Language of document : ECLI:EU:C:2020:765

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. HOGAN

van 1 oktober 2020 (1)

Zaak C940/19

Les Chirurgiens-Dentistes de France,

Confédération des Syndicats médicaux français,

Fédération des Syndicats pharmaceutiques de France,

Syndicat des Biologistes,

Syndicat des Médecins libéraux,

Union dentaire,

Conseil national de l’Ordre des Chirurgiens-Dentistes,

Conseil national de l’Ordre des Masseurs-Kinésithérapeutes,

Conseil national de l’Ordre des Infirmiers

tegen

Ministre des Solidarités et de la Santé,

Ministre de l’Enseignement supérieur, de la Recherche et de l’Innovation,

Premier ministre

[verzoek van de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Erkenning van beroepskwalificaties – Richtlijn 2005/36/EG – Artikel 4 septies, lid 6 – Nationale regeling tot instelling van gedeeltelijke toegang tot bepaalde beroepen in de gezondheidszorg”






I.      Inleiding

1.        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(2), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt („de IMI-verordening”)(3). Die bepaling voorziet voor het eerst in gedeeltelijke toegang tot een beroepsactiviteit in het kader van een stelsel van onderlinge erkenning van kwalificaties.

2.        Hoewel de onderlinge erkenning van beroepskwalificaties over het algemeen als een van de grote verworvenheden van de interne markt wordt gezien, gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat die erkenning niet zonder problemen tot stand is gekomen. Uit ervaring is onder andere gebleken dat in iedere lidstaat binnen verschillende beroepen allerlei subcategorieën en specialisaties kunnen bestaan. Deze specifieke beroepsbeoefenaren beschikken in veel gevallen wellicht niet over de vereiste kwalificaties op grond waarvan zij in aanmerking zouden kunnen komen voor volledige erkenning om hun beroep in een andere lidstaat uit te oefenen.

3.        Juist om dit probleem aan te pakken heeft de Uniewetgever met het oog op deze subcategorieën en specialisaties, zoals hierna zal worden uiteengezet, het begrip „gedeeltelijke toegang” ingevoerd. Aangezien tandheelkunde de achtergrond van deze zaak vormt, zijn mondhygiënisten een goed voorbeeld. Zo is het mogelijk dat een gekwalificeerde mondhygiënist in een andere lidstaat zijn beroep wil uitoefenen, maar hem daarvoor geen toelating wordt verleend indien hij niet ook als tandarts is gekwalificeerd. Met de mogelijkheid van gedeeltelijke toegang in de recentere richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties wordt getracht deze kwestie aan te pakken.

4.        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding dat aanhangig is gemaakt door de Confédération nationale des Syndicats dentaires (nationale confederatie van tandartsenvakbonden), thans Les Chirurgiens-Dentistes de France (tandartsen van Frankrijk), en andere organisaties die beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg vertegenwoordigen. De verwerende partijen in dit geding zijn de ministre des Solidarités et de la Santé (minister van Solidariteit en Gezondheid), de ministre de l’Enseignement supérieur, de la Recherche et de l’Innovation (minister van Hoger Onderwijs, Onderzoek en Innovatie) en de Premier ministre (eerste minister). Verzoekers betogen in wezen dat de Franse regering onrechtmatig heeft gehandeld door de wijze waarop zij met verschillende regelgevingshandelingen heeft getracht de vereisten van richtlijn 2013/55 om te zetten in de Franse nationale wetgeving.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Richtlijn 2013/55

5.        Overweging 7 van richtlijn 2013/55 luidt als volgt:

„Richtlijn 2005/36/EG is alleen van toepassing op beroepsbeoefenaren die hetzelfde beroep in een andere lidstaat willen uitoefenen. In bepaalde situaties kunnen de betrokken activiteiten tot een beroep behoren dat in de ontvangende lidstaat een groter scala aan werkzaamheden omvat dan in de lidstaat van oorsprong. Als de verschillen tussen de activiteitengebieden zo groot zijn dat de beroepsbeoefenaar eigenlijk een volledig onderwijs- en opleidingsprogramma zou moeten volgen om de tekortkomingen te compenseren, moet de ontvangende lidstaat in deze bijzondere omstandigheden gedeeltelijke toegang verlenen indien de beroepsbeoefenaar daarom verzoekt. In geval van dwingende redenen van algemeen belang, zoals omschreven door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn rechtspraak betreffende de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), die zich eventueel nog verder kan ontwikkelen, moet een lidstaat gedeeltelijke toegang kunnen weigeren. Dit kan met name het geval zijn voor beroepen in de gezondheidszorg, indien daaraan implicaties voor de volksgezondheid of de veiligheid van de patiënt zijn verbonden. Het verlenen van gedeeltelijke toegang mag geen afbreuk doen aan het recht van de sociale partners om zich te organiseren.”

2.      Richtlijn 2005/36

6.        Artikel 1 van richtlijn 2005/36, met als opschrift „Doel”, is als volgt verwoord:

„Deze richtlijn stelt de regels vast volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties (hierna de ,ontvangende lidstaat’ genoemd), de in een andere lidstaat of andere lidstaten (hierna de ,lidstaat van oorsprong’ genoemd) verworven beroepskwalificaties die de houder van die kwalificaties het recht verlenen er hetzelfde beroep uit te oefenen, erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dit beroep.

Deze richtlijn stelt ook de regels vast voor de gedeeltelijke toegang tot een gereglementeerd beroep alsook voor de erkenning van een beroepsstage die in een andere lidstaat is volbracht.”

7.        In artikel 4 van richtlijn 2005/36, met als opschrift „Gevolgen van de erkenning” is het volgende bepaald:

„1.      Erkenning van de beroepskwalificaties door de ontvangende lidstaat geeft de begunstigden in deze lidstaat toegang tot hetzelfde beroep als dat waarvoor zij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezitten en stelt hen in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen van de ontvangende lidstaat gelden.

2.      Voor de toepassing van deze richtlijn is het beroep dat de aanvrager in de ontvangende lidstaat wenst uit te oefenen hetzelfde als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit, indien hieronder vergelijkbare werkzaamheden vallen.

3.      In afwijking van lid 1, wordt gedeeltelijke toegang tot een beroep in de ontvangende lidstaat verleend onder de in artikel 4 septies vastgestelde voorwaarden.”

8.        Artikel 4 septies van richtlijn 2005/36, dat is ingevoegd bij richtlijn 2013/55 en als opschrift „Gedeeltelijke toegang” heeft, luidt als volgt:

„1.      De bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat verleent per geval gedeeltelijke toegang tot een beroepsactiviteit op zijn grondgebied, doch alleen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)      de beroepsbeoefenaar is in zijn lidstaat van oorsprong volledig gekwalificeerd om de beroepsactiviteit uit te oefenen waarvoor in de ontvangende lidstaat gedeeltelijke toegang wordt aangevraagd;

b)      de verschillen tussen de in de lidstaat van oorsprong legaal verrichte beroepsactiviteiten en het gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat zijn zo groot dat de toepassing van compenserende maatregelen erop zou neerkomen dat de aanvrager het volledige onderwijs- en opleidingsprogramma in de ontvangende lidstaat zou moeten doorlopen om tot het volledige gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat toegelaten te worden;

c)      de beroepsactiviteit kan objectief worden gescheiden van andere activiteiten die het gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat omvat.

Voor de toepassing van punt c) dient de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat rekening te houden met de vraag of de beroepsactiviteit autonoom in de lidstaat van oorsprong kan worden uitgeoefend.

2.      Gedeeltelijke toegang kan worden afgewezen indien deze afwijzing door een dwingende reden van algemeen belang gerechtvaardigd is, indien zulks passend is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en het niet verder gaat dan wat noodzakelijk is om dat doel te bereiken.

3.      Aanvragen bedoeld voor vestiging in een ontvangende lidstaat worden overeenkomstig titel III, hoofdstukken I en IV onderzocht.

4.      Aanvragen bedoeld voor het tijdelijk en incidenteel verrichten van diensten in de ontvangende lidstaat die betrekking hebben op beroepsactiviteiten met implicaties voor de volksgezondheid of de openbare veiligheid, worden overeenkomstig titel II onderzocht.

5.      In afwijking van artikel 7, lid 4, zesde alinea, en artikel 52, lid 1, wordt de beroepsactiviteit uitgeoefend onder de beroepstitel van de lidstaat van oorsprong zodra gedeeltelijke toegang is verleend. De ontvangende lidstaat kan het gebruik van die beroepstitel in de talen van de ontvangende lidstaat voorschrijven. Beroepsbeoefenaren aan wie gedeeltelijke toegang is verleend, maken de ontvangers van de diensten duidelijk kenbaar tot welke gebieden hun beroepsactiviteiten zich uitstrekken.

6.      Dit artikel is niet van toepassing op beroepsbeoefenaren wier beroepskwalificaties automatisch worden erkend uit hoofde van titel III, hoofdstukken II, III en III bis.”

9.        Artikel 21, lid 1, van richtlijn 2005/36, met als opschrift „Beginsel van automatische erkenning”, luidt als volgt:

„Elke lidstaat erkent de opleidingstitels van artsen welke toegang geven tot de beroepswerkzaamheden van arts met een basisopleiding of medische specialist, alsmede de opleidingstitels van verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, specialisten in de tandheelkunde, dierenartsen, apothekers en architecten, zoals bedoeld in bijlage V, respectievelijk de punten 5.1.1, 5.1.2, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.6.2 en 5.7.1, die voldoen aan de minimumopleidingseisen van respectievelijk de artikelen 24, 25, 31, 34, 35, 38, 44 en 46, door daaraan op zijn grondgebied, wat de toegang tot en uitoefening van de betrokken beroepswerkzaamheden betreft, hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hem afgegeven opleidingstitels.

[...]”

B.      Frans recht

10.      Ter omzetting van richtlijn 2013/55 in Frans recht is ordonnance no 2017‑50 du 19 janvier 2017 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles dans le domaine de la santé (beschikking nr. 2017‑50 van 19 januari 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de gezondheidszorg) vastgesteld. Bij deze beschikking zijn in de code de la santé publique (wetboek volksgezondheid) de artikelen L. 4002‑3 tot en met L. 4002‑6 ingevoegd.

11.      Artikel L. 4002‑3 van de code de la santé publique voorziet in de mogelijkheid gedeeltelijke toegang te verlenen tot alle beroepen in de gezondheidszorg die worden geregeld door deel IV van datzelfde wetboek, met inbegrip dus van de beroepen waarop de regeling van de automatische erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is.

12.      Décret no 2017‑1520 du 2 novembre 2017 relatif à la reconnaissance des qualifications professionnelles dans le domaine de la santé (besluit nr. 2017‑1520 van 2 november 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de gezondheidszorg), is vastgesteld voor de toepassing van met name artikel L. 4002‑3 van de code de la santé publique. De besluiten van de minister van Solidariteit en Gezondheid van 4 en 8 december 2017 zijn vastgesteld ter uitvoering van besluit nr. 2017‑1520 van 2 november 2017.

III. Feiten van het hoofdgeding

13.      Middels een aantal verzoekschriften hebben Les Chirurgiens-Dentistes de France en de andere bovengenoemde organisaties beroep wegens bevoegdheidsoverschrijding ingesteld bij de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) en, afhankelijk van het geval, verzocht om gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van besluit nr. 2017‑1520 van 2 november 2017, en/of nietigverklaring van het uitvoeringsbesluit van de minister van Solidariteit en Gezondheid van 4 december 2017, en/of nietigverklaring van het uitvoeringsbesluit van de minister van Solidariteit en Gezondheid van 8 december 2017.

14.      Tot staving van hun vordering hebben verzoekers onder meer aangevoerd dat de beroepen die onder titel III, hoofdstuk III, van richtlijn 2005/36 vallen, te weten de beroepen die in aanmerking komen voor de regeling van automatische erkenning van beroepskwalificaties, door de bovengenoemde nationale wettelijke bepalingen ten onrechte zijn ingedeeld bij de beroepen waarvoor de regeling van gedeeltelijke toegang geldt.

15.      Aangezien die verschillende bepalingen zijn gebaseerd op de beschikking ter omzetting van richtlijn 2013/55 in Frans recht, heeft de nationale rechter geoordeeld dat de vraag of artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36 – ingevoegd bij richtlijn 2013/55 – eraan in de weg staat dat een lidstaat voorziet in de mogelijkheid om gedeeltelijke toegang tot een van die beroepen te verlenen, van doorslaggevend belang was voor de beslechting van het geding.

IV.    Verzoek om een prejudiciële beslissing en procedure voor het Hof

16.      De Conseil d’État heeft in die omstandigheden bij beslissing van 19 december 2019, bij het Hof binnengekomen op 30 december 2019, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Staat artikel 4 septies, lid 6, van [richtlijn 2005/36] eraan in de weg dat een lidstaat de mogelijkheid invoert van een gedeeltelijke toegang tot een van de beroepen waarop de in titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vastgestelde regeling van automatische erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is?”

17.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Les Chirurgiens-Dentistes de France, de Conseil national de l’Ordre des Chirurgiens-Dentistes, de Conseil national de l’Ordre des Infirmiers, de Franse, de Tsjechische en de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie.

18.      Het Hof achtte zich aan het einde van deze schriftelijke fase van de procedure voldoende voorgelicht om overeenkomstig artikel 76, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen zonder pleitzitting.

V.      Analyse

19.      Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof, in het bijzonder het arrest van 19 januari 2006, Colegio de Ingenieros de Caminos, Canales y Puertos (C‑330/03, EU:C:2006:45), en, met betrekking tot de gezondheidszorg, het arrest van 27 juni 2013, Nasiopoulos (C‑575/11, EU:C:2013:430), heeft de Uniewetgever in richtlijn 2005/36 het begrip „gedeeltelijke toegang” tot een beroepsactiviteit ingevoerd. Overeenkomstig artikel 4 septies, lid 1, van richtlijn 2005/36 dient de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat derhalve nu, per geval en indien aan de in die bepaling genoemde voorwaarden is voldaan, gedeeltelijke toegang tot een beroepsactiviteit op zijn grondgebied te verlenen.

20.      In artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36 is echter bepaald dat dit artikel 4 septies „niet van toepassing [is] op beroepsbeoefenaren wier beroepskwalificaties automatisch worden erkend uit hoofde van titel III, hoofdstukken II, III en III bis”.

21.      Met zijn vraag wenst de Conseil d’État precies te vernemen of artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36 uitsluit dat gedeeltelijke toegang wordt verleend tot een van de beroepen waarop de in titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vastgestelde regeling van automatische erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is.

22.      In het licht van de bewoordingen van de bepalingen van de betreffende richtlijn, het stelsel en de algemene opzet ervan en de ermee beoogde doelstellingen, ben ik van mening dat het Hof deze vraag ontkennend moet beantwoorden. Ik kom tot deze slotsom om de volgende redenen.

23.      Wat ten eerste de bewoordingen van artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36 betreft, moet worden opgemerkt dat de wetgever, anders dan in andere bepalingen van deze richtlijn, de term „beroepsbeoefenaren” heeft gebruikt in plaats van „beroepen”.(4) Deze term lijkt weloverwogen te zijn gekozen. Hoewel in het voorstel van de Commissie geen bepaling zoals het huidige lid 6 van artikel 4 septies van richtlijn 2005/36 voorkwam, heeft het Europees Parlement een amendement voorgesteld om „bepaalde beroepen” uit te sluiten van gedeeltelijke toegang in algemene zin en niet per geval.(5) Nadat overeenstemming was bereikt tussen de bij de wetgevingsprocedure betrokken instellingen, is echter de voorkeur gegeven aan de term „beroepsbeoefenaren”.

24.      Bij gebreke van een definitie van het begrip „beroepsbeoefenaren” in richtlijn 2005/36 moeten de betekenis en de draagwijdte van dit begrip, volgens vaste rechtspraak van het Hof, worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin het wordt gebruikt en de door de regeling waarvan het deel uitmaakt beoogde doelstellingen.(6)

25.      In die omstandigheden strekt de woordkeuze van artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36 ertoe de werkingssfeer van de in die bepaling opgenomen afwijking te beperken tot beroepsbeoefenaren – dat wil zeggen personen die een van de beroepen als genoemd in titel III, hoofdstukken II, III en III bis, van richtlijn 2005/36 uitoefenen en die als zodanig in aanmerking komen voor automatische erkenning van hun beroepskwalificaties overeenkomstig de in de richtlijn opgenomen voorwaarden – en niet tot het beroep beschouwd in zijn geheel.

26.      Ten tweede wordt die uitlegging bevestigd door een analyse van de opzet van artikel 4 septies van richtlijn 2005/36, aangezien een dergelijke contextuele analyse of systematische benadering vereist dat de alinea’s van een artikel een geheel vormen, waarvan de bepalingen niet afzonderlijk kunnen worden beschouwd.(7)

27.      In dat verband staat het vast dat in lid 1 van artikel 4 septies van richtlijn 2005/36 het beginsel van gedeeltelijke toegang tot beroepsactiviteiten is vastgelegd evenals de voorwaarden waaronder die gedeeltelijke toegang is toegestaan, terwijl in lid 2 is voorzien in de mogelijkheid om gedeeltelijke toegang te weigeren om dwingende redenen van algemeen belang. In de leden 3 en 4 is vervolgens de procedure uiteengezet op grond waarvan de aanvragen moeten worden onderzocht en in lid 5 is vermeld onder welke titel de beroepsactiviteit moet worden uitgeoefend en welke informatie aan de ontvanger van de dienst moet worden verstrekt. In het zesde en laatste lid tot slot is vermeld dat deze bepalingen van artikel 4 septies niet van toepassing zijn op beroepsbeoefenaren wier beroepskwalificaties automatisch worden erkend uit hoofde van titel III, hoofdstukken II, III en III bis. Uit deze structuur volgt dus duidelijk dat het laatste lid een uitzondering vormt op het in lid 1 genoemde beginsel dat in de leden erna nader is uitgewerkt. Artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36 moet derhalve, als uitzondering op het beginsel van gedeeltelijke toegang, strikt worden uitgelegd.

28.      Ten derde leidt het doel dat met artikel 4 septies van richtlijn 2005/36 en, in ruimere zin, met deze richtlijn wordt beoogd, tot dezelfde uitlegging.

29.      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld bestaat het doel van richtlijn 2005/36 erin om de houder van een beroepskwalificatie die hem in de lidstaat van oorsprong toegang geeft tot een gereglementeerd beroep, in de ontvangende lidstaat toegang te bieden tot hetzelfde beroep als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong gekwalificeerd is.(8)

30.      Wat het doel van artikel 4 septies van richtlijn 2005/36 betreft, kan in de eerste plaats hieraan worden toegevoegd dat de richtlijn waarbij deze bepaling is ingevoegd – te weten richtlijn 2013/55 – is vastgesteld op de grondslag van artikel 53, lid 1, VWEU. Uit de bewoordingen van deze laatste bepaling blijkt echter dat richtlijnen die op die grondslag zijn vastgesteld beogen de onderlinge erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels te vergemakkelijken door gemeenschappelijke regels en criteria vast te stellen die, voor zover mogelijk, de automatische erkenning van deze diploma’s, certificaten en andere titels tot gevolg hebben.(9) In de tweede plaats wordt in overweging 7 van richtlijn 2013/55 bevestigd dat de toekenning van gedeeltelijke toegang – voor beroepen waarvoor de verschillen tussen de activiteitengebieden in de lidstaat van oorsprong van de beroepsbeoefenaar en de ontvangende lidstaat zo groot zijn dat de beroepsbeoefenaar eigenlijk een volledig onderwijs- en opleidingsprogramma zou moeten volgen om de tekortkomingen te compenseren – duidelijk deel uitmaakt van deze doelstelling om onderlinge erkenning te vergemakkelijken.

31.      In dat verband ben ik van mening dat harmonisatie van de beroepskwalificaties die nodig zijn voor de automatische erkenning van beroepen, waarvan het scala aan werkzaamheden duidelijk is omschreven in de richtlijn – zoals beoefenaren der tandheelkunde(10) – niet betekent dat sommige lidstaten de parallelle en autonome uitoefening van bepaalde activiteiten die onder de definitie van een „geharmoniseerd beroep” vallen, niet aanvaarden.(11) Het zou echter in strijd zijn met de bovengenoemde doelstellingen om dergelijke beroepsbeoefenaren te beletten hun beroep in een andere lidstaat uit te oefenen onder het enige voorwendsel dat deze activiteit een van de activiteiten is die valt onder een ander beroep dat een groter scala aan activiteiten omvat.

32.      Derhalve zorgt de invoering van gedeeltelijke toegang in richtlijn 2005/36 er mijns inziens voor dat de rechtspraak die is gebaseerd op de eerdere richtlijnen – die niet voorzagen in de invoering van een categorie van beroepsbeoefenaren die met geen enkele in de destijds geldende richtlijnen geregelde categorie overeenkwam – niet van toepassing is.(12)

33.      Anders dan wat verzoekers in het hoofdgeding eventueel op een of andere manier hebben betoogd, zie ik niet in hoe de toekenning van gedeeltelijke toegang voor werkzaamheden die deel uitmaken van de beroepen waarvan de beroepskwalificaties automatisch worden erkend op grond van titel III, hoofdstukken II, III en III bis, van richtlijn 2005/36, in strijd zou zijn met de door de wetgever gewenste harmonisatie. Die harmonisatie staat er niet aan in de weg dat die beroepen kunnen bestaan uit verschillende werkzaamheden die vanuit een objectief standpunt los kunnen worden gezien van de werkzaamheden die onder het „geharmoniseerde beroep” vallen, en als zodanig autonoom kunnen worden uitgeoefend.

34.      Daarentegen moet iemand – de „beroepsbeoefenaar” in de zin van artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36 – die beschikt over alle kwalificaties die vereist zijn om een van de beroepen uit te oefenen die vallen onder het stelsel van automatische erkenning van beroepskwalificaties, noodzakelijkerwijs toegang krijgen tot alle werkzaamheden die onder het beroep in kwestie vallen. Zo wordt het nuttige effect – effet utile – van richtlijn 2005/36 gewaarborgd en zo vat ik het verbod op gedeeltelijke toegang als bedoeld in artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36, op.

35.      In richtlijn 2005/36 worden de beroepen waarvan de kwalificaties zijn geharmoniseerd, weliswaar als een geheel behandeld, maar daarin wordt ook erkend dat er in veel lidstaten afzonderlijke beroepsactiviteiten bestaan die onder de noemer van één beroep vallen. Deze beroepsactiviteiten kunnen uiteraard bijbehorende onderwijs- en opleidingsprogramma’s omvatten. Richtlijn 2005/36 verzet zich er immers niet tegen dat bijvoorbeeld een gespecialiseerde opleiding waarvan de benaming niet overeenstemt met de in bijlage V bij deze richtlijn vermelde benamingen, zowel wordt opengesteld voor personen die enkel een medische basisopleiding hebben voltooid als voor personen die enkel de studie in het kader van de basisopleiding tandheelkunde met goed gevolg hebben volbracht(13), ook indien een dergelijke gespecialiseerde opleiding in dat geval niet leidt tot afgifte van een opleidingstitel van arts met basisopleiding of beoefenaar der tandheelkunde met basisopleiding.(14)

36.      In deze omstandigheden ben ik de mening toegedaan dat, net als voor andere beroepen waarnaar het Hof verwijst in zijn arresten van 19 januari 2006, Colegio de Ingenieros de Caminos, Canales y Puertos (C‑330/03, EU:C:2006:45), en 27 juni 2013, Nasiopoulos (C‑575/11, EU:C:2013:430), wanneer de activiteit in kwestie objectief kan worden gescheiden van het geheel van de activiteiten van een van de beroepen waarop de in titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vastgestelde regeling van automatische erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is, de afschrikwekkende werking van de uitsluiting van elke mogelijkheid van gedeeltelijke toegang zwaarder zou wegen dan de vrees voor een eventuele aantasting van de rechten van de ontvangers van de diensten of verder zou gaan dan is vereist voor de bescherming van de gezondheid.(15)

37.      In een dergelijk geval kunnen die legitieme doelstellingen worden bereikt met minder vergaande maatregelen, met name met de verplichting om de oorspronkelijke beroepstitel of de opleidingstitel te voeren zowel in de taal waarin hij is afgegeven en in de oorspronkelijke vorm als in de officiële taal van de ontvangende lidstaat.(16) Artikel 4 septies, lid 5, van richtlijn 2005/36 voorziet nu uitdrukkelijk in die waarborg. In artikel 4 septies, lid 5, is verder bepaald dat beroepsbeoefenaren aan wie gedeeltelijke toegang is verleend, de ontvangers van de diensten duidelijk kenbaar moeten maken tot welke gebieden hun beroepsactiviteiten zich uitstrekken. Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat gedeeltelijke toegang slechts per geval kan worden verleend en dat lidstaten gedeeltelijke toegang in elk geval kunnen afwijzen om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de volksgezondheid, overeenkomstig artikel 4 septies, lid 2, van richtlijn 2005/36.

38.      Gelet op het voorgaande ben ik derhalve van mening dat artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36 er niet aan in de weg staat dat een lidstaat voorziet in gedeeltelijke toegang tot een van de beroepen waarop de in titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vastgestelde regeling van automatische erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is.

VI.    Conclusie

39.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof bijgevolg in overweging de prejudiciële vraag van de Conseil d’État te beantwoorden als volgt:

„Artikel 4 septies, lid 6, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013, staat er niet aan in de weg dat een lidstaat voorziet in gedeeltelijke toegang tot een van de beroepen waarop de in titel III, hoofdstuk III, van die richtlijn vastgestelde regeling van automatische erkenning van beroepskwalificaties van toepassing is.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      PB 2005, L 255, blz. 22.


3      PB 2013, L 354, blz. 132.


4      Zie ter vergelijking artikel 6, onder a), artikel 7, lid 4, of artikel 10 van richtlijn 2005/36.


5      Vergelijk het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en verordening [...] betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (COM/2011/0883 definitief) en amendement 34 in het ontwerpverslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming van 16 juli 2012 inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en verordening [...] betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt [2011/0435 (COD)].


6      Zie in die zin arrest van 12 juni 2018, Louboutin en Christian Louboutin (C‑163/16, EU:C:2018:423, punt 20).


7      Zie in die zin arrest van 3 september 2015, Sodiaal International (C‑383/14, EU:C:2015:541, punt 25).


8      Zie in die zin arrest van 16 april 2015, Angerer (C‑477/13, EU:C:2015:239, punten 36 en 44).


9      Zie in die zin arrest van 19 januari 2006, Colegio de Ingenieros de Caminos, Canales y Puertos (C‑330/03, EU:C:2006:45, punt 23).


10      Blijkens artikel 36, lid 1, van richtlijn 2005/36 en voor de toepassing van deze richtlijn „zijn de beroepswerkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde die welke in lid 3 worden omschreven en onder de in bijlage V, punt 5.3.2, genoemde beroepstitels worden uitgeoefend”.


11      Een goed voorbeeld hier is de door de Commissie aangehaalde situatie van Belgische mondhygiënisten.


12      Zie beschikking van 17 oktober 2003, Vogel (C‑35/02, EU:C:2003:570, punten 28, 30 en 31).


13      Zie in die zin arrest van 19 september 2013, Conseil national de l’ordre des médecins (C‑492/12, EU:C:2013:576, punt 39).


14      Zie in die zin arrest van 19 september 2013, Conseil national de l’ordre des médecins (C‑492/12, EU:C:2013:576, punt 40).


15      Zie in die zin arresten van 19 januari 2006, Colegio de Ingenieros de Caminos, Canales y Puertos (C‑330/03, EU:C:2006:45, punt 38), en 27 juni 2013, Nasiopoulos (C‑575/11, EU:C:2013:430, punten 30 en 34).


16      Zie in die zin arrest van 19 januari 2006, Colegio de Ingenieros de Caminos, Canales y Puertos (C‑330/03, EU:C:2006:45, punt 38).