Language of document : ECLI:EU:T:2021:4

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

13 januari 2021 (*)

„Openbare dienst – Aanwerving – Aankondiging van vergelijkend onderzoek – Algemeen vergelijkend onderzoek EUIPO/AD/01/17 – Besluit om verzoekers naam niet op de reservelijst van het vergelijkend onderzoek te plaatsen – Samenstelling van de jury – Stabiliteit – Aansprakelijkheid”

In zaak T‑548/18,

Lars Helbert, wonende te Alicante (Spanje), vertegenwoordigd door H. Tettenborn, advocaat,

verzoeker,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door A. Lukošiūtė en K. Tóth als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat,

verweerder,

betreffende een beroep krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot nietigverklaring van, ten eerste, het besluit van de jury voor vergelijkend onderzoek EUIPO/AD/01/17 – Administrateurs (AD 6) op het gebied van intellectuele eigendom van 1 december 2017 om verzoekers naam niet op de reservelijst te plaatsen die is opgesteld met het oog op de aanwerving van administrateurs door het EUIPO, en, ten tweede, het besluit van die jury van 7 maart 2018 tot afwijzing van verzoekers verzoek om een heronderzoek, in zijn definitieve vorm, na het besluit van het EUIPO van 8 juni 2018 tot afwijzing van zijn klacht, alsook strekkende tot vergoeding van de schade die verzoeker daardoor zou hebben geleden,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, P. Nihoul (rapporteur) en J. Martín y Pérez de Nanclares, rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 juli 2020,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 12 januari 2017 heeft het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) in het Publicatieblad van de Europese Unie de aankondiging van vergelijkend onderzoek EUIPO/AD/01/17 – Administrateurs (AD 6) op het gebied van intellectuele eigendom (PB 2017, C 9 A, blz. 1; hierna: „aankondiging van het vergelijkend onderzoek”) bekendgemaakt. Dit door EPSO georganiseerde vergelijkend onderzoek beoogde de vorming van een reservelijst met het oog op de aanwerving van administrateurs door het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO). In Publicatieblad C 315 A van 22 september 2017 is een rectificatie van deze aankondiging gepubliceerd.

2        De aankondiging van het vergelijkend onderzoek vermeldde onder het opschrift „Hoe verloopt de selectieprocedure?” dat de kandidaten die voldeden aan de toelatingsvoorwaarden en die een van de hoogste scores hadden behaald bij de preselectie op basis van kwalificaties, werden uitgenodigd voor het „assessment van EPSO”, waar zij zouden worden beoordeeld – door middel van een reeks tests van het type „meerkeuzetoetsen” – op hun vaardigheden op het gebied van verbaal, numeriek en abstract redeneervermogen, vervolgens – door middel van een interview, een elektronische postbakopdracht, een groepsopdracht en een schriftelijke toets – op acht algemene competenties en ten slotte – door middel van een interview – op hun specifieke competenties op het vakgebied van het vergelijkend onderzoek.

3        De aankondiging van het vergelijkend onderzoek preciseerde dat voor de algemene competenties 80 punten konden worden behaald, waarbij de vereiste minimumscore 40 punten bedroeg, en dat voor de specifieke competenties 100 punten konden worden behaald, waarbij de vereiste minimumscore 50 punten bedroeg.

4        Bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, inzake de „algemene bepalingen voor algemene vergelijkende onderzoeken”, vermeldde in punt 6.4 dat de kandidaten konden verzoeken om een heronderzoek van elk besluit van de jury, en in punt 6.5 dat zij het recht hadden om bij het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”), te weten de uitvoerend directeur van het EUIPO, een administratieve klacht in te dienen.

5        Verzoeker, Lars Helbert, heeft zich aangemeld voor het betrokken vergelijkend onderzoek. Op 12 juli 2017 heeft EPSO hem meegedeeld dat hij werd uitgenodigd voor het assessment, waarvan hij de tests op 11 en 12 oktober 2017 heeft afgelegd.

6        Bij schrijven van 1 december 2017 heeft EPSO aan verzoeker meegedeeld dat de jury had besloten hem niet op de reservelijst van geslaagde kandidaten van het vergelijkend onderzoek te plaatsen (hierna: „oorspronkelijk besluit van de jury”). De reden daarvoor was dat verzoeker, hoewel hij 99,5 punten had behaald voor de tests van het assessment, niet behoorde tot de kandidaten die de hoogste scores hadden behaald. De totaalscore van de laatste kandidaat die na afloop van die tests op de reservelijst was geplaatst, bedroeg 102 van de 180 punten.

7        Bij het schrijven van EPSO van 1 december 2017 was een document gevoegd met de titel „Competentiepaspoort”. Uit dit document bleek dat verzoeker op de tests ter beoordeling van zijn algemene competenties in totaal 44,5 van de 80 punten had behaald, en voor het interview over de vakspecifieke competenties 55 van de 100 punten, wat dus een totaalscore opleverde van 99,5 van de 180 punten voor al die tests samen.

8        Op 10 december 2017 heeft verzoeker de jury verzocht om een heronderzoek.

9        De reservelijst is bekendgemaakt in Publicatieblad C 14 A van 16 januari 2018.

10      Op 26 februari 2018 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een klacht ingediend tegen het oorspronkelijke besluit van de jury.

11      Bij schrijven van 7 maart 2018 heeft de voorzitter van de jury verzoeker meegedeeld dat de jury zijn dossier naar aanleiding van het verzoek om een heronderzoek opnieuw had onderzocht en haar oorspronkelijke besluit bevestigde (hierna: „na heronderzoek genomen besluit”).

12      Op 29 april 2018 heeft verzoeker, op suggestie van het EUIPO, bij het EUIPO een aanvulling ingediend op zijn klacht tegen het oorspronkelijke besluit van de jury, zoals bevestigd bij het na heronderzoek genomen besluit.

13      Bij besluit van 8 juni 2018, waarvan op dezelfde dag kennis is gegeven aan verzoeker, heeft het EUIPO die klacht afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).

II.    Procedure en conclusies van partijen

14      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 september 2018, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.

15      Bij beslissing van de president van het Gerecht van 9 juli 2019, genomen krachtens artikel 27, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, is de onderhavige zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur, die zitting heeft in de Eerste kamer.

16      Bij beslissing van het Gerecht van 17 oktober 2019 op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering is de onderhavige zaak opnieuw toegewezen aan de Vierde kamer.

17      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, en heeft het in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering partijen verzocht bepaalde documenten over te leggen en schriftelijk of ter terechtzitting te antwoorden op schriftelijke vragen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan die verzoeken voldaan.

18      Partijen zijn ter terechtzitting van 2 juli 2020 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

19      Verzoeker verzoekt het Gerecht:

–        het oorspronkelijke besluit van de jury en het na heronderzoek genomen besluit in zijn definitieve vorm, na het besluit tot afwijzing van de klacht, nietig te verklaren;

–        het EUIPO te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de „morele en immateriële” schade die hij heeft geleden als gevolg van het oorspronkelijke besluit van de jury en het na heronderzoek genomen besluit;

–        het EUIPO te verwijzen in de kosten.

20      Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

–        het beroep in zijn geheel te verwerpen;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A.      Verzoek tot nietigverklaring

1.      Voorwerp van het verzoek tot nietigverklaring

21      Met zijn eerste conclusie vordert verzoeker nietigverklaring van het oorspronkelijke besluit van de jury en van het na heronderzoek genomen besluit in zijn definitieve vorm, na het besluit tot afwijzing van de klacht. Het verzoekschrift preciseert dat het oorspronkelijke besluit van de jury en het na heronderzoek genomen besluit samen het „bestreden besluit” vormen.

22      Dienaangaande zij opgemerkt dat verzoeker op 10 december 2017 overeenkomstig punt 6.4 van bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek een verzoek om heronderzoek van het oorspronkelijke besluit van de jury heeft ingediend. Bij het na heronderzoek genomen besluit heeft de jury haar oorspronkelijke besluit bevestigd.

23      Het is vaste rechtspraak dat wanneer een persoon wiens verzoek om toelating tot een vergelijkend onderzoek is afgewezen op basis van een precieze bepaling die de administratie bindt, een heronderzoek van dat besluit vraagt, het door de jury na heronderzoek genomen besluit het bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, of, in voorkomend geval, van artikel 91, lid 1, van het Statuut is (arrest van 16 mei 2019, Nerantzaki/Commissie, T‑813/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:335, punt 25; zie in die zin ook beschikking van 3 maart 2017, GX/Commissie, T‑556/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:139, punt 21, en arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 29).

24      Daarmee komt het na heronderzoek genomen besluit in de plaats van het oorspronkelijke besluit van de jury (arrest van 16 mei 2019, Nerantzaki/Commissie, T‑813/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:335, punt 25; zie in die zin ook beschikking van 3 maart 2017, GX/Commissie, T‑556/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:139, punt 22, en arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 29).

25      Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot nietigverklaring aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op het na heronderzoek genomen besluit (hierna: „bestreden besluit”).

2.      Ten gronde

26      Ter onderbouwing van zijn vordering tot nietigverklaring voert verzoeker in wezen vier middelen aan, die respectievelijk zijn gebaseerd op:

–        het gebrek aan stabiliteit van de jurysamenstelling tijdens de mondelinge tests van het vergelijkend onderzoek en ontoereikende coördinatiemaatregelen om te zorgen voor een coherente en objectieve beoordeling, gelijke kansen en een gelijke behandeling van de kandidaten;

–        niet-nakoming van de verplichting om een vergelijkende en objectieve beoordeling van de kandidaten te verrichten, alsook schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het beginsel van gelijke kansen;

–        kennelijke beoordelingsfouten bij de beoordeling van verzoeker;

–        schending van met name de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.

27      In het kader van het eerste middel stelt verzoeker met name het gebrek aan stabiliteit van de jurysamenstelling tijdens de mondelinge tests aan de orde, aangezien niet alle juryleden bij al die tests aanwezig waren en in plaats daarvan „beoordelingscomités”, bestaande uit slechts enkele leden, elk een beperkt aantal kandidaten hebben onderzocht. Zo stelt hij tijdens zijn gesprek over de vakspecifieke competenties te zijn ondervraagd door een beoordelingscomité dat slechts 20 % van de kandidaten zou hebben onderzocht. Volgens hem vereiste een objectieve en uniforme beoordeling van de kandidaten op zijn minst de voortdurende aanwezigheid van een kern van examinatoren gedurende de volledige testperiode. Voorts voert hij aan dat de coördinatiemaatregelen die waren vastgesteld om een coherente en objectieve beoordeling, gelijke kansen en gelijke behandeling van de kandidaten te waarborgen, ontoereikend waren.

28      Derhalve zijn de beginselen van coherentie van de jury, van gelijke kansen voor en gelijke behandeling van de kandidaten, en van de objectiviteit van de beoordelingen alsook de punten 2.4 en 3.1 van bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek geschonden.

29      Dit betoog wordt betwist door het EUIPO.

30      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de agentschappen en de instellingen van de Europese Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken om te bepalen op welke wijze een vergelijkend onderzoek dient te worden georganiseerd en dat de door de rechter van de Unie uitgevoerde toetsing in die context slechts kan plaatsvinden voor zover dat noodzakelijk is om de gelijke behandeling van de kandidaten en de objectieve keuze tussen hen te verzekeren (zie in die zin arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 63).

31      Voorts impliceert de verplichting om ambtenaren aan te werven die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen, dat het TABG en de jury’s voor vergelijkende onderzoeken er bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden op toezien dat vergelijkende onderzoeken zodanig verlopen dat het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten, van een consistente puntenwaardering en van een objectieve beoordeling worden nageleefd (zie in die zin arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 64).

32      Om de gelijkheid tussen de kandidaten, een consistente puntenwaardering en een objectieve beoordeling te waarborgen, moet de jury ervoor zorgen dat de beoordelingscriteria coherent worden toegepast op alle kandidaten, door met name toe te zien op de stabiliteit van haar samenstelling (zie in die zin arresten van 24 september 2002, Girardot/Commissie, T‑92/01, EU:T:2002:220, punten 24‑26, en 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 65).

33      Volgens de rechtspraak dringt deze vereiste zich met name op bij de mondelinge tests zoals aan de orde in het onderhavige geding, aangezien deze tests naar hun aard minder gestandaardiseerd zijn dan de schriftelijke tests (zie in die zin arresten van 10 november 2004, Vonier/Commissie, T‑165/03, EU:T:2004:331, punt 39; 29 september 2010, Brune/Commissie, F‑5/08, EU:F:2010:111, punten 38‑41, en 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 66).

a)      Nadere regels voor het vergelijkend onderzoek

34      In casu blijkt uit punt 2.4 van bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek dat het met de organisatie van het vergelijkend onderzoek belaste orgaan „[...] bij zijn selectieprocedures [systematisch een gelijkekansenbeleid hanteert] om ervoor te zorgen dat alle kandidaten gelijk worden behandeld”.

35      Volgens punt 3.1 van bijlage III bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek wordt „[d]e jury [...] aangesteld om de kandidaten te vergelijken en de beste kandidaten te selecteren op basis van hun competenties, vaardigheden en kwalificaties ten opzichte van de eisen die worden beschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek”. Tevens staat in dit punt te lezen dat „[j]ury’s bestaan uit ambtenaren. De helft wordt benoemd door de administratie (personeelsdienst) en de andere helft door de personeelsvertegenwoordigingen” en dat „[d]e namen van de juryleden worden bekendgemaakt op de website van EPSO (www.eu-careers.eu)”.

36      Overeenkomstig besluit ADM-16‑60 van 23 november 2016 betreffende de benoeming van de juryleden voor het vergelijkend onderzoek, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit ADM-16‑60-Rev4 van 19 september 2017 betreffende de benoeming van de juryleden voor het vergelijkend onderzoek, heeft het EUIPO een jury samengesteld die bestond uit een voorzitter, een vicevoorzitter, acht vaste leden en drie plaatsvervangende leden. De voorzitter, de vicevoorzitter, de acht vaste leden en twee van de drie plaatsvervangende leden waren personeelsleden van het EUIPO, en het derde plaatsvervangend lid was een personeelslid van de Europese Commissie.

37      Het assessment omvatte onder meer twee interviews, het ene over de vakspecifieke competenties en het andere ter beoordeling van de algemene competenties van de kandidaten (hierna: „interview over de algemene competenties”).

38      Partijen zijn het erover eens dat niet alle juryleden bij elk interview aanwezig waren. Uit de informatie die het EUIPO heeft verstrekt in zijn antwoorden van 28 februari en 9 april 2020 op de maatregelen tot organisatie van de procesgang van het Gerecht (hierna respectievelijk: „antwoord van het EUIPO van 28 februari 2020” en „antwoord van het EUIPO van 9 april 2020”), blijkt dat uit twee juryleden samengestelde beoordelingscomités de competenties van elk van de kandidaten tijdens die interviews hebben beoordeeld. Dit was voor verzoeker met name het geval tijdens het interview over de vakspecifieke competenties.

39      In totaal hebben 196 kandidaten de mondelinge tests van het assessment afgelegd, die voor elk van hen bestonden uit het interview over de vakspecifieke competenties en het interview over de algemene competenties. In totaal ging het dus om 392 interviews. Deze tests vonden plaats gedurende een periode van twintig dagen, gespreid over zeven weken. Zij werden op gelijke voet verdeeld over twee assessmentcenters.

40      Tijdens de twintig dagen die aan de mondelinge tests waren gewijd, hebben vier beoordelingscomités, dat wil zeggen twee in elk assessmentcenter, elke dag een deel van de interviews uitgevoerd. In totaal hebben dus tachtig beoordelingscomités de kandidaten verspreid over de twintig testdagen beoordeeld. Hoewel een deel van deze comités gedurende deze periode meermaals in dezelfde samenstelling heeft gezeteld, blijkt uit de antwoorden van het EUIPO van 28 februari en 9 april 2020 dat in die periode niet minder dan 26 verschillende beoordelingscomités de competenties van de 196 voor die tests uitgenodigde kandidaten hebben beoordeeld.

41      Uit de antwoorden van het EUIPO van 28 februari en 9 april 2020 blijkt ook dat geen enkel vast of plaatsvervangend lid aan alle interviews heeft deelgenomen, en dat het hoogste aanwezigheidspercentage 22 % en het laagste 17 % bedroeg. Bovendien heeft geen enkel beoordelingscomité de competenties van meer dan 33 kandidaten beoordeeld tijdens alle mondelinge tests (dat wil zeggen in totaal 392 interviews), hetgeen minder dan een tiende van de kandidaten vertegenwoordigt. Geen enkel beoordelingscomité heeft dus meer dan zeven dagen mondelinge tests afgenomen, noch meer dan drie opeenvolgende dagen tests bijgewoond. Van de drie leden die aan het grootste aantal interviews hebben deelgenomen, met een aanwezigheidspercentage van 22 % voor de eerste en van 21,6 % voor de andere twee, hebben er slechts twee samen kandidaten ondervraagd. Dit hebben zij slechts tijdens acht interviews gedaan, hetgeen slechts 2 % van de mondelinge tests uitmaakt. Het beoordelingscomité dat verzoeker tijdens zijn interview over de vakspecifieke competenties heeft beoordeeld, is bijvoorbeeld uitsluitend op die dag bijeengekomen en heeft in totaal slechts zes kandidaten tijdens zes interviews beoordeeld, hetgeen slechts 1,5 % van de mondelinge tests uitmaakt.

42      Derhalve moet worden vastgesteld dat, zoals verzoeker heeft benadrukt en zoals het EUIPO heeft erkend, de jurysamenstelling tijdens de mondelinge tests bijzonder sterk varieerde.

b)      Onmogelijkheid om te zorgen voor de aanwezigheid van alle juryleden bij alle tests

43      Het EUIPO voert aan dat de variaties in de jurysamenstelling in casu noodzakelijk waren omdat er onmogelijk voor kon worden gezorgd dat alle juryleden bij elke test aanwezig waren.

44      In dit verband dient te worden opgemerkt dat volgens de rechtspraak de stabiliteit van de jurysamenstelling „zoveel mogelijk” moet worden gewaarborgd (zie in die zin arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 66).

45      Bij uitzondering kunnen bijvoorbeeld logistieke problemen verklaren waarom niet ieder jurylid bij elke test aanwezig is (zie in die zin arresten van 29 september 2010, Brune/Commissie, F‑5/08, EU:F:2010:111, punt 41, en 29 september 2010, Honnefelder/Commissie, F‑41/08, EU:F:2010:112, punt 36).

46      Dit is met name het geval wanneer bij een vergelijkend onderzoek met een groot aantal kandidaten, de organisatie van mondelinge tests grote problemen oplevert die verband houden met het feit dat meerdere tests moeten worden georganiseerd voor kandidaten die tot verschillende taalgroepen behoren, en met de noodzaak voor de juryleden, of in elk geval voor sommige van hen, om hun dienstvereisten na te leven wanneer de vergelijkende onderzoeken zich over een relatief lange periode afspelen (zie in die zin arrest van 12 maart 2008, Giannini/Commissie, T‑100/04, EU:T:2008:68, punt 196).

47      In dergelijke omstandigheden kan de noodzaak om de continuïteit van de openbare dienst te waarborgen, een minder strikte toepassing van de regel betreffende de stabiliteit van de jurysamenstelling rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 13 februari 1979, Martin/Commissie, 24/78, EU:C:1979:37, punt 10).

48      In casu voert het EUIPO drie redenen aan om te rechtvaardigen dat de bijzondere kenmerken van de georganiseerde aanwerving en de verplichtingen bij de organisatie van het vergelijkend onderzoek een versoepeling van de toepassing van de regel betreffende de stabiliteit van de jurysamenstelling vereisten.

49      In de eerste plaats voert het EUIPO aan dat er verschillende beoordelingscomités moesten worden opgericht om rekening te houden met de talen waarin de interviews moesten plaatsvinden alsook met de organisatie van interviews die gelijktijdig plaatsvonden in twee assessmentcenters om te voorkomen dat het vergelijkend onderzoek zich over een te lange periode zou uitstrekken.

50      Dienaangaande blijkt uit de door het EUIPO verstrekte informatie dat van de 392 interviews in kwestie 342 interviews, dus bijna negen van de tien interviews, in het Engels zijn gevoerd. Slechts vijftig interviews, dus nauwelijks meer dan één van de tien, zijn in een andere taal gehouden, namelijk twintig in het Spaans, achttien in het Duits, acht in het Frans en vier in het Italiaans.

51      In totaal hebben de beoordelingscomités tijdens de twintig dagen die aan de mondelinge tests waren gewijd, de kandidaten meer dan acht van de tien keer in het Engels beoordeeld, en minder dan twee van de tien keer in een van de vier andere talen. Zo konden de interviews voor laatstgenoemde talen worden beperkt tot drie dagen in het eerste assessmentcenter (op 5, 12 en 19 oktober 2017) en tot vier dagen in het tweede assessmentcenter (5, 12, 19 en 24 oktober 2017), terwijl voor de interviews in het Engels zeventien dagen in het eerste assessmentcenter nodig waren en zestien dagen in het tweede.

52      Uit de door het EUIPO ter terechtzitting overgelegde tabel blijkt ook dat de tien juryleden, daaronder begrepen de vaste en plaatsvervangende leden, in staat waren om de interviews in het Engels te voeren. Hun taalvaardigheden waren bovendien voldoende ruim om hen in staat te stellen de interviews in de meeste van de vier andere talen bij te wonen. Volgens die tabel konden deze tien juryleden immers ook allemaal aan de interviews in het Spaans deelnemen en konden zeven van hen de interviews in het Frans bijwonen, zes de interviews in het Duits en vier de interviews in het Italiaans.

53      Uit het voorgaande volgt dat de taalkundige verscheidenheid op zich de in de punten 40 en 41 hierboven vastgestelde variatie in de jurysamenstelling niet kan rechtvaardigen. In het bijzonder zorgen de ruime taalkennis waarover de juryleden beschikten en het zeer grote aantal interviews in het Engels ervoor dat het niet gerechtvaardigd was dat slechts twee juryleden elke kandidaat tijdens de interviews beoordeelden, en evenmin dat elk jurylid zo’n klein aantal kandidaten ondervroeg.

54      De omstandigheid dat de tests over twee assessmentcenters werden verdeeld om de duur van het vergelijkend onderzoek te verkorten, kan op zich evenmin de oprichting van een dergelijk groot aantal verschillende beoordelingscomités – in casu 26 – rechtvaardigen.

55      In de tweede plaats betoogt het EUIPO dat er verschillende beoordelingscomités moesten worden opgericht om tal van belangenconflicten te vermijden.

56      Gevraagd om dit argument toe te lichten heeft het EUIPO ter terechtzitting enkel kunnen aanvoeren dat de belangenconflicten die in casu waren gerezen, in twee categorieën konden vallen, te weten het bestaan van, ten eerste, vriendschapsbanden en, ten tweede, een hiërarchische relatie tussen bepaalde kandidaten en juryleden.

57      Nadat het opnieuw was verzocht om dit argument nader toe te lichten, heeft het EUIPO ter terechtzitting erkend dat het niet in staat was om nader aan te geven welke belangenconflicten zich daadwerkelijk hadden voorgedaan en evenmin om specifieke voorbeelden van dergelijke conflicten te geven.

58      In die omstandigheden kan niet worden bepaald in hoeverre het risico van belangenconflicten een werkwijze van de jury als beschreven in de punten 40 en 41 hierboven kon vereisen.

59      In de derde plaats wijst het EUIPO erop dat bepaalde juryleden niet voldoende beschikbaar waren om met elke kandidaat of in elk geval met een groot aantal van hen een interview te houden.

60      In dit verband moet worden opgemerkt dat de organisatie van een vergelijkend onderzoek deel uitmaakt van de maatregelen die de agentschappen en de instellingen van de Unie moeten nemen om de hun ter beschikking gestelde personele middelen te beheren.

61      In deze context moeten de agentschappen en de instellingen van de Unie het personeel dat bij aanwerving wordt ingezet gedurende een voldoende lange periode kunnen vrijstellen om zijn taak te kunnen vervullen, omdat anders het risico bestaat dat, zoals nochtans is vereist, niet de ambtenaren of functionarissen worden aangeworven die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen.

62      Bovendien kunnen vaste leden van een jury voor een vergelijkend onderzoek, bij verhindering, voor de tests van sommige kandidaten worden vervangen door plaatsvervangende leden, zodat de jury haar werkzaamheden binnen een redelijke termijn kan uitvoeren (zie in die zin arresten van 13 september 2005, Pantoulis/Commissie, T‑290/03, EU:T:2005:316, punt 78, en 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      Uit het voorgaande volgt dat de door het EUIPO aangevoerde omstandigheden niet rechtvaardigen dat de jury wordt opgesplitst in 26 verschillende beoordelingscomités om 196 kandidaten voor de mondelinge tests te ondervragen.

c)      Coördinatie bedoeld om de gelijkheid tussen de kandidaten, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling te waarborgen

64      Het EUIPO, dat op dit punt door verzoeker wordt bekritiseerd, betoogt dat de variaties in de samenstelling van de jury aanvaardbaar waren gelet op de maatregelen die waren genomen om te zorgen voor de gelijke behandeling van de kandidaten, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling.

65      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak de stabiliteit van de samenstelling van de jury geen eis op zich is, maar een manier om de gelijke behandeling van de kandidaten, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling te waarborgen (zie in die zin arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 70).

66      Het valt niet uit te sluiten dat de gelijke behandeling van de kandidaten, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling kunnen worden bereikt met middelen zoals het voorzien in de nodige coördinatie om te zorgen voor de naleving van deze drie beginselen (zie in die zin arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie, F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 67).

67      Verzoeker is van mening dat, anders dan het EUIPO meent op basis van het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14), hiervan in casu geen sprake is geweest.

68      Er zij aan herinnerd dat in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14), verschillende maatregelen waren overwogen om voor de mondelinge tests van het assessment verschillende cognitieve biases die normaal bij beoordelaars worden geconstateerd, te voorkomen en aldus te zorgen voor de gelijke behandeling, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling (punt 25 van dat arrest).

69      In de eerste plaats was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14), bepaald dat de jury moest bijeenkomen:

–        om te bepalen hoe de tests zouden plaatsvinden;

–        om de twee of drie dagen, telkens als de door de kandidaten behaalde punten werden verzameld om te komen tot een beoordeling van de vaardigheden van de kandidaten die gedurende die periode aan de beurt waren geweest;

–        om na afloop van alle tests na te gaan of de beoordelingen van de kandidaten consistent waren, waarbij de eindbesluiten gezamenlijk door de voltallige jury werden genomen op basis van de bij alle tests behaalde resultaten (punten 26 en 71 van dat arrest).

70      In de tweede plaats was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14), bepaald dat er rekening moest worden gehouden met de maatregelen die waren genomen om verschillende cognitieve biases die normaal bij beoordelaars worden geconstateerd, te voorkomen en aldus te zorgen voor de gelijkheid tussen kandidaten, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling, waaronder:

–        het gebruik van voorgestructureerde tests die waren gebaseerd op een vooraf bepaalde methodiek waarbij tevoren aangegeven gedragsindicatoren werden gebruikt;

–        de aanwezigheid van de voorzitter van de jury tijdens de eerste minuten van alle tests om toe te zien op de juiste toepassing van de methodiek;

–        het uitvoeren van onderzoeken en analysen om na te gaan of de puntenwaardering consistent was (punten 26 en 72 van dat arrest).

71      Vastgesteld moet worden of er in de onderhavige zaak was voorzien in dergelijke coördinatiemaatregelen, zoals het EUIPO stelt.

1)      Uitwisselingen binnen de jury

72      Het EUIPO betoogt dat regelmatige gedachtewisselingen tussen de juryleden en wekelijkse vergaderingen van de volledige jury haar in staat hebben gesteld de prestaties van alle kandidaten van wie de competenties reeds waren beoordeeld te bespreken en die kandidaten te vergelijken.

73      Verzoeker is evenwel van mening dat de betrokken uitwisselingen en vergaderingen geen uitwisseling van meningen over de relatieve verdiensten van de kandidaten mogelijk hebben kunnen maken, omdat er geen vaste kern van examinatoren was die een voldoende groot deel van de kandidaten heeft beoordeeld.

74      In dit verband volgt uit het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14, punten 26 en 71), dat de uitwisselingen die vóór, tijdens en na de tests tussen de juryleden plaatsvinden, van bijzonder belang zijn om te zorgen voor de gelijke behandeling van de kandidaten, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling.

75      In de eerste plaats heeft het EUIPO de presentielijsten overgelegd van 19 vergaderingen die hebben plaatsgevonden vóór de tests van het assessment, tussen 9 december 2016 en 21 juni 2017.

76      Vastgesteld moet worden dat niet alle juryleden op elk van die 19 vergaderingen aanwezig waren. Bovendien werd geen enkel verslag van die vergaderingen overgelegd, zodat onmogelijk kan worden uitgemaakt wat er is besproken. Het Gerecht kan met name niet nagaan of tijdens die vergaderingen is beslist hoe de tests zouden verlopen, zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14) (zie punt 69 hierboven). Aangezien de vergaderingen hebben plaatsgevonden vóór het begin van de tests van het assessment, konden zij de jury bovendien niet in staat stellen de prestaties en de verdiensten van de kandidaten te onderzoeken of hen te vergelijken.

77      In de tweede plaats verwijst het EUIPO naar zeven wekelijkse vergaderingen die hebben plaatsgevonden tijdens de fase van het vergelijkend onderzoek in het assessmentcenter. De jury is aan het einde van elk van de zeven weken van de mondelinge tests bijeengekomen, dat wil zeggen op 15, 22 en 29 september 2017 en vervolgens op 3, 13, 20 en 26 oktober 2017.

78      Op basis van de door het EUIPO verstrekte gegevens kan echter met name niet worden nagegaan welke juryleden aanwezig waren tijdens de zeven wekelijkse vergaderingen in kwestie en wat het precieze doel van die vergaderingen was, in het bijzonder in hoeverre die vergaderingen hebben geleid tot uitwisselingen over de prestaties van de kandidaten en tot de vergelijkende beoordeling van die kandidaten.

79      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het EUIPO, hoewel het in zijn antwoord van 28 februari 2020 stelt dat de jury tijdens de zeven wekelijkse vergaderingen in kwestie „over het algemeen voltallig, inclusief voorzitter en vicevoorzitter”, bijeenkwam en dat „slechts af en toe, wanneer een volwaardig lid niet beschikbaar was, dit lid werd vervangen door zijn plaatsvervanger die in de jury’s van de betrokken week zetelde”, in zijn antwoord van 9 april 2020 aangeeft dat de wekelijkse vergaderingen alleen werden bijgewoond door de juryleden die de interviews gedurende de betrokken week hadden afgenomen, met inbegrip van de voorzitter en de vicevoorzitter van de jury.

80      Daarnaast heeft het EUIPO, anders dan voor de vergaderingen van de jury die vóór en na de mondelinge tests plaatsvonden, geen enkele presentielijst van de zeven wekelijkse vergaderingen in kwestie noch enig ander document overgelegd aan de hand waarvan zijn verklaringen konden worden gecontroleerd. Nadat het EUIPO hierover tot twee keer toe specifieke vragen waren gesteld in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, heeft het geantwoord dat voor die laatste vergaderingen geen presentielijsten waren opgesteld. In het door het EUIPO overgelegde verslag van de vergadering van de jury van 9 november 2017 wordt echter verwezen naar een verslag van de vergadering van de jury van 20 oktober 2017, dat wil zeggen de vergadering die zou hebben plaatsgevonden na afloop van de zesde week van de tests van het assessment. Ter terechtzitting heeft het EUIPO op dit punt erkend dat er sprake was van een tegenstrijdigheid, zonder evenwel te kunnen bevestigen of het verslag dat klaarblijkelijk naar aanleiding van die vergadering is opgesteld, al dan niet bestaat.

81      In de derde plaats heeft het EUIPO het verslag overgelegd van zeven vergaderingen die na de tests van het assessment hebben plaatsgevonden, op 7, 8, 9, 17, 21 en 22 november 2017 en 1 februari 2018:

–        Tijdens de vergadering van 7 november 2017 heeft EPSO statistieken over de beoordeling van de schriftelijke tests overgelegd en vervolgens heeft de jury, op voorstel van EPSO, de punten genuanceerd door de verschillen tussen de door de verschillende juryleden gegeven beoordelingen weg te nemen.

–        Tijdens de vergadering van 8 november 2017 heeft de jury de haar toegezonden klachten onderzocht en verzocht om verduidelijking van de bijzonder lage cijfers, waarbij zij gehoor gaf aan een toelichting over de kwaliteitscontroles door EPSO.

–        Tijdens de vergadering van 9 november 2017 heeft de jury de cijfers van bepaalde kandidaten opnieuw onderzocht, een ontwerpreservelijst opgesteld en de documenten onderzocht die de geselecteerde kandidaten hadden verstrekt om hun ervaring op het gebied van intellectuele eigendom aan te tonen.

–        Tijdens de vergaderingen van 17 en 21 november 2017 hebben de juryleden de documenten onderzocht die de kandidaten hadden verstrekt om hun ervaring op het gebied van intellectuele eigendom aan te tonen.

–        Tijdens de vergadering van 22 november 2017 heeft de jury dit onderzoek voortgezet en het vervolg van het proces georganiseerd door in te stemmen met de voorbereiding van het met redenen omklede rapport van de jury, de opstelling van een nota voor de directeur van EPSO en de toezending van deze documenten aan de uitvoerend directeur van het EUIPO.

–        Tijdens de vergadering van 1 februari 2018 heeft de jury de 35 aan haar gerichte verzoeken tot heronderzoek onderzocht en beslist om in al die gevallen haar oorspronkelijke besluiten te bevestigen.

82      Uit het voorgaande volgt dat de jury niet de punten van alle kandidaten heeft vergeleken, maar wel de verschillen tussen de punten, de punten waarover een klacht bestond en die welke volgens de aan de juryleden overgelegde formulieren abnormaal laag waren.

83      Een dergelijk onderzoek garandeert ongetwijfeld, vanuit cijfermatig oogpunt, een onderlinge aanpassing van de door de examinatoren toegekende punten, maar toont niet aan, zoals vereist door het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 71), waarop het EUIPO zich heeft gebaseerd, dat de leden de kandidaten daadwerkelijk hebben vergeleken op een wijze die hun gelijkheid, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling waarborgt.

84      Bovendien heeft het EUIPO niet het bewijs geleverd dat de jury in voltallige samenstelling bijeen is gekomen om de eindbesluiten vast te stellen op basis van de resultaten in alle tests, zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14, punt 26).

85      Uit de door het EUIPO verstrekte informatie blijkt immers dat een aantal van de besluiten is afgerond tijdens de vergadering van 9 november 2017, toen de resultaten van bepaalde kandidaten voor de tests van het assessment opnieuw zijn onderzocht, alsook tijdens de laatste vergadering van de jury, op 1 februari 2018, toen de verzoeken van 35 kandidaten om heronderzoek van de oorspronkelijke besluiten van de jury zijn onderzocht en de jury heeft besloten ze af te wijzen. Hoewel alle vaste en plaatsvervangende juryleden op die twee vergaderingen aanwezig waren, moet worden opgemerkt dat de vicevoorzitter niet bij de laatste vergadering aanwezig was.

86      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het EUIPO onvoldoende gegevens heeft overgelegd om te kunnen aantonen dat de regelmatige uitwisselingen tussen de juryleden het mogelijk hebben gemaakt om de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling van de kandidaten te waarborgen, en dus ook de gelijke behandeling van die kandidaten.

2)      Methodiek en beoordelingscriteria

87      Het EUIPO stelt dat het zich heeft gebaseerd op een methodiek en op vooraf vastgelegde beoordelingscriteria.

88      In antwoord op een vraag hierover van het Gerecht heeft het EUIPO in bijlage F.8 bij zijn antwoord van 28 februari 2020 een document van 13 bladzijden zonder titel overgelegd, zonder ter terechtzitting te kunnen uitleggen in welk opzicht dit document de vereiste beoordelingscriteria bevatte.

89      De eerste bladzijde van het betrokken document, bestaande uit twee tabellen en vijf tekstvakken die elk in een van de vijf talen van het vergelijkend onderzoek zijn opgesteld, bevat:

–        de lijst van competenties die worden beoordeeld tijdens het interview over de vakspecifieke competenties, welke met name zijn opgenomen in de bijlagen I en II bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek met betrekking tot respectievelijk de functieomschrijving van administrateur en de selectiecriteria, en in verzoekers competentiepaspoort;

–        de tabel met de puntenwaardering van die competenties en de weging van elk daarvan in de totaalscore van de kandidaten voor het interview over de vakspecifieke competenties;

–        de schaal voor de beoordeling van de prestaties van de kandidaten tijdens dit interview („onvoldoende”, „bevredigend”, „goed”, „bekwaam”, „zeer bekwaam”, „uitmuntend” en „buitengewoon”), die op basis van die tabel wordt vastgesteld.

90      De tweede tot en met de dertiende bladzijde van het betrokken document zijn tabellen die vergelijkbaar zijn met een van de twee tabellen van de eerste bladzijde van dat document. Deze tabellen lijken te zijn gebruikt voor de beoordeling van de kandidaten tijdens hun interview over de vakspecifieke competenties. Het EUIPO heeft niet aangegeven op welke basis deze tabellen waren gekozen en met name of ze betrekking hadden op kandidaten die op de reservelijst waren geplaatst. Geen van de betrokken tabellen lijkt verzoeker te betreffen, want geen van de daarin vermelde totaalscores komt overeen met de score die hem tijdens zijn interview over de vakspecifieke competenties is toegekend.

91      Uit het voorgaande volgt dat de informatie die is opgenomen in bijlage F.8 bij het antwoord van het EUIPO van 28 februari 2020 niet toereikend kan worden geacht om de vooraf vastgestelde beoordelingscriteria te vormen als vereist in het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14, punten 26 en 73). In die zaak moest de jury voorafgaand aan de tests, naast de te beoordelen competenties, de puntentabel en de schaal van de beoordelingen op basis van die tabel, immers ook de kwalitatieve objectieve criteria vaststellen om die tabel te kunnen toepassen. Die criteria moesten met name de elementen omvatten die van de kandidaten bij hun prestatie werden verwacht en waarmee de juryleden rekening moesten houden bij de beoordeling van de kandidaten, welke beoordeling vervolgens moest worden verfijnd door een vergelijkende beoordeling waarbij rekening werd gehouden met de prestaties van de andere kandidaten. In de onderhavige zaak kunnen noch in die bijlage noch in enig ander deel van het dossier dergelijke criteria worden gevonden, laat staan dat kan worden nagegaan of deze criteria vóór het begin van de tests zijn vastgesteld.

3)      Voorzitterschap van de jury

92      Het EUIPO benadrukt dat de voorzitter en de vicevoorzitter van de jury een belangrijke rol hadden bij de coördinatie.

93      In de eerste plaats werd voor die coördinatie gezorgd door de aanwezigheid van de voorzitter of de vicevoorzitter van de jury gedurende enkele minuten aan het begin van elke test, alsook door hun dagelijkse gedachtewisselingen gedurende de volledige testperiode.

94      Verzoeker is evenwel van mening dat de aanwezigheid van de voorzitter van de jury of de vicevoorzitter tijdens de tests niet volstond om de op hen rustende coördinerende rol te vervullen. De voorzitter kon de verdiensten van de kandidaten slechts indirect beoordelen, zonder de samenhang van de beoordeling en de vergelijking van de kandidaten te kunnen waarborgen, aangezien hij volledig afhankelijk was van de mening van derden en zijn aanwezigheid tijdens het interview over de vakspecifieke competenties van verzoeker te kort was, namelijk slechts vijf tot zeven minuten. Daarenboven hebben de voorzitter van de jury en de vicevoorzitter de competenties van de kandidaten niet beoordeeld, maar slechts geluisterd naar de juryleden die hen ondervraagden. Bovendien hebben zij niet tegelijkertijd maar afwisselend aan de interviews deelgenomen, zodat het onmogelijk is zich ervan te vergewissen dat zij bij de beoordeling van de werkwijze van de juryleden dezelfde criteria hanteerden.

95      In dit verband zij eraan herinnerd dat in de zaak die heeft geleid tot het door het EUIPO aangevoerde arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14), de voorzitter van de jury de eerste minuten van elke test bijwoonde om toe te zien op de juiste toepassing van de methodiek (punten 26 en 72 van dat arrest).

96      In casu heeft het EUIPO erop gewezen dat de voorzitter en de vicevoorzitter van de jury gemiddeld de eerste tien tot vijftien minuten van elk interview hadden bijgewoond. Voorts heeft het toegelicht dat, aangezien de tests over twee assessmentcenters waren verdeeld, die twee personen de interviews tussen elk van deze assessmentcenters onderling hadden verdeeld.

97      Uit een en ander volgt dat de voorzitter en de vicevoorzitter van de jury nooit samen aanwezig waren bij de eerste minuten van een interview. Op dit punt wijkt de organisatie van het vergelijkend onderzoek af van de methode die is onderzocht in het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14), waarin de continuïteit in de interviews was gewaarborgd door de aanwezigheid van eenzelfde persoon, in casu de voorzitter van de jury, tijdens de eerste minuten van elk interview.

98      Volgens het EUIPO kon de continuïteit in de interviews worden gewaarborgd door de dagelijkse gedachtewisselingen die gedurende de volledige testperiode plaatsvonden tussen de voorzitter en de vicevoorzitter van de jury, waardoor zij de werkwijzen van de verschillende beoordelingscomités konden harmoniseren.

99      Om het bestaan van die uitwisselingen aan te tonen, heeft het EUIPO ter terechtzitting verwezen naar de tweede bladzijde van bijlage F.9 bij zijn antwoord van 28 februari 2020. Dit document, met als opschrift „IP COMP AD/01/2017 MARKING ANALYSIS FOR DATE” met de handgeschreven datum „26/9/17”, is een beoordelingsformulier van vijf kandidaten voor vier tests, namelijk drie tests waarin de algemene competenties werden beoordeeld alsook het interview over de vakspecifieke competenties. Op dat formulier is een bepaald aantal cijfers, waarbij het lijkt te gaan om cijfers die tijdens die tests aan die kandidaten werden toegekend, met de hand geschreven. Bovendien staan de vermeldingen „checked” en „OK” in het midden van de bladzijde. Een aantal van die cijfers is ook geel gemarkeerd. Ten slotte bevat de tweede kolom van de tabel, met het opschrift „Comments”, voor drie van de vijf betrokken kandidaten de letter „F”, die met een gele markeerpen met de hand is geschreven.

100    De tweede bladzijde van bijlage F.9 bij het antwoord van het EUIPO van 28 februari 2020 betreft echter de beoordeling van de competenties van de kandidaten, zoals het EUIPO ter terechtzitting heeft erkend, en niet de beoordeling van de juryleden. Op basis van dit document kan dus niet worden aangetoond dat er tussen de voorzitter en de vicevoorzitter van de jury gedachtewisselingen over de coördinatie van de werkmethoden van de juryleden hebben plaatsgevonden, laat staan dat het om dagelijkse uitwisselingen zou gaan.

101    Bovendien blijkt uit niets welke invloed de betrokken gedachtewisselingen kunnen hebben gehad. In het bijzonder heeft het EUIPO geen enkele uitleg verstrekt over de mededeling van de resultaten van die uitwisselingen aan de verschillende beoordelingscomités en evenmin over het gevolg dat die comités daaraan hebben gegeven.

102    In de tweede plaats betoogt het EUIPO dat bij besluit ADM-16‑60 van 23 november 2016, waarbij de jury is aangewezen, en bij de vier latere besluiten waarbij het eerste is gewijzigd, de vicevoorzitter van de jury specifiek werd opgedragen om te zorgen voor de harmonisatie van de criteria en werkmethoden in het kader van het vergelijkend onderzoek.

103    Vastgesteld moet echter worden dat de vicevoorzitter van de jury afwezig was bij verschillende vergaderingen voorafgaand aan of volgend op de tests van het assessment, terwijl deze vergaderingen volgens het EUIPO een cruciale fase vormden in de procedure die de gelijkheid van de kandidaten, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling moest waarborgen.

104    Zo heeft de vicevoorzitter van de jury volgens de in bijlage F.4 bij het antwoord van het EUIPO van 28 februari 2020 verstrekte presentielijsten slechts twaalf van de negentien vergaderingen voorafgaand aan de tests van het assessment bijgewoond en was zij dus afwezig bij zeven daarvan, wat meer dan een derde van die vergaderingen uitmaakt. Hoewel het EUIPO geen enkele aanwijzing heeft verstrekt over het onderwerp van die vergaderingen, is het waarschijnlijk dat zij beslissend waren voor de harmonisatie van de werkmethoden tijdens de tests die zouden volgen en voor de voorbereiding van de juryleden daarop, hetgeen tot de voornaamste taak van de vicevoorzitter behoorde.

105    Wat de zeven vergaderingen na de tests van het assessment betreft, heeft de vicevoorzitter van de jury volgens de notulen van die vergaderingen vijf van die vergaderingen bijgewoond. Zij was daarentegen afwezig op de vergadering van 21 november 2017. Tijdens deze vergadering werden onder meer de documenten besproken die door verschillende kandidaten zijn overgelegd om hun beroepservaring op het gebied van intellectuele eigendom aan te tonen. Bovendien was zij niet aanwezig op de laatste vergadering van de jury op 1 februari 2018. Het was tijdens deze vergadering dat de jury heeft besloten de 35 verzoeken tot heronderzoek die na de bekendmaking van de resultaten van het vergelijkend onderzoek waren ingediend, af te wijzen. Deze onderwerpen vereisten evenwel bijzondere waakzaamheid om ervoor te zorgen dat de besluiten van de jury het resultaat waren van de toepassing van een methodiek en geharmoniseerde criteria.

106    Aangezien het EUIPO geen informatie heeft verstrekt over de deelnemers aan de vermelde wekelijkse vergaderingen (zie de punten 78 en 80 hierboven), kan het Gerecht tot slot niet nagaan of de voorzitter dan wel de vicevoorzitter van de jury aan alle of aan een deel van deze vergaderingen heeft deelgenomen.

4)      Uitvoering van studies en analysen

107    In bijlage F.9 bij zijn antwoord van 28 februari 2020 heeft het EUIPO een document van twee bladzijden overgelegd betreffende studies en analysen die zouden zijn uitgevoerd om na te gaan of de puntenwaarderingen consistent waren.

108    Het EUIPO heeft ter terechtzitting uitgelegd dat de eerste bladzijde van het betrokken document, met als opschrift „Assessor check list (for JSI, CBI, OP)”, de lijst met elementen bevatte in verband met het gedrag van de juryleden tijdens de interviews die door de voorzitter en de vicevoorzitter van de jury tijdens de eerste minuten van hun aanwezigheid bij die interviews werden gecontroleerd. Deze controle had tot doel de hierboven genoemde cognitieve biases te beperken (zie de punten 68 en 70 hierboven).

109    De tweede bladzijde van het betrokken document betreft de beoordeling van de competenties van de kandidaten, zoals in punt 100 hierboven is aangegeven, en niet die van de juryleden. Zij kan dus niet worden beschouwd als een studie of analyse aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de puntenwaardering tussen die leden consistent is.

110    Derhalve is alleen de eerste bladzijde van het betrokken document relevant om het bestaan aan te tonen van studies en analysen die door de voorzitter en de vicevoorzitter van de jury zijn uitgevoerd. Het gaat echter om een blanco document dat op zich geen uitsluitsel geeft over het aantal studies en analysen en evenmin over het feit of die studies en analysen voor ieder jurylid bij elk interview zijn uitgevoerd.

111    Uit het voorgaande volgt dat het EUIPO niet het bestaan heeft aangetoond, in de zin van het arrest van 12 februari 2014, De Mendoza Asensi/Commissie (F‑127/11, EU:F:2014:14, punten 67 en 71‑73), van toereikende coördinatiemaatregelen die waarborgen dat de selectieprocedure op een gelijke behandeling en een coherente en objectieve beoordeling van de kandidaten berustte.

112    De grief die in wezen is ontleend aan schending van de regel van de stabiliteit van de samenstelling van de jury, moet dus worden aanvaard.

113    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de niet-eerbiediging door de jury van de stabiliteit van haar samenstelling, gelet op het belang van de beginselen van de gelijke behandeling van kandidaten, de consistentie van de puntenwaardering en de objectiviteit van de beoordeling, een schending van wezenlijke vormvoorschriften vormt op grond waarvan het bestreden besluit nietig moet worden verklaard (zie in die zin arrest van 10 november 2004, Vonier/Commissie, T‑165/03, EU:T:2004:331, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zonder dat de andere grieven ter ondersteuning van het eerste middel alsook de andere door verzoeker aangevoerde middelen behoeven te worden onderzocht.

B.      Vordering tot schadevergoeding

114    Volgens verzoeker heeft hij „morele en immateriële” schade geleden als gevolg van het onrechtmatige gedrag van de jury en het EUIPO. Deze schade bestaat erin dat het bestreden besluit hem ten minste sinds 1 december 2017 in aanhoudende onzekerheid heeft gebracht, wat sinds die datum een constante bron van ongerustheid was en van invloed is geweest op zijn toekomstige loopbaan bij het EUIPO. Dit besluit heeft ook twijfel doen rijzen over zijn vaardigheden en competenties, druiste in tegen zijn redelijke verwachtingen en heeft ervoor gezorgd dat hij in een aanzienlijke stresstoestand verkeert.

115    Het EUIPO heeft deze vordering betwist.

116    Volgens vaste rechtspraak moet voor de aansprakelijkheid van de Unie aan drie voorwaarden zijn voldaan, namelijk dat de aan de instellingen, organen of instanties verweten gedraging onrechtmatig is, dat de gestelde schade reëel en zeker is, en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de verweten onrechtmatigheid en die schade (arresten van 21 februari 2008, Commissie/Girardot, C‑348/06 P, EU:C:2008:107, punten 52 en 54; 12 maart 2008, Giannini/Commissie, T‑100/04, EU:T:2008:68, punt 327, en 29 november 2018, Di Bernardo/Commissie, T‑811/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:859, punt 60).

117    Deze drie voorwaarden zijn cumulatief, zodat het ontbreken van een ervan voldoende is om de vordering tot schadevergoeding af te wijzen (zie in die zin arresten van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, EU:C:1999:402, punt 14; 10 november 2004, Vonier/Commissie, T‑165/03, EU:T:2004:331, punt 78, en 29 november 2018, Di Bernardo/Commissie, T‑811/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:859, punt 60).

118    In casu heeft verzoeker aangetoond dat het bestreden besluit onrechtmatig was en heeft hij aldus aan de eerste voorwaarde voldaan.

119    Gesteld al dat de morele schade en het oorzakelijke verband kunnen worden geacht vast te staan, heeft verzoeker echter niet gesteld en a fortiori niet aangetoond dat hij morele schade heeft geleden die kan worden losgekoppeld van de onrechtmatigheid waarop de nietigverklaring is gebaseerd en die door die nietigverklaring niet volledig kan worden hersteld, en moet bijgevolg worden geoordeeld dat de nietigverklaring van het bestreden besluit dat deze onrechtmatigheid vertoont, op zich een passend en in beginsel toereikend herstel vormt van de morele schade die dit besluit kan hebben veroorzaakt (zie in die zin arrest van 6 juni 2006, Girardot/Commissie, T‑10/02, EU:T:2006:148, punt 131).

120    Met betrekking tot de immateriële schade dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een beroep tot vergoeding van de door een instelling, orgaan of instantie beweerdelijk veroorzaakte schade, om aan de vereisten van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering te voldoen, de gegevens moet bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoeker aan de instelling, het orgaan of de instantie verwijt, de redenen waarom verzoeker meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, alsmede de aard en de omvang van die schade (zie in die zin arrest van 20 juli 2017, ADR Center/Commissie, T‑644/14, EU:T:2017:533, punten 65 en 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

121    Op basis van de door verzoeker aangevoerde gegevens kan echter niet worden vastgesteld in welk opzicht hij zich wil beroepen op „immateriële” schade die losstaat van de gestelde morele schade. Gesteld al dat dit wel het geval zou zijn, legt verzoeker geen gegevens over op grond waarvan het bestaan van dergelijke schade of de omvang ervan kan worden aangetoond.

122    Derhalve kan niet worden geoordeeld dat er in casu is voldaan aan de tweede voorwaarde voor het verkrijgen van een schadevergoeding.

123    Bijgevolg moet de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.

124    Gelet op een en ander moet het beroep worden toegewezen voor zover het strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit, maar worden verworpen voor het overige.

IV.    Kosten

125    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

126    Aangezien het EUIPO op wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van verzoeker te worden verwezen in zijn eigen kosten alsook in die van verzoeker.

HET GERECHT (Vierde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van 7 maart 2018 waarbij de jury voor algemeen vergelijkend onderzoek EUIPO/AD/01/17 na heronderzoek heeft geweigerd om de naam van Lars Helbert op de reservelijst te plaatsen die is opgesteld met het oog op de aanwerving van administrateurs in de rang AD 6 op het gebied van intellectuele eigendom, wordt nietig verklaard.

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) wordt verwezen in de kosten.

Gervasoni

Nihoul

Martín y Pérez de Nanclares

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 januari 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.