Language of document : ECLI:EU:C:2019:761

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

19 september 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 49 VWEU – Vrijheid van vestiging – Zelfstandige activiteit – Burger van een lidstaat die haar zelfstandige activiteit heeft beëindigd wegens de fysieke ongemakken waarmee het gevorderde stadium van haar zwangerschap en de periode onmiddellijk na de bevalling gepaard gaan – Behoud van de status van zelfstandige”

In zaak C‑544/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Upper Tribunal (Administrative Appeals Chamber) (bestuursrechter in tweede aanleg, Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 7 augustus 2018, ingekomen bij het Hof op 20 augustus 2018, in de procedure

Her Majesty’s Revenue and Customs

tegen

Henrika Dakneviciute,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, K. Jürimäe, D. Šváby, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 juni 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        Henrika Dakneviciute, vertegenwoordigd door T. Holdcroft, advocate, en D. Rutledge en A. Berry, barristers,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Brandon en Z. Lavery als gemachtigden, bijgestaan door G. Ward, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Montaguti, L. Armati en J. Tomkin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 49 VWEU.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Her Majesty’s Revenue and Customs (belasting- en douanedienst, Verenigd Koninkrijk) en Henrika Dakneviciute over de weigering van die dienst om haar een wekelijkse bijslag voor kinderen ten laste (hierna: „kinderbijslag”) toe te kennen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2004/38/EG

3        Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35) bepaalt in artikel 1, onder a):

„Bij deze richtlijn worden vastgesteld:

a)      de voorwaarden voor uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten door burgers van de Unie en hun familieleden”.

4        Artikel 7 van deze richtlijn, met als opschrift „Verblijfsrecht voor meer dan drie maanden”, bepaalt in de leden 1 en 3:

„1.      Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

a)      indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is, [...]

[...]

3.      Voor de toepassing van lid 1, onder a), behoudt een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, in de volgende gevallen zijn status van werknemer of zelfstandige:

a)      hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt;

b)      hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven;

c)      hij bevindt zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden;

[...]”

5        Artikel 16, leden 1 en 3, van deze richtlijn bepaalt:

„1.      Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht. [...]

[...]

3.      Het ononderbroken karakter van het verblijf wordt niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten in een andere lidstaat of een derde land.”

 Richtlijn 2010/41/EU

6        Overweging 18 van richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PB 2010, L 180, blz. 1) luidt.

„De economische en fysieke kwetsbaarheid van zwangere zelfstandigen [...] maakt het noodzakelijk dat hun het recht op moederschapsuitkeringen wordt toegekend. [...]”

7        Artikel 8, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat vrouwelijke zelfstandigen[...] overeenkomstig het nationale recht een toereikende moederschapsuitkering wordt toegekend die het onderbreken van de beroepsuitoefening wegens zwangerschap of moederschap gedurende ten minste 14 weken mogelijk maakt.”

 Recht van het Verenigd Koninkrijk

 Immigration (European Economic Area) Regulations 2006

8        Regulation 14, lid 1, van de Immigration (European Economic Area) Regulations 2006 [regeling van 2006 betreffende immigratie (Europese Economische Ruimte)], in de versie die gold ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, verleende een recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk van meer dan drie maanden aan „gekwalificeerde personen”.

9        Volgens regulation 6, lid 1, onder b) en c), van deze regeling omvatte het begrip „gekwalificeerde personen” zowel werknemers als zelfstandigen.

10      Regulation 6, lid 2, van deze regeling bepaalde dat een persoon de status van „werknemer” behoudt wanneer hij tijdelijk niet in staat is om te werken wegens ziekte of ongeval, of (onder bepaalde voorwaarden) wanneer hij onvrijwillig werkloos is dan wel vrijwillig is gestopt met werken en is gestart met een beroepsopleiding die verband houdt met zijn vroegere baan.

11      Betreffende de status van „zelfstandige” bepaalde regulation 6, lid 3, van de regeling dat de betrokkene die behoudt wanneer hij tijdelijk niet in staat is om te werken wegens ziekte of ongeval.

 Social Security Contributions and Benefits Act 1992

12      Section 146, leden 2 en 3, van de Social Security Contributions and Benefits Act 1992 (wet van 1992 inzake socialezekerheidsbijdragen) luidt:

„(2)      Aanspraak op wekelijkse kinderbijslag bestaat slechts indien de betrokkene zich in de betreffende week in Groot-Brittannië bevindt.

(3)      Nader kan worden bepaald onder welke omstandigheden iemand voor de toepassing van [lid 2] wordt geacht zich al dan niet in Groot-Brittannië te bevinden.”

 Child Benefit (General) Regulations 2006

13      Regulation 23, lid 4, van de Child Benefit (General) Regulations 2006 [(algemene) regeling kinderbijslag 2006] bepaalt:

„Een persoon wordt geacht niet in Groot-Brittannië aanwezig te zijn in de zin van section 146, lid 2, van de [wet van 1992 inzake socialezekerheidsbijdragen] wanneer hij op of na 1 mei 2004 om kinderbijslag verzoekt en

a)      niet het recht heeft om in het Verenigd Koninkrijk te verblijven; [...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      Dakneviciute, met de Litouwse nationaliteit, verrichtte sinds 2011 in het Verenigd Koninkrijk nachtwerk in loondienst. Toen zij in december 2013 vernam dat zij zwanger was, besliste zij om vanaf 25 december 2013 als zelfstandig schoonheidsspecialiste aan de slag te gaan.

15      Vanaf 11 mei 2014 ontving zij een moederschapsuitkering. Haar kind werd geboren op 8 augustus 2014.

16      Tussen 22 juli 2014 en eind oktober 2014 werkte Dakneviciute niet. Nadien hervatte zij haar werkzaamheden als zelfstandig schoonheidsspecialiste. Aangezien het om bijkomstige werkzaamheden ging, die onvoldoende inkomsten opleverden, zette zij die werkzaamheden weer stop. Op 10 februari 2015 vroeg zij een werkloosheidsuitkering aan, en in april 2015 ging zij opnieuw in loondienst werken.

17      Op 27 augustus 2014 had Dakneviciute kinderbijslag aangevraagd. Die aanvraag werd bij een besluit van 1 februari 2015 afgewezen op grond dat zij volgens het toepasselijke nationale recht niet beschikte over een voldoende verblijfsrecht om aanspraak te kunnen maken op die sociale uitkering.

18      Dat besluit werd op 29 september 2015 nietig verklaard door de First-tier Tribunal (rechter in eerste aanleg, Verenigd Koninkrijk). De belasting- en douanedienst heeft, als dienst die verantwoordelijk is voor het uitkeren van kinderbijslag, tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Upper Tribunal (Administrative Appeals Chamber) (bestuursrechter in tweede aanleg, Verenigd Koninkrijk).

19      Bij tussenbeslissing van 12 januari 2017 heeft de verwijzende rechter het vonnis van de First-tier Tribunal vernietigd op grond dat het blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. De verwijzende rechter oordeelde namelijk dat de economische activiteit die Dakneviciute van 22 juli 2014 tot en met 9 februari 2015 had uitgeoefend verwaarloosbaar en bijkomstig was, zodat zij in die periode niet langer economisch actief was. Volgens de verwijzende rechter is onbetwist dat Dakneviciute haar activiteit staakte wegens de fysieke ongemakken die zij ondervond in een gevorderd stadium van haar zwangerschap en in de periode onmiddellijk na de bevalling, en dat haar hervatting van een economische activiteit, eerst als werkzoekende en vervolgens als werknemer, plaatsvond binnen een redelijke termijn na de geboorte van haar kind.

20      De verwijzende rechter wijst erop dat het Hof in zijn arrest van 19 juni 2014, Saint Prix (C‑507/12, EU:C:2014:2007), heeft geoordeeld dat een vrouw die ophoudt met werken of met het zoeken van werk wegens de fysieke ongemakken die zij ondervindt in een gevorderd stadium van de zwangerschap en in de periode onmiddellijk na de bevalling, haar status van „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU behoudt, mits zij binnen een redelijke termijn na de geboorte van haar kind haar werk weer opneemt of een nieuwe baan vindt. In die context wenst hij te vernemen of die benadering ook kan worden gevolgd voor personen die hun vrijheid van vestiging overeenkomstig artikel 49 VWEU hebben uitgeoefend.

21      Dienaangaande zet de verwijzende rechter uiteen dat de partijen in het hoofdgeding na de uitspraak van het arrest van 20 december 2017, Gusa (C‑442/16, EU:C:2017:1004), hem aanvullende opmerkingen hebben doen toekomen, waarin zij tegengestelde standpunten verdedigen over de toepassing van de in dat arrest aangereikte oplossing. Volgens de belasting- en douanedienst kan die oplossing niet worden toegepast op de situatie in het hoofdgeding aangezien, met name, een persoon die een zelfstandige activiteit uitoefent, zijn werk niet zelf hoeft te verrichten en zijn activiteit op een andere wijze kan voortzetten, bijvoorbeeld door zich door iemand anders te laten vervangen. Dakneviciute is daarentegen van mening dat de overwegingen in de punten 36 en 40 tot en met 44 van het arrest van 20 december 2017, Gusa (C‑442/16, EU:C:2017:1004), de zienswijze bevestigen dat de uitlegging die in het arrest van 19 juni 2014, Saint Prix (C‑507/12, EU:C:2014:2007), van het Unierecht is gegeven, ook geldt voor personen met een zelfstandige activiteit.

22      Daarop heeft de Upper Tribunal (Administrative Appeals Chamber) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Wanneer een burger van de Unie die onderdaan is van een lidstaat:

1)      verblijft in een andere lidstaat (het gastland);

2)      in het gastland werkzaam is geweest als zelfstandige in de zin van artikel 49 VWEU;

3)      een moederschapsuitkering ontving vanaf mei 2014 (moment waarop zij zichzelf wegens haar zwangerschap minder in staat achtte om te werken);

4)      wordt geacht geen reële en daadwerkelijke zelfstandige activiteit meer te hebben uitgeoefend vanaf juli 2014;

5)      beviel in augustus 2014, en

6)      geen reële en daadwerkelijke zelfstandige activiteit heeft hervat in de periode na de bevalling en voordat zij in februari 2015 verzocht om een werkloosheidsuitkering,

dient artikel 49 VWEU dan aldus te worden uitgelegd dat een dergelijke persoon die een zelfstandige activiteit beëindigt in omstandigheden waarin sprake is van fysieke ongemakken in een gevorderd stadium van de zwangerschap en in de periode onmiddellijk na de bevalling, de status van zelfstandige in de zin van dat artikel behoudt, mits zij binnen een redelijke termijn na de geboorte opnieuw economisch actief wordt of werk zoekt?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

23      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een vrouw die een zelfstandige activiteit beëindigt wegens de fysieke ongemakken waarmee het gevorderde stadium van haar zwangerschap en de periode onmiddellijk na de bevalling gepaard gaan, haar status van zelfstandige behoudt mits zij binnen een redelijke termijn na de geboorte van haar kind die activiteit hervat, een andere zelfstandige activiteit opneemt of een baan vindt.

24      Vooraf moet erop worden gewezen dat de verwijzende rechter, om te kunnen vaststellen of Dakneviciute in casu recht heeft op de kinderbijslag waarin de (algemene) regeling kinderbijslag 2006 voorziet, moet weten of zij in de periode van 22 juli 2014 tot en met 9 februari 2015 – waarin zij volgens de door hem geconstateerde feiten, wegens de fysieke ongemakken in een gevorderd stadium van haar zwangerschap en in de periode onmiddellijk na de bevalling, een bijkomstige zelfstandige activiteit heeft gestaakt, om die vervolgens weer op te vatten – overeenkomstig het Unierecht gerechtigd was om in het Verenigd Koninkrijk te verblijven.

25      In dat verband zij opgemerkt dat richtlijn 2004/38 één enkele wetgevingshandeling is, die de eerdere instrumenten van Unierecht codificeert en herziet zodat de burgers van de Unie hun individuele grondrecht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten gemakkelijker kunnen uitoefenen (zie in die zin arrest van 19 juni 2014, Saint Prix, C‑507/12, EU:C:2014:2007, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Zo blijkt uit artikel 1, onder a), van richtlijn 2004/38 dat deze richtlijn de voorwaarden beoogt te regelen waaronder dat recht kan worden uitgeoefend. Tot die voorwaarden behoort, voor een verblijf van meer dan drie maanden, met name de voorwaarde van artikel 7, lid 1, onder a), volgens welke de burgers van de Unie in het gastland de status van werknemer of zelfstandige moeten hebben (arrest van 19 juni 2014, Saint Prix, C‑507/12, EU:C:2014:2007, punt 26).

27      Het Hof heeft geoordeeld dat de situatie van een vrouw die tijdelijk ophoudt met werken wegens omstandigheden die eigen zijn aan het gevorderde stadium van haar zwangerschap en de periode net na de bevalling niet onder artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 valt, dat de gevallen bepaalt waarin een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, die status en het daaraan verbonden verblijfsrecht desondanks behoudt (zie in die zin arrest van 19 juni 2014, Saint Prix, C‑507/12, EU:C:2014:2007, punt 30).

28      Het Hof heeft echter verklaard dat artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 geen uitputtende opsomming geeft van de omstandigheden waarin een burger van de Unie die in het gastland niet langer werknemer of zelfstandige is, de status van „werknemer” voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder a), niettemin behoudt en dus het verblijfsrecht blijft genieten dat uit die status voortvloeit (arrest van 11 april 2019, Tarola, C‑483/17, EU:C:2019:309, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Het Hof heeft in het bijzonder geoordeeld dat een vrouw haar status van „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU in beginsel niet kan verliezen ten gevolge van het feit dat zij er door de fysieke ongemakken in een gevorderd stadium van de zwangerschap en de periode onmiddellijk na de bevalling toe wordt genoopt haar activiteit in loondienst te staken zolang als nodig is om te herstellen. Dat die vrouw gedurende enkele maanden niet daadwerkelijk aan de arbeidsmarkt van het gastland deelneemt, betekent namelijk niet dat zij gedurende die periode niet langer tot die markt behoort, mits zij binnen een redelijke termijn na de bevalling haar werk weer opvat of ander werk vindt (arrest van 19 juni 2014, Saint Prix, C‑507/12, EU:C:2014:2007, punten 40 en 41).

30      In casu wenst de verwijzende rechter te vernemen of de uitlegging in het vorige punt, die is gegeven met betrekking tot een situatie die onder artikel 45 VWEU valt, kan worden toegepast op het geval van een persoon die een zelfstandige activiteit in de zin van artikel 49 VWEU uitoefent.

31      Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat de artikelen 45 en 49 VWEU dezelfde rechtsbescherming verlenen, en dat de kwalificatie van de wijze van uitoefening van een economische activiteit dus geen belang heeft (zie in die zin arrest van 5 februari 1991, Roux, C‑363/89, EU:C:1991:41, punt 23).

32      Volgens vaste rechtspraak van het Hof beoogt het geheel van Verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen immers het de burgers van de Unie gemakkelijker te maken, om het even welke beroepsactiviteit uit te oefenen op het grondgebied van de Unie, en staat het in de weg aan regelingen die deze burgers zouden kunnen benadelen wanneer zij een activiteit willen uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat dan hun lidstaat van herkomst (arrest van 20 december 2017, Simma Federspiel, C‑419/16, EU:C:2017:997, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      Een burger van de Unie zou van de uitoefening van haar recht van vrij verkeer worden weerhouden, indien zij haar status van zelfstandige in het gastland riskeert te verliezen wanneer zij daar zwanger wordt en om die reden haar werkzaamheden beëindigt, al was het maar gedurende korte tijd (zie naar analogie arrest van 19 juni 2014, Saint Prix, C‑507/12, EU:C:2014:2007, punt 44).

34      Bijgevolg moet een vrouw die in de in punt 29 van het onderhavige arrest beschreven situatie verkeert, haar status van zelfstandige in de zin van artikel 49 VWEU onder dezelfde voorwaarden kunnen behouden.

35      Het Hof heeft overigens erkend dat personen die een activiteit in loondienst uitoefenen en zij die een zelfstandige activiteit verrichten zich in een vergelijkbare kwetsbare situatie bevinden wanneer zij zich verplicht zien om hun activiteit te beëindigen, en dat zij dus niet verschillend mogen worden behandeld wat het behoud van hun recht van verblijf in het gastland betreft (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Gusa, C‑442/16, EU:C:2017:1004, punten 42 en 43).

36      Zwangere vrouwen bevinden zich in een vergelijkbare kwetsbare situatie, of zij nu een activiteit in loondienst dan wel een zelfstandige activiteit verrichten.

37      In dat verband heeft de wetgever van de Unie in overweging 18 van richtlijn 2010/41 de economische en fysieke kwetsbaarheid van zwangere zelfstandigen uitdrukkelijk erkend. Daarom schrijft artikel 8, lid 1, ervan de lidstaten voor de maatregelen te nemen die nodig zijn om te waarborgen dat aan vrouwelijke zelfstandigen een toereikende moederschapsuitkering wordt toegekend die het onderbreken van de beroepsuitoefening wegens zwangerschap of moederschap mogelijk maakt onder soortgelijke voorwaarden als die welke gelden voor vrouwen die in loondienst werkzaam zijn.

38      Ten overstaan van de verwijzende rechter is door de belasting- en douanedienst in wezen aangevoerd dat een vrouw die wegens de ongemakken die zij ondervindt in een gevorderd stadium van haar zwangerschap en onmiddellijk na de bevalling, haar zelfstandige activiteit niet zelf kan verrichten, de uitvoering daarvan tijdelijk aan iemand anders kan toevertrouwen. Dat argument, dat ter terechtzitting voor het Hof door de regering van het Verenigd Koninkrijk nogmaals is aangevoerd, kan echter niet tot een andere conclusie leiden. Er kan immers niet van worden uitgegaan dat een dergelijke vervanging altijd mogelijk is, met name wanneer de activiteit in kwestie wordt gekenmerkt door een persoonlijke relatie of een vertrouwensband met een klant.

39      Bijgevolg mag een vrouw die haar zelfstandige activiteit beëindigt wegens de fysieke ongemakken waarmee het gevorderde stadium van haar zwangerschap en de periode kort na de bevalling gepaard gaan, wat het behoud van haar verblijfsrecht in het gastland betreft, niet verschillend worden behandeld in vergelijking met een vrouw met een activiteit in loondienst in een vergelijkbare situatie.

40      Het voorgaande wordt overigens bevestigd door artikel 16, lid 3, van richtlijn 2004/38. Aangezien een afwezigheid wegens een belangrijke gebeurtenis, zoals zwangerschap of bevalling, niet van invloed is op de continuïteit van het vijfjarige verblijf in het gastland die voor de toekenning van een duurzaam verblijfsrecht vereist is, kunnen fysieke ongemakken in een gevorderd stadium van de zwangerschap en de periode onmiddellijk na de bevalling, die een vrouw ertoe nopen tijdelijk op te houden met werken, er a fortiori niet toe leiden dat de betrokkene haar status van zelfstandige verliest (zie naar analogie arrest van 19 juni 2014, Saint Prix, C‑507/12, EU:C:2014:2007, punten 45 en 46).

41      Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een vrouw die een zelfstandige activiteit beëindigt wegens de fysieke ongemakken waarmee het gevorderde stadium van haar zwangerschap en de periode onmiddellijk na de bevalling gepaard gaan, de status van zelfstandige behoudt mits zij binnen een redelijke termijn na de geboorte van haar kind die activiteit hervat, een andere zelfstandige activiteit opneemt of een baan vindt.

 Kosten

42      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 49 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een vrouw die een zelfstandige activiteit beëindigt wegens de fysieke ongemakken waarmee het gevorderde stadium van haar zwangerschap en de periode onmiddellijk na de bevalling gepaard gaan, de status van zelfstandige behoudt mits zij binnen een redelijke termijn na de geboorte van haar kind die activiteit hervat, een andere zelfstandige activiteit opneemt of een baan vindt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.