Language of document : ECLI:EU:T:2020:315

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

8 juli 2020 (*)

„Dumping – Invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit China – Verbintenissen – Ontvankelijkheid – Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2146 – Ongeldigverklaring van verbintenisfacturen – Toepassing in de tijd van nieuwe bepalingen”

In zaak T‑110/17,

Jiangsu Seraphim Solar System Co. Ltd, gevestigd te Changzhou (China), vertegenwoordigd door Y. Melin, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Kuplewatzky en T. Maxian Rusche als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door H. Marcos Fraile als gemachtigde, bijgestaan door N. Tuominen, advocaat,

interveniënt,

betreffende een verzoek op grond van artikel 263 VWEU strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2016/2146 van de Commissie van 7 december 2016 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor twee producenten-exporteurs op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707/EU tot bevestiging van de aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China voor de periode waarin de definitieve maatregelen worden toegepast (PB 2016, L 333, blz. 4), voor zover deze betrekking heeft op verzoekster,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, J. Schwarcz (rapporteur) en C. Iliopoulos, rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 januari 2019,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, Jiangsu Seraphim Solar System Co. Ltd, vervaardigt in China fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en voert deze uit naar de Europese Unie.

2        Op 4 juni 2013 heeft de Europese Commissie verordening (EU) nr. 513/2013 vastgesteld tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China, en tot wijziging van verordening (EU) nr. 182/2013 tot onderwerping van de invoer van deze goederen van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB 2013, L 152, blz. 5).

3        Bij besluit 2013/423/EU van 2 augustus 2013 tot aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 209, blz. 26) heeft de Commissie een namens verzoekster en meerdere andere producenten-exporteurs door de Chinese kamer van koophandel voor de in- en uitvoer van machines en elektronische producten (hierna: „CCCME” [China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products]) ingediende prijsverbintenis (hierna: „verbintenis”) aanvaard.

4        Op 2 december 2013 heeft de Raad van de Europese Unie uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 vastgesteld tot instelling van definitieve antidumpingrechten op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 325, blz. 1).

5        Op 2 december 2013 heeft de Raad ook uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 vastgesteld tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 325, blz. 66).

6        Artikel 3, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, van uitvoeringverordening nr. 1239/2013 bepalen, in dezelfde bewoordingen, dat de Commissie transacties kan vaststellen waarvoor op het ogenblik van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld ontstaat in de situaties waarin de aanvaarding van de prijsverbintenis wordt ingetrokken.

7        Bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU van 4 december 2013 tot bevestiging van de aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China voor de periode waarin de definitieve maatregelen worden toegepast (PB 2013, L 325, blz. 214), heeft de Commissie de aanvaarding van de verbintenis, zoals – namens de Chinese producenten-exporteurs – op verzoek van de CCCME gewijzigd, bevestigd. Op 10 september 2014 heeft de Commissie uitvoeringsbesluit 2014/657/EU vastgesteld tot aanvaarding van een voorstel van een groep producenten-exporteurs en de Chinese Kamer van Koophandel voor de in- en uitvoer van machines en elektronische producten houdende verduidelijkingen omtrent de uitvoering van de in uitvoeringsbesluit 2013/707/EU bedoelde verbintenis (PB 2014, L 270, blz. 6).

8        Het totale ad-valoremrecht op de invoer van fotovoltaïsche cellen en modules van oorsprong uit China voor de in bijlage I bij uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en in bijlage 1 bij uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 vermelde medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef waren opgenomen, is 47,7 %. Dit komt overeen met een antidumpingrecht van 41,3 % (artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013) vermeerderd met een compenserend recht van 6,4 % (artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013). Op grond van artikel 3, lid 1, van uitvoeringverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 is de invoer waarop de verbintenis en uitvoeringsbesluit 2013/707 van toepassing zijn, van deze rechten vrijgesteld.

9        Bij brief van 11 oktober 2016 heeft de Commissie verzoekster ervan op de hoogte gebracht dat zij voornemens was de aanvaarding van de verbintenis in te trekken, onder vermelding van de belangrijkste criteria en overwegingen waarop zij zich baseerde. Aan deze brief was een algemeen informatierapport gehecht, alsmede een specifiek aan verzoekster gericht rapport.

10      In het specifiek aan verzoekster gerichte rapport gaf de Commissie aan dat zij voornemens was de aanvaarding van de verbintenis in te trekken en bracht zij verzoekster in titel 4, met het opschrift „Ongeldigverklaring van de verbintenisfacturen”, ervan op de hoogte dat zij van plan was de verbintenisfacturen met betrekking tot de verkoop aan de importeur ongeldig te verklaren en de douaneautoriteiten opdracht te geven de douaneschuld in te vorderen ingeval verzoekster op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen geen geldige verbintenisfacturen zou hebben overgelegd.

11      Bij brief van 28 oktober 2016 heeft verzoekster opmerkingen over het algemene informatierapport en het specifiek aan haar gerichte rapport van de Commissie ingediend. Zij stelde in wezen dat de Commissie niet de bevoegdheid bezat om de facturen ongeldig te verklaren, noch om de douaneautoriteiten opdracht te geven rechten te innen alsof er geen verbintenisfactuur was ingediend. Volgens verzoekster hield dit in feite in dat de verbintenis met terugwerkende kracht werd opgezegd.

12      De Commissie heeft haar standpunt bevestigd in uitvoeringsverordening (EU) 2016/2146 van 7 december 2016 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor twee producenten-exporteurs op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707/EU (PB 2016, L 333, blz. 4; hierna: „bestreden besluit”), die is vastgesteld op basis van artikel 8 van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21; hierna: „basisantidumpingverordening”) en artikel 13 van verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 55; hierna: „basisantisubsidieverordening”).

 Procesverloop en conclusies van partijen

13      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 februari 2017, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

14      Op 22 mei 2017 heeft de Commissie haar verweerschrift ter griffie van het Gerecht ingediend.

15      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 mei 2017, heeft de Raad verzocht om interventie aan de zijde van de Commissie. De hoofdpartijen hebben geen opmerkingen ter zake ingediend.

16      Bij beschikking van 10 juli 2017 heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht de Raad toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.

17      Op 27 juli 2017 heeft de Raad zijn memorie van interventie ingediend.

18      Bij brief van 12 september 2017 aan het Gerecht heeft de Commissie aangegeven geen opmerkingen over de memorie van interventie te hebben.

19      Op 12 september 2017 heeft verzoekster haar opmerkingen over de memorie van interventie ter griffie van het Gerecht ingediend.

20      Op 28 juli 2017 heeft verzoekster haar repliek ter griffie van het Gerecht ingediend.

21      Op 6 oktober 2017 heeft de Commissie haar dupliek ter griffie van het Gerecht ingediend. Deze dupliek bevatte een verzoek om verwijdering van bijlage C.3 bij de repliek. Op 9 november 2017 heeft verzoekster haar opmerkingen over dit verzoek ingediend.

22      Tussen de indiening van haar repliek en de terechtzitting heeft verzoekster – onder nummer E.1 – aan het Gerecht nog een document voorgelegd, verband houdende met een procedure bij de Zweedse nationale douaneautoriteiten inzake de betrokken invoer waarbij de door de Commissie ongeldig verklaarde verbintenisfacturen aan de orde waren. In eerste instantie had de Commissie, in punt 14 van haar op 23 januari 2019 ter griffie van het Gerecht ingediende opmerkingen, het Gerecht verzocht om deze bijlage niet-ontvankelijk te verklaren als nieuw bewijs en uit het dossier te verwijderen. Tijdens de terechtzitting heeft zij van deze exceptie van niet-ontvankelijkheid afstand gedaan.

23      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        artikel 2 van de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover dit betrekking heeft op haar;

–        de Commissie en elke partij die toestemming krijgt om tijdens de procedure aan haar zijde te interveniëren, te verwijzen in de kosten.

24      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        primair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het enige middel niet-ontvankelijk te verklaren;

–        meer subsidiair, het enige middel en daarmee het beroep in zijn geheel, ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

25      De Raad verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten, met inbegrip van haar eigen kosten.

26      Tijdens de terechtzitting heeft verzoekster verzocht om voeging van de zaken T‑781/17 (Kraftpojkarna/Commissie) en T‑782/17 (Wuxi Saijing Solar/Commissie) met de onderhavige zaak voor de beslissing waarmee een einde aan het geding komt. Naar aanleiding van een vraag hierover van het Gerecht, hebben de Commissie en de Raad zich tegen deze voeging verzet door in wezen te stellen dat die zaken niet hetzelfde voorwerp hebben. Overeenkomstig artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft de president van de Vierde kamer besloten genoemde zaken niet met de onderhavige procedure te voegen.

 In rechte

 Voorwerp van het beroep

27      Vooraf wordt erop gewezen dat uit de conclusies van verzoekster blijkt dat het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden verordening, voor zover dit betrekking heeft op verzoekster. Dit beroep betreft dus de rechtmatigheid van de ongeldigverklaring van de verbintenisfacturen van verzoekster en op de gevolgen die daaraan moeten worden verbonden, met name wat betreft de invordering van de verschuldigde compenserende en antidumpingrechten. Onderhavige zaak heeft dus geen betrekking op de vraag of de Commissie haar aanvaarding van de verbintenissen van verzoekster terecht heeft ingetrokken. Zoals de Commissie terecht opmerkt, betwist verzoekster noch artikel 1 van de betreden verordening – waarbij de Commissie de aanvaarding van de verbintenissen heeft ingetrokken –, noch de onder meer in artikel 3 van diezelfde verordening vastgelegde procedureregels.

 Ontvankelijkheid

 Ontvankelijkheid van het beroep

28      De Commissie, ondersteund door de Raad, voert aan dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aangezien verzoekster enkel op artikel 2 van de bestreden verordening doelt, dient zij aan te tonen dat zij krachtens artikel 263 VWEU procesbevoegdheid heeft en dus in het bijzonder dat zij rechtstreeks wordt geraakt. Ook moet zij aantonen dat zij met betrekking tot genoemde bepaling van de bestreden verordening procesbelang heeft. De Commissie voert aan dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij rechtstreeks wordt geraakt, noch dat zij procesbelang heeft, omdat niet zij, maar Seraphim Solar System GmbH aan de nationale autoriteiten de compenserende en antidumpingrechten moest betalen die als juridisch gevolg van de ongeldigverklaring van de door verzoekster opgemaakte facturen verschuldigd waren. Volgens de Commissie heeft de bestreden verordening verzoekster in het onderhavige geval niet concreet benadeeld (zie naar analogie arrest van 16 maart 1978, Unicme e.a./Raad, 123/77, EU:C:1978:73).

29      De Commissie geeft aan dat het aan verzoekster was om aan te tonen dat artikel 2 van de bestreden verordening rechtstreekse gevolgen voor haar rechtspositie sorteerde. Verzoekster heeft echter slechts een specifiek gevolg van de schending van haar verbintenis en van de opzegging daarvan betwist, namelijk dat de verbintenisfacturen ongeldig waren verklaard en dat een andere onderneming bijgevolg verplicht was de compenserende en antidumpingrechten te betalen. De Commissie stelt dat verzoekster zich vergist in de toepasselijke vereisten voor procesbevoegdheid met betrekking tot de bestreden verordening in haar geheel en met betrekking tot artikel 2 daarvan in het bijzonder.

30      De Commissie stelt dat verzoekster ook niet individueel wordt geraakt. Om te beginnen valt niet te ontkennen dat verzoekster niet de adressaat is van artikel 2 van de bestreden verordening, dat een algemene strekking heeft. Vervolgens benadrukt de Commissie dat het feit dat verzoekster in de bestreden verordening, in haar geheel beschouwd, wordt vermeld, niet doorslaggevend is. Volgens haar worden in de bestreden verordening geen compenserende of antidumpingrechten in het leven geroepen. De invoerrechten op de producten van verzoekster waren namelijk van meet af aan verschuldigd, maar werden niet geïnd vanwege de als gevolg van de indiening van verbintenisfacturen verleende inningsvrijstelling. Zelfs na de ongeldigverklaring van die facturen werden de invoerrechten niet bij verzoekster geïnd, maar bij de in bijlage I bij de bestreden verordening vermelde ondernemingen Huashun Solar GmbH en Seraphim Solar System, die volgens de Commissie de enige ondernemingen zijn die rechtstreeks door de bovengenoemde bepalingen worden geraakt.

31      Tot slot stelt de Commissie dat verzoekster evenmin procesbelang heeft. Volgens de Commissie heeft verzoekster niet aangetoond hoe de nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden verordening haar een voordeel zou kunnen opleveren, terwijl de ongeldigverklaring van de facturen voor verzoekster geen douaneschuld heeft doen ontstaan en haar niet van een verbintenis heeft bevrijd.

32      Verzoekster betwist de argumenten van de Commissie en de Raad. Zij betoogt dat zij rechtstreeks en individueel door de bestreden verordening wordt geraakt, dat zij een procesbelang heeft en dat haar beroep derhalve ontvankelijk is.

33      In dit verband verdient het vermelding dat volgens artikel 263 VWEU iedere natuurlijke of rechtspersoon op de in het eerste en tweede lid van datzelfde artikel vastgestelde voorwaarden beroep kan instellen tegen handelingen die tot hem zijn gericht of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.

34      Wat de voorwaarde van individuele geraaktheid betreft, moet erop worden gewezen dat de antidumpingverordeningen volgens de criteria van artikel 263, vierde lid, VWEU vanwege hun aard en draagwijdte – voor zover zij in het algemeen op de betrokken marktdeelnemers van toepassing zijn – weliswaar een normatief karakter hebben, maar dat het niettemin niet is uitgesloten dat sommige bepalingen van die verordeningen sommige marktdeelnemers rechtstreeks kunnen raken (zie beschikking van 21 januari 2014, Bricmate/Raad, T‑596/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:53, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Hieruit volgt dat handelingen tot instelling van antidumpingrechten, zonder hun regelgevende aard te verliezen, in bepaalde omstandigheden sommige marktdeelnemers individueel kunnen raken (zie beschikking van 21 januari 2014, Bricmate/Raad, T‑596/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:53, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36      Wat betreft de in artikel 263, vierde alinea, VWEU vastgestelde voorwaarde van rechtstreekse geraaktheid zij eraan herinnerd dat er ter vervulling van de voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks door de beslissing waartegen een beroep wordt ingesteld, wordt geraakt, aan twee cumulatieve criteria moet zijn voldaan. In de eerste plaats moet de betwiste handeling rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van betrokkene, en in de tweede plaats moet deze handeling aan degenen tot wie zij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en alleen uit de Unierechtelijke regeling voortvloeit zonder toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (zie beschikking van 14 januari 2015, SolarWorld e.a./Commissie, T‑507/13, EU:T:2015:23, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak, bevestigd bij beschikking van 10 maart 2016, SolarWorld/Commissie, C‑142/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:163).

37      Wat betreft ondernemingen die een verbintenis aanbieden, wordt in de rechtspraak erkend dat een beroep van de betrokken exporteur bij de rechter van de Unie betrekking kan hebben op besluiten van de Commissie tot intrekking van de aanvaarding van een verbintenis en op de verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van die exporteur (zie beschikking van 14 januari 2015, SolarWorld e.a./Commissie, T‑507/13, EU:T:2015:23, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      Exportondernemingen van een aan een antidumpingrecht onderworpen product aan wie dumpingpraktijken worden toegerekend en die kunnen aantonen dat hun identiteit uit de handelingen van de instellingen blijkt, worden beschouwd als rechtstreeks geraakt door de verordening die dat recht instelt (arrest van 28 februari 2019, Raad/Marquis Energy, C‑466/16 P, EU:C:2019:156, punt 54).

39      Voorts kan volgens de rechtspraak de enkele omstandigheid dat voor de toepassing van een handeling waarvan om vernietiging wordt verzocht, een nationale uitvoeringsmaatregel wordt genomen, niet uitsluiten dat de individuele verzoeker rechtstreeks door de betrokken handeling wordt geraakt, op voorwaarde evenwel dat de met de uitvoering van de handeling belaste lidstaat over geen enkele autonome beoordelingsbevoegdheid beschikt (zie in die zin arrest van 5 oktober 2005, Land Oberösterreich en Oostenrijk/Commissie, T‑366/03 en T‑235/04, EU:T:2005:347, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In een dergelijke situatie heeft het nationale besluit namelijk een automatisch karakter en wordt de rechtspositie van de verzoeker door het bestreden besluit rechtstreeks geraakt (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Commissie/Ente per le Ville Vesuviane en Ente per le Ville Vesuviane/Commissie, C‑445/07 P en C‑455/07 P, EU:C:2009:529, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Er zij tevens aan herinnerd dat een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring volgens vaste rechtspraak slechts ontvankelijk is wanneer de verzoeker doet blijken van een belang bij nietigverklaring van de bestreden handeling (zie in die zin arrest van 24 september 2008, Reliance Industries/Raad en Commissie, T‑45/06, EU:T:2008:398, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

–       Individuele geraaktheid

41      In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat verzoekster een producent-exporteur van het bedoelde product is die volledig met de Commissie heeft meegewerkt in het onderzoek dat aanleiding heeft gegeven tot de instelling van de compenserende en antidumpingrechten en wier naam in uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013, waarbij deze rechten zijn ingesteld, alsmede in de aanvaarding van de verbintenis voorkomt.

42      Bovendien wordt verzoekster in de bestreden verordening uitdrukkelijk genoemd. Ten eerste wordt zij genoemd in artikel 1 van de hoofdtekst van de bestreden verordening, dat betrekking heeft op de opzegging van de eerder door de Commissie aanvaarde verbintenissen. Ten tweede wordt zij in overweging 31 van diezelfde verordening genoemd als een van de twee producten-exporteurs die de verbintenisfacturen hebben verstuurd die in artikel 2 van de hoofdtekst van diezelfde verordening ongeldig zijn verklaard. De betrokken facturen zijn door verzoekster aan Seraphim Solar System gericht. De bestreden verordening heeft enkel betrekking op de naleving van de verbintenissen door de twee met name genoemde producenten-exporteurs, waaronder verzoekster.

43      Gelet op het voorgaande wordt verzoekster individueel geraakt door de bestreden verordening en door artikel 2 daarvan.

–       Rechtstreekse geraaktheid

44      In casu heeft de Commissie – nadat zij had vastgesteld dat verzoekster de aangeboden verbintenis had geschonden en nadat zij haar aanvaarding van genoemde verbintenis had ingetrokken – ingevolge artikel 2 van de bestreden verordening de door verzoekster verzonden verbintenisfacturen voor sommige specifieke transacties ongeldig verklaard en naar aanleiding daarvan vastgesteld dat de verschuldigde definitieve rechten met betrekking tot die transacties dienden te worden geïnd. Hiermee hebben de bestreden bepalingen rechtstreeks gevolgen gehad voor de rechtspositie van verzoekster. De consequenties die hieruit voor de nationale douaneautoriteiten konden worden getrokken, waren op grond van genoemde bepalingen overigens verjaard, en deze autoriteiten konden ingevolge deze bepalingen niet op de ongeldigverklaring van de facturen of op de inning van de verschuldigde rechten terugkomen.

45      Gelet op het voorgaande wordt verzoekster rechtstreeks geraakt door de bestreden verordening en door artikel 2 daarvan.

–       Procesbelang

46      Vastgesteld dient te worden dat het door de Commissie aangehaalde feit dat de douaneschulden moeten worden betaald door de importeur en niet door de producteur-exporteur, zich er niet tegen verzet dat deze laatste belang heeft bij de nietigverklaring van de handeling die aan die schulden ten grondslag ligt.

47      In dit verband dient te worden opgemerkt dat de ontvankelijkheid van een beroep van een producent-exporteur tegen handelingen tot intrekking van de aanvaarding van een verbintenis en tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de door hem vervaardigde en op de Uniemarkt geëxporteerde producten, impliciet, doch noodzakelijkerwijze, door de rechtspraak wordt erkend (zie in die zin arrest van 9 september 2010, Usha Martin/Raad en Commissie, T‑119/06, EU:T:2010:369, bevestigd in hogere voorziening bij arrest van 22 november 2012, Usha Martin/Raad en Commissie, C‑552/10 P, EU:C:2012:736). In een soortgelijke configuratie moet hieruit worden afgeleid dat een dergelijke producent-exporteur ook kan aanvechten dat er rechten worden ingesteld op producten die hij reeds heeft uitgevoerd en waarvoor de verbintenisfacturen door de Commissie ongeldig zijn verklaard.

48      Verzoekster heeft overigens terecht aangevoerd dat de bestreden bepalingen, omdat deze haar producten bij invoer duurder maken, negatieve gevolgen hebben voor haar handelsbetrekkingen met de importeur van de betrokken producten, die zouden worden weggenomen indien haar beroep slaagt.

49      Bijgevolg heeft verzoekster procesbelang om te verzoeken om nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden verordening. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

 Ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid

50      Verzoekster argumenteert dat artikel 3, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 in strijd zijn met artikel 8, leden 1, 9 en 10, en artikel 10, lid 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51), zoals gewijzigd, alsook met artikel 13, leden 1, 9 en 10, en artikel 16, lid 5, van verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB 2009, L 188, blz. 93), omdat de Raad, handelend als uitvoerende autoriteit en niet als wetgever, niet aan de Commissie de bevoegdheid kon delegeren om de verbintenisfacturen ongeldig te verklaren door eenvoudigweg de aanvaarding van een verbintenis in te trekken, noch de douaneautoriteiten opdracht kon geven de rechten te innen op goederen die op het grondgebied van de Unie reeds in het vrije verkeer waren gebracht.

51      De Commissie, ondersteund door de Raad, argumenteert dat het recht van verzoekster om een exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 277 VWEU op te werpen, is verjaard op grond van de arresten van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C‑188/92, EU:C:1994:90), en 15 februari 2001, Nachi Europe (C‑239/99, EU:C:2001:101).

52      In dat verband genoot verzoekster als producent-exporteur die met de antidumping- en antisubsidieonderzoeken had meegewerkt volgens de Commissie een in de tijd beperkt recht – dat op 3 maart 2014 is vervallen – om in de zin van artikel 263 VWEU rechtstreeks beroep in te stellen om artikel 3, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 aan te vechten. Bijgevolg kan zij thans geen exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 277 VWEU opwerpen om die bepalingen aan te vechten.

53      De Commissie argumenteert dat het definitieve karakter van handelingen van de instellingen van de Unie, uit hoofde van het rechtszekerheidsbeginsel, belet dat deze ter discussie komen te staan na het verstrijken van de in artikel 263 VWEU vastgestelde termijn waarbinnen beroep tegen deze handelingen openstaat, zelfs in het kader van een exceptie van onwettigheid die overeenkomstig artikel 277 VWEU tegen de genoemde handelingen wordt opgeworpen. Deze gevolgtrekking is ook van toepassing op verordeningen tot instelling van compenserende en antidumpingrechten, en wel vanwege de tweeledige aard van deze handelingen, die namelijk kunnen bestaan in zowel handelingen met een normatief karakter als handelingen die sommige marktdeelnemers rechtstreeks en individueel kunnen raken.

54      Volgens de Commissie staat in casu vast dat verzoekster volledig op de hoogte was van uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013. Hoewel verzoekster niet in de steekproef was opgenomen, heeft zij, om ten opzichte van de niet-meewerkende producenten-exporteurs te worden bevoordeeld, actief meegewerkt aan de procedure die tot de instelling van compenserende en antidumpingrechten heeft geleid. Verzoekster wordt in de bijlagen bij de genoemde verordeningen genoemd. Net als elke andere zorgvuldige marktdeelnemer had verzoekster dan ook op de hoogte moeten zijn van het feit dat de Raad de Commissie had gemachtigd om de verbintenisfacturen ongeldig te verklaren en de douaneautoriteiten opdracht te geven de rechten te heffen voor de facturen die als verbintenisschendend werden beschouwd, zodat de termijn waarover zij beschikte om deze machtiging ter discussie te stellen, en daarmee haar belang te beschermen om de bovengenoemde verordeningen aan te vechten, op 3 maart 2014 was verstreken.

55      Verzoekster betwist de argumenten van de Commissie en de Raad.

56      Het Gerecht merkt op dat volgens vaste rechtspraak in artikel 277 VWEU een algemeen beginsel tot uitdrukking komt, krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de vernietiging van een haar rechtstreeks en individueel rakende handeling de rechtsgeldigheid van eerdere, aan de bestreden handeling ten grondslag liggende, handelingen van de instellingen van de Unie mag aanvechten, wanneer zij niet – krachtens artikel 263 VWEU – rechtstreeks tegen die handelingen in beroep mocht komen, zodat zij, zonder vernietiging te mogen vorderen, de gevolgen ervan heeft te dragen (zie arrest van 6 maart 1979, Simmenthal/Commissie, 92/78, EU:C:1979:53, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts blijkt uit de rechtspraak dat een beroep op de exceptie van onwettigheid slechts openstaat bij ontstentenis van andere beschikbare rechtsmiddelen (zie in die zin arresten van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf, C‑188/92, EU:C:1994:90, punt 17; 15 februari 2001, Nachi Europe, C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 37, en 8 maart 2007, Roquette Frères, C‑441/05, EU:C:2007:150, punt 40).

57      In tegenstelling tot hetgeen de Commissie argumenteert, kan er niet van worden uitgegaan dat verzoekster artikel 3, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 direct na de vaststelling daarvan had kunnen aanvechten op grond van artikel 263 VWEU, noch dat de termijn waarbinnen deze bepalingen konden worden aangevochten op 3 maart 2014 is afgelopen.

58      In dit verband dient erop te worden gewezen dat artikel 3 van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2 van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 vrijstellingen bevatten ten gunste van verzoekster, in die zin dat de in de Unie geïmporteerde producten in kwestie niet aan de definitieve compenserende en antidumpingrechten waren onderworpen, mits aan de in de verbintenissen vastgelegde voorwaarden was voldaan.

59      Bovendien moet ten aanzien van artikel 3, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 worden vastgesteld dat, zoals verzoekster argumenteert, deze bepalingen er slechts toe strekten ten behoeve van de Commissie het recht in het leven te roepen om de aanvaarding van de concrete verbintenissen in te trekken en de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig te verklaren.

60      Om te beginnen is in dit verband evenwel uitdrukkelijk bepaald dat de Commissie bijzondere maatregelen dient te nemen, met name bestaande in de intrekking van de aanvaarding van een verbintenis overeenkomstig artikel 8, lid 9, van verordening nr. 1225/2009 en artikel 13, lid 9, van verordening nr. 597/2009, door middel van een verordening of besluit waarin wordt verwezen naar specifieke transacties en waarin de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig worden verklaard (zie in die zin beschikking van 14 januari 2015, SolarWorld e.a./Commissie, T‑507/13, EU:T:215:23, punt 61). Bijgevolg is de situatie in het onderhavige geval niet vergelijkbaar met die waarvan sprake is in het arrest van 28 februari 2017, Canadian Solar Emea e.a./Raad (T‑162/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:124, punt 47), waarnaar de Commissie ter terechtzitting heeft verwezen met het argument dat verzoekster de mogelijkheid had gehad om de in punt 57 hierboven vermelde bepalingen direct na de vaststelling ervan aan te vechten.

61      Voorts was – zoals verzoekster argumenteert – de vraag of deze bepalingen op haar zouden worden toegepast ten tijde van de vaststelling van artikel 3, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en van artikel 2, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 zuiver hypothetisch.

62      Gelet op het voorgaande werd verzoekster vóór de concrete uitvoering van artikel 3, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en van artikel 2, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013, die gericht waren tot alle ondernemingen die de verbintenissen in kwestie waren aangegaan, niet rechtstreeks geraakt door deze bepalingen. Zij had er evenmin belang bij de wettigheid van deze bepalingen door middel van een beroep tot nietigverklaring aan te vechten gedurende de door de Commissie aangegeven periode, die op 3 maart 2014 verstreek. Meer bepaald kon het belang van verzoekster om bovenbedoelde bepalingen aan te vechten niet gegrond zijn op de enkele mogelijkheid dat de Commissie de aanvaarding van de verbintenissen zou intrekken en vervolgens de verbintenisfacturen ongeldig zou verklaren. Verzoekster had geen reden om te verwachten dat zij zich in een dergelijke hypothetische situatie bevond.

63      Bovendien dient opgemerkt te worden dat de bepalingen waarop de exceptie van onwettigheid in casu ziet, anders dan in het arrest van 15 februari 2001, Nachi Europe (C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 37) – waarnaar de Commissie verwijst –, niet het karakter van een individueel besluit hadden. Integendeel, het gaat om bepalingen van algemene aard, die moesten worden gevolgd door nadere uitvoeringsmaatregelen die, in voorkomend geval, de belangen van verzoekster zouden kunnen schaden (zie naar analogie arrest van 16 maart 1978, Unicme e.a./Raad, 123/77, EU:C:1978:73, punten 11‑18). Noch het feit dat verzoekster in de bijlagen bij uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013 genoemd werd, noch het feit dat zij op de hoogte had moeten zijn van de omstandigheid dat de Raad de Commissie had gemachtigd om de verbintenisfacturen ongeldig te verklaren, heeft tot gevolg gehad dat zij de in punt 57 hierboven bedoelde bepalingen direct na de vaststelling daarvan kon aanvechten.

64      Bij gebreke van een belang om deze bepalingen van uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013 direct na de vaststelling daarvan aan te vechten, staat er dus niets aan in de weg dat verzoekster daartegen in het kader van het onderhavige beroep een exceptie van onwettigheid opwerpt.

 Ten gronde

65      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één enkel middel aan. In wezen stelt zij dat de Commissie met de bestreden verordening artikel 8, leden 1, 9 en 10, en artikel 10, lid 5, van de basisantidumpingverordening en artikel 13, leden 1, 9 en 10, en artikel 16, lid 5, van de basisantisubsidieverordening heeft geschonden door verbintenisfacturen ongeldig te verklaren en vervolgens de douaneautoriteiten opdracht te geven om rechten in te vorderen alsof op het moment dat de goederen in het vrije verkeer werden gebracht geen verbintenisfactuur was opgesteld en bij de douane was ingediend.

66      Daarnaast baseert verzoekster haar beroep op een exceptie van onwettigheid met betrekking tot artikel 3, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013, welke exceptie is gestoeld op een vermeende schending van artikel 8 en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 1225/2009 alsook van artikel 13 en artikel 16, lid 5, van verordening nr. 597/2009, zoals deze luidden ten tijde van de vaststelling van uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013.

67      Vooraf wordt erop gewezen dat de betrokken bepalingen van de basisantidumpingverordening en de basisantisubsidieverordening (zie punt 65 hierboven) die op de datum van vaststelling van de bestreden verordening van toepassing waren, wat betreft de elementen die relevant zijn voor de analyse van de onderhavige zaak, in wezen identiek zijn aan die van verordeningen nr. 1225/2009 en nr. 597/2009 (zie punt 66 hierboven). Derhalve wordt in het vervolg van het arrest naar de basisverordeningen verwezen, tenzij de bepalingen van verordeningen nr. 1225/2009 en nr. 597/2009, wanneer deze van toepassing zijn of worden genoemd, daarvan afwijken. Opgemerkt moet worden dat uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013 weliswaar zijn vastgesteld door de Raad, die destijds onder de vigeur van verordeningen nr. 1225/2009 en nr. 597/2009 de uitvoeringsbevoegdheid bezat om definitieve rechten in te stellen, maar dat deze bevoegdheid aan de Commissie is overgedragen bij verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek voor wat de procedures tot het nemen van bepaalde maatregelen betreft (PB 2014, L 18, blz. 1).

68      Verzoekster betoogt dat uit artikel 8 van de basisantidumpingverordening en artikel 13 van de basisantisubsidieverordening blijkt dat wanneer er prijsverbintenissen zijn aanvaard, de voorlopige rechten of de definitieve rechten, naargelang van het geval, niet van toepassing zijn zolang deze verbintenissen van kracht blijven. Uit artikel 8, lid 9, van de basisantidumpingverordening en artikel 13, lid 9, van de basisantisubsidieverordening blijkt evenwel dat wanneer de aanvaarding van de verbintenis wordt ingetrokken als gevolg van de ontdekking van de schending van een van de voorwaarden van deze verbintenis door een van de producenten-exporteurs die de verbintenis hebben voorgesteld, de rechten die vanwege de aanvaarding van de verbintenis niet waren toegepast, automatisch toepassing vinden. Volgens verzoekster hebben deze rechten echter enkel betrekking op de invoer die heeft plaatsgevonden vanaf de datum van opzegging van de verbintenis. Dat blijkt ook uit de gevestigde praktijk van de Commissie. Pas sinds kort is de Commissie, bij twee gelegenheden, overgegaan tot ongeldigverklaring van verbintenisfacturen als die waarnaar wordt verwezen in de bestreden verordening.

69      Verzoekster voert aan dat er slechts twee uitzonderingen bestaan op basis waarvan de Commissie met terugwerkende kracht rechten kan instellen. De eerste uitzondering betreft gevallen waarin aan de voorwaarden van artikel 8, lid 10, van de basisantidumpingverordening en artikel 13, lid 10, van de basisantisubsidieverordening is voldaan. Wanneer de Commissie vermoedt dat een verbintenis wordt geschonden, kan zij besluiten voorlopige rechten in te stellen, die definitief kunnen worden geheven wanneer dit vermoeden wordt bevestigd.

70      De tweede uitzondering heeft volgens verzoekster betrekking op situaties waarin de invoer is geregistreerd overeenkomstig artikel 10, lid 5, van de basisantidumpingverordening en artikel 16, lid 5, van de basisantisubsidieverordening. Wanneer aan de douaneautoriteiten opdracht wordt gegeven om de invoer te registreren, kan het definitieve recht met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast vanaf de registratiedatum, mits de registratie negentig dagen of meer vóór de heffing van de definitieve rechten heeft plaatsgevonden.

71      Volgens verzoekster heeft de Commissie zelf aangegeven dat er geen rechtsgrond bestond voor intrekking met terugwerkende kracht van de verbintenisfacturen. Zij betwist het argument van de Commissie dat, nu het antidumpingonderzoek is voltooid, de aan de ongeldigverklaring van de verbintenisfacturen verbonden intrekking van de aanvaarding van de verbintenis in casu geen terugwerkende kracht heeft. Verzoekster verwijt de Commissie een onjuiste uitlegging aan de relevante bepalingen te geven.

72      In haar repliek voegt verzoekster daaraan toe dat het douanetoezicht en de douanecontroles overeenkomstig verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: „douanewetboek van de Unie”) bevoegdheden zijn die onder de douaneautoriteiten van de lidstaten vallen.

73      De Commissie betoogt in wezen dat de Raad haar krachtens uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013 kon machtigen om de verbintenisfacturen ongeldig te verklaren en om de nationale douaneautoriteiten opdracht te geven de rechten met betrekking tot de in strijd met de voorwaarden van de verbintenis geschiede invoer te innen.

74      In de eerste plaats betoogt de Commissie dat een prijsverbintenis een resultaatverbintenis is. Wanneer een exporteur zich schuldig heeft gemaakt aan dumpingpraktijken of subsidies heeft ontvangen waarop compenserende maatregelen staan, kan hij, teneinde de nadelige gevolgen van genoemde praktijken teniet te doen, zijn exportprijzen verhogen, hetgeen in de verbintenisfacturen naar voren zou komen. Om de vrijstelling van de normaliter voor de betrokken producten verschuldigde compenserende en antidumpingrechten te behouden, dient hij echter zijn verbintenis ten aanzien van de producten die het voorwerp van de dumping of subsidie zijn, na te leven. Een verbintenis vormt derhalve een uitzondering op de voorwaarden die normaliter op de betrokken producten van toepassing zijn. Wanneer geen verbintenisfactuur wordt ingediend of wanneer naderhand wordt ontdekt dat deze niet aan de vereisten voldeed, vinden de compenserende of antidumpingrechten evenwel opnieuw toepassing en worden zij door de nationale douaneautoriteiten geïnd. De Commissie voert aan dat een verbintenis, omdat deze een uitzondering en een gevoelige regeling vormt, strikt moet worden uitgelegd. Het aangaan van een verbintenis vormt voor de Commissie een risico, waarbij nog komt dat de naleving ervan moeilijk te controleren is. Iedere partij die de verbintenis aanvaard, is gehouden om deze daadwerkelijk na te leven en doeltreffend toezicht te houden op de uitvoering daarvan, waarbij zij met de Commissie samenwerkt op basis van een vertrouwensrelatie.

75      Om deze redenen heeft het Hof bevestigd dat de instellingen van de Unie op basis van hun wettelijke bevoegdheid de voorwaarden van een prijsverbintenis kunnen aanvaarden, verwerpen en vaststellen. Bijgevolg kan de Commissie elke schending van een verbintenis of van de verplichting tot samenwerking bij de uitvoering daarvan overeenkomstig artikel 8, leden 7 en 9, van de basisantidumpingverordening en artikel 13, leden 7 en 9, van de basisantisubsidieverordening bestraffen door haar aanvaarding van deze verbintenis in te trekken en compenserende en antidumpingrechten op te leggen op basis van de feiten die zijn vastgesteld in het kader van het onderzoek dat tot de prijsverbintenis heeft geleid. Deze sanctiebevoegdheid omvat de bevoegdheid tot ongeldigverklaring van verbintenisfacturen.

76      In de tweede plaats betwist de Commissie verzoeksters argument dat de Raad de Commissie niet door middel van uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013 had kunnen machtigen om de facturen betreffende de goederen die reeds in het vrije verkeer waren gebracht, ongeldig te verklaren, omdat in de basisantidumpingverordening en de basisantisubsidieverordening niet in een dergelijke mogelijkheid is voorzien.

77      Ten eerste betoogt de Commissie in dit verband dat zij tot algemene opdracht had – uit hoofde van artikel 8 van de basisantidumpingverordening en artikel 13 van de basisantisubsidieverordening – toezicht op de aanvaarde verbintenissen te houden, indien nodig met de hulp van de douaneautoriteiten van de lidstaten. De Commissie stelt dat deze bepalingen zich er niet tegen verzetten dat de verbintenisfacturen ongeldig worden verklaard, maar eenvoudigweg geen verwijzing naar die ongeldigverklaring bevatten.

78      Ten tweede voert de Commissie aan dat in artikel 8, lid 9, van de basisantidumpingverordening en artikel 13, lid 9, van de basisantisubsidieverordening niet de aard van de schendingen van de verbintenis wordt vastgesteld en niet de omstandigheden worden bepaald waaronder de aanvaarding hiervan moet worden ingetrokken. Het is aan de instellingen om bepaalde conformiteitseisen te stellen, waarvan die betreffende de opstelling van verbintenisfacturen slechts één voorbeeld is. De rechtsgrond voor de vaststelling van die technische voorwaarden in verordeningen tot instelling van definitieve rechten wordt gevormd door artikel 14, lid 1, van de basisantidumpingverordening en artikel 24, lid 1, van de basisantisubsidieverordening, volgens welke de rechten „door de lidstaten [worden] geïnd in de vorm en voor het bedrag als in die verordening vermeld en met inachtneming van de andere daarin vermelde criteria”. De mogelijkheid tot machtiging van de Commissie om verbintenisfacturen ongeldig te verklaren, vloeit voort uit haar algemene opdracht om toezicht op de verbintenissen te houden, uit de bevoegdheid van de Raad om voor de inning van de betrokken rechten „andere criteria” vast te stellen, en uit de verplichting voor de producenten-exporteurs om toezicht mogelijk te maken in het kader van een vertrouwensrelatie met de Commissie, waarbij de Commissie aangewezen is op de betrouwbaarheid van de verstrekte documenten.

79      Ten derde betoogt de Commissie dat de verplichting om verbintenisfacturen over te leggen en de ongeldigverklaring van deze facturen in geval van niet-naleving van de aangegane verbintenissen, niet nieuw zijn. In dit geval voert de Commissie aan dat zij gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de verbintenis in te trekken en de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig te verklaren, en dat zij haar besluit tegenover verzoekster passend heeft gemotiveerd. Het in een dergelijk geval vanwege een ongeldig verklaarde verbintenisfactuur verschuldigde compenserende of antidumpingrecht strekt enkel tot het regulariseren van de situatie. De ongeldigverklaring van verbintenisfacturen is gericht op versterking van de doeltreffendheid van de door de Commissie aanvaarde prijsverbintenissen. Zij weerspiegelt de bevoegdheid van de douaneautoriteiten en vult deze aan met een extra instrument waarmee de rechten in geval van schending van een verbintenis kunnen worden ingevorderd.

80      Ten vierde kan verzoekster zich volgens de Commissie niet beroepen op de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen. De Commissie argumenteert dat de vrijstelling van de compenserende en antidumpingrechten op het moment dat de goederen in het vrije verkeer werden gebracht niet definitief was. Bovendien is verzoekster er, door middel van duidelijke rechtsregels, van meet af aan op gewezen dat verbintenisfacturen, met name in geval van schending van de verbintenis, ongeldig kunnen worden verklaard.

81      De Commissie betoogt dat het aan de nationale douaneautoriteiten is om te beoordelen of zij al dan niet in staat zijn de douanerechten te innen voor facturen waarvoor de verjaringstermijn van drie jaar als bedoeld in artikel 103, lid 2, van het douanewetboek van de Unie, die krachtens artikel 1, lid 3, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013, gelezen in samenhang met artikel 14, lid 1, van de basisantidumpingverordening, op de betrokken rechten van toepassing is, is verstreken. Het overeenkomstige artikel van de basisantisubsidieverordening is artikel 24, lid 1. De Commissie argumenteert onder meer dat er geen sprake is geweest van toepassing met terugwerkende kracht in de zin van het Unierecht, omdat de gevolgen van die ongeldigverklaringen niet ratione temporis werden toegepast op een datum vóór 23 april 2014, dat wil zeggen de datum waarop de eerste verbintenisfactuur van verzoekster werd ingediend, laat staan op een datum vóór 4 december 2013, de datum waarop de rechten ten aanzien van het betrokken product van toepassing werden.

82      Tegen deze achtergrond en gelet op het beginsel van bescherming van de eigen middelen van de Unie is het volgens de Commissie vanzelfsprekend dat, wanneer onjuiste of onvolledige verbintenisfacturen worden ingediend, de compenserende of antidumpingrechten voor de betrokken producent-exporteur van toepassing worden alsof deze laatste geen verbintenisfactuur had ingediend, en dat de rechten die als gevolg van de indiening van deze verbintenisfacturen niet zijn betaald, verschuldigd zijn alsof er geen sprake was van vrijstelling.

83      Ten vijfde is de Commissie van mening dat de bepalingen van artikel 10, lid 5, van de basisantidumpingverordening en artikel 16, lid 5, van de basisantisubsidieverordening niet op de betrokken praktijk van toepassing zijn.

84      In de derde plaats voert de Commissie aan dat er nimmer een praktijk heeft bestaan van vrijstelling van compenserende of antidumpingrechten bij invoer die plaatsvond voordat de aanvaarding van een verbintenis werd ingetrokken. De enige gevallen waarin verbintenisfacturen niet ongeldig werden verklaard, vallen niet in de door verzoekster beschreven categorie. Zelfs indien een dergelijke praktijk zou hebben bestaan, zou dit evenwel geen invloed op de wettigheid van de bestreden verordening hebben. In dit verband betoogt de Commissie dat punt 33 van het verzoek niet-ontvankelijk is wegens schending van artikel 76, onder f), van het Reglement voor de procesvoering, aangezien er geen bewijs is geleverd.

85      De Commissie betoogt dat het standpunt van verzoekster in die zin kan worden samengevat dat het enige rechtsgevolg van de schending van een verbintenis de intrekking van de aanvaarding van deze verbintenis voor de toekomst is. Alle op schendingen gebaseerde transacties die vóór de vaststelling van het intrekkingsbesluit hebben plaatsgevonden, zijn beschermd. De Commissie benadrukt evenwel dat niets in het Unierecht een dermate uitgebreide bescherming rechtvaardigt van een marktdeelnemer die de door hem vrijwillig aanvaarde verbintenissen schendt, vooral wanneer hij van tevoren is gewaarschuwd voor de gevolgen van dergelijke handelingen.

86      In de dupliek stelt de Commissie in wezen dat verzoekster en zij het erover eens zijn dat er in beginsel compenserende en antidumpingrechten kunnen worden ingesteld zodra de verbintenis wordt geschonden. De onenigheid heeft enkel betrekking op de in dit verband te hanteren methode. De Commissie is van mening dat het geen zin heeft om tot registratie over te gaan en voorlopige rechten te heffen wanneer het onderzoek is afgerond en definitieve rechten zijn ingesteld. De door verzoekster voorgestelde methode houdt geen rekening met het feit dat de Commissie pas een aanvang met de registratie kan maken nadat een schending van een verbintenis is vastgesteld. De Commissie voert aan dat zij de juiste procedure heeft gevolgd. De ongeldigverklaring van de verbintenisfactuur is namelijk de enige manier om de rechten te innen vanaf de feitelijke gebeurtenis die de schending vormt. De Commissie voert ook aan dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de instelling van rechten en de schorsing van de inning daarvan. Van deze laatste situatie is in het onderhavige geval sprake.

87      Wat betreft verzoeksters argument dat douanetoezicht en douanecontroles bevoegdheden van de douaneautoriteiten van de lidstaten zijn, voert de Commissie aan dat dit argument voor het eerst in de dupliek naar voren is gebracht en dat het bijgevolg op grond van artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk is. Het is dan ook ongegrond.

88      De Commissie argumenteert dat het vaststaat dat zij de douaneautoriteiten opdracht had gegeven de voor de invoer van het betrokken product verschuldigde compenserende en antidumpingrechten overeenkomstig artikel 2 van de bestreden verordening te innen. Zij voert aan dat zij zich uit hoofde van de in artikel 14, lid 1, van de basisantidumpingverordening en artikel 24, lid 1, van de basisantisubsidieverordening bedoelde bevoegdheden tot taak had gesteld om – zonder ten onrechte aanspraak te willen maken op de bevoegdheden van de nationale autoriteiten – bepaalde controle- en verificatieactiviteiten te verrichten teneinde de eigen middelen van de Unie te beschermen.

89      Tot slot stelt de Commissie dat het argument van verzoekster dat de Commissie en de Raad – in zijn hoedanigheid van uitvoerende autoriteit – de bevoegdheden van de Commissie verder hebben uitgebreid dan de Verdragen en het afgeleide recht toestaan, niet-ontvankelijk is, aangezien dit een nieuw middel betreft dat in strijd met de vereisten van artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering voor het eerst in de repliek is aangevoerd. Volgens de Commissie is dit argument hoe dan ook niet duidelijk wat betreft de wijze waarop de Raad de bevoegdheden van de Commissie dan zou hebben uitgebreid.

90      De Raad ondersteunt in wezen de argumenten van de Commissie. Ten eerste is de Raad van mening dat uit de juiste uitlegging van artikel 8, lid 9, van de basisantidumpingverordening en artikel 13, lid 9, van de basisantisubsidieverordening blijkt dat deze bepalingen de ongeldigverklaring van verbintenisfacturen toestaan. Ten tweede voert hij aan dat de bovenbedoelde verordeningen een rechtsgrond vormen voor het opleggen, door de instellingen van de Unie, van nalevingsvereisten voor het beheer van de prijsverbintenissen. Ten derde zijn de bepalingen inzake de ongeldigverklaring van de verbintenisfacturen volgens de Raad in lijn met de vaste praktijk van de instellingen van de Unie. Ten vierde voert de Raad aan dat de ongeldigverklaring van verbintenisfacturen niet gelijkstaat aan het met terugwerkende kracht heffen van compenserende en antidumpingrechten, hetgeen in strijd is met het Unierecht.

91      Verzoekster betwist de argumenten van de Commissie en de Raad.

 Rechtskader dat op de verbintenissen en verbintenisfacturen van verzoekster van toepassing is

92      Er zij aan herinnerd dat de Commissie volgens artikel 8, lid 1, van de basisantidumpingverordening, indien is vastgesteld dat dumping plaatsvindt en daaruit schade voortvloeit, kan overgaan tot aanvaarding van een door een exporteur op vrijwillige basis aangeboden bevredigende verbintenis om zijn prijzen te herzien of de uitvoer met dumping te staken, mits zij ervan overtuigd is dat de schadelijke gevolgen van de dumping hierdoor worden weggenomen.

93      Vastgesteld dient te worden dat de definitieve compenserende en antidumpingrechten – voor bedragen die naar ondernemingscategorie zijn gepreciseerd – in casu zijn vastgesteld met inachtneming van het feit dat de ondernemingen aan het onderzoek hebben meegewerkt. Voorts had de aanvaarding van de betrokken verbintenissen tot gevolg dat de desbetreffende ondernemingen werden vrijgesteld van de betaling van de definitieve compenserende en antidumpingrechten, zoals blijkt uit artikel 3, lid 1, en overweging 438 van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013, alsook uit artikel 2, lid 1, en overweging 865 van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013.

94      Dienaangaande is in de rechtspraak over de uitlegging van het stelsel dat van toepassing is op verbintenissen uit hoofde van verordening nr. 1225/2009 reeds komen vast te staan dat niet de vaststelling van het besluit tot aanvaarding van de verbintenissen ertoe leidt dat de invoer waarop die verbintenissen betrekking hebben, wordt vrijgesteld van de antidumpingrechten, maar de bepalingen die de Commissie in de gewijzigde voorlopige antidumpingverordening of de Raad in de definitieve antidumpingverordening vaststelt om de door de Commissie aanvaarde verbintenissen uit te voeren. De Raad is daartoe verplicht krachtens artikel 9, lid 5, van verordening nr. 1225/2009, waarin is bepaald dat bij verordening een definitief antidumpingrecht moet worden ingesteld op een product waarvan de invoer met dumping plaatsvindt en schade veroorzaakt, tenzij in verband met die invoer in voorkomend geval verbintenissen zijn aanvaard (beschikking van 14 januari 2015, SolarWorld e.a./Commissie, T‑507/13, EU:T:2015:23, punt 48).

95      Ondanks een besluit tot aanvaarding van verbintenissen worden volgens artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1225/2009 de voorlopige of definitieve antidumpingrechten slechts ingesteld bij verordening, en door de lidstaten geïnd met inachtneming van de criteria die in die verordening zijn vermeld, waaronder de voorwaarden voor de uitvoering van de aanvaarde verbintenissen (beschikking van 14 januari 2015, SolarWorld e.a./Commissie, T‑507/13, EU:T:2015:23, punt 49). Artikel 24, lid 1, van verordening nr. 597/2009 volgt in wezen dezelfde benadering.

96      Daarbij komt dat bepaald is dat de Commissie gehouden is overeenkomstig artikel 8, lid 9, van verordening nr. 1225/2009 en artikel 13, lid 9, van verordening nr. 597/2009, indien nodig met de medewerking van de douaneautoriteiten van de lidstaten, toezicht op de naleving van de verbintenissen uit te oefenen. Bovendien is het duidelijk dat de Commissie haar opdracht om toezicht uit te oefenen op de verbintenissen slechts naar behoren kan uitoefenen indien de documenten die haar worden verstrekt in het kader van de uitvoering van de door de betrokken exporteur aangegane verbintenis betrouwbaar zijn (arrest van 22 november 2012, Usha Martin/Raad en Commissie, C‑552/10 P, EU:C:2012:736, punt 35).

97      Voorts diende verzoekster, overeenkomstig de doelstelling van artikel 8 van verordening nr. 1225/2009, op basis van de verbintenis die zij was aangegaan niet enkel te verzekeren dat deze verbintenis daadwerkelijk werd nageleefd, maar moest zij ook de uitvoering van die verbintenis doeltreffend controleren, door met de Commissie samen te werken in het kader van de vertrouwensrelatie waarop de aanvaarding van een dergelijke verbintenis door laatstbedoelde instelling berust (zie in die zin arrest van 22 november 2012, Usha Martin/Raad en Commissie, C‑552/10 P, EU:C:2012:736, punt 24). Deze logica is naar analogie eveneens van toepassing op verbintenissen waaraan compenserende rechten verbonden zijn in de zin van artikel 13 van verordening nr. 597/2013, voor zover het doel hiervan vergelijkbaar blijft met dat van de verbintenissen die in het kader van de basisantidumpingverordening zijn aangegaan.

98      Bovendien moet, zoals de Commissie heeft opgemerkt, een door een onderneming aangegane prijsverbintenis worden beschouwd als een resultaatverplichting, die moet worden nageleefd en via de indiening van verbintenisfacturen bij de invoer van de producten in de Unie moet worden gevalideerd. Artikel 3, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 bevatten uitdrukkelijke verwijzingen naar de verbintenisfacturen. Zoals de Commissie stelt, is de inhoud van de verbintenisfacturen en de verbinteniscertificaten voor uitvoer vastgesteld in de bijlagen III en IV bij uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en de bijlagen 2 en 3 bij uitvoeringsverordening nr. 1239/2013.

99      Tot slot blijkt uit de rechtspraak dat de noodzaak bestaat een adequaat toezicht op de verbintenissen te verzekeren (zie in die zin arrest van 25 januari 2017, Rusal Armenal/Raad, T‑512/09 RENV, EU:T:2017:26, punt 178).

 Gevolgen verbonden aan de intrekking van de aanvaarding van de verbintenis door de Commissie en aan de ongeldigverklaring van de verbintenisfacturen in de bestreden verordening

100    Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 8, lid 1, tweede alinea, van de basisantidumpingverordening het volgende bepaalt:

„[...] [V]oor de duur van de verbintenis zijn de door de Commissie op grond van artikel 7, lid 1, ingestelde voorlopige rechten of de op grond van artikel 9, lid 4, ingestelde definitieve rechten, naargelang het geval, niet van toepassing op de relevante invoer van de betreffende producten die geproduceerd worden door de ondernemingen die worden genoemd in het besluit van de Commissie tot aanvaarding van verbintenissen, en eventuele wijzigingen daarvan [...].”

101    De bewoordingen van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de basisantisubsidieverordening zijn inhoudelijk identiek.

102    Vervolgens bepaalt artikel 8, lid 9, van de basisantidumpingverordening:

„Wanneer een verbintenis door een partij wordt geschonden of opgezegd, of wanneer de aanvaarding van de verbintenis door de Commissie wordt opgezegd, wordt de aanvaarding van de verbintenis ingetrokken door middel van hetzij een besluit hetzij een verordening van de Commissie, en zijn automatisch de door de Commissie op grond van artikel 7 ingestelde voorlopige rechten of de op grond van artikel 9, lid 4, ingestelde definitieve rechten van toepassing, op voorwaarde dat de betrokken exporteur de gelegenheid heeft gehad opmerkingen te maken, tenzij deze exporteur de verbintenis heeft opgezegd. [...]”

103    De bewoordingen van artikel 13, lid 9, van de basisantisubsidieverordening zijn inhoudelijk identiek.

104    In dit verband wordt erop gewezen dat de overwegingen 18 en 19 van verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 tot wijziging van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB 2004, L 77, blz. 12), die hebben geleid tot de aanneming van een wijziging van de voor het onderhavige geding relevante bepalingen, als volgt luiden:

„(18)      In artikel 8, lid 9, van de basisantidumpingverordening wordt onder andere bepaald dat wanneer een verbintenis door een partij wordt opgezegd overeenkomstig artikel 9 een definitief recht wordt ingesteld, op basis van de bij het onderzoek dat tot de verbintenis heeft geleid, vastgestelde feiten. Deze bepaling leidde tot een tijdrovende dubbele procedure, bestaande uit zowel een besluit van de Commissie tot opzegging van de verbintenis en van een verordening van de Raad tot het opnieuw instellen van het recht. Rekening houdend met het feit dat deze bepaling de Raad geen enkele vrijheid laat wat betreft het instellen van een recht in geval van schending of opzegging van een verbintenis, of wat betreft de hoogte daarvan, wordt het wenselijk geacht artikel 8, leden 1, 5 en 9, zodanig te wijzigen dat de verantwoordelijkheid van de Commissie duidelijker omschreven is en voor de opzegging van een verbintenis en de toepassing van het recht slechts één juridisch instrument nodig is. Er moet ook voor gezorgd worden dat de opzeggingsprocedure normaal gesproken binnen zes maanden wordt afgerond, en in geen geval langer dan negen maanden in beslag neemt, zodat de geldende maatregelen correct kunnen worden toegepast.

(19)      Overweging 18 geldt mutatis mutandis ook voor verbintenissen op grond van artikel 13 van de basisantisubsidieverordening.”

105    Tot slot luidt artikel 8, lid 10, van de basisantidumpingverordening als volgt:

„Na overleg kan overeenkomstig artikel 7 op basis van de beste informatie die beschikbaar is, een voorlopig recht worden ingesteld, hetzij indien er redenen zijn om aan te nemen dat een verbintenis wordt geschonden, hetzij, in geval van schending of opzegging van een verbintenis, indien het onderzoek dat aanleiding tot de verbintenis heeft gegeven niet is voltooid.”

106    De bewoordingen van artikel 13, lid 10, van de basisantisubsidieverordening zijn inhoudelijk identiek.

107    Het meningsverschil tussen partijen heeft betrekking op de uitlegging van de gevolgen van die bepalingen. Enerzijds zijn de Commissie en de Raad van mening dat de intrekking van de aanvaarding van de verbintenissen tot gevolg heeft dat naar de oorspronkelijke situatie wordt teruggekeerd, in die zin dat alle definitieve compenserende en antidumpingrechten voor de ongeldig verklaarde verbintenisfacturen verschuldigd zijn.

108    Anderzijds voert verzoekster aan dat de compenserende en antidumpingrechten enkel voor de toekomst kunnen worden ingesteld, dat wil zeggen vanaf het moment dat de Commissie de aanvaarding van de verbintenissen heeft ingetrokken, behoudens sommige in de basisantidumpingverordening en de basisantisubsidieverordening uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen.

109    De Commissie argumenteert in wezen dat de definitieve compenserende en antidumpingrechten in die omstandigheden „opnieuw toepassing vinden”. Zij stelt dat de onderhavige situatie gelijk is aan die waarin een importeur bij inklaring een verbintenisfactuur indient die niet door een opdrachtgever van de importeur-producent is ondertekend of die andere onregelmatigheden vertoont. Ook verwijst de Commissie naar sommige situaties in het kader van de vrijstelling van douanerechten waarin, ingeval de preferentiële oorsprong moet worden aangetoond, bij een controle achteraf blijkt dat het preferentieel tarief ten onrechte is toegekend. In het bijzonder verwijst zij naar de arresten van 7 december 1993, Huygen e.a. (C‑12/92, EU:C:1993:914, punt 19), en 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services (C‑293/04, EU:C:2006:162, punt 34). In diezelfde lijn verwees de Commissie ter terechtzitting in wezen naar het feit dat de instellingen van de Unie bij de intrekking van een aanvaarding van verbintenissen de nationale autoriteiten opdragen om de toepasselijke rechten te innen of, anders gezegd, om „de transactie over te doen”. Daarbij wordt de invoer onderworpen aan de oorspronkelijke definitieve compenserende en antidumpingrechten, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisantidumpingverordening en artikel 15, lid 1, van de basisantisubsidieverordening.

110    Verzoekster betwist niet dat de instellingen van de Unie op basis van hun wettelijke bevoegdheid de voorwaarden van de prijsverbintenis kunnen aanvaarden, verwerpen en vaststellen. Verzoekster betwist evenmin dat de instellingen van de Unie over de bevoegdheid beschikken om de aanvaarding van een verbintenis in te trekken.

111    Ter ondersteuning van haar argument dat het slechts in zeer welomschreven omstandigheden mogelijk is om definitieve compenserende rechten en antidumpingmaatregelen op te leggen, verwijst verzoekster naar artikel 8, lid 10, van de basisantidumpingverordening en, meer in het bijzonder, naar artikel 10, lid 5, van deze verordening, met het opschrift „Terugwerkende kracht”, dat als volgt luidt:

„In geval van schending of opzegging van verbintenissen kunnen definitieve rechten worden geheven op goederen die ten hoogste 90 dagen vóór de inwerkingtreding van de voorlopige maatregelen in het vrije verkeer zijn gebracht, op voorwaarde dat de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, is geregistreerd en deze terugwerking niet wordt toegepast ten aanzien van producten die vóór de schending of de intrekking van de verbintenis in het vrije verkeer zijn gebracht.”

112    Verzoekster voert aan dat deze bepalingen in wezen overeenkomen met artikel 13, lid 10, en artikel 16, lid 5, van de basisantisubsidieverordening.

113    Verzoekster beweert dat maatregelen ten aanzien van de betrokken invoer, zoals de terugvordering van de verschuldigde definitieve compenserende en antidumpingrechten, enkel hadden kunnen worden opgelegd indien de invoer zou zijn geregistreerd. Volgens haar is de benadering van de Commissie in casu onjuist en onwettig, omdat zij niet overeenstemt met een van de uitdrukkelijk door de wetgever voorziene situaties waarin met terugwerkende kracht compenserende of antidumpingrechten toegepast moeten worden. Verzoekster stelt dat de Commissie geen opdracht kan geven tot de inning van definitieve rechten op in het vrije verkeer gebrachte producten indien zij niet vooraf voorlopige rechten heeft ingesteld of opdracht tot registratie heeft gegeven.

114    De door verzoekster tegen artikel 3, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en tegen artikel 2, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 opgeworpen exceptie van onwettigheid moet aldus worden begrepen dat verzoekster daarmee betoogt dat de toepassing met terugwerkende kracht van compenserende of antidumpingrechten in casu evenmin op wettige wijze op die bepalingen kon berusten. Deze bepalingen, in het bijzonder artikel 3, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 zijn volgens verzoekster namelijk zelf in strijd met artikel 8 en artikel 10, lid 5, van de basisantidumpingverordening, alsook met artikel 13 en artikel 16, lid 5, van de basisantisubsidieverordening. Deze exceptie zal worden behandeld na het onderzoek van het enige middel van verzoekster.

 Door verzoekster aangevoerd enig middel

115    Om te beginnen moet wat betreft de verwijzing van verzoekster naar artikel 8, lid 10, van de basisantidumpingverordening en naar artikel 13, lid 10, van de basisantisubsidieverordening worden opgemerkt dat deze bepalingen geen betrekking op de onderhavige situatie hebben.

116    De onderhavige situatie is, zoals de Commissie en de Raad benadrukken, namelijk niet vergelijkbaar met die waarin er enkel sprake is van „redenen om aan te nemen” dat een verbintenis werd geschonden, waardoor het mogelijk wordt een voorlopig recht in te stellen. Integendeel, in casu is de door verzoekster begane schending van de verbintenis niet door haar tegengesproken. De omstandigheid dat verzoekster verklaart dat zij de intrekking van de aanvaarding van de verbintenis niet heeft aangevochten vanwege de enkele reden dat zij wist dat de instellingen van de Unie te dien aanzien een ruime beoordelingsmarge hadden, doet aan die gevolgtrekking niets af.

117    Voorts gaat het in casu evenmin om de tweede, in de hierboven in punt 115 aangehaalde bepalingen vermelde situatie, namelijk die waarin „in geval van schending [...] van een verbintenis, [...] het onderzoek dat aanleiding tot de verbintenis heeft gegeven niet is voltooid”. Integendeel, het staat vast dat de Commissie definitieve compenserende en antidumpingrechten heeft ingesteld.

118    Vervolgens dient ten aanzien van verzoeksters verwijzing naar artikel 10, lid 5, van de basisantidumpingverordening en artikel 16, lid 5, van de basisantisubsidieverordening te worden vastgesteld dat deze bepalingen betrekking hebben op bijzondere situaties, waarin de instellingen overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisantidumpingverordening of artikel 24, lid 5, van de basisantisubsidieverordening tot „registratie” van de invoer zijn overgegaan. Overigens wordt in deze artikelen bepaald dat als berekeningsbasis voor de terugwerking de datum wordt gehanteerd waarop de voorlopige maatregelen toepassing vinden. Bij gebreke van registratie van de betrokken invoer en bij gebreke van voorlopige maatregelen is in casu evenwel geen van deze situaties van toepassing.

119    Aangezien de onderhavige situatie met geen van de in de basisantidumpingverordening en de basisantisubsidieverordening uitdrukkelijk genoemde hypothesen overeenkomt, moet worden onderzocht of er, zoals verzoekster stelt (zie de punten 69‑71 hierboven), inderdaad geen enkele andere rechtsgrond bestaat voor de vaststelling van artikel 2 van het dispositief van de bestreden verordening.

120    Ter verklaring van de in de bestreden verordening gevolgde benadering verwijzen de Commissie en de Raad naar de bijzondere context van onderhavige zaak. In dit verband betoogt de Commissie dat uit een systematische uitlegging van de basisantidumpingverordening en de basisantisubsidieverordening volgt dat de definitieve rechten die oorspronkelijk waren ingesteld op de producten waarop de verbintenissen van verzoekster betrekking hadden, als rechtstreeks gevolg van de maatregel van de Commissie tot intrekking van de aanvaarding van die verbintenissen, automatisch konden worden toegepast.

121    De Raad heeft aangegeven dat de basisantidumpingverordening en de basisantisubsidieverordening niet uitdrukkelijk voorzien in het „waarschijnlijk meest voorkomende” geval, waarin de Commissie, zoals in casu, op eigen initiatief een onderzoek naar de schending van een verbintenis instelt. Voorts betwist de Raad de benadering volgens welke uit het feit dat de basisantidumpingverordening en de basisantisubsidieverordening niet uitdrukkelijk voorzien in dit soort onderzoek, noch in bevoegdheid voor de Commissie om verbintenisfacturen ongeldig te verklaren, volgt dat deze praktijk onwettig is (zie ook punt 90 hierboven). De Raad voegt hieraan toe dat het begrip „verbintenisfacturen”, als middel om de aanvaarde verbintenissen te beheren, in de besluitvormingspraktijk van de Unie is ontwikkeld.

122    Volgens de Raad was het, omdat het onderzoek reeds was afgerond en de definitieve rechten waren vastgesteld, niettegenstaande de gelijktijdige aanvaarding van de Commissie van de verbintenissen van verzoekster en van andere Chinese exportondernemingen, in casu mogelijk noch nodig om tot de instelling van voorlopige en definitieve rechten of tot de registratie van de geïmporteerde producten over te gaan. De Raad betoogt dat de voorlopige rechten slechts een voorbode voor de definitieve rechten vormden. Volgens de Commissie was het in casu niet mogelijk de klok terug te draaien, had registratie geen enkele zin en ontbeerden de voorlopige rechten elke relevantie, aangezien zij door de definitieve rechten waren vervangen. De Raad voert aan dat de door de Commissie gevolgde procedure een bijzondere procedure was, die deel uitmaakt van de vaste praktijk van de instellingen van de Unie binnen een vergelijkbare context.

123    Volgens de Raad moest in het onderhavige geval worden nagegaan om welke verbintenisfacturen het ging en moesten, na de ongeldigverklaring hiervan, de verschuldigde compenserende en antidumpingrechten – die enkel waren geschorst – worden toegepast. De Raad verwijst voorts naar het arrest van 21 februari 1984, Allied Corporation e.a./Commissie (239/82 en 275/82, EU:C:1984:68, punt 21). Hij wijst erop dat de verbintenisfacturen hetzelfde doel dienden als de invoerregistraties, te weten het traceerbaar maken van deze invoer.

124    De Commissie en de Raad benadrukken dat het betoog van verzoekster in werkelijkheid erop gericht is een onderneming, bij gebreke van precieze regels ter zake, in staat te stellen te profiteren van een situatie waarin zij, ondanks dat zij door de Commissie aanvaarde verbintenissen was aangegaan, deze verbintenissen in beginsel ongestraft kon schenden met betrekking tot situaties die zich reeds hebben voorgedaan.

125    Verzoekster meent dat de intrekking van de aanvaarding van een verbintenis op zich een afdoende sanctie vormt, aangezien het vervolgens voor de marktdeelnemer veel moeilijker wordt om zijn goederen op rendabele wijze op de Uniemarkt af te zetten.

126    De Raad en de Commissie betogen dat, anders dan verzoekster stelt, artikel 14, lid 1, van de basisantidumpingverordening en artikel 24, lid 1, van de basisantisubsidievordening aldus kunnen worden uitgelegd dat deze het aan de instellingen overlaten om nalevingsvereisten voor de verbintenissen op te leggen en daarvoor procedures vast te stellen. Deze instellingen benadrukken dat die artikelen, met het opschrift „Algemene bepalingen”, bepalen dat voorlopige of definitieve compenserende rechten bij verordening worden ingesteld en door de lidstaten worden geïnd in de vorm en voor het bedrag als in die verordening vermeld en met inachtneming van de andere daarin vermelde criteria.

127    De Raad en de Commissie wijzen er met name op dat de in punt 126 hierboven aangehaalde bepalingen verwijzen naar „andere criteria”, waaronder de mogelijkheid om door middel van verbintenisfacturen toezicht op de naleving van een verbintenis te houden. Bijgevolg kan hieruit kunnen worden afgeleid dat de instellingen over de bevoegdheid beschikken om verbintenisfacturen ongeldig te verklaren en de douaneautoriteiten opdracht te geven tot inning van de rechten „over de betrokken invoer”. Derhalve moet worden onderzocht of die bepalingen een toereikende rechtsgrond vormden voor de vaststelling van artikel 2 van de bestreden verordening.

128    Te dien aanzien dient vooraf te worden opgemerkt dat het Hof in punt 58 van het arrest van 15 maart 2018, Deichmann (C‑256/16, EU:C:2018:187), waarnaar de Commissie tijdens de terechtzitting heeft verwezen, reeds heeft geoordeeld dat uit de formulering van artikel 14, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1225/2009 blijkt dat de wetgever niet de bedoeling had de criteria voor de inning van antidumpingrechten limitatief te bepalen, maar de vaststelling ervan aan de Commissie wilde overlaten.

129    Het arrest van 15 maart 2018, Deichmann (C‑256/16, EU:C:2018:187), had betrekking op een verordening van de Commissie waarvan artikel 1 voorzag in bevelen om de inning van de bij de definitieve verordening en de verlengingsverordening ingestelde antidumpingrechten te waarborgen door de nationale douaneautoriteiten te verplichten te wachten totdat de Commissie, in uitvoering van een arrest van het Hof, de tarieven had vastgesteld waartegen die rechten hadden moeten worden geheven en waarmee de oorspronkelijk vastgestelde tarieven kwamen te vervallen. Het bevel bestond er aldus in wezen in dat de nationale douaneautoriteiten moesten wachten tot bekend was welke rechten werkelijk verschuldigd waren, alvorens de terugbetalingsverzoeken van de marktdeelnemers die deze rechten hadden betaald in behandeling te kunnen nemen. Derhalve had de situatie in de aangehaalde zaak betrekking op de vraag wat het bedrag was van de oorspronkelijk door de partijen betaalde rechten die door de douaneautoriteiten aan deze partijen dienden te worden terugbetaald.

130    Anders dan in de situatie die aan de orde was in het arrest van 15 maart 2018, Deichmann (C‑256/16, EU:C:2018:187), zijn op de in casu opgeworpen vraag – namelijk of de temporele heffing van antidumpingrechten die verschuldigd zouden zijn geweest indien er geen sprake was van een intussen geschonden of ingetrokken verbintenis – echter de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 8, lid 10, en artikel 10, lid 5, van de basisantidumpingverordening en die van artikel 13, lid 10, en artikel 16, lid 5, van de basisantisubsidieverordening van toepassing. Aldus dient aan de hand van deze uitdrukkelijke bepalingen te worden beoordeeld of het optreden van de Commissie – in de specifieke context van de gevolgen die uit een intrekking van een aanvaarding van een verbintenis moeten worden getrokken – in het onderhavige geval op een door de wetgever vastgestelde rechtsgrond berustte dan wel daarvan is afgeweken.

131    In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen en de doelstellingen ervan, maar ook met de context ervan en met het Unierecht in zijn geheel [zie arrest van 8 juli 2019, Commissie/België (Artikel 260, lid 3, VWEU – Netwerken met hoge snelheid), C‑543/17, EU:C:2019:573, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Voorts dient bij de beoordeling of een bepaling terugwerkende kracht heeft, duidelijk uit deze bepaling te blijken dat daaraan zulke gevolgen dienen te worden toegekend (zie naar analogie arrest van 24 september 2002, Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, C‑74/00 P en C‑75/00 P, EU:C:2002:524, punt 119).

132    Uit verschillende overwegingen van de basisverordeningen blijkt dat het in de bedoeling van de wetgever lag om de gevolgen van de schending of van de intrekking van verbintenissen te regelen door te bepalen op welke wijze de verschuldigde rechten, bij gebreke van verbintenissen, met terugwerkende kracht konden worden geheven.

133    Zo luidt overweging 14 van de basisantidumpingverordening als volgt:

„Het is noodzakelijk procedures vast te stellen voor de aanvaarding van verbintenissen die een einde maken aan dumping en schade in plaats van de instelling van voorlopige of definitieve rechten. Het is tevens wenselijk aan te geven, welke consequenties aan de schending of de opzegging van een verbintenis zijn verbonden en te bepalen dat voorlopige rechten kunnen worden ingesteld wanneer het vermoeden bestaat dat een verbintenis wordt geschonden of wanneer nader onderzoek noodzakelijk is om aanvullende gegevens te verzamelen. Bij de aanvaarding van verbintenissen moet erop worden toegezien dat de voorgestelde verbintenissen en de naleving daarvan niet in strijd met de mededinging zijn.”

134    De inhoud van overweging 12 van de basisantisubsidieverordening komt hiermee overeen.

135    Bovendien wordt in overweging 17 van de basisantidumpingverordening het volgende bepaald:

„Het is noodzakelijk te voorzien in de inning van voorlopige rechten met terugwerkende kracht, indien nodig, en de omstandigheden te bepalen die aanleiding geven tot de toepassing van rechten met terugwerkende kracht, teneinde de ondermijning van de definitief te nemen maatregelen te vermijden. Het is bovendien noodzakelijk te bepalen dat in geval van schending of intrekking van verbintenissen eveneens rechten met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast.”

136    Overweging 16 van de basisantisubsidieverordening is hieraan gelijk.

137    Gelet op de strekking en het doel van de in herinnering geroepen basisverordeningen, waaruit ten eerste blijkt dat de wetgever de bedoeling had om regels vast te stellen met betrekking tot de procedures die kunnen worden gebruikt voor het bepalen van de gevolgen van de intrekking van een aanvaarding van een verbintenis door de Commissie en, ten tweede, dat hij dit voornemen ten uitvoer heeft gelegd door middel van de hierboven in de punten 69 en 70 aangehaalde bepalingen, dient de door de Commissie en de Raad voorgestelde uitlegging te worden afgewezen dat uit de verwijzing in artikel 14, lid 1, van de basisantidumpingverordening en in artikel 24, lid 1, van de basisantisubsidieverordening naar „andere criteria” voor de inning van rechten, moet worden afgeleid dat de instellingen van de Unie die met de uitvoering van de basisverordeningen belast zijn, bevoegd zijn om bij de uitoefening van die uitvoeringsbevoegdheid te eisen dat de betrokken ondernemingen alle rechten betalen die verschuldigd zijn voor de transacties waarop de verbintenisfacturen, die intussen ongeldig zijn verklaard, betrekking hebben.

138    Deze conclusie gaat ook op voor de redenering van de Commissie en de Raad dat een dergelijke bevoegdheid kan worden afgeleid uit de bewoordingen van artikel 8, lid 9, van de basisantidumpingverordening en artikel 13, lid 9, van de basisantisubsidieverordening, volgens welke de rechten na de intrekking van de aanvaarding van een verbintenis automatisch van toepassing zijn. Er zij namelijk op gewezen dat een dergelijke automatische toepassing uitdrukkelijk gebonden is aan de grenzen van artikel 8, lid 10, en artikel 10, lid 5, van de basisantidumpingverordening, alsook aan die van artikel 13, lid 10, en artikel 16, lid 5, van de basisantisubsidieverordening.

139    De voorgaande conclusie kan door geen van de overige door de Commissie en de Raad aangevoerde argumenten worden ontkracht.

140    Ten eerste houden de door de Raad aangevoerde, in de punten 122 en 123 hierboven in herinnering geroepen, argumenten in wezen in dat op grond van artikel 8, lid 10, van de basisantidumpingverordening en artikel 13, lid 10, van de basisantisubsidieverordening – indien er redenen zijn om aan te nemen dat een verbintenis wordt geschonden – geen voorlopige rechten kunnen worden geïnd, wanneer er reeds een besluit tot instelling van definitieve rechten is genomen. Voorts stelt de Raad dat de gebruikmaking van verbintenisfacturen vergelijkbaar is met registratie van de invoer in de zin van artikel 14, lid 5, van de basisantidumpingverordening. Hieruit volgt volgens de Raad dat de bovengenoemde bepalingen hetzij niet op de feiten in het onderhavige geval van toepassing zijn, hetzij de praktijk van verbintenisfacturen bevestigen.

141    In dit verband dient ten aanzien van het eerste argument – volgens hetwelk het in het onderhavige geval onmogelijk is om voorlopige rechten toe te passen omdat er reeds definitieve rechten zijn ingesteld – te worden opgemerkt dat dit, zelfs indien het gegrond zou zijn, geen afbreuk kan doen aan de gevolgtrekking dat de basisverordeningen voorzien in duidelijk afgebakende gevallen waarin de verschuldigde rechten in geval van schending van verbintenissen met terugwerkende kracht kunnen worden ingesteld. Voorts voert verzoekster terecht aan dat artikel 8, lid 10, van de basisantidumpingverordening en artikel 13, lid 10, van de basisantisubsidieverordening op twee verschillende situaties zien. Enkel de tweede situatie veronderstelt dat „het onderzoek dat aanleiding tot de verbintenis heeft gegeven” niet is voltooid en dat er derhalve geen definitieve rechten zijn ingesteld.

142    Wat vervolgens de vermeende gelijkstelling van verbintenisfacturen aan registratie van de invoer in de zin van artikel 14, lid 5, van de basisantidumpingverordening betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat deze bepalingen de maatregelen tot verplichte registratie van de invoer tot een periode van negen maanden beperken. Zelfs indien registratie in de zin van artikel 14, lid 5, van de basisantidumpingverordening zou kunnen worden gelijkgesteld met de opstelling van een verbintenisfactuur, dan nog zou de tijdelijke duur van de ongeldigverklaring van de verbintenisfacturen waartoe op grond van de bestreden bepalingen is besloten, de door de basisantidumpingverordening opgelegde limieten overschrijden.

143    Voorts dient met betrekking tot de verwijzing van de Commissie naar het arrest van 21 februari 1984, Allied Corporation e.a./Commissie (239/82 en 275/82, EU:C:1984:68, punt 21), te worden opgemerkt dat dit arrest geen invloed heeft op het bestaan van de bevoegdheid van de Commissie om, bij de intrekking van de aanvaarding van een verbintenis, maatregelen met terugwerkende kracht te nemen en, in het bijzonder, de douaneautoriteiten opdracht te geven de oorspronkelijk verschuldigde definitieve compenserende en antidumpingrechten te innen. Genoemd arrest betreft namelijk een zaak waarin de Commissie, naar aanleiding van de opzegging van een verbintenis, ten spoedigste „voorlopige” maatregelen moest treffen omdat haars inziens het belang van de Unie om onverwijld ingrijpen vroeg. Gepreciseerd werd dat de Commissie in dergelijke omstandigheden „de beschikbare gegevens” diende te gebruiken. In punt 21 van genoemd arrest wordt onder meer vermeld dat waar het enkele feit dat men zich aldus verbindt de veronderstelling wettigt dat er werkelijk wordt gedumpt, het niet aangaat van de Commissie te verlangen dat zij tot een nieuw onderzoek overgaat op het ogenblik waarop zulk een verbintenis wordt opgezegd.

144    Ten tweede dienen de verwijzingen van de Raad naar de overwegingen 18 en 19 van verordening nr. 461/2004 (zie punt 104 hierboven) te worden verworpen omdat zij in casu niet doorslaggevend zijn. De door de Raad aangehaalde overwegingen hebben namelijk geen betrekking op de toepassing met terugwerkende kracht van de rechten die bij gebreke van een intussen ingetrokken of geschonden verbintenis verschuldigd zouden zijn geweest.

145    Ten derde dient wat betreft de verwijzingen van de Commissie naar bepaalde omstandigheden of naar andere arresten op het gebied van douanerechten betreffende de door een importeur bij inklaring overgelegde niet-ondertekende facturen of betreffende situaties waarin bij een controle achteraf bleek dat ten onrechte een preferentieel tarief was toegepast (zie punt 109 hierboven), te worden vastgesteld dat het doel en de opzet van de basisverordeningen een redenering naar analogie met de uitvoering van de douanewetgeving in de weg staan.

146    Ten vierde vermeldt de Commissie in de punten 49 en volgende van haar verweerschrift – teneinde te betogen dat de rechtsregel in casu bijzonder duidelijk was – dat besluit 2013/423, met name in de overwegingen 14 en 15 daarvan, bepalingen bevatte die waarschuwden voor de gevolgen van de schending van verbintenissen. De Commissie en de Raad verwijzen ook naar meerdere voorgaande zaken waaruit zou blijken dat de verplichting om verbintenisfacturen over te leggen en de mogelijkheid dat deze ongeldig zouden worden verklaard, niet nieuw waren en dat het optreden van de Commissie in het onderhavige geval evenmin een wijziging vormde van een reeds bestaande institutionele „praktijk”.

147    De vraag hoelang de door de Commissie en de Raad genoemde praktijk reeds bestond, doet, net als de omstandigheid dat verzoekster hiervan op de hoogte was, evenwel niets af aan het feit dat er voor deze praktijk geen rechtsgrond bestaat.

148    Voorts behoeft er, aangezien de oplossing van het onderhavige geding evenmin is gebaseerd op de argumenten van verzoekster betreffende het bestaan van een vermeende eerdere praktijk van vrijstelling van compenserende of antidumpingrechten voor invoer die plaatsvond vóór de intrekking van de aanvaarding van een verbintenis, geen uitspraak te worden gedaan over de in dit verband door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid (zie punt 84 hierboven). Die exceptie dient hoe dan ook te worden afgewezen op grond dat de bewijsvoering ten aanzien van een vermeend feit ter ondersteuning van een verzoek niet raakt aan de ontvankelijkheid van dat verzoek, maar aan de gegrondheid ervan (zie naar analogie beschikking van 27 april 2017, CJ/ECDC, T‑696/16 REV en T‑697/16 REV, niet gepubliceerd, EU:T:2017:318, punt 39). Voorts verdient het vermelding dat uit de bewoordingen van artikel 76, onder f), van het Reglement voor de procesvoering, en meer bepaald uit de uitdrukking „zo nodig”, blijkt dat het verzoekschrift niet noodzakelijkerwijs bewijsaanbiedingen behoeft te bevatten. De enige sanctie op het gebied van bewijsaanbiedingen is dat zij als tardief worden verworpen wanneer dit bewijs voor het eerst en zonder rechtvaardigingsgronden in repliek of dupliek wordt aangeboden of, bij wijze van uitzondering, voordat de mondelinge behandeling is gesloten of voordat het Gerecht beslist om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen (artikel 85, leden 2 en 3, van het Reglement voor de procesvoering) (zie in die zin arrest van 3 februari 2005, Chiquita Brands e.a./Commissie, T‑19/01, EU:T:2005:31, punt 71).

149    Ten vijfde betoogt de Commissie dat zij beoogde de doeltreffendheid van de verbintenissen te vergroten, de bevoegdheid van de nationale douaneautoriteiten aan te vullen en ervoor te zorgen dat verzoekster de controles achteraf door de genoemde douaneautoriteiten niet kon omzeilen, aangezien werd vastgesteld dat verzoekster de onder de verbintenis vallende producten verkocht via verbonden importeurs in de Unie die geen partij bij de verbintenis waren, dat wil zeggen via een verkoopkanaal dat niet door de overeenkomst was toegestaan.

150    Vooraf dient te worden opgemerkt dat verzoekster, in de punten 31 tot en met 37 van de repliek, heeft gereageerd op de beweringen van de Commissie betreffende de verdeling van de bevoegdheden tussen de nationale douaneautoriteiten en de instellingen van de Unie in de onderhavige context (zie punt 72 hierboven). De Commissie heeft in de dupliek beweerd dat de in de repliek aangevoerde argumenten nieuw en bijgevolg niet-ontvankelijk waren. Ter terechtzitting heeft zij evenwel de mogelijkheid opengelaten dat verzoekster zich in werkelijkheid had beperkt tot het verstrekken van feitelijke elementen. Aangezien verzoekster in dit verband heeft gepreciseerd dat zij niet voornemens was een nieuw middel op grond van het douanewetboek van de Unie op te werpen, moet worden geoordeeld dat de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid niet langer relevant is.

151    Wat de bewering van de Commissie betreft, moet worden vastgesteld dat, zoals verzoekster aanvoert, de intrekking van de aanvaarding van de verbintenissen als zodanig reeds negatieve gevolgen heeft voor de marktdeelnemer die deze is aangegaan, en een zware sanctie vormt (zie punt 125 hierboven). Bovendien gaat het hier, in tegenstelling tot hetgeen de Commissie en de Raad beweren, niet om een situatie waarin de marktdeelnemer die zijn verbintenissen heeft geschonden ongestraft blijft of vrijelijk profijt uit een dergelijk optreden kan trekken. Het is immers van belang te benadrukken dat niet elke inning van antidumping- of antisubsidierechten verboden is, maar dat de instellingen van de Unie hierbij rekening moeten houden met de beperkingen die in dit verband zijn vastgelegd in de basisantidumpingverordening en de basisantisubsidieverordening.

152    Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de basisverordeningen geen toereikende rechtsgrond voor de vaststelling van de bestreden bepalingen kunnen vormen.

 Exceptie van onwettigheid

153    Er dient nog te worden onderzocht of, ondanks dat de basisverordeningen geen toereikende rechtsgronden bevatten, een rechtsgrond voor de bestreden bepalingen kan worden gevonden in artikel 3, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013.

154    Verzoekster baseert haar beroep wat dat betreft ook op een exceptie van onwettigheid met betrekking tot artikel 3, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013, wegens schending van artikel 8 en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 1225/2009 alsook van artikel 13 en artikel 16, lid 5, van verordening nr. 597/2009, zoals deze luidden ten tijde van de vaststelling van uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013.

155    Artikel 3, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 bevatten een formulering die de Commissie de bevoegdheid geeft transacties vast te stellen waarvoor „op het ogenblik van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld ontstaat” wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 9, van verordening nr. 1225/2009 of artikel 13, lid 9, van verordening nr. 597/2009 haar aanvaarding van de prijsverbintenis intrekt bij een verordening of een besluit waarin naar specifieke transacties wordt verwezen en de betrokken verbintenisfacturen ongeldig worden verklaard.

156    Verzoekster stelt in wezen dat de Raad, doordat hij optrad als uitvoerende autoriteit en niet als wetgever, niet aan de Commissie de bevoegdheid kon delegeren om de verbintenisfacturen ongeldig te verklaren door eenvoudigweg de aanvaarding van een verbintenis in te trekken, noch de douaneautoriteiten opdracht kon geven de rechten te innen op goederen die op het grondgebied van de Unie reeds in het vrije verkeer waren gebracht. Dit argument dient dus in die zin te worden uitgelegd, dat het in het bijzonder betrekking heeft op artikel 3, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013.

157    Om vergelijkbare redenen als uiteengezet in de punten 128 tot en met 140 hierboven betreffende de algemene opzet van de basisantidumpingverordening en de basisantisubsidieverordening, dient de door verzoekster opgeworpen exceptie van onwettigheid met betrekking tot artikel 3, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 te worden aanvaard. Deze bepalingen vallen namelijk ten eerste niet onder de in artikel 8 en artikel 10, lid 5, van verordening nr. 1225/2009 en in artikel 13 en artikel 16, lid 5, van verordening nr. 597/2009 – zoals geldend ten tijde van de vaststelling van uitvoeringsverordeningen nr. 1238/2013 en nr. 1239/2013 – opgenomen hypothesen, en zijn hiermee niet in overeenstemming. Ten tweede blijkt ook uit de algemene opzet van verordeningen nr. 1225/2009 en nr. 597/2009 niet dat de Raad de Commissie door middel van een uitvoeringsverordening kon machtigen om vast te stellen dat naar aanleiding van een intrekking van haar aanvaarding van een verbintenis en de ongeldigverklaring van de desbetreffende facturen, „op het ogenblik van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld [zou ontstaan] [...]”.

158    Derhalve moet worden geconcludeerd dat artikel 3, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en artikel 2, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 niet van toepassing zijn op dit geval.

 Bijlage C.3 bij de repliek

159    Gelet op het voorgaande behoeft niet te worden ingegaan op de ontvankelijkheid van bijlage C.3 bij de repliek. Los van de vraag of het document in kwestie, getiteld „Monitoring of Undertaking – Finding following the verification visit”, waarvan de aanhef naar het directoraat-generaal Handel van de Commissie verwijst, in het bezit had kunnen zijn van de advocaat van verzoekster en in het onderhavige geval had kunnen worden gebruikt, moet namelijk worden geconcludeerd dat dit hoogstens een voorbeeld betreft van een bestuurlijke aanpak die de Commissie in een specifiek geval had gevolgd, waarbij bovendien niet is gebleken dat dat geval werd gekenmerkt door dezelfde omstandigheden als het onderhavige geval. Hieruit blijkt in wezen dat de Commissie, nadat zij had vastgesteld dat een specifieke verbintenis was geschonden, niettemin van mening was dat er geen actie moest worden ondernomen. De beslissing in de onderhavige zaak berust evenwel niet op de vergelijking van de verschillende benaderingen die de Commissie in haar eerdere praktijk heeft gevolgd wanneer de betrokken marktdeelnemers verbintenissen hadden geschonden.

 Conclusie

160    Gelet op het voorgaande dient het enige middel van verzoekster te worden aanvaard en dienen de bestreden bepalingen bijgevolg nietig te worden verklaard.

 Kosten

161    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement dragen de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.

162    Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig verzoeksters vordering te worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van verzoekster. De Raad zal zijn eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Vierde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Artikel 2 van uitvoeringsverordening (EU) 2016/2146 van de Commissie van 7 december 2016 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor twee producenten-exporteurs op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707/EU tot bevestiging van de aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China voor de periode waarin de definitieve maatregelen worden toegepast, wordt nietig verklaard, voor zover deze bepaling betrekking heeft op Jiangsu Seraphim Solar System Co. Ltd.

2)      De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van Jiangsu Seraphim Solar System.

3)      De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten.

Kanninen

Schwarcz

Iliopoulos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 juli 2020.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.