Language of document : ECLI:EU:C:2022:539

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

A. M. COLLINS

van 7 juli 2022 (1)

Zaak C348/21

HYA,

IP,

DD,

ZI,

SS

andere partij in de procedure:

Spetsializirana prokuratura

[verzoek van de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]

„Verzoek om een prejudiciële beslissing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikel 6, lid 1, en artikel 8, lid 1 – Bewijslast – Recht op aanwezigheid bij proces – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 47, tweede alinea, en artikel 48, lid 2 – Recht op een eerlijk proces en rechten van de verdediging – Verklaring van een getuige ten overstaan van een rechter in de fase van het opsporingsonderzoek in afwezigheid van de beklaagden of hun gemachtigden – Onmogelijkheid voor de beklaagden en hun gemachtigden om in de gerechtelijke fase van de strafprocedure getuigen à charge te verhoren”






I.      Inleiding

1.        Omvat het recht van een beklaagde om aanwezig te zijn bij zijn proces ook het recht om daaraan deel te nemen of het recht om daarbij toeschouwer te zijn? De Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) verzoekt het Hof om een antwoord op deze vraag in zijn tweede in een reeks van vijf verzoeken om een prejudiciële beslissing die hij in het kader van dezelfde strafprocedure heeft gedaan.(2)

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

2.        Overeenkomstig artikel 1 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn(3) bevat deze richtlijn gemeenschappelijke minimumvoorschriften inzake bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en het recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn.

3.        De overwegingen 9 tot en met 11, 22, 33 tot en met 35, 47 en 48 van richtlijn 2016/343 luiden als volgt:

„(9)      Deze richtlijn heeft als doel het recht op een eerlijk proces in strafzaken te versterken door gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen over bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en het recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn.

(10)      Door gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen voor de bescherming van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden beoogt deze richtlijn het vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtsstelsels te versterken om aldus de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen te vergemakkelijken. Dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften kunnen ook belemmeringen voor het vrije verkeer van burgers wegnemen op het gehele grondgebied van de lidstaten.

(11)      Deze richtlijn dient uitsluitend van toepassing te zijn op strafprocedures, zoals uitgelegd door het Hof […], onverminderd de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. […]

[…]

(22)      De bewijslast voor het aantonen van de schuld van de verdachte of beklaagde rust op de vervolgende instantie, en enige twijfel moet ten gunste van de beklaagde komen. Het vermoeden van onschuld zou worden geschonden indien de bewijslast zou worden verschoven van de vervolgende instantie naar de verdediging; dit doet echter geen afbreuk aan bevoegdheden van rechters om ambtshalve feitenonderzoek te doen, noch aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de beoordeling van de schuld van de verdachte of beklaagde. Evenmin doet het afbreuk aan het gebruik van wettelijke of feitelijke vermoedens inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte of beklaagde. […]

[…]

(33)      Het recht op een eerlijk proces is een van de grondbeginselen van een democratische samenleving. Het recht van verdachten en beklaagden om aanwezig te zijn bij de terechtzitting, is gebaseerd op dat recht en moet in de hele Unie worden gewaarborgd.

(34)      Indien verdachten of beklaagden om buiten hun macht liggende redenen niet ter terechtzitting aanwezig kunnen zijn, moeten zij de mogelijkheid krijgen om binnen de in het nationale recht gestelde termijn te verzoeken om een nieuwe datum voor de terechtzitting.

(35)      Het recht van verdachten en beklaagden om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, is niet absoluut. Onder bepaalde voorwaarden dienen verdachten en beklaagden de mogelijkheid te hebben om, uitdrukkelijk of stilzwijgend maar op ondubbelzinnige wijze, afstand te doen van dat recht.

[…]

(47)      Deze richtlijn eerbiedigt de door het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie; hierna: „Handvest”] en het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; hierna: „EVRM”] erkende grondrechten en beginselen, waaronder […] het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), uit hoofde waarvan de Unie de in het Handvest vastgestelde rechten, vrijheden en beginselen erkent, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, en die als algemene beginselen deel uitmaken van het Unierecht.

(48)      Aangezien deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften, moeten de lidstaten de in deze richtlijn vastgestelde rechten kunnen uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden. Het door de lidstaten geboden beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan de normen die zijn opgenomen in het Handvest of het EVRM, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.”

4.        Artikel 6 van richtlijn 2016/343 heeft als opschrift „Bewijslast”. Lid 1 ervan bepaalt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust. Dit doet geen afbreuk aan enige verplichting voor de rechter of de bevoegde rechtbank om zowel belastende en ontlastende bewijzen te zoeken, noch aan het recht van de verdediging om overeenkomstig het nationale recht bewijsmateriaal aan te brengen.”

5.        Artikel 8 van richtlijn 2016/343, met als opschrift „Recht op aanwezigheid bij proces”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting.

2.      De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat:

a)      de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid; of

b)      de verdachte of beklaagde, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de verdachte of de beklaagde dan wel door de staat werd aangesteld.”

6.        Artikel 13 van richtlijn 2016/343, met als opschrift „Non-regressiebepaling”, luidt als volgt:

„Geen enkele bepaling van deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die zijn vastgelegd in het Handvest, het EVRM of andere relevante bepalingen van internationaal recht of van het recht van een lidstaat die een hoger beschermingsniveau bieden.”

B.      Bulgaars recht

7.        Volgens artikel 12 van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering; hierna: „NPK”)(4) is een gerechtelijke procedure een procedure op tegenspraak en hebben de verdediging en de vervolgende instantie dezelfde rechten.

8.        Uit artikel 46, lid 2, punt 1, en artikel 52 NPK volgt dat het opsporingsonderzoek berust bij de onderzoeksautoriteiten onder leiding en toezicht van de openbaar aanklager.

9.        Artikel 117 NPK luidt als volgt:

„Met getuigenverklaringen kunnen alle feiten worden vastgesteld die de getuige heeft waargenomen en die bijdragen tot het achterhalen van de objectieve waarheid.”

10.      In het verzoek om een prejudiciële beslissing, waarin wordt verwezen naar artikel 107, lid 1, en de artikelen 139 en 224 NPK, staat dat de getuige in de fase van het opsporingsonderzoek doorgaans in afwezigheid van de verdediging wordt verhoord met het oog op bewijsgaring. Onder verwijzing naar artikel 280, lid 2, NPK, gelezen in samenhang met artikel 253 daarvan, staat in het verzoek om een prejudiciële beslissing eveneens dat de getuige ter terechtzitting nogmaals wordt verhoord in aanwezigheid van de verdediging die vervolgens zelf de getuige kan ondervragen.

11.      Artikel 223 NPK, met als opschrift „Getuigenverhoor ten overstaan van een rechter”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„(1)      Indien het risico bestaat dat de getuige niet voor de rechter kan verschijnen vanwege een ernstige ziekte, een langdurig verblijf in het buitenland of om andere redenen waardoor hij niet ter terechtzitting kan verschijnen, en ook wanneer het noodzakelijk is de getuigenverklaring die voor het achterhalen van de objectieve waarheid van bijzonder belang is, vast te leggen, wordt het verhoor afgenomen ten overstaan van een rechter van de betreffende rechtbank van eerste aanleg of van de rechtbank van eerste aanleg binnen wier rechtsgebied de activiteit plaatsvindt. In die gevallen wordt het dossier niet ingediend bij de rechter.

(2)      De autoriteit die verantwoordelijk is voor het opsporingsonderzoek zorgt ervoor dat de getuige aanwezig is en dat de beklaagde en zijn eventuele advocaat kunnen deelnemen aan het verhoor.”

12.      Artikel 281 NPK, met als opschrift „Voorlezing van de getuigenverklaring”, bepaalt in de leden 1 en 3:

„(1)      Een getuigenverklaring die in dezelfde zaak is afgelegd ten overstaan van een rechter tijdens het opsporingsonderzoek of ten overstaan van de rechtbank in een andere samenstelling, wordt voorgelezen indien:

[…]

3.      de getuige, na behoorlijk te zijn opgeroepen, voor langere of onbepaalde tijd niet voor de rechter kan verschijnen en het niet noodzakelijk of mogelijk is hem te verhoren middels delegatie van bevoegdheden;

4.      de getuige onvindbaar is en niet kan worden opgeroepen, of is overleden;

[…]

(3)      Onder de voorwaarden van artikel 281, lid 1, punten 1 tot en met 6, wordt een getuigenverklaring die is afgelegd voor een autoriteit die verantwoordelijk is voor het opsporingsonderzoek, voorgelezen indien de beklaagde en zijn advocaat, indien die advocaat is gemachtigd of aangewezen, hebben deelgenomen aan het verhoor. Indien er meerdere beklaagden zijn, is voor de voorlezing van de getuigenverklaringen die betrekking hebben op het hun ten laste gelegde de toestemming vereist van de beklaagden die niet voor het verhoor zijn opgeroepen of die voor hun afwezigheid geldige redenen hebben gegeven.”

III. Hoofdgeding en prejudiciële vraag

13.      De Spetsializirana prokuratura (bijzonder openbaar aanklager, Bulgarije) heeft tegen verschillende personen strafrechtelijke vervolging ingesteld wegens hun vermeende deelname aan een criminele organisatie, die tot doel had onderdanen van derde landen de Bulgaarse grens over te smokkelen, hen te helpen Bulgarije illegaal binnen te komen en in verband met die activiteiten steekpenningen aan te nemen of te betalen.

14.      In de fase van het opsporingsonderzoek hebben de onderzoeksautoriteiten die de openbaar aanklager assisteerden, vijf onderdanen van derde landen verhoord, te weten MM, RB, KH, HN en PR (hierna tezamen: „getuigen”), van wie werd beweerd dat zij door vijf personen, te weten IP, DD, ZI, SS en HYA (hierna tezamen: „beklaagden”), in strijd met de wet Bulgarije zijn binnengelaten. De eerste drie beklaagden waren beambten van de grenspolitie op de luchthaven van Sofia (Bulgarije).

15.      Overeenkomstig artikel 223 NPK zijn de getuigen ten overstaan van een rechter verhoord: MM, RB en PR zijn op 30 maart en 12 april 2017 verschenen, HN is op 30 maart 2017 verschenen en KH is op 26 mei 2017 verschenen.(5) Deze verhoren hebben plaatsgevonden voordat de beklaagden formeel in staat van beschuldiging zijn gesteld en toegang tot een advocaat hebben gekregen. IP, DD, SS en HYA zijn op de avond van 25 mei 2017 aangehouden en zijn de volgende dag in staat van beschuldiging gesteld(6), terwijl ZI op 31 mei 2017 is aangehouden en in staat van beschuldiging is gesteld. Daarna zijn de beklaagden in voorlopige hechtenis genomen en hebben zij rechtsbijstand gekregen.

16.      Nadat de beklaagden in staat van beschuldiging waren gesteld, vond de openbaar aanklager het niet nodig om de getuigen in aanwezigheid van de beklaagden of hun gemachtigden te verhoren, hoewel hij wist dat tegen vier van hen een uitzettingsbevel was uitgevaardigd, zodat die getuigen het proces van de beklaagden waarschijnlijk niet konden bijwonen.

17.      Op 21 juli 2017 heeft de openbaar aanklager getuigen MM en RB voor de tweede keer verhoord. MM is op 22 november 2017 opnieuw verhoord. Die verhoren vonden niet plaats ten overstaan van een rechter en de beklaagden en hun gemachtigden waren niet aanwezig.

18.      Op 18 januari 2018 heeft SS en op 30 april 2018 heeft DD uitdrukkelijk verzocht om toestemming voor verhoor van MM. Op die verzoeken heeft de openbaar aanklager niet gereageerd.(7)

19.      Als gevolg van hun illegale verblijf in Bulgarije en tegelijk met de strafprocedure zijn de getuigen MM, RB, HN en PR voorwerp van een administratieve procedure geworden en zijn zij in een opvangcentrum voor migranten vastgehouden. Voordat zij zijn vrijgelaten, zijn uitzettingsbevelen aan hen uitgereikt. KH die het land op 25 mei 2017 was binnengekomen, heeft het land op 29 mei 2017 verlaten zonder dat tegen hem een administratieve procedure was ingeleid.

20.      Op 19 juni 2020 heeft de Spetsializirana prokuratura de verwijzende rechter in kennis gesteld van de tenlastelegging van de beklaagden. De pogingen van de verwijzende rechter om de getuigen op te sporen en op te roepen om hen in aanwezigheid van de beklaagden of hun gemachtigden te verhoren zijn vruchteloos gebleken, ofwel omdat hun woonplaats niet bekend was (zoals in het geval van RB, HN en PR), ofwel omdat zij Bulgarije waren uitgezet (zoals in het geval van MM), ofwel omdat zij het land uit eigen beweging hadden verlaten (zoals in het geval van KH). De verwijzende rechter concludeerde derhalve dat het onmogelijk was om de getuigen persoonlijk in aanwezigheid van de beklaagden of hun gemachtigden te verhoren en dat laatstgenoemden geen vragen aan die getuigen konden stellen.

21.      Ter terechtzitting van 9 april 2021 heeft de openbaar aanklager op grond van artikel 281, lid 1, NPK verzocht om voorlezing – tijdens het proces van de beklaagden – van de verklaringen die de getuigen in de fase van het opsporingsonderzoek ten overstaan van de rechter hadden afgelegd.(8) Hierdoor zouden de verklaringen deel gaan uitmaken van het bewijsmateriaal op basis waarvan de rechter uitspraak zou doen over hetgeen de beklaagden ten laste was gelegd. Tegen dat verzoek hebben de beklaagden zich verzet omdat zij daardoor zouden worden beroofd van hun recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

22.      De verwijzende rechter geeft aan dat het bewijsmateriaal van die getuigen de basis voor de tenlastelegging vormt en cruciaal is voor de beoordeling van de schuld van de beklaagden. Hij heeft echter twijfels over de verenigbaarheid met het Unierecht van de procedure van artikel 281, lid 1, NPK, gelezen in samenhang met artikel 223 ervan, op grond waarvan een verklaring die een getuige in de fase van het opsporingsonderzoek ten overstaan van een rechter in afwezigheid van de beklaagde of zijn gemachtigde heeft afgelegd, tijdens het proces van de beklaagde in afwezigheid van die getuige kan worden voorgelezen zonder dat de beklaagde of zijn gemachtigde die getuige hebben kunnen ondervragen.

23.      De verwijzende rechter merkt op dat een strafrechter zich tijdens de strafzitting kan baseren op getuigenverklaringen die in aanwezigheid van een beklaagde of zijn gemachtigden zijn afgelegd. Artikel 281, leden 1 en 3, NPK bepaalt dat verklaringen die een getuige tijdens de fase van het opsporingsonderzoek heeft afgelegd en die door de strafrechter worden voorgelezen, deel gaan uitmaken van het bewijsmateriaal in het procesdossier en dat zij dezelfde bewijskracht hebben als verklaringen die zijn afgelegd door een getuige die bij het proces aanwezig is en die vragen van partijen heeft beantwoord. De verwijzende rechter legt uit dat een getuige, indien het risico bestaat dat hij niet voor de strafrechter kan verschijnen, in de fase van het opsporingsonderzoek kan worden verhoord ten overstaan van een rechter die tot taak heeft het verhoor te begeleiden en ervoor te zorgen dat het verhoor formeel wettig verloopt. Nadat een verdachte formeel in staat van beschuldiging is gesteld, moet hij in kennis worden gesteld van dat verhoor en de gelegenheid krijgen om daaraan deel te nemen. Om die wettelijke verplichting te omzeilen, verrichten onderzoeksautoriteiten het verhoor van de getuigen echter vaak in de periode van 24 uur tussen de aanhouding van de verdachte en zijn formele inbeschuldigingstelling.(9) Dat was ook hier het geval.(10)

24.      Volgens de verwijzende rechter impliceert het in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343 neergelegde recht van de verdachte om aanwezig te zijn bij zijn terechtzitting dat hij al zijn wettelijke rechten in het kader van dat proces met het oog op zijn verdediging kan uitoefenen, waaronder het recht om getuigen à charge te ondervragen. De strafrechter kan zich dus alleen baseren op bewijsmateriaal dat is verkregen in aanwezigheid van de beklaagden of hun gemachtigden. Hoewel de beklaagden in dit geval aanwezig zijn bij hun terechtzitting, zijn zij in feite aanwezig bij de voorlezing van verklaringen van getuigen à charge zonder dat zij die getuigen kunnen ondervragen. Onder verwijzing naar artikel 47, tweede alinea, van het Handvest is de verwijzende rechter van mening dat de beklaagden zich in dezelfde situatie bevinden als wanneer de openbaar aanklager die getuigen ter terechtzitting in afwezigheid van de beklaagden of hun gemachtigden had verhoord.

25.      Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de openbaar aanklager, wanneer hij bewijs vergaart in een tussenprocedure, zoals voorzien in artikel 223 NPK, waaraan de verdediging niet heeft deelgenomen, en dat bewijs gebruikt om de schuld van beklaagden ter terechtzitting aan te tonen, de feiten zodanig bewijst dat de beklaagden of hun gemachtigden geen enkele mogelijkheid hebben om die getuigen te ondervragen. De verwijzende rechter vraagt zich af of de krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 op de openbaar aanklager rustende verplichting om de schuld van de beklaagde aan te tonen, in die omstandigheden naar behoren wordt vervuld. Tevens stelt hij de vraag aan de orde of het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde recht op een eerlijk proces vereist dat beklaagden effectieve wettelijke middelen krijgen om zichzelf te verdedigen tegen de door de vervolgende instantie aangedragen belastende bewijzen, in het bijzonder de mogelijkheid om getuigen à charge te ondervragen. De verwijzende rechter wenst dus te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 moet worden uitgelegd in samenhang met artikel 8, lid 1, van deze richtlijn.

26.      De verwijzende rechter is niet van mening dat de voorlezing, tijdens het proces van de beklaagden, van een verklaring die een getuige in de fase van het opsporingsonderzoek heeft afgelegd zonder dat de beklaagden hun eigen vragen aan die getuige hebben kunnen stellen, in alle omstandigheden onverenigbaar is met het Unierecht. Deze procedure maakt weliswaar inbreuk op het recht van de beklaagde om bij het proces aanwezig te zijn, maar zij kan nodig zijn indien het objectief gezien onmogelijk is dat een getuige bij het proces aanwezig is, de openbaar aanklager te goeder trouw handelt en er compenserende maatregelen bestaan.

27.      In dit geval wist de vervolgende instantie dat de getuigen Bulgarije zouden worden uitgezet en dat het voor hen dus moeilijk, zo niet onmogelijk, zou zijn om bij het proces aanwezig te zijn. Zij wist derhalve dat de verklaringen die de getuigen in de fase van het opsporingsonderzoek ten overstaan van een rechter hadden afgelegd naar aanleiding van de vragen van de openbaar aanklager en in afwezigheid van de beklaagden en hun gemachtigden, tijdens de terechtzitting zouden worden voorgelezen en dat die verklaringen dezelfde bewijskracht zouden hebben als wanneer de beklaagden of hun gemachtigden aanwezig waren geweest bij dat verhoor voorafgaand aan de terechtzitting.(11) Bovendien voorziet het nationale recht niet in een sanctie indien de openbaar aanklager verzuimt of weigert om beklaagden de gelegenheid te bieden getuigen te ondervragen wier bewijsmateriaal hij voornemens is te gebruiken.

28.      In deze omstandigheden heeft de Spetsializiran nakazatelen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is het verenigbaar met artikel 8, lid 1, en artikel 6, lid 1, gelezen in samenhang met de overwegingen 33 en 34 van richtlijn 2016/343 alsmede met artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest], wanneer een nationale wet bepaalt dat in de situatie waarin in de gerechtelijke fase van de strafprocedure verklaringen worden ingediend van getuigen die om objectieve redenen niet kunnen worden gehoord, welke getuigenverklaringen in de fase van het opsporingsonderzoek zijn afgelegd – waarbij deze getuigen in laatstgenoemde fase enkel door de vervolgende instantie, zonder deelname van de verdediging maar wel ten overstaan van een rechter, zijn verhoord en de vervolgende instantie reeds in die fase de deelname van de verdediging aan dit verhoor mogelijk had kunnen maken, maar dit niet heeft gedaan –, het recht van de verdachte om bij zijn proces aanwezig te zijn gewaarborgd is en de openbaar aanklager naar behoren voldoet aan zijn verplichting om de schuld van de verdachte te bewijzen?”

29.      DD, IP en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

IV.    Juridische beoordeling

A.      Belang van artikel 6 EVRM en de artikelen 47 en 48 van het Handvest

30.      De verwijzende rechter stelt zich op het standpunt dat de situatie die in de onderhavige zaak twijfels doet rijzen, verenigbaar met het Unierecht kan zijn indien wordt voldaan aan bepaalde vereisten die zijn neergelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).(12) Hij wijst met name naar het arrest van het EHRM in de zaak Gani tegen Spanje(13) waarin het EHRM aan de hand van artikel 6, lid 1, en lid 3, onder d), EVRM de mogelijkheid heeft onderzocht dat een rechterlijke instantie de door de enige getuige à charge in de fase van het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen als bewijs toelaat, terwijl de beklaagde en zijn advocaat haar tijdens zijn proces niet konden verhoren omdat zij leed aan posttraumatische stress.

31.      In dit verband wil ik twee opmerkingen maken.

32.      Ten eerste beroept de verwijzende rechter zich voor de uitlegging van richtlijn 2016/343 terecht op de rechtspraak van het EHRM.(14)

33.      In overweging 47 van richtlijn 2016/343 staat te lezen dat deze richtlijn de door het Handvest en het EVRM erkende grondrechten en beginselen, waaronder het recht op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, eerbiedigt. Uit overweging 48 van richtlijn 2016/343 volgt dat het door de lidstaten geboden beschermingsniveau nooit lager mag zijn dan de normen die zijn opgenomen in het Handvest en het EVRM, zoals uitgelegd door het Hof en het EHRM. Het vereiste om minimumvoorschriften in stand te houden hangt nauw samen met de doelstellingen om het vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtsstelsels te versterken en om de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen te vergemakkelijken.(15)

34.      Overweging 33 van richtlijn 2016/343 preciseert dat het recht van beklaagden om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting is gebaseerd op het recht op een eerlijk proces, dat is verankerd in artikel 6 EVRM en in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest. Volgens de toelichtingen bij het Handvest(16) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM en is artikel 48 van het Handvest gelijk aan artikel 6, leden 2 en 3, EVRM.(17) Hieruit volgt dat het in artikel 6, lid 3, onder d), EVRM neergelegde recht van eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen, deel uitmaakt van de rechten van de verdediging die worden gewaarborgd door artikel 48, lid 2, van het Handvest. Deze rechten vereisen dat de betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt over de tegen hem geuite beschuldigingen naar behoren kenbaar te maken(18) en vormen meer in het algemeen een specifiek aspect van het recht op een eerlijk proces dat wordt gewaarborgd door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest.(19)

35.      Ten tweede kom ik op basis van deze opmerkingen tot de conclusie dat niet alleen rekening moet worden gehouden met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, waarnaar de verwijzende rechter rechtstreeks verwijst, maar ook met artikel 48, lid 2, van het Handvest, teneinde een nuttig antwoord te kunnen geven op de vraag van de verwijzende rechter.(20)

B.      Prejudiciële vraag

36.      Het hoofdgeding valt binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/343, aangezien uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat het geding betrekking heeft op beklaagden tegen wie in het kader van een strafprocedure vervolging is ingesteld omdat zij strafbare feiten zouden hebben begaan, terwijl nog geen definitieve beslissing over hun schuld is gegeven.(21)

37.      In haar schriftelijke opmerkingen tracht de Commissie de grenzen van de prejudiciële verwijzing te herdefiniëren doordat zij stelt dat de vraag van de verwijzende rechter in wezen de toelaatbaarheid van bewijs betreft. De lidstaten zijn verplicht ervoor te zorgen dat bij de beoordeling van door verdachten of beklaagden afgelegde verklaringen of van in strijd met het recht om te zwijgen of het recht om zichzelf niet te belasten verkregen bewijs, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van het proces worden geëerbiedigd. Aan die verplichting is niettemin uitdrukkelijk de bepaling gekoppeld dat deze „[o]nverminderd nationale regels en stelsels inzake de toelaatbaarheid van bewijs” is.(22)

38.      Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing gaat niet over de kwestie van de toelaatbaarheid van bewijs, althans voor zover hierbij wordt verzocht om de uitlegging van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest. In plaats daarvan heeft het uitdrukkelijk betrekking op het recht van beklaagden om bij hun proces aanwezig te zijn, in een context waarin de verwijzende rechter de exacte strekking en inhoud van dat recht wenst te vernemen evenals de gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien voor het verloop van het proces van de beklaagden. Hij wenst in het bijzonder te vernemen of dat recht volle werking krijgt in gevallen waarin beklaagden bij hun proces aanwezig kunnen zijn om te horen dat verklaringen die getuigen à charge in de fase van het opsporingsonderzoek in hun afwezigheid en in afwezigheid van hun gemachtigden hebben afgelegd, worden voorgelezen om te worden opgenomen in het proces-verbaal, zonder dat zij die getuigen vragen mogen stellen aangezien deze daarbij afwezig zijn. Met andere woorden: omvat het recht op aanwezigheid bij het proces, dat in de bovengenoemde bepalingen wordt gewaarborgd, noodzakelijkerwijs het recht van de beklaagde of zijn gemachtigden om door middel van het ondervragen van getuigen à charge deel te nemen aan dat proces?

39.      Subsidiair betoogt de Commissie dat artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343 niet van toepassing is op omstandigheden als die welke zijn vermeld in het verzoek om een prejudiciële beslissing.

40.      De Commissie voert ten eerste aan dat artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343 alleen van toepassing is op de gerechtelijke fase van de strafprocedure. Derhalve geldt het niet voor de bewijsgaring tijdens de fase van het opsporingsonderzoek, en ook niet voor de vraag of beklaagden en/of hun gemachtigden het recht hebben om in die fase aanwezig te zijn bij het verhoor van een getuige.

41.      Dat argument overtuigt mij niet. Zoals in het verzoek om een prejudiciële beslissing is benadrukt, wenst de verwijzende rechter duidelijkheid te verkrijgen over de rechtmatigheid van de toepassing van artikel 281, lid 1, NPK in de gerechtelijke fase van de procedure tegen de beklaagden en verzoekt hij niet om duiding van het verloop van de strafprocedure in de fase van het opsporingsonderzoek.

42.      Ten tweede betoogt de Commissie dat artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343 gaat over het recht van een beklaagde om bij zijn proces aanwezig te zijn. Het ziet volgens haar niet op het recht van beklaagden of hun gemachtigden om vragen te stellen aan getuigen.

43.      Hoewel noch in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343 noch in enige andere bepaling van deze richtlijn sprake is van het recht van een beklaagde om getuigen à charge te verhoren, leidt de door de Commissie gegeven uitlegging van het recht van beklaagden op aanwezigheid bij hun proces ertoe dat hun rol wordt ingeperkt tot die van louter toeschouwer. Die uitlegging ontneemt elke betekenis aan artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343 en zorgt ervoor dat het recht van beklaagden om bij hun proces aanwezig te zijn ondoeltreffend, zo niet zinloos, wordt. De verwijzende rechter is terecht van oordeel dat, indien deze uitlegging de overhand zou hebben, de beklaagden zich in dezelfde situatie zouden bevinden als wanneer de openbaar aanklager die getuigen ter terechtzitting in afwezigheid van de beklaagden of hun gemachtigden had verhoord.

44.      Uit de rechtspraak van zowel het Hof als het EHRM volgt hoe dan ook dat het recht van beklaagden om tijdens een strafzitting getuigen à charge te ondervragen, behoort tot de kern van het recht van eenieder om bij zijn proces aanwezig te zijn.

45.      Onder verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM heeft het Hof in een arrest waarin het artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 2016/343 heeft uitgelegd, geoordeeld dat „een openbare terechtzitting een grondbeginsel is dat in artikel 6 EVRM is vastgelegd. Dit beginsel is van bijzonder belang in strafzaken, waarin […] een persoon gerechtigd is te eisen dat hij wordt ‚gehoord’ en onder meer in de gelegenheid wordt gesteld mondeling zijn verweermiddelen uiteen te zetten, de getuigenverklaringen à charge te horen, getuigen te verhoren en te ondervragen”.(23)

46.      Evenzo heeft het Hof in een zaak die betrekking had op de toepassing van het onmiddellijkheidsbeginsel in het strafproces, op grond waarvan een rechterlijke instantie rechtstreekse en onmiddellijke kennis van de aanhangige zaak moet hebben(24), geoordeeld dat degene die de verantwoordelijkheid draagt om te beslissen over de schuld of onschuld van de verdachte, in beginsel de getuigen persoonlijk dient te verhoren en hun geloofwaardigheid dient te beoordelen, dat het beoordelen van de geloofwaardigheid van een getuige een complexe taak is die normaal gezien niet kan worden vervuld door een gewone lezing van de inhoud van zijn verklaringen zoals die in de processen-verbaal van de ondervragingen zijn opgenomen, en dat „[e]en van de belangrijke elementen van een eerlijk proces […] de mogelijkheid voor de verdachte [is] om ten overstaan van de rechter die uiteindelijk uitspraak doet, te worden geconfronteerd met de getuigen”.(25)

47.      Het EHRM heeft reeds meermaals de gelegenheid gehad om uitlegging te geven aan het recht van eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen, zoals dit recht is verankerd in artikel 6, lid 3, onder d), EVRM en een specifiek aspect van het in artikel 6, lid 1, EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces vormt.(26) Op basis van die bepalingen onderzoekt het EHRM of de strafprocedure, in haar geheel bezien, met inbegrip van de wijze waarop de bewijzen zijn verkregen, eerlijk is verlopen.(27)

48.      Volgens het EHRM is het op grond van artikel 6, lid 1 en lid 3, onder d), EVRM in zijn algemeenheid vereist dat, voordat verdachten van een strafbaar feit kunnen worden veroordeeld, alle bewijzen tegen hen in een openbare terechtzitting in hun aanwezigheid naar voren worden gebracht ten behoeve van een debat op tegenspraak. Het als bewijs gebruiken van in de onderzoeksfase verkregen verklaringen is op zichzelf niet strijdig met die bepalingen, met dien verstande dat de rechten van de verdediging, die in de regel vereisen dat een beklaagde naar behoren en voldoende in staat wordt gesteld getuigenissen à charge aan te vechten en getuigen à charge te ondervragen, worden geëerbiedigd.(28)

49.      Het EHRM beoordeelt daarbij aan de hand van een driestappentoets of een strafprocedure – waarin verklaringen van een getuige die niet aanwezig was ter terechtzitting en aldaar niet is ondervraagd als bewijs worden gebruikt – verenigbaar is met artikel 6, lid 1, en lid 3, onder d), EVRM.(29)

50.      Ten eerste moet er een goede reden zijn waarom de getuige à charge niet ter terechtzitting is verschenen, zoals overlijden, zijn gezondheidstoestand, angst om te getuigen of de onmogelijkheid om hem te traceren.(30)

51.      Ten tweede beperkt een veroordeling die uitsluitend of in beslissende mate steunt op verklaringen van een persoon die de beklaagde noch tijdens het onderzoek noch bij het proces heeft kunnen ondervragen of doen ondervragen, de rechten van de verdediging zodanig dat dit proces onverenigbaar is met de waarborgen van artikel 6 EVRM.(31)

52.      Ten derde bepaalt het EHRM of er voldoende alternatieven, met inbegrip van solide procedurele waarborgen, voorhanden waren ter compensatie van de belemmeringen die de verdediging ondervindt doordat de niet-getoetste verklaringen van een afwezige getuige als bewijs worden toegelaten en om ervoor te zorgen dat het proces in zijn geheel bezien eerlijk verloopt.(32) In dat verband onderzoekt het EHRM de volgende elementen: de benadering door de strafrechter van de niet-getoetste bewijzen van de afwezige getuige(33), de beschikbaarheid en kracht van ondersteunend bewijs tijdens de terechtzitting(34) en de procedurele maatregelen die zijn genomen ter compensatie van de onmogelijkheid om de getuige direct tijdens de terechtzitting te ondervragen.(35)

53.      In het licht van deze overwegingen dient de prejudiciële vraag te worden beantwoord wat de uitlegging van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343 betreft.

54.      Zoals de verwijzende rechter heeft toegelicht, staat artikel 281, lid 1, NPK, gelezen in samenhang met artikel 223 ervan, een strafrechter toe, indien een getuige om een gegronde reden niet aanwezig kan zijn bij het proces, verklaringen die de betrokken getuige in de fase van het opsporingsonderzoek bij het verhoor door de vervolgende instantie ten overstaan van een rechter heeft afgelegd, in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de schuld of onschuld van een beklaagde, ervan uitgaande dat indien de beklaagde ten tijde van dat verhoor niet formeel in staat van beschuldiging was gesteld, hij daaraan niet kon deelnemen.

55.      Voor zover die bepalingen er in de praktijk aan in de weg staan dat beklaagden of hun advocaat getuigen à charge tijdens de terechtzitting ondervragen, kunnen zij schending opleveren van het recht van die personen om aanwezig te zijn op hun proces, zoals dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343, alsook van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van de verdediging, zoals deze rechten zijn verankerd in respectievelijk artikel 47, tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest.

56.      Hoewel het Hof niet verplicht is de door het EHRM ontwikkelde driestappentoets te volgen, vormt deze toets een nuttig conceptueel kader aan de hand waarvan de verenigbaarheid van procedures, zoals die welke in het verzoek om een prejudiciële beslissing zijn omschreven, kan worden beoordeeld in het licht van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343 en van de rechten die zijn verankerd in artikel 47, tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest.

57.      De nationale wet waarnaar de verwijzende rechter verwijst, lijkt te voldoen aan het vereiste in de eerste stap van die toets, aangezien de verklaring van de getuige à charge uitsluitend als bewijs mag worden toegelaten indien er een goede reden is voor zijn afwezigheid ter terechtzitting. Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de vervolgende instantie het bewijs kan leveren van een goede reden voor de afwezigheid van de getuigen in de bij hem aanhangige procedure.

58.      Ook wat de toepassing van de tweede stap van de toets van het EHRM betreft staat het aan de verwijzende rechter om zich, gelet op de feiten van de bij hem aanhangige zaak, daarover uit te spreken. Mocht hij van oordeel zijn dat de verklaringen van de afwezige getuigen bepalend zijn voor de vaststelling van de schuld van de beklaagden, dan volgt daaruit dat het recht van die personen om zichzelf te verdedigen door de genoemde nationale wet wordt beperkt op een wijze die onverenigbaar is met de waarborgen van artikel 6 EVRM.

59.      Wat de derde stap van die toets betreft, lijkt uit de informatie waarover het Hof beschikt te volgen dat er onvoldoende alternatieven voorhanden zijn ter compensatie van de belemmeringen die de beklaagden ondervinden doordat de niet-getoetste getuigenverklaringen als bewijs worden toegelaten en waarbij die alternatieven van dien aard zijn dat wordt verzekerd dat het proces in zijn geheel bezien eerlijk verloopt. Volgens de verwijzende rechter hebben getuigenverklaringen die volgens artikel 223 NPK ten overstaan van een rechter zijn afgelegd en die overeenkomstig artikel 281, lid 1, NPK worden voorgelezen, dezelfde bewijskracht als wanneer de getuigen bij het proces aanwezig zouden zijn geweest en vragen van zowel de vervolgende instantie als de verdediging zouden hebben beantwoord. Met name nadat de vervolgende instantie een getuige krachtens artikel 223 NPK ten overstaan van een rechter heeft verhoord zonder dat de verdediging daaraan heeft deelgenomen, is zij niet verplicht om in de fase van het opsporingsonderzoek die getuige opnieuw in aanwezigheid van de verdediging te verhoren.(36) Ook heeft de verdediging geen enkele mogelijkheid om op te komen tegen de weigering van de vervolgende instantie om gehoor te geven aan een verzoek tot ondervraging van getuigen vóór het proces en evenmin om te eisen dat een verzoek daartoe wordt beantwoord.

60.      Wat betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 waaraan de prejudiciële vraag eveneens refereert, die bepaling is een van de vijf artikelen van hoofdstuk 2 van deze richtlijn, dat betrekking heeft op het vermoeden van onschuld. Blijkens overweging 22 van de richtlijn vereist die bepaling dat de lidstaten ervoor zorgen dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust.

61.      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 strekt derhalve tot verdeling van de bewijslast in strafzaken. In tegenstelling tot hetgeen de verwijzende rechter suggereert, bevat die bepaling niet de voorwaarde dat de vervolgende instantie voor de vaststelling van de schuld van de beklaagden enkel de bewijzen mag aanvoeren die zij in overeenstemming met de wet, daaronder begrepen artikel 8, lid 1, van richtlijn 2016/343, heeft kunnen verkrijgen. Het onderwerp van richtlijn 2016/343, zoals dit in artikel 1 is gedefinieerd, leent zich geenszins tot het regelen van dergelijke kwesties.

62.      Derhalve ben ik van mening dat de uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 niet relevant is voor de feiten van de onderhavige zaak en dat bijgevolg niet hoeft te worden ingegaan op het verzoek van de verwijzende rechter om deze bepaling uit te leggen.

V.      Conclusie

63.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Spetsializiran nakazatelen sad te beantwoorden als volgt:

„Een nationale wet die bepaalt dat het recht van een verdachte om bij zijn proces aanwezig te zijn is gewaarborgd, is niet verenigbaar met artikel 8, lid 1, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, indien in de gerechtelijke fase van de strafprocedure verklaringen worden ingediend die in de fase van het opsporingsonderzoek zijn afgelegd door getuigen die om objectieve redenen niet kunnen worden gehoord, waarbij deze getuigen in laatstgenoemde fase enkel door de vervolgende instantie, zonder deelname van de verdediging maar wel ten overstaan van een rechter, zijn verhoord en de vervolgende instantie reeds in die fase de deelname van de verdediging aan dit verhoor mogelijk had kunnen maken, maar dit niet heeft gedaan.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      Zie beschikking van 25 maart 2022, IP e.a. (Vaststelling van de juistheid van de feiten in het hoofdgeding) (C‑609/21, niet gepubliceerd, EU:C:2022:232); zaak C‑347/21, DD (Nieuw verhoor van een getuige) (PB 2021, C 338, blz. 12); zaak C‑349/21, HYA e.a. (Motivering van vergunningen voor afluisteren van telefoongesprekken) (PB 2021, C 338, blz. 13), en zaak C‑269/22, I.P. e.a.


3      PB 2016, L 65, blz. 1.


4      DV nr. 86 van 28 oktober 2005.


5      Van 15.05 uur tot 15.50 uur.


6      Tussen 17.40 uur en 20.20 uur.


7      DD verklaart in zijn opmerkingen dat hij de openbaar aanklager toestemming voor verhoor van MM en RB heeft gevraagd en dat die verzoeken uitdrukkelijk zijn afgewezen.


8      Zie punt 15 van deze conclusie.


9      Krachtens artikel 72, lid 1, van de Zakon za Ministerstvoto na vatreshnite raboti (wet inzake ministerie van binnenlandse zaken) (DV nr. 53 van 27 juni 2014), gelezen in samenhang met artikel 73 ervan, kan iemand die van een strafbaar feit wordt verdacht, maximaal 24 uur worden vastgehouden. Doorgaans wordt een verdachte aan het einde van die periode formeel in staat van beschuldiging gesteld.


10      Zie de zaak van KH, in punt 15 van deze conclusie.


11      De verwijzende rechter merkt op dat de verklaring van een getuige die al dan niet ten overstaan van een rechter is verhoord waarbij de vervolgende instantie én de verdediging aanwezig waren, en de verklaring van een getuige aan wiens verhoor uitsluitend de vervolgende instantie heeft deelgenomen maar die wel ten overstaan van een rechter is afgelegd, volgens het nationale recht dezelfde bewijskracht hebben.


12      Zie punt 26 van deze conclusie.


13      EHRM, 19 februari 2013 (CE:ECHR:2013:0219JUD006180008, §§ 39 en 41). In het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van artikel 6, lid 3, onder d), EVRM en van arresten van het EHRM waarin die bepaling wordt uitgelegd.


14      Zie in dezelfde lijn conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Sofiyska rayonna prokuratura e.a. (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C‑420/20, EU:C:2022:157, punt 51). Evenzo heeft advocaat-generaal Bobek in zijn conclusie in de zaak Prokuratura Rejonowa Łódź-Bałuty (C‑338/20, EU:C:2021:683, punt 82), opgemerkt dat „het Hof nog niet de gelegenheid heeft gehad om een zo uitgebreide en gedetailleerde rechtspraak inzake het recht op een eerlijk proces op te bouwen als die welke door het EHRM is ontwikkeld” en dat „[i]n zijn tot op heden gewezen beslissingen […] het Hof echter vaak en uitdrukkelijk [heeft] verwezen naar de arresten van het EHRM over artikel 6, lid 3, EVRM en de daaruit voortvloeiende beginselen [heeft] ‚geïntegreerd’ in de rechtsorde van de Unie”.


15      Overweging 10 van richtlijn 2016/343.


16      PB 2007, C 303, blz. 17.


17      Bovendien bepaalt artikel 52, lid 3, van het Handvest dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend. Volgens de toelichtingen op die bepaling worden de inhoud en reikwijdte van de aldus gewaarborgde rechten bepaald door het EVRM en door de rechtspraak van het EHRM dat die rechten uitlegt (zie ook arrest van 30 juni 2016, Toma en Biroul Executorului Judecătoresc Horațiu-Vasile Cruduleci, C‑205/15, EU:C:2016:499, punt 41).


18      Conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Sofiyska rayonna prokuratura e.a. (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C‑420/20, EU:C:2022:157, punt 54).


19      In zijn arrest van 19 februari 2013 in de zaak Gani tegen Spanje heeft het EHRM aldus geoordeeld dat artikel 6, lid 3, onder d), EVRM een specifiek aspect van het door artikel 6, lid 1, gewaarborgde recht op een eerlijk proces vormt waarmee rekening moet worden gehouden telkens wanneer wordt nagegaan of het proces eerlijk is verlopen (CE:ECHR:2013:0219JUD006180008, § 36). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Gambino en Hyka (C‑38/18, EU:C:2019:208, punt 92).


20      Het is vaste rechtspraak dat het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten, in die zin dat het Hof bepalingen van het recht van de Unie in aanmerking kan nemen die door de nationale rechter niet zijn genoemd (arrest van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a., C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 30). De Commissie voert in haar schriftelijke opmerkingen aan dat het recht van een beklaagde om deel te nemen aan het verhoor van een getuige in beginsel wordt beschermd door artikel 47, tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest.


21      Artikel 2 van richtlijn 2016/343 bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is op natuurlijke personen die verdachten of beklaagden zijn in strafprocedures, en op elk stadium van die procedures, vanaf het moment waarop iemand ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit of een vermeend strafbaar feit te hebben begaan, tot de beslissing inzake de uiteindelijke vaststelling of de betrokkene dat strafbare feit heeft begaan onherroepelijk is geworden.


22      Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2016/343.


23      Arrest van 13 februari 2020, Spetsializirana prokuratura (Terechtzitting in afwezigheid van de beklaagde) (C‑688/18, EU:C:2020:94, punt 36).


24      Conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Gambino en Hyka (C‑38/18, EU:C:2019:208, punt 44).


25      Arrest van 29 juli 2019, Gambino en Hyka (C‑38/18, EU:C:2019:628, punten 42 en 43).


26      Zie voetnoot 19 van deze conclusie.


27      EHRM, 19 februari 2013, Gani tegen Spanje (CE:ECHR:2013:0219JUD006180008, § 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland (CE:ECHR:2015:1215JUD000915410, §§ 100 en 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


28      EHRM, 19 februari 2013, Gani tegen Spanje (CE:ECHR:2013:0219JUD006180008, § 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland (CE:ECHR:2015:1215JUD000915410, § 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


29      EHRM, 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland (CE:ECHR:2015:1215JUD000915410, § 107). In diezelfde lijn heeft het Hof in zijn arrest in de zaak Gambino en Hyka geoordeeld dat „om uit te maken of het gebruik als bewijs van het proces-verbaal van de getuigenverklaring van een slachtoffer mogelijk is, de lidstaten moeten nagaan of de ondervraging van het slachtoffer van belang is om uitspraak te doen over de verdachte, en met voldoende procedurele waarborgen ervoor dienen te zorgen dat de bewijsvoering in het kader van de strafprocedure geen afbreuk doet aan de eerlijkheid van die procedure in de zin van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, noch aan de rechten van de verdediging in de zin van artikel 48, lid 2, van het Handvest” (arrest van 29 juli 2019, C‑38/18, EU:C:2019:628, punt 55).


30      EHRM, 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2011:1215JUD002676605, § 119 en 120), en 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland (CE:ECHR:2015:1215JUD000915410, § 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


31      EHRM, 19 februari 2013, Gani tegen Spanje (CE:ECHR:2013:0219JUD006180008, § 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


32      Ibidem, §§ 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


33      Het EHRM onderzoekt onder andere of de strafrechter de niet-getoetste bewijzen van de afwezige getuige met de nodige voorzichtigheid heeft benaderd, of hij heeft laten zien dat hij zich ervan bewust was dat de verklaringen van de afwezige getuige van minder belang waren en of hij uitgebreid heeft onderbouwd waarom hij die bewijzen geloofwaardig vond gelet op de andere beschikbare bewijzen (EHRM, 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland, CE:ECHR:2015:1215JUD000915410, § 126).


34      Ibidem, § 128.


35      Het EHRM stelt dat het aspect dat aan beklaagden of hun advocaat de gelegenheid moet zijn geboden om de getuige in de onderzoeksfase te ondervragen een belangrijke waarborg vormt. Het EHRM heeft dienaangaande geoordeeld dat het essentieel is, indien de onderzoeksautoriteiten zich reeds in de onderzoeksfase op het standpunt hebben gesteld dat een getuige niet zal kunnen worden verhoord ter terechtzitting, om de verdediging de mogelijkheid te bieden in de fase van het vooronderzoek vragen te stellen aan het slachtoffer (EHRM, 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland, CE:ECHR:2015:1215JUD000915410, § 130).


36      Behalve wanneer het nieuwe verhoor ten overstaan van een rechter volgens artikel 223 NPK plaatsvindt op een tijdstip waarop de verdachte formeel in staat van beschuldiging is gesteld. Er lijkt geen verplichting te bestaan om een dergelijk nieuw verhoor af te nemen.