Language of document : ECLI:EU:C:2020:563

Zaak C549/18

Europese Commissie

tegen

Roemenië

 Arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 juli 2020

„Niet-nakoming – Artikel 258 VWEU – Voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering – Richtlijn (EU) 2015/849 – Geen omzetting en/of geen mededeling van omzettingsmaatregelen – Artikel 260, lid 3, VWEU – Verzoek om veroordeling tot betaling van een forfaitaire som”

1.        Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van de gegrondheid door het Hof – Situatie die in aanmerking moet worden genomen – Situatie bij het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn

(Art. 258 VWEU)

(zie punten 19, 21)

2.        Handelingen van de instellingen – Richtlijnen – Uitvoering door de lidstaten – Richtlijn die voor de tenuitvoerlegging ervan voorziet in een verwijzing naar deze richtlijn in de nationale omzettingsbepalingen – Invloed – Verplichting voor de lidstaten om een positieve handeling tot omzetting van de richtlijn vast te stellen

(Art. 288, derde alinea, VWEU; richtlijn 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad, art. 67)

(zie punt 20)

3.        Beroep wegens niet-nakoming – Niet-nakoming van uit een richtlijn voortvloeiende verplichtingen – Verplichting om omzettingsmaatregelen mede te delen – Omvang

(Art. 260, lid 3, VWEU)

(zie punten 44‑46)

4.        Beroep wegens niet-nakoming – Niet-nakoming van uit een richtlijn voortvloeiende verplichtingen – Verplichting om omzettingsmaatregelen mede te delen – Verzoek van de Commissie om de betrokken lidstaat te veroordelen tot een geldelijke sanctie – Discretionaire bevoegdheid – Invloed – Geen verplichting om het besluit waarbij om een geldelijke sanctie wordt verzocht te motiveren – Verplichting om de aard en het bedrag van de gevorderde geldelijke sanctie te motiveren – Inaanmerkingneming van de richtsnoeren die de Commissie heeft vastgesteld – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Art. 260, lid 3, VWEU)

(zie punten 48‑53)

5.        Beroep wegens niet-nakoming – Arrest van het Hof waarbij de niet-nakoming wordt vastgesteld – Niet-nakoming van de verplichting om de maatregelen tot omzetting van een richtlijn mede te delen – Geldelijke sancties – Forfaitaire som – Niet-nakoming die niet heeft voortgeduurd tot het onderzoek van de feiten door het Hof – Geen invloed – Niet-nakoming die lang is blijven voortbestaan – Geen onevenredige sanctie

(Art. 260, lid 3, VWEU)

(zie punten 64‑67)

6.        Beroep wegens niet-nakoming – Arrest van het Hof waarbij de niet-nakoming wordt vastgesteld – Niet-nakoming van de verplichting om de maatregelen tot omzetting van een richtlijn mede te delen – Geldelijke sancties – Beoordelingsbevoegdheid van het Hof – Criteria

(Art. 260, lid 3, VWEU)

(zie punten 68‑71)

7.        Beroep wegens niet-nakoming – Arrest van het Hof waarbij de niet-nakoming wordt vastgesteld – Niet-nakoming van de verplichting om de maatregelen tot omzetting van een richtlijn mede te delen – Geldelijke sancties – Forfaitaire som – Vaststelling van het bedrag – Criteria

(Art. 260, lid 3, VWEU)

(zie punten 72‑86)

Samenvatting

Roemenië en Ierland worden veroordeeld tot betaling aan de Commissie van een forfaitaire som van respectievelijk 3 000 000 EUR en 2 000 000 EUR

Deze twee lidstaten hebben de richtlijn inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering niet binnen de gestelde termijn volledig in nationaal recht omgezet

Richtlijn 2015/849(1) heeft tot doel het gebruik van het financiële stelsel van de Unie voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering te voorkomen. De lidstaten moesten deze richtlijn uiterlijk op 26 juni 2017 omzetten in hun nationale recht en aan de Commissie de daartoe vastgestelde maatregelen meedelen.

Op 27 augustus 2018 heeft de Commissie bij het Hof twee procedures wegens niet-nakoming ingeleid omdat Roemenië en Ierland richtlijn 2015/849 niet volledig in nationaal recht hadden omgezet binnen de termijnen die hun respectievelijk waren opgelegd in de met redenen omklede adviezen, noch de overeenstemmende nationale omzettingsmaatregelen hadden medegedeeld. Bovendien heeft zij op grond van artikel 260, lid 3, VWEU(2) verzocht om Roemenië en Ierland te veroordelen tot betaling van een dwangsom per dag vanaf de dag waarop het arrest wegens niet-nakoming van de verplichting tot mededeling van de omzettingsmaatregelen van diezelfde richtlijn wordt gewezen, alsook tot betaling van een forfaitaire som. Nadien heeft de Commissie het Hof laten weten dat zij haar beroep deels introk in zoverre zij niet langer verzocht om de oplegging van een dwangsom per dag, aangezien deze vordering zonder voorwerp was geworden na de volledige omzetting van richtlijn 2015/849 in Roemeens recht en in Iers recht.

Roemenië en Ierland betwisten in dit verband dat de sanctieregeling van artikel 260, lid 3, VWEU toepasselijk is. Deze twee lidstaten stellen ook dat het verzoek van de Commissie tot oplegging van de betaling van een forfaitaire som niet alleen ongerechtvaardigd maar ook onevenredig is, gelet op de betrokken feiten en het doel van dit soort geldelijke sanctie. Zij verwijten de Commissie dat zij geen omstandige, op het individuele geval toegespitste motivering heeft gegeven van haar besluit om in deze zaken de oplegging van een dergelijke sanctie te vorderen.

Bij twee arresten van 16 juli 2020 heeft het Hof (Grote kamer) de beroepen van de Commissie toegewezen. Aldus heeft het in de eerste plaats vastgesteld dat bij het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn Roemenië noch Ierland de nationale maatregelen ter omzetting van richtlijn 2015/849 had vastgesteld, en dat zij op dat tijdstip evenmin dergelijke maatregelen aan de Commissie hadden medegedeeld, zodat zij hun verplichtingen krachtens die richtlijn niet zijn nagekomen.

In de tweede plaats heeft het Hof geoordeeld dat artikel 260, lid 3, VWEU kan worden toegepast in de onderhavige zaken(3). De verplichting tot mededeling van omzettingsmaatregelen in de zin van die bepaling houdt namelijk in dat de lidstaten voldoende duidelijke en nauwkeurige inlichtingen over de maatregelen tot omzetting van een richtlijn moeten verstrekken. In de onderhavige zaken hield de naleving van deze verplichting voor de lidstaten in dat zij voor iedere bepaling van die richtlijn de nationale bepaling(en) moesten aanduiden waarbij die richtlijn werd omgezet. Aangezien de Commissie heeft aangetoond dat Roemenië en Ierland de maatregelen ter omzetting van richtlijn 2015/849 niet hebben medegedeeld binnen de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, heeft het Hof ten eerste geoordeeld dat de aldus vastgestelde niet-nakoming binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.

Ten tweede heeft het Hof eraan herinnerd dat de Commissie haar besluit om een geldelijke sanctie te vorderen op grond van artikel 260, lid 3, VWEU niet per geval hoeft te motiveren. Het heeft immers geoordeeld dat de toepassingsvoorwaarden van die bepaling niet restrictiever kunnen zijn dan die welke voor de toepassing van artikel 258 VWEU gelden, aangezien artikel 260, lid 3, VWEU louter voorziet in een bijkomende wijze van toepassing van de niet-nakomingsprocedure. De inleiding daarvan behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de Commissie en het Hof kan daarop geen rechterlijk toezicht uitoefenen. Dat de Commissie haar besluit niet motiveert doet niet af aan de procedurele garanties die de betrokken lidstaat geniet, aangezien op het Hof een motiveringsplicht rust wanneer het een dergelijke sanctie oplegt.

Niettemin heeft het Hof verduidelijkt dat de Commissie nog steeds verplicht is om de aard en het bedrag van de gevorderde geldelijke sanctie te motiveren, rekening houdend met de door haar vastgestelde richtsnoeren, daar het Hof in het kader van een op grond van artikel 260, lid 3, VWUE ingeleide procedure slechts beschikt over een beperkte beoordelingsmarge. Wanneer het Hof een niet-nakoming vaststelt, is het immers gebonden aan de voorstellen van de Commissie wat betreft de aard van de geldelijke sanctie die het kan hanteren en het maximumbedrag van de sanctie die het kan opleggen.

Wat in de derde plaats de oplegging van een forfaitaire som in de onderhavige zaken betreft, herinnert het Hof eraan dat het doel dat met de invoering van het in artikel 260, lid 3, VWEU vastgestelde mechanisme wordt nagestreefd, er niet alleen in bestaat om de lidstaten ertoe te brengen zo snel mogelijk een einde te maken aan een niet-nakoming die zonder een dergelijke maatregel wellicht zou blijven voortduren, maar ook om de procedure voor het opleggen van geldelijke sancties wegens niet-nakoming van de verplichting tot mededeling van een nationale maatregel ter omzetting van een volgens een wetgevingsprocedure aangenomen richtlijn lichter en sneller te maken. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat een verzoek van de Commissie waarbij, zoals in deze zaken, de oplegging van een forfaitaire som wordt gevorderd, niet als onevenredig kan worden afgewezen om de enkele reden dat het een niet-nakoming betreft die weliswaar een hele tijd heeft voortgeduurd, maar was beëindigd ten tijde van het onderzoek van de feiten door het Hof, aangezien de veroordeling tot betaling van een forfaitaire som berust op de beoordeling van de vraag welke consequenties de niet-nakoming van de verplichtingen van de betrokken lidstaat heeft gehad voor de particuliere en publieke belangen, met name wanneer de niet-nakoming lang is blijven voortbestaan.

In de vierde plaats heeft het Hof met betrekking tot de berekening van de forfaitaire som waarvan de oplegging in de onderhavige zaken passend is, in herinnering gebracht dat het aan hem staat om bij de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid ter zake, zoals afgebakend door de voorstellen van de Commissie, de hoogte van die forfaitaire som waartoe een lidstaat krachtens artikel 260, lid 3, VWEU kan worden veroordeeld, zodanig vast te stellen dat deze som in de gegeven omstandigheden passend is en evenredig is aan de begane inbreuk. Vooral de ernst van de vastgestelde inbreuk, de periode gedurende welke die inbreuk is blijven voortbestaan en de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat zijn in dit verband relevante factoren.

Wat ten eerste de ernst van de inbreuk betreft, heeft het Hof geoordeeld dat Roemenië en Ierland de verweten niet-nakoming weliswaar in de loop van de procedure hebben beëindigd, maar dat dit niet wegneemt dat deze niet-nakoming voortduurde bij het verstrijken van de termijn die in de respectieve met redenen omklede adviezen was gesteld, zodat de doeltreffendheid van het Unierecht niet te allen tijde was gewaarborgd.

Wat ten tweede de duur van de inbreuk betreft, heeft het Hof in herinnering gebracht dat die in beginsel moet worden geacht te worden vastgesteld op de datum waarop het Hof de feiten beoordeelt, en dus op de datum waarop de procedure wordt afgesloten. Wat het begin betreft van de periode waarmee rekening moet worden gehouden voor de bepaling van de hoogte van de op grond van artikel 260, lid 3, VWEU op te leggen forfaitaire som, is de datum die voor de beoordeling van de duur van de betrokken niet-nakoming in aanmerking moet worden genomen niet de datum van het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn (die wordt gebruikt voor de bepaling van de op te leggen dagelijkse dwangsom), maar wel die van de in de betrokken richtlijn vastgestelde omzettingsdatum. Deze bepaling heeft immers tot doel de lidstaten er sterker toe aan te zetten richtlijnen om te zetten binnen de door de Uniewetgever bepaalde termijnen en de volledige doeltreffendheid van de Uniewetgeving te waarborgen. Iedere andere oplossing zou overigens afdoen aan de doeltreffendheid van de bepalingen van de richtlijnen waarin de datum wordt vastgesteld waarop de omzettingsmaatregelen in werking moeten treden en zou een extra omzettingstermijn toekennen waarvan de duur bovendien afhangt van de snelheid waarmee de Commissie de precontentieuze procedure instelt, zonder dat evenwel rekening zou kunnen worden gehouden met de duur van die termijn bij de beoordeling van de duur van de betrokken niet-nakoming. Het Hof is dan ook tot de slotsom gekomen dat de inbreuk van Roemenië en Ierland iets meer dan twee jaar heeft voortgeduurd.

Wat ten derde de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat betreft, heeft het Hof eraan herinnerd dat de recente evolutie van het bruto binnenlands product (bbp) van die lidstaat in aanmerking moet worden genomen, zoals deze op de datum van het feitenonderzoek door het Hof naar voren komt.

Bijgevolg heeft het Hof, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaken en op de beoordelingsbevoegdheid waarover het krachtens artikel 260, lid 3, VWEU beschikt, Roemenië en Ierland veroordeeld tot betaling aan de Commissie van een forfaitaire som van respectievelijk 3 000 000 EUR en 2 000 000 EUR.


1      Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73).


2      Volgens artikel 260, lid 3, VWEU is het Hof bevoegd om de betrokken lidstaat een financiële sanctie (forfaitaire som of dwangsom per dag) op te leggen bij niet-naleving van de „verplichting tot mededeling van maatregelen ter omzetting van een richtlijn van de Unie” aan de Commissie.


3      Het Hof heeft deze bepaling van het VWEU voor de eerste keer toegepast in het arrest van het Hof van 8 juli 20019, Commissie/België (Artikel 260, lid 3, VWEU – Netwerken met hoge snelheid) (C‑543/17, EU:C:2019:573).