Language of document : ECLI:EU:F:2014:39

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

5 maart 2014

Zaak F‑77/13

DC

tegen

Europese Politiedienst (Europol)

„Openbare dienst – Personeel van Europol – Invaliditeit – Invaliditeitsuitkering – Berekening van rente – Verzoek om schadevergoeding – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, waarmee DC in wezen verzoekt de Europese Politiedienst (Europol; hierna ook: „Dienst”) te veroordelen tot betaling aan hem van de rente die hem zijns inziens verschuldigd is over de bedragen die wegens zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit zijn uitgekeerd.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. DC draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Politiedienst.

Samenvatting

1.      Gerechtelijke procedure – Ontvankelijkheid van beroepen – Opwerpen van een exceptie van niet-ontvankelijkheid – Vrijheid van de rechter om een beschikking te geven op basis van artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 76 en 78)

2.      Ambtenaren – Sociale zekerheid – Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten – Invaliditeitsuitkering wegens ongeval – Onjuiste behandeling van het dossier van een personeelslid van Europol – Verzoek om compensatierente – Toepasselijke regeling

(Statuut voor de personeelsleden van Europol, art. 57)

3.      Beroepen van ambtenaren – Bezwarend besluit – Begrip – Informatieve afrekening van de aan de verzoeker wegens diens invaliditeit verschuldigde bedragen – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; Statuut voor de personeelsleden van Europol, art. 57)

4.      Beroepen van ambtenaren – Voorafgaande administratieve klacht – Beroep, ingesteld vóór het verstrijken van de termijn voor de beantwoording van de klacht – Niet-ontvankelijkheid

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; Statuut voor de personeelsleden van Europol, art. 93, lid 2)

1.      Zelfs wanneer de verwerende partij op basis van artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen en de verzoeker opmerkingen over die exceptie heeft ingediend, blijft het Gerecht voor ambtenarenzaken vrij om, indien het van oordeel is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, een beschikking te geven op basis van artikel 76 van dat reglement.

(cf. punt 27)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 30 oktober 2008, Ortega Serrano/Commissie, F‑48/08, punt 23

2.      De indiening door een personeelslid van de Europese Politiedienst van een verzoek om betaling van compensatierente over het krachtens artikel 57 van het Statuut voor de personeelsleden van Europol uitgekeerde kapitaal ter vergoeding van de fouten die Europol bij de behandeling van zijn invaliditeitsdossier heeft gemaakt, en de daaruit volgende vertraging, dient te worden aangemerkt als de indiening van een vordering tot schadevergoeding, die de algemene regeling voor de niet-contractuele aansprakelijkheidstelling volgt.

(cf. punt 30)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 15 december 1999, Latino/Commissie, T‑300/97, punt 99

3.      Een louter informatieve afrekening van de aan een personeelslid van Europol wegens zijn blijvende gedeeltelijke invaliditeit verschuldigde bedragen, gepresenteerd in de vorm van een tabel afkomstig van een gezag waarvan niet is aangetoond dat het namens de directeur van Europol heeft gehandeld, kan immers niet worden aangemerkt als een bezwarend besluit dat de rechtspositie van dat personeelslid op kenmerkende wijze kan wijzigen.

(cf. punt 37)

4.      Overeenkomstig de bepalingen van artikel 93, lid 2, van het Statuut voor de personeelsleden van Europol is een beroep slechts ontvankelijk indien met name de klacht ingediend tegen het besluit waarvan de verzoeker de nietigverklaring heeft gevorderd, eerst bij een stilzwijgend of uitdrukkelijk besluit is afgewezen, zodat een beroep dat vóór de vaststelling of het ontstaan van een dergelijk besluit is ingesteld prematuur en als zodanig niet-ontvankelijk is.

(cf. punt 39)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 7 februari 1991, Tagaras/Hof van Justitie, T‑18/89 en T‑24/89, punten 50 en 51