hesse

 

      Petrlík

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 juli 2022.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.