Language of document : ECLI:EU:F:2014:39

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (Derde kamer)

5 maart 2014 (*)

„Openbare dienst – Personeel van Europol – Invaliditeit – Invaliditeitsuitkering – Berekening van rente – Verzoek om schadevergoeding – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

In zaak F‑77/13,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU,

DC, voormalig functionaris van de Europese Politiedienst, wonende te Dordrecht (Nederland), vertegenwoordigd door W. Brouwer, advocaat,

verzoeker,

tegen

Europese Politiedienst (Europol), vertegenwoordigd door D. Neumann en J. Arnould als gemachtigden,

verweerder,

geeft

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Van Raepenbusch (rapporteur), president, R. Barents en K. Bradley, rechters,

griffier: W. Hakenberg,

de navolgende

Beschikking

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 9 augustus 2013, vraagt DC om, kort samengevat, de Europese Politiedienst (hierna: „Europol”) te veroordelen tot betaling aan hem van de rente die hem zijns inziens verschuldigd is over de bedragen die wegens zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit zijn uitgekeerd.

 Toepasselijke bepalingen

2        Het op het geding toepasselijke artikel 57 van het Statuut voor de personeelsleden van Europol, dat bij besluit van de Raad van 3 december 1998 is vastgesteld (PB 1999, C 26, blz. 23; hierna: „Europol-statuut”), luidt:

„1.      Volgens een door de raad van bestuur na advies van het personeelscomité vastgestelde regeling is de functionaris met ingang van de dag van zijn indiensttreding verzekerd tegen uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico’s. Voor de dekking van het risico van ongevallen buiten de dienst is hij verplicht ten hoogste 0,1 % van zijn basissalaris bij te dragen. In deze regeling wordt bepaald welke risico’s niet zijn gedekt.

2.      De gewaarborgde uitkeringen zijn de navolgende:

[...]

b)      bij blijvende algehele invaliditeit: uitkering aan de betrokkene van een kapitaal gelijk aan achtmaal zijn jaarlijkse basissalaris berekend op de grondslag van zijn maandelijkse salaris, toegekend over de twaalf maanden voorafgaand aan het ongeval.

c)      bij blijvende gedeeltelijke invaliditeit: uitkering aan de betrokkene van een deel van het sub b bepaalde bedrag, berekend op de grondslag van de schaal, vastgesteld bij de in lid 1 bedoelde regeling.

[...]”

3        De artikelen 92 en 93 van het Europol-statuut nemen voor het personeel van Europol de regels over die zijn gedefinieerd in de artikelen 90 respectievelijk 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”). Wat de procedureregels betreft, behoeft dus niet te worden onderzocht of in casu de artikelen 92 en 93 van het Europol-statuut of de artikelen 90 en 91 van het Statuut moeten worden toegepast, daar de in die artikelen gegeven termijnen en beroepswegen dezelfde zijn.

4        Artikel 92, lid 2, van het Europol-statuut, dat de bepalingen van artikel 90, lid 2, van het Statuut overneemt, voorziet dus in de mogelijkheid voor iedere in het Europol-statuut bedoelde persoon om bij de directeur een klacht in te dienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat de directeur een besluit heeft genomen, dan wel omdat hij geen, bij dat statuut verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop het besluit ter kennis wordt gebracht van degene tot wie het is gericht en in elk geval uiterlijk vanaf de dag waarop de betrokkene ervan kennis krijgt indien het een maatregel van individuele aard betreft. De directeur brengt zijn met redenen omkleed besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van de klacht, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op de klacht uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen beroep in de zin van artikel 93 van het Europol-statuut kan worden ingesteld.

5        Artikel 93, lid 2, van het Europol-statuut, dat de bepalingen van artikel 91, lid 2, van het Statuut overneemt, bepaalt met name dat een beroep slechts ontvankelijk is indien op de klacht een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen.

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

6        Verzoeker is met ingang van 1 augustus 2000 door Europol aangeworven. Zijn contract liep af op 31 januari 2002.

7        Toen hij voor Europol op dienstreis was, heeft hij twee ongevallen gehad, het eerste op 31 januari 2001 te Brussel (België), het tweede op 21 februari 2001 te Sundsvall (Zweden).

8        Bij schrijven van 3 november 2011 heeft verzoeker Europol gevraagd om het percentage blijvende gedeeltelijke invaliditeit als gevolg van zijn twee ongevallen overeenkomstig de conclusies van de arts die hij had aangewezen om hem in het kader van de medische procedure te vertegenwoordigen, vast te stellen op [vertrouwelijk]. Hij vroeg voorts om toekenning van een voorlopige uitkering, in afwachting van het eindbesluit. Ten slotte vroeg hij om betaling van de rente die Europol verschuldigd was wegens zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit.

9        Bij besluit van 13 maart 2012, genomen op basis van de bepalingen van artikel 57 van het Europol-statuut, heeft de directeur van Europol in antwoord op bovenvermeld verzoek van 3 november 2011 het percentage blijvende gedeeltelijke invaliditeit als gevolg van de twee ongevallen die verzoeker had gehad, vastgesteld op [vertrouwelijk] en hem een definitieve uitkering van 170 074,39 EUR toegekend. Bij datzelfde besluit heeft de directeur van Europol de aanvangsdatum voor de betaling van rente over dat bedrag vastgesteld op 3 november 2011 (hierna: „besluit van 13 maart 2012”).

10      Bij schrijven van 5 mei 2012 heeft verzoeker de datum betwist die voor de betaling van rente was vastgesteld en gevraagd om die betaling te doen plaatsvinden vanaf 27 januari 2004 (hierna: „klacht van 5 mei 2012”).

11      Bij schrijven van 10 juli 2012 heeft verzoeker opnieuw de datum voor de betaling van rente betwist. Hij kwam eveneens op tegen het besluit van verzekeraar Chartis, genomen ter uitvoering van een aanvullende verzekeringsovereenkomst „World Business assistance and insurance policy” die Europol voor zijn functionarissen op dienstreis heeft gesloten (hierna: „aanvullende verzekeringsovereenkomst”), over het bedrag van het aanvullende kapitaal dat hem wegens zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit verschuldigd was (hierna: „betwisting van 10 juli 2012 betreffende het besluit van verzekeraar Chartis”).

12      Bij e-mail van 15 oktober 2012 heeft verzoeker een gedetailleerde afrekening ontvangen van de bedragen die op basis van artikel 57 van het Europol-statuut verschuldigd waren wegens zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit (hierna: „afrekening van 15 oktober 2012”). In die afrekening was een andere aanvangsdatum voor de betaling van rente aangegeven dan die welke in het besluit van 13 maart 2012 was vastgesteld.

13      Bij besluit van 18 december 2012 heeft de directeur van Europol de klacht van 5 mei 2012 afgewezen op grond dat deze te laat was ingediend en heeft hij de betwisting van 10 juli 2012 betreffende het besluit van verzekeraar Chartis afgewezen op grond dat hij niet bevoegd was daarop te antwoorden (hierna: „besluit van 18 december 2012”).

14      Bij schrijven van 10 januari 2013 is verzoeker opgekomen tegen het besluit van 18 december 2012 voor zover daarbij de klacht van 5 mei 2012 was afgewezen, en heeft hij Europol voorts verzocht om hem bij te staan in het geschil met verzekeraar Chartis over het bedrag van het aanvullende kapitaal (hierna: „klacht van 10 januari 2013”). Bij ontbreken van een uitdrukkelijk besluit, is de klacht op 10 mei daaraanvolgend stilzwijgend afgewezen (hierna: „stilzwijgend besluit van 10 mei 2013”).

15      Op 14 mei 2013 is verzoeker het bedrag van 170 074,39 EUR uitgekeerd, als zijnde de uitkering die op basis van artikel 57 van het Europol-statuut verschuldigd was wegens blijvende gedeeltelijke invaliditeit, alsmede rente voor een bedrag van 3 253,55 EUR. Inmiddels heeft verzekeraar Chartis verzoeker op basis van de aanvullende verzekeringsovereenkomst een aanvullend kapitaal van 31 764,62 EUR toegekend.

16      Bij brief van 3 juli 2013, die door Europol is ontvangen op 5 juli daaraanvolgend, heeft verzoeker een klacht ingediend tegen het stilzwijgend besluit van 10 mei 2013. Na de instelling van het onderhavige beroep heeft Europol de brief van 3 juli 2013 beantwoord bij schrijven van 27 september daaraanvolgend (hierna: „besluit van 27 september 2013”).

 Procesverloop en conclusies van partijen

17      Verzoeker verzoekt het Gerecht:

–        het besluit van 13 maart 2012, de afrekening van 15 oktober 2012 en het besluit van 18 december 2012 nietig te verklaren;

–        het stilzwijgend besluit van 10 mei 2013 nietig te verklaren;

–        Europol te veroordelen tot betaling van de over het bedrag van 170 074,39 EUR verschuldigde rente vanaf, primair, 21 februari 2001 tot 14 mei 2013, subsidiair, 27 januari 2004 tot 14 mei 2013 en, meer subsidiair, 27 januari 2004 tot 1 februari 2013 of „een door [het] Gerecht in goede justitie te bepalen datum” dan wel om hem, nog meer subsidiair, „een bedrag aan schadevergoeding [...] toe te kennen [...] dat recht doet aan de verzuimen van [Europol]”;

–        Europol te veroordelen tot betaling van, primair, de rente die hij verschuldigd is over de bedragen die op 3 mei 2010 zijn uitgekeerd in het kader van de aanvullende verzekeringspolis „World Business assistance and insurance policy” en, subsidiair, „een bedrag aan schadevergoeding [...] dat recht doet aan de verzuimen van [Europol]”;

–        Europol te verwijzen in de kosten.

18      Bij afzonderlijke, op 4 oktober 2013 aan de griffie van het Gerecht gezonden akte, heeft Europol overeenkomstig artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. In dit verzoek om uitspraak te doen zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, vraagt Europol het Gerecht:

–        het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

19      Verzoeker heeft op 1 november 2013 opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend. In zijn opmerkingen vraagt hij het Gerecht „het [...] beroep eveneens te beschouwen als zijnde gericht tegen het nieuwe [...] besluit van 27 september 2013”.

 In rechte

20      Op grond van artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep geheel of ten dele kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, beslissen bij met redenen omklede beschikking zonder de behandeling voort te zetten.

21      In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende op de hoogte en beslist het krachtens artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering om zonder verdere behandeling bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.

 Argumenten van partijen

22      Ter onderbouwing van zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt Europol om te beginnen dat de besluiten tot afwijzing van de verzoeken om schadevergoeding verband houdende met de betaling van rente over het bedrag dat uit hoofde van artikel 57 van het Europol-statuut verschuldigd is, slechts een grondslag voor het geschil over de schadevergoeding vormen. De vorderingen tot nietigverklaring van die besluiten kunnen daarom niet los van de schadevorderingen verband houdende met de betaling van die rente worden beoordeeld.

23      Vervolgens betoogt Europol dat, kort samengevat, de vorderingen tot betaling van rente over het uit hoofde van artikel 57 van het Europol-statuut uitgekeerde bedrag, afhankelijk van de periodes waarover rente wordt gevraagd hetzij niet-ontvankelijk zijn, omdat daarvoor geen voorafgaand verzoek is ingediend dan wel omdat zij te laat zijn ingediend, hetzij zonder voorwerp zijn geraakt, voor het gedeelte van de rente die vóór de instelling van het onderhavige beroep reeds is betaald.

24      Met betrekking tot verzoekers vorderingen verband houdende met het geschil over de aanvullende verzekeringsovereenkomst stelt Europol ten slotte dat de vordering tot nietigverklaring van de afwijzing van zijn verzoek om bijstand prematuur is, aangezien de directeur van Europol op de datum van de indiening van het verzoekschrift nog geen besluit had genomen over de tegen die afwijzing ingediende klacht. Zijn schadevorderingen strekkende tot betaling van rente over het bedrag dat in het kader van die verzekering is uitgekeerd zijn eveneens niet-ontvankelijk, omdat geen voorafgaand verzoek om schadevergoeding is ingediend.

25      Verzoeker antwoordt hierop dat Europol de exceptie van niet-ontvankelijkheid te laat heeft opgeworpen, zodat deze niet-ontvankelijk is. Maar in elk geval is zij ongegrond. De afrekening van 15 oktober 2012 is opgesteld door een bevoegd gezag, heeft voor hem rechten in het leven geroepen en heeft de klachttermijnen opnieuw doen ingaan, aangezien zij een aanvulling op en wijziging van het oorspronkelijke besluit van 13 maart 2012 over de aanvangsdatum van de rentebetaling vormt, die thans op 22 september 2010 en niet meer op 3 november 2011 is vastgesteld. Het besluit waarmee thans rekening moet worden gehouden is overigens niet langer die afrekening, maar het besluit van 27 september 2013, dat de voorafgaande besluiten heeft vervangen en, daar het is genomen na een heronderzoek van verzoekers situatie, de klachttermijnen opnieuw heeft doen ingaan.

 Beoordeling door het Gerecht

 Opmerkingen vooraf

26      Vastgesteld moet worden dat geen uitspraak behoeft te worden gedaan over verzoekers vordering dat het Gerecht de door Europol opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid niet-ontvankelijk verklaart, aangezien in de onderhavige beschikking toepassing wordt gegeven aan artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering, en niet aan artikel 78 van dat Reglement (zie in die zin beschikking Gerecht van 11 juni 2009, Ketselidou/Commissie, F‑81/08, punt 31).

27      Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat ook al heeft Europol bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen op basis van artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering en ook al heeft verzoeker opmerkingen over die exceptie ingediend, het Gerecht vrij blijft om, indien het van oordeel is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, een beschikking te geven op basis van artikel 76 van dat Reglement (beschikking Gerecht van 30 oktober 2008, Ortega Serrano/Commissie, F‑48/08, punt 23).

 Geschil betreffende de betaling van rente verschuldigd over het bedrag dat krachtens artikel 57 van het Europol-statuut is uitgekeerd

–       Voorwerp van het geschil

28      Om te beginnen zij opgemerkt dat verzoeker in het kader van het onderhavige beroep vraagt om nietigverklaring van het besluit van 13 maart 2012, waarbij Europol zijn verzoek om betaling van rente over het bedrag dat wegens zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit verschuldigd is heeft afgewezen, alsmede om nietigverklaring van de besluiten tot afwijzing van zijn opeenvolgende klachten met hetzelfde doel, voor zover die besluiten zijn verzoek niet volledig hebben ingewilligd, daar de gevraagde rentebetaling pas vanaf 3 november 2011 is verleend.

29      Vervolgens moet worden vastgesteld dat, kort samengevat, verzoeker heeft gevraagd om rentebetaling, ten vroegste vanaf de datum van zijn laatste ongeval, dat wil zeggen 21 februari 2001, en ten laatste vanaf de datum waarop het in het hoofdgeding verschuldigde bedrag zijns inziens opeisbaar is geworden, dat wil zeggen 27 januari 2004, terwijl Europol rente heeft betaald vanaf de datum waarop verzoeker daarom had verzocht, dat wil zeggen vanaf 3 november 2011. In zijn verzoekschrift heeft verzoeker gesteld dat „de langdurige behandeling [van zijn invaliditeitsdossier]” hem schade had berokkend, met name gezondheidsschade, waarvoor hij een compensatie „in de vorm van rente” wilde ontvangen. Hij heeft zich beroepen op de „vertraging in de uitvoering van de afwikkeling van de financiële gevolgen van de [...] ongevallen” die hij had gehad, welke niet kan worden verklaard door „de complexiteit van de zaak”; Europol heeft zich niet als een „goed werkgever” gedragen en is met name zijn zorgplicht niet nagekomen.

30      Gelet op de inhoud van dat betoog, moet ervan worden uitgegaan dat verzoeker een verzoek heeft ingediend om betaling van compensatierente over het krachtens artikel 57 van het Europol-statuut uitgekeerde kapitaal ter vergoeding van de fouten die Europol bij de behandeling van zijn invaliditeitsdossier heeft gemaakt en de daaruit volgende vertraging, en dat hij hiermee dus een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend die de algemene regeling voor de niet-contractuele aansprakelijkheidstelling volgt (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 15 december 1999, Latino/Commissie, T‑300/97, punt 99).

31      Volgens vaste rechtspraak maakt het besluit van een instelling of agentschap tot afwijzing van een verzoek om schadevergoeding echter integrerend deel uit van de administratieve procedure die voorafgaat aan een bij het Gerecht ingesteld beroep wegens aansprakelijkheid, zodat de vordering tot nietigverklaring niet los kan worden beoordeeld van de vordering tot aansprakelijkheidstelling (zie beschikking Gerecht van 10 november 2009, Marcuccio/Commissie, F‑70/07, punt 14, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      In deze omstandigheden behoeft niet afzonderlijk uitspraak te worden gedaan over de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 13 maart 2012, van de afrekening van 15 oktober 2012, van het besluit van 18 december 2012 en van het stilzwijgend besluit van 10 mei 2013, voor zover daarbij de klacht van 10 januari 2013 wordt afgewezen, voor zover deze is gericht tegen het besluit van 18 december 2012, zodat het onderhavige beroep, wat dit punt van het geschil betreft, geen ander voorwerp heeft dan de verkrijging van de betaling van compensatierente over het krachtens artikel 57 van het Europol-statuut uitgekeerde bedrag.

–       Ontvankelijkheid van het verzoek om betaling van rente over het krachtens artikel 57 van het Europol-statuut uitgekeerde bedrag

33      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het besluit van 13 maart 2012 volgens Europol op 14 maart daaraanvolgend aan verzoeker is betekend. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 92, lid 2, van het Europol-statuut kon verzoeker dus tot en met 14 juni 2012 bij de directeur van Europol een klacht indienen tegen het besluit van 13 maart 2012. Verzoeker stelt weliswaar dat hij op 5 mei daaraanvolgend, dat wil zeggen binnen de gestelde termijn, een klacht heeft ingediend, doch hij toont dit niet aan. Uit de stukken van het dossier blijkt echter dat de op 5 mei 2012 gedateerde klacht bij Europol is binnengekomen op hetzelfde moment als de betwisting van 10 juli 2012 betreffende het besluit van verzekeraar Chartis, waarbij de klacht, in een e-mail van diezelfde dag, was gevoegd. In deze omstandigheden en nu verzoeker geen elementen heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden aangetoond dat zijn klacht op een andere datum is ingediend (zie, met betrekking tot de bewijslast en in die zin, arrest Gerecht van 5 november 2008, Avanzata e.a./Commissie, F‑48/06, punt 67), moet ervan worden uitgegaan dat de op 5 mei 2012 gedateerde klacht tegen het besluit van 13 maart 2012 ten vroegste op 10 juli 2012, dat wil zeggen buiten de gestelde termijn, is ingediend.

34      Ervan uitgaande dat de op 5 mei 2012 gedateerde klacht diezelfde dag, dat wil zeggen binnen de statutaire termijn, bij Europol is ingediend, moet worden vastgesteld dat er bij gebreke van een uitdrukkelijk besluit binnen vier maanden na de indiening van die klacht, op 5 september 2012 een stilzwijgend afwijzend besluit is ontstaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 92, lid 2, laatste alinea, van het Europol-statuut. Heeft Europol op 18 december 2012 wel een uitdrukkelijk afwijzend besluit genomen dan kon dit, daar het niet is genomen binnen de termijn van het beroep in rechte, die termijn niet opnieuw hebben doen ingaan (beschikking Gerecht van eerste aanleg van 17 november 2000, Martinelli/Commissie, T‑200/99, punt 11). Wordt dus aangenomen dat of het stilzwijgend afwijzend besluit van 5 september 2012 of zelfs het besluit van 18 december 2012, waarvan niet wordt betwist dat het de volgende dag aan verzoeker is betekend, de termijn van het beroep in rechte heeft kunnen doen ingaan, dan moet worden vastgesteld dat het beroep, dat had moeten worden ingesteld binnen de termijn van drie maanden en tien dagen na het ontstaan of de kennisgeving van die besluiten, op 9 augustus 2013, de datum van de inschrijving van het verzoekschrift, kennelijk tardief was.

35      Daar de klacht tardief is, is het verzoek om rentebetaling dus kennelijk niet-ontvankelijk.

36      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat verzoeker op 10 januari 2013 een nieuwe klacht heeft ingediend tegen het besluit van 18 december 2012, dat was genomen in antwoord op de klacht tegen het besluit van 13 maart 2012. Deze nieuwe klacht tegen het besluit van 13 maart 2012 is immers ingediend buiten de statutaire termijnen, zodat deze in het kader van de precontentieuze procedure niet in aanmerking kan worden genomen.

37      De verzending van de afrekening van 15 oktober 2012 aan verzoeker kan evenmin de procestermijnen opnieuw doen ingaan. Die louter informatieve afrekening, gepresenteerd in de vorm van een tabel afkomstig van een gezag waarvan niet is aangetoond dat het namens de directeur van Europol heeft gehandeld, kan immers niet worden aangemerkt als een bezwarend besluit dat verzoekers rechtspositie op kenmerkende wijze kan wijzigen. Ook al geeft die afrekening een andere datum van rentebetaling dan de directeur van Europol in zijn besluit van 13 maart 2012 heeft vastgesteld, en een ander en hoger rentebedrag dan uiteindelijk is uitgekeerd, vastgesteld moet worden dat op die twee punten die handeling, waaraan zelfs niet het begin van uitvoering is gegeven, in elk geval en ongeacht de juridische kwalificatie ervan moet worden geacht te zijn ingetrokken door de directeur van Europol bij het besluit van 18 december 2012, waarbij de datum van de rentebetaling en het bedrag van de verschuldigde sommen is bevestigd overeenkomstig zijn eerdere besluit van 13 maart 2012, en vervolgens bij het besluit van 27 september 2013, waarbij het besluit van 13 maart 2012 is bevestigd. Op de datum van het onderhavige beroep had verzoeker dus geen belang meer om op te komen tegen de afrekening van 15 oktober 2012, waarmee met het oog op de inachtneming van de procestermijnen, zelfs al zou het beslissend zijn, dus geen rekening kan worden gehouden.

38      Uit het voorgaande volgt dat aangezien de klacht tegen het besluit van 13 maart 2012 tardief was, het verzoek om betaling van rente over het krachtens artikel 57 van het Europol-statuut uitgekeerde bedrag niet de precontentieuze procedure in acht heeft genomen, zodat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

 Geschil betreffende de uitvoering van de aanvullende verzekeringsovereenkomst

–       Vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand

39      Er zij aan herinnerd dat een beroep overeenkomstig de bepalingen van artikel 93, lid 2, van het Europol-statuut slechts ontvankelijk is indien met name de klacht ingediend tegen het besluit waarvan de verzoeker de nietigverklaring heeft gevorderd, eerst bij een stilzwijgend of uitdrukkelijk besluit is afgewezen, zodat een beroep dat voor de vaststelling of het ontstaan van een dergelijk besluit is ingesteld prematuur en als zodanig niet-ontvankelijk is (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 7 februari 1991, Tagaras/Hof van Justitie, T‑18/89 en T‑24/89, punten 50 en 51).

40      In casu heeft verzoeker zijn beroep ingesteld op 9 augustus 2013, dat wil zeggen vóór de vaststelling van het besluit van 27 september 2013, genomen in antwoord op de klacht van 5 juli 2013 tegen het stilzwijgend besluit van 10 mei 2013, waarbij met name zijn verzoek om bijstand van 10 januari 2013 is afgewezen. De vordering tot nietigverklaring van dat besluit is dus kennelijk niet-ontvankelijk.

41      Verzoeker kan een dergelijk verzuim in de precontentieuze procedure niet regulariseren en het premature karakter van zijn beroep verhelpen door na de instelling van dat beroep in de loop van de procedure te vragen om nietigverklaring van het besluit van 27 september 2013, zoals hij in zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft gedaan.

–       Vordering tot schadevergoeding

42      Verzoeker vraagt primair om betaling van rente die hem zijns inziens verschuldigd is over het kapitaal dat verzekeraar Chartis heeft uitgekeerd wegens zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit en, subsidiair, om toekenning van „een bedrag aan schadevergoeding [...] dat recht doet aan de verzuimen van [Europol]”. In wezen wil hij Europol aansprakelijk stellen voor zijn verzuimen bij het onderzoek van zijn invaliditeitsdossier die nadelig zouden zijn geweest voor de behandeling van zijn aanvullende verzekering en schade zouden hebben veroorzaakt, „zowel in de vorm van vertraging tot uitkering (interest) als gezondheidsschade”.

43      Vastgesteld zij echter dat de schade waarvan verzoeker primair of subsidiair vergoeding wil krijgen, niet rechtstreeks is veroorzaakt door het besluit tot afwijzing van zijn verzoek om bijstand, waarvan het doel overigens op geen enkele wijze is gepreciseerd, aangezien dat afwijzend besluit in elk geval is genomen na het ontstaan van die schade. Maar zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat er wel sprake kan zijn geweest van een dergelijk oorzakelijk verband, dan nog leidt de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring van dat besluit tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding.

44      Bovendien moet worden opgemerkt dat de verzuimen waarop verzoeker zich beroept en die schade zouden hebben veroorzaakt bij de behandeling van zijn dossier van aanvullende verzekering voor het eerst in zijn verzoekschrift zijn aangevoerd, daar de klacht van 10 januari 2013 op dit punt geen enkele grief bevat. Ook om deze reden is de vordering tot vergoeding van de uit die verzuimen voortvloeiende schade dus niet-ontvankelijk.

45      Uit het voorgaande volgt dat het onderhavige beroep kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

 Kosten

46      Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

47      Uit de rechtsoverwegingen van deze beschikking volgt dat verzoeker in het ongelijk is gesteld. Voorts heeft Europol in zijn conclusies uitdrukkelijk gevraagd om verzoeker te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de onderhavige zaak niet de toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, zal verzoeker zijn eigen kosten dragen en wordt hij verwezen in de kosten van Europol.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer)

beschikt:

1)      Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)      DC draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Politiedienst.

Luxemburg, 5 maart 2014.

De griffier

 

       De president

W. Hakenberg

 

       S. Van Raepenbusch


* Procestaal: Nederlands.