Language of document : ECLI:EU:C:2021:561

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA

van 8 juli 2021 (1)

Zaak C289/20

IB

tegen

FA

[verzoek van de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Internationale rechterlijke bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Begrip ‚gewone verblijfplaats’”






1.        Aan het einde van de 20e eeuw heeft de Europese Unie in het kader van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – zoals eerst tot stand gebracht door het Verdrag van Maastricht(2) en vervolgens door het Verdrag van Amsterdam(3) – de problematiek van het familierecht gelieerd aan het verschijnsel van integratie onder de loep genomen.

2.        Op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid in huwelijkszaken is na een eerste verdrag dat nooit in werking is getreden(4) verordening (EG) nr. 1347/2000(5) vastgesteld. Deze verordening is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 2201/2003(6), die thans het van kracht zijnde instrument is(7).

3.        Het Hof heeft artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 uitgelegd naar aanleiding van verscheidene verzoeken om een prejudiciële beslissing.(8) Tenzij ik mij vergis, had geen van deze verzoeken betrekking op de gevolgen die er voor de uitlegging van dit artikel zouden zijn indien zou worden toegestaan dat een van de echtgenoten (of beiden) in twee of meer lidstaten zijn (hun) „gewone verblijfplaats” heeft (hebben).

4.        Dit verzoek om een prejudiciële beslissing zal het Hof dus in de gelegenheid stellen een vraag te behandelen die reeds op andere gebieden(9) is opgeworpen, maar op dit gebied nog niet is beslecht. Voor de beantwoording van deze vraag moet eerst het begrip „gewone verblijfplaats” worden afgebakend, wanneer het wordt gebruikt om de internationale rechterlijke bevoegdheid te bepalen in geschillen ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk.

I.      Toepasselijke bepalingen – Verordening nr. 2201/2003

5.        Overweging 1 luidt als volgt:

„De Europese [Unie] heeft zich tot doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Te dien einde moet de [Unie] met name de maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken aannemen, die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt.”

6.        Overweging 8 luidt:

„Wat betreft beslissingen betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, mag deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op de ontbinding van de huwelijksband, met terzijdestelling van kwesties zoals de echtscheidingsgronden, de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk of andere bijkomende maatregelen.”

7.        In artikel 3 is bepaald:

„1.      Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:

a)      op het grondgebied waarvan:

–        de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of

–        zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of

–        de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of

–        in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of

–        zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of

–        zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn ,domicile’ (woonplaats) heeft;

b)      waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun ‚domicile’ (woonplaats) hebben.

[…]”

II.    Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag

8.        FA, van Ierse nationaliteit, en IB, van Franse nationaliteit, zijn in 1994 in Ierland gehuwd. Zij hebben drie meerderjarige kinderen.

9.        Op 28 december 2018 heeft IB een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk).

10.      Bij beschikking van 11 juli 2019 heeft de familierechter bij de tribunal de grande instance de Paris de Franse rechter onbevoegd verklaard om over de echtscheiding te beslissen. Hij baseerde zijn uitspraak op de volgende feiten:

–        De gezinswoning bevond zich in Ierland, waar het gezin zich in 1999 had gevestigd en een pand had gekocht dat de echtelijke woning vormde; ook hun kinderen woonden in Ierland en volgden er onderwijs.

–        Er was voorheen geen sprake van dat de echtgenoten uit elkaar zouden gaan en er was geen enkele aanwijzing voor een gemeenschappelijke wens van de echtgenoten om hun woonplaats naar Frankrijk te verplaatsen.

–        Uit tal van gegevens bleken daarentegen de persoonlijke en gezinsbanden van IB met Ierland, waarheen hij elk weekend terugkeerde om zich bij zijn echtgenote en kinderen te voegen en om op regelmatige basis sport- en andere vrijetijdsactiviteiten te verrichten.

–        In de zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek (dus na 27 juni 2018) heeft zich geen enkele wijziging in de levensstijl van IB voorgedaan waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij niet langer zijn verblijfplaats in Ierland had. Integendeel, hij is in dit land hetzelfde gezinsleven blijven leiden tot en met de kerstvakantie van 2018, die hij met zijn echtgenote en kinderen heeft doorgebracht in de gezinswoning.

–        Die banden van IB met Ierland sluiten echter niet uit dat hij tevens banden had met Frankrijk, het land waarheen hij sinds 2017 elke week terugkeerde voor zijn werk. IB had feitelijk twee verblijfplaatsen: terwijl hij doordeweeks in Parijs verbleef voor zijn werk, bracht hij de rest van zijn tijd bij zijn echtgenote en kinderen in Ierland door.

11.      IB heeft tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk), waarbij hij verzocht om vernietiging van die beschikking en om vaststelling dat de Franse rechter territoriaal bevoegd is om over de echtscheiding te beslissen. Met name bestreed IB dat hij niet de intentie zou hebben gehad om in Frankrijk „het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen”.

12.      FA heeft de cour d’appel de Paris verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

13.      Volgens de cour d’appel de Paris had IB ten minste zes maanden voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek tot echtscheiding een vaste en permanente verblijfplaats gevestigd in Frankrijk, zonder evenwel zijn verblijfplaats in Ierland te verliezen, waar hij nog steeds gezinsbanden had en waar hij net zo regelmatig als voorheen verbleef om redenen van persoonlijke aard.

14.      Deze rechter is bijgevolg van oordeel dat IB in Frankrijk een verblijfplaats heeft die een voldoende vast en permanent karakter heeft om als gewone verblijfplaats te worden aangemerkt, én tegelijkertijd een verblijfplaats met dezelfde kenmerken in Ierland heeft.

15.      Daaruit leidt deze rechter af dat de Franse en de Ierse rechter overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 gelijkelijk bevoegd zouden kunnen zijn ter zake van de echtscheiding.

16.      De cour d’appel de Paris is dan ook van oordeel dat de uitlegging van het begrip „gewone verblijfplaats” onontbeerlijk is en verzoekt het Hof derhalve om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Wanneer, zoals in casu, uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat een van de echtgenoten zijn leven verdeelt tussen twee lidstaten, kan dan voor de toepassing van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 worden aangenomen dat die echtgenoot zijn gewone verblijfplaats in de zin van dit artikel in twee lidstaten heeft, zodat wanneer aan de in dit artikel geformuleerde voorwaarden is voldaan in twee lidstaten, de gerechten van die twee staten gelijkelijk bevoegd zijn om over de echtscheiding te beslissen?”

III. Procedure bij het Hof

17.      Het verzoek om een prejudiciële beslissing is bij de griffie van het Hof ingekomen op 30 juni 2020.

18.      FA, de Duitse, de Franse, de Ierse en de Portugese regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

19.      Op 17 februari 2021 heeft IB een met redenen omkleed verzoek om een pleitzitting ingediend. Hij stemde er echter mee in dat, gezien de gezondheidscrisis, de pleitzitting door schriftelijke opmerkingen zou worden vervangen, hetgeen aldus werd besloten. Naast IB hebben de Franse en de Ierse regering alsmede de Commissie schriftelijke opmerkingen ter vervanging van de pleitzitting ingediend.

IV.    Beoordeling

A.      Voorafgaande opmerkingen

20.      Uitgangspunt van de prejudiciële vraag is dat een persoon „zijn leven verdeelt tussen twee lidstaten”.(10) De verwijzende rechter wenst te vernemen welke invloed deze factor heeft op de vaststelling welke rechterlijke instantie bevoegd is om over een verzoek tot echtscheiding te beslissen.

21.      De beantwoording van de vraag vereist dat een standpunt wordt ingenomen over wat moet worden verstaan onder de „gewone verblijfplaats” van een volwassene in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003. Indien zou worden bevestigd dat IB zijn gewone verblijfplaats in de zin van deze bepaling in twee lidstaten kan hebben, zou moeten worden onderzocht of de rechterlijke instanties van beide lidstaten gelijkelijk bevoegd zijn om over de echtscheiding te beslissen.

22.      Om de toepasselijke regel beter te begrijpen, zal ik eerst ingaan op de voorgeschiedenis ervan.

23.      Verordening nr. 2201/2003 regelt de internationale rechterlijke bevoegdheid in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, alsmede de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en de samenwerking tussen autoriteiten voor alle lidstaten van de Unie, met uitzondering van Denemarken.

24.      Dit is niet het eerste instrument op dit gebied. Zoals ik reeds heb vermeld, is in 1998 een verdrag gesloten dat dezelfde materie regelt (maar beperkter is wat de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft). Het ging vergezeld van een toelichtend verslag waarin de bestaansreden van de regels werd toegelicht.(11)

25.      Het verdrag van 1998 is niet in werking getreden. Aangezien de toenmalige Gemeenschap kort daarna de bevoegdheid verwierf op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, werden de bepalingen ervan opgenomen in verordening nr. 1347/2000, in overweging 6 waarvan wordt verklaard dat de continuïteit tussen instrumenten moet worden gewaarborgd.

26.      Drie jaar later werd verordening nr. 1347/2000 vervangen door verordening nr. 2201/2003, waarbij de werkingssfeer werd uitgebreid tot procedures en beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid die geen verband houden met procedures in huwelijkszaken. De regels inzake de internationale rechterlijke bevoegdheid voor geschillen ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk werden in die verordening evenwel ongewijzigd gelaten.

27.      Verordening nr. 2201/2003 treedt op 1 augustus 2022 buiten werking en wordt vervangen door verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019(12), die tot doel heeft om tekortkomingen te verhelpen bij de toepassing van eerstgenoemde verordening in procedures waarbij een kind betrokken is. De regels inzake internationale rechterlijke bevoegdheid met betrekking tot huwelijkscrisissen blijven ongewijzigd.

28.      Doordat de bevoegdheidsregels inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk in de opeenvolgende instrumenten identiek zijn en daarenboven niet worden toegelicht in verordening nr. 2201/2003, vormen de eerdere instrumenten (en derhalve met name het verslag-Borrás) het centrale, maar niet het enige element voor de uitlegging van het begrip „gewone verblijfplaats” dat wordt gebruikt in artikel 3 van die verordening.(13)

B.      „Gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003

29.      Artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 maakt deel uit van een instrument dat dient om binnen het eigenlijke toepassingsgebied ervan het vrije verkeer van personen in de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te waarborgen.(14)

30.      Een juist begrip van het vrije verkeer brengt mee dat de lidstaten zich ervan moeten onthouden directe beperkingen op te leggen ten aanzien van de uitoefening van het vrije verkeer en belemmeringen op te werpen die indirect een soortgelijk afschrikkend effect hebben.

31.      De verschillen tussen de lidstaten op het gebied van het familierecht of de moeilijkheden die een persoon ondervindt om zijn burgerlijke staat te doen erkennen buiten de lidstaat waar hij is gevestigd, kunnen een dergelijk afschrikkend effect hebben.

32.      De Europese wetgever was zich bewust van deze realiteit en heeft derhalve een eenvormig regelgevingskader ingevoerd om de toegang tot de rechterlijke instanties van de lidstaten en de wederzijdse erkenning van beslissingen te vergemakkelijken in geschillen ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk waarin er sprake is van een internationaal aspect.(15)

33.      In artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 wordt herhaaldelijk naar de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten of van beide echtgenoten verwezen om te verduidelijken welke rechterlijke instanties bevoegd zijn om dergelijke geschillen te beslechten.

1.      Autonome uitlegging

a)      Benadering van het begrip „gewone verblijfplaats” in andere wetteksten

1)      Algemeen

34.      Naar het voorbeeld van enkele multilaterale internationale verdragen(16) wordt in verschillende instrumenten van de Unie voor justitiële samenwerking in zaken van familierecht de gewone verblijfplaats van de betrokken partij(en) gehanteerd als criterium voor de bepaling van de internationale rechterlijke bevoegdheid (direct of in het kader van de erkenning van beslissingen) en als aanknopingspunt voor de conflictregels(17).

35.      De gewone verblijfplaats is ook een vaak voorkomend criterium in andere domeinen van het Unierecht(18) en in internationale verdragen(19). Een gemeenschappelijke tendens in de desbetreffende teksten is dat dit begrip gewoonlijk niet wordt gedefinieerd of dat er met het oog op de uitlegging ervan niet wordt verwezen naar het recht van de lidstaten (of verdragsluitende staten).(20)

36.      In het normale taalgebruik betekent de uitdrukking „gewone verblijfplaats” een regelmatige of bestendige verblijfplaats op een bepaalde plaats. Het gebruik ervan in een juridische context vereist echter meer dan een uitlegging die beperkt is tot de normale betekenis van het begrip.(21)

37.      Uit de preambules, de toelichtende verslagen, de voorstukken en de rechtspraak van het Hof blijkt de tendens om de gewone verblijfplaats aan te wijzen als het „centrum van de belangen” van de betrokkene. Om dat centrum van de belangen vast te stellen, moeten in abstracto bepaalde aanknopingspunten worden samengebracht en moeten deze aanknopingspunten in concreto aan de omstandigheden van elk geval worden getoetst.(22)

38.      De aard van de belangen en de relevante aspecten en aanwijzingen (kortom, de aanknopingspunten) die bepalend zijn voor de gewone verblijfplaats van een persoon, zullen blijken uit de context van de bepaling waarin dat criterium voor de verlening van bevoegdheid is opgenomen. Voorts moet aandacht worden besteed aan het doel van de bepaling, alsmede aan de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

39.      Het begrip „gewone verblijfplaats” en de uitlegging ervan in het kader van verordening nr. 2201/2003 zijn autonoom, zoals het Hof bij herhaling heeft vastgesteld.(23) De context en het doel van de bepalingen van deze verordening zullen dus doorslaggevend zijn voor de mate waarin analogieën en extrapolaties tussen rechtsgebieden kunnen worden gebruikt.(24)

2)      Op andere gebieden van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken

i)      Gewone verblijfplaats van het kind

40.      Het Hof stelt de gewone verblijfplaats van kinderen in geschillen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid gelijk met het centrum van hun levensbelangen, dat het bepaalt door aanwijzingen samen te brengen die:

–        worden geselecteerd vanwege hun geschiktheid of hun overeenstemming met de context van de regel waarin het criterium(25) is vervat, en met de doelstellingen van verordening nr. 2201/2003, die zijn gebaseerd op het belang van het kind(26), en

–        worden gehanteerd (en gewogen) met inachtneming van alle omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.(27)

41.      Het Hof sluit echter uit dat de definities of de uitleggingen van dit begrip in andere domeinen van het Unierecht (met name op het gebied van de sociale zekerheid en het ambtenarenrecht) zonder meer kunnen worden overgenomen. Juist omdat de context verschillend is, kunnen zij „niet rechtstreeks worden toegepast in het kader van de beoordeling van de gewone verblijfplaats van een kind in de zin van artikel 8, lid 1, van […] verordening [nr. 2201/2003]”.(28)

ii)    Gewone verblijfplaats van de overledene

42.      Dezelfde benadering geldt naar analogie voor het vaststellen van de gewone verblijfplaats van de overledene in het kader van verordening nr. 650/2012.(29)

43.      In de overwegingen van die verordening wordt naar deze verblijfplaats verwezen als „centrum van [de] belangen voor [het] gezins- en sociaal leven” van de erflater en wordt voorgesteld om deze verblijfplaats vast te stellen aan de hand van een algehele beoordeling „over alle aspecten die het leven van de erflater in de jaren voor zijn overlijden en op het tijdstip van overlijden hebben gekenmerkt, en daarbij alle relevante feitelijke elementen in beschouwing te nemen, in het bijzonder de duur en de regelmatigheid van de aanwezigheid van de erflater in de betrokken staat en de omstandigheden van en de redenen voor het verblijf”. De aldus vastgestelde gewone verblijfplaats „moet, uit het oogpunt van de specifieke doelstellingen van deze verordening, duiden op een nauwe en duurzame band [tussen de erfopvolging en] de betrokken staat”.(30)

iii) Gewone verblijfplaats van de insolvente schuldenaar

44.      De gewone verblijfplaats is ten slotte een (indirect) criterium voor de verlening van internationale rechterlijke bevoegdheid en daarmee een aanknopingspunt voor de conflictregel in verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures(31).

45.      Artikel 3, lid 1, van die verordening gaat ervan uit dat het „centrum van de voornaamste belangen” van de schuldenaar, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, zijn gebruikelijke verblijfplaats is. Op dit gebied zijn de economische en financiële belangen relevant; de te beoordelen aanwijzingen zijn die waarmee derden dit „centrum van de belangen” gemakkelijk kunnen verifiëren.(32)

b)      Aanpassing van deze benadering aan artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2201/2003

46.      De hierboven beschreven benadering is wegens haar flexibiliteit geschikt om de gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 te bepalen, zodat de rechterlijke instanties van een lidstaat bevoegd kunnen worden verklaard ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk.

47.      De verordening bevat geen richtsnoeren over wat de „gewone verblijfplaats” van een volwassene in een huwelijkscrisis is of hoe deze wordt vastgesteld, en bevat evenmin een verwijzing naar het nationale recht. Het ontbreken van dergelijke richtsnoeren of verwijzingen is een bewuste keuze (die de eerdere instrumenten gemeen hebben).

48.      Het verslag-Borrás benadrukt dit door aan te geven dat:

–        er in dit verband discussie is geweest naar aanleiding van de opneming van het (huidige) zesde streepje van artikel 3, lid 1, onder a)(33), en uiteindelijk is afgezien van de invoering van een regel om de gewone verblijfplaats nader te bepalen voor de toepassing van het verdrag van 1998(34);

–        „in het bijzonder rekening [is] gehouden” met de definitie die het Hof in andere domeinen heeft gehanteerd en volgens welke de „gewone verblijfplaats” „de plaats [is] waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen”(35);

–        andere voorstellen werden verworpen(36), hetgeen erop wijst dat het voorstel waarmee „in het bijzonder rekening [is] gehouden”, bij de onderhandelingen als werkconcept werd aanvaard.

49.      Gezien de continuïteit tussen het verdrag van 1998 en de huidige verordening kan worden afgeleid dat de huidige criteria inzake internationale rechterlijke bevoegdheid voor geschillen ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk op dezelfde doelstelling zijn gebaseerd.

50.      De vaststelling van de belangen die relevant zijn voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten, en de keuze van de aanknopingspunten die bij een algehele beoordeling in elk afzonderlijk geval tot de bepaling van die verblijfplaats leiden, moeten – zoals ik reeds heb gezegd – autonoom worden verricht, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en het doel van verordening nr. 2201/2003.(37)

51.      Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat de situatie in dergelijke zaken, juist vanwege de huwelijkscrisis, snel kan veranderen. Wanneer het gaat om echtgenoten met een verschillende nationaliteit, komt het vaak voor dat de gewone verblijfplaats wordt overgebracht, eventueel gevolgd door de terugkeer van een van de echtgenoten naar de lidstaat van herkomst.

2.      Context van artikel 3 en doel van verordening nr. 2201/2003

a)      Verduidelijking: functies van de gewone verblijfplaats in hoofdstuk II, afdeling 1, van verordening nr. 2201/2003 en uniformiteit van het begrip

52.      De gewone verblijfplaats en de nationaliteit van een lidstaat zijn de kernelementen van afdeling 1 („Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk”) van hoofdstuk II („Bevoegdheid”) van verordening nr. 2201/2003.

53.      Deze elementen vervullen twee functies: het verlenen van internationale rechterlijke bevoegdheid in geschillen in verband met huwelijkscrisissen, overeenkomstig artikel 3, en het afbakenen van de werkingssfeer van die afdeling, overeenkomstig de artikelen 6 en 7.(38)

54.      Het begrip „gewone verblijfplaats” is identiek in beide gevallen, zodat de in het kader van artikel 3, lid 1, vastgestelde definitie relevant is voor de artikelen 6 en 7. Dit volgt uit overweging 8 van verordening nr. 1347/2000 – de voorganger van de huidige verordening – volgens welke dat instrument tevens wordt toegepast ten aanzien van onderdanen van derde landen „die een voldoende sterke band met het grondgebied van een van de lidstaten hebben, overeenkomstig de in deze verordening opgenomen bevoegdheidscriteria”.(39)

b)      Ad-hoccriterium voor internationale rechterlijke bevoegdheid

55.      Voor huwelijkscrisissen voorziet artikel 3, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 2201/2003 in regels inzake internationale rechterlijke bevoegdheid op basis van de persoonlijke omstandigheden van een van de echtgenoten of van beide echtgenoten. Het betreft exclusieve bevoegdheden waartussen geen hiërarchie bestaat.(40)

56.      In de lijst van bevoegdheidsgronden zijn de criteria van artikel 3 van verordening nr. 1347/2000 overgenomen, en daarin zijn dan weer de criteria van artikel 2 van het verdrag van 1998 overgenomen. Wat de gewone verblijfplaats betreft, hebben deze criteria betrekking op:

–        de gewone verblijfplaats die beide partijen gemeen hebben, of die welke zij in het verleden gemeen hadden(41);

–        de gewone verblijfplaats van slechts één partij:

–        na overleg met de andere partij, indien het een gemeenschappelijk verzoek betreft; in dat geval kunnen de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de gewone verblijfplaats van de verzoeker of van de verweerder zich bevindt, bevoegd zijn;

–        indien het de gewone verblijfplaats van de verweerder is;

–        indien het de gewone verblijfplaats van de verzoeker is, mits hij daar sedert ten minste een jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft, of zes maanden indien hij zich bevindt in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit – of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, indien hij daar zijn „domicile” (woonplaats) heeft.

57.      In het verslag-Borrás wordt de keuze van de bevoegde rechterlijke instanties en hun gelijkwaardigheid toegelicht: deze bevoegdheidsregels beantwoorden aan de belangen van de partijen, staan voor flexibele regelgeving die is aangepast aan de mobiliteit van de personen, en zijn gebaseerd op nabijheid, opgevat als een daadwerkelijke band of reëel aanknopingspunt tussen de betrokkene en een lidstaat. Zij trachten tot slot „de personen te begunstigen zonder dat er rechtszekerheid verloren gaat”.(42)

58.      Het Hof heeft deze toelichting onderschreven in een aantal arresten in verband met artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2201/2003.(43)

59.      In het verslag-Borrás wordt ook aangegeven dat de mogelijkheid om een verzoek in te dienen op de plaats die alleen overeenkomt met het centrum van de belangen van een van de echtgenoten, terwijl dit niet het centrum van de belangen van de verweerder is en er voor de indiening van het verzoek op die plaats geen overeenkomst tussen de echtgenoten bestaat, in de tekst is opgenomen omdat dit voor sommige staten een conditio sine qua non vormde voor de aanvaarding van het verdrag van 1998.(44)

60.      Dit weerspiegelt de bezorgdheid over het reeds hierboven vermelde specifieke geval van de echtgenoot die zich als gevolg van de huwelijkscrisis naar een andere lidstaat begeeft.(45) Die verhuizing houdt vaak in dat deze persoon, soms zelfs onmiddellijk, terugkeert naar de lidstaat waar hij vóór de huwelijkssluiting woonde of naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit. In dergelijke gevallen kan worden aangenomen dat er een band is tussen de betrokkene en de rechterlijke instantie waarbij het verzoek is ingediend, ook al is de objectieve geografische nabijheid nog niet bestendigd.

3.      Gewone verblijfplaats ten behoeve van de vaststelling van internationale rechterlijke bevoegdheid

61.      Het begrip waarop de bevoegdheidsgronden van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 berusten:

–        komt overeen met het centrum van de levensbelangen van de betrokkene, dat wil zeggen de belangen die verband houden met het sociale leven en het gezinsleven. De bepaling van de professionele en vermogensrechtelijke belangen draagt bij tot de vaststelling van dat centrum; deze factoren alleen kunnen echter niet afdoen aan het gewicht van de persoonlijke belangen, wanneer de geografische ligging van die factoren en belangen niet samenvalt;

–        veronderstelt in beginsel dat de betrokkene op een plaats verblijft (en niet louter aanwezig is), en wel op een specifieke manier: ofwel is het verblijf permanent, ofwel heeft het een zekere regelmaat of bestendigheid, zodat is voldaan aan de voorwaarden voor een werkelijke integratie in de sociale omgeving.

62.      De kwalificatie van een verblijfplaats als „gewone verblijfplaats” van een volwassene hangt niet altijd af van het verstrijken van een bepaalde periode. Evenmin hangt het ervan af of gedurende die periode de objectieve geografische nabijheid tussen de betrokkene en de rechterlijke instantie die kennisneemt van de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de nietigverklaring van het huwelijk, wordt bestendigd.

63.      Dat artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003 vereist dat naast de gewone verblijfplaats aan bepaalde temporele voorwaarden wordt voldaan, is omdat deze temporele voorwaarden geen wezenlijk kenmerk van de verblijfplaats zelf zijn zonder hetwelk deze verblijfplaats niet als „gewoon” kan worden aangemerkt.(46)

64.      Het vereiste dat de verzoeker ten minste een jaar zijn gewone verblijfplaats in een staat heeft, of ten minste zes maanden wanneer het de staat betreft waarvan hij onderdaan is – of waar hij in voorkomend geval zijn „domicile” (woonplaats) heeft –, relativeert het belang van de factor „tijd” als indicator voor het gewone karakter van de verblijfplaats.

65.      Het is dus legitiem om ervan uit te gaan dat voor de toepassing van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 een echtgenoot de gewone verblijfplaats vrijwel onmiddellijk (of na korte tijd) kan verkrijgen als gevolg van de verhuizing na de huwelijkscrisis.

66.      In dergelijke omstandigheden kunnen de duur, de regelmatigheid en de bestendigheid van de fysieke aanwezigheid, die normaliter kenmerkend zijn voor de „gewone verblijfplaats”, worden aangevuld of zelfs vervangen door de intentie van de betrokken volwassene om zich in een andere staat te vestigen en te integreren (of om zich opnieuw te vestigen en te integreren in de staat van herkomst). Aldus wordt een nieuwe gewone verblijfplaats verkregen en de vorige opgegeven.(47)

67.      Deze intentie kan vanaf het allereerste begin bestaan of geleidelijk tot stand komen. In beide gevallen moet de intentie, om in aanmerking te worden genomen, verifieerbaar zijn aan de hand van tastbare maatregelen of uiterlijke tekenen.(48) Anders zou de toepassing van de regel voor de vaststelling van rechterlijke bevoegdheid al te ingewikkeld worden, zozeer zelfs dat de toepassing ervan onmogelijk zou zijn.

68.      Om voor de toepassing van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 vast te stellen dat een persoon het centrum van zijn levensbelangen (of, in voorkomend geval, de intentie om er dit centrum te vestigen) op een bepaalde plaats heeft, moet – zoals op andere aanverwante gebieden(49) – rekening worden gehouden met alle factoren waaruit de vitale band tussen de persoon en die plaats kan blijken.

69.      Met name de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied en – met de hierboven vermelde nuanceringen – de duur en de regelmatigheid ervan kunnen daartoe geschikt zijn. Zonder aanspraak te maken op volledigheid, omvatten deze aanwijzingen onder meer de volgende aanwijzingen:

–        De plaats ligt in de staat van herkomst.

–        Het betreft de plaats waar familie en vrienden zich bevinden.

–        De betrokkene woont regelmatig op die plaats, op grond van een huurovereenkomst of als eigenaar, of heeft stappen daartoe ondernomen.

–        De plaats ligt in de staat waarvan de persoon de nationaliteit bezit.

–        De betrokkene heeft of zoekt vast werk op die plaats.

–        De betrokkene deelt de cultuur van die plaats.

70.      De relevantie van deze of soortgelijke aanwijzingen (die, zoals is opgemerkt, geen uitputtende lijst van mogelijke aanwijzingen vormen)(50) wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de gewone verblijfplaats van een jong kind of een baby. Het centrum van het leven van het kind wordt namelijk bepaald aan de hand van de integratie in een gezins- en sociale omgeving, te weten die van de ouder van wie het kind afhankelijk is, en op basis van de criteria die het Hof zelf heeft aangegeven om die omgeving vast te stellen.(51)

C.      Eén gewone verblijfplaats

71.      De bepaling van de gewone verblijfplaats van een volwassene en de beslissing op basis daarvan welke rechterlijke instantie bevoegd is om zich uit te spreken over het verzoek tot echtscheiding, zijn taken voor de rechter bij wie het verzoek is ingediend. De rechter moet trachten één (dus de) gewone verblijfplaats van een van beide echtgenoten of van beide echtgenoten vast te stellen.

72.      Het is juist dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 zich er niet tegen verzet dat meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn of dat een forum wordt gekozen (forumshopping) wanneer er sprake is van geschillen die betrekking hebben op echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk. Het probleem van gelijktijdige procedures wordt geregeld en opgelost in artikel 19, leden 1 en 3, van de verordening.

73.      Mijns inziens vormt dat argument echter geen rechtvaardiging voor het nog grotere aantal bevoegde rechterlijke instanties dat zou voortvloeien uit de algemene aanvaarding van de mogelijkheid om tegelijk op verschillende plaatsen zijn gewone verblijfplaats te hebben in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2201/2003.

74.      De letterlijke bewoordingen van de bepaling, het doel ervan en andere systematische overwegingen pleiten tegen een dergelijke uitlegging.

1.      Bewoordingen en betekenis van het begrip

75.      In artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 is er steeds sprake van de rechterlijke instanties van de lidstaat van de gewone verblijfplaats en wordt dus het enkelvoud gebruikt.

76.      Daarnaast bepaalt artikel 66 van die verordening, dat de toepassing van de bevoegdheidsregels in lidstaten met twee of meer rechtsstelsels regelt, dat „met de gewone verblijfplaats in die lidstaat de gewone verblijfplaats in een gebiedsdeel [wordt] bedoeld”.(52)

77.      Indien de gewone verblijfplaats wordt gelijkgesteld met het centrum van de levensbelangen van de betrokkene, zou het bovendien een ongerijmdheid zijn om te aanvaarden dat er tegelijkertijd verschillende dergelijke verblijfplaatsen kunnen bestaan.

78.      Daarentegen staat niets eraan in de weg dat er sprake is van meerdere „eenvoudige” verblijfplaatsen(53) en dat een persoon naast zijn gewone of hoofdverblijfplaats dus nog een of meer andere secundaire verblijfplaatsen heeft (voor vakantie, voor het werk of om soortgelijke redenen). Dergelijke secundaire verblijfplaatsen hebben geen gevolgen voor de toepassing van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003.

2.      Doel van de regel

79.      Dat er meerdere gewone verblijfplaatsen kunnen bestaan, zou ook niet in overeenstemming zijn met het door artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 nagestreefde doel.

80.      Zoals ik reeds heb uitgelegd(54), bestaat dat doel erin:

–        de mobiliteit van personen binnen de Unie te bevorderen, ook wanneer na een huwelijkscrisis de verblijfplaats van een lidstaat naar een andere lidstaat wordt overgebracht,

–        en voorts de rechtszekerheid en de nabijheid tussen de betrokken personen en de rechterlijke instantie te waarborgen.

81.      De gekozen aanknopingspunten zorgen voor een evenwicht tussen deze twee doelen: zij dienen zowel de belangen van de betrokken partijen als die van de rechtsbedeling. Het komt dit evenwicht ten goede dat de op de gewone verblijfplaats gebaseerde bevoegdheidscriteria niet zoveel alternatieven bieden als er streepjes zijn in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003, hoewel dat op het eerste gezicht wel zo zou kunnen lijken.(55)

82.      Een soepele uitlegging met betrekking tot het aantal gelijktijdige gewone verblijfplaatsen van een en dezelfde persoon zou feitelijk het evenwicht tussen de partijen kunnen verstoren, doordat er meer mogelijkheden zouden zijn om gebruik te maken van het forum actoris. Ook zou het moeilijker worden om van tevoren vast te stellen welke rechterlijke instanties in de Unie kunnen beslissen in geschillen ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk.(56)

83.      Deze overwegingen en die welke ik hieronder uiteenzet, pleiten voor een restrictieve uitlegging van het begrip „gewone verblijfplaats” in artikel 3 van verordening nr. 2201/2003, ook al woont een persoon in verschillende lidstaten.

3.      Gewone verblijfplaats vanuit het oogpunt van het systematische uitleggingscriterium (in ruime zin)

84.      Als de bewoordingen, de betekenis en het doel van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 zich ertegen verzetten dat de daarin genoemde rechtsgevolgen worden verbonden aan meerdere gewone verblijfplaatsen, dan gaat dit uitgangspunt verder dan geschillen betreffende huwelijkscrisissen, in weerwil van hetgeen in overweging 8 van deze verordening wordt gesuggereerd.(57)

85.      De Europese wetgever heeft hetzelfde criterium inzake internationale rechterlijke bevoegdheid ook opgenomen in latere instrumenten tot regeling van: a) het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed(58); b) de internationale rechterlijke bevoegdheid voor verzoeken inzake een onderhoudsverplichting(59), en c) de internationale rechterlijke bevoegdheid voor vorderingen inzake het huwelijksvermogensstelsel die verband houden met verzoeken tot ontbinding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring(60).

86.      Hoe breder het begrip „gewone verblijfplaats” van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 wordt uitgelegd, des te meer rechterlijke instanties van de lidstaten potentieel ook op deze andere gebieden bevoegd zullen zijn, hetgeen ten koste gaat van de voorspelbaarheid voor de betrokken personen.(61)

87.      Ik zal in het bijzonder ingaan op de gevolgen voor het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed.

88.      Verordening nr. 1259/2010 heeft ten doel „burgers oplossingen [aan te reiken] die rechtszekerheid, voorspelbaarheid en flexibiliteit waarborgen”.(62) De verwezenlijking van deze doelstelling impliceert dat te allen tijde slechts één recht toepasselijk is, ongeacht bij welke rechterlijke instantie van de Unie het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig wordt gemaakt. Daarom zijn de in verordening nr. 1259/2010 opgenomen aanknopingspunten, ook al zijn het er meerdere, volgens een cascadestelsel gestructureerd en worden zij niet als gelijkwaardig gepresenteerd.

89.      Bovendien berust de beschreven doelstelling, zij het in mindere mate(63), op de correlatie tussen forum en jus die in artikel 8 van verordening nr. 1259/2010, dat ziet op het bij gebreke van een rechtskeuze door de partijen toepasselijke recht, is neergelegd:

–        als principieel richtsnoer, door de overeenstemming van verschillende bevoegdheidsgronden in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 met de aanknopingspunten van artikel 8 van verordening nr. 1259/2010;

–        rechtstreeks, als residuele oplossing: wanneer de partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt en de criteria van artikel 8, onder a), b) en c), van verordening nr. 1259/2010 evenmin toepassing vinden, is het recht van de staat waar de zaak aanhangig is gemaakt van toepassing overeenkomstig artikel 8, onder d), van deze verordening.

90.      Een te brede uitlegging van het begrip gewone verblijfplaats van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003, waarbij de internationale rechterlijke bevoegdheid op basis van dat criterium wordt opgesplitst of uitgebreid, zou het doel van verordening nr. 1259/2010 in twee opzichten in gevaar brengen:

–        De correlatie tussen forum en jus zou worden doorbroken indien de rechterlijke instantie optreedt als rechter van een van de gewone verblijfplaatsen van een echtgenoot, maar het recht van een andere lidstaat moet toepassen omdat de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten zich aldaar bevindt.(64)

–        Twee (of meer) rechterlijke instanties zouden bevoegd zijn uit hoofde van de gewone verblijfplaatsen van een echtgenoot, welke zich in verschillende lidstaten bevinden, en zouden het recht „van de staat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt” toepassen overeenkomstig artikel 8, onder d), van verordening nr. 1259/2010.

a)      Artikel 3, lid 1, onder a), en arrest Hadadi [artikel 3, lid 1, onder b)]

91.      De restrictieve uitlegging die ik voorsta, is niet in strijd met de uitlegging van het Hof in het arrest Hadadi(65), waarbij in het kader van artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van verschillende lidstaten is erkend wanneer de betrokkenen verschillende nationaliteiten bezitten(66).

92.      De verschillen tussen de zaak Hadadi en de onderhavige zaak zijn aanzienlijk. Het Hof heeft in het arrest Hadadi verworpen dat het aanknopingspunt „nationaliteit” beperkt was tot de „effectieve nationaliteit”, een omstandigheid die met dit geschil niets van doen heeft:

–        In de eerste plaats komt de voorwaarde van de „effectieve” nationaliteit niet voor in artikel 3 van verordening nr. 2201/2003, maar is er daar sprake van de voorwaarde van de „gewone” verblijfplaats.

–        In de tweede plaats moet de nationaliteit uit hoofde waarvan bevoegdheid op grond van artikel 3, lid 1, onder b), van die verordening wordt verleend, altijd gemeenschappelijk zijn. Wanneer slechts één van de echtgenoten, en niet de andere, een dubbele nationaliteit heeft, telt voor de toepassing van de bepaling alleen de gemeenschappelijke nationaliteit mee: de echtgenoot met slechts één nationaliteit wordt daardoor benadeeld noch bevoordeeld.(67) Dit zou daarentegen wel het geval kunnen zijn indien meerdere gewone verblijfplaatsen worden toegestaan op grond van de bevoegdheidsregels die zijn gebaseerd op de gewone verblijfplaats van één echtgenoot.(68)

–        In de derde plaats is het aanknopingspunt „nationaliteit”, zoals het Hof heeft opgemerkt, „een eenduidige en makkelijk toe te passen aanknopingsfactor”(69), terwijl bij de bepaling van de „effectieve” nationaliteit in elk geval met een hele reeks omstandigheden rekening moet worden gehouden, zonder dat het zeker is dat dit tot een duidelijk resultaat leidt(70).

93.      Dit laatste zou ook bij de toepassing van het aanknopingspunt „gewone verblijfplaats” kunnen gebeuren. Volgens mij wordt de moeilijkheid echter niet opgelost door te aanvaarden dat het in geval van twijfel de voorkeur verdient te erkennen dat er meer dan één gewone verblijfplaats kan zijn; het tegendeel is waar.

94.      Deze werkwijze garandeert namelijk niet dat er bij meerdere verblijfplaatsen geen discussie tussen de partijen zal zijn over de vraag welke van die verblijfplaatsen relevant is voor de procedure. Veeleer wordt het debat daardoor nog complexer: telkens wanneer een partij stelt dat zij twee of meer gewone verblijfplaatsen heeft, zou moeten worden nagegaan of het bij al deze verblijfplaatsen daadwerkelijk om een gewone verblijfplaats gaat. Per slot van rekening zou dit het risico doen toenemen dat een „eenvoudige” verblijfplaats (en niet de gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003) uiteindelijk de internationale rechterlijke bevoegdheid bepaalt.

D.      Wat als het onmogelijk is om de gewone verblijfplaats vast te stellen?

95.      Verordening nr. 2201/2003 voorziet in oplossingen voor gevallen waarin het onmogelijk is de gewone verblijfplaats van een kind vast te stellen. Dit is echter niet het geval voor de gewone verblijfplaats van een volwassene.

96.      Dit stilzwijgen is niet toevallig. In positieve zin wordt zo uitgesloten dat er personen zijn van wie de gewone verblijfplaats niet kan worden nagegaan (ook al gaat het vaststellen van die verblijfplaats gepaard met bewijsproblemen). In negatieve zin bevestigt het mijns inziens dat een volwassene voor de toepassing van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 geen twee of meer gewone verblijfplaatsen in verschillende lidstaten kan hebben.

97.      Indien in theorie zou worden aanvaard dat het toch werkelijk onmogelijk is om te bepalen welke van de verschillende verblijfplaatsen de gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 is(71), zijn er twee uitwegen denkbaar:

–        Volgens de eerste uitweg, waaraan de Commissie de voorkeur geeft(72), zou het voldoende zijn, wil de rechterlijke instantie waarbij het verzoek tot echtscheiding is ingediend, zich bevoegd verklaren, dat een van de twee (of meer) centra van het leven van de betrokkene zich bevindt in de lidstaat van die rechterlijke instantie.

–        Volgens de tweede uitweg zou geen van deze levenscentra in verschillende lidstaten kunnen dienen om bevoegdheid te verlenen uit hoofde van de gewone verblijfplaats.

98.      De hierboven genoemde argumenten tegen de mogelijkheid dat een en dezelfde persoon gelijktijdig meerdere gewone verblijfplaatsen in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 heeft, brengen mij ertoe de voorkeur te geven aan de tweede optie, die minder verstorend is voor het systeem als geheel.

99.      Deze tweede optie (die uitzonderlijk zou zijn) zou impliceren dat met het aanknopingspunt „gewone verblijfplaats” de internationale rechterlijke bevoegdheid niet kan worden bepaald. Dit zou de partijen echter niet noodzakelijkerwijs rechtsbescherming binnen de Unie ontnemen als een van de andere criteria van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 van toepassing is(73) of als in het kader van de residuele bevoegdheid van artikel 7 van die verordening de bevoegdheidsgronden waarin het recht van elke lidstaat voorziet, worden ingeroepen(74).

100. Slechts subsidiair (dat wil zeggen na uitputting of uitsluiting van die mogelijkheden) lijkt het mij in uitzonderlijke gevallen waarin het ter voorkoming van rechtsweigering onontbeerlijk is, aanvaardbaar om bevoegdheid te verlenen aan de rechterlijke instanties van een van de lidstaten waar een echtgenoot zijn verblijfplaats heeft, wanneer geen van die lidstaten kan worden aangemerkt als gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003.

V.      Conclusie

101. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de vraag van de cour d’appel de Paris te beantwoorden als volgt:

„Artikel 3, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling van bevoegdheid slechts één gewone verblijfplaats van elke echtgenoot kan worden erkend.

Wanneer een echtgenoot zijn leven zodanig over twee of meer lidstaten verdeelt dat het op geen enkele manier mogelijk is om een van die lidstaten aan te wijzen als de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003, moet de internationale rechterlijke bevoegdheid worden bepaald aan de hand van andere criteria van die verordening en, in voorkomend geval, aan de hand van de in de lidstaten geldende residuele criteria.

In dat geval kunnen de rechterlijke instanties van de lidstaat of lidstaten waar een echtgenoot niet zijn gewone verblijfplaats heeft, bij wijze van uitzondering bevoegd worden verklaard, wanneer de toepassing van verordening nr. 2201/2003 en de residuele bevoegdheidsgronden niet leidt tot de internationale rechterlijke bevoegdheid van een lidstaat.”


1      Oorspronkelijke taal: Spaans.


2      Verdrag betreffende de Europese Unie (PB 1992, C 191, blz. 1), met name artikel K.3 juncto artikel K.1.


3      Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (geconsolideerde versie Amsterdam) (PB 1997, C 340, blz. 173), met name artikel 61.


4      Verdrag van 28 mei 1998 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken (PB 1998, C 221, blz. 1; hierna: „verdrag van 1998”).


5      Verordening van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PB 2000, L 150, blz. 19).


6      Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).


7      Zie met betrekking tot de geldigheid ervan punt 27 van deze conclusie.


8      Bijvoorbeeld in verband met de dubbele nationaliteit van een echtgenoot. Arrest van 16 juli 2009, Hadadi (C‑168/08, EU:C:2009:474; hierna: „arrest Hadadi”).


9      Zie op het gebied van erfopvolging arrest van 16 juli 2020, E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) [C‑80/19, EU:C:2020:569; hierna: „arrest E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht)”].


10      Een sociologisch onderzoek zou waarschijnlijk aan het licht brengen dat er tegenwoordig steeds meer personen (of beide echtgenoten) in dezelfde situatie verkeren.


11      Toelichtend verslag over het verdrag, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken (PB 1998, C 221, blz. 27; hierna: „verslag-Borrás”). Op 28 mei 1998 werd het verdrag door de Raad goedgekeurd.


12      Verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (PB 2019, L 178, blz. 1). Behoudens de overgangsbepalingen van artikel 100 wordt de thans geldende verordening met ingang van 1 augustus 2022 ingetrokken door deze verordening: zie artikel 104.


13      Zie overweging 6 van verordening nr. 1347/2000 en overweging 3 van verordening nr. 2201/2003. In het arrest van 29 november 2007, Sundelind Lopez (C‑68/07, EU:C:2007:740, punt 26; hierna: „arrest Sundelind Lopez”), worden de overwegingen van eerstgenoemde verordening aangehaald om het huidige artikel 3 uit te leggen. In de conclusies van de advocaten-generaal wordt vaak naar het verslag-Borrás verwezen ter ondersteuning van de uitlegging van de geldende verordening: zie de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Purrucker (C‑256/09, EU:C:2010:296, punten 13, 84, 85 en 86); van advocaat-generaal Kokott in de zaak Hadadi (C‑168/08, EU:C:2009:152, punten 37, 57 en 58); van advocaat-generaal Bot in de zaak Liberato (C‑386/17, EU:C:2018:670, punten 55 en 69), en van advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe in de zaak UD (C‑393/18 PPU, EU:C:2018:749, punt 28).


14      Arrest van 13 oktober 2016, Mikołajczyk (C‑294/15, EU:C:2016:772, punt 33): „[…] zoals blijkt uit overweging 1, [draagt verordening nr. 2201/2003] ertoe [bij] een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is”.


15      Overweging 4 van verordening nr. 1347/2000.


16      Bijvoorbeeld het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen, gedaan te ’s-Gravenhage op 5 oktober 1961; het Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed, gedaan te ’s-Gravenhage op 1 juni 1970; het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, gedaan te ’s-Gravenhage op 19 oktober 1996, of het Europees Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, gedaan te Luxemburg op 20 mei 1980.


17      Traditionele criteria zoals nationaliteit of woonplaats, die vroeger de voorkeur genoten als uitdrukking van de band tussen de betrokkene en een rechtsstelsel, worden niet meer gebruikt of worden van ondergeschikt belang.


18      Zie bijvoorbeeld verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1), waarin de term „woonplaats” wordt gebruikt. Artikel 1, punt j), bepaalt dat daaronder wordt verstaan „de plaats waar een persoon pleegt te wonen”. In het arrest van 5 juni 2014, I (C‑255/13, EU:C:2014:1291), wordt in dat verband onderscheid gemaakt tussen „woonplaats” en „verblijfplaats”.


19      Zie bijvoorbeeld het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, gedaan te Istanbul op 11 mei 2011 (artikel 44).


20      Het ontbreken van een dergelijke definitie of verwijzing is ingegeven door de wens om geen invloed uit te oefenen op andere teksten waarin hetzelfde begrip wordt gebruikt; zie in dit verband Lagarde, P., „Rapport explicatif sur la Convention du 19 octobre 1996 concernant la compétence, la loi applicable, la reconnaissance, l’exécution et la coopération en matière de responsabilité parentale et de mesures de protection des enfants”, Actes et documents de la Dix-huitième session de la Conférence de La Haye de droit international privé, 1996, deel II, blz. 552, punt 40.


21      Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak A (C‑523/07, EU:C:2009:39, punt 15), met betrekking tot het begrip „gewone verblijfplaats” in artikel 8 van verordening nr. 2201/2003.


22      Een dergelijke toetsing per geval is logischerwijs een zaak van de nationale rechter. Vanwege het specifieke karakter van deze toetsing „[kunnen] [d]e aanwijzingen in het kader van een bepaalde zaak […] dus enkel met behoedzaamheid worden toegepast in een andere zaak”. Arrest van 28 juni 2018, HR (C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 54; hierna: „arrest HR”).


23      Ibidem, punt 40: „Bij gebreke van een definitie van het begrip gewone verblijfplaats […] of van een verwijzing naar het recht van de lidstaten in […] verordening [nr. 2201/2003] moet [het] worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van verordening nr. 2201/2003.” Ook op het niveau van het verdragsrecht wordt de voorkeur gegeven aan een autonome uitlegging: zie punt 35 en voetnoot 20 van deze conclusie.


24      Derhalve ben ik het niet eens met de stelling van Frankrijk dat onder het eigenlijke begrip „gewone verblijfplaats” in deze en andere verordeningen [met name verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107)] hetzelfde moet worden verstaan.


25      Relevant zijn de regels waarin de gewone verblijfplaats wordt aangevoerd als bevoegdheidscriterium, alsook artikel 11 van verordening nr. 2201/2003 met betrekking tot ongeoorloofde overbrengingen. Zie arrest HR in verband met de eerstgenoemde regels, en arrest van 8 juni 2017, OL (C‑111/17 PPU, EU:C:2017:436; hierna: „arrest OL”), in verband met de laatstgenoemde bepaling.


26      Overweging 12 van verordening nr. 2201/2003 en onder meer arrest van 2 april 2009, A (C‑523/07, EU:C:2009:225, punt 35; hierna: „arrest A”); arrest OL, punt 66, en arrest HR, punt 59. Dit element is duidelijk niet aanwezig in het geval van de gewone verblijfplaats van een volwassene.


27      Onder meer arrest A, punten 37 e.v.; arrest van 22 december 2010, Mercredi (C‑497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 47 e.v.), en arrest OL, punten 42 e.v.


28      Arrest A, punt 36.


29      De laatste gewone verblijfplaats van de erflater is het algemene aanknopingspunt voor het bepalen van de internationale rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht.


30      Overwegingen 23 en 24. Zie ook mijn conclusie in de zaak E. E. (C‑80/19, EU:C:2020:230, punten 45 e.v.), en het arrest E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht, punten 38‑40).


31      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 (PB 2015, L 141, blz. 19).


32      Overweging 28 van verordening 2015/848, en arrest van 16 juli 2020, Novo Banco (C‑253/19, EU:C:2020:585, punt 21).


33      Het equivalent in het verdrag van 1998 was artikel 2, lid 1, onder a), zesde streepje.


34      Verslag-Borrás, punt 32.


35      Ibidem. Deze definitie is toegepast in zaken op het gebied van het ambtenarenrecht en van de sociale zekerheid.


36      Ibidem.


37      Punten 38 en 39 van deze conclusie.


38      Overeenkomstig artikel 6 kunnen de krachtens het recht van elke lidstaat geldende regels inzake rechterlijke bevoegdheid niet worden toegepast in geschillen waarin de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een van de lidstaten heeft of de verweerder onderdaan van een van deze lidstaten is – of, in het geval van Ierland, zijn „domicile” (woonplaats) op het grondgebied van die lidstaat heeft. In het arrest Sundelind Lopez heeft het Hof verklaard dat de residuele bevoegdheidsregels kunnen worden gebruikt tegenover een persoon die zijn gewone verblijfplaats niet in een lidstaat heeft of die niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, op voorwaarde dat er geen lidstaat is die krachtens de verordening bevoegd is.


39      Cursivering van mij.


40      Arrest Hadadi, punt 48. Er bestaat geen formele hiërarchie tussen de bevoegdheden, ondanks de stemmen die opgaan om die in te voeren ter gelegenheid van de herschikking van de verordening. Zie bijvoorbeeld de Groupe européen de droit international privé, tijdens haar vergadering in Antwerpen (België) in september 2018: https://www.gedip-egpil.eu/documents/Anvers %202018/DivorceCompletV5.7.2.19.pdf. Het nieuwe artikel 3 behoudt dezelfde bevoegdheidsregels en handhaaft ze allemaal op hetzelfde niveau. Anders ligt het met betrekking tot de mate van aanvaarding van elk van deze regels: in dit verband wordt in de punten 30 en 32 van het verslag-Borrás benadrukt dat sommige van de opgenomen criteria in de lidstaten algemeen aanvaard waren, terwijl voor andere een politiek compromis nodig was. Laatstbedoelde criteria komen thans overeen met het vijfde en het zesde streepje van artikel 3, lid 1, onder a).


41      In dit tweede geval moet een van de echtgenoten nog steeds in die lidstaat wonen. Het tijdstip waarop dat moet worden vastgesteld, is niet nader bepaald. Het vijfde en het zesde streepje vermelden het tijdstip van indiening van het verzoek, en het lijkt redelijk om aan te nemen dat hetzelfde geldt voor de andere bevoegdheidsgronden.


42      Verslag-Borrás, punten 27, 28 en 30. In verordening nr. 1347/2000 werd in overweging 12 verwezen naar het bestaan van een reëel aanknopingspunt tussen de belanghebbende en de lidstaat die de bevoegdheid uitoefent, zonder dat daarbij een onderscheid werd gemaakt tussen geschillen betreffende huwelijkscrisissen en geschillen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.


43      Arrest Sundelind Lopez, punt 26; arrest Hadadi, punt 48, en arrest van 13 oktober 2016, Mikołajczyk (C‑294/15, EU:C:2016:772, punten 49 en 50).


44      Voetnoot 40 van deze conclusie.


45      Punt 51 van deze conclusie.


46      De toevoeging van deze voorwaarden is gewoonlijk te verklaren door de wens om het in de laatste twee streepjes van artikel 3, lid 1, onder a), neergelegde forum actoris te beperken. Deze verklaring is weliswaar juist, maar doet niets af aan de gevolgen van dergelijke voorwaarden voor het begrip gewone verblijfplaats.


47      Als er geen intentie is om de vorige verblijfplaats op te geven, wordt die als de gewone verblijfplaats gehandhaafd.


48      Arrest HR, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


49      Zie in die zin met betrekking tot de gewone verblijfplaats van de erflater arrest E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht), punt 38, en mijn conclusie in die zaak (C‑80/19, EU:C:2020:230, punten 49 e.v.). Met betrekking tot de gewone verblijfplaats van het kind, zie onder meer arrest A, punt 39.


50      Hieraan kunnen bijvoorbeeld worden toegevoegd: registratie bij de autoriteiten of, indien de volwassene samenleeft met schoolgaande kinderen, inschrijving van de kinderen in een kinderdagverblijf of school; zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak A (C‑523/07, EU:C:2009:39, punt 44).


51      Arrest A, punt 40; arrest van 22 december 2010, Mercredi (C‑497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 53‑56); arrest van 9 oktober 2014, C (C‑376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 52), en arrest HR, punten 44‑47.


52      Cursivering van mij.


53      De uitdrukking „eenvoudige” verblijfplaats – in tegenstelling tot „gewone” verblijfplaats – heb ik overgenomen uit de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Mercredi (C‑497/10 PPU, EU:C:2010:738, punt 71).


54      Punten 57 en 58 van deze conclusie.


55      De voorwaarden waaraan de gewone verblijfplaats als criterium voor de verlening van bevoegdheid is onderworpen, maken dat sommige bevoegdheidsgronden elkaar uitsluiten en dat andere elkaar kunnen overlappen. Het zal niet zelden voorkomen dat verschillende criteria in de richting van dezelfde lidstaat wijzen.


56      Volgens de Commissie (punt 14 van haar schriftelijke opmerkingen ter vervanging van de pleitzitting) wordt door het toestaan dat een persoon twee gewone verblijfplaatsen in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 heeft, een risico weggenomen en de rechtszekerheid vergroot, doordat een echtgenoot die zijn leven tussen twee staten verdeelt, de zekerheid wordt geboden dat hij zich tot de rechterlijke instanties van een van die staten kan wenden zonder het gevaar te lopen dat deze rechterlijke instanties zich onbevoegd verklaren en dat hij de kosten van een dergelijke procedure moet dragen. Dit standpunt kan mij niet overtuigen. De moeilijkheid om te bepalen welke verblijfplaats de gewone verblijfplaats is, verdwijnt niet door toe te staan dat er meerdere kunnen zijn; integendeel, meerdere gewone verblijfplaatsen zouden alleen maar leiden tot aanvullende vragen waarover de rechter die van het geschil kennis moet nemen, zich moet uitspreken. De toevoeging van een extra bevoegdheidsregel in artikel 3 van de verordening vergroot de onzekerheid over de plaats waar men kan worden opgeroepen, ook voor de echtgenoot die meer dan één gewone verblijfplaats heeft.


57      „Wat betreft beslissingen betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, mag deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op de ontbinding van de huwelijksband, met terzijdestelling van kwesties zoals de echtscheidingsgronden, de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk of andere bijkomende maatregelen.”


58      In verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (PB 2010, L 343, blz. 10).


59      Artikel 3, onder c), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1).


60      Artikel 5 van verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PB 2016, L 183, blz. 1).


61      Het is niet onredelijk om aan te nemen dat, wanneer meerdere gewone verblijfplaatsen op deze indirecte wijze worden aanvaard met het oog op de vaststelling van bevoegdheid, dit tevens moet worden aanvaard bij de uitlegging van het criterium „gewone verblijfplaats” dat in dezelfde instrumenten is opgenomen voor verzoeken die geen nevenverzoeken, maar autonome verzoeken zijn.


62      Overweging 9. Deze verordening moet ook „situaties voorkomen waarin de ene echtgenoot de andere tracht voor te zijn met het aanvragen van de echtscheiding om te bereiken dat de procedure wordt beheerst door het recht van een bepaald land, dat deze echtgenoot gunstiger acht voor de verdediging van zijn belangen”. Dit geldt niet voor artikel 3 van verordening nr. 2201/2003, dat voorziet in gelijkwaardige bevoegdheidsgronden; de uitlegging ervan moet echter zoveel mogelijk geschieden op een wijze die de doelstellingen van andere verordeningen niet in gevaar brengt.


63      Anders dan in andere domeinen is het parallellisme tussen de internationale rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht in dit domein niet van primair belang: het kan van meet af aan ontbreken wanneer de partijen overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), b) of c), van de verordening het toepasselijke recht kiezen. Voorts zij eraan herinnerd dat dit instrument, dat het resultaat is van een nauwere samenwerking, niet in alle lidstaten wordt toegepast.


64      Een dergelijke combinatie zou zich in casu kunnen voordoen indien de Franse rechter zich bevoegd verklaart op grond van artikel 3, lid 1, onder a), zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003, na te hebben erkend dat IB ook zijn gewone verblijfplaats in Ierland heeft. In dat geval is, bij gebreke van een geldige keuze van een ander recht door de partijen, het Ierse recht van toepassing overeenkomstig artikel 8, onder a), van verordening nr. 1259/2010.


65      Naar dit arrest wordt verwezen in de schriftelijke opmerkingen van FA, punten 71 e.v., van de Portugese regering, punten 36 e.v., van de Commissie, punten 13 en 32, en van IB in zijn schriftelijke opmerkingen ter vervanging van de pleitzitting, punt 31.


66      Arrest Hadadi, punten 51 e.v.


67      De echtgenoot met dubbele nationaliteit beschikt als verzoeker niet over een extra rechterlijke instantie op die grond, maar evenmin is er een extra rechterlijke instantie waar het verzoek tegen hem kan worden ingesteld.


68      Het hebben van meerdere gewone verblijfplaatsen kan hetzij in het voordeel werken van de echtgenoot die in die situatie verkeert, wanneer deze de verzoeker is [ingevolge artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje], hetzij in het nadeel van die echtgenoot werken, wanneer hij de verweerder is [ingevolge artikel 3, lid 1, onder a), derde streepje].


69      Arrest Hadadi, punt 51.


70      Ibidem, punt 55.


71      De waarschijnlijkheid dat twee situaties in gelijke mate de typische elementen van de gewone verblijfplaats bezitten, is evenwel gering. Om te voldoen aan verordening nr. 2201/2003 moeten de nationale rechterlijke instanties trachten om één enkele gewone verblijfplaats vast te stellen, zoals ik heb aangegeven in de punten 71 e.v. van deze conclusie.


72      Punten 33 en 34 van haar schriftelijke opmerkingen en het door haar voorgestelde antwoord op de prejudiciële vraag.


73      In casu ben ik, op basis van de feiten waarover ik beschik, van mening dat IB zijn verzoek zou kunnen indienen in Ierland als laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten waar een van hen nog verblijft, en als gewone verblijfplaats van verweerster.


74      In tegenstelling tot wat Ierland betoogt (punt 10 van zijn schriftelijke opmerkingen ter vervanging van de pleitzitting), voorzien niet alle lidstaten in residuele bevoegdheidsgronden. En ook al is er voorzien in residuele bevoegdheidsgronden, het is in bepaalde gevallen mogelijk dat deze bevoegdheidsgronden niet kunnen worden ingeroepen vanwege de beperking in artikel 6 van verordening nr. 2201/2003.