Language of document : ECLI:EU:T:2021:609

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)

22 september 2021 (*)

„Uniemerk – Procedure tot herroeping van beslissingen of doorhaling van inschrijvingen – Doorhaling in het register van een inschrijving die berust op een aan het EUIPO toe te rekenen kennelijke fout – Merk dat betrokken is bij een insolventieprocedure – Inschrijving van de overgang van het merk – Tegenwerpbaarheid aan derden van een faillissementsprocedure of soortgelijke procedures – Bevoegdheid van het EUIPO – Zorgvuldigheidsplicht – Artikelen 20, 24, 27 en 103 van verordening (EU) 2017/1001 – Artikelen 3, 7 en 19 van verordening (EU) 2015/848”

In zaak T‑169/20,

Marina Yachting Brand Management Co. Ltd, gevestigd te Dublin (Ierland), vertegenwoordigd door A. von Mühlendahl, C. Eckhartt en P. Böhner, advocaten,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door M. Capostagno als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Industries Sportswear Co. Srl, gevestigd te Venetië (Italië), vertegenwoordigd door P. Cervato, advocaat,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 10 februari 2020 (gevoegde zaken R 252/2019‑2 en R 253/2019‑2) inzake procedures tot doorhaling van inschrijvingen tussen Industries Sportswear en Marina Yachting Brand Management,

wijst

HET GERECHT (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, D. Gratsias en M. Kancheva (rapporteur), rechters,

griffier: A. Juhasz-Toth, administrateur,

gezien het op 23 maart 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 13 augustus 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,

gezien de op 5 augustus 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,

na de terechtzitting op 5 mei 2021,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 10 augustus 2012 heeft Moncler Srl bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een Uniemerkaanvraag ingediend op grond van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen bij verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].

2        De inschrijvingsaanvraag betrof het woordteken MARINA YACHTING.

3        De waren en diensten waarvoor de inschrijving werd aangevraagd, behoorden tot de klassen 18, 25 en 35 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.

4        Na verschillende overgangen van de inschrijvingsaanvraag is het aangevraagde merk op 28 september 2014 onder nummer 11111317 ingeschreven op naam van interveniënte, Industries Sportswear Co. Srl.

5        Op 13 oktober 2017 is interveniënte failliet verklaard bij vonnis nr. 142/2017 van de Tribunale di Venezia (rechter in eerste aanleg Venetië, Italië) in het kader van insolventieprocedure nr. 138/2017.

6        Op 18 oktober 2017 is de overgang van het betrokken merk van interveniënte aan Spring Holdings Sarl ingeschreven in het register van het EUIPO op verzoek van een gemeenschappelijke vertegenwoordiger van deze twee partijen (hierna: „gemeenschappelijke vertegenwoordiger”).

7        Op 25 oktober 2017 heeft de aangewezen curator van interveniënte (hierna: „curator”) het EUIPO meegedeeld dat interveniënte failliet was verklaard – waarbij een afschrift van het vonnis van de Tribunale di Venezia van 13 oktober 2017 werd overgelegd – en dat de insolventie vanaf laatstgenoemde datum inging als gevolg van de inschrijving van dit vonnis in het Italiaanse handelsregister (registro delle imprese). De curator heeft ook verzocht om inschrijving van de insolventieprocedure betreffende interveniënte in het register van het EUIPO overeenkomstig artikel 24 van verordening 2017/1001, alsmede om doorhaling van de inschrijving van de overgang van het betrokken merk op Spring Holdings overeenkomstig artikel 103 van deze verordening.

8        Op 9 april 2018 heeft het EUIPO de curator en de gemeenschappelijke vertegenwoordiger in kennis gesteld van zijn beslissing om de inschrijving van die overgang door te halen omdat deze onjuist was, en om de correctie op diezelfde dag bekend te maken.

9        Op 16 april 2018 heeft verzoekster, Marina Yachting Brand Management Co. Ltd, verzocht om inschrijving van de overgang van het betrokken merk ten gunste van haar. Zij voerde aan dat dit merk, dat interveniënte aanvankelijk aan Spring Holdings had overgedragen, vervolgens aan haar was overgedragen. Zij heeft, wat de eerste overgang betreft, een gewaarmerkte kopie van 21 maart 2018 van een overdrachtsovereenkomst van 26 juni 2014 en, wat de tweede overdracht betreft, een gewaarmerkte kopie van 1 maart 2018 van een overdrachtsovereenkomst van 15 december 2017 overgelegd.

10      Op dezelfde dag, te weten 16 april 2018, zijn de overdrachten van de eigendom van het betrokken merk aan Spring Holdings (inschrijving T 014185659) en vervolgens aan verzoekster (inschrijving T 014188703) ingeschreven in het register van het EUIPO.

11      Op 23 juni 2018 heeft de curator zijn verzoek om inschrijving van de insolventieprocedure betreffende interveniënte in het register herhaald en verzocht om doorhaling, overeenkomstig artikel 103 van verordening 2017/1001, van de inschrijvingen T 014185659 en T 014188703 op grond van artikel 42 van Regio decreto n. 267 (koninklijk besluit nr. 267) van 16 maart 1942 (GURI nr. 81 van 6 april 1942; hierna: „Italiaanse faillissementswet”), dat een failliete vennootschap het recht ontzegt om haar activa te beheren en daarover te beschikken vanaf de datum van insolventieverklaring, en dus voor interveniënte vanaf 13 oktober 2017. De curator heeft tevens opgemerkt dat hij op 5 en 14 juni 2018 reeds een dergelijk verzoek om doorhaling had ingediend, maar geen ontvangstbevestiging van het EUIPO had ontvangen.

12      Op 11 juli 2018 heeft het EUIPO, met betrekking tot het op 25 oktober 2017 ingediende verzoek tot inschrijving van de insolventieprocedure betreffende interveniënte, de curator in kennis gesteld van de inwilliging van dat verzoek en daarbij benadrukt dat dit verzoek „nooit in [zijn] databank was ingeschreven vanwege technische problemen die zich op die datum hadden voorgedaan”.

13      Op 12 juli 2018 heeft het EUIPO verzoekster in kennis gesteld van doorhalingsaanvragen T 014552205 (doorhaling van registerinschrijving T 014185659) en T 014480019 (doorhaling van registerinschrijving T 014188703) en haar verzocht om opmerkingen in te dienen. Verzoekster heeft haar opmerkingen op 8 augustus 2018 ingediend.

14      Op 21 augustus 2018 heeft het EUIPO een kopie van die opmerkingen aan de curator gezonden, hem gevraagd om het „officiële bewijs van de eigendomsrechten van [interveniënte] op het [betrokken] merk ten tijde van de insolventieprocedure” over te leggen en hem verzocht om zijn opmerkingen in te dienen. Op 20 en 21 september 2018 heeft de curator gehoor gegeven aan laatstbedoeld verzoek en documenten overgelegd teneinde te voldoen aan het bewijsverzoek van het EUIPO.

15      Op 25 september 2018 heeft het EUIPO verzoekster ervan in kennis gesteld dat het op grond van de door de curator overgelegde documenten meende dat interveniënte ten tijde van de insolventieprocedure houder van het betrokken merk was en dat de inschrijvingen T 014185659 en T 014188703 derhalve moesten worden doorgehaald. Verzoekster werd verzocht haar opmerkingen in te dienen.

16      Op 20 november 2018 heeft verzoekster haar opmerkingen ingediend, waarin zij met name verwees naar een op 26 juni 2014 tussen interveniënte en Spring Holdings gesloten „overdrachtsovereenkomst” en een „licentieovereenkomst voor intellectuele-eigendomsrechten” (Intellectual Property Licence Agreement) die op 30 december 2014 was gesloten tussen Spring Holdings, als nieuwe houder van het betrokken merk sinds 26 juni 2014, en interveniënte als licentiehouder (hierna: „licentieovereenkomst”). Op 17 januari 2019 heeft de curator zijn opmerkingen hierover ingediend.

17      Op 30 januari 2019 heeft de met het register van het EUIPO belaste dienst, die is opgericht bij artikel 159, onder c), van verordening 2017/1001, overeenkomstig artikel 162 van die verordening twee beslissingen vastgesteld tot doorhaling met terugwerkende kracht van de op 16 april 2018 verrichte inschrijvingen in het register (T 014185659 en T 014188703), omdat zij dateerden van na 13 oktober 2017. Deze dienst was van oordeel dat het EUIPO een kennelijke fout had gemaakt door geen rekening te houden met een op 25 oktober 2017 meegedeelde „wezenlijke procedurele stap”, namelijk het verzoek tot inschrijving van een insolventieprocedure betreffende interveniënte op basis van een onherroepelijk vonnis van de Tribunale di Venezia dat op 13 oktober 2017 van kracht was geworden. Voorts heeft zij gelast dat het verzoek tot inschrijving van deze insolventieprocedure op basis van dat vonnis van de Tribunale di Venezia met terugwerkende kracht vanaf 13 oktober 2017 zou worden ingewilligd (dossier T 014459807) overeenkomstig artikel 24, lid 3, van verordening 2017/1001.

18      Op 31 januari 2019 heeft verzoekster krachtens de artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001 twee beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de met het register van het EUIPO belaste dienst houdende doorhaling van de inschrijvingen T 014185659 en T 014188703.

19      Op 9 april 2019 heeft de curator een verzoek ingediend strekkende tot inschrijving van een vonnis dat op 13 maart 2019 was gewezen door de Tribunale di Venezia – die was belast met de insolventieprocedure betreffende interveniënte – en waarbij goedkeuring werd verleend voor conservatoir beslag op het betrokken merk op grond van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering. De curator heeft uiteengezet dat hij op 22 februari 2019 bij deze rechter een verzoekschrift had ingediend waarin hij de rechter meedeelde dat hij in de loop van de procedure voor het EUIPO kennis had genomen van de „overdrachtsovereenkomst” en van de licentieovereenkomst van 2014 waarop verzoekster zich had beroepen (zie punt 16 hierboven) en waarin hij de inbeslagname van het betrokken merk vorderde wegens de nietigheid en het frauduleuze karakter van deze handelingen. Op 5 juli 2019 heeft de Tribunale di Venezia, na alle betrokken partijen te hebben gehoord, voornoemd vonnis van 13 maart 2019 bevestigd.

20      Bij beslissing van 10 februari 2020 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de kamer van beroep de in punt 18 hierboven bedoelde beroepen verworpen, na ze te hebben gevoegd.

21      In de eerste plaats heeft de kamer van beroep in de punten 43 tot en met 49 van de bestreden beslissing om te beginnen vastgesteld dat in casu interveniënte, die was gevestigd in Italië, op 13 oktober 2017 insolvent was verklaard door de Tribunale di Venezia. De kamer van beroep heeft daaruit afgeleid dat de insolventieprocedure betreffende interveniënte was onderworpen aan het Italiaanse recht, namelijk de Italiaanse faillissementswet, zoals de curator stelde. Volgens deze wet kon het vonnis waarbij het faillissement was uitgesproken, worden tegengeworpen aan de schuldenaar (de insolvente vennootschap, in casu interveniënte) vanaf de neerlegging ervan ter griffie van de Italiaanse rechtbank en aan derden (dus de cessionarissen van het betrokken merk, te weten Spring Holdings en verzoekster) vanaf de inschrijving ervan in het Italiaanse handelsregister overeenkomstig artikel 16 van de Italiaanse faillissementswet, waarbij wordt verwezen naar artikel 133 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

22      Vervolgens heeft de kamer van beroep vastgesteld dat in casu het vonnis tot faillietverklaring van interveniënte op dezelfde datum, namelijk 13 oktober 2017, was uitgesproken, neergelegd ter griffie en ingeschreven in het Italiaanse handelsregister, zoals bleek uit dit vonnis en uit het uittreksel uit het verslag van dat register. Zij heeft daaruit afgeleid dat interveniënte vanaf die datum overeenkomstig artikel 42 van de Italiaanse faillissementswet het recht was ontnomen om de in haar bezit zijnde activa te beheren en daarover te beschikken, en dat alle handelingen die interveniënte na dit vonnis had verricht krachtens artikel 44 van deze wet niet aan haar schuldeisers konden worden tegengeworpen. Ze heeft ook opgemerkt dat interveniënte op diezelfde datum als houder van het betrokken merk was ingeschreven in het register van het EUIPO en dat dit merk bovendien was opgenomen in de inventaris van het faillissement, waarin de gegevens van het register van het EUIPO waren overgenomen.

23      Bovendien heeft de kamer van beroep vastgesteld dat de curator op 25 oktober 2017 had verzocht om inschrijving van de insolventieprocedure betreffende interveniënte in het register van het EUIPO, dat het EUIPO geen rekening had gehouden met dit verzoek, dat nog steeds aanhangig was op 16 april 2018 toen de aanvraag om inschrijving van de overgang van het betrokken merk aan verzoekster werd ingediend, en dat het EUIPO desalniettemin de wijziging van de houder van dit merk had ingeschreven door op dezelfde dag twee opeenvolgende inschrijvingen van de overgang van dit merk te verrichten (ten gunste van Spring Holdings en vervolgens ten gunste van verzoekster). De kamer van beroep heeft tevens opgemerkt dat het EUIPO enkele dagen eerder, namelijk op 9 april 2018, had besloten een eerdere inschrijving van de eerste overgang – ten gunste van Spring Holdings – door te halen, nadat het door de curator in kennis was gesteld van het faillissement van interveniënte en van het feit dat de gemeenschappelijke vertegenwoordiger interveniënte als overdragende vennootschap niet had kunnen vertegenwoordigen.

24      In de tweede plaats heeft de kamer van beroep in de punten 50 tot en met 58 van de bestreden beslissing allereerst geantwoord op verzoeksters argument dat het EUIPO deze inschrijvingen niet had mogen doorhalen aangezien het betrokken merk, ongeacht de insolventie van interveniënte, reeds in de loop van juni 2014 aan Spring Holdings was overgedragen. De kamer van beroep heeft in dit verband vastgesteld dat krachtens artikel 45 van de Italiaanse faillissementswet de formaliteiten die vereist zijn om een handeling aan derden te kunnen tegenwerpen ondoeltreffend zijn voor de faillissementsprocedure indien zij na de insolventieverklaring zijn vervuld. Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 dient te worden vastgesteld dat de vermeende overdrachten van het betrokken merk niet werden ingeschreven in het register vóór de insolventieverklaring van interveniënte en dus niet konden worden tegengeworpen aan derden, te weten in casu de curator. Het was dus irrelevant om vast te stellen of de in de eerste overeenkomst tot overdracht van het betrokken merk vermelde datum van 26 juni 2014 vaststond in de zin van de Italiaanse wetgeving, waarover partijen uitvoerig hebben gedebatteerd, aangezien de overdracht niet was ingeschreven in het register van het EUIPO. Hoe dan ook en zoals verzoekster zelf heeft erkend, achtte de kamer van beroep zich niet bevoegd om uitspraak te doen over deze kwestie, die tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties behoort. Volgens de kamer van beroep was de inschrijving van een overdracht in het register van het EUIPO weliswaar geen voorwaarde voor de geldigheid ervan tussen partijen, zoals verzoekster stelde, maar was het wel een voorwaarde voor de tegenwerpbaarheid van de overdracht van het merk aan derden, te weten in casu de curator.

25      Vervolgens heeft de kamer van beroep geconstateerd dat de gestelde „verlenging” van de licentieovereenkomst (die volgens verzoekster het eigendomsrecht van Spring Holdings op het betrokken merk bevestigde) niet door de curator was ondertekend, zodat verzoekster niet op goede gronden kon stellen dat de curator de rechten van Spring Holdings op dat merk had erkend. Voorts heeft zij erop gewezen dat de curator de overdrachtsovereenkomst tussen interveniënte en Spring Holdings van 26 juni 2014 bij de Tribunale di Venezia had betwist.

26      Bovendien heeft de kamer van beroep vastgesteld dat, aangezien het betrokken merk was vermeld in de inventaris die was gehecht aan het vonnis houdende faillietverklaring van interveniënte en die het EUIPO niet kon betwisten omdat het zich niet in de plaats van de nationale rechterlijke instanties kon stellen, het EUIPO verplicht was om met dit feit rekening te houden en om de insolventieprocedure betreffende dit merk overeenkomstig het verzoek van de curator in het register in te schrijven. Volgens de kamer van beroep was de door verzoekster na het faillissement van interveniënte ingediende aanvraag om inschrijving van de achtereenvolgende overgangen van het betrokken merk te laat ingediend en leverde deze aanvraag niet het bewijs dat het vonnis houdende faillietverklaring onjuist was. Verzoekster had bij het EUIPO het bewijs moeten aandragen dat dit vonnis op grond van een nationale rechterlijke beslissing geen gevolgen had voor dat merk, hetgeen zij niet heeft gedaan.

27      Ten slotte was de kamer van beroep van oordeel dat het EUIPO een kennelijke fout had gemaakt door de opeenvolgende overgangen van het betrokken merk op 16 april 2018 in het register in te schrijven, aangezien interveniënte – de overdragende partij bij de eerste van die overgangen – sinds 13 oktober 2017 failliet was verklaard, waarvan het EUIPO op de hoogte was gesteld. Zij heeft gepreciseerd dat de kennelijke fout dus was begaan bij de inschrijvingen op 16 april 2018 en niet alleen in 2017, zoals verzoekster betoogde. Ze heeft daaraan toegevoegd dat tot doorhaling van de inschrijvingen in het register was besloten binnen een termijn van een jaar na de datum waarop deze inschrijvingen waren verricht, te weten op 30 januari 2019, zodat was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 103 van verordening 2017/1001. Bijgevolg heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de beslissingen tot doorhaling van de inschrijvingen T 014185659 en T 014188703 in het register correct waren.

 Conclusies van partijen

28      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing te vernietigen;

–        het EUIPO en interveniënte te verwijzen in de kosten.

29      Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

30      Interveniënte verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        de bestreden beslissing te bevestigen, met als gevolg dat het EUIPO, ten eerste, de op 16 april 2018 verrichte inschrijvingen van de overgangen van het betrokken merk in het register moet doorhalen en interveniënte opnieuw als enige houder van dit merk moet inschrijven, en, ten tweede, de insolventieprocedure betreffende interveniënte in het register moet inschrijven met ingang van 13 oktober 2017;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Ontvankelijkheid van de tweede vordering van interveniënte

31      Met haar tweede vordering verzoekt interveniënte het Gerecht de bestreden beslissing te bevestigen, met als gevolg dat het EUIPO, ten eerste, de op 16 april 2018 verrichte inschrijvingen van de overgangen van het betrokken merk in het register moet doorhalen en interveniënte opnieuw als enige houder van dit merk moet inschrijven, en, ten tweede, de insolventieprocedure betreffende interveniënte in het register moet inschrijven met ingang van 13 oktober 2017.

32      Het verzoek aan het Gerecht om de bestreden beslissing te bevestigen moet aldus worden opgevat dat het in wezen strekt tot verwerping van het beroep [zie in die zin arrest van 5 februari 2016, Kicktipp/BHIM – Italiana Calzature (kicktipp), T‑135/14, EU:T:2016:69, punt 19 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Het valt dus in werkelijkheid samen met de eerste vordering van interveniënte, die strekt tot verwerping van het beroep.

33      Met betrekking tot de gevolgen die interveniënte aan de verwerping van het beroep wenst te verbinden, die in wezen neerkomen op een verzoek aan het Gerecht om het EUIPO te gelasten verschillende handelingen in zijn register te verrichten, volstaat het om in herinnering te brengen dat het Gerecht geen bevelen kan richten tot het EUIPO, dat zelf de consequenties moet trekken uit het dictum en de motivering van de arresten van de Unierechter [zie arrest van 11 juli 2007, El Corte Inglés/BHIM – Bolaños Sabri (PiraÑAM diseño original Juan Bolaños), T‑443/05, EU:T:2007:219, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34      De tweede vordering van interveniënte moet dus worden afgewezen wegens onbevoegdheid voor zover zij ertoe strekt dat het Gerecht bevelen tot het EUIPO richt.

 Ten gronde

35      Tot staving van haar beroep voert verzoekster in wezen één middel aan, namelijk schending van artikel 103 van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met de artikelen 20, 24 en 27 van deze verordening. Zij voert in essentie aan dat de kamer van beroep een fout heeft gemaakt door te oordelen dat was voldaan aan de voorwaarden voor herroeping van een beslissing of doorhaling van een inschrijving wegens een „kennelijke fout” in de zin van artikel 103 van deze verordening, terwijl de op 16 april 2018 verrichte inschrijvingen van de overgangen van het betrokken merk aan alle wettelijke voorwaarden voldeden.

36      Dit middel bestaat formeel uit vier nauw met elkaar verbonden onderdelen, waarmee verzoekster aanvoert dat, ten eerste, die inschrijvingen overeenkomstig het toepasselijke recht zijn verricht en daarbij geen „kennelijke fout” is gemaakt in de zin van artikel 103 van verordening 2017/1001, ten tweede, deze bepaling in casu niet van toepassing is aangezien er geen sprake is van een „kennelijke fout”, ten derde, artikel 27 van deze verordening niet van toepassing is en, ten vierde, zelfs al zou deze laatste bepaling van toepassing zijn, interveniënte en de curator op de hoogte waren van de overgangen van het betrokken merk.

37      In dit verband is het Gerecht van oordeel dat de grieven betreffende het ontbreken van een kennelijke fout van het EUIPO in de zin van artikel 103 van verordening 2017/1001, die deel uitmaken van de eerste twee onderdelen van verzoeksters enige middel, in werkelijkheid een vijfde opzichzelfstaand onderdeel vormen, dat logischerwijs moet worden onderzocht na de vier andere onderdelen betreffende de artikelen 20, 24 en 27 van deze verordening.

38      Het Gerecht is ook van oordeel dat de vijf onderdelen van verzoeksters enige middel naar hun respectieve inhoud moeten worden geherkwalificeerd als in wezen ontleend aan, ten eerste, miskenning door het EUIPO van zijn bevoegdheden krachtens de artikelen 20 en 24 van verordening 2017/1001, ten tweede, onterechte inaanmerkingneming van het vonnis houdende faillietverklaring van 13 oktober 2017 door het EUIPO en de kamer van beroep, ten derde, niet‑toepasselijkheid van artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 op het onderhavige geval, ten vierde, toepasselijkheid van de in artikel 27 van verordening 2017/1001 geformuleerde uitzondering (op de hoogte zijn van de handeling) op het onderhavige geval en vermeende kennis van de overdrachtsovereenkomst van 2014 door interveniënte en de curator, en, ten vijfde, onjuiste toepassing van artikel 103 van verordening 2017/1001 door de kamer van beroep op de beslissingen van het EUIPO om de inschrijvingen van 16 april 2018 door te halen.

39      Het EUIPO en interveniënte concluderen tot afwijzing van verzoeksters enige middel en betwisten haar argumenten.

 Opmerkingen vooraf

40      Vooraf dient in navolging van interveniënte te worden opgemerkt dat de familie A, waartoe onder meer B en haar zoon C behoren, verzoekster leidt en voorheen de leiding had over interveniënte, terwijl de curator de gezamenlijke schuldeisers vertegenwoordigt van interveniënte, die zich in staat van faillissement bevindt.

41      In casu staat het aan het Gerecht om te bepalen of de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat de beslissingen van de met het register van het EUIPO belaste dienst tot doorhaling van de inschrijvingen van 16 april 2018 betreffende de opeenvolgende overgangen van het betrokken merk rechtmatig waren in het licht van artikel 103 van verordening 2017/1001. In dit verband moet rekening worden gehouden met de relevante bepalingen van deze verordening, met name de artikelen 103, 20, 24 en 27, alsmede met de artikelen 3, 7 en 19 van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19, met rectificatie in PB 2016, L 349, blz. 9).

42      Artikel 103 van verordening 2017/1001 heeft als opschrift „Herroeping van beslissingen” maar heeft ook betrekking op de doorhaling van inschrijvingen, en bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      Indien het [EUIPO] een inschrijving in het register heeft gedaan of een beslissing heeft genomen waarbij het een kennelijke fout heeft gemaakt, haalt het deze inschrijving door of herroept het deze beslissing. Indien er slechts één partij in de procedure is en de inschrijving of handeling van invloed is op haar rechten, wordt zelfs tot doorhaling of herroeping overgegaan wanneer de partij de fout niet had ontdekt.

2.      De in lid 1 bedoelde doorhaling of herroeping wordt, ambtshalve of op verzoek van een der partijen in de procedure, uitgevoerd door de dienst die de inschrijving heeft gedaan of de beslissing heeft genomen. De doorhaling van de inschrijving in het register of de herroeping van de beslissing wordt uitgevoerd binnen een jaar na de datum van vermelding in het register of vaststelling van de beslissing, na raadpleging van de partijen in de procedure en van elke in het register vermelde houder van rechten op het betrokken Uniemerk. Het [EUIPO] houdt een register bij van deze doorhalingen en herroepingen.”

43      Artikel 20 van verordening 2017/1001, met als opschrift „Overgang”, bepaalt in de leden 1, 3 tot en met 5 en 11:

„1.      Het Uniemerk kan onafhankelijk van de onderneming overgaan voor alle of een deel van de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is.

[...]

3.      [...] [O]vergang van het Uniemerk [geschiedt], tenzij zij het gevolg is van een rechterlijke uitspraak, bij een door de partijen bij de overeenkomst ondertekende akte; bij gebreke daarvan is de overgang nietig.

4.      Op verzoek van een der partijen wordt de overgang ingeschreven in het register en gepubliceerd.

5.      De aanvraag om inschrijving van een overgang bevat [specifieke] informatie [...].

[...]

11.      Zolang de overgang niet in het register is ingeschreven, mag de rechtverkrijgende zich niet op de uit de inschrijving van het Uniemerk voortvloeiende rechten beroepen.”

44      Artikel 13 van uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 van de Commissie van 5 maart 2018 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening 2017/1001 en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2017/1431 (PB 2018, L 104, blz. 37) preciseert welke informatie een aanvraag om inschrijving van een overgang als bedoeld in artikel 20, lid 5, van verordening 2017/1001 moet bevatten.

45      Artikel 24 van verordening 2017/1001, „Insolventieprocedure”, bepaalt in lid 1, eerste alinea, en lid 3:

„1.      De enige insolventieprocedure waarin een Uniemerk kan worden opgenomen, is een insolventieprocedure die is ingeleid in de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is.

[...]

3.      Indien een Uniemerk betrokken is in een insolventieprocedure, wordt op verzoek van de bevoegde nationale instantie een vermelding hiervan in het register ingeschreven en in het in artikel 116 bedoelde Uniemerkenblad gepubliceerd.”

46      Artikel 27 van verordening 2017/1001, „Werking jegens derden”, luidt in de leden 1 en 4:

„1.      De in de artikelen 20, 22 en 25 bedoelde rechtshandelingen betreffende het Uniemerk kunnen in alle lidstaten slechts aan derden worden tegengeworpen nadat zij in het register ingeschreven zijn. Wel kan een zodanige handeling vóór deze inschrijving worden tegengeworpen aan derden die rechten op het merk verworven hebben na de datum van die handeling, maar die op de datum waarop zij de betrokken rechten verwierven, van die handeling op de hoogte waren.

[...]

4.      Totdat gemeenschappelijke bepalingen inzake faillissement voor de lidstaten in werking treden, wordt de werking jegens derden van een faillissements- of soortgelijke procedure beheerst door het recht van de lidstaat waar de procedure het eerst is ingeleid overeenkomstig het nationale recht of verdragen ter zake.”

47      Artikel 3 van verordening 2015/848, „Internationale bevoegdheid”, bepaalt in lid 1, eerste en tweede alinea:

„De rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd een insolventieprocedure [...] te openen. Het centrum van de voornaamste belangen is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is.

Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn. [...]”

48      Artikel 7 van verordening 2015/848, „Toepasselijk recht”, luidt in de leden 1 en 2:

„1.      Tenzij deze verordening iets anders bepaalt, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend (‚de lidstaat waar de procedure wordt geopend’).

2.      Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

[...]

b)      welk deel van de goederen van de schuldenaar tot de insolvente boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren;

[...]

m)      de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige rechtshandelingen.”

49      Artikel 19 van verordening 2015/848, „Beginsel”, bepaalt in lid 1, eerste alinea:

„Elke beslissing tot opening van een insolventieprocedure, genomen door een krachtens artikel 3 bevoegde rechter van een lidstaat, wordt erkend in alle andere lidstaten zodra de beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend.”

50      Aldus dient te worden opgemerkt dat overeenkomstig verordening 2017/1001 de Italiaanse faillissementswet van toepassing is op bepaalde aspecten van de onderhavige zaak.

51      Krachtens zowel artikel 24, lid 1, van verordening 2017/1001 als artikel 7 van verordening 2015/848 regelt de Italiaanse faillissementswet om te beginnen, als wet van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van interveniënte was gelegen ten tijde van de faillietverklaring, de insolventieprocedure waarin het betrokken merk is opgenomen. Voorts regelt zij krachtens artikel 27, lid 4, van verordening 2017/1001 ook aangelegenheden die verband houden met de werking jegens derden van die insolventieprocedure.

52      Voorts bepaalt de Italiaanse faillissementswet volgens artikel 7, lid 2, onder b) en m), van verordening 2015/848 met name „welk deel van de goederen van de schuldenaar tot de insolvente boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren”, en „de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige rechtshandelingen”. Evenzo heeft krachtens artikel 19 van die verordening het door de Tribunale di Venezia gewezen vonnis houdende faillietverklaring van rechtswege rechtsgevolgen in de gehele Unie jegens alle derden en dus in casu jegens verzoekster en het EUIPO.

53      De artikelen 16 en 17 van de Italiaanse faillissementswet bepalen in wezen dat het vonnis houdende faillietverklaring kan worden tegengeworpen aan de schuldenaar (de natuurlijke persoon of rechtspersoon die failliet is verklaard) vanaf de datum van neerlegging ervan ter griffie van de rechtbank en aan derden vanaf de inschrijving ervan in het Italiaanse handelsregister (in casu 13 oktober 2017). Artikel 42 ervan, dat betrekking heeft op de beroving van de rechten van de schuldenaar, bepaalt dat het beheer van de activa van de schuldenaar wordt toevertrouwd aan de met de liquidatie van het faillissement belaste persoon. Artikel 44 van deze wet bepaalt dat alle handelingen die de schuldenaar na de faillietverklaring heeft verricht of waarvan niet vaststaat dat zij vóór de faillietverklaring zijn verricht, rechtens ondoeltreffend zijn en niet aan derden – waaronder de gezamenlijke schuldeisers – kunnen worden tegengeworpen. Artikel 45 van voornoemde wet bepaalt dat de formaliteiten die vereist zijn om een handeling aan derden – waaronder de gezamenlijke schuldeisers – te kunnen tegenwerpen, ondoeltreffend zijn indien zij na de faillietverklaring zijn vervuld.

54      De vijf onderdelen van verzoeksters enige middel moeten in het licht van deze bepalingen worden onderzocht.

 Eerste onderdeel van het middel: miskenning door het EUIPO van zijn bevoegdheden krachtens de artikelen 20 en 24 van verordening 2017/1001

55      Met het eerste onderdeel van het enige middel voert verzoekster in essentie aan dat het EUIPO enkel moet nagaan of is voldaan aan de formele voorwaarden van een aanvraag om inschrijving van een overgang van een merk krachtens met name artikel 20 van verordening 2017/1001, en dat het niet aan het EUIPO staat om de inhoudelijke kwesties te onderzoeken, die niet tot zijn bevoegdheden behoren.

56      In casu voert verzoekster aan dat het EUIPO zijn bevoegdheden heeft overschreden door kwesties betreffende het eigendomsrecht naar Italiaans recht te onderzoeken en door zich niet te beperken tot een formeel onderzoek van de ter ondersteuning van de aanvragen om inschrijving van de overgangen van het betrokken merk overgelegde documenten, te weten door de betrokken partijen ondertekende schriftelijke overeenkomsten. Het EUIPO had dus uitsluitend moeten onderzoeken of voldoende bewijs van deze overgangen was overgelegd en of de overgelegde documenten de gegevens bevatten die waren vermeld in de aanvragen om inschrijving van die overgangen. Uit de rechtspraak van het Gerecht volgt ook dat het EUIPO niet bevoegd is om de geldigheid en de rechtsgevolgen van een merkoverdracht te toetsen aan het geldende nationale recht. De kamer van beroep heeft haar bevoegdheden overschreden door inhoudelijk te beoordelen of de inventaris die was gehecht aan het vonnis houdende faillietverklaring van interveniënte het bewijs leverde van de eigendom van het betrokken merk.

57      Volgens verzoekster wordt niet betwist dat de op 16 april 2018 ingediende aanvraag om inschrijving van de overgangen van dit merk voldeed aan alle materiële en formele voorwaarden, aangezien de overdrachtsovereenkomsten schriftelijk waren gesloten en waren ondertekend door de twee bij elk van deze overgangen betrokken partijen. Hoewel zij erkent dat op die datum – waarop de inschrijvingen van deze overgangen hebben plaatsgevonden – interveniënte de ingeschreven houder van dat merk was, stelt zij dat het register geen weerspiegeling vormde van de juridische situatie, aangezien interveniënte het betrokken merk in 2014 had overgedragen aan Spring Holdings, die dit merk op haar beurt in december 2017 aan verzoekster had overgedragen. Zij concludeert dat deze overgangen op 16 april 2018 overeenkomstig de toepasselijke juridische voorwaarden zijn ingeschreven en dat het EUIPO niet kon onderzoeken of de in 2014 (overdracht ten gunste van Spring Holdings) of 2017 (overdracht ten gunste van verzoekster) gesloten overeenkomsten geldig waren naar Italiaans recht of naar Iers recht.

58      Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak, die van toepassing is op het EUIPO, de bevoegde instelling of het bevoegde agentschap verplicht is om alle relevante feitelijke en juridische gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken [zie in die zin arresten van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, EU:C:1991:438, punt 14; 15 juli 2011, Zino Davidoff/BHIM – Kleinakis kai SIA (GOOD LIFE), T‑108/08, EU:T:2011:391, punt 19, en 25 september 2018, Grendene/EUIPO – HIPANEMA (HIPANEMA), T‑435/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:596, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In het bijzonder moet het EUIPO, dat een openbaar register bijhoudt, uit dien hoofde zorgvuldig rekening houden met de feiten die juridische gevolgen kunnen hebben voor de vermeldingen die het in dat register inschrijft.

59      Daarnaast dient te worden opgemerkt dat volgens de door verzoekster aangehaalde rechtspraak artikel 19 van verordening 2017/1001 in beginsel niet vereist dat het EUIPO de wetgeving van de lidstaten met betrekking tot een Uniemerk als deel van het vermogen onderzoekt en toepast. In het bijzonder volgt uit deze bepaling niet dat het EUIPO of de rechterlijke instanties van de Unie verplicht zijn om uit het nationale recht voortvloeiende contractuele of juridische kwesties te onderzoeken of daarover uitspraak te doen [zie in die zin arrest van 9 september 2011, Chalk/BHIM – Reformed Spirits Company Holdings (CRAIC), T‑83/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:450, punt 27].

60      Volgens diezelfde rechtspraak doet een eventueel conflict tussen twee merkoverdrachten kwesties van verbintenissen- en eigendomsrecht rijzen die buiten het kader van artikel 20 van verordening 2017/1001 en dat van uitvoeringsverordening 2018/626 vallen en waarvan de behandeling niet tot de bevoegdheden van het EUIPO behoort. Hieruit volgt dat het niet aan het EUIPO staat om op grond van het toepasselijke nationale recht de geldigheid en de rechtsgevolgen van een overdracht van een Uniemerk te onderzoeken (zie in die zin arrest van 9 september 2011, CRAIC, T‑83/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:450, punten 30 en 31).

61      Zoals het EUIPO overigens opmerkt in zijn memorie van antwoord, volgt uit deze rechtspraak dus dat bij de behandeling van een aanvraag om inschrijving van een overgang van een Uniemerk de bevoegdheid van het EUIPO zich in beginsel beperkt tot het onderzoek van de formele voorwaarden van artikel 20 van verordening 2017/1001 en artikel 13 van uitvoeringsverordening 2018/626 en geen beoordeling inhoudt van de inhoudelijke kwesties die in het kader van het toepasselijke nationale recht kunnen opkomen.

62      Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht evenwel niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arrest van 4 februari 2016, Hassan, C‑163/15, EU:C:2016:71, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      In het bijzonder moet artikel 20 van verordening 2017/1001 worden uitgelegd in het licht van de andere bepalingen van dezelfde afdeling van verordening 2017/1001, met het opschrift „Het Uniemerk als deel van het vermogen” (hoofdstuk II, afdeling 4, artikelen 19‑29), die tot doel hebben te verzekeren dat een dergelijk merk „vatbaar [is] voor overdracht [en] voor verpanding aan een derde of [...] in licentie gegeven [kan] worden” (zie overweging 26 van die verordening).

64      Bij de toepassing van artikel 20 van verordening 2017/1001 moet het EUIPO dus met name rekening houden met artikel 27, lid 1, van deze verordening, volgens hetwelk overgangen van Uniemerken in beginsel slechts aan derden kunnen worden tegengeworpen nadat zij in het register van Uniemerken zijn ingeschreven, waaruit bovendien volgt dat een dergelijke inschrijving geen terugwerkende kracht heeft.

65      Voorts moet het EUIPO in voorkomend geval, wanneer – zoals in casu – een insolventieprocedure is ingeleid tegen een merkhouder, rekening houden met artikel 27, lid 4, van verordening 2017/1001, waaruit volgt dat de tegenwerpbaarheid van dergelijke procedures aan derden wordt beheerst door het nationale recht.

66      In casu wordt de insolventieprocedure betreffende interveniënte beheerst door het Italiaanse recht, hetgeen verzoekster niet betwist. In het bijzonder blijkt uit de door de curator aan het EUIPO verstrekte gegevens dat, om te beginnen, de artikelen 16 en 17 van de Italiaanse faillissementswet in essentie bepalen dat het vonnis houdende faillietverklaring kan worden tegengeworpen aan de schuldenaar, te weten de failliet verklaarde natuurlijke of rechtspersoon, vanaf de neerlegging van dat vonnis ter griffie van de rechtbank, en aan derden vanaf de inschrijving ervan in het Italiaanse handelsregister. Vervolgens blijkt uit artikel 42 van deze wet dat het bestuur van de failliete vennootschap wordt toevertrouwd aan de curator. Ten slotte blijkt uit de artikelen 44 en 45 ervan dat, ten eerste, alle handelingen die de schuldenaar na de faillietverklaring heeft verricht of waarvan niet vaststaat dat zij vóór de faillietverklaring zijn verricht, rechtens ondoeltreffend zijn en niet aan derden, waaronder de gezamenlijke schuldeisers, kunnen worden tegengeworpen, en, ten tweede, de formaliteiten die vereist zijn om een handeling aan deze derden te kunnen tegenwerpen, ondoeltreffend zijn indien zij na de faillietverklaring zijn vervuld.

67      Aldus moesten in casu overeenkomstig artikel 27, lid 4, van verordening 2017/1001 de gevolgen van de faillissementsprocedure worden afgeleid uit het Italiaanse recht, met name door naar behoren rekening te houden met de gevolgen ervan voor de handelingen die de schuldenaar na die faillietverklaring heeft verricht of waarvan niet vaststaat dat zij vóór de faillietverklaring zijn verricht.

68      Bijgevolg dient in het licht van het voorgaande te worden geoordeeld dat het EUIPO zich weliswaar moet beperken tot een onderzoek van de formele voorwaarden voor geldigheid van een aanvraag om inschrijving van een overgang van een merk op grond van artikel 20, lid 5, van verordening 2017/1001 en artikel 13 van uitvoeringsverordening 2018/626, maar dit onderzoek niettemin impliceert dat zorgvuldig rekening wordt gehouden met feiten die juridische gevolgen kunnen hebben voor de aanvraag om inschrijving van een dergelijke overgang, waaronder het bestaan van een faillissementsprocedure.

69      De zorgvuldigheidsplicht die krachtens het in punt 58 hierboven in herinnering gebrachte beginsel op het EUIPO rust, geldt des te meer wanneer het EUIPO, zoals in casu, vóór de ontvangst van een aanvraag om inschrijving van de overgang van een Uniemerk, door middel van een eerder verzoek tot inschrijving overeenkomstig artikel 24, lid 3, van verordening 2017/1001 ervan in kennis is gesteld dat dit merk betrokken was bij een insolventieprocedure, dat wil zeggen een procedure tot het te gelde maken van de activa van de houder van dat merk ten gunste van zijn schuldeisers. In een dergelijk geval dient het EUIPO deze aanvraag om inschrijving van een overgang met bijzondere zorgvuldigheid te behandelen, teneinde rekening te houden met de in overweging 36 van verordening 2015/848 genoemde doelstelling om „de doeltreffendheid van de [insolventieprocedure] te garanderen”, in het bijzonder indien het bestaan, de geldigheid of de datum van deze overgang wordt betwist door de curator.

70      Verzoekster voert echter in wezen aan dat een aanvraag om inschrijving van een overgang van een Uniemerk volledig losstaat van elk eerder verzoek tot inschrijving van een insolventieprocedure betreffende hetzelfde merk. Zij betoogt dat het EUIPO alleen bevoegd is om na te gaan of is voldaan aan de formele voorwaarden voor de overgang en dat het zich moet onthouden van elke beoordeling van de eventuele gevolgen van het eerste verzoek voor latere aanvragen.

71      Gelet op de overwegingen in de punten 58 tot en met 69 hierboven, moet dit betoog van de hand worden gewezen. Zodra het EUIPO door een nationale rechterlijke instantie is ingelicht over de inleiding van een insolventieprocedure waarbij een Uniemerk is betrokken, kan het dit feit immers niet buiten beschouwing laten wanneer op een later tijdstip een aanvraag om inschrijving van een overgang betreffende datzelfde merk wordt ingediend. Dit geldt des te meer wanneer de persoon die belast is met de liquidatie van de activa die deel uitmaken van de insolvente boedel, het bestaan of de geldigheid van het ter ondersteuning van die aanvraag overgelegde document uitdrukkelijk betwist en in dat verband een rechtsvordering is ingesteld.

72      Zoals in punt 66 hierboven in herinnering is gebracht, had de in casu in geding zijnde insolventieprocedure volgens het toepasselijke Italiaanse recht bovendien tot gevolg dat de formaliteiten die vereist waren om een handeling van de schuldenaar aan derden te kunnen tegenwerpen, ondoeltreffend waren indien zij na de faillietverklaring waren vervuld. Aangezien deze faillietverklaring gevolgen sorteerde vóór de aanvraag om inschrijving van de betrokken overgangen en het EUIPO vóór die aanvraag daarvan in kennis was gesteld, was het EUIPO bijgevolg verplicht om de inschrijving van deze overgangen op te schorten totdat de nationale rechter de zaak ten gronde zou onderzoeken.

73      Het aanvaarden van verzoeksters betoog zou daarentegen niet alleen in de praktijk leiden tot een omzeiling van de nationale insolventiebepalingen en het doel ervan, namelijk de bescherming van schuldeisers, maar zou ook artikel 24, lid 3, van verordening 2017/1001 grotendeels zijn nuttig effect ontnemen.

74      De kamer van beroep heeft dus in punt 56 van de bestreden beslissing terecht onder meer vastgesteld dat, aangezien het betrokken merk was vermeld in de inventaris die was gehecht aan het vonnis houdende faillietverklaring van interveniënte, het EUIPO verplicht was om dit feit in aanmerking te nemen en om de insolventieprocedure betreffende dit merk in het register in te schrijven overeenkomstig het verzoek van de curator. Aldus heeft de kamer van beroep enkel herinnerd aan de op het EUIPO rustende zorgvuldigheidsplicht, zoals uiteengezet in de punten 58 tot en met 69 hierboven. Bovendien heeft de kamer van beroep in hetzelfde punt van haar beslissing ook terecht in herinnering gebracht dat het EUIPO niet bevoegd was om die inventaris te betwisten, aangezien het zich niet in de plaats kon stellen van de nationale rechterlijke instanties.

75      Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het enige middel worden afgewezen.

 Tweede onderdeel van het middel: onterechte inaanmerkingneming van het vonnis houdende faillietverklaring van 13 oktober 2017 door het EUIPO en de kamer van beroep

76      Met het tweede onderdeel van het enige middel betoogt verzoekster in essentie dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat een wezenlijke procedurele stap ontbrak omdat het EUIPO bij de inschrijving van de overgangen van het betrokken merk op 16 april 2018 geen rekening had gehouden met het feit dat het zelf was voorbijgegaan aan het eerdere verzoek tot inschrijving in het register van de insolventieprocedure betreffende interveniënte, dat de curator op 25 oktober 2017 had ingediend op grond van artikel 24 van verordening 2017/1001. Verzoekster is van mening dat interveniënte op de datum van de aanvraag om inschrijving van deze overgangen niet langer kon worden beschouwd als houder van dit merk, aangezien het eerder door interveniënte aan Spring Holdings was overgedragen bij overdrachtsovereenkomst van 26 juni 2014, waarna laatstgenoemde vennootschap het vervolgens aan verzoekster heeft overgedragen. Volgens verzoekster kon de inschrijving van de insolventieprocedure krachtens artikel 24 van verordening 2017/1001 dus geen enkele invloed hebben, omdat interveniënte in oktober 2017 en april 2018 niet meer als houder van dat merk kon worden beschouwd.

77      Verzoekster meent dat, zelfs indien het EUIPO de insolventieprocedure in het register had ingeschreven, de overgangen van het betrokken merk – eerst ten gunste van Spring Holdings en vervolgens ten gunste van verzoekster – hoe dan ook hadden moeten worden ingeschreven, aangezien, ten eerste, aan alle in artikel 20 van verordening 2017/1001 gestelde voorwaarden voor inschrijving van een overgang (schriftelijke overeenkomst, handtekeningen, inschrijvingsaanvraag) was voldaan en het vereiste bewijs was overgelegd en, ten tweede, interveniënte op de datum van deze inschrijving in het register niet langer houder was van dit merk, dat zij aan Spring Holdings had overgedragen. Zij voert aan dat de inschrijving van de insolventieprocedure in het register niet kon leiden tot de heropname in de activa van interveniënte, een failliete vennootschap, van elementen – zoals dit merk – die op de datum van inleiding van de insolventieprocedure geen deel meer uitmaakten van die activa. Zij voegt hieraan toe dat de insolventie als zodanig en de inschrijving van de insolventieprocedure in het register gevolgen hebben voor de toekomst, zoals volgt uit artikel 27, lid 4, van verordening 2017/1001.

78      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat partijen het erover eens zijn dat interveniënte insolvent is verklaard bij een vonnis houdende faillietverklaring dat de Tribunale di Venezia op 13 oktober 2017 heeft uitgesproken op grond van de Italiaanse faillissementswet en dat op dezelfde dag aan derden kon worden tegengeworpen overeenkomstig diezelfde wet, die krachtens artikel 27, lid 4, van verordening 2017/1001 de werking jegens derden van die procedure regelt. Vanaf die datum was interveniënte dus niet meer bevoegd om het betrokken merk overeenkomstig artikel 20 van deze verordening over te dragen, en het EUIPO kon een na die datum gevraagde inschrijving van een overgang niet verrichten.

79      De kamer van beroep heeft in de punten 46 en 47 van de bestreden beslissing enkel herinnerd aan de gevolgen van een dergelijk vonnis houdende faillietverklaring voor de partij die op de datum van dat vonnis als houder van een Uniemerk is ingeschreven, dat wil zeggen het verbod om haar activa (goederen en in het register ingeschreven eigendomsrechten) te beheren en de nietigheid of niet-tegenwerpbaarheid van iedere latere handeling ten aanzien van de schuldeisers (daaronder begrepen de formaliteiten die vereist zijn voor de tegenwerpbaarheid van een handeling aan derden en die ondoeltreffend zijn indien zij na de insolventieverklaring zijn vervuld). Zij heeft opgemerkt dat interveniënte in casu op de datum van uitspraak van dat vonnis, namelijk 13 oktober 2017, als houder van het betrokken merk was ingeschreven in het register van het EUIPO en dat dit merk voorkwam op de inventaris van het faillissement.

80      In dit verband moet worden vastgesteld dat, anders dan verzoekster stelt, de kamer van beroep niet ten gronde heeft beoordeeld of de inventaris het bewijs leverde van de eigendom van het betrokken merk. De kamer van beroep heeft namelijk enkel een officieel document in aanmerking genomen dat was goedgekeurd door de met de insolventieprocedure belaste Tribunale di Venezia, en heeft in punt 56 van de bestreden beslissing vastgesteld dat geen enkel bewijs was aangebracht om aan te tonen dat dit document voor een rechterlijke instantie was betwist. Bovendien heeft de kamer van beroep in de punten 48 en 49 van deze beslissing opgemerkt dat het EUIPO het op 25 oktober 2017 ontvangen verzoek van de curator tot inschrijving van de insolventieprocedure betreffende interveniënte in het register niet had behandeld en dat dit verzoek nog steeds aanhangig was op 16 april 2018, op welke datum de aanvraag is ingediend tot inschrijving van de overgangen van dit merk van interveniënte aan Spring Holdings en vervolgens van laatstgenoemde aan verzoekster.

81      De kamer van beroep heeft in de punten 50 tot en met 54 van de bestreden beslissing dan ook terecht geoordeeld dat verzoeksters argument volgens hetwelk de overdracht van het betrokken merk door interveniënte aan Spring Holdings had plaatsgevonden op 26 juni 2014 (dat wil zeggen vóór interveniëntes faillietverklaring) niet de conclusie wettigde dat de overgangsinschrijvingen van 16 april 2018 regelmatig waren, en dat dit argument in wezen niet ter zake dienend was.

82      In dit verband heeft de kamer van beroep zich terecht gebaseerd op artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001, dat betrekking heeft op de tegenwerpbaarheid aan derden van rechtshandelingen zoals merkoverdrachten en volgens hetwelk dergelijke handelingen slechts aan derden kunnen worden tegengeworpen nadat zij in het register zijn ingeschreven. Zij was van mening dat de gestelde overdracht van het betrokken merk door interveniënte, ongeacht de geldigheid ervan en ongeacht of vaststond op welke datum deze overdracht zou hebben plaatsgevonden, hoe dan ook niet was ingeschreven in het register van het EUIPO vóór het vonnis houdende faillietverklaring van 13 oktober 2017 en dat die overdracht daardoor geen gevolgen kon hebben voor de curator, die als „derde” moest worden aangemerkt, aangezien hij geen partij was bij die gestelde overdracht. Voorts heeft het Gerecht zich, gelet op artikel 27, lid 4, van deze verordening, terecht gebaseerd op artikel 45 van de Italiaanse faillissementswet, dat bepaalt dat alle formaliteiten die vereist zijn om een handeling aan derden te kunnen tegenwerpen ondoeltreffend zijn indien zij na de insolventieverklaring zijn vervuld, zoals in casu het geval was.

83      Uit de bestreden beslissing blijkt dus dat de kamer van beroep geen uitspraak heeft gedaan over inhoudelijke rechtsvragen die onder de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties en onder het nationale recht vallen, zoals de eigendom van het betrokken merk naar Italiaans recht of de materiële geldigheid van de op 16 april 2018 ingeschreven overgangen van dit merk. Integendeel, zij heeft zich in de punten 53 en 56 van de bestreden beslissing uitdrukkelijk onbevoegd verklaard op dit punt en heeft de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties ter zake naar behoren erkend.

84      Ten slotte, voor zover verzoekster zich beroept op punt 30 van het arrest van 9 september 2011, CRAIC (T‑83/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:450), dient in herinnering te worden gebracht dat het Gerecht in dat punt heeft geoordeeld dat de eerste aanvraag om inschrijving van de overgang van het betrokken merk in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, voldeed aan de vereisten van regel 31 van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1) (thans artikel 13 van uitvoeringsverordening 2018/626), omdat zij vergezeld ging van een document houdende overdracht van het merk dat aan de vereisten van die regel voldeed, waardoor die aanvraag en de inschrijving van de verkrijger als nieuwe houder van het betrokken merk geldig waren. Daarentegen was het Gerecht van oordeel dat een tweede aanvraag om inschrijving van de overdracht van datzelfde merk niet aan deze vereisten voldeed, aangezien de vervreemder niet overeenkwam met de ingeschreven houder, die de verkrijger in het kader van de eerdere overgang van dat merk was. In dit verband heeft het Gerecht opgemerkt dat een eventueel conflict tussen de twee overdrachten van dit merk vragen inzake het verbintenissen‑ en eigendomsrecht deed rijzen, die buiten het kader van die regel vielen en waarvan het onderzoek niet tot de bevoegdheden van het EUIPO behoorde.

85      Deze overwegingen impliceren evenwel niet dat de kamer van beroep in casu de geldigheid van de overgangen van het betrokken merk inhoudelijk heeft beoordeeld, zoals verzoekster lijkt te suggereren. In dit verband volstaat het op te merken dat in het geding waarover het Gerecht zich heeft uitgesproken bij arrest van 9 september 2011, CRAIC (T‑83/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:450), de verzoeker zich ter ondersteuning van zijn aanvraag om inschrijving van de overgang van een merk niet had beroepen op een beslissing van een nationale rechter inzake een insolventieprocedure zoals het in casu door de Tribunale di Venezia gewezen vonnis. Het EUIPO diende het nationale recht dus niet toe te passen en de verwijzing naar het aangehaalde arrest is derhalve niet relevant. Hoe dan ook heeft de kamer van beroep in de bestreden beslissing enkel akte genomen van dat Italiaanse vonnis en, zoals reeds is opgemerkt in punt 83 hierboven, heeft zij zich niet zelf uitgesproken over de eigendom van het betrokken merk naar Italiaans recht en heeft zij evenmin de materiële geldigheid van de overgangen ervan beoordeeld.

86      Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het enige middel worden afgewezen.

 Derde onderdeel van het middel: niet-toepasselijkheid van artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 op het onderhavige geval

87      Met het derde onderdeel van het enige middel voert verzoekster in wezen aan dat artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 niet van toepassing kan zijn op het onderhavige geval, aangezien het uitsluitend betrekking heeft op situaties waarin meer dan één partij aanspraak maakt op een recht op een Uniemerk, dat wil zeggen zich beroept op rechtshandelingen die tot doel of gevolg hebben dat rechten op een dergelijk merk worden gecreëerd of overgedragen. Het zou daarentegen niet van toepassing zijn op een situatie als de onderhavige, waarin een entiteit op de datum van opening van een tegen haar ingestelde insolventieprocedure niet langer de houder van het betrokken merk is, aangezien zij dit merk jaren eerder aan een andere entiteit heeft overgedragen.

88      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat volgens artikel 27, lid 1, eerste volzin, van verordening 2017/1001 de in de artikelen 20, 22 en 25 van deze verordening bedoelde rechtshandelingen betreffende het Uniemerk in alle lidstaten slechts aan derden kunnen worden tegengeworpen nadat zij in het register zijn ingeschreven.

89      Vastgesteld moet worden dat, anders dan verzoekster stelt, de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat deze bepaling in casu van toepassing was.

90      In de punten 47 tot en met 54 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep namelijk opgemerkt dat de eigendom van het betrokken merk op 13 oktober 2017, de datum waarop de ingeschreven houder van dit merk, te weten interveniënte, failliet was verklaard, voorwerp was van een geschil tussen verzoekster en de curator, die de gezamenlijke schuldeisers van interveniënte vertegenwoordigde, en dat de gestelde overdracht van deze eigendom, die volgens verzoekster in 2014 had plaatsgevonden, hoe dan ook niet aan derden – waaronder de curator – kon worden tegengeworpen, aangezien deze overdracht niet vóór 13 oktober 2017 was ingeschreven in het register van het EUIPO.

91      Hieruit volgt dat artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 in casu van toepassing is, in het bijzonder op de vermeende overeenkomst tot overdracht van het betrokken merk van 2014, die niet overeenkomstig deze bepaling werking jegens derden heeft verkregen vóór 13 oktober 2017, de datum waarop het vonnis houdende faillietverklaring van interveniënte overeenkomstig het Italiaanse faillissementsrecht – dat krachtens artikel 27, lid 4, van deze verordening en artikel 19, lid 1, van verordening 2015/848 van toepassing is – van kracht is geworden en werking jegens derden heeft verkregen.

92      Bijgevolg moet het derde onderdeel van het enige middel worden afgewezen.

 Vierde onderdeel van het middel: toepasselijkheid van de in artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 geformuleerde uitzondering (op de hoogte zijn van de handeling) op het onderhavige geval en vermeende kennis van de overdrachtsovereenkomst van 2014 door interveniënte en de curator

93      Met het vierde onderdeel van het enige middel stelt verzoekster in essentie dat de kamer van beroep ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat interveniënte en de curator op de hoogte waren van de overdracht van het betrokken merk in 2014, hetgeen blijkt uit het bestaan van de op 30 december 2014 tussen interveniënte en Spring Holdings gesloten licentieovereenkomst betreffende dit merk en uit de verlenging van die licentieovereenkomst door de curator bij e‑mail van 7 december 2017. Dit blijkt ook uit een „overeenkomst bij brief” van 24 november 2017 waarin Spring Holdings voorstelde om de looptijd van de licentieovereenkomst te verlengen tot 30 november 2022.

94      Volgens verzoekster kon de curator hoe dan ook niet worden beschouwd als een derde (ook al handelde hij in het belang van interveniëntes schuldeisers), aangezien hij met haar een contractuele relatie was aangegaan als partij bij de licentieovereenkomst. Verzoekster concludeert hieruit dat zelfs indien artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 in casu van toepassing was, interveniënte en de curator zelf zich niet op deze bepaling konden beroepen omdat zij daadwerkelijk op de hoogte waren van de eerdere overdracht van het betrokken merk aan Spring Holdings in 2014.

95      Opgemerkt zij dat deze argumenten zijn gebaseerd op de uitzondering van artikel 27, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001, volgens welke een rechtshandeling betreffende een Uniemerk zelfs vóór de inschrijving ervan in het register van het EUIPO kan worden tegengeworpen aan derden die rechten op het merk verworven hebben na de datum van die handeling, indien zij op de datum waarop zij de betrokken rechten verwierven, van die handeling op de hoogte waren.

96      Evenwel moet worden vastgesteld dat het EUIPO in casu niet in staat was om deze op kennis gebaseerde uitzondering toe te passen.

97      Zoals in punt 74 hierboven reeds is opgemerkt, heeft de kamer van beroep in punt 56 van de bestreden beslissing immers terecht geoordeeld dat, aangezien het betrokken merk was vermeld in de inventaris die was gehecht aan het vonnis houdende faillietverklaring van 13 oktober 2017, het EUIPO deze lijst niet kon betwisten omdat het zich niet in de plaats kon stellen van de nationale rechterlijke instanties, en dat het verplicht was om de insolventieprocedure betreffende dat merk in het register in te schrijven. In datzelfde punt van die beslissing heeft de kamer van beroep eveneens terecht geoordeeld dat de door verzoekster na de faillietverklaring van interveniënte ingediende aanvraag om inschrijving van de overgangen van dit merk te laat was ingediend en dat verzoekster niet het bewijs had geleverd dat het vonnis houdende faillietverklaring onjuist was op basis van een nationale rechterlijke beslissing.

98      Bijgevolg was het niet aan het EUIPO om na te gaan of, op de datum van het vonnis houdende faillietverklaring van interveniënte, aan laatstgenoemde en de curator de op kennis gebaseerde uitzondering kon worden tegengeworpen. Hieruit volgt dat het onderhavige onderdeel niet ter zake dienend is.

99      Met betrekking tot het feit dat interveniënte en de curator op 13 oktober 2017 op de hoogte zouden zijn geweest van de overdracht van het betrokken merk door interveniënte aan Spring Holdings, die in 2014 zou hebben plaatsgevonden, dient hoe dan ook het volgende te worden opgemerkt.

100    Wat ten eerste interveniënte betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof met betrekking tot het doel van de in artikel 27, lid 1, eerste volzin, van verordening 2017/1001 geformuleerde regel heeft verklaard dat de niet-tegenwerpbaarheid aan derden van de in de artikelen 20, 22 en 25 van deze verordening bedoelde rechtshandelingen die niet in het register zijn ingeschreven, strekt tot bescherming van diegene die rechten op een Uniemerk als vermogensbestanddeel heeft of kan hebben (zie in die zin arrest van 4 februari 2016, Hassan, C‑163/15, EU:C:2016:71, punt 25).

101    Artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 moet in casu dus worden geacht te strekken tot bescherming van eenieder die rechten op het betrokken merk als vermogensbestanddeel heeft of kan hebben, te weten de schuldeisers van interveniënte, een failliet verklaarde vennootschap. Of interveniënte zelf op de hoogte was van de overdracht van dit merk is dus niet relevant en kan geen afbreuk doen aan de rechten van haar schuldeisers op haar vermogen in liquidatie.

102    Wat ten tweede de curator betreft, moet worden onderzocht of hij daadwerkelijk heeft bevestigd dat hij vóór 13 oktober 2017 op de hoogte was van de overdracht van 2014, zoals verzoekster stelt.

103    In dit verband moet worden benadrukt dat volgens artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 de op kennis gebaseerde uitzondering van toepassing is op degenen die later rechten op het betrokken merk hebben verworven terwijl zij op de hoogte waren van de handeling „op de datum waarop zij de betrokken rechten verwierven”, dat wil zeggen in casu op 13 oktober 2017, zoals verzoekster zelf erkent in punt 74 van het verzoekschrift.

104    Om te beginnen staat vast dat de curator niet betrokken was bij de door verzoekster aangevoerde overdrachtsovereenkomst en licentieovereenkomst, die in 2014 zouden zijn gesloten.

105    Voorts blijkt uit het dossier dat de curator de geldigheid van die overdrachtsovereenkomst en die licentieovereenkomst heeft aangevochten bij de Tribunale di Venezia. In het document waarop verzoekster zich beroept, te weten het inleidend verzoekschrift dat de curator op 13 juni 2019 bij die rechter heeft ingediend, wordt uitdrukkelijk vermeld dat de curator „voor de eerste (en enige keer)” in de loop van juni 2018 (dus na het vonnis houdende faillietverklaring van 13 oktober 2017) kennis heeft gekregen van de overdrachtsovereenkomst, juist vanwege de procedure bij het EUIPO.

106    Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst verzoekster enkel naar de „overeenkomst bij brief”, te weten een briefwisseling in november en december 2017 over de verlenging van de licentieovereenkomst. In dit verband moet worden benadrukt dat de door verzoekster aangevoerde briefwisseling dateert van na het vonnis houdende faillietverklaring, dat is uitgesproken op 13 oktober 2017. Hoe dan ook blijkt uit het dossier dat de curator verzoeksters betoog heeft afgewezen en heeft verklaard dat het door Spring Holdings op 24 november 2017 overgelegde voorstel tot verlenging van de licentieovereenkomst „louter tijdelijk en voorlopig was, en uiteraard niet afdeed aan vorderingen tegen de gestelde overdracht van de merken”, waaronder het betrokken merk. Zoals uitdrukkelijk is aangegeven in het verzoek van de curator om toestemming voor deze verlenging, deed deze toestemming „geen afbreuk aan vorderingen om vast te stellen of de overdracht van de merken rechtmatig was en tegen een redelijke prijs had plaatsgevonden, en om andere omstandigheden dienaangaande vast te stellen”. Bovendien heeft de curator bij de kamer van beroep de waarachtigheid betwist van de e-mail die hij in antwoord op dat voorstel zou hebben verstuurd en waarop verzoekster zich beroept, en heeft verzoekster niet aangetoond dat de curator dit voorstel ooit heeft ondertekend. Deze gegevens kunnen dus niet aantonen dat de curator op 13 oktober 2017 op de hoogte was van de vermeende overdrachtsovereenkomst van 26 juni 2014.

107    De kamer van beroep heeft dus terecht in essentie geoordeeld dat de op kennis gebaseerde uitzondering van artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 in casu niet van toepassing was en dat de vermeende overdrachtsovereenkomst en licentieovereenkomst van 2014, ongeacht of deze geldig waren en de datum ervan vaststond naar Italiaans recht, hoe dan ook op 13 oktober 2017 niet aan interveniënte en de curator konden worden tegengeworpen.

108    Bijgevolg moet het vierde onderdeel van het enige middel worden afgewezen.

 Vijfde onderdeel van het middel: onjuiste toepassing van artikel 103 van verordening 2017/1001 door de kamer van beroep op de beslissingen van het EUIPO om de inschrijvingen van 16 april 2018 door te halen

109    Met het vijfde onderdeel van het enige middel voert verzoekster in essentie aan dat artikel 103 van verordening 2017/1001 in casu niet van toepassing is, aangezien er geen sprake was van een „kennelijke fout” bij de inschrijving van de overgang van het betrokken merk ten gunste van haar die het EUIPO op 16 april 2018 heeft verricht met inachtneming van de in de regelgeving gestelde voorwaarden. Zij herhaalt dat interveniënte dit merk vóór haar faillietverklaring had overgedragen aan Spring Holdings, die het op haar beurt aan verzoekster heeft overgedragen. Bovendien is de door interveniënte aangevoerde fout, te weten het verzuim om een procedurele handeling te verrichten, niet begaan op de datum van inschrijving van die overgang, maar dateert deze van oktober 2017.

110    In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de bewoordingen van artikel 103 van verordening 2017/1001, die op 1 oktober 2017 in werking is getreden, verschillen van die van artikel 80 van verordening nr. 207/2009, in die zin dat het ziet op elke „kennelijke fout” die aan het EUIPO kan worden toegerekend, en niet meer alleen op elke aan het EUIPO toerekenbare „kennelijke procedurefout”, welk begrip het Hof had omschreven als een door het EUIPO begane flagrante fout van procedurele aard (zie in die zin arrest van 31 oktober 2019, Repower/EUIPO, C‑281/18 P, EU:C:2019:916, punt 29). Voor de toepassing van artikel 103 van verordening 2017/1001 is dus niet vereist dat de kennelijke fout procedureel van aard is.

111    Wat de „kennelijke” of flagrante aard betreft van de fout die de vaststelling van een beslissing tot herroeping van een eerdere beslissing of tot doorhaling van een inschrijving rechtvaardigt, gaat het om fouten die zodanig voor de hand liggen dat het dispositief van die eerdere beslissing of die inschrijving niet kan worden gehandhaafd zonder een nieuwe analyse die later zal worden uitgevoerd door de instantie die deze beslissing heeft genomen of deze inschrijving heeft verricht [zie in die zin arrest van 28 mei 2020, Aurea Biolabs/EUIPO – Avizel (AUREA BIOLABS), T‑724/18 en T‑184/19, EU:T:2020:227, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

112    Meer in het algemeen kan een fout volgens de rechtspraak alleen als een kennelijke fout worden aangemerkt wanneer deze op evidente wijze kan worden ontdekt aan de hand van de criteria waaraan de wetgever de uitoefening door de administratie van haar beoordelingsbevoegdheid heeft willen onderwerpen, en het overgelegde bewijs volstaat om de beoordeling van die administratie ongeloofwaardig te maken, zonder dat deze beoordeling gerechtvaardigd en samenhangend kan worden geacht (zie in die zin arrest van 2 april 2019, Fleig/EDEO, T‑492/17, EU:T:2019:211, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

113    In casu moet met betrekking tot het verzuim om de insolventieprocedure in te schrijven worden opgemerkt dat een insolventie moet worden geacht gevolgen te sorteren en tegenwerpbaar te zijn vanaf de in het toepasselijke nationale recht gestelde datum, in casu 13 oktober 2017 krachtens de artikelen 44 en 45 van de Italiaanse faillissementswet (zie met name de punten 53 en 66 hierboven). Het EUIPO was bovendien op de hoogte van de insolventie van interveniënte en had bij beslissing van 9 april 2018 (zie punt 8 hierboven) reeds uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het voornemens was daaraan rechtsgevolgen te verbinden. Aangezien het EUIPO de eerste inschrijving van de overdracht van het betrokken merk door interveniënte aan Spring Holdings, die hun gemeenschappelijke vertegenwoordiger op 18 oktober 2017 had aangevraagd, op 9 april 2018 met terugwerkende kracht heeft doorgehaald, moest dit merk dus worden geacht op 13 oktober 2017, en a fortiori op 16 april 2018, toe te behoren aan interveniënte.

114    Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de aan het EUIPO toe te rekenen „kennelijke fout” in de zin van artikel 103 van verordening 2017/1001 is begaan toen het EUIPO op 16 april 2018 op aanvraag van verzoekster de overgangen van het betrokken merk in het register heeft ingeschreven zonder rekening te houden met het bestaan en de tegenwerpbaarheid van het vonnis van 13 oktober 2017 waarbij interveniënte failliet is verklaard, welk vonnis het had verzuimd in te schrijven naar aanleiding van het op 25 oktober 2017 door de curator ingediende verzoek daartoe.

115    De op 16 april 2018 in het register verrichte inschrijvingen van de opeenvolgende overgangen van het betrokken merk vormden dus „kennelijke fouten” die aan het EUIPO konden worden toegerekend in de zin van artikel 103 van verordening 2017/1001, aangezien, ten eerste, interveniëntes faillissement eerder was uitgesproken, namelijk op 13 oktober 2017, en, ten tweede, het EUIPO op de datum van die inschrijvingen op de hoogte was van de inleiding van de insolventieprocedure tegen de in het register ingeschreven houder van dit merk, te weten interveniënte.

116    Indien het vonnis waarbij de ingeschreven houder van het betrokken merk insolvent werd verklaard naar behoren in het register was ingeschreven op de datum van het daartoe strekkende verzoek van de curator, te weten 25 oktober 2017, zou elke latere aanvraag om inschrijving van een overgang betreffende hetzelfde merk in normale omstandigheden waarin geen fout wordt gemaakt, automatisch zijn opgeschort en slechts met uitdrukkelijke toestemming van de curator of van de met de insolventieprocedure belaste nationale rechterlijke instantie ten uitvoer kunnen worden gelegd.

117    Door de litigieuze overgangen op aanvraag van verzoekster in te schrijven op 16 april 2018, na te hebben verzuimd de insolventieprocedure betreffende de houder van het betrokken merk in te schrijven in het register overeenkomstig het verzoek van de curator van 25 oktober 2017, heeft het EUIPO een kennelijke fout gemaakt, zodat het die inschrijvingen van 16 april 2018, die door deze kennelijke fout waren aangetast, zo snel mogelijk moest doorhalen.

118    In dit verband heeft het Hof in essentie geoordeeld dat de – thans in artikel 103 van verordening 2017/1001 opgenomen – verplichting voor het EUIPO tot herroeping van een beslissing of doorhaling van een inschrijving wanneer het bij die beslissing of inschrijving een kennelijke fout heeft gemaakt, is opgelegd ter waarborging van een behoorlijk bestuur alsmede om redenen van proceseconomie (zie in die zin en naar analogie arrest van 31 oktober 2019, Repower/EUIPO, C‑281/18 P, EU:C:2019:916, punt 32).

119    Bovendien is de in artikel 103, lid 2, van verordening 2017/1001 voorgeschreven termijn van één jaar vanaf de datum van inschrijving in het register naar behoren in acht genomen bij de vaststelling door de met het register van het EUIPO belaste dienst – op 30 januari 2019 – van de twee beslissingen tot doorhaling van de op 16 april 2018 verrichte registerinschrijvingen T 014185659 en T 014188703.

120    Hieruit volgt dat was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 103 van verordening 2017/1001 door het EUIPO en in het bijzonder door de met het register belaste dienst.

121    De kamer van beroep heeft dus terecht de beslissing van deze dienst van 30 januari 2019, waarbij de op 16 april 2018 verrichte inschrijvingen betreffende de opeenvolgende overgangen van het betrokken merk zijn doorgehaald, bevestigd.

122    Bijgevolg moet het vijfde onderdeel van het enige middel worden afgewezen.

123    Gelet op alle voorgaande overwegingen moet het enige middel worden afgewezen en bijgevolg het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

124    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

125    Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van het EUIPO en van interveniënte te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Negende kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Marina Yachting Brand Management Co. Ltd wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en Industries Sportswear Co. Srl.

Costeira

Gratsias

Kancheva

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 september 2021.

ondertekeningen


Inhoudsopgave


Voorgeschiedenis van het geding

Conclusies van partijen

In rechte

Ontvankelijkheid van de tweede vordering van interveniënte

Ten gronde

Opmerkingen vooraf

Eerste onderdeel van het middel: miskenning door het EUIPO van zijn bevoegdheden krachtens de artikelen 20 en 24 van verordening 2017/1001

Tweede onderdeel van het middel: onterechte inaanmerkingneming van het vonnis houdende faillietverklaring van 13 oktober 2017 door het EUIPO en de kamer van beroep

Derde onderdeel van het middel: niet-toepasselijkheid van artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 op het onderhavige geval

Vierde onderdeel van het middel: toepasselijkheid van de in artikel 27, lid 1, van verordening 2017/1001 geformuleerde uitzondering (op de hoogte zijn van de handeling) op het onderhavige geval en vermeende kennis van de overdrachtsovereenkomst van 2014 door interveniënte en de curator

Vijfde onderdeel van het middel: onjuiste toepassing van artikel 103 van verordening 2017/1001 door de kamer van beroep op de beslissingen van het EUIPO om de inschrijvingen van 16 april 2018 door te halen

Kosten


*      Procestaal: Engels.