Language of document : ECLI:EU:T:2021:28

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)

20 januari 2021 (*)

„Economische en monetaire Unie – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) – Vaststelling van de vooraf te betalen bijdragen voor 2015 en 2018 – Afwijzing van het verzoek om herberekening en terugbetaling van de bijdragen – Beroep tot nietigverklaring – Voor beroep vatbare handeling – Ontvankelijkheid – Instelling waarvan de vergunning is ingetrokken – Artikel 70, lid 4, van verordening (EU) nr. 806/2014 – Begrip ‚statuswijziging’ – Artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63”

In zaak T‑758/18,

ABLV Bank AS, gevestigd te Riga (Letland), vertegenwoordigd door O. Behrends, advocaat,

verzoekster,

tegen

Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door J. Kerlin en P. Messina als gemachtigden, bijgestaan door B. Meyring, S. Schelo, T. Klupsch en S. Ianc, advocaten,

verweerder,

ondersteund door

Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou, A. Nijenhuis en A. Steiblytė als gemachtigden,

interveniënte,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de brief van de GAR van 17 oktober 2018 waarbij de GAR afwijzend heeft beslist op verzoeksters verzoek om haar vooraf te betalen bijdrage voor 2018 te herberekenen en haar het te veel geïnde bedrag terug te betalen alsook om haar een deel van haar vooraf te betalen bijdrage voor 2015 terug te betalen, nadat haar vergunning door de Europese Centrale Bank (ECB) was ingetrokken,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, A. Kornezov, E. Buttigieg, K. Kowalik‑Bańczyk en G. Hesse (rapporteur), rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 juli 2020,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, ABLV Bank AS, was een Letse kredietinstelling waaraan vergunning was verleend tot 11 juli 2018, de datum waarop haar vergunning door de Europese Centrale Bank (ECB) is ingetrokken (zie punt 11 hieronder). Tot die datum was zij een „belangrijke entiteit” en was zij om die reden onderworpen aan het toezicht van de ECB in het kader van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM).

2        Overeenkomstig artikel 103 van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190), draagt de Republiek Letland er zorg voor dat jaarlijks bijdragen worden geïnd van de instellingen waaraan vergunning is verleend op haar grondgebied.

3        In december 2015 ontving verzoekster dus een bijdragekennisgeving van de Finanšu un kapitāla tirgus komisija (commissie financiële en kapitaalmarkten, Letland) waarbij deze verzoekster in kennis stelde van het bedrag dat zij verschuldigd was als haar vooraf te betalen bijdrage voor 2015, te weten 1 338 112,40 EUR.

4        Deze bijdrage, die verzoekster heeft betaald, is vervolgens overeenkomstig de op 21 mei 2014 te Brussel ondertekende intergouvernementele overeenkomst betreffende de overdracht en mutualisatie van de bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) (hierna: „IGO”) overgedragen aan het GAF.

5        Op 13 februari 2018 heeft het United States Department of the Treasury (ministerie van Financiën van de Verenigde Staten van Amerika, Verenigde Staten) via het Financial Crimes Enforcement Network (FinCEN, netwerk voor de bestrijding van financiële criminaliteit) overeenkomstig section 311 van de Uniting and Strengthening America by Providing Appropriate Tools Required to Intercept and Obstruct Terrorism Act (USA PATRIOT Act) (wet voor het verenigen en versterken van Amerika door het verstrekken van gepaste tools om terrorisme aan het licht te brengen en te bestrijden) een ontwerpmaatregel aangekondigd waarmee verzoekster zou worden aangeduid als een instelling die een aanmerkelijk risico vormde op het gebied van witwassen. Na die aankondiging was verzoekster niet meer in staat om betalingen in US-dollar te verrichten en werd zij geconfronteerd met een massale opname van deposito’s.

6        Voorts heeft de ECB de commissie financiële en kapitaalmarkten de opdracht gegeven een moratorium op te leggen teneinde verzoekster tijd te geven om haar situatie te stabiliseren.

7        Op 23 februari is de ECB tot de slotsom gekomen dat verzoekster moest worden geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen in de zin van artikel 18, lid 1, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1). Diezelfde dag heeft de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) zich in besluit SRB/EES/2018/09 op het standpunt gesteld dat het niet noodzakelijk was in het algemeen belang een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van verzoekster vast te stellen.

8        Op 26 februari 2018 hebben verzoeksters aandeelhouders een procedure ingeleid om verzoekster in staat te stellen haar eigen liquidatie te voltooien en hebben zij de commissie financiële en kapitaalmarkten verzocht om goedkeuring van verzoeksters plan voor vrijwillige liquidatie.

9        Bij besluit SRB/ES/SRF/2018/03 van 12 april 2018 over de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor 2018 heeft de GAR de vooraf te betalen bijdragen voor 2018 goedgekeurd.

10      Bij brief van 27 april 2018 heeft de commissie financiële en kapitaalmarkten verzoekster meegedeeld dat de GAR zijn besluit betreffende de vooraf te betalen bijdragen voor 2018 had vastgesteld en haar het te betalen bedrag meegedeeld. De door verzoekster verschuldigde vooraf te betalen bijdrage voor 2018 bedroeg 1 850 285,83 EUR. Verzoekster heeft dat bedrag op 3 juli 2018 betaald.

11      Op 11 juli 2018 heeft de ECB op voorstel van de commissie financiële en kapitaalmarkten een besluit tot intrekking van verzoeksters vergunning vastgesteld.

12      Bij brief van 17 september 2018 heeft verzoekster de GAR verzocht om terugbetaling van een deel van de betaalde bijdrage voor 2015, herberekening van de vooraf te betalen bijdrage voor 2018 en terugbetaling van de bedragen die in het kader van de vooraf te betalen bijdragen te veel waren geïnd.

13      Bij brief van 17 oktober 2018 (hierna: „bestreden besluit”) heeft de GAR verzoekster geantwoord. In die brief heeft de GAR allereerst verzoeksters verzoek met betrekking tot, ten eerste, haar vooraf te betalen bijdrage voor 2018 en, ten tweede, haar vooraf te betalen bijdrage voor 2015 samengevat. Vervolgens heeft de GAR, wat de vooraf te betalen bijdrage voor 2018 betrof, onder verwijzing naar de tekst van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59 wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44), zich op het standpunt gesteld dat geen van de bepalingen van die twee verordeningen voorzag in de herberekening of terugbetaling waar verzoekster om verzocht. De GAR wees erop dat de intrekking van de vergunning van een kredietinstelling door de ECB, anders dan verzoekster in haar verzoek stelde, een statuswijziging in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 was. Hij was dan ook van mening dat het besluit dat de ECB op 11 juli 2018 ten aanzien van verzoekster had vastgesteld geen gevolgen had voor de jaarlijkse bijdrage die zij verschuldigd was voor 2018 en dat hij ten gevolge van dat besluit evenmin de bijdrage in kwestie diende te herberekenen of gedeeltelijk terug te betalen. Wat ten slotte de vooraf te betalen bijdragen voor 2015 betrof, heeft de GAR gepreciseerd dat de door de lidstaten geïnde bijdragen overeenkomstig artikel 3, lid 3, van de IGO waren overgedragen aan het GAF. De GAR was van mening dat entiteiten die vooraf te betalen bijdragen voor 2015 hadden betaald en waarvan de vergunning vervolgens was ingetrokken, geen recht hadden op terugbetaling van die vooraf te betalen bijdragen, net zoals zij overeenkomstig artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 geen recht hadden op terugbetaling van enige andere vooraf te betalen bijdrage die terecht was betaald. De GAR is op basis van die elementen tot de slotsom gekomen dat hij niet in de mogelijkheid verkeerde verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor 2018 te herberekenen, noch haar het resterende saldo van de vooraf te betalen bijdrage die was betaald voor 2015 terug te betalen op grond dat haar vergunning door de ECB was ingetrokken.

II.    Procedure en conclusies van partijen

14      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 december 2018, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

15      Bij beslissing van de president van de Achtste kamer van het Gerecht van 30 april 2019 is de Europese Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de GAR.

16      Nadat de samenstelling van het Gerecht is gewijzigd, heeft de president van het Gerecht de zaak bij beslissing van 21 oktober 2019 toegewezen aan een nieuwe rechter‑rapporteur die aan de Tiende kamer is toegevoegd.

17      Bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang van 11 mei 2020 heeft het Gerecht partijen verzocht verschillende vragen te beantwoorden.

18      Bij brieven van 4 en 12 juni 2020 hebben de Commissie respectievelijk de GAR geantwoord op de gestelde vragen.

19      Bij brief van 12 juni 2020 heeft ook verzoekster geantwoord op de vraag die haar was gesteld door het Gerecht. Bij brief van 29 juni 2020 heeft zij haar opmerkingen ingediend over de antwoorden van de GAR en de Commissie op de tweede vraag die het Gerecht in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang van 11 mei 2020 had gesteld.

20      Op voorstel van de Tiende kamer van het Gerecht heeft het Gerecht op grond van artikel 28 van zijn Reglement voor de procesvoering beslist om de zaak naar een uitgebreide rechtsprekende formatie te verwijzen.

21      Partijen zijn ter terechtzitting van 6 juli 2020 gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.

22      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        de GAR te verwijzen in de kosten.

23      De GAR verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in alle proceskosten en juridische kosten die zijn opgekomen voor de GAR.

24      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A.      Ontvankelijkheid

25      De GAR voert primair aan dat het verzoekschrift in zijn geheel niet‑ontvankelijk is. In wezen stelt hij ten eerste dat het bestreden besluit geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263 VWEU is. De GAR heeft geen wettelijk vastgestelde bevoegdheid uitgeoefend teneinde rechtsgevolgen in het leven te roepen die verzoeksters belangen kunnen aantasten door haar rechtspositie te wijzigen. Het bestreden besluit is van informatieve aard. Ten tweede verklaart de GAR dat hij betwijfelt of verzoekster voldoet aan de voorwaarde van rechtstreekse geraaktheid. Ten derde is de GAR van mening dat verzoekster voor de periode voorafgaand aan de intrekking van haar vergunning, namelijk van 23 februari tot 11 juli 2018, niet kan verzoeken om nietigverklaring van het bestreden besluit, aangezien in haar verzoek van 17 september 2018 niet werd verwezen naar die periode.

26      Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit een afwijzend besluit is waarbij haar verzoek ondubbelzinnig wordt afgewezen. Zij is van mening dat zij door dat besluit rechtstreeks wordt geraakt aangezien het tot haar is gericht. Voorts betoogt verzoekster dat de GAR in het bestreden besluit elke eventuele herberekening of terugbetaling heeft geweigerd. Zij meent zich bijgevolg ter ondersteuning van haar beroep zowel te kunnen baseren op de periode na 23 februari 2018, de datum van het besluit van de GAR om geen afwikkelingsmaatregel vast te stellen, als op de periode na 11 juli 2018.

27      Wat in de eerste plaats de vraag betreft of het bestreden besluit vatbaar is voor beroep, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak als „voor beroep vatbare handelingen” in de zin van artikel 263 VWEU worden aangemerkt alle door de instellingen van de Europese Unie vastgestelde maatregelen, ongeacht de vorm, die tot doel hebben bindende rechtsgevolgen tot stand te brengen (zie arrest van 25 oktober 2017, Roemenië/Commissie, C‑599/15 P, EU:C:2017:801, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28      Een louter informatieve handeling is geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263 VWEU (zie in die zin beschikking van 4 oktober 2007, Finland/Commissie, C‑457/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:582, punt 36).

29      Om vast te stellen of een handeling bindende rechtsgevolgen in het leven roept, moet worden gekeken naar de wezenlijke inhoud ervan. Die gevolgen moeten worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de context waarin de handeling is vastgesteld en met de bevoegdheden van de instelling die de handeling heeft vastgesteld (zie arrest van 25 oktober 2017, Slowakije/Commissie, C‑593/15 P en C‑594/15 P, EU:C:2017:800, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Wat in casu de inhoud van de bestreden handeling betreft, zij eraan herinnerd dat de GAR bij aan verzoekster gerichte brief van 17 oktober 2018 afwijzend heeft beslist op haar verzoek om – na de intrekking van haar vergunning door de ECB – haar vooraf te betalen bijdrage voor 2018 te herberekenen en haar het te veel geïnde bedrag terug te betalen alsook om haar een deel van haar vooraf te betalen bijdrage voor 2015 terug te betalen.

31      Het bestreden besluit geeft duidelijk aan dat de GAR van mening is dat hij niet in de mogelijkheid verkeert de door verzoekster ingediende verzoeken om herberekening en terugbetaling in te willigen op grond dat deze in strijd zijn met artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63.

32      Wat de vooraf te betalen bijdrage voor 2018 betreft, vermeldt het bestreden besluit dat „[g]een enkele bepaling [van verordening nr. 806/2014 of van gedelegeerde verordening 2015/63] voorziet in een herberekening of terugbetaling in dit verband”. Wat de vooraf te betalen bijdrage voor 2015 betreft, wijst de GAR erop dat „[i]nstellingen die vooraf te betalen bijdragen voor 2015 hebben betaald en waarvan de vergunning vervolgens is ingetrokken, [...] geen recht [hebben] op terugbetaling [van die bijdrage] of van enige andere terecht betaalde vooraf te betalen bijdrage” en dat „[d]it [voortvloeit] uit artikel 70, lid 4, van verordening (EU) nr. 806/2014 [...]”. De brief eindigt als volgt: „In het licht van het voorgaande verkeert de GAR niet in de mogelijkheid om de vooraf te betalen bijdrage voor 2018 te herberekenen of het ‚resterende’ deel van de vooraf te betalen bijdrage voor 2015 terug te betalen ten gevolge van de intrekking van de vergunning van ABLV Bank door de ECB [...]”.

33      Aldus blijkt uit de inhoud van het bestreden besluit dat dit beslissend en definitief is. De inhoud van het bestreden besluit is, anders dan de GAR stelt, niet louter informatief.

34      Wat de context betreft waarin het bestreden besluit is genomen, moet worden opgemerkt dat verzoekster – als kredietinstelling die tot 11 juli 2018 over een vergunning beschikte en die is gevestigd in een lidstaat die deelneemt aan de bankenunie – overeenkomstig richtlijn 2014/59 en verordening nr. 806/2014 heeft moeten bijdragen aan het door de Republiek Letland opgezette nationale afwikkelingsfonds en vervolgens aan het GAF, door middel van vooraf te betalen bijdragen voor 2015 tot en met 2018.

35      Wat betreft de bevoegdheden waarover de GAR beschikt, zij opgemerkt dat de GAR de enige bevoegde autoriteit is voor de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van elke instelling en, in voorkomend geval, de herberekening ervan overeenkomstig verordening nr. 806/2014, met name artikel 70, lid 2, van deze verordening alsook gedelegeerde verordening 2015/63 (zie in die zin arresten van 3 december 2019, Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:1036, punten 45‑47, en 28 november 2019, Portigon/GAR, T‑365/16, EU:T:2019:824, punt 71). De GAR is tevens belast met het beheer van het GAF, dat wil zeggen met het beheer van de middelen die via de vooraf te betalen bijdragen zijn verkregen (artikel 67 van verordening nr. 806/2014).

36      Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263 VWEU.

37      Wat in de tweede plaats het argument inzake de voorwaarde van rechtstreekse geraaktheid betreft, waarvan de GAR ter terechtzitting heeft afgezien, moet worden vastgesteld dat verzoekster de adressaat is van de handeling waarvan zij nietigverklaring vordert. Bijgevolg is voldaan aan de voorwaarden waarvan artikel 263, vierde alinea, eerste zinsnede, VWEU de ontvankelijkheid van het beroep afhankelijk stelt.

38      In de derde plaats betoogt de GAR dat bepaalde passages van het verzoekschrift, te weten de punten 5, 64 en 65 ervan en bijlage A.17 bij dit verzoekschrift, aldus kunnen worden begrepen dat verzoekster de bedragen tracht terug te vorderen die zij toewijst aan de periode van 23 februari tot en met 11 juli 2018. De GAR is van mening dat het verzoekschrift, indien en voor zover verzoekster het bestreden besluit nietig wil laten verklaren voor de periode van 23 februari tot en met 11 juli 2018, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

39      Op een vraag die het Gerecht verzoekster hierover ter terechtzitting heeft gesteld, heeft zij verklaard dat zij het bestreden besluit in zijn geheel bestreed en louter om de nietigverklaring ervan verzocht. Zij heeft gepreciseerd dat het verzoek om terugbetaling met betrekking tot haar vooraf te betalen bijdrage voor 2018, in het kader van het onderhavige geding, enkel de periode ná de intrekking van haar vergunning betrof.

40      In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de punten 5, 64 en 65 van het verzoekschrift en bijlage A.17 erbij hoogstens argumenten zijn die verzoekster heeft aangevoerd om aan te tonen dat het bestreden besluit onjuist is, zoals zij overigens ter terechtzitting heeft bevestigd. Anders dan de GAR mogelijk vreesde, strekt het onderhavige beroep dus niet tot terugvordering van bedragen die verschuldigd zouden zijn met betrekking tot de periode van 23 februari tot en met 11 juli 2018.

41      Derhalve kan de door de GAR opgeworpen exceptie van niet‑ontvankelijkheid niet worden aanvaard.

42      Bijgevolg is het onderhavige beroep ontvankelijk.

B.      Ten gronde

43      Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster tien middelen aan. Met de eerste drie middelen verwijt zij de GAR in wezen dat hij niet naar behoren rekening heeft gehouden met het pro‑rata‑temporiskarakter van de vooraf te betalen bijdragen. Het vierde en het vijfde middel zijn ontleend aan een onjuiste uitlegging van, ten eerste, artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en, ten tweede, artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63. Het zesde middel is ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het vertrouwensbeginsel. Het zevende middel betreft schending van het evenredigheidsbeginsel. Het achtste middel is gebaseerd op schending van het adagium „nemo auditur propriam turpitudinem allegans”. Het negende middel is ontleend aan schending van het verbod om op tegenstrijdige wijze te handelen. Het tiende middel berust op schending van het eigendomsrecht en van de vrijheid van ondernemerschap.

44      Het Gerecht acht het passend om de eerste vijf middelen samen te onderzoeken. De andere middelen zullen afzonderlijk worden onderzocht, met uitzondering van de middelen die respectievelijk zijn ontleend aan schending van het adagium „nemo auditur propriam turpitudinem allegans” en schending van het verbod om op tegenstrijdige wijze te handelen, die gezamenlijk en als laatste zullen worden behandeld.

1.      Ontvankelijkheid van de middelen

45      Wat de ontvankelijkheid van de middelen van het verzoekschrift betreft, beperkt de GAR er zich in wezen toe in algemene zin aan te voeren dat verzoeksters betoog onduidelijk of onvoldoende onderbouwd is.

46      In dat verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering voorschrijft dat elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze uiteenzetting moet zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verweerder zijn verdediging kan voorbereiden en het Gerecht in voorkomend geval zonder nadere informatie zijn toezicht kan uitoefenen (arrest van 7 maart 2017, United Parcel Service/Commissie, T‑194/13, EU:T:2017:144, punt 191).

47      Ook moet eraan worden herinnerd dat het voor de ontvankelijkheid van een beroep voor het Gerecht met name noodzakelijk is dat de wezenlijke feitelijke en juridische gegevens waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken (arrest van 7 maart 2017, United Parcel Service/Commissie, T‑194/13, EU:T:2017:144, punt 192).

48      Zoals blijkt uit de punten 52 tot en met 56, 132, 140, 155 en 168 hieronder levert verzoekster in casu met het betoog dat zij in de tien door haar aangevoerde middelen heeft ontwikkeld, kritiek op het antwoord dat de GAR in het bestreden besluit heeft gegeven op haar verzoeken om herberekening en terugbetaling, waarbij zij stelt dat dit antwoord berust op een onjuiste opvatting van de toepasselijke bepalingen.

49      In het algemeen en onder voorbehoud van hetgeen later in punt 152 hieronder zal worden vermeld, moet worden vastgesteld dat de feitelijke en juridische gegevens waarop verzoekster dit betoog baseert, bij het lezen van de tien middelen van het verzoekschrift kunnen worden begrepen. Ook moet worden vastgesteld dat de GAR in het verweerschrift op dat betoog heeft kunnen antwoorden. Het Gerecht heeft ook geen moeite gehad om verzoeksters betoog te identificeren bij het lezen van het verzoekschrift.

50      Uit het voorgaande volgt dat het betoog dat verzoekster in de tien middelen van het verzoekschrift heeft uiteengezet, onder voorbehoud van hetgeen in punt 152 hieronder zal worden vermeld, ontvankelijk is in het licht van de vereisten van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering.

51      Bijgevolg moeten alle door de GAR aangevoerde argumenten die ertoe strekken dat het Gerecht verzoeksters middelen niet-ontvankelijk verklaart, worden afgewezen.

2.      Eerste vijf middelen: miskenning van het beweerde proratatemporiskarakter van de vooraf te betalen bijdragen en onjuiste opvatting van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12 van gedelegeerde verordening 2015/63

52      Ten eerste voert verzoekster aan dat de vooraf te betalen bijdragen pro rata temporis worden betaald, in die zin dat zij vooraf worden betaald en voor bepaalde perioden waarin de kredietinstellingen de dekking van het Europees afwikkelingsstelsel genieten. Om te beginnen benadrukt verzoekster dat zij, doordat zij haar status van kredietinstelling heeft verloren, die dekking niet langer geniet. Het risico dat verzoekster vormde en dat werd gedekt door het GAF is weggenomen, wat leidt tot een evenredige vermindering van de financieringsbehoeften van het GAF. Verzoekster meent dan ook recht te hebben op gedeeltelijke terugbetaling van haar vooraf te betalen bijdragen. Vervolgens kan uit het feit dat de vooraf te betalen bijdragen voor 2015 gedurende de eerste acht jaar van het bestaan van het GAF moeten worden afgetrokken van de jaarlijkse bijdragen die elke kredietinstelling verschuldigd is, volgens haar worden afgeleid dat die bijdragen een pro‑rata‑temporiskarakter hebben. Ten slotte erkent de GAR in besluit SRB/ES/SRF/2018/03 zelf dat de bijdragen terugbetaalbaar zijn, voor zover hij stelt dat indien de aftrek van de bijdragen van 2015 tot een negatief bedrag leidt, het overeenkomstige bedrag aan de instelling wordt betaald in de bijdrageperiode 2018. In dat besluit wordt ook melding gemaakt van de situatie waarin een kredietinstelling haar vergunning verliest na een fusie. In dit verband stelt verzoekster dat in een dergelijk geval de aan het GAF betaalde bedragen niet verloren zijn, aangezien de aftrek waarnaar wordt verwezen in artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van verordening nr. 806/2014 wat vooraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds betreft (PB 2015, L 15, blz. 1), wordt toegekend aan de uit de fusie ontstane entiteit.

53      Ten tweede voert verzoekster aan dat de GAR artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 – dat bepaalt dat de terecht ontvangen bijdragen niet worden terugbetaald – onjuist opvat. Verzoekster is van mening dat de uitdrukking „terecht ontvangen” aldus moet worden opgevat dat elke betaling een oorzaak heeft en dat bijgevolg kan worden overgegaan tot terugbetaling wanneer de oorzaak verdwijnt. Haar vordering tot terugbetaling is onder meer gebaseerd op het verbod van verrijking zonder oorzaak. Hoe dan ook betoogt verzoekster dat artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 niet van toepassing is op de vooraf te betalen bijdragen voor 2015. Deze bijdragen zijn volgens haar niet „ontvangen” overeenkomstig verordening nr. 806/2014, maar in het kader van de nationale maatregel tot omzetting van richtlijn 2014/59.

54      Ten derde is verzoekster van mening dat de GAR artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening nr. 2015/63 onjuist opvat. Zij betoogt in wezen dat de bewoordingen van deze bepaling verwijzen naar de „status van een instelling” en niet naar de „status als instelling”. Artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 onderstelt dat de betrokken entiteit een instelling blijft. Volgens verzoekster is artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 van toepassing ingeval waar de juridische of feitelijke situatie van de bankinstelling van invloed kan zijn op de bepaling van het bedrag van de bijdrage, maar de bank opgenomen blijft in het mechanisme voor de financiering van afwikkelingen. Verzoekster bevindt zich echter niet in dat geval en die bepaling is volgens haar dus niet van toepassing. Ter ondersteuning van haar betoog beroept verzoekster zich eveneens op artikel 7 van gedelegeerde verordening (EU) 2017/2361 van de Commissie van 14 september 2017 betreffende het definitieve systeem van bijdragen in de administratieve uitgaven van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (PB 2017, L 337, blz. 6).

55      Ten vierde voegt verzoekster in repliek daaraan toe dat de GAR in bepaalde omstandigheden aanvaardt dat herberekeningen worden verricht en dat bijdragen worden terugbetaald. Zij voert in dat verband aan dat artikel 17, lid 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 herberekeningen en terugbetalingen toestaat en beroept zich tevens op artikel 17, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63.

56      Ten vijfde voert verzoekster in haar opmerkingen over de memorie in interventie aan dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 november 2019, State Street Bank International (C‑255/18, EU:C:2019:967). De onderhavige zaak betreft de „daadwerkelijke verwijdering” van een kredietinstelling en haar deposito’s, terwijl voornoemde zaak betrekking had op de overneming van een Italiaanse kredietinstelling door een Duitse kredietinstelling. Volgens verzoekster had de fusie in die zaak vanuit Europees oogpunt dus geen gevolgen gehad voor de deelneming van de bijdrageplichtige instelling aan de financiering van het GAF. In de onderhavige zaak neemt verzoekster daarentegen niet langer deel aan de financiering van het GAF.

57      De GAR, ondersteund door de Commissie, bestrijdt dit betoog.

a)      Vooraf te betalen bijdrage voor 2018

58      Verzoekster betoogt in wezen dat de intrekking van haar vergunning door de ECB tijdens de bijdrageperiode, te weten 2018, een omstandigheid is die haar recht geeft op een pro‑rata‑temporisherberekening van haar vooraf te betalen bijdrage voor die periode en dus op de terugbetaling van een deel van de bedragen die zij als vooraf te betalen bijdrage voor 2018 heeft betaald. De voor die herberekening in aanmerking te nemen bijdrageperiode is de periode van 1 januari tot 11 juli 2018. Het te veel geïnde bedrag beloopt 947 127,55 EUR.

59      Volgens artikel 2 van verordening nr. 806/2014 is deze verordening van toepassing op kredietinstellingen die, zoals verzoekster, zijn gevestigd in een lidstaat die deelneemt aan de bankenunie. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1), is een kredietinstelling een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening. Zoals is bepaald in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338), moeten kredietinstellingen over een vergunning beschikken om hun activiteiten te verrichten.

60      Verordening nr. 806/2014 verplicht elke in een deelnemende lidstaat gevestigde instelling waaraan vergunning is verleend om ten minste eenmaal per jaar bij te dragen aan het GAF door middel van vooraf te betalen bijdragen. De individuele bijdrage van elke instelling wordt berekend volgens de verhouding tussen het bedrag van haar passiva (exclusief eigen vermogen), verminderd met gedekte deposito’s, en het totaalbedrag van de passiva (exclusief eigen vermogen), verminderd met gedekte deposito’s van alle instellingen waaraan op de grondgebieden van alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend (artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014).

61      Bovendien volgt uit artikel 69, lid 1, van verordening nr. 806/2014 en artikel 4, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 dat de jaarlijkse inning van de vooraf te betalen bijdragen van kredietinstellingen is ingevoerd om ervoor te zorgen dat de beschikbare financiële middelen van het GAF uiterlijk aan het eind van een initiële periode van acht jaar vanaf 1 januari 2016 ten minste 1 % bereiken van het bedrag van de gedekte deposito’s van alle kredietinstellingen waaraan in alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend.

62      Om deze doelstelling te bereiken gebieden artikel 4, lid 1, en artikel 14, leden 1 tot en met 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 de GAR om de verschuldigde bijdrage te bepalen op basis van boekhoudkundige informatie over de laatste goedgekeurde en gecertificeerde jaarrekening die vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode beschikbaar was, samen met het oordeel van de wettelijke auditor of het wettelijke auditkantoor.

63      Verzoekster betwist niet dat zij op 1 januari 2018 een in een deelnemende lidstaat gevestigde kredietinstelling was waaraan vergunning was verleend en dat zij uit dien hoofde moest bijdragen aan het GAF. Zij stelt niet dat de GAR het bedrag van haar individuele bijdrage voor 2018 bij besluit SRB/ES/SRF/2018/03 onjuist heeft bepaald. Zij voert daarentegen aan dat zij door het feit dat de ECB op 11 juli 2018 haar vergunning heeft ingetrokken, vanaf die dag van het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 is uitgesloten en dat haar vooraf te betalen bijdrage voor 2018 bijgevolg pro rata temporis moet worden herberekend.

64      Om de in het kader van het onderhavige beroep opgeworpen uitleggingsvragen te beantwoorden en om de precieze draagwijdte van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en van artikel 12 van gedelegeerde verordening 2015/63 te bepalen, moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepalingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaken (zie in die zin arrest van 7 juni 2005, VEMW e.a., C‑17/03, EU:C:2005:362, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

1)      Uitlegging van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014

65      Wat ten eerste de letterlijke uitlegging van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat deze bepaling als volgt is geformuleerd:

„De terecht ontvangen bijdragen van elke in artikel 2 [van deze verordening] bedoelde entiteit [(dat wil zeggen met name kredietinstellingen zoals verzoekster)] worden niet aan die entiteiten terugbetaald.”

66      Een letterlijke uitlegging van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 lijkt het standpunt waarop de GAR zich in het bestreden besluit heeft gesteld, te bevestigen.

67      Uit de bewoordingen van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 blijkt namelijk dat naar behoren ontvangen vooraf te betalen bijdragen niet terugbetaalbaar zijn. Dat die bijdragen niet terugbetaalbaar zijn, kan zonder enige twijfel worden afgeleid uit de door de wetgever gebruikte ontkenning. De gebruikte termen zijn ondubbelzinnig. Nergens wordt melding gemaakt van een mogelijkheid om vooraf te betalen bijdragen op basis van een maandelijkse berekening aan te passen wanneer een instelling in de loop van de bijdrageperiode haar vergunning verliest.

68      Wat ten tweede de context van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 betreft, moet in de eerste plaats in herinnering worden geroepen dat de GAR overeenkomstig artikel 70, lid 2, van verordening nr. 806/2014 elk jaar de individuele bijdragen dient te berekenen om ervoor te zorgen dat de bijdragen die alle instellingen waaraan op de grondgebieden van alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend, verschuldigd zijn, niet meer bedragen dan 12,5 % van het streefbedrag.

69      Naast het streefbedrag dat uiterlijk aan het eind van de initiële periode moet worden bereikt, bestaat er dus een jaarlijkse bovengrens voor het bedrag van de bijdragen die in een bepaald jaar gedurende de initiële periode van instellingen kunnen worden geïnd. Zoals de GAR terecht benadrukt, is de keuze voor het kalenderjaar als bijdrageperiode voor de vooraf te betalen bijdragen dus het gevolg van de wil van de wetgever om ervoor te zorgen dat de last die aan instellingen wordt opgelegd tijdens de initiële periode, overeenkomstig artikel 69, lid 2, van verordening nr. 806/2014 zo evenwichtig mogelijk wordt gespreid in de tijd. Anders dan verzoekster aanvoert, betekent het feit dat de vooraf te betalen bijdragen jaarlijks zijn, niet dat zij „betrekking hebben” op een bepaald jaar in die zin dat dit als gevolg zou hebben dat noodzakelijkerwijs een aanpassing moet worden verricht wanneer een instelling haar vergunning in de loop van het jaar verliest.

70      In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de vooraf te betalen bijdragen waarmee het GAF van middelen wordt voorzien, voorafgaand aan en onafhankelijk van elke afwikkelingsmaatregel van de financiële sector worden geïnd (overweging 102 van verordening nr. 806/2014). Ten tweede kunnen de afwikkelingsinstrumenten alleen worden toegepast op entiteiten die falen of waarschijnlijk zullen falen, en alleen wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstelling van financiële stabiliteit in het algemeen belang na te streven (artikel 18, lid 1, van verordening nr. 806/2014; zie ook overweging 61 van die verordening). Met andere woorden, zelfs wanneer een instelling – die haar vooraf te betalen bijdragen naar behoren heeft betaald – faalt of waarschijnlijk zal falen, kan een afwikkelingsmaatregel slechts worden overwogen indien die maatregel noodzakelijk is in het algemeen belang. De regeling legt geen automatisch verband tussen de betaling van de vooraf te betalen bijdrage en de afwikkeling van de betrokken instelling. Zoals de GAR aanvoert, is enkel de bescherming van het algemeen belang, en niet het individuele belang van een instelling, de beslissende factor voor gebruik van het GAF (zie ook artikel 67, lid 2, van verordening nr. 806/2014). De vooraf te betalen bijdrage die een instelling voor een bepaalde periode heeft betaald, geeft haar geen individueel recht dat inhoudt dat het GAF zal worden gebruikt ingeval die instelling tijdens die periode faalt of op het punt staat te falen.

71      De betaling van een bijdrage door een instelling aan het GAF biedt geen waarborg voor enigerlei tegenprestatie, maar is bedoeld om het GAF in het algemeen belang van middelen te voorzien tot het minimumniveau dat door de Uniewetgever is vastgesteld om de stabiliteit van het Europese bankstelsel te waarborgen.

72      Uit verordening nr. 806/2014, en met name uit de artikelen 14 en 18, artikel 67, lid 2, en artikel 70 alsook uit de overwegingen 19, 100, 102 en 104 van die verordening, vloeit immers voort dat het GAF het risico dekt dat de gehele financiële sector vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel en dus voor de nationale begrotingen. Zoals blijkt uit overweging 100 van verordening nr. 806/2014, was de wetgever van mening dat het de financiële sector als geheel moet zijn die de stabilisatie van het financiële stelsel financiert. In casu heeft verzoekster als speler in de financiële sector op 1 januari 2018 haar verplichte bijdrage aan het GAF voor 2018 betaald.

73      Om die reden kunnen de vooraf te betalen bijdragen niet worden beschouwd als verzekeringspremies die maandelijks kunnen worden betaald en kunnen worden terugbetaald wanneer de instelling die deze heeft betaald haar vergunning in de loop van het jaar verliest, zoals verzoekster ter ondersteuning van haar betoog aanvoert. Om dezelfde redenen moet het argument worden afgewezen dat het feit dat een instelling in de loop van het bijdragejaar verdwijnt, tot een vermindering van de te dekken risico’s en bijgevolg tot een daling van de financieringsbehoeften van het GAF leidt.

74      Wat ten derde de door verordening nr. 806/2014 en gedelegeerde verordening 2015/63 nagestreefde doelstelling betreft, zij eraan herinnerd dat de jaarlijkse inning van de vooraf te betalen bijdragen van kredietinstellingen is ingevoerd om ervoor te zorgen dat de beschikbare financiële middelen van het GAF uiterlijk aan het eind van een initiële periode van acht jaar vanaf 1 januari 2016 ten minste 1 % bereiken van het bedrag van de gedekte deposito’s van alle kredietinstellingen waaraan in alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend (zie punt 61 hierboven).

75      Indien de GAR rekening zou moeten houden met de ontwikkeling van de juridische en financiële situatie van kredietinstellingen in de loop van de betreffende bijdrageperiode, zou hij moeilijk de door elk van hen verschuldigde bijdragen op betrouwbare en stabiele wijze kunnen berekenen en de doelstelling kunnen nastreven die erin bestaat uiterlijk aan het eind van de initiële periode ten minste 1 % te bereiken van het bedrag van de gedekte deposito’s van alle instellingen waaraan op het grondgebied van een lidstaat vergunning is verleend. De herberekening van de bijdragen van een bepaalde instelling heeft immers noodzakelijkerwijs gevolgen voor het bedrag dat door de andere kredietinstellingen verschuldigd is.

76      Gelet op het tijdstip en het doel van de inning van de vooraf te betalen bijdragen, moet worden vastgesteld dat het feit dat een instelling in de loop van de bijdrageperiode haar vergunning verliest, haar – anders dan verzoekster stelt – geen recht geeft op een pro‑rata‑temporisherberekening van haar vooraf te betalen bijdrage voor die periode en dus op terugbetaling van een deel van de voor die periode betaalde bijdrage. Kortom, de GAR heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 aldus op te vatten dat het hem niet toestond om verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor 2018 pro rata temporis te herberekenen noch haar het vermeende te veel geïnde bedrag terug te betalen.

2)      Uitlegging van artikel 12 van gedelegeerde verordening 2015/63

77      Wat verzoeksters argumenten met betrekking tot artikel 12 van gedelegeerde verordening 2015/63 betreft, dienen om te beginnen de bewoordingen van deze bepaling in herinnering te worden gebracht:

„1.      Ingeval een instelling slechts gedurende een deel van een bijdrageperiode een nieuwe onder toezicht staande instelling is, wordt de gedeeltelijke bijdrage bepaald middels de toepassing van de in afdeling 3 beschreven methode op het voor de daaropvolgende bijdrageperiode berekende bedrag van haar jaarlijkse bijdrage naar rato van het aantal volledige maanden van de bijdrageperiode waarin de instelling onder toezicht stond.

2.      Een statuswijziging van een instelling, met inbegrip van een kleine instelling, in de loop van de bijdrageperiode heeft geen effect op de jaarlijkse bijdrage die in dat specifieke jaar moet worden betaald.”

78      In het bestreden besluit heeft de GAR zich op het standpunt gesteld dat de intrekking van de vergunning van een kredietinstelling door de ECB een statuswijziging is in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63. Het besluit van de ECB van 11 juli 2018 om verzoeksters vergunning in te trekken heeft volgens de GAR dan ook geen effect op het bedrag van de jaarlijkse bijdrage die zij voor 2018 diende te betalen.

79      Verzoekster betoogt in wezen dat de bewoordingen van die bepaling verwijzen naar de „status van een instelling” en niet naar de „status als instelling”. Volgens verzoekster onderstelt artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 dat de betrokken entiteit een kredietinstelling blijft en is deze bepaling dus niet van toepassing op haar situatie. Verzoekster heeft in haar antwoord van 12 juni 2020 op de schriftelijke vraag van het Gerecht gepreciseerd en ter terechtzitting bevestigd dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 niet van toepassing is, maar ook dat artikel 12, lid 1, van deze verordening niet relevant is voor de onderhavige zaak.

80      In dit verband heeft het Hof in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 november 2019, State Street Bank International (C‑255/18, EU:C:2019:967), met betrekking tot het begrip „statuswijziging” in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 geoordeeld dat dit begrip voor de toepassing van deze verordening moet worden beschouwd als een autonoom Unierechtelijk begrip dat op het grondgebied van alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd (arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punt 33).

81      Allereerst heeft het Hof opgemerkt dat de term „statuswijziging” iedere soort wijziging in de juridische of feitelijke situatie van een instelling kan omvatten die van invloed kan zijn op de toepassing van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63. Deze uitlegging wordt bevestigd door de woorden „met inbegrip van een kleine instelling”, waaruit blijkt dat een wijziging van de omvang van een instelling, die relevant is voor de toepassing van bepalingen ten gunste van kleine instellingen, slechts één van de in die bepaling bedoelde situaties vormt (arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punten 35 en 36).

82      Vervolgens heeft het Hof gepreciseerd dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 in algemene zin ziet op wijzigingen die van invloed kunnen zijn op een instelling, terwijl artikel 12, lid 1, van voornoemde gedelegeerde verordening de berekeningsmethode verduidelijkt die – bij wijze van uitzondering – van toepassing is op een instelling die slechts gedurende een deel van een bijdrageperiode onder toezicht staat (arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punt 38). Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat artikel 12, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 – doordat daarbij een afwijking van de algemene regel van artikel 12, lid 2, van deze gedelegeerde verordening wordt ingevoerd – eng moet worden uitgelegd en dus niet aldus mag worden uitgelegd dat die afwijking zich verder uitstrekt dan het in die gedelegeerde verordening uitdrukkelijk genoemde geval (zie arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft daaruit afgeleid dat een handeling die neerkomt op een statuswijziging in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63, er niet toe leidt dat de bijdrage overeenkomstig artikel 12, lid 1, van deze gedelegeerde verordening wordt berekend (arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punt 40).

83      Tot slot heeft het Hof, gelet op richtlijn 2014/59, verordening nr. 806/2014 en gedelegeerde verordening 2015/63, erop gewezen dat de jaarlijkse inning van de vooraf te betalen bijdragen van de kredietinstellingen is ingevoerd om ervoor te zorgen dat het streefbedrag uiterlijk aan het eind van de initiële periode wordt bereikt. Het Hof heeft geoordeeld dat, teneinde de afwikkelingsautoriteiten in staat te stellen om op betrouwbare wijze de vooraf te betalen bijdragen te berekenen en dus de door richtlijn 2014/59, verordening nr. 806/2014 en gedelegeerde verordening 2015/63 nagestreefde doelstelling te bereiken, het begrip „statuswijziging” in artikel 12, lid 2, van die gedelegeerde verordening ruim moet worden uitgelegd (arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punt 44). Volgens het Hof moet dat begrip aldus worden uitgelegd dat het ook een handeling omvat waarbij een instelling in de loop van het jaar na een grensoverschrijdende fusie door overneming door haar moedermaatschappij ophoudt onder het toezicht van een afwikkelingsautoriteit te staan, zodat die handeling geen gevolgen heeft voor de verplichting van die instelling om alle voor het betreffende bijdragejaar verschuldigde vooraf te betalen bijdragen te betalen (arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punt 48).

84      In casu dient, om dezelfde redenen als die welke in de punten 80 tot en met 83 hierboven zijn uiteengezet, te worden geoordeeld dat de intrekking van de vergunning van een kredietinstelling door de ECB moet worden beschouwd als een statuswijziging in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63. Zoals het Hof in punt 43 van het arrest van 14 november 2019, State Street Bank International (C‑255/18, EU:C:2019:967), heeft benadrukt, zou het voor een afwikkelingsautoriteit – zoals de GAR – indien deze rekening moest houden met de ontwikkeling van de juridische en financiële situatie van instellingen gedurende het betreffende boekjaar, immers moeilijk zijn om een betrouwbare berekening te maken van de in het volgende jaar verschuldigde gewone bijdragen en, dientengevolge, om de doelstelling van verordening nr. 806/2014 na te streven die erin bestaat uiterlijk aan het eind van de initiële periode ten minste 1 % te bereiken van het bedrag van de gedekte deposito’s van alle instellingen waaraan in alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend (zie punten 60‑62 hierboven). Derhalve moet het begrip „statuswijziging” van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus worden opgevat dat het ook ziet op de beëindiging van de werkzaamheden van een instelling ten gevolge van het verlies van haar vergunning in de loop van de bijdrageperiode.

85      Uit het voorgaande volgt dat de omstandigheid dat een entiteit de verrichting van haar werkzaamheden als kredietinstelling in de loop van de bijdrageperiode beëindigt ten gevolge van de intrekking van haar vergunning, geen invloed heeft op haar verplichting om de volledige voor die bijdrageperiode verschuldigde vooraf te betalen bijdrage te betalen. De GAR heeft in dit verband dus geen fout begaan in het bestreden besluit. Bijgevolg kan verzoekster de GAR niet verwijten dat hij haar vooraf te betalen bijdrage voor 2018 niet pro rata temporis heeft herberekend en haar het vermeende te veel geïnde bedrag niet heeft terugbetaald.

86      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het verband dat verzoekster tracht aan te tonen tussen het begrip „status” in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 en dat in de zin van artikel 7 van verordening 2017/2361. Anders dan verzoekster aanvoert, kan het begrip „statuswijziging” niet aldus worden opgevat dat het enkel ziet op de situatie waarin een instelling overgaat van de ene in artikel 4, lid 1, van verordening 2017/2361 gedefinieerde categorie naar de andere. Zoals de Commissie terecht benadrukt, hebben gedelegeerde verordening 2015/63 en verordening 2017/2361 een verschillend voorwerp en doel. Verordening 2017/2361 betreft het systeem van bijdragen in de administratieve uitgaven van de GAR. De door gedelegeerde verordening 2015/63 geregelde bijdragen zijn bijdragen aan het GAF in het algemeen belang, terwijl de door verordening 2017/2361 geregelde bijdragen de werkbelasting en desbetreffende uitgaven dekken die worden veroorzaakt door een entiteit die onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de GAR valt (zie overweging 5 van gedelegeerde verordening 2017/2361).

87      Verzoekster voert argumenten aan die ertoe strekken de onderhavige zaak te onderscheiden van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 november 2019, State Street Bank International (C‑255/18, EU:C:2019:967). In dit verband betoogt zij dat, zo er in die zaak wel degelijk sprake was van een „statuswijziging”, dit het geval was omdat de betrokken Italiaanse entiteit het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) niet had verlaten, maar een bijkantoor van een Duitse instelling was geworden. Zonder voorbij te gaan aan deze verschillen moet worden vastgesteld dat zij geen invloed kunnen hebben op de in punt 84 hierboven verrichte gevolgtrekking. De term „statuswijziging” omvat namelijk iedere soort wijziging in de juridische of feitelijke situatie van een instelling die van invloed kan zijn op de toepassing van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63. Verlies van vergunning is ongetwijfeld een wijziging in zowel de juridische als de feitelijke situatie van een kredietinstelling. Bovendien ziet artikel 12, lid 2, van die gedelegeerde verordening – dat bepaalt dat de statuswijziging van een instelling geen effect heeft op de verplichting van deze instelling om in dat specifieke jaar de jaarlijkse gewone bijdragen te betalen – in algemene zin op veranderingen die van invloed kunnen zijn op een instelling, terwijl artikel 12, lid 1, van voornoemde verordening de berekeningsmethode verduidelijkt die – bij wijze van uitzondering – van toepassing is op een instelling die slechts gedurende een deel van de bijdrageperiode onder toezicht staat. Aangezien artikel 12, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 – doordat die bepaling een afwijking van de algemene regel van artikel 12, lid 2, van deze gedelegeerde verordening invoert – eng moet worden uitgelegd en dus niet aldus mag worden uitgelegd dat die afwijking zich verder uitstrekt dan het in die gedelegeerde verordening uitdrukkelijk genoemde geval, valt een verlies van vergunning noodzakelijkerwijs onder artikel 12, lid 2.

88      Verzoekster is tevens van mening dat haar definitieve uitsluiting van het afwikkelingsstelsel, anders dan in de situatie die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 november 2019, State Street Bank International (C‑255/18, EU:C:2019:967), gevolgen heeft voor het streefbedrag. In dit verband kan in het licht van de bewoordingen die de wetgever in artikel 12 van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft gebruikt, worden volstaan met de vaststelling dat hij heeft beslist dat een statuswijziging van een instelling in de loop van de bijdrageperiode geen effect heeft op de jaarlijkse bijdrage die voor dat specifieke jaar moet worden betaald, ongeacht de gevolgen die deze statuswijziging zou kunnen hebben voor de gedekte deposito’s of het streefbedrag.

89      Hieruit volgt dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 van toepassing is op verzoeksters situatie. Derhalve moeten de door verzoekster in dit verband aangevoerde argumenten worden afgewezen.

90      De overige door verzoekster aangevoerde argumenten, die hieronder worden onderzocht, doen evenmin af aan de hierboven gemaakte gevolgtrekkingen die gebaseerd zijn op de analyse van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en van artikel 12 van gedelegeerde verordening 2015/63.

3)      Overige door verzoekster aangevoerde argumenten

91      De overige argumenten van verzoekster strekken er in wezen toe aan te tonen dat i) er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van het GAF, ii) de vooraf te betalen bijdragen een pro‑rata‑temporiskarakter hebben en iii) deze bijdragen terugbetaalbaar zijn. Ter ondersteuning van haar betoog beroept verzoekster zich op het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking, besluit SRB/ES/SRF/2018/03, artikel 17, leden 3 en 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 en artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81.

i)      Vermeende ongerechtvaardigde verrijking van het GAF

92      Verzoekster voert aan dat artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014, in het bijzonder de bewoordingen „terecht ontvangen bijdragen” ervan, moet worden opgevat in het licht van het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking. Volgens haar heeft elke betaling een oorzaak en dient zij een doel, zodat kan worden overgegaan tot terugbetaling indien de oorzaak verdwijnt of het doel niet wordt bereikt. Dit zou in het onderhavige geval betekenen dat de vooraf te betalen bijdragen moeten worden herberekend op basis van de periode waarin de instelling daadwerkelijk onder toezicht stond. Bij gebreke van een dergelijke herberekening is er volgens verzoekster sprake van ongerechtvaardigde verrijking in het voordeel van het GAF.

93      Er zij aan herinnerd dat een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking enkel kan worden toegewezen indien wordt bewezen dat de verrijking geen geldige rechtsgrondslag heeft en de verzoeker in verband met die verrijking is verarmd (zie in die zin arrest van 28 juli 2011, Agrana Zucker, C‑309/10, EU:C:2011:531, punt 53).

94      In casu staat vast dat het bestreden besluit artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12 van gedelegeerde verordening 2015/63 als rechtsgrondslag had. Bovendien volgt uit de vaststellingen in de punten 65 tot en met 76 hierboven dat de toepassing van die artikelen, zoals de GAR in het bestreden besluit heeft geoordeeld, niet kon leiden tot een herberekening van verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor 2018 en dus evenmin tot de terugbetaling van een deel van het uit hoofde van die bijdrage betaalde bedrag.

95      Vastgesteld moet worden dat verzoekster de rechtsgrondslag waarop de uit het bestreden besluit voortvloeiende verrijking van het GAF zou zijn gebaseerd, niet ter discussie stelt. Verzoeksters schrifturen bevatten immers geen enkele expliciete of impliciete exceptie van onwettigheid met betrekking tot artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12 van gedelegeerde verordening 2015/63.

96      Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de weigering van de GAR om over te gaan tot terugbetaling is gebaseerd op een geldige rechtsgrondslag en geen ongerechtvaardigde verrijking kan vormen. In deze omstandigheden moet verzoeksters argument met betrekking tot de vermeende ongerechtvaardigde verrijking van het GAF worden afgewezen.

ii)    Argumenten ontleend aan schending van besluit SRB/ES/SRF/2018/03

97      Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met besluit SRB/ES/SRF/2018/03, aangezien de GAR in laatstgenoemd besluit uitdrukkelijk heeft erkend dat de vooraf te betalen bijdragen pro rata temporis gelden en terugbetaalbaar zijn. Verzoekster vestigt met name de aandacht op de punten 39 en 40 van besluit SRB/ES/SRF/2018/03.

98      In dit verband zij eraan herinnerd dat een gewone praktijk van een instelling, orgaan of instantie van de Unie volgens vaste rechtspraak niet kan prevaleren boven de Verdragsregels of de regels die krachtens het Verdrag zijn vastgesteld (zie in die zin arresten van 23 februari 1988, Verenigd Koninkrijk/Raad, 68/86, EU:C:1988:85, punt 24, en 9 augustus 1994, Frankrijk/Commissie, C‑327/91, EU:C:1994:305, punt 36). Hieruit volgt dat een besluit van de GAR niet tot gevolg kan hebben dat de inhoud van de wettelijke bepalingen die in casu van toepassing zijn wordt gewijzigd.

99      De argumenten waarmee verzoekster beoogt aan te tonen dat de GAR in besluit SRB/ES/SRF/2018/03 zelf erkent dat de vooraf te betalen bijdragen een pro‑rata‑temporiskarakter hebben of terugbetaalbaar zijn, treffen dus geen doel.

100    Hoe dan ook zijn die argumenten tevens ongegrond. Om te beginnen moet immers worden opgemerkt dat het, overeenkomstig artikel 103 van richtlijn 2014/59, de Letse afwikkelingsautoriteit is die verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor 2015 heeft vastgesteld en geïnd. Die bijdrage is dan volgens artikel 3, lid 3, van de IGO overgedragen aan het GAF. Vervolgens zij eraan herinnerd dat het streefbedrag in beginsel moet worden bereikt aan het einde van een periode van acht jaar. Ten slotte zijn tijdens die periode twee factoren bepalend voor de berekening van de individuele bijdrage van elke instelling: ten eerste een jaarlijkse bovengrens (het totaalbedrag van de inningen mag niet meer bedragen dan 12,5 % van het streefbedrag van het GAF per jaar) en ten tweede de verplichting om de krachtens richtlijn 2014/59 geïnde bijdragen in de berekening van de individuele bijdragen op te nemen door ze af te trekken van het door elke instelling verschuldigde bedrag. Om aan deze verplichting van artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81 te voldoen, houdt de GAR rekening met de door de deelnemende lidstaten geïnde bijdragen door deze op lineaire wijze af te trekken van het door elke instelling verschuldigde bedrag. Bij de berekening van verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor 2018 is bijvoorbeeld een achtste van het door haar voor 2015 betaalde bedrag afgetrokken van het bedrag dat zij verschuldigd was uit hoofde van de vooraf te betalen bijdrage voor 2018.

101    Anders dan verzoekster stelt, is het feit dat een dergelijke aftrek volgens punt 40 van besluit SRB/ES/SRF/2018/03 kan leiden tot een negatieve individuele bijdrage en dat het overeenkomstige bedrag bijgevolg aan de betrokken instelling wordt overgemaakt, dus uitsluitend het resultaat van de hierboven genoemde factoren. In tegenstelling tot hetgeen zij beweert, erkent de GAR daarmee niet dat de vooraf te betalen bijdragen een pro‑rata‑temporiskarakter hebben, noch dat deze bijdragen terugbetaalbaar zijn (zie ook punt 127 hieronder).

102    Het door verzoekster ingeroepen punt 39 van besluit SRB/ES/SRF/2018/03 kan haar betoog evenmin ondersteunen. Volgens genoemd punt wordt de in artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81 bedoelde aftrek, in het geval dat een instelling in de loop van de initiële periode haar bankvergunning verliest ten gevolge van een fusie, weliswaar toegekend aan de overnemende instelling die uit de fusie is ontstaan, maar in datzelfde punt wordt gepreciseerd dat de overnemende instelling de vooraf te betalen bijdragen aan het GAF moet blijven betalen opdat die aftrek aan haar zou worden toegekend. Deze situatie verschilt dus van de situatie waarin verzoekster zich in casu bevindt.

103    De grief dat er is voorbijgegaan aan besluit SRB/ES/SRF/2018/03 moet bijgevolg worden afgewezen omdat deze niet ter zake dienend en hoe dan ook ongegrond is.

iii) Argumenten inzake schending van artikel 17 van gedelegeerde verordening 2015/63

104    Verzoekster voert aan dat uit artikel 17, leden 3 en 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 blijkt dat elke bijdrage achteraf kan worden aangepast.

105    Om te beginnen moet worden geconstateerd dat die bepalingen, waarop verzoekster zich baseert, als volgt zijn geformuleerd:

„3.      Ingeval de door de instellingen bij de afwikkelingsautoriteit ingediende informatie aan aanpassingen of herzieningen onderhevig is, past de afwikkelingsautoriteit de jaarlijkse bijdrage aan de geactualiseerde informatie aan bij de berekening van de jaarlijkse bijdrage die de betrokken instelling voor de daaropvolgende bijdrageperiode verschuldigd is.

4.      Elk verschil tussen de jaarlijkse bijdrage die op basis van de aan aanpassingen of herzieningen onderhevige informatie is berekend en betaald en de jaarlijkse bijdrage die als gevolg van de aanpassing van de jaarlijkse bijdrage had moeten worden betaald, wordt verrekend met het bedrag van de jaarlijkse bijdrage die voor de daaropvolgende bijdrageperiode verschuldigd is. Die verrekening geschiedt door de bijdragen van de daaropvolgende bijdrageperiode te verhogen of te verlagen.”

106    Vervolgens moet de context van deze bepaling in herinnering worden gebracht. De instellingen dienen alle in artikel 14 van verordening nr. 2015/63 bedoelde informatie binnen het in genoemd artikel vastgestelde tijdsbestek te verstrekken. Die informatie heeft betrekking op het boekjaar dat voorafgaat aan de bijdrageperiode. In casu stelt verzoekster niet dat de informatie die zij overeenkomstig artikel 14 van gedelegeerde verordening 2015/63 voor de bijdrageperiode 2018 (of voor enige andere bijdrageperiode) heeft verstrekt, op een later tijdstip is aangepast of herzien. Zij voert daarentegen aan dat „de door een instelling verstrekte informatie van preliminaire aard kan blijken te zijn”, „aangezien het niet duidelijk is of de instelling haar werkzaamheden in dat specifieke jaar zal voortzetten, met name wanneer de instelling voornemens is afstand te doen van haar bankvergunning en haar activiteiten als kredietinstelling op een bepaald tijdstip van het jaar te beëindigen, zonder dat de precieze datum reeds is bepaald”. Zij leidt aldus uit artikel 17 van gedelegeerde verordening 2015/63 af dat elke bijdrage onderhevig kan zijn aan latere verregaande aanpassingen, ongeacht of dit te wijten is aan een wijziging van omstandigheden ten opzichte van het voorgaande jaar of aan een herberekening van een vroegere bijdrage.

107    Deze door verzoekster voorgestelde uitlegging van artikel 17 van gedelegeerde verordening 2015/63 vindt echter geen steun in de bewoordingen van die bepaling. De beslissing van verzoeksters aandeelhouders om over te gaan tot haar liquidatie en de gevolgen van die beslissing kunnen niet worden gelijkgesteld noch worden vergeleken met de boekhoudkundige aanpassingen of herzieningen waaraan de in artikel 14 van verordening nr. 2015/63 bedoelde informatie onderhevig kan zijn. Artikel 17, leden 3 en 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 preciseert dat de geactualiseerde informatie in aanmerking wordt genomen „voor de daaropvolgende bijdrageperiode”. Deze bepaling heeft dus geen betrekking op situaties als die van verzoekster, waarbij een instelling het afwikkelingsstelsel verlaat.

108    Ten slotte zou een lezing van artikel 17 van gedelegeerde verordening 2015/63 in de door verzoekster bepleite zin onverenigbaar zijn met artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63, zoals die hierboven zijn uitgelegd.

109    Bijgevolg kan verzoekster zich niet met succes beroepen op artikel 17 van gedelegeerde verordening 2015/63 om aan te tonen dat de vooraf te betalen bijdragen een pro‑rata‑temporiskarakter hebben, noch kan zij zich op dat artikel beroepen ter ondersteuning van haar verzoek tot herberekening van het bedrag van haar vooraf te betalen bijdrage voor 2018 en terugbetaling van een deel van die bijdrage. Het door haar dienaangaande ontwikkelde betoog moet dus worden afgewezen.

iv)    Argumenten ontleend aan schending van artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81

110    Verzoekster heeft in haar op 29 juni 2020 neergelegde opmerkingen en ter terechtzitting aangevoerd dat het abnormaal zou zijn dat de onherroepelijke betalingstoezeggingen van een instelling die niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt overeenkomstig artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 zouden kunnen worden ingetrokken en dat de zekerheden ter dekking van die betalingstoezeggingen zouden kunnen worden teruggeven, maar dat bijdragen in contanten niet zouden kunnen worden terugbetaald.

111    Dienaangaande moet worden vastgesteld dat onherroepelijke betalingstoezeggingen – die, zoals artikel 70, lid 3, van verordening nr. 806/2014 preciseert, niet meer mogen uitmaken dan 30 % van het totaalbedrag van de bijdragen dat overeenkomstig dit artikel wordt geïnd – door specifieke bepalingen worden geregeld. Onherroepelijke betalingstoezeggingen zijn van een andere aard dan vooraf te betalen bijdragen. Daarom heeft de Uniewetgever het nodig geacht die betalingstoezeggingen aan een specifieke regeling te onderwerpen. In dit verband geeft het feit dat artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 enkel betrekking heeft op onherroepelijke betalingstoezeggingen, met uitsluiting van vooraf te betalen bijdragen, de wil van de wetgever weer om vooraf te betalen bijdragen niet aan de in die bepaling neergelegde regel te onderwerpen. Artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 dient dus niet naar analogie te worden toegepast op de in artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 bedoelde bijdragen, zoals verzoekster in wezen betoogt. Het door haar aan artikel 7, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/81 ontleende argument moet dus worden afgewezen.

b)      Vooraf te betalen bijdrage voor 2015

112    Verzoekster betoogt in wezen dat de GAR gedurende de gehele initiële periode bij de berekening van de individuele bijdrage van een instelling de door haar lidstaat vastgestelde en geïnde bijdragen voor 2015 dient af te trekken van het door die instelling verschuldigde bedrag, zodat de GAR, wanneer een instelling haar vergunning in de loop van die periode verliest, die instelling het resterende saldo van de door haar voor 2015 betaalde vooraf te betalen bijdrage dient terug te betalen. Het bedrag van dit saldo bedraagt in het geval van verzoekster 836 320,40 EUR.

113    Verzoekster betwist niet dat zij toentertijd het door de commissie financiële en kapitaalmarkten vastgestelde bedrag moest betalen. Zij voert daarentegen aan dat, voor zover een achtste van het bedrag dat uit hoofde van de vooraf te betalen bijdrage voor 2015 was betaald, is afgetrokken van elk van haar jaarlijkse bijdragen aan het GAF, de bijdragen voor 2015 in werkelijkheid „voorafbetalingen voor de eerste acht jaar van het GAF” vormden. Verzoekster is van mening dat de resterende vijf achtsten van deze „voorafbetalingen” aan haar moeten worden terugbetaald, aangezien zij voor de periode van 2019 tot en met 2023 niet meer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt ten gevolge van de intrekking van haar vergunning.

114    In het bestreden besluit heeft de GAR aangegeven dat de door de deelnemende lidstaten geïnde bijdragen voor 2015 krachtens artikel 3, lid 3, van de IGO waren overgedragen aan het GAF. Volgens dit besluit hebben entiteiten die de vooraf te betalen bijdragen voor 2015 hebben betaald en waarvan de vergunning vervolgens is ingetrokken geen recht op terugbetaling van die bijdragen, zoals volgens de GAR uit artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 blijkt.

115    In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de oprichting, in 2015, van de nationale afwikkelingsfondsen – waarin richtlijn 2014/59 en gedelegeerde verordening 2015/63 voorzien – samenhing met de oprichting, in 2016, van een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds voor de lidstaten die deel uitmaken van de bankenunie – op basis van verordening nr. 806/2014 – met als doel de nationale afwikkelingsfondsen geleidelijk te vervangen.

116    In deze context hebben de lidstaten in eerste instantie overeenkomstig artikel 130, lid 1, van richtlijn 2014/59 vanaf 1 januari 2015 vooraf te betalen bijdragen moeten innen van instellingen waaraan op hun grondgebied vergunning was verleend. Daartoe dienden de lidstaten er zorg voor te dragen dat de verplichting tot betaling van de vooraf te betalen bijdragen in rechte afdwingbaar was en dat verschuldigde bijdragen volledig werden betaald (artikel 103, lid 4, van richtlijn 2014/59).

117    Vervolgens zijn de aldus door de lidstaten vóór de datum van toepassing van de IGO, te weten 1 januari 2016, geïnde bijdragen overeenkomstig artikel 3 van deze overeenkomst overgedragen aan het GAF. Na de overdracht van die bijdragen wordt binnen het GAF geen onderscheid gemaakt tussen de bijdragen naargelang het jaar of de rechtsgrondslag van inning ervan. De bijdragen voor 2015 en die voor de daaropvolgende jaren worden zonder onderscheid samengevoegd in het GAF.

118    In casu blijkt uit het dossier dat de bijdrage waarvan verzoekster de gedeeltelijke terugbetaling vordert, de vooraf te betalen bijdrage is die zij voor 2015 heeft betaald en waarvan het bedrag overeenkomstig artikel 103 van richtlijn 2014/59 door de Letse afwikkelingsautoriteit was vastgesteld.

119    Artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81, met als opschrift „Specifieke aanpassingen in de initiële periode”, bepaalt in dit verband:

„Tijdens de initiële periode houdt de [GAR] bij de berekening van de afzonderlijke bijdragen van elke instelling rekening met de bijdragen die door de deelnemende lidstaten zijn geïnd overeenkomstig de artikelen 103 en 104 van [richtlijn 2014/59] en aan het [GAF] zijn overgedragen krachtens artikel 3, lid 3, van de [IGO], door deze af te trekken van het door elke instelling verschuldigde bedrag.”

120    Vastgesteld moet worden dat noch de bewoordingen noch de context van deze bepaling verzoeksters betoog kunnen ondersteunen.

121    Deze bepaling maakt immers nergens melding van een recht op terugbetaling van de bijdragen voor 2015 ingeval een instelling het afwikkelingsstelsel in de loop van de initiële periode (2016‑2023) zou verlaten. Artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81 bepaalt evenmin dat de bijdragen voor 2015 „voorafbetalingen voor de eerste acht jaar van het GAF” zijn.

122    Wat de context van die bepaling betreft, heeft uitvoeringsverordening 2015/81 tot doel, zoals de GAR benadrukt, de voorwaarden voor de berekening van de bijdragen voor individuele instellingen nader te omschrijven (artikel 1 van uitvoeringsverordening 2015/81).

123    Die verordening is van toepassing op de instellingen waarvan bijdragen worden geïnd overeenkomstig artikel 70 van verordening nr. 806/2014 (artikel 2 van uitvoeringsverordening 2015/81). In artikel 8 van uitvoeringsverordening 2015/81 wordt in detail de aangepaste methode voor de berekening van de jaarlijkse bijdragen beschreven die bij wijze van afwijking van toepassing is in de initiële periode. Overweging 6 van uitvoeringsverordening 2015/81 preciseert in dit verband dat met de in artikel 8, lid 2, van deze verordening bedoelde aftrek wordt beoogd dat de krachtens artikel 3, lid 3, van de IGO overgedragen bedragen worden „meegeteld” bij de berekening van de individuele bijdragen. Wanneer een instelling haar vergunning verliest, hoeft zij de bijdragen uit hoofde van artikel 70 van verordening nr. 806/2014 in de toekomst niet meer te betalen en heeft de in artikel 8 van uitvoeringsverordening 2015/81 uiteengezette berekeningsmethode niet langer betrekking op haar. In dit verband bepaalt artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81 dat de aftrek van toepassing is op het „door elke instelling verschuldigde bedrag”. Zoals de GAR en de Commissie terecht opmerken, vindt deze aftrek slechts plaats zolang de bijdrageverplichting bestaat.

124    Voorts wordt in overweging 12 van de IGO gepreciseerd dat de overdracht van de bijdragen voor 2015 aan het GAF tot doel had dat fonds vanaf het begin aan financiële slagkracht te doen winnen. De aftrek waarin artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81 voorziet, stelt het GAF dus in staat om vanaf het eerste halfjaar van zijn inwerkingtreding over middelen te beschikken die gelijk zijn aan twee annuïteiten, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de overdracht aan dat fonds van de in 2015 geïnde bedragen geen onevenwicht tussen de betrokken instellingen creëert wat de verdeling van de financiële last betreft.

125    Zoals de GAR betoogt, weerspiegelt artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81 de geleidelijke overgang van een nationaal mechanisme naar een gemeenschappelijk gemutualiseerd Europees mechanisme en de noodzaak om zo spoedig mogelijk de doeltreffendheid van het GAM te waarborgen.

126    Gelet op het voorgaande blijkt uit geen van de relevante teksten, met name artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81, dat de bijdragen voor 2015, zoals verzoekster stelt, „voorafbetalingen voor de eerste acht jaar van het GAF” vormden en dat deze dus moeten worden terugbetaald wanneer een instelling niet langer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 806/2014 valt.

127    Dat de berekening van de jaarlijkse bijdrage van een instelling voor bijvoorbeeld 2018, na aftrek van de bijdrage voor 2015, tot een negatief bedrag en tot de betaling van het overeenkomstige bedrag aan die instelling kan leiden, kan niet worden uitgesloten. Daarbij gaat het echter niet om een terugbetaling in de door verzoekster bedoelde zin, te weten een terugbetaling die is gebaseerd op het pro‑rata‑temporisbeginsel. Die berekening is immers niets anders dan een wiskundige bewerking die wordt verricht om het bedrag van de jaarlijkse bijdrage van de betrokken instelling voor 2018 te bepalen, welk bedrag negatief kan zijn indien het in mindering te brengen deel van de bijdrage voor 2015 hoger is dan de bijdrage die is berekend voor 2018. Bijgevolg is het aan de instelling betaalde bedrag in dat geval slechts het gevolg van het resultaat van die berekening. Concreet draagt de nationale afwikkelingsautoriteit bij de inning van de vooraf te betalen bijdragen voor 2018 een deel van de van de andere instellingen geïnde bedragen over aan de instelling(en) waarvan het bedrag van de jaarlijkse bijdrage, verminderd met de bijdrage voor 2015, negatief is. Anders dan verzoekster stelt, biedt punt 40 van besluit SRB/ES/SRF/2018/03, dat juist melding maakt van die situatie, dus evenmin steun aan het betoog waarop zij haar verzoek om gedeeltelijke terugbetaling van haar vooraf te betalen bijdrage voor 2015 baseert. Hetzelfde geldt – om de redenen die in punt 98 hierboven reeds zijn uiteengezet – voor punt 39 van besluit SRB/ES/SRF/2018/03.

128    Bovendien moeten de bijdragen voor 2015, ook al was het bedrag daarvan overeenkomstig richtlijn 2014/59 vastgesteld door de nationale afwikkelingsautoriteiten, als bijdragen aan het GAF worden beschouwd, net zoals de bijdragen die overeenkomstig artikel 70 van verordening nr. 806/2014 door de GAR zijn vastgesteld. Zoals in punt 117 hierboven in herinnering is gebracht, worden de bijdragen, zodra zij zijn overgedragen, zonder onderscheid samengevoegd in het GAF. Bijgevolg moet worden geoordeeld, zoals de GAR in het bestreden besluit heeft gedaan, dat artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 – dat bepaalt dat de terecht ontvangen bijdragen niet worden terugbetaald – hier van toepassing is.

129    Aangezien verzoekster niet betwist dat zij haar vooraf te betalen bijdrage voor 2015 terecht heeft betaald, kon de GAR zich dus, gelet op artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en rekening houdend met al het voorgaande, op het standpunt stellen, zoals hij heeft gedaan, dat hij niet in de mogelijkheid verkeerde om over te gaan tot de gevraagde terugbetaling.

c)      Conclusie

130    Uit het onderzoek van verzoeksters eerste vijf middelen blijkt dat de GAR geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich op het standpunt te stellen dat de intrekking van de vergunning van een instelling door de ECB tijdens de bijdrageperiode geen omstandigheid is die de betreffende instelling recht geeft op een pro‑rata‑temporisherberekening van haar vooraf te betalen bijdrage voor die periode, en door derhalve niet over te gaan tot terugbetaling aan verzoekster van een deel van het bedrag dat deze uit hoofde van haar vooraf te betalen bijdrage voor 2018 had betaald. De GAR heeft evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de intrekking van de vergunning van een instelling door de ECB gedurende de initiële periode geen omstandigheid is die de betreffende instelling recht geeft op terugbetaling van het resterende saldo van de vooraf te betalen bijdrage die zij had betaald voor 2015.

131    In die omstandigheden moeten verzoeksters eerste vijf middelen worden afgewezen.

3.      Zesde middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel

132    Met het zesde middel voert verzoekster aan dat de GAR, overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, instellingen slechts een last kan opleggen indien de betreffende regeling duidelijk bepaalt dat een dergelijke last wordt opgelegd. Bovendien is in geen enkele bepaling uitdrukkelijk vastgelegd dat bijdragen mogen worden behouden wanneer een entiteit in de loop van de bijdrageperiode ophoudt een onder toezicht staande instelling te zijn. Een onpartijdige en objectieve waarnemer verwacht niet dat bijdragen in dat geval worden behouden. Verzoekster verwijt de GAR dan ook dat hij de betrokken instellingen nooit in kennis heeft gesteld van de wijze waarop hij de betreffende regeling opvat.

133    De GAR, ondersteund door de Commissie, bestrijdt dit betoog.

134    Volgens vaste rechtspraak verlangt het rechtszekerheidsbeginsel dat een regeling duidelijk en nauwkeurig is, opdat de justitiabelen ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en de toepassing van die regeling voor de justitiabelen voorzienbaar is (zie in die zin arresten van 14 april 2005, België/Commissie, C‑110/03, EU:C:2005:223, punt 30, en 12 december 2013, Test Claimants in the Franked Investment Income Group Litigation, C‑362/12, EU:C:2013:834, punt 44).

135    Daarnaast kan men zich enkel op het vertrouwensbeginsel beroepen indien er is voldaan aan drie voorwaarden. Ten eerste moet de betrokkene van de instanties nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen hebben gekregen die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn. Ten tweede moeten deze toezeggingen gegronde verwachtingen kunnen wekken bij degene tot wie zij gericht zijn. Ten derde moeten de toezeggingen in overeenstemming zijn met de toepasselijke voorschriften (zie arrest van 9 september 2011, Deltafina/Commissie, T‑12/06, EU:T:2011:441, punt 190 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

136    Artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 bepaalt dat de terecht ontvangen bijdragen niet worden terugbetaald. Deze bepaling is duidelijk en nauwkeurig en voorziet in geen enkele uitzondering of beperking. Het feit dat die bepaling geen precisering bevat met betrekking tot het toepassingsgebied ervan, toont aan dat zij van algemene toepassing is. Zij stelt de justitiabelen dus in staat ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen te kennen, aangezien de toepassing van die bepaling voor hen voorzienbaar is.

137    Anders dan verzoekster stelt, was het besluit van de GAR om de door haar terecht betaalde vooraf te betalen bijdragen niet aan haar terug te betalen, gelet op de voorgaande overwegingen, niet onvoorzienbaar. De GAR kan dus niet worden verweten dat hij de betrokken instellingen niet vooraf in kennis heeft gesteld van de wijze waarop hij de relevante bepalingen opvat, of het in dit verband nu gaat om de bijdragen die zijn betaald voor 2015 of om de bijdragen die voor elk van de jaren van de initiële periode zijn betaald.

138    Bovendien vormt het enkele feit dat artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 niet uitdrukkelijk preciseert dat het van toepassing is op verzoeksters bijzondere situatie, geen nauwkeurige toezegging van de instanties – in de zin van de rechtspraak – die de gegronde verwachting kon wekken dat verzoeksters bijdragen aan haar zouden worden terugbetaald. Voorts blijkt uit lezing van besluit SRB/ES/SRF/2018/03 dat de GAR, anders dan verzoekster aanvoert, niet erkent dat de vooraf te betalen bijdragen terugbetaalbaar zijn. Maar zelfs indien de GAR dat wél zou doen, zou dat in strijd zijn met de toepasselijke regels en zou verzoekster zich dus niet op het vertrouwensbeginsel kunnen beroepen.

139    Het zesde middel, dat is ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het vertrouwensbeginsel, moet bijgevolg worden afgewezen.

4.      Zevende middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

140    Verzoekster voert in algemene zin aan dat elke andere maatregel dan die welke inhoudt dat de bedragen die als vooraf te betalen bijdragen zijn betaald pro rata temporis worden terugbetaald aan instellingen waarvan de vergunning is ingetrokken, onevenredig is. Zij is met name van mening dat het bedrag van de bijdragen evenredig moet zijn aan de risico’s die verbonden zijn aan de betrokken instelling. Verzoekster vestigt de aandacht op twee situaties: ten eerste, de situatie waarin de GAR de volledige jaarlijkse bijdrage van een instelling behoudt, ook al verliest die instelling na de eerste maand of de eerste dag van het jaar haar hoedanigheid van instelling; ten tweede, de situatie waarin de GAR bijna tweemaal hogere bijdragen ontvangt omdat een instelling haar activiteiten aan het begin van het jaar aan een andere entiteit heeft overgedragen met het verlies van haar hoedanigheid van instelling tot gevolg, terwijl die andere entiteit een instelling wordt. Bovendien is verzoekster van mening dat het opleggen van een zodanig zware last aan de instellingen die het voorwerp kunnen zijn van een insolventieprocedure, te weten de instellingen ten aanzien waarvan de GAR heeft besloten geen afwikkelingsmaatregel vast te stellen, de zeer nadelige gevolgen van hun faillissement nog ernstiger maakt.

141    De GAR, ondersteund door de Commissie, bestrijdt dit betoog.

142    Volgens vaste rechtspraak vereist het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, dat de handelingen van de instellingen van de Unie geschikt zijn om de legitieme doelstellingen die met de betreffende regeling worden nagestreefd te verwezenlijken en niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is, met dien verstande dat er, wanneer een keuze tussen meerdere passende maatregelen mogelijk is, gebruik moet worden gemaakt van de maatregel die het minst belastend is en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn ten opzichte van de nagestreefde doelen (zie arrest van 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a., C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 165 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

143    In herinnering zij gebracht dat de jaarlijkse inning van de vooraf te betalen bijdragen van kredietinstellingen, zoals die is vastgesteld in verordening nr. 806/2014, tot doel heeft ervoor te zorgen dat de beschikbare financiële middelen van het GAF uiterlijk aan het eind van een initiële periode van acht jaar ten minste 1 % bereiken van het bedrag van de gedekte deposito’s van alle kredietinstellingen waaraan in alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend.

144    Daartoe worden de vooraf te betalen bijdragen, zoals het Hof heeft opgemerkt, „gepland”: elk jaar worden deze bijdragen berekend op basis van boekhoudkundige informatie over de laatste goedgekeurde en gecertificeerde jaarrekening die vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode beschikbaar was, en geïnd voor het kalenderjaar van de bijdrage (arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punt 63). De enige uitzondering betreft instellingen die pas onder toezicht zijn komen te staan gedurende slechts een deel van de bijdrageperiode. In dat geval wordt de gedeeltelijke bijdrage geïnd in het daaropvolgende kalenderjaar van de bijdrage, bovenop de bijdrage die voor dat jaar verschuldigd is (artikel 12, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63).

145    Wat de vraag betreft of het bestreden besluit noodzakelijk is om de nagestreefde legitieme doelstelling te bereiken, moet worden vastgesteld dat een zekere stabiliteit van de middelen van het GAF essentieel is opdat deze middelen geleidelijk zouden kunnen toenemen tot 1 % van de deposito’s aan het einde van de initiële periode. Indien de GAR rekening zou moeten houden met de ontwikkeling van de juridische en financiële situatie van instellingen gedurende het boekjaar en in het daaropvolgende kalenderjaar van de bijdrage terugbetalingen zou moeten verrichten, zou het voor het GAF moeilijk zijn om het in verordening nr. 806/2014 vastgestelde streefbedrag te bereiken. Het Hof heeft overigens benadrukt dat het belangrijk is om de berekening van de jaarlijkse bijdragen door de afwikkelingsautoriteiten te vergemakkelijken teneinde de doelstelling die wordt nagestreefd met richtlijn 2014/59, verordening nr. 806/2014 en gedelegeerde verordening 2015/63 te bereiken (arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punten 44 en 45). Het bestreden besluit is dus noodzakelijk in het licht van de legitieme doelstelling die ermee wordt nagestreefd.

146    Wat de vraag betreft of het bestreden besluit niet verder gaat dan noodzakelijk is om die legitieme doelstelling te bereiken, moet in het licht van artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 worden vastgesteld dat er geen alternatief bestond waarmee dat doel op minder belastende wijze kon worden gewaarborgd. Overigens zou een aanpassing van de bijdrage die verschuldigd is door een instelling waarvan de vergunning in de loop van het jaar wordt ingetrokken, zoals verzoekster voorstelt, niet even doeltreffend zijn om de in punt 143 hierboven uiteengezette doelstelling te bereiken, aangezien een dergelijke aanpassing tot gevolg zou hebben dat het GAF de stabiliteit wordt ontnomen die het nodig heeft opdat zijn middelen geleidelijk zouden kunnen toenemen tot het vereiste niveau.

147    Bovendien moet worden opgemerkt dat artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 geen enkele bevoegdheid of beoordelingsmarge laten met betrekking tot de terugbetaling van terecht betaalde bijdragen. Verzoekster werpt echter geen exceptie van onwettigheid van die bepalingen op.

148    In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet onevenredig is, aangezien het niet verder gaat dan noodzakelijk is om de legitieme doelstellingen van de regeling in kwestie te bereiken.

149    Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoeksters andere argumenten.

150    Wat de argumenten inzake de correlatie tussen de verplichte bijdragen en de door het GAF gedekte risico’s betreft, moet worden opgemerkt dat de regeling bij de berekening van het bedrag van de bijdrage rekening houdt met het risico dat is verbonden aan de werkzaamheden van een instelling (artikel 70, lid 2, van verordening nr. 806/2014), zonder evenwel een verband te leggen tussen dit bedrag en het aantal maanden waarin het stelsel dat risico heeft gelopen, met uitzondering van instellingen die pas recentelijk onder toezicht zijn geplaatst. De door verzoekster dienaangaande aangevoerde argumenten moeten dus worden afgewezen.

151    Wat de door verzoekster aangehaalde situatie betreft waarin de GAR de volledige jaarlijkse bijdrage van een instelling behoudt ook al verliest die instelling na de eerste maand of de eerste dag van het jaar haar hoedanigheid van instelling, moet in casu worden geconstateerd dat besluit SRB/ES/SRF/2018/03 is vastgesteld op 12 april 2018, dat de commissie financiële en kapitaalmarkten verzoekster op 27 april 2018 in kennis heeft gesteld van het bedrag van haar bijdrage en dat verzoeksters vergunning is ingetrokken op 11 juli 2018. De door verzoekster weergegeven situatie is dus zuiver hypothetisch en kan niet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens van het geval. Dit argument moet bijgevolg worden afgewezen.

152    Wat de door verzoekster genoemde situatie betreft waarin de GAR bijna tweemaal hogere bijdragen ontvangt omdat een instelling haar activiteiten aan het begin van het jaar aan een andere entiteit heeft overgedragen met het verlies van haar hoedanigheid van instelling tot gevolg, terwijl die andere entiteit vervolgens een instelling wordt, moet worden vastgesteld dat dit betoog onvoldoende onderbouwd is om het Gerecht in staat te stellen erop te antwoorden. Verzoekster maakt immers enkel melding van deze situatie – die zij zelf in punt 23 van het verzoekschrift als hypothetisch aanmerkt – zonder dat zij aangeeft in welke zin die situatie relevant is voor de beslechting van het onderhavige geding. De berekening van de vooraf te betalen bijdragen is overeenkomstig artikel 14, leden 1 en 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 gebaseerd op de gegevens van het voorgaande boekjaar, met andere woorden de bijdrage van een entiteit die in 2018 een instelling wordt, zal op basis van het jaar 2017 worden berekend. Verzoekster heeft geen gegevens verstrekt, met name in repliek, waaruit kan worden opgemaakt of haar voorbeeld rekening hield met deze bepaling of met andere bepalingen die eventueel van toepassing zijn op een dergelijke situatie. Dit argument voldoet niet aan de in artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering neergelegde minimumeisen en moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat het niet is gepreciseerd.

153    Met betrekking tot verzoeksters argumenten betreffende de zeer nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor instellingen die het voorwerp van een insolventieprocedure kunnen zijn, moet worden vastgesteld dat deze argumenten berusten op het idee dat aan de betreffende entiteit in geval van niet-terugbetaling een actief wordt ontnomen. Aangezien de vooraf te betalen bijdragen echter geen „voorafbetalingen” zijn en het feit dat een instelling haar vergunning verliest in de loop van het bijdragejaar haar geen enkel recht geeft op terugbetaling van haar jaarlijkse bijdrage, toont verzoekster echter niet aan dat er sprake is van een actief dat aan een entiteit kan worden ontnomen. Derhalve moeten de argumenten ter zake worden afgewezen.

154    Gelet op het voorgaande moet het zevende middel, dat is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, worden afgewezen.

5.      Tiende middel: schending van de artikelen 16 en 17 van het Handvest

155    Met het tiende middel voert verzoekster aan dat de rechten die zij met betrekking tot „de niet-gebruikte vooraf te betalen bijdragen” kan doen gelden, net als de bij een centrale bank bewaarde kasreserves een eigendomsrecht vormen. Dit is met name duidelijk wat de vooraf te betalen bijdragen voor de eerste acht jaar van het bestaan van het GAF betreft. Zij betoogt dat de ontneming van haar eigendomsrechten niet bij wet is vastgesteld en niet wordt gerechtvaardigd door het openbaar belang. De GAR heeft evenmin enige vorm van schadevergoeding aangeboden. Dat de GAR alle betaalde bijdragen behoudt, ondanks het feit dat de instelling haar vergunning verliest, vormt bovendien een niet bij wet vastgestelde beperking van verzoeksters vrijheid van ondernemerschap.

156    De GAR, ondersteund door de Commissie, bestrijdt dit betoog.

157    Artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) bepaalt dat „[d]e vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken”.

158    Volgens artikel 17, lid 1, en artikel 52, lid 1, van het Handvest mag niemand zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed.

159    Volgens de rechtspraak hebben de grondrechten, in het bijzonder de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom, geen absolute gelding en kan de uitoefening ervan worden onderworpen aan beperkingen die hun rechtvaardiging vinden in door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang, mits deze beperkingen werkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang en zij gelet op het nagestreefde doel geen onevenredige en onduldbare ingreep vormen waardoor de aldus gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (zie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

160    Om de draagwijdte van dit recht te kunnen bepalen dient er, gelet op artikel 52, lid 3, van het Handvest, rekening te worden gehouden met artikel 1 van aanvullend protocol nr. 1 bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) (zie in die zin arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 356).

161    In dit verband bepaalt artikel 1 van aanvullend protocol nr. 1 bij het EVRM:

„Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

162    In casu moet worden opgemerkt dat de aan de orde zijnde bijdragen een inmenging vormen in het door artikel 1, eerste alinea, van aanvullend protocol nr. 1 bij het EVRM gewaarborgde recht, aangezien zij de betrokken instelling een element ontnemen dat deel uitmaakt van haar eigendom, te weten het door haar betaalde bedrag. Deze inmenging is evenwel gerechtvaardigd krachtens artikel 1, tweede alinea, van aanvullend protocol nr. 1 bij het EVRM, welke bepaling uitdrukkelijk voorziet in een uitzondering voor de betaling van belastingen of andere heffingen (zie in die zin EHRM, 13 januari 2004, Orion Břeclav s.r.o. tegen Tsjechië, CE:ECHR:2004:0113DEC004378398).

163    In deze omstandigheden moet worden nagegaan of het bestreden besluit in overeenstemming is met de betreffende regeling, of de aantasting van verzoeksters eigendomsrecht werkelijk beantwoordt aan doelstellingen van algemeen belang en of deze aantasting, gelet op het nagestreefde doel, geen onevenredige en onduldbare ingreep vormt waardoor het eigendomsrecht in zijn kern wordt aangetast.

164    Om te beginnen volgt uit de punten 58 tot en met 131 hierboven dat de GAR op goede gronden artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft toegepast. Het bestreden besluit is dus in overeenstemming met de relevante regeling.

165    Vervolgens blijkt uit de punten 143 tot en met 148 hierboven dat het besluit om verzoekster ondanks de intrekking van haar vergunning geen deel van haar bijdragen terug te betalen, werkelijk beantwoordt aan doelstellingen van algemeen belang en niet onevenredig is aan deze doelstellingen. In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het betreffende besluit, gelet op het nagestreefde doel, geen onevenredige en onduldbare ingreep vormt waardoor verzoeksters eigendomsrecht in zijn kern wordt aangetast. Om dezelfde redenen tast dat besluit evenmin haar vrijheid van ondernemerschap aan in de kern.

166    Derhalve is de gestelde schending van het eigendomsrecht en van de vrijheid van ondernemerschap niet aangetoond.

167    Gelet op het voorgaande moet het tiende middel, dat is ontleend aan schending van de artikelen 16 en 17 van het Handvest, worden afgewezen.

6.      Achtste en negende middel: schending van het adagium nemo auditur propriam turpitudinem allegans en van het verbod om op tegenstrijdige wijze te handelen

168    Met het achtste middel stelt verzoekster dat de GAR het adagium „nemo auditur propriam turpitudinem allegans” heeft geschonden, volgens hetwelk niemand zich op zijn eigen ongeoorloofd handelen mag beroepen. Zij voert met name aan dat de GAR op 23 februari 2018 publiekelijk heeft aangekondigd dat verzoekster en haar Luxemburgse dochteronderneming moesten worden geliquideerd. Na deze aankondiging waren verzoeksters aandeelhouders gedwongen een procedure van vrijwillige liquidatie in te leiden. Deze vrijwillige liquidatie heeft de ECB er vervolgens toe gebracht verzoeksters vergunning in te trekken. Derhalve heeft de GAR ten eerste verzoekster het voordeel ontnomen dat zij haalde uit haar vooraf te betalen bijdrage aan het GAF voor 2018. Ten tweede heeft de GAR een voordeel verkregen doordat hij een bijdrage heeft ontvangen terwijl het bijbehorende risico was weggenomen ten gevolge van de liquidatie van verzoekster. Door te weigeren verzoeksters vooraf te betalen bijdrage terug te betalen, tracht de GAR een onrechtmatig voordeel te behouden. Verzoekster voert tevens aan, met het negende middel, dat de GAR op tegenstrijdige en willekeurige wijze heeft gehandeld door de liquidatie van verzoekster te gelasten terwijl hij haar bijdrage behield.

169    De GAR, ondersteund door de Commissie, bestrijdt dit betoog.

170    Ten eerste vereist het inroepen van het adagium „nemo auditur propriam turpitudinem allegans” dat wordt aangetoond dat er sprake is van een aan de GAR toerekenbare onrechtmatige gedraging. Uit de analyse van de eerste vijf middelen blijkt echter dat de GAR op goede gronden artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 en artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft toegepast. Bijgevolg kan de GAR in het onderhavige geval geen onrechtmatige gedraging worden verweten.

171    Het besluit van de GAR van 23 februari 2018 om geen afwikkelingsmaatregel vast te stellen en de vraag of de GAR verantwoordelijk is voor de door verzoeksters aandeelhouders ingeleide procedure van vrijwillige liquidatie zijn niet aan de orde in het onderhavige beroep en kunnen dus geen grondslag vormen voor een vermeende onrechtmatige gedraging.

172    Ten tweede moet worden vastgesteld dat het middel dat is ontleend aan een vermeende tegenstrijdige gedraging van de GAR is gebaseerd op het besluit van de GAR van 23 februari 2018 om geen afwikkelingsmaatregel vast te stellen en op de vraag of de GAR verantwoordelijk is voor de door verzoeksters aandeelhouders ingeleide procedure van vrijwillige liquidatie. Een dergelijk middel, dat er niet toe strekt de rechtmatigheid van het bestreden besluit ter discussie te stellen, is echter niet ter zake dienend en moet worden afgewezen.

173    Derhalve moeten het achtste en het negende middel worden afgewezen.

7.      Ontoereikende motivering van het bestreden besluit

174    In punt 92 van de opmerkingen die verzoekster op 29 juni 2020 heeft ingediend, voert zij aan dat de GAR het bestreden besluit ontoereikend heeft gemotiveerd. Zij is van mening dat de GAR in dat besluit simpelweg heeft gesteld dat de bijdragen aan het GAF nooit worden terugbetaald, zonder dat hij een plausibele verklaring heeft gegeven ter rechtvaardiging van zijn weigering om een herberekening te verrichten en de gevraagde terugbetaling toe te staan. Verzoekster benadrukt dat de GAR in zijn besluit niet heeft aangegeven waarom „de bijdragen voor 2015 konden worden terugbetaald indien in de initiële fase geringe aanvullende bedragen moesten worden betaald, maar [die bijdragen] niet hoefden te worden terugbetaald indien geen andere bedragen verschuldigd waren”.

175    Volgens vaste rechtspraak zijn middelen inzake het ontbreken van motivering of inzake ontoereikende motivering van openbare orde en kunnen zij door partijen in elke stand van het geding worden opgeworpen (beschikking van 25 juli 2000, RJB Mining/Commissie, T‑110/98, EU:T:2000:199, punt 46; zie in die zin eveneens arrest van 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C‑166/95 P, EU:C:1997:73, punten 23‑25). Dit middel is bijgevolg ontvankelijk.

176    Voorts zij in herinnering gebracht dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betreffende handeling en de redenering van de instelling die de bestreden handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de Unierechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien er bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen van deze handeling, maar ook op de context waarvan zij deel uitmaakt en op het geheel van rechtsregels die op de betreffende materie van toepassing zijn (arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 63, en 8 mei 2019, Landeskreditbank Baden‑Württemberg/ECB, C‑450/17 P, EU:C:2019:372, punt 87).

177    Hieruit volgt dat de motivering niet uitputtend hoeft te zijn maar moet worden geacht te volstaan wanneer daarin de feiten en de juridische overwegingen zijn uiteenzet die in het bestek van het besluit van wezenlijk belang zijn (zie in die zin arresten van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 169, en 3 maart 2010, Freistaat Sachsen/Commissie, T‑102/07 en T‑120/07, EU:T:2010:62, punt 180).

178    In casu blijkt uit de in punt 13 hierboven gegeven beschrijving van het bestreden besluit dat de GAR de feitelijke en juridische gegevens heeft gespecificeerd die van wezenlijk belang waren. Het bestreden besluit heeft verzoekster in staat gesteld om de rechtvaardigingsgronden van de genomen beslissing te kennen teneinde haar rechten te verdedigen en de Unierechter in staat gesteld zijn toezicht op de rechtmatigheid van dat besluit uit te oefenen. Verzoekster heeft immers de gegrondheid van de in het bestreden besluit vervatte bevindingen kunnen bestrijden door de GAR met name de wijze te verwijten waarop hij artikel 70, lid 4, van verordening nr. 806/2014 heeft opgevat en artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 op haar situatie heeft toegepast, zoals blijkt uit het verzoekschrift. Bovendien heeft het Gerecht, zoals blijkt uit de hierboven verrichte analyse van de verschillende middelen die in het verzoekschrift zijn aangevoerd, uitspraak kunnen doen over dat betoog en heeft het zijn toezicht op het bestreden besluit kunnen uitoefenen. Derhalve stelt verzoekster ten onrechte dat de motivering van dat besluit ontoereikend is.

179    De GAR kan niet worden verweten dat hij niet heeft aangegeven waarom „de bijdragen voor 2015 konden worden terugbetaald indien in de initiële fase geringe aanvullende bedragen moesten worden betaald, maar [die bijdragen] niet hoefden te worden terugbetaald indien geen andere bedragen verschuldigd waren”. De GAR heeft in zijn besluit immers duidelijk uiteengezet waarom hij verzoeksters verzoeken niet kon inwilligen, zoals blijkt uit de lezing van punt 13 hierboven. Voorts volgt uit de hierboven verrichte analyse van de eerste vijf middelen dat de GAR, anders dan verzoekster stelt, nooit heeft verklaard dat „de bijdragen voor 2015 konden worden terugbetaald”, maar heeft betoogd dat die bijdragen van het door de instelling verschuldigde bedrag konden worden afgetrokken overeenkomstig artikel 8, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/81. Dit argument van verzoekster moet derhalve worden afgewezen.

180    Gelet op een en ander moet het middel inzake ontoereikende motivering van het bestreden besluit dan ook worden afgewezen en dient het beroep bijgevolg in zijn geheel te worden verworpen.

 Kosten

181    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de GAR te worden verwezen in de kosten.

182    Op grond van artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering zal de Commissie haar eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      ABLV Bank AS wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR).

3)      De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.

Papasavvas

Kornezov

Buttigieg

Kowalik-Bańczyk

 

      Hesse

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 januari 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.