Language of document : ECLI:EU:C:2003:385

BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF

26 juni 2003 (1)

„Kort geding - Opschorting van de tenuitvoerlegging van een beschikking - Steunmaatregelen van de staten - Bestaande steunmaatregeling - Belastingregeling voor in België gevestigde coördinatiecentra - Overgangsmaatregelen”

In de gevoegde zaken C-182/03 R en C-217/03 R,

Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde, bijgestaan door P. Kelley, B. van de Walle de Ghelcke en J. Wouters, advocaten,

verzoeker,

en

Forum 187 ASBL, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door J. Killick en A. Sutton, barristers,

interveniënte,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Di Bucci, R. Lyal en G. Rozet, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking C (2003) 564 def. van de Commissie van 17 februari 2003 betreffende de steunregeling die in België ten uitvoer is gelegd ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra, of om voorlopige maatregelen toe te staan,

geeft

DE PRESIDENT VAN HET HOF

de navolgende

Beschikking

Het procesverloop in zaak C-182/03 R

1.
    Bij verzoekschrift, op 25 april 2003 neergelegd ter griffie van het Hof, heeft het Koninkrijk België krachtens artikel 230 EG beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C (2003) 564 def. van de Commissie van 17 februari 2003 betreffende de steunregeling die in België ten uitvoer is gelegd ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra (hierna: „bestreden beschikking”).

2.
    Bij op dezelfde dag ter griffie van het Hof neergelegde afzonderlijke akte heeft het Koninkrijk België krachtens artikel 242 EG verzocht om opschorting, tot de uitspraak van het eindarrest in de hoofdzaak, van de tenuitvoerlegging van artikel 2, tweede alinea, van het dispositief van de bestreden beschikking, voorzover dit bepaalt „noch in stand worden gehouden door verlenging van de lopende erkenningen”, en van de derde alinea, laatste volzin, van dat artikel.

3.
    Nadat de Commissie de bestreden beschikking had gerectificeerd, heeft het Koninkrijk België krachtens artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bij op 9 mei 2003 ter griffie van het Hof neergelegde aktes een nieuw middel voorgedragen ter ondersteuning van, enerzijds, het beroep tot nietigverklaring en, anderzijds, het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging.

4.
    In verband met dit nieuwe middel heeft het Koninkrijk België in het kader van het verzoek om opschorting krachtens artikel 84, lid 2, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering tevens gevorderd, dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking onverwijld en nog vóór de opmerkingen van de Commissie wordt opgeschort.

5.
    De Commissie heeft op 22 mei 2003 schriftelijke opmerkingen over het verzoek om opschorting ingediend.

6.
    Tijdens een hoorzitting op 3 juni 2003 zijn partijen tezamen met die in zaak C-217/03 R gehoord.

Het procesverloop in zaak C-217/03 R

7.
    Bij verzoekschrift, op 28 april 2003 neergelegd ter griffie van het Gerecht van eerste aanleg en ingeschreven onder nr. T-140/03, heeft Forum 187 ASBL (hierna „Forum 187”) krachtens artikel 230 EG beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld.

8.
    Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft Forum 187 verzocht om opschorting, tot de uitspraak van het eindarrest in de hoofdzaak, van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking, alsmede om elke andere in de zaak noodzakelijk geachte voorlopige maatregel te treffen. Bij dezelfde akte heeft zij krachtens artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht tevens gevorderd, dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking onverwijld en nog vóór de opmerkingen van de Commissie wordt opgeschort.

9.
    De Commissie heeft op 15 mei 2003 schriftelijke opmerkingen over het verzoek om opschorting ingediend.

10.
    Gezien de samenhang ervan met zaak C-182/03 heeft het Gerecht (Eerste kamer - uitgebreid), na partijen te hebben gehoord, zaak T-140/03 bij beschikking van 16 mei 2003 naar het Hof verwezen.

11.
    Na de verwijzing door het Gerecht zijn het beroep tot nietigverklaring en het verzoek om opschorting bij de griffie van het Hof ingeschreven onder nr. C-217/03 respectievelijk C-217/03 R.

12.
    Nadat de Commissie de bestreden beschikking had gerectificeerd, heeft Forum 187 bij op 16 mei 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde en vervolgens naar het Hof doorgezonden akte aanvullende conclusies ingediend.

13.
    Tijdens een hoorzitting op 3 juni 2003 zijn partijen tezamen met die in zaak C-182/03 R gehoord.

Voeging

14.
    Gezien de samenhang van de verzoeken om opschorting van tenuitvoerlegging, dienen zij overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering voor deze beschikking te worden gevoegd.

15.
    Tijdens de hoorzitting hebben de partijen in zaak C-217/03 R ingestemd met het gebruik van het Frans als enige procestaal voor de beschikking op het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging.

Het toepasselijke recht en de feiten

Het communautaire toezicht op bestaande steunregelingen

16.
    Artikel 88, leden 1 en 2, eerste alinea, EG bepaalt:

„1.    De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist.

2.    Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn.”

17.
    Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1) bepaalt in artikel 17, lid 2:

„Indien de Commissie van mening is dat een steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, stelt zij de betrokken lidstaat van haar eerste oordeel in kennis en geeft zij de betrokken lidstaat de gelegenheid om binnen een termijn van één maand zijn opmerkingen in te dienen. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.”

De Belgische belastingregeling voor coördinatiecentra

18.
    De Belgische belastingregeling voor coördinatiecentra, die afwijkt van het gemene recht, is vastgelegd in koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra (Belgisch Staatsblad van 13 januari 1983), nadien herhaaldelijk aangevuld en gewijzigd.

19.
    Om voor toepassing van deze regeling in aanmerking te komen, moet het centrum vooraf bij koninklijk besluit individueel worden erkend. Voor erkenning is vereist, dat het centrum deel uitmaakt van een groep die een multinationaal karakter heeft, over kapitaal en reserves ten bedrage van ten minste één miljard Belgische frank (BEF) beschikt en een geconsolideerde jaaromzet behaalt van ten minste tien miljard BEF. Enkel bepaalde voorbereidende, ondersteunende of centralisatiewerkzaamheden zijn toegestaan, terwijl ondernemingen uit de financiële sector niet voor toepassing van de regeling in aanmerking komen. Na de eerste twee jaar van werkzaamheid moet het centrum in België ten minste het equivalent van tien voltijdwerknemers in dienst hebben.

20.
    De erkenning wordt voor de duur van tien jaar verleend en kan daarna voor een zelfde periode worden verlengd.

21.
    De belastingregeling voor de erkende coördinatiecentra wijkt in diverse opzichten af van de normale regeling.

22.
    In de eerste plaats wordt het belastbaar inkomen van de centra forfaitair vastgesteld volgens de zogenoemde „cost plus”-methode. Het bedraagt een percentage van de uitgaven en bedrijfskosten.

23.
    In de tweede plaats zijn de centra vrijgesteld van de onroerende voorheffing over de voor hun bedrijfsactiviteiten gebruikte onroerende goederen.

24.
    In de derde plaats is het kapitaalrecht van 0,5 % niet verschuldigd over inbrengen in een centrum of verhogingen van het statutair kapitaal.

25.
    In de vierde plaats zijn de centra vrijgesteld van de roerende voorheffing over door hen uitgekeerde dividenden, rente en royalty's (met enkele uitzonderingen) en over hun inkomsten uit kasgelddeposito's.

26.
    In de vijfde plaats betalen de centra een vaste jaarlijkse belasting van 400 000 BEF per voltijdwerknemer, met een maximum van 4 miljoen BEF per centrum.

Werkzaamheden van de Raad inzake schadelijke belastingconcurrentie

27.
    In het kader van een algemene discussie over schadelijke belastingconcurrentie heeft de Raad op 1 december 1997 een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen vastgesteld (PB 1998, C 2, blz. 2). Daarbij verbonden de lidstaten zich bepaalde aspecten van hun als schadelijk aangemerkte belastingmaatregelen geleidelijk af te schaffen, terwijl de Commissie te kennen gaf, dat zij de in de lidstaten bestaande fiscale regelingen zou onderwerpen aan een onderzoek of heronderzoek in het licht van de voorschriften inzake staatssteun.

28.
    Deze verschillende initiatieven hadden mede betrekking op de Belgische belastingregeling voor coördinatiecentra.

De feiten vóór de bestreden beschikking

29.
    De belastingregeling voor coördinatiecentra was al bij haar invoering door de Commissie onderzocht. Met name in de op 16 mei 1984 en 9 maart 1987 in briefvorm meegedeelde beschikkingen was de Commissie tot de conclusie gekomen, dat een op de forfaitaire vaststelling van de inkomsten van coördinatiecentra gebaseerde regeling geen steunelement bevatte.

30.
    Na de vaststelling op 11 november 1998 van een mededeling over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (PB C 384, blz. 3) begon de Commissie met een algemeen onderzoek van de belastingwetgeving van de lidstaten vanuit het oogpunt van de voorschriften inzake staatssteun.

31.
    In dat verband verzocht de Commissie de Belgische autoriteiten in februari 1999 om bepaalde inlichtingen betreffende, onder meer, de regeling voor coördinatiecentra. De Belgische autoriteiten antwoordden in maart 1999.

32.
    In juli 2000 deelden de diensten van de Commissie de Belgische autoriteiten mee, dat genoemde regeling in hun opvatting een steunmaatregel was. Ter inleiding van de samenwerkingsprocedure nodigden de diensten van de Commissie de Belgische autoriteiten overeenkomstig artikel 17, lid 2, van verordening nr. 659/1999 uit, binnen een maand hun opmerkingen te maken.

33.
    In brieven van september en december 2000 en september 2001 betoogden de Belgische autoriteiten, dat de Commissie als college, en niet haar diensten, bevoegd was zich terzake uit te spreken en de samenwerkingsprocedure in te leiden.

34.
    Op 11 juli 2001 nam de Commissie op de grondslag van artikel 88, lid 1, EG vier voorstellen voor dienstige maatregelen aan, onder meer met betrekking tot de regeling voor coördinatiecentra. Zij gaf de Belgische autoriteiten in overweging die regeling op een aantal punten te wijzigen, met dien verstande dat de centra die vóór de aanvaarding van die wijzigingen door de Belgische autoriteiten waren erkend, tot 31 december 2005 gebruik konden blijven maken van de oude regeling.

35.
    Bij brief van 19 september 2001 maakten de Belgische autoriteiten een aantal opmerkingen over de gevolgde procedure en over de grond van de zaak.

36.
    Daar de Belgische autoriteiten de voorgestelde dienstige maatregelen niet aanvaardden, leidde de Commissie overeenkomstig artikel 19, lid 2, van verordening nr. 659/1999 bij een bij brief van 27 februari 2002 betekende beschikking (PB C 147, blz. 2) de formele onderzoeksprocedure in. Zij nodigde het Koninkrijk België uit, haar opmerkingen te maken en alle voor de beoordeling van de in geding zijnde maatregel dienstige inlichtingen te verschaffen. Voorts nodigde zij die lidstaat en alle belanghebbenden uit, opmerkingen te maken en dienstige gegevens te verschaffen om te kunnen bepalen of er bij de begunstigden van de bestaande regeling een gewettigd vertrouwen bestond dat ertoe noopte in overgangsmaatregelen te voorzien.

37.
    Nadat de aanvankelijke termijn met een maand was verlengd, stelden de Belgische autoriteiten de Commissie bij brief van 12 april 2002 in kennis van hun standpunt.

38.
    Bij brief van 16 mei 2002 deelden de Belgische autoriteiten de Commissie een voorontwerp van wet tot wijziging van koninklijk besluit nr. 187 mee, dat door de Commissie onder nr. N351/2002 als een nieuwe steunmaatregel werd ingeschreven.

39.
    Na ettelijke bijeenkomsten verzocht de Commissie het Koninkrijk België in juli 2002 om aanvullende informatie zowel over de bestaande regeling als over het meegedeelde ontwerp. Aan dit verzoek voldeden de Belgische autoriteiten bij brief van 30 augustus 2002. Aan de formele onderzoeksprocedure inzake de maatregel in geding hebben ook belanghebbende derden deelgenomen.

De bestreden beschikking

40.
    Op 17 februari 2003 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld, die dezelfde dag ter kennis van het Koninkrijk België is gebracht. Na te hebben geconstateerd dat de formulering van artikel 2 van het dispositief van de beschikking in strijd kon lijken met de in de punten 122 en 123 getrokken conclusies, besloot de Commissie op 23 april 2003 artikel 2 middels een corrigendum te wijzen. Deze rectificatie werd op 25 april 2003 ter kennis van de lidstaat gebracht.

41.
    In de bestreden beschikking rechtvaardigt de Commissie eerst haar kwalificatie van de regeling voor coördinatiecentra als bestaande steunmaatregel, alsmede de rechtsgrondslag van de gevolgde procedure. Zij zet uiteen, dat in casu artikel 1, sub b, van verordening nr. 659/1999 als rechtsgrondslag kan dienen en dat anders de artikelen 87 EG en 88 EG als eigenlijke rechtsgrondslag voor het optreden van de Commissie zijn te beschouwen.

42.
    De Commissie wijst er verder nog op, dat de bestreden beschikking, zo zij als een intrekking of wijziging van de beschikkingen van 1984 en 1987 ware te beschouwen, voldoet aan de voorwaarden waaronder de Commissie het recht heeft een onwettig gunstig besluit in te trekken of te wijzigen.

43.
    Vervolgens overweegt de Commissie dat de verschillende maatregelen die de belastingregeling voor coördinatiecentra omvat, aan de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG voldoen, terwijl geen van de in de leden 2 en 3 van dat artikel bedoelde afwijkingen van toepassing is.

44.
    Met betrekking tot het gewettigd vertrouwen waarop de coördinatiecentra zich hadden beroepen, wordt in de bestreden beschikking gepreciseerd:

„(117)    De Commissie erkent dat bij de begunstigden van de steun een gewettigd vertrouwen bestaat. Daardoor is het gerechtvaardigd dat de Commissie de centra die op 31 december 2000 over een erkenning beschikten, toestaat van de voordelen van de regeling te blijven profiteren tot het einde van hun erkenningsperiode welke op het tijdstip van de onderhavige beschikking loopt, en uiterlijk tot 31 december 2010. Dit standpunt is gebaseerd op de hieronder uiteengezette elementen.

(118)    [...] [de] overeenkomsten [met de belastingadministratie hebben] slechts betrekking op de feiten en geenszins op de toe te passen regeling. Zij kunnen dus geen juridische garantie geven dat de regeling, zoals zij er uitziet op de datum van de erkenning, in de tien komende jaren in stand zal worden gehouden [...]

(119)    [...] Ofschoon de erkenning geen garantie geeft op het voortbestaan of het voordelig karakter van de regeling, geeft de Commissie toe dat de oprichting van het centrum, de investeringen en de aangegane verbintenissen zijn gebeurd met het redelijke en gewettigde vooruitzicht op een zekere continuïteit in de economische voorwaarden, met inbegrip van de belastingregeling. Derhalve heeft de Commissie besloten een overgangsperiode toe te staan waardoor de .cost plus’-regeling voor de huidige begunstigden geleidelijk kan worden uitgedoofd.

(120)    Aangezien de erkenningen geen enkel recht inhouden inzake het voortbestaan van de regeling noch het voordelige karakter ervan, zelfs voor de erkenningsperiode, is de Commissie van oordeel dat zij in geen geval recht kunnen geven op verlenging van de regeling na de datum waarop de lopende erkenning afloopt. Gezien de uitdrukkelijke beperking van de erkenningen tot tien jaar, is het zelfs niet mogelijk dat een gewettigd vertrouwen zou zijn gesteld in een automatische verlenging, hetgeen zou zijn neergekomen op een theoretisch eeuwigdurende erkenning.”

45.
    De punten 121 tot en met 123 van de bestreden beschikking bevatten de volgende conclusie:

„(121)    De Commissie stelt vast dat de belastingregeling die van toepassing is op de coördinatiecentra in België onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en dat aan de onverenigbaarheid van de verschillende onderdelen ervan een einde moet worden gesteld, door de afschaffing of wijziging ervan. Vanaf de datum van kennisgeving van de onderhavige beschikking mag het voordeel van deze regeling of onderdelen ervan niet meer worden toegekend aan nieuwe begunstigden, noch worden gehandhaafd door verlenging van lopende erkenningen. De Commissie neemt er nota van dat de in 2001 erkende centra sinds 31 december 2002 niet meer profiteren van de regeling.

(122)    Wat de thans onder de regeling vallende centra betreft, erkent de Commissie dat de beschikking van 1984 tot goedkeuring van koninklijk besluit nr. 187, alsmede het door het voor directoraat-generaal Concurrentie verantwoordelijke lid van de Commissie gegeven antwoord op een parlementaire vraag, het gewettigde vertrouwen hebben gewekt dat deze regeling geen inbreuk vormde op de verdragsregels inzake staatssteun.

(123)    Wegens de aanzienlijke investeringen die op basis daarvan werden verricht, is het bovendien op grond van de eerbiediging van het gewettigde vertrouwen en de rechtszekerheid van de begunstigden gerechtvaardigd een redelijke termijn toe te kennen voor de uitdoving van de gevolgen van de regeling voor de reeds erkende centra. De Commissie meent dat deze redelijke termijn afloopt op 31 december 2010. De centra waarvan de erkenning vóór deze datum afloopt, kunnen na de termijn van hun erkenning niet meer profiteren van deze regeling. Na de datum waarop de erkenning afloopt, en in ieder geval na 31 december 2010, zal de verlening of de handhaving van de betrokken belastingvoordelen onwettelijk zijn.”

46.
    De eerste twee artikelen van het dispositief van de bestreden beschikking, zoals gewijzigd, luiden als volgt:

„Artikel 1

De belastingregeling die thans in België van kracht is ten gunste van de coördinatiecentra welke zijn erkend op grond van koninklijk besluit nr. 187, vormt een steunregeling die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

België is ertoe gehouden de in artikel 1 bedoelde steunregeling in te trekken of te wijzigen om deze verenigbaar te maken met de gemeenschappelijke markt.

Vanaf de datum van kennisgeving van de onderhavige beschikking mag het voordeel van deze regeling of onderdelen ervan niet meer worden toegekend aan nieuwe begunstigden, noch in stand worden gehouden door verlenging van lopende erkenningen.

Wat de reeds vóór 31 december 2000 erkende centra betreft, mag de regeling worden gehandhaafd tot de uiterste termijn van de op de datum van kennisgeving van de onderhavige beschikking lopende individuele erkenning, en uiterlijk tot 31 december 2010. Overeenkomstig de tweede alinea mag in geval van verlenging van de erkenning vóór die datum het voordeel van de regeling die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige beschikking, niet meer worden toegekend, zelfs niet tijdelijk.”

De feiten na de bestreden beschikking

47.
    De wijzigingen in koninklijk besluit nr. 187, die de Belgische autoriteiten op 16 mei 2002 ter kennis van de Commissie hadden gebracht, werden op 24 december 2002 door het Belgische parlement aangenomen en op 31 december daaraanvolgend in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De datum van inwerkingtreding ervan moet bij koninklijk besluit worden bepaald.

48.
    Op 23 april 2003 gaf de Commissie een eerste beschikking over de door de Belgische autoriteiten meegedeelde wijzigingen in de regeling voor coördinatiecentra (hierna: „beschikking van 23 april 2003”). Zij keurde de aldus gewijzigde regeling gedeeltelijk goed, maar leidde een formele onderzoeksprocedure in met betrekking tot de handhaving van enkele belastingvrijstellingen.

49.
    Meer bepaald blijkt uit die beschikking, dat de Commissie in beginsel akkoord ging met het gebruik van de forfaitaire „cost plus”-methode en met de manier waarop deze voortaan zou worden toegepast. Daarentegen opende zij een onderzoeksprocedure met betrekking tot de belastingvrijstelling voor de zogenoemde „abnormale” of „goedgunstige” voordelen die aan coördinatiecentra worden toegekend, alsmede ten aanzien van de vrijstelling van de roerende voorheffing en van het kapitaalrecht.

50.
    Verder blijkt uit een faxbericht van de Commissie aan de griffie van het Hof van 28 mei 2003, dat het Koninkrijk België de Commissie bij brief van 26 mei 2003 overeenkomstig artikel 88, lid 3, EG heeft medegedeeld dat zij tot 31 december 2005 bepaalde belastingfaciliteiten zou toekennen aan de ondernemingen die per 31 december 2000 onder de regeling voor coördinatiecentra vielen en waarvan de erkenning tussen 17 februari 2003 en 31 december 2005 zou aflopen.

51.
    Bij brief van dezelfde dag verzocht het Koninkrijk België de Raad die maatregelen overeenkomstig artikel 88, lid 2, derde alinea, EG verenigbaar te verklaren met de gemeenschappelijke markt.

52.
    Tijdens zijn bijeenkomst van 3 juni 2003 stemde de Raad (Ecofin) in beginsel met dit verzoek in en verzocht hij het Comité van permanente vertegenwoordigers al het nodige te doen, opdat de Raad bedoeld besluit ten spoedigste, en in elk geval vóór eind juni 2003, zou kunnen nemen.

Argumenten van partijen

De ontvankelijkheid van het verzoek in zaak C-217/03 R

53.
    Forum 187 is van mening, dat haar beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is. Enerzijds kan zij in eigen naam optreden, aangezien zij een actieve rol in de administratieve procedure heeft gespeeld en de bestreden beschikking haar bestaansreden bedreigt. Anderzijds kan zij optreden in naam van haar leden, die zelf rechtstreeks en individueel door de beschikking worden geraakt.

54.
    Daartegenover betoogt de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen, dat het beroep in de hoofdzaak kennelijk niet-ontvankelijk is, wat ook het verzoek om opschorting niet-ontvankelijk maakt. Forum 187 wordt door de bestreden beschikking immers niet rechtstreeks en individueel geraakt.

55.
    Een vereniging wier taak het is de collectieve belangen van een groep personen te behartigen, wordt niet individueel geraakt door een maatregel die de algemene belangen van die groep treft. Verder is het enkele feit dat men aan de administratieve procedure heeft deelgenomen, niet voldoende om procesbevoegdheid te verkrijgen. Forum 187 heeft geen bijzondere positie ten opzichte van de Belgische autoriteiten, noch wordt haar bestaansreden door de bestreden beschikking bedreigd. Daar een beroep van haar leden tegen een beschikking betreffende een algemene steunregeling niet ontvankelijk zou zijn, kan Forum 187 ook niet in hun plaats optreden.

De fumus boni juris

56.
    Het voorwerp van het beroep in de hoofdzaak van het Koninkrijk België valt niet volledig samen met dat van het beroep van Forum 187. Terwijl laatstgenoemde nietigverklaring van de gehele bestreden beschikking vordert, strekt het beroep van het Koninkrijk België slechts tot nietigverklaring van de beschikking in zoverre deze niet toestaat, dat de erkenning van coördinatiecentra die per 31 december 2003 onder de in geding zijnde regeling vielen, zelfs maar tijdelijk wordt verlengd.

57.
    De middelen waarmee het Koninkrijk België en Forum 187 de fumus boni juris van hun beroepen trachten aan te tonen, zijn dus verschillend, zodat het wenselijk is ze apart weer te geven.

De fumus boni juris in zaak C-182/03 R

58.
    Om het bestaan van fumus boni juris aan te tonen, voert het Koninkrijk België vier middelen aan, aangevuld met een bij afzonderlijke akte voorgedragen nieuw middel.

59.
    In zijn eerste middel stelt het Koninkrijk België dat de Commissie, door hemzelf en de coördinatiecentra waarvan de individuele erkenning in de maanden na de kennisgeving van de bestreden beschikking afloopt, geen redelijke termijn toe te staan, artikel 88, lid 2, EG alsmede het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Het ontbreken van een redelijke termijn belet het Koninkrijk België het noodzakelijke wetgevingsproces tot een goed einde te brengen, houdt niet in het minst rekening met de procedure betreffende de door haar meegedeelde wijzigingen, is in strijd met artikel 88, lid 2, EG, dat volgens het arrest van 2 juli 1974, Italië/Commissie (173/73, Jurispr. blz. 709, punt 12), de lidstaat in beginsel een termijn toekent om zich naar de wijzigingen in een bestaande steunregeling te voegen, en brengt hem in verscheidene opzichten schade toe. Voor de coördinatiecentra waarvan de erkenning binnenkort afloopt, betekent het vervroegde einde van de in geding zijnde regeling dat zij hun activiteiten onmiddellijk moeten stopzetten, wat enorme financiële consequenties heeft, aangezien er ten minste achttien maanden nodig zijn om een dergelijke verandering voor te bereiden.

60.
    In zijn tweede middel stelt het Koninkrijk België, dat de coördinatiecentra een gewettigd vertrouwen in de mogelijkheid van vernieuwing van de erkenning hadden verworven. Dit gewettigd vertrouwen berust in de eerste plaats op de werkzaamheden van de Raad met betrekking tot schadelijke belastingmaatregelen, volgens welke de centra waarvan de erkenning vóór 2005 afloopt, tot dat tijdstip de voordelen van de huidige regeling mochten behouden, al dan niet door vernieuwing van de erkenning. In de tweede plaats blijkt uit de Belgische wettelijke regeling en de voorstukken hiervan, dat de regeling voor coördinatiecentra van blijvende aard is en een recht op vernieuwing van de erkenning inhoudt, zolang het centrum aan de objectieve voorwaarden van koninklijk besluit nr. 187 voldoet.

61.
    Het derde middel is ontleend aan schending van het gelijkheidsbeginsel. De centra waarvan de erkenning in de maanden volgende op de kennisgeving van de bestreden beschikking afloopt, zijn de enige waaraan geen redelijke termijn wordt toegestaan, zonder dat dit verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd.

62.
    In het vierde middel stelt het Koninkrijk België, dat de bestreden beschikking niet naar de eis van het recht is gemotiveerd met betrekking tot de redenen waarom de Commissie, na de noodzaak van een redelijke overgangstermijn te hebben erkend, de vernieuwing van erkenningen vanaf de datum van kennisgeving van de beschikking over de gehele linie verbiedt.

63.
    Volgens het nieuwe middel is door het corrigendum op de bestreden beschikking de interpretatie van die beschikking uiterst onzeker geworden.

64.
    In haar schriftelijke opmerkingen zegt de Commissie, dat zij bereid is voorshands aan te nemen dat het beroep in de hoofdzaak niet kennelijk ongegrond is, maar formuleert zij verder opmerkingen over de vijf middelen die het Koninkrijk België heeft voorgedragen.

65.
    Met betrekking tot het eerste middel betoogt de Commissie, dat België de nieuwe regeling, die bij de beschikking van 23 april 2003 in wezen is goedgekeurd, onmiddellijk in werking kon doen treden, zodat een bijzondere termijn niet noodzakelijk was. Naar nationaal recht zijn de Belgische autoriteiten bovendien niet verplicht een erkenning te vernieuwen. De overgangsperiode die de coördinatiecentra had moeten worden toegestaan, is trouwens al in 1997 begonnen, want vanaf die tijd zijn er tal van „signalen” geweest, dat de bestaande regeling ter discussie stond.

66.
    Met betrekking tot het gewettigd vertrouwen als uitvloeisel van de werkzaamheden van de Raad wijst de Commissie op het voorlopige karakter van die werkzaamheden. Daarenboven laten de door de Belgische autoriteiten genoemde documenten van de Raad andere lezingen toe dan die waarop die autoriteiten zich beroepen. De Commissie betwist ook, dat de regeling voor coördinatiecentra een blijvend karakter heeft.

67.
    De in het derde middel gestelde discriminatie wordt door de Commissie eveneens ontkend. Alle coördinatiecentra die op de datum van de bestreden beschikking een erkenning bezaten, zullen over een erkenning voor een periode van ten minste tien jaar hebben beschikt, inclusief de centra waarvan de erkenning in de maanden na de datum van de beschikking afloopt. De Commissie herinnert er voorts aan, dat zij verplicht is voor een onvervalste mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te zorgen.

68.
    Op het vierde middel - onvoldoende motivering - antwoordt de Commissie, dat zij niet gehouden is een specifieke motivering te verschaffen bij de vervulling van de haar bij artikel 88, lid 1, EG opgedragen taak om bestaande steunregelingen aan een voortdurend toezicht te onderwerpen, net zo min als zij verplicht is een bevel tot terugbetaling van een onverenigbare steun specifiek te motiveren.

69.
    Op het nieuwe middel van het Koninkrijk België antwoordt de Commissie, dat de bestreden beschikking, zoals gerectificeerd, het mogelijk maakt dat de coördinatiecentra waarvan de erkenning tussen 1 januari 2001 en 17 februari 2003 is vernieuwd, het voordeel van de in geding zijnde regeling behouden. De strekking van de beschikking is in geen enkel opzicht onzeker en in elk geval zijn de Belgische autoriteiten tijdig over de bedoelingen van de Commissie geïnformeerd. De Commissie uit dan ook twijfel aan de ontvankelijkheid van dit middel en houdt het overigens voor kennelijk ongegrond.

De fumus boni juris in zaak C-217/03 R

70.
    Ten bewijze van de fumus boni juris van haar verzoek voert Forum 187 vier middelen aan.

71.
    In haar eerste middel stelt zij, dat de bestreden beschikking rechtsgrondslag mist en in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Gezien het standpunt van de Commissie vijftien jaar eerder, kan de beschikking niet op artikel 1, sub b-v, van verordening nr. 659/1999 gebaseerd zijn, aangezien zij niet naar een of andere ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt verwijst, noch op de artikelen 87 EG en 88 EG. Wegens het tijdsverloop kan de Commissie zich evenmin beroepen op haar recht om fouten te verbeteren. Er is dus sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel, verband houdend met de eerbiediging van de onaantastbaarheid van vroegere besluiten.

72.
    In haar tweede middel stelt Forum 187, dat de analyse in de bestreden beschikking, dat de belastingregeling voor coördinatiecentra onder artikel 87, lid 1, EG valt, diverse fouten bevat. Als gevolg van het globale karakter van de analyse is de argumentatie te summier. De beschikking maakt geen correct onderscheid tussen concurrentie tussen nationale belastingregelingen en concurrentie tussen ondernemingen. Zij maakt inbreuk op de soevereiniteit van de lidstaten op belastinggebied. In de praktijk hebben tal van centra geen enkel economisch voordeel bij de regeling in geding. Deze leidt voor de Belgische staat ook niet tot een verlies aan belastinginkomsten, want als de regeling niet bestond, zouden de meeste centra niet in België zijn opgericht. De regeling houdt geen beperking van de mededinging in, aangezien alle multinationals, die als enige behoefte hebben aan een centrum voor concern-interne grensoverschrijdende dienstverlening, er gebruik van kunnen maken, en zij heeft evenmin gevolgen voor de handel tussen lidstaten. Verder heeft de Commissie ten onrechte de bewijslast omgekeerd en bij de Belgische autoriteiten gelegd.

73.
    Het derde middel is ontleend aan schending van het gewettigd vertrouwen dat de Commissie bij de coördinatiecentra heeft opgewekt. In de eerste plaats is het volgens Forum 187 niet zeker dat de centra die vóór 31 december 2000 zijn erkend, maar waarvan de erkenning tussen die datum en de datum van de bestreden beschikking is vernieuwd of gewijzigd, aanspraak hebben op een overgangsperiode. In de tweede plaats is niet voorzien in een overgangsperiode voor de centra waarvan de erkenning na de datum van de beschikking afloopt. Aangezien het sluiten en het overbrengen van een centrum naar elders wel tot twee jaar in beslag kan nemen, heeft de Commissie zich ten onrechte volledig op de wettelijke duur van de erkenning geconcentreerd zonder de praktische en functionele problemen die haar beschikking veroorzaakt, in aanmerking te nemen.

74.
    Het vierde en laatste middel klaagt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd, in het bijzonder wat de redenen waarom de Commissie van haar beschikkingen van 1984 en 1987 is teruggekomen, en de rechtvaardiging van de keuze van de overgangsperiode betreft.

75.
    Antwoordend op het eerste middel betoogt de Commissie, dat de bestreden beschikking op artikel 88 EG is gebaseerd. Voorzover een verwijzing naar verordening nr. 659/1999 noodzakelijk wordt geacht, verwijst de Commissie naar artikel 1, sub b-ii, van die verordening, volgens hetwelk onder „bestaande steunmaatregel” mede is te verstaan een eerder door de Raad of de Commissie goedgekeurde steunmaatregel. In het onderhavige geval vormen de beschikkingen van 1984 en 1987 geen belemmering voor een optreden van de Commissie, onverminderd de inachtneming van het gewettigd vertrouwen van de belanghebbenden, aangezien de betrokken belastingregeling wel degelijk als een steunmaatregel is te beschouwen.

76.
    De Commissie wijst ook de argumenten van Forum 187 in het kader van haar tweede middel af. Een steunregeling kan aan de hand van de algemene kenmerken ervan worden beoordeeld. De Commissie heeft terecht alle gevolgen van de in geding zijnde regeling voor de mededinging in aanmerking genomen. De bestreden beschikking vormt geen verkapte harmonisatie noch maakt zij inbreuk op de soevereiniteit van de lidstaten; zij doet niet meer dan toepassing geven aan de voorschriften van het Verdrag. De bijzondere situatie van bepaalde ondernemingen speelt geen rol bij de algemene beoordeling van de regeling in geding. Dat de regeling gevolgen heeft die de Belgische staat belastinginkomsten kunnen opleveren, sluit geenszins uit dat zij een steunmaatregel is. De selectiviteit van de regeling bestaat er juist in dat zij enkel van toepassing is op multinationals die concern-interne diensten verrichten. En ten slotte, de Commissie heeft de bewijslast niet omgekeerd.

77.
    Met betrekking tot het derde middel, ontleend aan schending van het gewettigd vertrouwen van de begunstigden van de regeling in geding, meent de Commissie dat de bestreden beschikking adequate overgangsbepalingen bevat.

78.
    Op het vierde middel antwoordt de Commissie, dat de bestreden beschikking voldoende met redenen is omkleed.

Spoedeisendheid en belangenafweging

79.
    Het Koninkrijk België en Forum 187 wijzen in het bijzonder op de schade die het gevolg is van de onmogelijkheid het statuut van de coördinatiecentra waarvan de erkenning na de kennisgeving van de bestreden beschikking, maar vóór de uitspraak in de hoofdzaak afloopt, te vernieuwen. Toepassing van de beschikking zal immers onmiddellijk een einde maken aan de activiteiten van die centra in België.

80.
    Volgens het Koninkrijk België zal de inning van de roerende voorheffing over alle geldstromen van de coördinatiecentra een onevenredig voorschot voor de schatkist veroorzaken, daar het totaalbedrag van de voorheffing het totaalbedrag van de vennootschapsbelasting ruimschoots overtreft, wat bovendien tot dubbele belastingheffing leidt. De centra zullen zich dan ook gedwongen zien hun werkzaamheid af te breken en naar het buitenland te vertrekken, vanwaar zij wegens de verrichte langetermijninvesteringen later niet meer terug zullen keren. Hierbij gaat het om een tiental centra.

81.
    Deze schade zal zich vóór het einde van de procedure in de hoofdzaak voordoen en nog voordat het Koninkrijk België in staat is om zijn wetgeving aan te passen en, met goedkeuring van de Commissie, een nieuwe regeling aan te bieden die een kader schept waarin de centra hun activiteiten in België kunnen voortzetten, en aldus die schadelijke gevolgen te voorkomen. De gedeeltelijke goedkeuring van de door de Belgische autoriteiten ter kennis van de Commissie gebrachte nieuwe regeling laat onzekerheid over bepaalde essentiële punten bestaan, die met name de roerende voorheffing betreffen.

82.
    Het vertrek van de centra naar het buitenland zal het Koninkrijk België drieërlei schade opleveren. In de eerste plaats gaat er werkgelegenheid verloren; het gaat daarbij om zo'n 450 arbeidsplaatsen, waarvoor bij de huidige economische crisis en wegens de zeer specifieke kennis en bekwaamheid van het betrokken personeel geen vervanging te vinden is. In de tweede plaats wordt de sector coördinatiecentra, waarvan het belang voor België vaststaat, verzwakt en wordt België's goede naam aangetast. Door het ontbreken van een toereikende overgangsperiode wordt zo de strategie van langdurige vestiging van coördinatiecentra ondermijnd. In de derde plaats berooft deze ontwikkeling de Belgische staat zowel direct als indirect van een belangrijke bron van belastinginkomsten en socialezekerheidsbijdragen.

83.
    Forum 187 wijst op de commerciële problemen waarmee de centra waarvan de erkenning vóór de uitspraak in de hoofdzaak afloopt, te maken zullen krijgen. Hun activiteiten zullen evenals die van de groep waartoe zij behoren, zeer sterk worden verstoord indien zij gedwongen zijn te sluiten zonder over een toereikende overgangsperiode te beschikken om hun werkzaamheid te reorganiseren. De plotselinge sluiting van een coördinatiecentrum zal de multinational dwingen zijn werkwijze radicaal te veranderen, een kostbare en voor zijn economische activiteit zeer schadelijke zaak. Het zal ook de overdracht van bestaande contracten naar andere onderdelen van de groep bemoeilijken. Dit alles is bovendien onomkeerbaar. Er zijn thans acht verzoeken om vernieuwing van de erkenning aanhangig en er moeten er nog 28 worden ingediend.

84.
    Forum 187 noemt ook de situatie van de centra waarvan de erkenning tussen 1 januari 2001 en 17 februari 2003 is vernieuwd of gewijzigd. Indien de bestreden beschikking voor hen de onmiddellijke beëindiging van de betrokken regeling impliceert, leidt dat tot rechtsonzekerheid, wat op zich al een ernstig en onherstelbaar nadeel is, alsmede tot aanzienlijke commerciële schade. Nadat de Commissie een rectificatie van de beschikking had vastgesteld, heeft Forum 187 dit argument echter teruggenomen.

85.
    Volgens het Koninkrijk België en Forum 187 moet de schaal ten gunste van opschorting doorslaan. Zij beklemtonen, dat de Commissie de regeling voor coördinatiecentra twintig jaar lang heeft toegelaten en een overgangsperiode tot 2010 heeft toegestaan, zodat de Gemeenschap maar weinig belang heeft bij haar verzet tegen de opschorting. Het Koninkrijk België wijst er in het bijzonder op, dat een toereikende en adequate overgangsperiode in het belang van de Gemeenschap is en dat het belang dat de Commissie denkt te dienen met een onmiddellijk verbod van wat zij meer dan twintig jaar heeft toegestaan, geen voorrang kan hebben boven het belang van de betrokken lidstaat en de centra om ernstige en onherstelbare schade te vermijden. Forum 187 beklemtoont de concrete schade die haar leden door een dergelijk verbod zullen lijden, en vergelijkt deze met de geringe distorsie van de mededinging die de regeling in geding veroorzaakt.

86.
    De Commissie meent, dat noch in het geval van de coördinatiecentra noch in dat van het Koninkrijk België aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan.

87.
    Met betrekking tot de door België gestelde schade betoogt de Commissie om te beginnen, dat België zich niet op de door de coördinatiecentra geleden schade kan beroepen, aangezien deze niet een gehele sector van de Belgische economie vormen en in casu slechts een tiental centra betroffen zijn.

88.
    De gestelde schade is voorts geen rechtstreeks gevolg van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking, daar deze het in stand houden van de centra in België geenszins verbiedt. Het eventueel beëindigen van hun activiteit of hun verhuizing vloeit voort uit een individuele beslissing van de betrokken centra, die zich daarvoor op vele, niet uitsluitend fiscale criteria baseren.

89.
    Bovendien is de nieuwe belastingregeling voor coördinatiecentra wat de wezenlijke onderdelen ervan betreft, op 23 april 2003 goedgekeurd en kan er zonder verder uitstel tot inwerkingtreding ervan worden besloten. Deze regeling vergt geen grote aanpassing van de boekhouding van de centra. Dat ten aanzien van bepaalde aspecten van de regeling, waaronder de vrijstelling van de roerende voorheffing, de onderzoeksprocedure is geopend, vormt geen echte belemmering voor de centra. De Commissie wijst erop, dat de roerende voorheffing niet verschuldigd is over alle geldstromen tussen het coördinatiecentrum en de vennootschappen van de groep, maar enkel over de periodieke rentebetalingen door het centrum aan die vennootschappen, en dat het gewone belastingrecht in tal van uitzonderingen op de roerende voorheffing voorziet.

90.
    Wat de omvang van de gestelde schade betreft, betwist de Commissie in de eerste plaats, dat de schade die de tien betrokken coördinatiecentra door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking beweerdelijk lijden, kan worden vastgesteld zonder ook maar in het minst de individuele situatie van elk van hen te bezien. In de tweede plaats is die eventuele schade louter financieel en geenszins bedreigend voor het voortbestaan van die centra. Daar deze bovendien tot grote internationale concerns behoren, beschikken zij over de nodige financiële middelen om bijkomende kosten te kunnen opvangen. Met betrekking tot de gestelde contractuele verplichtingen en duurzame investeringen zijn in het verzoek van het Koninkrijk België geen nauwkeurige gegevens te vinden. Ten slotte hebben de centra vanaf 1997 talrijke signalen gekregen, zodat zij op de uiteindelijke beschikking voorbereid konden zijn.

91.
    Daar er van ernstige en onherstelbare schade voor de betrokken centra geen sprake is, aldus de Commissie, geldt dat ook voor het Koninkrijk België. Zelfs indien een tiental centra hun activiteit zouden staken of zouden vertrekken, zal dat voor de Belgische economie geen grote gevolgen hebben. Hoe dan ook kunnen de Belgische autoriteiten alle schade voorkomen door de nieuwe regeling voor coördinatiecentra onverwijld in werking te stellen.

92.
    Met betrekking tot de door Forum 187 gestelde schade wijst de Commissie erop, dat de centra waarvan de erkenning tussen 1 januari 2001 en 17 februari 2003 is vernieuwd of gewijzigd, hun erkenning kunnen behouden.

93.
    De opmerkingen van de Commissie met betrekking tot de overige centra zijn in wezen identiek aan die welke in de punten 88 tot en met 90 supra zijn weergegeven.

94.
    Wat het punt van de belangenafweging betreft, wijst de Commissie erop, dat zij er belang bij heeft dat haar besluiten, ook wanneer deze voor de rechter worden betwist, worden uitgevoerd, en dat haar actie om een onvervalste mededinging in stand te houden, niet wordt belemmerd. Zij beroept zich voorts op de belangen van derde concurrenten, die onder de bestaande situatie te lijden hebben. Het feit dat de Belgische regeling door de Raad als een schadelijke belastingmaatregel is beschouwd, bewijst dat de Gemeenschap belang heeft bij de intrekking of wijziging ervan. Bovendien verlangt de bestreden beschikking niet, dat de steun wordt teruggevorderd, zodat het communautaire belang zonder enige twijfel voorrang dient te hebben boven het belang van de betroffen coördinatiecentra.

Beoordeling

95.
    Krachtens de artikelen 242 EG en 243 EG kan het Hof, indien het van oordeel is dat de omstandigheden dat vereisen, in de bij hem aanhangige zaken opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling of andere voorlopige maatregelen gelasten.

96.
    Artikel 83, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat verzoeken om dergelijke maatregelen een duidelijke omschrijving bevatten van het voorwerp van het geding en van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.

97.
    Volgens vaste rechtspraak kunnen opschorting van tenuitvoerlegging en andere voorlopige maatregelen door de kortgedingrechter worden toegestaan wanneer vaststaat, dat de opschorting of de voorlopige maatregelen op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd zijn (fumus boni juris) en dat zij spoedeisend zijn in die zin, dat zij, om ernstige en onherstelbare schade voor de belangen van de verzoeker te voorkomen, reeds vóór de beslissing in de hoofdzaak moeten worden vastgesteld en effect moeten sorteren (beschikking van 21 maart 1997, Nederland/Raad, C-110/97 R, Jurispr. blz. I-1795, punt 24). In voorkomend geval kan de kortgedingrechter tevens overgaan tot afweging van de betrokken belangen.

De ontvankelijkheid van het verzoek in zaak C-217/03 R

98.
    Volgens vaste rechtspraak moet het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak in beginsel niet worden onderzocht in het kader van een procedure in kort geding, teneinde de beslissing in de hoofdzaak niet te prejudiciëren. Indien evenwel gesteld is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, dient de kortgedingrechter vast te stellen of het beroep bepaalde elementen bevat op grond waarvan voorshands met een zekere mate van waarschijnlijkheid tot de ontvankelijkheid ervan kan worden geconcludeerd (beschikking van 24 september 1996, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C-239/96 R en C-240/96 R, Jurispr. blz. I-4475, punt 37).

99.
    Dat onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep is wegens de spoedeisendheid van het kort geding noodzakelijkerwijs beknopt. De conclusie waartoe de kortgedingrechter komt, prejucieert bovendien niet de beslissing die het Hof bij het onderzoek van de hoofdzaak zal nemen.

100.
    De Commissie betoogt, dat het beroep in zaak C-217/03 kennelijk niet-ontvankelijk is. Forum 187 zou door de bestreden beschikking niet individueel worden geraakt, noch op grond van haar eigen belangen noch omdat zij de collectieve belangen behartigt van ondernemingen die zelf wel individueel door die beschikking worden geraakt.

101.
    Wat de verwijzing naar de eigen belangen van Forum 187 betreft, is het vaste rechtspraak van het Hof dat, ofschoon het behartigen van de algemene en collectieve belangen van een groep justitiabelen niet volstaat om een door een vereniging ingesteld beroep tot nietigverklaring ontvankelijk te maken, een vereniging die met de behartiging van de collectieve belangen van ondernemingen is belast, niettemin ontvangen kan worden in een beroep tegen een eindbeschikking van de Commissie op het gebied van staatssteun, indien zij een eigen belang bij dat beroep geldend kan maken, bijvoorbeeld omdat de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, haar onderhandelingspositie heeft aangetast (arresten van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie, 67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. blz. 219, punten 20-24, en 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C-313/90, Jurispr. blz. I-1125, punten 29 en 30).

102.
    Om haar eigen belang bij het beroep aan te tonen, voert Forum 187 naast de omstandigheid dat zij actief bij de onderzoeksprocedure betreffende de maatregel in geding betrokken was, aan dat zij alle coördinatiecentra vertegenwoordigt en dat haar bestaansreden door de bestreden beschikking wordt ondermijnd.

103.
    De Commissie heeft hierop geantwoord, dat de bestreden beschikking niet betekent dat leden van Forum 187 verdwijnen of uit België worden verdreven. Niettemin vereisen de door die vereniging aangevoerde bijzondere omstandigheden enerzijds een beoordeling van de werkelijke draagwijdte van de beschikking en haar voorzienbare gevolgen voor het lot van de vereniging, en kunnen zij anderzijds de vraag doen rijzen, of een vereniging waarvan de bestaansreden door een beschikking wordt ondermijnd, om die reden een eigen belang bij de nietigverklaring ervan geldend kan maken.

104.
    Waar Forum 187 verwijst naar de behartiging van de belangen van haar leden, die door de bestreden beschikking individueel zouden worden geraakt, moet worden geconstateerd dat deze beschikking weliswaar betrekking heeft op een algemene steunregeling, wat zou betekenen dat het beroep van een door die regeling begunstigde onderneming niet ontvankelijk is, doch ook overgangsbepalingen bevat die rechtstreeks invloed hebben op het lot van gesloten groepen van marktdeelnemers, te weten de coördinatiecentra die op de dag van kennisgeving van de bestreden beschikking al een erkenning bezaten en wier erkenning niet meer kan worden vernieuwd of op 31 december 2010 vervroegd afloopt.

105.
    Over de ontvankelijkheid van een beroep van die marktdeelnemers en, bijgevolg, van het beroep van de hen vertegenwoordigende vereniging kan in kort geding niet worden beslist.

106.
    In het geval van een onderneming die een onwettige steun had ontvangen waarvan de Commissie de terugvordering had gelast, heeft het Hof immers de ontvankelijkheid van het beroep van die onderneming tot nietigverklaring van de negatieve beschikking van de Commissie aanvaard, ofschoon die beschikking op een steunregeling betrekking had (arrest van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C-15/98 en C-105/99, Jurispr. blz. I-8855, punten 31-35).

107.
    Ook al zijn de omstandigheden van de onderhavige zaak duidelijk verschillend, de rechtspraak van het Hof over die ontvankelijkheidsvragen lijkt niet vast genoeg om al in dit kort geding te concluderen dat het beroep van Forum 187 kennelijk niet-ontvankelijk is in zoverre zij met haar beroep voor de belangen van haar leden opkomt.

108.
    Gelet op het voorgaande kan het verzoek van Forum 187 om opschorting van de tenuitvoerlegging niet als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen.

Het voorwerp van de verzoeken om opschorting

109.
    Op een tijdens de hoorzitting gestelde desbetreffende vraag heeft verzoekster in zaak C-217/03 R geantwoord dat, gezien de in de bestreden beschikking aangebrachte rectificatie, haar verzoek om opschorting ondanks de ruimere formulering in wezen samenvalt met het verzoek in zaak C-182/03 R.

De betekenis van de overgangsregeling van de bestreden beschikking

110.
    Gezien de rectificatie van de bestreden beschikking en de uiteenlopende opvattingen daarover waarvan partijen in de schriftelijke procedure blijk hebben gegeven, dient om te beginnen de juiste betekenis van de overgangsregeling van de bestreden beschikking te worden bepaald.

111.
    Na vragen daarover tijdens de hoorzitting hebben partijen ermee ingestemd om in de onderhavige procedure uit te gaan van de gerectificeerde tekst van de beschikking en van de uitlegging die de Commissie er in haar schriftelijke opmerkingen aan geeft (zie boven, punt 69).

112.
    Ten behoeve van deze procedure moet de bestreden beschikking derhalve aldus worden uitgelegd, dat alle coördinatiecentra die op de datum van kennisgeving van de beschikking een erkenning bezaten, deze behouden tot de afloop van hun individuele erkenning en uiterlijk tot 31 december 2010.

113.
    Hieruit volgt dat, in het bijzonder, noch het in punt 63 weergegeven nieuwe middel van het Koninkrijk België in aanmerking behoeft te worden genomen, noch het in punt 84 samengevatte betoog van Forum 187 betreffende de centra waarvan de erkenning tussen 1 januari 2001 en de datum van kennisgeving van de bestreden beschikking is vernieuwd of gewijzigd.

De fumus boni juris

114.
    Voor de beoordeling van de verzoeken om opschorting lijkt het juist, eerst in het bijzonder in te gaan op de middelen inzake het ontbreken van passende overgangsmaatregelen in de bestreden beschikking, om daarna de door het Koninkrijk België en Forum 187 gestelde schade in een beter perspectief te kunnen plaatsen. De onderhavige procedure draait immers om de vraag, of de overgangsmaatregelen waarin de beschikking voorziet, passend zijn: in de eerste plaats hebben de verzoeken om opschorting tot doel een betere overgangsregeling te verkrijgen, in de tweede plaats houdt de gestelde spoedeisendheid verband met het beweerdelijk inadequate karakter van de in de beschikking geregelde overgangsmaatregelen.

115.
    In hun kritiek op de overgangsmaatregelen van de bestreden beschikking verwijzen het Koninkrijk België en Forum 187 naar artikel 88, lid 2, EG, naar het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen van zowel het Koninkrijk België als de coördinatiecentra, het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel.

116.
    In het kader van de beoordeling van de fumus boni juris kan de kortgedingrechter geen definitieve uitspraak over die middelen doen. Onder dit voorbehoud kan niettemin worden vastgesteld, dat zij serieus lijken te zijn.

117.
    Om de betekenis van de bestreden beschikking te kunnen beoordelen, dient om te beginnen de context ervan in aanmerking te worden genomen. Bij de beslissing om de tenuitvoerlegging van een handeling op te schorten, kan immers het juridisch kader waarin die handeling tot stand is gekomen, niet buiten beschouwing worden gelaten.

118.
    Tussen partijen staat vast dat de belastingregeling voor coördinatiecentra na de aanvankelijke beslissing van de Commissie dat deze geen steunmaatregel in de zin van artikel 87, lid 1, EG omvatte, kon blijven worden toegepast zolang ze door de Commissie niet onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt was verklaard (in overeenkomstige zin in verband met een bestaande steunregeling, arresten van 15 maart 1994, Banco Exterior de España, C-387/92, Jurispr. blz. I-877, punt 20, en 9 oktober 2001, Italië/Commissie, C-400/99, Jurispr. blz. I-7303, punt 61).

119.
    Op het eerste gezicht lijkt verder noch het voorstel van de Commissie aan het Koninkrijk België tot het nemen van dienstige maatregelen, noch de latere inleiding van de formele onderzoeksprocedure bij de beschikking van 27 februari 2002 enig zelfstandig rechtsgevolg ten aanzien van België of van de coördinatiecentra te hebben gesorteerd. In het bijzonder hadden de in die beschikking uitgesproken kwalificatie als bestaande steun en de twijfel aan de verenigbaarheid van die steun met de gemeenschappelijke markt een voorlopig karakter en impliceerden zij niet, dat de Commissie had besloten de beschikkingen van 1984 en 1987 te herroepen. Het viel immers niet uit te sluiten, dat de Commissie op grond van de door de belanghebbenden tijdens de formele onderzoeksprocedure verschafte informatie tot een andere conclusie zou komen en uiteindelijk zou vaststellen dat de regeling voor coördinatiecentra geen steunmaatregel vormde of enkel met het Verdrag verenigbare steunelementen omvatte. Het is juist om die reden dat het Gerecht bij zijn beschikking van 2 juni 2003, Forum 187/Commissie (T-276/02, Jurispr. blz. II-2075), het beroep van Forum 187 tot nietigverklaring van de beschikking van 27 februari 2002 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

120.
    Het Koninkrijk België en Forum 187 moesten dus niet per se verwachten, dat de Commissie een beschikking met de inhoud van de bestreden beschikking zou geven.

121.
    Evenmin konden zij van tevoren weten, wanneer de Commissie uitspraak zou doen.

122.
    Hiermee rekening houdend, dient in het licht van de door het Koninkrijk België en Forum 187 aangevoerde middelen summier te worden onderzocht, of de overgangsbepalingen van de bestreden beschikking passend zijn.

123.
    Voor het Koninkrijk België lijken de uit het dispositief van de bestreden beschikking voortvloeiende verplichtingen om te doen of niet te doen, op het eerste gezicht te gelden vanaf de datum van kennisgeving van die beschikking, zonder dat in een bijzondere voorbereidingstermijn is voorzien. Verder mag België enkel voor de lopende erkenningen een overgangsperiode toestaan en mag het geen erkenningen meer vernieuwen.

124.
    In dit stadium valt niet uit te sluiten, dat het ontbreken van die termijn de bestreden beschikking onwettig maakt, nu deze is gegeven in het kader van het heronderzoek krachtens artikel 88, leden 1 en 2, EG van een regeling die tot dan toe door de Commissie was goedgekeurd.

125.
    De Commissie betoogt dat het Koninkrijk België, gezien de gedeeltelijk positieve opstelling van de Commissie in haar beschikking van 23 april 2003, onmiddellijk een nieuwe belastingregeling voor coördinatiecentra had kunnen invoeren.

126.
    Dit argument moge een zeker belang hebben voor de beoordeling van de spoedeisendheid, voor de beoordeling van de fumus boni juris daarentegen lijkt het op het eerste gezicht minder overtuigend, aangezien de geldigheid van de bestreden beschikking moet worden beoordeeld uitgaande van de datum waarop zij is gegeven.

127.
    Wat de coördinatiecentra betreft, kan evenmin bij voorbaat worden uitgesloten dat zij tot zekere hoogte erop mochten vertrouwen dat de Commissie in het geval van een negatieve beschikking overgangsmaatregelen zou vaststellen die gedurende een redelijke periode voor alle centra golden, ongeacht de datum waarop hun erkenning afliep.

128.
    Uit een en ander volgt, dat het betoog van het Koninkrijk België en Forum 187, dat de Commissie een termijn had moeten toestaan aan België om het in staat te stellen zich aan de bestreden beschikking te conformeren, en aan de coördinatiecentra waarvan de erkenning spoedig afliep, om hen in staat te stellen hun werkzaamheid te reorganiseren, in dit stadium niet kan worden afgewezen wat er ook zij van de beoordelingen in het kader van het onderzoek van het beroep in de hoofdzaak.

129.
    Bijgevolg dienen de overige voorwaarden voor verlening van de gevorderde opschorting te worden onderzocht.

Spoedeisendheid en belangenafweging

130.
    Voor de beoordeling van de spoedeisendheid van de gevraagde opschorting moet worden onderzocht, of zij noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige schade die zelfs indien het beroep in de hoofdzaak werd toegewezen, niet zou kunnen worden hersteld.

131.
    De nagenoeg onmiddellijke schorsing van de belastingregeling voor coördinatiecentra lijkt voor een aantal van deze centra, te weten die waarvan de erkenning weldra afloopt, tamelijk ernstige en goeddeels onherstelbare gevolgen te kunnen hebben.

132.
    Deze schade zou zich niet beperken tot de som van de negatieve financiële gevolgen die de bestreden beschikking mogelijk zal hebben voor de coördinatiecentra waarvan de erkenning in de maanden volgende op de kennisgeving van de beschikking afloopt.

133.
    Doordat de bestreden beschikking een einde maakt aan de toepassing van een sinds jaren geldende regeling zonder een algemene definitieve beoordeling van de merites van de ervoor in de plaats komende regeling af te wachten, veroorzaakt zij een situatie van rechtsonzekerheid die zowel schadelijk is voor het Koninkrijk België als voor de groepen waartoe de betrokken coördinatiecentra behoren.

134.
    Met name om de hierboven in punt 82 genoemde redenen is het stellig in het belang van België, dat het de mogelijkheid krijgt de ondernemers wettelijke en fiscale randvoorwaarden te bieden waarin onzekerheid zoveel mogelijk is uitgebannen.

135.
    Voorts zal ook voor bepaalde coördinatiecentra een wettelijk vacuüm met betrekking tot hun specifieke fiscale positie tussen het vervallen van de bestaande en de invoering van de nieuwe regeling tot grote problemen kunnen leiden.

136.
    Niettemin betoogt de Commissie, dat het Koninkrijk België de gestelde schade kan voorkomen door een nieuwe regeling in te voeren die in overeenstemming is met de bestreden beschikking en met die van 23 april 2003.

137.
    In dit kort geding is het echter niet mogelijk te beoordelen, in hoeverre het Koninkrijk België daadwerkelijk in staat is om in alle haast een nieuwe, met geen van die twee beschikkingen strijdige regeling op te zetten.

138.
    Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie België verplicht de regeling voor de coördinatiecentra in te trekken of „te wijzigen om [ze] verenigbaar te maken met de gemeenschappelijke markt”, zonder echter precieze aanwijzingen te geven over de juiste aard van de daarvoor noodzakelijke wijzigingen. Dit lijkt wel te bevestigen dat de taak van de betrokken lidstaat geen gemakkelijke is.

139.
    De modaliteiten van die hypothetische belastingregeling, die zonder het einde van de formele onderzoeksprocedure af te wachten, onmiddellijk in werking zou kunnen treden, vallen evenmin duidelijk uit de beschikking van 23 april 2003 af te lezen. Zo heeft de Commissie wel het beginsel van forfaitaire vaststelling van de belastbare inkomsten van de coördinatiecentra aanvaard, maar zich er voorlopig tegen verzet dat de abnormale of goedgunstige voordelen die de centra van de leden van de groep krijgen, niet bij het aldus vastgestelde belastbaar inkomen worden geteld.

140.
    Bovendien heeft het Koninkrijk België in antwoord op de opmerkingen van de Commissie tijdens de hoorzitting verklaard, dat een gedeeltelijke inwerkingtreding van de nieuwe belastingregeling niet snel bij koninklijk besluit is te verwezenlijken, maar wijzigingen van de wetgeving vereist.

141.
    Dat door onverwijlde toepassing van de bestreden beschikking moeilijk herstelbare schade kan ontstaan, is dus voldoende aannemelijk gemaakt.

142.
    In deze omstandigheden dient de kortgedingrechter de aan elk van de mogelijke oplossingen verbonden risico's tegen elkaar af te wegen. Concreet betekent dit, dat moet worden onderzocht of het belang van het Koninkrijk België en Forum 187 bij gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking zwaarder weegt dan het belang dat door onverwijlde tenuitvoerlegging van de beschikking wordt gediend. Daarbij gaat het erom te bepalen of de eventuele nietigverklaring van de bestreden beschikking in de hoofdzaak herstel van de door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die beschikking ontstane situatie mogelijk zal maken en, omgekeerd, of opschorting van de tenuitvoerlegging de verwezenlijking van de doelstellingen van die beschikking zal verhinderen in het geval dat de beroepen in de hoofdzaak worden verworpen [beschikkingen van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a., C-149/95 P(R), Jurispr. blz. I-2165, punt 50, en 12 juli 1996, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C-180/96 R, Jurispr. blz. I-3903, punt 89].

143.
    Dienaangaande moet worden vastgesteld dat, afgezien van het algemene belang dat met de toepassing van de handelingen van de gemeenschapsinstellingen is verbonden, de Commissie niet in het minst duidelijk heeft gemaakt, welke schade de interne markt zou lijden indien de geleidelijke opheffing van de huidige belastingregeling voor coördinatiecentra tot 31 december 2010 niet gepaard ging met de onmiddellijke toepassing van het litigieuze verbod van vernieuwing van de erkenningen.

144.
    Door het geringe aantal van de betroffen coördinatiecentra zo sterk te beklemtonen, heeft de Commissie integendeel laten doorschemeren dat de gevorderde opschorting geen groot economisch effect zal hebben. Bovendien heeft zij tijdens de hoorzitting toegegeven, dat er bij haar geen klachten van concurrenten zijn binnengekomen, die door een vergelijking van de respectieve ontwikkeling van de betrokken ondernemingen het bewijs hadden kunnen leveren van de concrete mededingingsvervalsende effecten van opschorting.

145.
    Daarentegen zijn blijkens de voorafgegane overwegingen de gevolgen van onverwijlde tenuitvoerlegging voor het Koninkrijk België en Forum 187 geenszins hypothetisch en evenmin onbetekenend.

146.
    Wat in casu echter de doorslag geeft, is dat wanneer de tenuitvoerlegging niet wordt opgeschort, een voor die partijen gunstige uitspraak in de hoofdzaak, althans wat de overgangsregeling van de bestreden beschikking betreft, goeddeels werking zal missen, aangezien eventuele financiële maatregelen niet geschikt lijken om de stabiliteit van het juridisch kader van de coördinatiecentra met terugwerkende kracht te herstellen.

147.
    Verder valt in aanmerking te nemen, dat het Koninkrijk België met de nodige zorgvuldigheid heeft gehandeld om het ontstaan van de gestelde schade te voorkomen. Als reactie op de bedenkingen die de Commissie in haar voorstel voor dienstige maatregelen had geformuleerd, heeft het immers in mei 2002 de Commissie wijzigingen in de bestaande regeling voorgelegd.

148.
    Mitsdien zijn er termen aanwezig om de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te gelasten, voorzover deze het Koninkrijk België verbiedt de op de datum van kennisgeving van die beschikking lopende erkenningen van coördinatiecentra te vernieuwen, met dien verstande dat de werking van eventueel op basis van de onderhavige beschikking toegestane vernieuwingen niet verder mag gaan dan tot de dag van de uitspraak in de hoofdzaak.

DE PRESIDENT VAN HET HOF

beschikt:

1)    De tenuitvoerlegging van beschikking C (2003) 564 def. van de Commissie van 17 februari 2003 betreffende de steunregeling die in België ten uitvoer is gelegd ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra, wordt opgeschort voorzover het Koninkrijk België daarbij wordt verboden de op de datum van kennisgeving van die beschikking lopende erkenningen te vernieuwen.

2)    De werking van eventueel op basis van de onderhavige beschikking toegestane vernieuwingen mag niet verder gaan dan tot de dag van de uitspraak in de hoofdzaak.

3)    De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Luxemburg, 26 juni 2003.

De griffier

De president

R. Grass

G. C. Rodríguez Iglesias


1: Procestaal: Frans.