Language of document : ECLI:EU:C:2009:642

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 20 oktober 2009 (1)

Zaak C‑480/08

Maria Teixeira

tegen

London Borough of Lambeth

en

Secretary of State for the Home Department

[verzoek van de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Vrij verkeer van personen – Verblijfsrecht – Voorwaarden – Voormalig migrerend werknemer – Persoon zonder voldoende bestaansmiddelen en zonder ziektekostenverzekering – Sociale bijstand in vorm van huisvestingssteun – Verzorger van kind dat voor onderwijsdoeleinden in gastlidstaat verblijft – Artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 – Richtlijn 2004/38/EG – Verhouding tussen deze twee regelingen”





I –    Inleiding

1.        Kan een burger van de Unie die niet werkt en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, als verzorger van haar dochter aanspraak maken op een recht van verblijf in de lidstaat waar haar dochter, kind van een voormalig migrerend werknemer, onderwijs volgt?

2.        Deze vraag wordt in het voorliggende geval aan het Hof gesteld door de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division)(2). Het Hof is daardoor in de gelegenheid, zijn rechtspraak inzake artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68(3) – in het bijzonder het arrest Baumbast en R(4) – te preciseren en de verhouding tussen genoemde bepaling en de in 2004 vastgestelde nieuwe verblijfsrichtlijn voor burgers van de Unie en hun familieleden (richtlijn 2004/38/EG(5)) te verhelderen. Niet alleen voor talloze burgers van de Unie die hun land van herkomst hebben verlaten en in andere lidstaten wonen, maar ook voor de respectieve gastlidstaten is deze problematiek van niet te onderschatten belang.

3.        Het voorliggende geval vertoont enkele parallellen met de aanhangige zaak Ibrahim (C‑310/08)(6), die eveneens berust op een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Court of Appeal. In beide gevallen hebben personen die economisch niet actief zijn en niet over voldoende eigen middelen van bestaan beschikken in Engeland huisvestingssteun aangevraagd. Daarvoor beroepen zij zich op het verblijfsrecht dat zij in het Verenigd Koninkrijk stellen te hebben voor de verzorging van hun kinderen, die aldaar onderwijs volgen. Anders dan in de zaak Ibrahim is in het geval Teixeira de aanspraak op de sociale prestatie echter niet afkomstig van een persoon met de nationaliteit van een derde land, maar van een burger van de Unie, die vroeger zelf in het Verenigd Koninkrijk heeft gewerkt en daar nog steeds woont.

II – Juridisch kader

A –    Gemeenschapsrecht

4.        Het gemeenschapsrechtelijk kader van dit geval wordt enerzijds bepaald door richtlijn 2004/38 en anderzijds door verordening nr. 1612/68.

1.      Richtlijn 2004/38

5.        Richtlijn 2004/38 bevat in hoofdstuk I (artikelen 1‑3) algemene bepalingen, in hoofdstuk III (artikelen 6‑15) voorschriften inzake het verblijfsrecht en in hoofdstuk IV (artikelen 16‑21) voorschriften inzake het duurzaam verblijfsrecht.

6.        Volgens de definitie in artikel 2, lid 2, sub c, wordt onder „familielid” in de zin van richtlijn 2004/38 verstaan:

„de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b, beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn”.

7.        Artikel 7 van richtlijn 2004/38, „Verblijfsrecht voor meer dan drie maanden”, luidt voor zover in casu relevant als volgt:

„1.      Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

a)      indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is,

b)      indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of

c)      –       indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en

–      indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit, – door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze –, de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland; of

d)      indien hij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden onder a, b of c en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.

2.      Het verblijfsrecht van lid 1 strekt zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en voldoen aan de voorwaarden onder a, b of c.

3.      Voor de toepassing van lid 1, onder a, behoudt een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, in de volgende gevallen zijn status van werknemer of zelfstandige:

a)      hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt;

b)      hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven;

c)      hij bevindt zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden;

d)      hij start met een beroepsopleiding. Behalve in geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van de status van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en deze opleiding.

4.      [...]”

8.        Inzake het behoud van het verblijfsrecht van familieleden in geval van overlijden of vertrek van de burger van de Unie is in artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/38 het volgende geregeld:

„Het overlijden van een burger van de Unie of zijn vertrek uit het gastland leidt niet tot verlies van het verblijfsrecht voor zijn kinderen, noch voor de ouder die daadwerkelijk de voogdij heeft voor de kinderen, ongeacht de nationaliteit, indien de kinderen in het gastland verblijven en er met het oog op studie aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven. Dit geldt tot hun studie voltooid is.”

9.        Volledigheidshalve wijs ik op artikel 16 van richtlijn 2004/38, dat algemene regels bevat voor het recht op duurzaam verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden:

„1.      Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.

[...]

3.      Het ononderbroken karakter van het verblijf wordt niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten in een andere lidstaat of een derde land.

4.      Wanneer het duurzame verblijfsrecht eenmaal is verkregen, kan het slechts worden verloren door een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het gastland.”

10.      Blijkens artikel 40, lid 1, van richtlijn 2004/38 diende deze richtlijn door de lidstaten vóór 30 april 2006 in nationaal recht te zijn omgezet.

2.      Verordening nr. 1612/68

11.      Verordening nr. 1612/68 is een voorloper van richtlijn 2004/38. De verordening is door de richtlijn gedeeltelijk buiten werking gesteld.(7)

12.      In artikel 10 van verordening nr. 1612/68, dat bij richtlijn 2004/38 is geschrapt, was tot 30 april 2006 het volgende bepaald:

„1.      Met de werknemer die onderdaan is van een lidstaat en die op het grondgebied van een andere lidstaat is tewerkgesteld mogen zich vestigen, ongeacht hun nationaliteit:

a)      zijn echtgenoot en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;

b)      de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te zijnen laste zijn.

2.      De lidstaten begunstigen de toelating van alle familieleden die niet onder de bepalingen van lid 1 vallen, indien zij ten laste zijn van bovenbedoelde werknemer dan wel in het land van herkomst onder zijn dak leven.

3.      Voor de toepassing van de leden 1 en 2 moet de werknemer de beschikking hebben over een woning voor zijn familie, die in het gebied waar hij werkt voor de nationale werknemers als normaal wordt beschouwd; deze bepaling mag geen discriminatie tussen de nationale werknemers en de werknemers uit andere lidstaten ten gevolge hebben.”

13.      Artikel 12 van verordening nr. 1612/68, dat ook na de inwerkingtreding van richtlijn 2004/38 nog steeds geldt, bevat de volgende regeling:

„De kinderen van een onderdaan van een lidstaat, die op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid verricht of heeft verricht, worden, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding.

De lidstaten moedigen de initiatieven aan, waardoor deze kinderen dit onderwijs in zo gunstig mogelijke omstandigheden kunnen volgen.”

B –    Nationaal recht

14.      De relevante nationale bepalingen worden in de verwijzingsbeslissing „complex” genoemd en slechts beknopt weergegeven. Blijkens deze samenvatting is de nationaalrechtelijke situatie als volgt.

15.      Op grond van de in 1996 aangenomen Housing Act(8) wordt aan „in aanmerking komende personen”, die dakloos zijn en aan bepaalde voorwaarden voldoen, huisvestingssteun toegekend.

16.      Blijkens Section 185 van de Housing Act 1996(9) komt iemand niet in aanmerking voor huisvestingssteun wanneer „hij een persoon uit het buitenland is die niet in aanmerking komt voor steun”. Deze bepaling wordt voor Engeland uitgewerkt in een algemene regeling, de Eligibility Regulations.(10)

17.      Met name volgt uit Regulation 6(1) dat een persoon die niet onder het vreemdelingentoezicht valt alleen dan in aanmerking komt voor huisvestingssteun wanneer hij zowel zijn gewone verblijfplaats als een recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk heeft.(11)

18.      Als verblijfsgerechtigd zijn in dit verband te beschouwen, naast Britse burgers, onder meer burgers van de Unie die gebruikmaken van hun gemeenschapsrechtelijk recht om naar het Verenigd Koninkrijk te reizen en er langere tijd te verblijven.(12) Burgers van de Unie voldoen niet aan de voorwaarden voor steun wanneer zij van hun verblijfsrecht uitsluitend gebruikmaken als werkzoekende of familielid van een werkzoekende of wanneer zij gebruikmaken van hun initiële recht op verblijf in het Verenigd Koninkrijk voor ten hoogste drie maanden.(13)

19.      Volgens Regulation 6(2) behoeven onder meer de volgende burgers van de Unie niet aan het criterium van de gewone verblijfplaats te voldoen: werknemers, zelfstandigen, familieleden van een werknemer of zelfstandige, en personen met een recht van duurzaam verblijf in het Verenigd Koninkrijk.

20.      Ten slotte vermeld ik dat richtlijn 2004/38 in het Verenigd Koninkrijk in nationaal recht is omgezet bij de Immigration (European Economic Area) Regulations 2006(14), in werking getreden op 30 april 2006.

III – Feiten en prejudiciële procedure

21.      M. Teixeira is geboren op 7 maart 1971 en bezit de Portugese nationaliteit. Zij is naar Engeland gekomen in 1989 en heeft daar als schoonmaakster gewerkt van 1989 tot 1991. Haar echtgenoot, die eveneens de Portugese nationaliteit bezit, kwam met haar mee. Patricia, de dochter van het echtpaar, werd op 2 juni 1991 in het Verenigd Koninkrijk geboren. Patricia begon aldaar met haar schoolopleiding op een tijdstip dat Teixeira geen werknemer was.(15)

22.      Teixeira en haar echtgenoot zijn vervolgens gescheiden, en ook hij woont nog in Engeland. Op 13 juni 2006 besliste een rechter dat Patricia bij haar vader zou wonen maar zo veel contact met haar moeder mocht hebben als zij wilde. In november 2006 begon Patricia in het Vauxhall Learning Centre(16) in het Londense stadsdeel Lambeth met een opleiding tot kinderverzorgster. In maart 2007 trok de toen vijftienjarige Patricia bij haar moeder in.

23.      Teixeira is in het Verenigd Koninkrijk herhaaldelijk tijdelijk werkzaam geweest, laatstelijk begin 2005.

24.      Op 11 april 2007 vroeg Teixeira bij de London Borough of Lambeth(17) huisvestingssteun aan wegens dakloosheid. De aanvraag werd afgewezen op grond dat Teixeira daarop geen recht had. Ook na een door Teixeira ingediende bezwaar werd de afwijzing gehandhaafd.

25.      Teixeira stelde tegen de weigering van huisvestingssteun beroep in bij de London Lambeth County Court(18), maar zonder succes.(19) Thans is het geschil in hoger beroep aanhangig bij de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division), de verwijzende rechter.

26.      Volgens de verwijzingsbeslissing erkent Teixeira in het hoofdgeding dat zij

–        geen werknemer is, niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt en geen recht van verblijf heeft volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 2004/38,

–        de status van werknemer niet heeft behouden daar zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38, en

–        geen recht van duurzaam verblijf heeft ingevolge artikel 16 van richtlijn 2004/38.

27.      Haar aanspraak op verblijf in het Verenigd Koninkrijk leidt Teixeira in het hoofdgeding uitsluitend af uit het feit dat zij sinds maart 2007 de primaire verzorger is van haar dochter Patricia, die in het Verenigd Koninkrijk onderwijs volgde en overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 1612/68 een recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk had.(20)

IV – Verzoek om een prejudiciële beslissing en procesverloop voor het Hof

28.      Bij beslissing van 10 oktober 2008 heeft de Court of Appeal de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„Onder omstandigheden waarin i) een burger van de Europese Unie naar het Verenigd Koninkrijk is gekomen, ii) deze burger van de Unie gedurende bepaalde perioden in het Verenigd Koninkrijk werknemer is geweest, iii) de burger van de Unie niet langer werknemer is maar niet uit het Verenigd Koninkrijk is vertrokken, iv) de burger van de Unie haar status als werknemer niet heeft behouden, geen verblijfsrecht volgens artikel 7 [...] en geen duurzaam verblijfsrecht volgens artikel 16 van richtlijn 2004/38 heeft, v) het kind van de burger van de Unie onderwijs is gaan volgen op een tijdstip waarop deze burger geen werknemer was, maar het kind in het Verenigd Koninkrijk onderwijs is blijven volgen in perioden waarin deze burger daar wel werknemer was, vi) de burger van de Unie de primaire verzorger is van haar kind, vii) de burger van de Unie en haar kind niet over voldoende middelen van bestaan beschikken:

1)      heeft de burger van de Unie dan enkel een recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk indien zij voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38 [...],

of

2)      a)     ontleent de burger van de Unie een verblijfsrecht aan artikel 12 van verordening [nr. 1612/68], zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, zonder dat zij behoeft te voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38, en

b)      zo ja, moet zij dan over voldoende middelen kunnen beschikken om gedurende de beoogde verblijfsduur niet ten laste te komen van het socialebijstandsstelsel van de gastlidstaat, en over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt,

c)      zo ja, moet het kind dan voor het eerst onderwijs zijn gaan volgen op een tijdstip waarop de burger van de Unie werknemer was om verblijfsrecht te hebben op grond van verordening nr. 1612/68 [...], zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, of volstaat het dat de burger van de Unie werknemer is geweest op enig tijdstip nadat het kind onderwijs is gaan volgen,

d)      gaat het verblijfsrecht van een burger van de Unie als primaire verzorger van een kind dat onderwijs volgt, teniet wanneer dit kind de leeftijd van 18 jaar bereikt?

3)      Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, is de situatie dan anders in omstandigheden als die van het onderhavige geval, waarin het kind onderwijs is gaan volgen vóór de datum waarop richtlijn 2004/38 door de lidstaten moest zijn uitgevoerd maar de moeder pas in maart 2007, dat wil zeggen na de datum waarop de richtlijn moest zijn uitgevoerd, de primaire verzorger werd en aanspraak maakte op verblijfsrecht op grond dat zij de primaire verzorger van het kind was?”

29.      In de procedure voor het Hof hebben Teixeira en de London Borough of Lambeth, alsmede de Deense regering, de Portugese regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie schriftelijke en mondelinge opmerkingen ingediend.(21) Schriftelijke opmerkingen zijn voorts ingediend door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.

V –    Beoordeling

30.      Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een economisch niet-actieve burger van de Unie in de situatie van Teixeira een verblijfsrecht heeft op grond van het gemeenschapsrecht, ook wanneer zij zelf niet economisch onafhankelijk is. Het bestaan van een dergelijk verblijfsrecht zou namelijk naar nationaal recht een voorwaarde zijn voor toekenning van de door Teixeira aangevraagde huisvestingssteun.

31.      De opvattingen daarover van de deelnemers aan de procedure lopen uiteen.

32.      Teixeira is van mening dat haar als verzorger van haar onderwijs volgende dochter op basis van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 een recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk toekomt, zonder dat zij zelf behoeft te beschikken over voldoende bestaansmiddelen of een ziektekostenverzekering. De Commissie en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA zijn het met haar eens. In dezelfde zin heeft zich voorts de Italiaanse regering uitgelaten in de zaak Ibrahim (C‑310/08). Ook de Portugese regering komt tot deze conclusie.(22) Diametraal daar tegenover staan de standpunten die zijn ingenomen door de London Borough of Lambeth, de Deense regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, evenals overigens Ierland in de zaak Ibrahim.

33.      Hierna zal ik allereerst bespreken of een burger van de Unie in de situatie van Teixeira reeds aan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 een verblijfsrecht als verzorger van haar kind kan ontlenen (zie hierna sub A.). In tweede instantie zal ik de vraag bespreken of voor een dergelijk verblijfsrecht vereist is dat de aanvrager beschikt over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering met volledige dekking (zie hierna sub B). Ten slotte zal ik ingaan op de drie door de verwijzende rechter geopperde tijdsfactoren in verband met Teixeira’s mogelijke aanspraken op grond van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 (zie hierna sub C).

A –    Kan aan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 een verblijfsrecht van een van de ouders als verzorger worden ontleend?

34.      Met het eerste onderdeel van zijn tweede vraag(23) wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 een verblijfsrecht kan worden afgeleid voor iemand die in de gastlidstaat als ouder de zorg heeft voor een onderwijs volgend kind van een migrerend werknemer.

35.      Niet in geschil is dat artikel 12 van verordening nr. 1612/68 een recht van toegang tot onderwijs inhoudt: kinderen van een migrerend werknemer die in de lidstaat wonen waar de werknemer zijn arbeid verricht of heeft verricht, hebben het recht om aldaar „onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze staat [te worden] toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding”. De meningen verschillen echter over de vraag of met dit recht van toegang tot onderwijs ook een verblijfsrecht van het kind en de verzorgende ouder in de gastlidstaat gepaard gaat.

36.      Het eventuele verblijfsrecht van een ouder als verzorger is ten opzichte van het verblijfsrecht van het kind accessoir; het is er dus van afhankelijk dat het kind zelf verblijfsrecht heeft. Ik zal dan ook hierna om te beginnen ingaan op het verblijfsrecht van het kind voor onderwijsdoeleinden (hierna sub 1) en pas in tweede instantie op het verblijfsrecht van de verzorger (hierna sub 2).

1.      Het verblijfsrecht van het kind voor onderwijsdoeleinden

37.      De London Borough of Lambeth, de Deense regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn alle de opvatting toegedaan dat artikel 12 van verordening nr. 1612/68 uitsluitend een recht op toegang tot onderwijs inhoudt. Het bijbehorende verblijfsrecht van het kind volgt niet uit deze bepaling. Oorspronkelijk was het neergelegd in artikel 10 van de verordening; sinds de intrekking van deze bepaling moet het verblijfsrecht worden vastgesteld aan de hand van richtlijn 2004/38.(24)

38.      Het is juist dat artikel 12 van verordening nr. 1612/68 kinderen niet het recht verleent, de aanvang van hun verblijf in de gastlidstaat daarop te baseren. Zoals reeds uit de formulering van artikel 12 blijkt, kunnen kinderen slechts dan het recht van toegang tot onderwijs geldend maken „indien zij [op het grondgebied van deze lidstaat] woonachtig zijn”. Het moet dus gaan om kinderen die reeds voordien, met als doel samenwoning met een migrerend werknemer, hun woonplaats hebben gevestigd in de gastlidstaat.(25) Het in artikel 12 neergelegde recht van toegang tot onderwijs vindt namelijk zijn oorsprong in de omstandigheid dat een kind zijn vader of moeder in diens hoedanigheid van migrerend werknemer naar de gastlidstaat is gevolgd.(26)

39.      Wanneer het kind echter als familielid van een migrerend werknemer zijn woonplaats in de gastlidstaat heeft gevestigd, of – zoals in het onderhavige geval de dochter van Teixeira – aldaar zelfs is geboren, dan verzelfstandigt zijn rechtspositie zich volgens artikel 12 van verordening nr. 1612/68. Zijn recht op toegang tot onderwijs is er dan voor de toekomst niet meer van afhankelijk dat zijn vader of moeder in de gastlidstaat de status van migrerend werknemer behoudt.(27) Ook een kind van wie een van de ouders enkel in het verleden als migrerend werknemer „arbeid [...] heeft verricht”, heeft recht op toegang tot onderwijs.

40.      Anders dan enkele procesdeelnemers menen, kan dus voor de gebruikmaking van het recht van toegang tot onderwijs met name niet als voorwaarde worden gesteld dat het kind voor de duur van zijn opleiding zijn bijzondere verblijfsrecht volgens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68(28) behoudt, dat het dus nog steeds een recht heeft om zijn woonplaats te vestigen bij een van de ouders die migrerend werknemer is.(29) Anders zou met name voor kinderen van voormalige migrerende werknemers het recht op toegang tot onderwijs op grond van artikel 12, grotendeels worden uitgehold. Vaak zal immers de ouder die in de gastlidstaat „arbeid heeft verricht”, deze staat na beëindiging van zijn arbeid weer hebben verlaten, zodat een gemeenschappelijke huishouding met het kind aldaar niet langer zonder meer mogelijk is.(30)

41.      Ook verder verwijst artikel 12 van verordening nr. 1612/68 niet naar verblijfsrechtelijke bepalingen, maar stelt het slechts de voorwaarde dat het kind van een migrerend werknemer dat in de gastlidstaat een opleiding wil afronden, daar reeds „woonachtig” is.

42.      Het bijbehorende recht van het in de gastlidstaat woonachtige kind van een migrerend werknemer om daar voor onderwijsdoeleinden te verblijven, volgt rechtstreeks uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68.(31) Deze bepaling mag namelijk, gelet op de context en doelstellingen ervan, niet restrictief worden uitgelegd of haar effectiviteit worden ontnomen.(32)

43.      Artikel 12 van verordening nr. 1612/68 behoort tot een reeks van bepalingen die tot doel hebben, optimale voorwaarden te scheppen voor de integratie van de familie van een migrerend werknemer in de gastlidstaat.(33) Wil die integratie kunnen slagen, dan moeten de kinderen van een migrerend werknemer, zoals het Hof heeft benadrukt, de mogelijkheid hebben om in de gastlidstaat de school te bezoeken en aldaar een opleiding te volgen, teneinde deze opleiding met succes te kunnen afronden.(34)

44.      Voor een migrerend werknemer zou het veel minder aantrekkelijk zijn om van zijn recht op vrij verkeer gebruik te maken, wanneer hij er niet zeker van kon zijn dat zijn kinderen in de gastlidstaat een opleiding kunnen volgen en deze ook mogen afronden.(35) Wanneer elke onderbreking of beëindiging van de werkzaamheden van de migrerend werknemer in de gastlidstaat ertoe zou leiden dat ook zijn kinderen aldaar automatisch hun verblijfsrecht zouden verliezen en dientengevolge hun opleiding zouden moeten afbreken, zouden nadelige gevolgen voor hun opleidings‑ en beroepsperspectieven moeten worden gevreesd. De kinderen zouden dan wellicht gedwongen worden om hun opleiding in het buitenland voort te zetten, wat gezien de verscheidenheid van de nationale onderwijsstelsels en de daarin gehanteerde onderwijstalen aanzienlijke problemen kan meebrengen. Zulke nadelige gevolgen zijn alleen te vermijden wanneer kinderen van migrerende werknemers – ook en met name verblijfsrechtelijk – in staat worden gesteld, hun school‑ en beroepsopleiding in de gastlidstaat voort te zetten tot en met de afronding, ongeacht of een van de ouders aldaar gedurende hun gehele opleidingstijd als migrerend werknemer werkzaam is of niet. Tegelijkertijd wordt op deze manier het best gewaarborgd dat kinderen van migrerende werknemers volledig kunnen integreren in de gastlidstaat.

45.      Tegen deze achtergrond zou het in strijd zijn met de context en doelstellingen van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 om de uitoefening van het recht op toegang tot onderwijs afhankelijk te stellen van het bestaan van een afzonderlijk verblijfsrecht van het kind uit hoofde van andere bepalingen.(36) Artikel 12 van verordening nr. 1612/68 verleent integendeel aan het kind dat onderwijs volgt een zelfstandig verblijfsrecht.(37)

46.      Anders dan enkele procesdeelnemers menen, is daarin ook geen verandering gekomen door de inwerkingtreding van richtlijn 2004/38. Er is geen reden om aan te nemen dat de gemeenschapswetgever met de vaststelling van richtlijn 2004/38 het destijds bekende artikel 12 van verordening nr. 1612/68, zoals uitgelegd door het Hof(38), heeft willen wijzigen en de regeling inhoudelijk voortaan heeft willen beperken tot een zuiver recht van toegang tot onderwijs.

47.      Verordening nr. 1612/68 is bij richtlijn 2004/38 immers slechts in zoverre gewijzigd dat de artikelen 10 en 11 van de verordening werden ingetrokken. Op geen van beide bepalingen echter berust het recht van kinderen van migrerende werknemers om voor onderwijsdoeleinden in de gastlidstaat te verblijven. Dit verblijfsrecht volgt, zoals zojuist uiteengezet(39), rechtstreeks uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68, waarvan de regeling inhoudelijk niet door richtlijn 2004/38 is aangetast.

48.      Hiertegen kan niet worden ingebracht dat in richtlijn 2004/38 thans alle verblijfsrechten van burgers van de Unie en hun familieleden zijn samengebracht, zodat uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 geen zelfstandig verblijfsrecht meer kan worden afgeleid. Weliswaar codificeert richtlijn 2004/38 stellig de bestaande gemeenschapsinstrumenten die tot dan toe de rechtspositie van bepaalde groepen van personen regelden.(40) Ook geldt de richtlijn ontegenzeglijk voor iedere burger van de Unie en zijn familieleden.(41) Niettemin houdt de richtlijn geen volledige en definitieve regeling van alle denkbare verblijfsrechten van deze burgers en hun familieleden in.

49.      Zo ontbreekt in richtlijn 2004/38, evenals reeds in haar voorlopers, een uitdrukkelijke en volledige regeling van het verblijfsrecht voor ouders die zelf niet werken maar de persoonlijke verzorging van minderjarige burgers van de Unie voor hun rekening nemen.(42) Verder bevat richtlijn 2004/38 voor het geval dat een burger van de Unie naar zijn land van herkomst terugkeert geen uitdrukkelijke bepalingen over het verblijfsrecht van zijn familieleden die zelf geen burger van de Unie zijn, in die herkomststaat.(43)

50.      Ook de thans in geding zijnde verblijfsrechtelijke kwesties in verband met de opleiding van kinderen van burgers van de Unie zijn in richtlijn 2004/38 niet uitputtend geregeld.

51.      Weliswaar kan aan onderwijs volgende kinderen van een burger van de Unie als familieleden op grond van de algemene regels van de richtlijn een recht van verblijf in de gastlidstaat toekomen(44), maar een specifiek verblijfsrecht voor kinderen in opleiding dat vergelijkbaar is met dat van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 ontbreekt in richtlijn 2004/38. Met name creëert artikel 12, lid 3, van deze richtlijn een dergelijk zelfstandig verblijfsrecht voor onderwijsdoeleinden niet; deze bepaling gaat in wezen uit van het bestaan van een verblijfsrecht en bepaalt slechts dat dit in geval van overlijden of vertrek van een burger van de Unie blijft bestaan tot het kind van deze burger zijn studie heeft voltooid.(45)

52.      Artikel 12 van verordening nr. 1612/68 en artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/38 hebben niet dezelfde dekking. Wat de personele werkingssfeer betreft, is artikel 12, lid 3, van de richtlijn ruimer geformuleerd dan artikel 12 van de verordening, daar het ook de kinderen van economisch niet-actieve burgers van de Unie omvat. Wat de materiële werkingssfeer betreft, is artikel 12, lid 3, van de richtlijn daarentegen veel restrictiever dan artikel 12 van de verordening, daar het slechts een regeling treft voor het geval van overlijden of vertrek van een burger van de Unie.

53.      Het ontbreken van een zelfstandig, volledig verblijfsrecht voor onderwijsdoeleinden in richtlijn 2004/38 maakt duidelijk dat er ook na de inwerkingtreding van deze richtlijn nog ruimte is voor toepassing van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 als rechtsgrondslag voor verblijfsrechten.

54.      Dit geldt in de eerste plaats voor onderwijs volgende kinderen van migrerende werknemers, die reeds ouder zijn dan 21 jaar en niet ten laste komen. Deze kinderen kunnen geen aanspraak meer maken op een algemeen verblijfsrecht volgens artikel 7, lid 1, sub d, van richtlijn 2004/38 omdat zij niet als familielid gelden.(46) Het toepassingsgebied van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 daarentegen is noch naar leeftijd beperkt, noch is het ervan afhankelijk dat degene die onderwijs volgt, ten laste komt.(47)

55.      In de tweede plaats blijft artikel 12 van verordening nr. 1612/68 van belang wanneer het verblijfsrecht van de onderwijs volgende kinderen van voormalige migrerende werknemers in het geding is. Zoals zojuist uiteengezet, houdt richtlijn 2004/38 daarvoor in artikel 12, lid 3, slechts een onvolledige regeling in, die alleen geldt voor gevallen van overlijden of vertrek, maar niet voor kinderen van een voormalig migrerend werknemer die zelf na beëindiging van zijn werkzaamheden in de gastlidstaat is gebleven. Artikel 12 van verordening nr. 1612/68 omvat daarentegen ook laatstgenoemd geval.(48)

56.      Niet valt aan te nemen dat de gemeenschapswetgever bij de vaststelling van richtlijn 2004/38 met betrekking tot de verblijfsrechten van onderwijs volgende kinderen bewust heeft willen achterblijven bij artikel 12 van verordening nr. 1612/68 en enkel nog de in artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/38 genoemde personen verblijfsrechten heeft willen toekennen. Richtlijn 2004/38 heeft blijkens punt 3 van de considerans immers tot doel, het recht van de burgers van de Unie om vrij te reizen en te verblijven, te vereenvoudigen en te versterken. Met dit doel zou niet verenigbaar zijn dat de burgers van de Unie aan richtlijn 2004/38 minder rechten ontlenen dan aan de handelingen van afgeleid recht die bij deze richtlijn zijn gewijzigd of ingetrokken.(49)

57.      Artikel 12 van verordening nr. 1612/68 blijft dus ook na de inwerkingtreding van richtlijn 2004/38 een zelfstandige rechtsgrondslag voor het verblijfsrecht van personen die voor het volgen van onderwijs in de lidstaat wonen waar hun vader of moeder als migrerend werknemer arbeid verricht of heeft verricht.

2.      Het afgeleide verblijfsrecht van de ouder als verzorger

58.      Wanneer een kind op grond van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 het recht heeft om in de gastlidstaat een studie te voltooien, heeft volgens de rechtspraak ook de ouder die daadwerkelijk de zorg voor dit kind heeft, op basis van dezelfde bepaling een verblijfsrecht in deze lidstaat.(50)

59.      Een dergelijk afgeleid verblijfsrecht van de verzorger is vaak noodzakelijk om het recht op onderwijs van het kind krachtens artikel 12 van verordening nr. 1612/68, te garanderen. Het recht van de kinderen van migrerende werknemers op toegang tot onderwijs in de gastlidstaat zou namelijk onder omstandigheden een wassen neus kunnen worden, wanneer men de ouders de mogelijkheid zou ontzeggen om deze kinderen tijdens hun opleiding persoonlijk te verzorgen en daartoe met hen samen in de gastlidstaat te wonen.(51) Daarentegen maakt een verblijfsrecht voor de ouder die daadwerkelijk persoonlijke zorg verleent, het deze kinderen gemakkelijker om van hun recht op onderwijs gebruik te maken.(52)

60.      Tegelijkertijd wordt door de erkenning van een afgeleid verblijfsrecht van de ouder die persoonlijke zorg verleent, rekening gehouden met het recht van het kind en zijn ouders op eerbiediging van hun familieleven(53), dat is neergelegd in artikel 8, lid 1, EVRM(54) en inmiddels ook is opgenomen in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten.(55)

61.      Daarnaast wordt aldus gegarandeerd dat kinderen van migrerende werknemers in de gastlidstaat „in zo gunstig mogelijke omstandigheden” (artikel 12, tweede alinea, van verordening nr. 1612/68) en „onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze staat” (artikel 12, eerste alinea, van verordening nr. 1612/68) worden toegelaten.(56) Tot deze omstandigheden en voorwaarden behoort niet in de laatste plaats dat kinderen en jongeren in hun vertrouwde familieomgeving kunnen opgroeien, wat normaliter betekent dat zij samenwonen met hun ouders of met de ouder die daadwerkelijk voor hen zorgt.

62.      Ten slotte vormt de erkenning van een afgeleid verblijfsrecht voor de ouder bij wie de persoonlijke zorg voor het kind berust, ook een van de voorwaarden voor een zo goed mogelijke integratie van de kinderen van migrerende werknemers in het sociale leven van de gastlidstaat.(57)

3.      Tussenstand

63.      Samenvattend kan dus worden geconcludeerd:

Wanneer het kind van een burger van de Unie onderwijs volgt in de lidstaat waarin deze burger als migrerend werknemer arbeid verricht of heeft verricht, dan heeft de ouder die daadwerkelijk de zorg voor dit kind draagt, een uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 afgeleid verblijfsrecht.

B –    Geldt het verblijfsrecht alleen wanneer de aanvrager beschikt over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering met volledige dekking?

64.      Met zijn eerste vraag en het tweede deel van zijn tweede vraag(58) wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het verblijfsrecht van iemand die in de gastlidstaat als ouder het onderwijs volgend kind van een migrerend werknemer verzorgt en zelf economisch niet actief is, ervan afhangt dat de betrokkene beschikt over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering met volledige dekking, dus „economisch onafhankelijk” is.(59)

65.      In tegenstelling tot de andere procesdeelnemers achten de London Borough of Lambeth, de Deense regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk het noodzakelijk, de uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 voortvloeiende rechten te beperken tot personen die economisch onafhankelijk zijn.

66.      Dit zou tot gevolg hebben dat iemand in de situatie van Teixeira aan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 geen verblijfsrecht kan ontlenen, omdat zij thans geen toegang tot voldoende bestaansmiddelen heeft en ook niet beschikt over een ziektekostenverzekering met volledige dekking voor het Verenigd Koninkrijk.

67.      Uit de tekst van artikel 12 van verordening nr. 1612/68, dat niet restrictief mag worden uitgelegd(60), kan een dergelijk vereiste van economische onafhankelijkheid echter niet worden afgeleid.

68.       Ook de rechtspraak inzake artikel 12 van verordening nr. 1612/68 stelt voor het uit deze bepaling afgeleide verblijfsrecht van kinderen en hun verzorgende ouders geen voorwaarde, van welke aard ook, van economische onafhankelijkheid. Met name het arrest Echternach en Moritz en het arrest Baumbast en R zijn in dit verband van belang:

–        In het arrest Echternach en Moritz is nergens getoetst of er voldoende bestaansmiddelen waren. De beide betrokken studenten werd het beroep op artikel 12 van verordening nr. 1612/68 niet ontzegd ofschoon zij in het hoofdgeding behalve op verblijfsrecht ook aanspraak maakten op studiefinanciering, die onder meer bestemd was ter dekking van hun kosten van levensonderhoud, van de kosten van levensonderhoud van hun ten laste komende personen, alsmede van de kosten van een ziektekostenverzekering, en die in elk geval voor een deel het karakter van een sociale uitkering had.(61)

–        In het arrest Baumbast en R werd de omstandigheid dat Baumbast beschikte over voldoende bestaansmiddelen alleen genoemd met betrekking tot zijn eigen verblijfsrecht op grond van artikel 18 EG als economisch niet-actieve burger van de Unie.(62) Daarentegen speelde het beschikken over voldoende bestaansmiddelen geen enkele rol in de in casu relevante overwegingen van dat arrest, die gewijd zijn aan de verblijfsrechten van Baumbasts echtgenote en dochter krachtens artikel 12 van verordening nr. 1612/68.(63)

69.      Ongetwijfeld is de wetgever ervan uitgegaan dat de familieleden van een migrerend werknemer die in de gastlidstaat met hem samenwonen, in de regel beschikken over voldoende bestaansmiddelen, omdat zij hetzij zelf in de gastlidstaat arbeid verrichten (artikel 11 van verordening nr. 1612/68), hetzij worden verzorgd door de migrerend werknemer, die uit zijn inkomen hun onderhoud bekostigt en hun een woning ter beschikking stelt (artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr. 1612/68).

70.      Ook heeft de wetgever in verordening nr. 1612/68 het beschikken over voldoende bestaansmiddelen niet als voorwaarde gesteld voor een verblijf in de gastlidstaat. Integendeel, migrerende werknemers hebben ingevolge artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 recht op dezelfde sociale voordelen als nationale werknemers(64); dit recht strekt zich in het kader van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 ook uit tot hun kinderen, voor zover deze in de gastlidstaat een opleiding afmaken.(65)

71.      Het ontbreken van een vereiste van economische onafhankelijkheid in verordening nr. 1612/68 vormt een belangrijk verschil tussen deze verordening en enkele later vastgestelde richtlijnen, waarin het recht op reizen en verblijven van economisch niet-actieve burgers van de Unie is verbonden aan het uitdrukkelijk voorbehoud dat men aantoont te beschikken over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering met volledige dekking.(66) Daarop is terecht gewezen door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.

72.      Niettemin menen de London Borough of Lambeth, de Deense regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk dat ook aan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 thans een voorbehoud van economische onafhankelijkheid moet worden verbonden. Dit concluderen zij uit de intussen in werking getreden richtlijn 2004/38, in het licht waarvan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 volgens hen thans moet worden uitgelegd en toegepast.

73.      Deze stelling is niet overtuigend.

74.      Zoals gezegd(67), zou het tegen de doelstelling van richtlijn 2004/38 ingaan, wanneer de strekking van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 uit hoofde van deze richtlijn zou worden beperkt. Richtlijn 2004/38 heeft zoals bekend tot doel, het recht van de burgers van de Unie om vrij te reizen en te verblijven, te vereenvoudigen en te versterken.(68) Daarmee zou niet verenigbaar zijn dat de burgers van de Unie aan richtlijn 2004/38 minder rechten ontlenen dan aan de handelingen van afgeleid recht die bij richtlijn 2004/38 zijn gewijzigd of ingetrokken.(69)

75.      Afgezien van deze algemene overwegingen spreken echter ook de in concreto in richtlijn 2004/38 tot uitdrukking komende afwegingen van de wetgever ertegen om de aan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 te ontlenen rechten te beperken tot economisch onafhankelijke personen.

76.      Het is zeker niet zo dat richtlijn 2004/38 voor alle verblijfsrechten van burgers van de Unie en hun familieleden in algemene zin als voorwaarde stelt dat de betrokkenen economisch onafhankelijk zijn. Deze richtlijn zet veeleer het reeds voorheen gebruikelijke onderscheid(70) tussen twee categorieën verblijfsrechten voort: voor de rechten van economisch niet-actieve burgers van de Unie en hun familieleden moet in beginsel worden aangetoond dat zij beschikken over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering met volledige dekking (artikel 7, lid 1, sub b en c, gelezen in samenhang met sub d, van de richtlijn), terwijl een dergelijke beperking niet geldt voor de rechten van economisch actieve burgers van de Unie en hun familieleden (artikel 7, lid 1, sub a, gelezen in samenhang met sub d, van de richtlijn).

77.      De aan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 te ontlenen rechten moeten tot de laatste categorie worden gerekend; zij komen toe aan de familieleden van burgers van de Unie die als migrerend werknemer in de gastlidstaat arbeid verrichten of hebben verricht. Het is dus – zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de afwegingen van de wetgever die aan richtlijn 2004/38 ten grondslag liggen – niet de bedoeling om aan deze rechten het voorbehoud van economische onafhankelijkheid te verbinden.

78.      Deze conclusie wordt bevestigd wanneer men artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/38 beziet. Daarin is voor het geval van overlijden of vertrek van een burger van de Unie uit de gastlidstaat bepaald dat het verblijfsrecht van zijn onderwijs volgende kinderen, evenals het verblijfsrecht van de ouder die daadwerkelijk de voogdij heeft over de kinderen, behouden blijft tot deze kinderen hun studie voltooid hebben. In tegenstelling tot enkele aangrenzende bepalingen over de instandhouding van verblijfsrechten(71) geldt voor artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/38 niet het voorbehoud van economische onafhankelijkheid van de kinderen en hun ouder: het aantonen van voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering met volledige dekking wordt daarin niet als voorwaarde gesteld voor het verblijf in de gastlidstaat.

79.      Het is wel zo dat het voorliggende geval als zodanig niet binnen het toepassingsgebied van artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/38 valt, daar geen van beide ouders van het onderwijs volgende kind Patricia overleden of uit het Verenigd Koninkrijk vertrokken is. De bepaling illustreert echter dat richtlijn 2004/38 aan de rechtspositie van onderwijs volgende kinderen en hun verzorgende ouders bijzonder belang hecht en hun bevoorrecht ten opzichte van andere familieleden van burgers van de Unie.

80.      Alles bijeengenomen spreken dus ook de in richtlijn 2004/38 tot uitdrukking komende afwegingen van de wetgever ertegen om voor de uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 voortvloeiende verblijfsrechten voortaan het voorbehoud te verbinden van economische onafhankelijkheid van het onderwijs volgende kind of van de ouder die dit kind verzorgt.

81.      Ongetwijfeld kan deze ruime uitlegging van artikel 12 van verordening nr. 1612/68, zoals deze reeds volgt uit de door mij aangehaalde rechtspraak van het Hof, tot gevolg hebben dat personen zoals Teixeira en haar dochter, die zelf niet economisch onafhankelijk zijn, in de gastlidstaat een beroep doen op de sociale bijstand. Dit zal echter normaal gesproken geen onevenredige belasting meebrengen voor de begroting en het sociale stelsel van de gastlidstaat. Aan de financiering van die begroting en dat sociale stelsel hebben de vader of moeder van het onderwijs volgende kind immers in het kader van hun – huidige of vroegere – arbeid als migrerend werknemer bijgedragen door middel van belastingen en socialezekerheidspremies. Ook als groep bezien leveren de in de gastlidstaat werkzame migrerende werknemers een dergelijke financieringsbijdrage.

82.      Overigens is een zekere mate van financiële solidariteit van de gastlidstaat met de burgers van andere lidstaten reeds lang inherent aan alle gemeenschapsinstrumenten betreffende de reis‑ en verblijfsrechten, ook ten opzichte van economisch niet-actieve personen.(72) Thans komt deze gedachte in de considerans van richtlijn 2004/38 opnieuw tot uitdrukking. Daarin wordt zelfs voor het eerste verblijf van een persoon in de gastlidstaat een beroep op uitkeringen van sociale bijstand niet categorisch uitgesloten: dergelijke uitkeringen dienen enkel geen onredelijke belasting te vormen.(73) Daarenboven bepaalt artikel 14, lid 3, van richtlijn 2004/38 dat een beroep op het socialebijstandsstelsel door een burger van de Unie of zijn familieleden niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel leidt.

83.      Uiteraard verplicht het beginsel van financiële solidariteit met burgers van andere lidstaten de gastlidstaat niet tot het tolereren van misbruik. Volgens een algemeen rechtsbeginsel van het gemeenschapsrecht mag de toepassing van een communautaire regeling namelijk niet zo ver gaan dat bedrieglijke praktijken worden gedekt.(74) Dit beginsel heeft ook uitdrukking gevonden in artikel 35 van richtlijn 2004/38.(75) Het staat de lidstaten dan ook vrij, een beroep op de in artikel 12 van verordening nr. 1612/68 neergelegde rechten dat misbruik vormt, te verhinderen. Of van misbruik sprake is, moet echter worden getoetst aan de hand van een algehele beoordeling van alle omstandigheden van het concrete individuele geval en mag niet reeds worden afgeleid uit het enkele feit dat iemand een beroep doet op de in artikel 12 van verordening nr. 1612/68 verleende rechten.(76)

84.      In het onderhavige geval zijn er geen redenen om aan te nemen dat het beroep van Teixeira of haar dochter op artikel 12 van verordening nr. 1612/68 misbruik vormt of een overmatige belasting voor de financiële solidariteit zou kunnen betekenen.

85.      Teixeira woonde op het tijdstip van haar aanvraag om huisvestingssteun al ongeveer achttien jaar ononderbroken(77) in het Verenigd Koninkrijk. Haar dochter Patricia is een burger van de Unie die in de gastlidstaat is geboren en daar – naar mag worden aangenomen – haar gehele schoolopleiding heeft gevolgd. Tenzij de verwijzende rechter vaststelt dat de feiten anders zijn, kan er dus van worden uitgegaan dat de situatie van Teixeira en haar dochter wordt gekenmerkt door een relatief hoge mate van integratie in de gastlidstaat. In die omstandigheden komt een zekere mate van financiële solidariteit van de gastlidstaat tegenover hen gerechtvaardigd voor.

86.      Samenvattend moet dan ook worden geconcludeerd:

Het uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 volgende verblijfsrecht van de ouder die het onderwijs volgend kind van een migrerend werknemer daadwerkelijk persoonlijk verzorgt, is er niet van afhankelijk dat deze ouder beschikt over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering met volledige dekking.

C –    Tijdsfactoren

87.      Dan moet ten slotte worden bepaald welke invloed de drie door de verwijzende rechter genoemde tijdsfactoren hebben op het verblijfsrecht van iemand in de situatie van Teixeira.

1.      Op welk tijdstip moet degene die onderwijs volgt het kind van een migrerend werknemer zijn geweest?

88.      Met het derde deel van zijn tweede vraag(78) wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen op welk tijdstip degene die onderwijs volgt het kind van een migrerend werknemer moet zijn geweest, wil artikel 12 van verordening nr. 1612/68 kunnen worden toegepast. In het bijzonder vraagt hij of deze bepaling alleen van toepassing is, wanneer de ouder die de zorg voor het onderwijs volgende kind voor zijn rekening neemt, reeds bij de aanvang van de schoolopleiding door dit kind in de gastlidstaat aldaar zelf als migrerend werknemer werkzaam was.

89.      De achtergrond van deze vraag is dat Teixeira niet bij het begin van de schoolopleiding van haar dochter Patricia in het Verenigd Koninkrijk werkzaam was, maar enkel voordat haar dochter voor het eerst naar school ging, alsook nu en dan tijdens haar schoolopleiding. Tegen deze achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich af of Patricia – en daarmee uiteindelijk ook haar moeder als verzorgster – zich heden kan beroepen op artikel 12 van verordening nr. 1612/68.

90.      Daarover valt op te merken dat het toepassingsgebied van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 niet beperkt is tot gevallen waarin een ouder van het onderwijs volgende kind precies aan het begin van diens schoolcarrière de status van migrerend werknemer had.

91.      Reeds uit de tekst van deze bepaling blijkt dat zij zowel geldt voor kinderen wier ouder op het grondgebied van de gastlidstaat „arbeid verricht” als voor kinderen wier ouder aldaar „arbeid [...] heeft verricht”. Kinderen van voormalige migrerende werknemers kunnen zich dus evenzeer op artikel 12 beroepen als kinderen van burgers van de Unie die de status van actieve migrerende werknemers hebben. Aanknopingspunten voor de gedachte dat kinderen van voormalige migrerende werknemers wellicht slechts een beperkt recht hebben op toegang tot het onderwijs in de gastlidstaat, zijn in artikel 12 niet te vinden.

92.      Zoals reeds gezegd, mag artikel 12 van verordening nr. 1612/68 niet restrictief worden uitgelegd.(79) De bepaling heeft tot doel, optimale voorwaarden te scheppen voor de integratie van de familie van de migrerend werknemer in de gastlidstaat en zijn kinderen te behoeden voor nadelige gevolgen voor hun opleidings‑ en beroepsperspectieven.(80)

93.       Met deze doelstelling zou niet verenigbaar zijn om de aan artikel 12 van verordening nr. 1612/68 te ontlenen rechten aan een strikte peildatum te verbinden. Deze bepaling verleent het kind – en daarmee ook degene die het kind persoonlijk verzorgt – integendeel steeds reeds een verblijfsrecht voor onderwijsdoeleinden wanneer het in de gastlidstaat woont sinds een tijdstip waarop een van zijn ouders aldaar als migrerend werknemer een recht van verblijf had.(81) Of deze ouder precies aan het begin van de opleiding van het kind als migrerend werknemer in de gastlidstaat werkzaam was, doet er niet toe. Dit heeft ook de regering van het Verenigd Koninkrijk in de procedure voor het Hof erkend.

94.      Teixeira was op het tijdstip waarop haar dochter met haar opleiding begon weliswaar niet in het Verenigd Koninkrijk werkzaam, maar zij verrichtte er in elk geval in de loop van haar dochters schooltijd herhaaldelijk tijdelijk werk. Bij gebreke van andersluidende feitelijke vaststellingen ga ik er van uit dat dit geen volstrekt secundaire en insubstantiële werkzaamheden waren, en dat zij door Teixeira in ondergeschiktheid en tegen beloning werden verricht. Daarmee had Teixeira tijdens de schoolopleiding van haar dochter Patricia bij tijd en wijle de status van migrerend werknemer in het Verenigd Koninkrijk.(82)

95.      Zelfs wanneer men dus zou menen dat Patricia haar schoolopleiding in het Verenigd Koninkrijk niet is begonnen op de grondslag van artikel 12 van verordening nr. 1612/68, maar enkel op de grondslag van het nationale recht, heeft de latere tijdelijke arbeid van Teixeira in elk geval voldoende aanknoping voor toepassing van het gemeenschapsrecht opgeleverd.

96.      Dit stelt Patricia althans naar de huidige opvatting in staat, haar opleiding in het Verenigd Koninkrijk met een beroep op artikel 12 van verordening nr. 1612/68 voort te zetten en af te sluiten. Bijgevolg kan ook Patricia’s moeder, Teixeira, zich thans in haar hoedanigheid van verzorgende persoon op deze bepaling beroepen.(83)

97.      Samenvattend geldt dus:

Het uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 volgende verblijfsrecht van de ouder die de persoonlijke verzorging voor het onderwijs volgende kind van een migrerend werknemer daadwerkelijk voor zijn rekening neemt, is er niet van afhankelijk dat deze ouder als migrerend werknemer in de gastlidstaat arbeid verrichtte aan het begin van de schoolcarrière van het kind. Voldoende is dat het kind in de lidstaat woont sinds een tijdstip waarop een van de ouders aldaar als migrerend werknemer een recht van verblijf had.

2.      Welke gevolgen heeft het bereiken van de meerderjarigheid van het kind voor het verblijfsrecht van zijn verzorgende ouder?

98.      Met het vierde onderdeel van zijn tweede vraag(84) wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het verblijfsrecht dat iemand als ouder voor de verzorging van het onderwijs volgende kind van een migrerend werknemer in de gastlidstaat toekomt, automatisch eindigt met het bereiken van de meerderjarigheid van dit kind.

99.      De achtergrond van deze vraag is dat Patricia, de dochter van Teixeira, op het tijdstip van de aanvraag om huisvestingssteun reeds vijftien jaar was en thans achttien jaar oud is, en dus naar het recht van het Verenigd Koninkrijk meerderjarig is geworden.

100. Daar ik ervan uitga dat in het onderhavige geval artikel 12 van verordening nr. 1612/68 de relevante grondslag voor dit recht is, waaraan zowel voor Teixeira als voor haar dochter verblijfsrechten kunnen worden ontleend, zal ik de vraag van de verwijzende rechter bespreken in het licht van deze bepaling. De navolgende uiteenzetting is echter ook toe te passen op eventuele verblijfsrechten die een ouder als verzorger aan richtlijn 2004/38, bijvoorbeeld aan artikel 12, lid 3, daarvan, zou kunnen ontlenen.

101. Uitgangspunt voor de beantwoording van deze vraag moet de overweging zijn dat de uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 voortvloeiende rechten van een kind en zijn verzorger niet per se dezelfde looptijd hebben.

102. Op het voortbestaan van de oorspronkelijke rechten van het kind heeft het bereiken van de meerderjarigheid geen directe invloed.(85) Zowel het in artikel 12 van verordening nr. 1612/68 neergelegde recht op toegang tot onderwijs als het bijbehorende verblijfsrecht gelden overeenkomstig de bedoeling van deze rechten(86) tot aan de afronding van de opleiding van het kind. Tegenwoordig zal dit tijdstip in verreweg de meeste gevallen na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind liggen, temeer daar ook voortgezette opleidingen binnen de werkingssfeer van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 vallen.(87)

103. Anders kan het echter liggen voor het afgeleide verblijfsrecht van de ouder die het kind daadwerkelijk verzorgt. Weliswaar dient ook de geregelde persoonlijke aanwezigheid van deze ouder het kind het volgen van een opleiding in zo gunstig mogelijke omstandigheden mogelijk te maken(88), maar dit geldt slechts zolang en voor zover de persoonlijke verzorging van het kind door een van de ouders noodzakelijk is om zijn recht op toegang tot onderwijs niet zijn praktische effectiviteit te ontnemen.(89)

104. Anders dan de opvatting die het Verenigd Koninkrijk is toegedaan, acht ik het in dit verband niet op zijn plaats om een strikte leeftijdsgrens in te voeren, samenvallend met het bereiken van de meerderjarigheid van het kind. Zoals namelijk blijkt bij een blik op artikel 10, lid 1, sub a, van verordening nr. 1612/68 en artikel 2, lid 2, sub c, van richtlijn 2004/38, erkent ook de gemeenschapswetgever dat het voor een kind noodzakelijk kan zijn, zelfs na het bereiken van zijn meerderjarigheid nog enige tijd met zijn ouders of een van hen samen te wonen.(90) Al naar de omstandigheden van het geval kan juist dit samenwonen onder één dak noodzakelijk zijn om het kind in staat te stellen, zijn opleiding voort te zetten en af te ronden.

105. Enerzijds valt in dit verband te denken aan kinderen die vlak voor een belangrijk examen – bijvoorbeeld het eindexamen – meerderjarig worden; in de meeste gevallen hebben zij de voortgezette persoonlijke zorg van (een van) hun ouders nodig tot zij het betreffende examen achter de rug hebben. Anderzijds valt te denken aan geestelijk of lichamelijk gehandicapte kinderen, die tijdens hun opleiding met bijzondere toewijding en verzorging in het dagelijks leven moeten worden begeleid, ook na het bereiken van de meerderjarigheid.

106. Wanneer dergelijke bijzondere omstandigheden zich echter niet voordoen, dan kunnen de autoriteiten van de gastlidstaat ervan uitgaan dat het kind van een migrerend werknemer bij het bereiken van zijn meerderjarigheid de persoonlijke verzorging door zijn ouders niet meer nodig heeft. Het kind is een jonge volwassene geworden. Het staat niet langer onder het ouderlijk gezag en heeft ook feitelijk hoogstens nog financiële steun nodig en niet meer de geregelde persoonlijke aanwezigheid van een van de ouders en het samenwonen met die ouder onder één dak.

107. Dit laat uiteraard een eventueel recht op duurzaam verblijf dat deze ouder gedurende zijn legale verblijf voor de persoonlijke verzorging van zijn kind in de gastlidstaat kan hebben verkregen (artikel 16 van richtlijn 2004/38) onverlet.

108. Samenvattend moet worden geconcludeerd:

Het verblijfsrecht dat iemand als ouder voor de verzorging van het onderwijs volgende kind van een migrerend werknemer in de gastlidstaat toekomt, eindigt met het bereiken van de meerderjarigheid van dit kind, tenzij in de omstandigheden van het geval ook na dit tijdstip de persoonlijke verzorging van het kind door die ouder noodzakelijk is om het in staat te stellen, zijn opleiding voort te zetten en af te ronden.

3.      Maakt het verschil of het kind vóór of na de inwerkingtreding van richtlijn 2004/38 met zijn opleiding is begonnen? (derde prejudiciële vraag)

109. De derde prejudiciële vraag wordt alleen gesteld voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, dat wil zeggen voor het geval dat iemand in de situatie van Teixeira uitsluitend op grond van richtlijn 2004/38 een verblijfsrecht heeft. Daar ik het Hof in overweging geef, het verblijfsrecht af te leiden uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 en dus uiteindelijk de eerste vraag ontkennend te beantwoorden(91), zal ik hierna slechts subsidiair op de derde vraag ingaan.

110. Met deze derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of voor het verblijfsrecht van iemand die sinds maart 2007 als ouder de verzorging van het onderwijs volgende kind van een migrerend werknemer voor zijn rekening neemt, eventuele beperkingen uit richtlijn 2004/38 kunnen gelden, hoewel dit kind met zijn opleiding is begonnen vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van de richtlijn, dat wil zeggen vóór 30 april 2006.

111. Daar Teixeira pas sinds maart 2007 haar dochter daadwerkelijk persoonlijk verzorgt, kan zij eerst vanaf dit tijdstip aanspraak maken op een verblijfsrecht als ouder van een onderwijs volgend kind, ongeacht wanneer dit kind met zijn opleiding is begonnen. Met betrekking tot dit verblijfsrecht als verzorger kan Teixeira zich dus niet beroepen op enige bescherming, van welke aard ook, van verworven rechten teneinde de toepassing van richtlijn 2004/38 of de daarvoor vastgestelde nationale omzettingsbepalingen te ontgaan. Ook is er geen sprake van een geval van terugwerkende kracht. Hier geldt integendeel het beginsel dat een nieuwe regeling in beginsel onmiddellijk van toepassing is op de toekomstige gevolgen van een onder de oude regeling ontstane situatie.(92)

112. Derhalve zou de derde vraag, voor zover deze relevant zou worden, ontkennend moeten worden beantwoord.

113. Of voor het oorspronkelijke onderwijs‑ en verblijfsrecht van Teixeira’s dochter Patricia iets anders geldt, omdat haar opleiding reeds lang vóór het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 2004/38 is begonnen, kan hier in het midden blijven. Het hoofdgeding betreft blijkens de verwijzingsbeslissing alleen het eventuele verblijfsrecht van Teixeira zelf, en wel als voorwaarde voor de toekenning van huisvestingssteun volgens het nationale recht.

114. Hoe dan ook vloeien bij de door mij voorgestelde beantwoording(93) toch al geen beperkingen voort uit richtlijn 2004/38, noch voor het verblijfsrecht van Teixeira, noch voor dat van haar dochter.

D –    Slotopmerkingen

115. Ten slotte is er nog aanleiding voor twee korte opmerkingen betreffende een mogelijk recht van Teixeira op duurzaam verblijf in het Verenigd Koninkrijk en haar recht op gelijke behandeling als burger van de Unie.

1.      Een mogelijk recht van duurzaam verblijf

116. Volgens artikel 16, lid 1, van richtlijn 2004/38 heeft elke burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van de gastlidstaat heeft verbleven, aldaar een duurzaam verblijfsrecht.

117. Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie verblijft Teixeira sinds 1989, dus duidelijk langer dan vijf jaar, ononderbroken(94) in het Verenigd Koninkrijk.

118. De verwijzingsbeslissing bevat geen gegevens waaruit zou blijken dat Teixeira’s verblijf van 1989 tot 1991 in haar hoedanigheid van migrerend werknemer illegaal is geweest, noch ook dat haar verblijf vervolgens illegaal zou zijn geworden. Het enkele feit dat Teixeira in het Verenigd Koninkrijk niet doorlopend als werknemer economisch actief was, is in elk geval onvoldoende om aan te nemen dat haar verblijf illegaal was. Veeleer kan zij krachtens het gemeenschapsrecht op gezette tijden ook als economisch niet-actieve burger van de Unie(95) of – vóór haar scheiding – als echtgenote van een migrerend werknemer(96) een verblijfsrecht in het Verenigd Koninkrijk hebben gehad.

119. Bovendien zou moeten worden nagegaan of in het onderhavige geval niet ook het nationale recht, onafhankelijk van het gemeenschapsrecht, aan Teixeira voor bepaalde perioden verblijf toestond. Volgens artikel 16, lid 1, van richtlijn 2004/38 is namelijk voor de verkrijging van het recht op duurzaam verblijf als enige beslissend dat de burger van de Unie vijf jaar lang ononderbroken legaal in de gastlidstaat heeft verbleven. Dit geldt weliswaar in eerste instantie voor burgers van de Unie die daar „in overeenstemming met de voorwaarden van deze richtlijn” gedurende vijf jaar ononderbroken verblijf hebben gehad(97), maar blijkens artikel 37 laat richtlijn 2004/38 uitdrukkelijk gunstiger wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten onverlet.

120. Tegen deze achtergrond is het zeker niet uitgesloten dat Teixeira inmiddels in het Verenigd Koninkrijk een recht op duurzaam verblijf volgens artikel 16 van richtlijn 2004/38 toekomt, dat haar er voor de toekomst van zou vrijstellen, voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering met volledige dekking aan te tonen.(98) Het is dan ook merkwaardig dat Teixeira in het hoofdgeding heeft gesteld, geen recht van duurzaam verblijf te hebben. Het enkele feit dat Teixeira mogelijk niet beschikte over een vergunning voor duurzaam verblijf is in elk geval voor het bestaan van haar eventuele recht op duurzaam verblijf niet van belang; een dergelijk document heeft namelijk slechts een declaratoir karakter.(99)

121. Daar de verwijzende rechter echter evenwel uitdrukkelijk erop wijst dat het recht van duurzaam verblijf in het hoofdgeding niet meer aan de orde is, is het niet aan het Hof om daarop in te gaan.(100) Dit ontslaat de nationale autoriteiten echter niet van de verplichting om op verzoek van Teixeira eventueel opnieuw na te gaan of zij aan de voorwaarden voor het recht op duurzaam verblijf voldeed of in elk geval inmiddels voldoet.

2.      Het recht op gelijke behandeling

122. Voor zover Teixeira legaal in het Verenigd Koninkrijk verblijft – ongeacht of haar verblijfsrecht uit het gemeenschapsrecht of enkel uit het nationale recht voortvloeit – heeft zij als burger van de Unie recht op gelijke behandeling ingevolge artikel 18 EG juncto 12 EG.(101) Zoals het Hof in het arrest Trojani heeft verklaard, kunnen burgers van de Unie op de grondslag van dit recht voor een beperkte tijd aanspraak maken op socialebijstandsuitkeringen.(102) Daarop is door de Commissie in de procedure voor het Hof terecht gewezen.

VI – Conclusie

123. Tegen de achtergrond van vorenstaande uiteenzetting geef ik het Hof in overweging, het verzoek van de Court of Appeal (Civil Division) om een prejudiciële beslissing te beantwoorden als volgt:

„1)      Wanneer het kind van een burger van de Unie onderwijs volgt in de lidstaat waarin deze burger als migrerend werknemer arbeid verricht of heeft verricht, dan heeft de ouder die daadwerkelijk de zorg voor dit kind draagt, een uit artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 afgeleid verblijfsrecht.

2)      Het verblijfsrecht van deze ouder hangt er niet van af dat hij beschikt over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering met volledige dekking.

3)      Het verblijfsrecht van deze ouder hangt er niet van af dat deze ouder als migrerend werknemer in de gastlidstaat arbeid verrichtte aan het begin van de schoolcarrière van het kind. Voldoende is dat het kind in de lidstaat woont sinds een tijdstip waarop een van de ouders aldaar als migrerend werknemer een recht van verblijf had.

4)      Het verblijfsrecht van deze ouder eindigt met het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tenzij in de omstandigheden van het geval ook na dit tijdstip de persoonlijke verzorging van het kind door die ouder noodzakelijk is om het in staat te stellen, zijn opleiding voort te zetten en af te ronden.”


1 – Oorspronkelijke taal: Duits.


2 – Hogerberoepsrechter voor Engeland en Wales (civiele kamer).


3 – Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).


4 – Arrest van 17 september 2002, Baumbast en R (C‑413/99, Jurispr. blz. I‑7091).


5 – Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77, rectificaties PB L 229, blz. 35, en PB 2007, L 204, blz. 28).


6 – Zie wat die zaak betreft de conclusie van heden van advocaat-generaal Mazák.


7 – Zie artikel 38, lid 1, van richtlijn 2004/38, dat bepaalt dat de artikelen 10 en 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 met ingang van 30 april 2006 worden geschrapt.


8 – Housing Act 1996 (hoofdstuk 52), huisvestingswet van 1996.


9 – De bepaling staat in deel 7 van de Housing Act 1996, onder de kop „Homelessness” (dakloosheid).


10 – Allocation of Housing and Homelessness (Eligibility) (England) Regulations 2006 (S. I. 2006, nr. 1294).


11 – Buitenlanders die onder het vreemdelingentoezicht vallen, komen in beginsel niet in aanmerking voor woontoelage [Section 185(2) van de Housing Act 1996], tenzij zij tot een in Regulation 5 van de Eligibility Regulations gedefinieerde categorie van personen behoren.


12 – Daarnaast noemt de verwijzingsbeslissing nog de categorie van de Commonwealth-citizens met recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk.


13 – Section 6(1)(b) van de Eligibility Regulations.


14 – Algemene regeling van 2006 inzake de immigratie vanuit de Europese Economische Ruimte (S. I. 2006, nr. 1003).


15 – De verwijzingsbeslissing vermeldt niet of de echtgenoot van Teixeira op dat tijdstip in het Verenigd Koninkrijk werkzaam was.


16 – Opleidingscentrum Vauxhall.


17 – Het Londense stadsdeel Lambeth. Dit stadsdeel is als lokaal bestuur bevoegd op het gebied van huisvestingszaken.


18 – Gerecht voor het gebied London Lambeth.


19 – Teixeira’s beroep werd door de County Court verworpen bij vonnis van 16 november 2007.


20 – Teixeira beroept zich in dit verband op het arrest van 17 september 2002, Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4).


21 – De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2009, direct aansluitend aan die van de zaak Ibrahim (C‑310/08).


22 – Zij het dat de Portugese regering uitgaat van het bestaan van een recht van duurzaam verblijf op grond van artikel 16 van richtlijn 2004/38, en haar uiteenzetting daarop baseert.


23 – Vraag 2, sub a.


24 – In dezelfde zin redeneert Ierland in de zaak Ibrahim (C‑310/08).


25 – Als rechtsgrondslag voor deze woonplaatskeuze kwam vroeger in het bijzonder artikel 10, lid 1, sub a, van verordening nr. 1612/68 in aanmerking. Voor deze bepaling is thans artikel 7, lid 1, sub d, gelezen in samenhang met sub a, en met artikel 2, lid 2, sub c, van richtlijn 2004/38 in de plaats gekomen.


26 – Arresten van 21 juni 1988, Brown (197/86, Jurispr. blz. 3205, punt 30), en 4 mei 1995, Gaal (C‑7/94, Jurispr. blz. I‑1031, punt 27).


27 – Arrest van 15 maart 1989, Echternach en Moritz (389/87 en 390/87, Jurispr. blz. 723, punt 23), en arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punten 63 en 69).


28 – Deze bepaling is inmiddels vervangen door artikel 7, lid 1, sub d, juncto artikel 2, lid 2, sub c, van richtlijn 2004/38.


29 – Arrest Gaal (aangehaald in voetnoot 26, punten 20‑23); zie ook mijn conclusie van 25 mei 2004 in de zaak Laurin Effing (C‑302/02, Jurispr. 2005, blz. I‑553, punt 58).


30 – Zie bijvoorbeeld de feiten in de zaak Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 27, betreffende het geval Moritz).


31 – In die zin arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 63); zie ook punten 84 en 85 van de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed van 5 juli 2001 in die zaak alsmede mijn conclusie in de zaak Laurin Effing (aangehaald in voetnoot 29, punt 55).


32 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 74); in dezelfde zin arrest van 11 december 2007, Eind (C‑291/05, Jurispr. blz. I‑10719, punt 43).


33 – Overweging 5 van de considerans van verordening nr. 1612/68; zie dienaangaande arrest van 3 juli 1974, Casagrande (9/74, Jurispr. blz. 773, punt 3); arrest Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 27, punten 20 en 21); arrest van 13 november 1990, di Leo (C‑308/89, Jurispr. blz. I‑4185, punt 13), en arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 50). In dezelfde zin overweging 5 van richtlijn 2004/38.


34 – Arresten Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 27, punt 21) en Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 51).


35 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punten 52 en 53); zie ook punt 90 van de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in die zaak.


36 – In die zin het arrest Gaal (aangehaald in voetnoot 26, punten 21-23 en 25).


37 – Zie in dit verband met name de arresten Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 27), Gaal (aangehaald in voetnoot 26) en Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4).


38 – Zie met name de in voetnoot 37 genoemde rechtspraak.


39 – Punten 38-45 van deze conclusie.


40 – Overwegingen 3 en 4 van de considerans van richtlijn 2004/38.


41 – Artikel 3, lid 1, juncto artikel 1 van richtlijn 2004/38.


42 – Zie ter zake arrest van 19 oktober 2004, Zhu en Chen (C‑200/02, Jurispr. blz. I‑9925).


43 – Zie in dit verband arrest van 7 juli 1992, Singh (C‑370/90, Jurispr. blz. I‑4265), en arrest Eind (aangehaald in voetnoot 32).


44 – Kinderen van een burger van de Unie kunnen in eerste instantie aanspraak maken op een verblijfsrecht als familielid uit hoofde van artikel 7, lid 1, sub d, juncto artikel 2, lid 2, sub c, van richtlijn 2004/38. Daarnaast kunnen deze kinderen overeenkomstig artikel 16 van richtlijn 2004/38 recht op duurzaam verblijf verkrijgen.


45 – Het was de bedoeling, een deel van de rechtspraak van het Hof te codificeren; zie enerzijds het voorstel van de Commissie van 23 mei 2001 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden zich op het grondgebied van de lidstaten vrij te verplaatsen en er vrij te verblijven [COM(2001) 257 def., PB C 270 E, blz. 150], en anderzijds het gewijzigd voorstel van 15 april 2003 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven [COM(2003) 199 def.].


46 – Zie artikel 2, lid 2, sub c, van richtlijn 2004/38.


47 – Arrest Gaal (aangehaald in voetnoot 26, punten 20-23 en 25).


48 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punten 63 en 75).


49 – Arrest van 25 juli 2008, Metock e.a. (C‑127/08, Jurispr. blz. I‑6241, punt 59).


50 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 75).


51 – In deze zin arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 71); vergelijkbaar – zij het in verband met het verblijfsrecht van artikel 18, lid 1, EG – arrest Zhu en Chen (aangehaald in voetnoot 42, punt 45).


52 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 75).


53 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punten 68 en 72); in vergelijkbare zin – zij het in een enigszins andere context – arresten van 11 juli 2002, Carpenter (C‑60/00, Jurispr. blz. I‑6279, punten 38, 41 en 42), en 25 juli 2002, BRAX (C‑459/99, Jurispr. blz. I‑6591, punten 53 en 61), en arresten Eind (aangehaald in voetnoot 32, punt 44) en Metock e.a. (aangehaald in voetnoot 49, punten 56 en 62).


54 – Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ondertekend te Rome op 4 november 1950). Ook al waarborgt dit verdrag als zodanig een buitenlander geen enkel recht om een bepaald land binnen te komen of er te verblijven, het uitsluiten van een persoon uit een land waar zijn naaste verwanten wonen, kan een inmenging zijn in het recht op eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8, lid 1, EVRM; zie dienaangaande de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 18 februari 1991, Moustaquim/België (Serie A, nr. 193, blz. 18, § 36), 2 augustus 2001, Boultif/Zwitserland (Recueil des arrêts et décisions 2001-IX, § 39), en 22 april 2004, Radovanovic/Oostenrijk (klacht nr. 42703/98, § 30). Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op zijn beurt voor de Europese Unie erkend dat het recht om samen te leven met zijn naaste verwanten, voor de lidstaten verplichtingen meebrengt; dit kunnen negatieve verplichtingen zijn, wanneer een lidstaat een persoon niet mag uitzetten, of positieve, wanneer een lidstaat verplicht is een persoon toe te laten op zijn grondgebied en er te laten verblijven (arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad, „Gezinshereniging”, C‑540/03, Jurispr. blz. I-5769, punt 52).


55 – Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is eerst op 7 december 2000 te Nice (PB 2000, C 364, blz. 1) en daarna op 12 december 2007 te Straatsburg (PB 2007, C 303, blz. 1) plechtig afgekondigd. Hoewel het nog geen met het primaire recht vergelijkbare dwingende werking heeft, verschaft het als juridisch referentiepunt informatie met betrekking tot de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde grondrechten, met name wanneer een communautaire rechtshandeling daarnaar uitdrukkelijk verwijst; zie arrest „Gezinshereniging”, aangehaald in voetnoot 54, punt 38), en punt 108 van mijn conclusie van 8 september 2005 in die zaak, en verder het arrest van 13 maart 2007, Unibet (C‑432/05, Jurispr. blz. I‑2271, punt 37). In overweging 31 van richtlijn 2004/38 wordt naar het Handvest van de grondrechten verwezen.


56 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punten 68 en 73); zie ook punten 91 en 92 van de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in die zaak.


57 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 68, juncto punten 50-52).


58 – Vraag 2, sub b.


59 – Engels: „self-sufficient”.


60 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 74).


61 – Arrest Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 27, punten 2, 32 en 35, alsook punt I.1 van het rapport ter terechtzitting); in dezelfde zin arresten di Leo (aangehaald in voetnoot 33, punt 9) en Gaal (aangehaald in voetnoot 26, punten 19 en 25).


62 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punten 19 en 87-94); in dezelfde zin arrest Zhu en Chen (aangehaald in voetnoot 42, punten 13 en 27-33).


63 – Zie arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punten 47-63 en 68-75).


64 – Deze sociale voordelen omvatten bijvoorbeeld ook ouderdomstoelagen voor bloedverwanten in opgaande lijn; zie daarvoor arresten van 12 juli 1984, Castelli (261/83, Jurispr. blz. 3199, punt 12); 6 juni 1985, Frascogna (157/84, Jurispr. blz. 1739, punten 21‑25), en 9 juli 1987, Frascogna (256/86, Jurispr. blz. 3431, punten 6-9).


65 – Zie arresten Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 27, punt 34), di Leo (aangehaald in voetnoot 33, punten 14 en 15) en Gaal (aangehaald in voetnoot 26, punt 30).


66 – Zie artikel 1, lid 1, van richtlijn 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PB L 180, blz. 26) en artikel 1, lid 1, van richtlijn 90/365/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd (PB L 180, blz. 28), alsook artikel 1 van richtlijn 93/96/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 inzake het verblijfsrecht voor studenten (PB L 317, blz. 59).


67 – Zie hiervóór, punt 56.


68 – Overweging 3 van richtlijn 2004/38.


69 – Arrest Metock (aangehaald in voetnoot 49, punt 59).


70 – Zie in dit verband hiervóór, punt 71.


71 – Zie artikel 12, lid 2, tweede alinea, en artikel 13, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2004/38. Hetzelfde geldt voor artikel 12, lid 1, tweede alinea, en artikel 13, lid 1, tweede alinea, voor zover deze in samenhang met artikel 7, lid 1, sub b of c, van richtlijn 2004/38 tot toepassing komen.


72 – Arrest van 20 september 2001, Grzelczyk (C‑184/99, Jurispr. blz. I‑6193, punt 44); zie ook arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punten 91‑93), en arrest van 7 september 2004, Trojani (C‑456/02, Jurispr. blz. I‑7573, punten 34 en 45).


73 – Overweging 10 van richtlijn 2004/38.


74 – Arrest van 9 maart 1999, Centros (C-212/97, Jurispr. blz. I‑1459, punt 24 en aangehaalde rechtspraak); zie daarnaast arrest Singh (aangehaald in voetnoot 43, punt 24), en arresten van 21 juni 1988, Lair (39/86, Jurispr. blz. 3161, punt 43), en 6 november 2003, Ninni-Orasche (C‑413/01, Jurispr. blz. I‑13187, punt 36).


75 – Zie op dit punt arrest Metock e.a. (aangehaald in voetnoot 49, punt 75).


76 – In die zin arrest Lair (aangehaald in voetnoot 74, punt 43) en arrest van 23 september 2003, Akrich (C‑109/01, Jurispr. blz. I‑9607, punt 55); in vergelijkbare zin – met betrekking tot het belastingrecht – arresten van 26 september 2000, Commissie/België (C‑478/98, Jurispr. blz. I‑7587, punt 45), en 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C‑196/04, Jurispr. blz. I‑7995, punten 36 en 37).


77 – De regering van het Verenigd Koninkrijk beweert dat Teixeira haar verblijf eenmaal met enkele maanden heeft onderbroken; daarover zijn in de verwijzingsbeslissing evenwel geen aanknopingspunten te vinden. In elk geval zou een dergelijke korte onderbreking niet afdoen aan de duurzame integratie van Teixeira in het Verenigd Koninkrijk; zie in dit verband de afweging van de wetgever zoals deze in artikel 16, lid 3, van richtlijn 2004/38 tot uitdrukking komt.


78 – Vraag 2, sub c.


79 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 74).


80 – Zie hiervóór, punten 43 en 44.


81 – Arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 63); vergelijkbaar reeds arrest Brown (aangehaald in voetnoot 26, punt 30).


82 – Zie voor de definitie van het begrip „werknemer” de vaste rechtspraak, met name arrest van 23 maart 2004, Collins (C‑138/02, Jurispr. blz. I‑2703, punt 26); arrest Trojani (aangehaald in voetnoot 72, punt 15), en arresten van 18 juli 2007, Geven (C‑213/05, Jurispr. blz. I‑6347, punt 16), en 4 juni 2009, Vatsouras en Koupatantze (C‑22/08 en C‑23/08, Jurispr. blz. I‑4585, punt 26).


83 – Zie daarover de punten 58-62 van deze conclusie.


84 – Vraag 2, sub d.


85 – In die zin arrest Gaal (aangehaald in voetnoot 26, punt 25); zie ook arrest Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 27; uit het rapport ter terechtzitting in die zaak blijkt dat beide studenten waar het in die zaak om ging ouder waren dan 18 jaar).


86 – Zie in dit verband hiervóór, punten 43 en 44.


87 – Arrest Gaal (aangehaald in voetnoot 26, punt 24); ook in de zaak di Leo ging het om een universitaire studie (arrest aangehaald in voetnoot 33, punt 4).


88 – Zie hiervóór, punt 61.


89 – Zie hiervóór, punt 59; in vergelijkbare zin ook conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in de zaak Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 4, punt 94, laatste zin).


90 – Het is waar dat het onderhavige geval niet binnen het toepassingsgebied van artikel 10, lid 1, sub a, van verordening nr. 1612/68 of artikel 2, lid 2, sub c, van richtlijn 2004/38 valt, daar het hier niet gaat om het verblijfsrecht van een kind bij een van zijn ouders, maar om het afgeleide verblijfsrecht van een van de ouders bij het kind. Niettemin valt uit de in deze bepalingen tot uitdrukking komende afweging op te maken dat de gemeenschapswetgever noch in 1968 noch in 2004 in verblijfsrechtelijk opzicht een strikte leeftijdsgrens heeft willen trekken, die noodzakelijkerwijs samenviel met het bereiken van de meerderjarigheid van het kind.


91 – Zie dienaangaande punten 34-63 en 64-86 van deze conclusie.


92 – Arresten van 5 december 1973, SOPAD (143/73, Jurispr. blz. 1433, punt 8); 29 januari 2002, Pokrzeptowicz-Meyer (C‑162/00, Jurispr. blz. I‑1049, punt 50), en 11 december 2008, Commissie/Freistaat Sachsen (C‑334/07 P, Jurispr. blz. I‑00000, punt 43).


93 – Zie de punten 64-86 van deze conclusie.


94 – Ook de door de regering van het Verenigd Koninkrijk in de procedure voor het Hof gestelde eenmalige onderbreking van het verblijf van Teixeira voor een periode van enkele maanden zou, voor zover deze al juist blijkt, volgens artikel 16, lid 3, van richtlijn 2004/38 buiten beschouwing moeten blijven.


95 – Artikel 1 van richtlijn 90/364, of artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38.


96 – Artikel 10, lid 1, sub a, van verordening nr. 1612/68 respectievelijk artikel 7, lid 1, sub d, in samenhang met sub a en met artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2004/38.


97 – Overweging 17 van richtlijn 2004/38.


98 – Artikel 16, lid 1, tweede zin, van richtlijn 2004/38 bepaalt dat het recht op duurzaam verblijf niet onderworpen is aan de voorwaarden van hoofdstuk III van de richtlijn. Artikel 16, lid 4, van de richtlijn bepaalt voorts dat slechts een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren leidt tot verlies van een eenmaal verkregen duurzaam verblijfsrecht.


99 – Arrest van 6 oktober 2009, Wolzenburg (C‑123/08, Jurispr. blz. I‑00000, punten 49‑51, met name punt 51); zie ook artikel 19 van richtlijn 2004/38.


100 – In die zin arrest van 5 oktober 1988, Alsatel (247/86, Jurispr. blz. 5987, punten 7 en 8).


101 – Voor zover Teixeira haar verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht, kan zij haar recht op gelijke behandeling daarnaast ook baseren op artikel 24 van richtlijn 2004/38.


102 – Arrest Trojani (aangehaald in voetnoot 72, punten 39‑45).