Language of document : ECLI:EU:C:2019:1112

Zaak C390/18

Strafzaak

tegen

X

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de onderzoeksrechter bij de tribunal de grande instance de Paris)

 Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 december 2019

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2000/31/EG – Diensten van de informatiemaatschappij – Richtlijn 2006/123/EG – Diensten – In contact brengen van professionele of particuliere verhuurders die over te huur staande accommodatie beschikken, met personen die op zoek zijn naar dit soort accommodatie – Kwalificatie – Nationale regeling die de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar aan bepaalde beperkingen onderwerpt – Richtlijn 2000/31/EG – Artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje – Verplichting tot kennisgeving van maatregelen die het vrije verkeer van de diensten van de informatiemaatschappij beperken – Geen kennisgeving – Tegenwerpbaarheid – Strafprocedure met civielepartijstelling”

1.        Harmonisatie van de wetgevingen – Elektronische handel – Richtlijn 2000/31 – Werkingssfeer – Dienst van de informatiemaatschappij – Begrip – Bemiddelingsdienst, zoals Airbnb, die het mogelijk maakt professionele of particuliere verhuurders die over te huur staande accommodatie beschikken in contact te brengen met personen die op zoek zijn naar dit soort accommodatie– Daaronder begrepen – Bemiddelingsdienst die losstaat van de verrichting van de accommodatiedienst

(Richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad 2000/31, art. 2, a), 2006/123 en 2015/1535, art. 1, lid 1, b)]

(zie punten 50, 52‑64, 66, 68, 69, dictum 1)

2.        Harmonisatie van de wetgevingen – Elektronische handel – Richtlijn 2000/31 – Verrichting van diensten van de informatiemaatschappij – Verplichting van de lidstaten tot kennisgeving van de maatregelen die het vrije verkeer van de diensten van de informatiemaatschappij beperken – Niet-nakoming van de verplichting – Gevolg – Niet-tegenwerpbaarheid aan particulieren van de regel waarvan geen kennis is gegeven

[Richtlijn 2000/31 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, lid 4, b), tweede streepje]

(zie punten 87, 90‑92, 94, 96‑98, 100, dictum 2)


Samenvatting

Frankrijk kan van de vennootschap Airbnb niet eisen dat zij beschikt over een beroepskaart van vastgoedmakelaar, omdat Frankrijk heeft verzuimd overeenkomstig de richtlijn inzake elektronische handel de Commissie van dat vereiste in kennis te stellen

In zijn arrest van 19 december 2019, Airbnb Ireland (C‑390/18), heeft de Grote kamer van het Hof geoordeeld dat een bemiddelingsdienst die erin bestaat dat via een onlineplatform mogelijke huurders tegen vergoeding in contact worden gebracht met professionele of niet-professionele verhuurders die diensten op het gebied van accommodatie voor een kort verblijf aanbieden, waarbij tegelijk een aantal nevendiensten bij die bemiddelingsdienst wordt aangeboden, moet worden aangemerkt als een „dienst van de informatiemaatschappij” in de zin van richtlijn 2000/31 inzake de elektronische handel.(1) Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat een particulier zich ertegen kan verzetten dat in een strafprocedure met civielepartijstelling maatregelen van een lidstaat die een beperking inhouden van het vrije verkeer van dergelijke diensten die hij vanuit een andere lidstaat verricht, op hem worden toegepast wanneer niet overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van deze richtlijn kennis is gegeven van deze maatregelen.

Achtergrond van het hoofdgeding is een strafprocedure die in Frankrijk is ingesteld naar aanleiding van een klacht met civielepartijstelling die tegen Airbnb Ireland is ingediend door de Association pour un hébergement et un tourisme professionnels (vereniging voor professionele accommodatie en professioneel toerisme, Frankrijk). De Ierse vennootschap Airbnb Ireland beheert een onlineplatform dat het mogelijk maakt om tegen betaling van een provisie onder meer in Frankrijk professionele en particuliere verhuurders die accommodatie voor een kort verblijf aanbieden, in contact te brengen met personen die op zoek zijn naar dit soort accommodatie. Bovendien biedt Airbnb Ireland aan de verhuurders een aantal nevendiensten aan, zoals een schema om hun aanbod te omschrijven, een verzekering civielrechtelijke aansprakelijkheid, een tool waarmee hun verhuurprijs kan worden vastgesteld, of betalingsdiensten voor deze accommodatiediensten.

De vereniging die tegen Airbnb Ireland een klacht heeft ingediend, voerde aan dat deze vennootschap via het gelijknamige onlineplatform niet alleen twee partijen met elkaar in contact brengt, maar ook een activiteit van vastgoedmakelaar uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart, hetgeen schending oplevert van de wet-Hoguet, die in Frankrijk van toepassing is op beroepsactiviteiten betreffende onroerende goederen. Airbnb Ireland stelde dat deze regeling hoe dan ook onverenigbaar is met richtlijn 2000/31.

Het Hof, dat in de eerste plaats was verzocht zich uit te spreken over de kwalificatie van de door Airbnb Ireland verrichte bemiddelingsdienst, heeft onder verwijzing naar het arrest Asociación Profesional Elite Taxi(2) eraan herinnerd dat een bemiddelingsdienst die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2015/1535(3), waarnaar wordt verwezen in artikel 2, onder a), van richtlijn 2000/31, in beginsel een „dienst van de informatiemaatschappij” vormt, die te onderscheiden is van de daaropvolgende dienst waarop hij betrekking heeft. Dat ligt evenwel anders wanneer blijkt dat deze bemiddelingsdienst integrerend deel uitmaakt van een dienstenpakket waarvan het hoofdelement bestaat in een dienst die onder een andere juridische kwalificatie valt.

In casu heeft het Hof geoordeeld dat een bemiddelingsdienst als die welke Airbnb Ireland verricht, voldoet aan deze voorwaarden zonder dat de aard van het verband tussen de bemiddelingsdienst en de accommodatiedienst rechtvaardigt dat deze bemiddelingsdienst wordt uitgesloten van de kwalificatie als „dienst van de informatiemaatschappij” en dus van de toepassing van richtlijn 2000/31.

Het Hof heeft drie punten aangehaald om te benadrukken dat een dergelijke bemiddelingsdienst losstaat van de accommodatiediensten waarop hij betrekking heeft. Ten eerste heeft het opgemerkt dat deze dienst niet enkel ertoe strekt dat onmiddellijk accommodatiediensten worden verricht, maar hoofdzakelijk erin bestaat dat een tool wordt aangereikt voor het presenteren van en zoeken naar te huur staande accommodatie, zodat het eenvoudiger wordt toekomstige huurcontracten te sluiten. Dit soort dienst kan bijgevolg niet worden beschouwd als een gewone nevendienst bij een dienstenpakket voor accommodatie. Ten tweede heeft het Hof onderstreept dat een bemiddelingsdienst als die welke Airbnb Ireland verricht, geenszins absoluut noodzakelijk is voor de verrichting van accommodatiediensten, aangezien huurders en verhuurders over talrijke andere kanalen daartoe beschikken, waarvan sommige reeds sinds lange tijd bestaan. Ten derde en ten slotte heeft het Hof opgemerkt dat niets in het dossier erop wijst dat Airbnb de huurprijzen die worden gevraagd door de verhuurders die haar platform gebruiken, bepaalt of plafonneert.

Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat aan deze vaststelling niet kan worden afgedaan door de overige prestaties die Airbnb Ireland aanbiedt, aangezien deze diverse prestaties gewoon nevendiensten bij de door deze vennootschap verrichte bemiddelingsdienst vormen. Bovendien heeft het Hof erop gewezen dat, anders dan de bemiddelingsdiensten waarom het ging in de zaken die hebben geleid tot de arresten Asociación Profesional Elite Taxi en Uber France(4), noch op basis van deze bemiddelingsdienst noch op basis van de door Airbnb Ireland aangeboden nevendiensten kan worden vastgesteld dat deze vennootschap beslissende invloed uitoefent op de accommodatiediensten waarop haar activiteit betrekking heeft, of het nu gaat om de bepaling van de gevraagde huurprijzen dan wel om de selectie van de verhuurders of de via haar platform te huur aangeboden accommodatie.

In de tweede plaats heeft het Hof onderzocht of Airbnb Ireland zich in het hoofdgeding ertegen kan verzetten dat een wet die een beperking inhoudt van het vrij verrichten van de diensten van de informatiemaatschappij die een dienstverrichter vanuit een andere lidstaat levert – zoals de wet-Hoguet – op haar wordt toegepast op grond van het feit dat Frankrijk niet overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder b), tweede streepje, van richtlijn 2000/31 kennis heeft gegeven van deze wet. In dit verband heeft het Hof opgemerkt dat het feit dat deze wet dateert van vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2000/31, niet tot gevolg kan hebben dat de Franse Republiek wordt vrijgesteld van haar kennisgevingsplicht. Voorts heeft het Hof, in lijn met de redenering die is gevolgd in het arrest CIA Security International(5), geoordeeld dat deze verplichting, die een wezenlijk procedureel vereiste vormt, rechtstreekse werking toekomt. Hieruit heeft het Hof afgeleid dat de niet-nakoming door een lidstaat van zijn verplichting tot kennisgeving van een dergelijke maatregel door een particulier kan worden ingeroepen, niet alleen in het kader van een tegen hem ingestelde strafvervolging maar ook in het kader van een schadevordering die is ingesteld door een andere particulier die zich civiele partij heeft gesteld.


1      Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1).


2      Arrest van 20 december 2017, Asociación Profesional Elite Taxi (C‑434/15, EU:C:2017:981, punt 40).


3      Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB 2015, L 241, blz. 1).


4      Arrest van 10 april 2018, Uber France (C‑320/16, EU:C:2018:221).


5      Arrest van 30 april 1996, CIA Security International (C‑194/94, EU:C:1996:172).