Language of document : ECLI:EU:C:2014:85

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

N. WAHL

van 12 februari 2014 (1)

Zaak C‑26/13

Árpád Kásler,

Hajnalka Káslerné Rábai

tegen

OTP Jelzálogbank Zrt

[verzoek van de Kúria (Hongarije) om een prejudiciële beslissing]

„Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikelen 4, lid 2, en 6, lid 1 – Aan de beoordeling van het oneerlijk karakter onttrokken bedingen – Duidelijk en begrijpelijk geformuleerde contractuele bedingen betreffende de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of betreffende de gelijkwaardigheid van prijs – In vreemde valuta luidende kredietovereenkomsten – Verschil tussen aankoop‑ en verkoopprijs van vreemde valuta – Bevoegdheden van de nationale rechter in geval van een als oneerlijk gekwalificeerd beding”





1.        De onderhavige zaak past in het kader van het aanbod van in vreemde valuta luidende consumentenkredietovereenkomsten. Dit soort overeenkomsten, die in bepaalde lidstaten van de Europese Unie een betrekkelijk gangbare praktijk vormen en die door de kredietnemers op het eerste gezicht aantrekkelijk kunnen worden geacht wegens het rentetarief dat lager is dan het gangbare, is na de internationale financiële crisis aan het eind van het eerste decennium van de 21e eeuw voor veel particulieren problematisch gebleken wegens de grote waardevermindering van sommige valuta in verhouding tot de betrokken vreemde valuta (met name de Zwitserse frank). Deze particulieren waren verplicht om in nationale valuta luidende maandelijkse termijnen te betalen, welke aanzienlijk hoger lagen dan de termijnbedragen die zij zouden hebben moeten betalen indien deze op basis van de bij de vrijgave van de lening toepasselijke historische wisselkoers zouden zijn berekend. De gebleken tegenvallers zijn zodanig geweest dat het bankwezen van bepaalde lidstaten er indirect aanzienlijk door is getroffen.(2)

2.        De in het onderhavige geval door de Kúria (Hongarije) gestelde prejudiciële vragen hebben evenwel niet rechtstreeks betrekking op de verenigbaarheid van deze praktijk(3) met het recht van de Unie of op de vraag of de bedingen van consumentenkredietovereenkomsten, op grond van het enkele feit dat zij in vreemde valuta luiden, oneerlijk kunnen of moeten worden verklaard, maar op de vraag of en in welke mate contractuele bedingen die de respectievelijk toepasselijke koersen vaststellen bij de vrijgave en bij de aflossing van de lening, bedingen zijn die ontkomen aan de beoordeling, krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG(4), van het mogelijk oneerlijke karakter ervan, aangezien zij, in de eerste plaats, betrekking hebben op het eigenlijke voorwerp en/of op de verhouding prijs-kwaliteit van de verrichte diensten of de geleverde goederen en zij, in de tweede plaats, duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. De verwijzende rechter vraagt het Hof eveneens naar de conclusies die de nationale rechter in voorkomend geval krachtens met name artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet trekken wanneer er sprake is van contractuele bedingen die hij als oneerlijk heeft moeten kwalificeren.

3.        Hoewel de voorgelegde prejudiciële vragen grotendeels volkomen nieuw zijn, aangezien zij beogen duidelijkheid te verkrijgen met betrekking tot de reikwijdte van de in de zogenaamde uitsluitingsbepaling van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 bedoelde begrippen, zal het te geven antwoord noodzakelijkerwijs in het verlengde moeten liggen van de aanwijzingen uit de rechtspraak op het gebied van de consumentenbescherming. In deze zin ben ik van mening dat er in het onderhavige geval een evenwicht moet worden gevonden tussen, enerzijds, de bij richtlijn 93/13 nagestreefde doelstelling inzake de consumentenbescherming en, anderzijds, de bij artikel 4, lid 2, van genoemde richtlijn uitgedrukte mogelijkheid om tot op zekere hoogte de beginselen inzake de wilsautonomie en de contractvrijheid te beschermen. Vanuit fundamenteler oogpunt moet, gelet op het buitengewoon casuïstische karakter van het bij deze richtlijn ingevoerde stelsel, rekening worden gehouden met de noodzaak om het aan de nationale rechter over te laten te bepalen of de contractuele bedingen waarvan hij kennis moet nemen, van dien aard zijn dat hij het oneerlijke karakter kan beoordelen.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Recht van de Unie

4.        De twaalfde en de negentiende overweging van de considerans van richtlijn 93/13 luiden:

„Overwegende evenwel dat bij de huidige stand van de nationale wetgevingen slechts een gedeeltelijke harmonisatie in aanmerking komt; dat met name alleen de bedingen in overeenkomsten waarover niet afzonderlijk is onderhandeld onder deze richtlijn vallen; dat het van belang is de lidstaten de mogelijkheid te geven met inachtneming van het [EEG-]Verdrag in een hoger beschermingsniveau voor de consument te voorzien door middel van nationale voorschriften die strenger zijn dan die van deze richtlijn;

[...]

Overwegende dat in het kader van deze richtlijn de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding geen betrekking mag hebben op de bedingen waarin het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of de verhouding kwaliteit-prijs van de levering of dienst wordt omschreven; dat het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst en de verhouding kwaliteit-prijs niettemin in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van andere bedingen; [...]”

5.        Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

[...]

3.      De bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.”

6.        Artikel 4 van richtlijn 93/13 luidt als volgt:

„1.      Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

2.      De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

7.        Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn luidt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

8.        Punt 1, sub j en l, van de bijlage bij richtlijn 93/13, met betrekking tot de in artikel 3, lid 3, daarvan bedoelde bedingen, vermeldt „[b]edingen die tot doel of tot gevolg hebben: [...] j) de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen; [...] l) [...] de dienstverrichter het recht te verlenen zijn prijs te verhogen, zonder dat de consument [...] het overeenkomstige recht heeft om de overeenkomst op te zeggen, indien de eindprijs te hoog is ten opzichte van de bij het sluiten van de overeenkomst bedongen prijs”.

9.        Punt 2 van genoemde bijlage vermeldt, sub b, dat „[p]unt j) [...] niet in de weg [staat] aan bedingen waarbij de leverancier van financiële diensten zich het recht voorbehoudt de door of aan de consument te betalen rentevoet of het bedrag van alle andere op de financiële diensten betrekking hebbende lasten bij geldige reden zonder opzegtermijn te wijzigen, mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de andere contracterende partij(en) en deze vrij is (zijn) onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen”, en sub d, dat „[p]unt l) [...] niet in de weg [staat] aan bedingen van prijsindexering, voor zover deze wettig zijn en de wijze waarop de prijs wordt aangepast hierin expliciet beschreven is”.

B –    Hongaars recht

10.      § 209 van het Hongaarse burgerlijk wetboek, in de op de datum van sluiting van de in het hoofdgeding litigieuze leningsovereenkomst toepasselijke versie, bepaalde:

„1.      Algemene contractvoorwaarden en bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk, wanneer zij in strijd met de goede trouw en billijkheid de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen eenzijdig en ongemotiveerd vastleggen ten nadele van de partij die de contractvoorwaarden niet heeft opgesteld.

2.      Voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding moeten alle omstandigheden worden onderzocht die op het ogenblik van de sluiting van de overeenkomst bestonden en tot de ondertekening daarvan hebben geleid, alsmede de aard van de overeengekomen dienst en het verband van het betrokken beding met de overige contractuele bedingen of met andere overeenkomsten.

[...]

4.      De bepalingen betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten zijn niet van toepassing op contractuele bedingen waarin de hoofdprestatie is omschreven, noch op contractuele bedingen waarin de gelijkwaardigheid van de prestatie en de tegenprestatie is vastgesteld.

[...]”

11.      Met ingang van 22 mei 2009 zijn de leden 4 en 5 van § 209 van het Hongaarse burgerlijk wetboek als volgt gewijzigd:

„4.      Algemene contractvoorwaarden en bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, zijn alleen al door het feit dat zij niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, oneerlijk.

5.      De bepalingen betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten zijn niet van toepassing op contractuele bedingen waarin de hoofdprestatie is omschreven, noch op contractuele bedingen waarin de gelijkwaardigheid van de prestatie en de tegenprestatie is vastgesteld, mits die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

12.      § 237 van dat wetboek luidt:

„1.      Indien een overeenkomst ongeldig is, moet worden teruggekeerd naar de situatie van voor de sluiting ervan.

2.      Indien niet kan worden teruggekeerd naar de situatie van voor de sluiting van de overeenkomst, kan de rechter de overeenkomst van toepassing verklaren voor de periode tot aan de uitspraak van zijn vonnis. Een ongeldige overeenkomst kan geldig worden verklaard indien de ongeldigheidsgrond kan worden weggenomen, in het bijzonder in woekerovereenkomsten, wanneer de prestaties van de partijen kennelijk niet gelijkwaardig zijn, door het onevenredige voordeel ongedaan te maken. In deze gevallen moet worden beslist over de terugbetaling van de eventueel zonder tegenprestatie verrichte diensten.”

13.      § 239 van het Hongaarse burgerlijk wetboek bepaalt:

„1.      Een gedeeltelijk ongeldige overeenkomst komt slechts volledig te vervallen indien zij niet kan worden uitgevoerd zonder het ongeldige deel. Wettelijke bepalingen kunnen afwijken van de onderhavige bepaling.

2.      Een gedeeltelijk ongeldige consumentenovereenkomst komt slechts volledig te vervallen indien zij niet kan worden uitgevoerd zonder het ongeldige deel.”

14.      § 239/A, lid 1, van dit wetboek bepaalt:

„Partijen kunnen verzoeken om ongeldigverklaring van de overeenkomst of van bepaalde bedingen in de overeenkomst (gedeeltelijke ongeldigheid), zonder ook te verzoeken om de toepassing van de gevolgen van deze ongeldigheid.”

II – Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof

15.      Op 29 mei 2008 hebben Á. Kásler en H. Káslerné Rábai (hierna: „verzoekers in het hoofdgeding”) met OTP Jelzálogbank Zrt (hierna: „verweerster in het hoofdgeding”) een overeenkomst gesloten met als opschrift „In een vreemde valuta luidende geldlening onder hypothecair verband”.

16.      Overeenkomstig punt I/1 van de overeenkomst heeft verweerster in het hoofdgeding aan verzoekers in het hoofdgeding een lening ter hoogte van 14 400 000 HUF verstrekt, waarbij is gepreciseerd dat „het bedrag van de lening in een vreemde valuta wordt vastgesteld tegen de door de bank toegepaste aankoopkoers van de vreemde valuta op de datum waarop de gelden worden vrijgegeven”. Volgens punt I van de overeenkomst hadden verzoekers in het hoofdgeding ervan nota genomen dat „na de vrijgave van de gelden, het bedrag van de lening, de daarop betrekking hebbende rente en de dossierkosten, evenals het bedrag van de vertragingsrente en andere kosten in de vreemde valuta zouden worden vastgesteld”. Op basis van de door verweerster in het hoofdgeding toegepaste aankoopkoers van de Zwitserse frank bij de vrijgave van de gelden, is de tegenwaarde in Zwitserse franken van genoemd bedrag in HUF vastgesteld op 94 240,84 CHF. Verzoekers in het hoofdgeding waren verplicht om dat bedrag in 25 jaar af te lossen in maandelijkse termijnen die op de vierde dag van elke maand opeisbaar waren.

17.      Volgens punt II van de overeenkomst droeg deze lening een nominale rente van 5,2 % hetgeen, verhoogd met 2,04 % dossierkosten, op de datum waarop deze overeenkomst is gesloten, een jaarlijks kostenpercentage (JKP) van 7,43 % inhield.

18.      Ten slotte stelt volgens punt III/2 van de overeenkomst „de kredietverlener het bedrag in HUF van elke maandelijkse betaling vast op basis van de door de bank op de dag voor de vervaldatum toegepaste verkoopkoers van de [vreemde] valuta”.

19.      Verzoekers in het hoofdgeding hebben tegen verweerster in het hoofdgeding een procedure ingesteld wegens het oneerlijke karakter van punt III/2 van de overeenkomst. Zij hebben aangevoerd dat dat beding, aangezien het de bank toestond om de opeisbare maandelijkse aflossingen op basis van de door haar toegepaste verkoopkoers van de vreemde valuta te berekenen, aan de bank een eenzijdig en ongemotiveerd voordeel als bedoeld in § 209 van het Hongaarse burgerlijk wetboek toekende.

20.      De rechter in eerste aanleg heeft de vordering toegewezen. Dat vonnis is vervolgens in hoger beroep bevestigd. In zijn arrest heeft de appelrechter met name geoordeeld dat, in het kader van een leningstransactie zoals de in het hoofdgeding litigieuze, de bank geen vreemde valuta aan de klant ter beschikking stelt en voor hem bovendien geen financiële diensten met betrekking tot de aankoop of de verkoop van vreemde valuta verricht, zodat de bank in verband met de aflossing van de lening niet een koers kan toepassen welke afwijkt van degene die bij de vrijgave van de lening is gehanteerd. Deze rechter heeft eveneens geoordeeld dat het litigieuze beding niet duidelijk en begrijpelijk is, aangezien er niet uit kan worden afgeleid waardoor het verschil in de berekeningswijze van de lening bij de vrijgave of de aflossing wordt gerechtvaardigd.

21.      Verweerster in het hoofdgeding heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld tegen het in hoger beroep gewezen arrest.

22.      Zij heeft met name aangevoerd dat het litigieuze beding, aangezien zij op grond daarvan inkomsten kan behalen die de te betalen tegenprestatie vormen van de lening in vreemde valuta, waarvan de kredietnemers profiteren, en welke dienen tot dekking van de kosten die zijn verbonden aan de transacties van de kredietbank op de markt om vreemde valuta aan te kopen, onder de werkingssfeer valt van de in § 209, lid 4, van het Hongaarse burgerlijk wetboek vastgestelde uitzondering, zodat er geen aanleiding bestaat om het oneerlijke karakter ervan krachtens § 209, lid 1, van genoemd wetboek te onderzoeken.

23.      Verzoekers in het hoofdgeding hebben daarentegen gesteld dat een dergelijk onderzoek geboden is. Zij hebben met name gesteld dat de bank de bijzonderheden van de bancaire praktijk niet aan hen kan tegenwerpen en de kosten die daaruit voor de bank voortvloeien niet aan hen in rekening kan brengen. Gelet op het feit dat de instemming van de kredietnemers betrekking had op de vrijgave van een bedrag in HUF, is het ontoelaatbaar de inkomsten van de bank en de overeengekomen lening door elkaar te halen. Het litigieuze beding is bovendien niet duidelijk.

24.      In deze context heeft de verwijzende rechter beslist om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

„1)       Moet artikel 4, lid 2, van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat, in het geval van een in vreemde valuta luidende lening, die in feite echter in de nationale valuta wordt vrijgegeven en door de consument uitsluitend in de nationale valuta moet worden afgelost, het contractuele beding dat de wisselkoersen vaststelt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, onder het begrip ‚bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst’ valt?

      Indien dat niet het geval is, moet dan op basis van artikel 4, lid 2, tweede hoofdzin, van richtlijn [93/13] het verschil tussen de verkoopkoers en de aankoopkoers [van de vreemde valuta] worden geacht een vergoeding te vormen, waarvan de gelijkwaardigheid met de verrichte dienst niet kan worden onderzocht om het oneerlijke karakter ervan te beoordelen? Is het in dit verband al dan niet doorslaggevend of er tussen de financiële instelling en de consument werkelijk vreemde valuta zijn gewisseld?

2)       Indien artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter, afgezien van de bepalingen van nationaal recht, ook het oneerlijke karakter van dergelijke contractuele bedingen kan onderzoeken indien die bedingen niet duidelijk en begrijpelijk zijn, moet dat laatste vereiste dan aldus worden verstaan dat het litigieuze beding op zichzelf voor de consument grammaticaal duidelijk en begrijpelijk moet zijn, of moeten bovendien de economische redenen voor de toepassing van het contractuele beding en het verband van het beding met andere bedingen van de overeenkomst voor deze consument duidelijk en begrijpelijk zijn?

3)       Moeten artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 en punt 73 van het arrest in de zaak Banco Español de Crédito [(5)] aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter de ongeldigheid van een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden van een met de consument gesloten leningsovereenkomst jegens de consument evenmin kan verhelpen door het litigieuze contractuele beding te wijzigen of aan te vullen, wanneer de overeenkomst, zonder het oneerlijke beding, op grond van de resterende contractuele bedingen kan voortbestaan? Is het daartoe van belang dat naar nationaal recht een voorschrift van aanvullend recht bestaat dat, bij afwezigheid van het ongeldige beding, de betrokken rechtsvraag regelt?”

25.      Verweerster in het hoofdgeding, de Hongaarse, de Tsjechische, de Duitse, de Griekse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Aan de terechtzitting van 5 december 2013 hebben verweerster in het hoofdgeding, de Hongaarse en de Duitse regering en de Commissie deelgenomen.

III – Prejudiciële vragen

26.      Alvorens de gestelde prejudiciële vragen één voor één te bespreken, moet ik ter inleiding enkele opmerkingen maken met betrekking tot de betekenis (ratio legis) en de reikwijdte van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13.

A –    Inleidende opmerkingen met betrekking tot de betekenis en de reikwijdte van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13

27.      In artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 komt ongetwijfeld de mogelijkheid tot uitdrukking om de wilsautonomie en de contractvrijheid van partijen in aanmerking te nemen, hetgeen een uitvloeisel van de markteconomie is.

28.      Deze bepaling vereist dat voor de toepassing van de uitzonderingsregel, waardoor bepaalde contractuele bedingen aan een onderzoek van het oneerlijke karakter ervan ontkomen, aan twee cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan: in de eerste plaats moeten de litigieuze bedingen betrekking hebben op „het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst” of op „de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten”, en in de tweede plaats moeten deze bedingen „duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd”.

29.      Zoals blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden bij de vaststelling van richtlijn 93/13(6), is de uiteindelijk met het oog op de bestrijding van oneerlijke bedingen vastgestelde tekst van de richtlijn aanzienlijk minder ambitieus dan het eerste voorstel van de Commissie(7), aangezien er een compromis moest worden gevonden tussen, enerzijds, de bescherming van de consument en de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten op het gebied van oneerlijke bedingen en, anderzijds, de beginselen van de wilsautonomie en de contractvrijheid, die op het gebied van het verbintenissenrecht stevig zijn verankerd in de juridische traditie van de meeste lidstaten.

30.      Het komt mij grosso modo voor dat dat compromis hoofdzakelijk op twee manieren tot uiting komt.

31.      In de eerste plaats, en anders dan blijkt uit het voorstel van de Commissie om een uitputtende lijst van bedingen vast te stellen die automatisch als oneerlijk moeten worden beschouwd, is de in de bijlage bij richtlijn 93/13 opgenomen lijst van bedingen slechts indicatief.

32.      In de tweede plaats valt met name op dat deze richtlijn slechts betrekking heeft op, enerzijds, bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (artikel 3 van richtlijn 93/13) en, anderzijds, andere bedingen dan die welke betrekking hebben op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of op de gelijkwaardigheid van de prijs en de tegenprestatie (artikel 4, lid 2).

33.      Wat de met lid 2 van artikel 4 van richtlijn 93/13 overeenkomende bepaling betreft, blijkt duidelijk uit het op 22 september 1992 vastgestelde gemeenschappelijke standpunt dat deze is toegevoegd teneinde „alles dat rechtstreeks uit de contractvrijheid van partijen voortvloeit” uit te sluiten. Met andere woorden, de wens is kenbaar gemaakt dat de kern van de contractuele verhouding (essentialia negotii) niet wordt aangetast wanneer deze duidelijk en begrijpelijk is omschreven.

34.      De invoeging van een dergelijke bepaling zou om meerdere redenen tegenstrijdig kunnen lijken.

35.      Om te beginnen lijkt het opmerkelijk dat richtlijn 93/13, die op de allereerste plaats de consument beoogt te beschermen, tegelijkertijd de niet-onderhandelde bedingen die deel uitmaken van de „kern” zelf van de overeenkomst, uitsluit van de beoordeling of zij oneerlijk zijn.(8) Dat verklaart ongetwijfeld waarom sommige lidstaten ervoor hebben gekozen om het bij richtlijn 93/13 toegekende niveau van bescherming uit te breiden en de uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 voortvloeiende beperking niet op te nemen in hun omzettingswetgeving.(9)

36.      In de tweede plaats, ook als men positief staat tegenover de tijdens de voorbereidende werkzaamheden bij de vaststelling van richtlijn 93/13 duidelijk uitgesproken wens om aan de wilsautonomie en de contractvrijheid een zeker gewicht toe te kennen, kan men zich afvragen wat de ratio legis van deze bepaling is. Gegeven het feit dat overeenkomstig artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 in elk geval de contractuele bedingen waarover afzonderlijk is onderhandeld, niet zijn bedoeld, grijpt artikel 4, lid 2, van deze richtlijn in op een gebied waar de contractvrijheid niet volledig tot uiting is gekomen.

37.      Deze tegenstrijdigheid is door het Hof in het arrest Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid, reeds aangehaald, gedeeltelijk opgeheven. In dat arrest zijn belangrijke verduidelijkingen opgenomen met betrekking tot de functie die artikel 4, lid 2, vervult in het bij richtlijn 93/13 toegepaste stelsel van bescherming.

38.      Het Hof heeft er om te beginnen aan herinnerd dat richtlijn 93/13 slechts een minimale en gedeeltelijke harmonisatie van de nationale wetgevingen betreffende oneerlijke bedingen tot stand heeft gebracht, terwijl aan de lidstaten de mogelijkheid is toegekend om in een hoger beschermingsniveau voor de consument te voorzien dan de richtlijn biedt; het Hof heeft vervolgens voor recht verklaard dat genoemde bepaling niet beoogt de materiële werkingssfeer van richtlijn 93/13 te omschrijven, maar enkel de modaliteiten en de omvang beoogt vast te leggen van de inhoudelijke toetsing van contractuele bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en die de kern van de prestaties van de tussen een verkoper en een consument gesloten overeenkomsten beschrijven. Ten slotte heeft het Hof ontkend dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 enig dwingend karakter heeft en geoordeeld dat de artikelen 4, lid 2, en 8 van genoemde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die een rechterlijke toetsing toestaat van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen die betrekking hebben op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, ook al zijn deze bedingen duidelijk en begrijpelijk geformuleerd. Door immers de mogelijkheid te bieden van een volledige rechterlijke toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen als bedoeld in artikel 4, lid 2, van genoemde richtlijn, in een tussen een verkoper en een consument gesloten overeenkomst, kan een nationale regeling verzekeren dat de consument, overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn, een hoger niveau van daadwerkelijke bescherming wordt geboden dan dat wat in deze richtlijn is neergelegd.(10)

39.      Het geheel van deze elementen moet, in het verlengde van hetgeen het Hof reeds heeft geoordeeld en zoals ik in het vervolg van deze bespreking zal uiteenzetten, leiden tot de omschrijving van de bij artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 beoogde begrippen op basis van autonome criteria(11), los van de mogelijk gekozen benaderingen op nationaal niveau.

40.      Dat houdt in de eerste plaats in dat de criteria waarmee het eigenlijke voorwerp of de verhouding prijs-kwaliteit van het geleverde goed of de verrichte dienst kunnen worden omschreven, ondanks de beoordelingsvrijheid waarover de aangezochte nationale rechter beschikt, duidelijk moeten worden omschreven.

41.      In de tweede plaats dient bij de bij richtlijn 93/13 bedoelde vereiste „duidelijkheid en begrijpelijkheid” het feit in aanmerking te worden genomen dat de consument, hoewel redelijk oplettend en bedachtzaam, zich ten opzichte van de verkopers met wie hij overeenkomsten moet sluiten, in een zwakke positie bevindt. De duidelijkheid en begrijpelijkheid dienen zich niet te beperken tot louter formele of taalkundige aspecten, maar moeten ook de asymmetrie op het gebied van informatie, die de verhouding consument-verkoper kenmerkt, in aanmerking nemen.

42.      Ik zal de door de verwijzende rechter gestelde vragen in het licht van bovenstaande opmerkingen onderzoeken.

B –    Eerste prejudiciële vraag

43.      Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de Kúria in wezen te vernemen of het oneerlijke karakter van het contractuele beding inzake het verschil tussen de toepasselijke wisselkoers bij de vrijgave en de aflossing van de lening, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, inhoudelijk kan worden onderzocht of dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 zich daartegen verzet aangezien een dergelijk beding betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of op de verhouding prijs-kwaliteit van de verrichte prestatie.

44.      Het Hof wordt meer in het algemeen verzocht om vast te stellen of elk onderdeel van de door de kredietnemer met contant geld te verrichten tegenprestatie een beding vormt dat „het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst” bepaalt of dat, behalve de kredietverlening, alleen de betaling van de rente tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst behoort (eerste aspect). In het geval dat deze laatstgenoemde stelling juist zou zijn, doet zich eveneens de vraag voor of de uit het verschil tussen de wisselkoersen voortvloeiende betalingsverplichting overeenkomstig artikel 4, lid 2, tweede hypothese, van richtlijn 93/13 als een onderdeel van de „vergoeding” moet worden beschouwd (tweede aspect).

1.      Eerste aspect: grenzen van het begrip eigenlijke voorwerp van de overeenkomst

45.      Ik herinner eraan dat het Hof er in het arrest Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid, reeds aangehaald, al op heeft gewezen dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 de „kern van de prestaties van de [tussen een verkoper en een consument gesloten] overeenkomsten” beoogt.(12) Het heeft daarentegen niet vastgesteld of het litigieuze beding juist op de kern van de prestaties betrekking had.

46.      Wat dat betreft moet goed voor ogen worden gehouden dat het tenslotte alleen aan de nationale rechter is om te bepalen wat tot de kern van de prestaties van een gegeven overeenkomst behoort. Deze beoordeling houdt ongetwijfeld een uitputtend onderzoek van de betrokken overeenkomst in, zoals van alle feitelijke en juridische omstandigheden rond de sluiting van genoemde overeenkomst.(13)

47.      Het Hof kan echter in het kader van de hem bij artikel 267 VWEU toebedeelde bevoegdheid tot uitlegging van het recht van de Unie algemene criteria afleiden teneinde de in richtlijn 93/13 opgenomen begrippen te omschrijven.(14)

48.      Dat is in het onderhavige geval geboden aangezien zich, met name in verband met de sluiting van kredietovereenkomsten, op dat gebied verschillende benaderingen lijken te ontwikkelen. Volgens een eerste benadering, die met name door de Supreme Court (Verenigd Koninkrijk) wordt gevolgd(15), zou er geen aanleiding zijn om onderscheid te maken tussen de kernelementen van de prijs („core terms”) en de kosten die verschuldigd kunnen worden wanneer zich bepaalde omstandigheden voordoen („incidental terms”) en zouden derhalve alle betalingsverplichtingen met betrekking tot de prestatie onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, vallen. De Duitse rechters, evenals de meerderheid van de Duitse doctrine, lijken daarentegen wat dat betreft een veel striktere benadering te kiezen.(16)

49.      Naar mijn mening is het, om te bepalen wat het eigenlijke voorwerp van een overeenkomst vormt, aan de rechter om in elk concreet geval de kern van de prestatie(s) vast te stellen die in de algemene opzet van de overeenkomst objectief als wezenlijk moet worden beschouwd. Deze beoordeling, die niet abstract kan zijn, mag zich niet beperken tot een onderzoek van de parameters die een gegeven overeenkomst jegens het nationale recht omschrijven, maar moet het specifieke karakter dat voortvloeit uit de bepalingen zelf van de overeenkomst in aanmerking nemen.

50.      Bovendien is het duidelijk dat het eigenlijke voorwerp van een overeenkomst in het algemeen verschillende niet te scheiden aspecten omvat en dat een dergelijke overeenkomst niet voldoende kan worden omschreven met een verwijzing naar een onderdeel van de bedongen dienst of van het bedongen goed.

51.      Ter verduidelijking een voorbeeld: een verkoopovereenkomst van een auto. Het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst betreft niet een willekeurig voertuig, maar daarvoor is tevens bepalend dat het betrekking heeft op een voertuig van een bepaald merk dat over bepaalde technische kenmerken beschikt en aan bepaalde esthetische criteria voldoet.

52.      Op het gebied van dienstverrichtingsovereenkomsten kan ik het voorbeeld geven van een tussen een consument en een touroperator gesloten overeenkomst over een pakketreis. Hoewel abstract bezien kan worden gesteld dat voor het toepasselijke nationale recht en de praktijk ongetwijfeld niet alleen de overeengekomen vervoersdiensten, maar ook de overeengekomen verstrekking van logies deel uitmaken van de kern van de overeenkomst, kan dientengevolge niet worden geconcludeerd dat een van deze onderdelen de overhand heeft of ondergeschikt is jegens het andere. Beide aspecten maken ongetwijfeld deel uit van het eigenlijke voorwerp van de betrokken overeenkomst.

53.      Ten slotte zal de aangezochte nationale rechter, ook wanneer een beding van een overeenkomst niet behoort tot het eigenlijke voorwerp daarvan, per geval moeten vaststellen of dat beding objectief bezien op een of andere wijze, op juridisch of commercieel vlak, bepalend is voor de wezenlijke kenmerken daarvan. In deze zin is het derhalve aan de rechter om vast te stellen of genoemd beding een wezenlijk deel uitmaakt van de prestaties die voor de overeenkomst bepalend zijn, aangezien de overeenkomst, wanneer een dergelijk beding ontbreekt, een van de fundamentele kenmerken ervan verliest, en zelfs niet kan voortbestaan op basis van de overblijvende contractuele bedingen.

54.      Teneinde de verwijzende rechter van een nuttig antwoord te voorzien, moeten in het onderhavige geval de elementen worden verschaft om te bepalen wat de „kern van de prestaties” van een kredietovereenkomst kan vormen.

55.      In het verlengde van hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt, moeten niet alleen de aan het toepasselijke nationale recht ontleende elementen in aanmerking worden genomen, maar eveneens de volgens de betrokken overeenkomst kenmerkende elementen.

56.      De consumentenkredietovereenkomst kan globaal worden omschreven als een overeenkomst waarbij de kredietverlener aan de kredietnemer een bepaald geldbedrag ter beschikking stelt, dat laatstgenoemde moet terugbetalen, in geval van een rentedragende lening, met rente.

57.      Deze omschrijving komt grotendeels overeen met die welke op het niveau van het recht van de Unie is gekozen, bijvoorbeeld in richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten(17), maar eveneens met die welke in het toepasselijke nationale recht, in casu het Hongaarse recht, is opgenomen. Krachtens § 523, lid 1, van het Hongaarse burgerlijk wetboek, verbindt de financiële instelling zich met een kredietovereenkomst ertoe de kredietnemer een bepaald geldbedrag ter beschikking te stellen en de kredietnemer verbindt zich ertoe het geleende bedrag af te lossen volgens het bepaalde in de overeenkomst. § 523, lid 2, van het Hongaarse burgerlijk wetboek, heeft met name slechts betrekking op de betaling van rente als tegenprestatie.

58.      Indien het nominale rentetarief tot de kern zelf van een kredietovereenkomst behoort, wat dan te denken van een mechanisme waarbij de kredietverlener de maandelijkse termijnen kan berekenen op basis van de wisselkoers van een vreemde valuta?

59.      Men kan inderdaad de opvatting verdedigen dat het begrip inzake het beding dat „het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst” bepaalt, zeer strikt moet worden uitgelegd en dat derhalve bij een kredietovereenkomst niet elk onderdeel van de door de kredietnemer met contant geld te betalen tegenprestatie kan worden geacht tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst te behoren. Men zou zich immers kunnen voorstellen dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de contractuele bedingen met betrekking tot de vaststelling van het rentetarief, die betrekking hebben op het eigenlijke voorwerp, en de bedingen die betrekking hebben, gelet op het betrokken leningsmechanisme, op de ondergeschikte of bijkomende kosten.

60.      Hoewel deze algemene opmerking moeilijk is te betwisten wanneer het een kredietovereenkomst in ruime zin betreft, ben ik er echter verre van overtuigd dat zij in alle gevallen geldig is en met name wanneer het gaat om een als „in een vreemde valuta luidende geldlening onder hypothecair verband” omschreven kredietovereenkomst.

61.      Indien men de opvatting huldigt dat het begrip „eigenlijke voorwerp van de overeenkomst” alles moet omvatten hetgeen partijen, gelet op de duidelijke bedingen van de overeenkomst, als zodanig hebben omschreven, zodat het alle wezenlijke verplichtingen omvat die als tegenprestatie van de verrichte dienst of diensten in aanmerking moeten worden genomen(18), lijkt het mij moeilijk het voorwerp van de overeenkomst te beperken tot de bedingen met betrekking tot de vaststelling van het nominale rentetarief.

62.      Wat een in vreemde valuta luidende lening betreft, behoort het beding dat de toepasselijke wisselkoersen vaststelt waarschijnlijk tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, omdat het er naar alle waarschijnlijkheid een van de wezenlijke maatstaven van vormt, aangezien de uitvoering van de overeenkomst wordt geschaad wanneer genoemd beding wordt weggelaten.(19) Naar mijn mening verschilt het duidelijk van het in de zaak Invitel(20) litigieuze aanpassingsmechanisme van de extra kosten of van het beding inzake de moratoire interesten in het reeds aangehaalde arrest Banco Español de Crédito.

63.      Het leningsmechanisme in vreemde valuta berust immers op meerdere aspecten die in principe niet zijn te scheiden. In de eerste plaats luidt de lening, hoewel concreet vrijgegeven en afgelost in nationale valuta, in elk geval in vreemde valuta. In de tweede plaats is het toepasselijke rentetarief, dat betrekking heeft op het bedrag van de lening in vreemde valuta, in het algemeen lager dan het toepasselijke tarief op de lening in nationale valuta. In de derde plaats worden de maandelijkse termijnen van de lening betaald in nationale valuta, op basis van de op het moment van de betalingen toepasselijke wisselkoers.(21)

64.      Deze uitlegging ontkracht niet de opvatting dat de nationale rechter, gelet op de vereiste consumentenbescherming, voor zover enigszins mogelijk voorrang moet geven aan een verhoudingsgewijs beperkt begrip van hetgeen het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst vormt. De benadering die bij de omschrijving van het begrip eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, als bedoeld in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, moet worden aangehouden, moet leiden tot de uitsluiting van de bedingen die in de opzet van de overeenkomst van secundair of ondergeschikt belang zijn en niet van de bedingen die betrekking hebben op de kenmerkende kern van de prestatie(s) ervan.

65.      Uit het bovenstaande blijkt dat niet kan worden uitgesloten dat in geval van een leningsovereenkomst zoals de in het hoofdgeding litigieuze het beding dat de toepasselijke wisselkoers vaststelt, tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst behoort, aangezien het een van de hoofdelementen vormt van een in een vreemde valuta luidende overeenkomst.

66.      Voor het geval dat het Hof niet wenst in te stemmen met deze conclusie, moet ik vaststellen of de uit het verschil tussen de aankoopkoers en de verkoopkoers van de vreemde valuta voortvloeiende betalingsverplichting kan worden beschouwd als een element dat betrekking heeft op de verhouding prijs-kwaliteit van de verrichte dienst.

2.      Tweede aspect: kan het verschil tussen de verkoopkoers en de aankoopkoers van de vreemde valuta worden beschouwd als een element van de aan de kredietverlener verschuldigde vergoeding?

67.      In het onderhavige geval zou men na een oppervlakkige analyse kunnen menen dat de litigieuze praktijk noodzakelijkerwijs betrekking heeft op een element van de prijs, zodat deze slechts overeenkomstig artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aan een inhoudelijke toetsing zou kunnen worden onderworpen indien de formulering van het betrokken beding noch duidelijk, noch begrijpelijk is.

68.      Er mag echter niet uit het oog worden verloren dat niet alle elementen van de prijs worden bedoeld, maar alleen de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten. Zoals blijkt uit het verslag van de Commissie over de toepassing van richtlijn 93/13(22), vallen de bedingen betreffende de wijze waarop de prijs wordt berekend of wordt gewijzigd, volledig onder de toetsing zoals bedoeld in genoemde richtlijn.

69.      De tweede in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 genoemde uitsluitingsmogelijkheid heeft volgens mij betrekking op de in de praktijk zeer zeldzame gevallen, gelet op het ontbreken van richtsnoeren(23), waar een nagenoeg wiskundige verhouding kan worden vastgesteld tussen de kwaliteit van de verrichte dienst en de vergoeding daarvan.

70.      Wat betreft contractuele bedingen van een in vreemde valuta luidende leningsovereenkomst, die bepaalt dat de aankoopkoers van de vreemde valuta toepasselijk is op het moment dat de lening wordt vrijgegeven, terwijl de verkoopkoers toepasselijk is op het moment dat genoemde lening wordt afgelost, ziet de situatie er als volgt uit.

71.      Indien, zoals in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn, de bank geen bijzondere diensten ten behoeve van de klant verricht, maar de verwijzing naar de vreemde valuta slechts een waardestandaard vormt, kan worden gesteld dat dat verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs van de vreemde valuta geen gelijkwaardige tegenprestatie inhoudt en dat het oneerlijke karakter van het daarop betrekking hebbende contractuele beding kan worden onderzocht. Indien daarentegen is gebleken dat er een rechtstreeks verband is tussen enerzijds het verschil tussen de aankoop‑ en de verkoopkoers en anderzijds de kwaliteit van de verrichte dienst, hetgeen lijkt te moeten worden uitgesloten gelet op de fluctuaties van dat verschil, kan niet worden beoordeeld of de bedingen oneerlijk zijn.

72.      Gelet op het bovenstaande stel ik het Hof voor om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat in geval van een in vreemde valuta luidende lening, die echter in feite wordt vrijgegeven in nationale valuta en door de consument uitsluitend in nationale valuta moet worden afgelost, het contractuele beding dat de wisselkoersen vaststelt, en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, kan worden geacht tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst te behoren, indien uit de overeenkomst duidelijk blijkt dat dat beding er een wezenlijke maatstaf van vormt. Het verschil tussen de verkoopkoers en de aankoopkoers van de vreemde valuta kan daarentegen niet als een vergoeding worden beschouwd waarvan de gelijkwaardigheid met de dienst niet kan worden onderzocht met het oog op de beoordeling van het oneerlijke karakter.

C –    Tweede prejudiciële vraag: vereiste inzake de duidelijke en begrijpelijke formulering van de bedingen die onder het uitsluitingsbeding van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vallen

73.      Het antwoord op deze tweede prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vereiste duidelijkheid en begrijpelijkheid, heeft slechts zin als de eerste prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Immers, zoals ik hiervoor heb gesteld, kan niet worden uitgesloten dat met betrekking tot een leningsovereenkomst in vreemde valuta, de bedingen waarin is vastgesteld welke wisselkoers bij de aflossing en de vrijgave van de lening worden toegepast, juist tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst behoren.

74.      In de eerste plaats en zelfs alvorens in te gaan op de inhoud van de voorgelegde prejudiciële vraag, is het aan het Hof om vast te stellen of de vereiste duidelijke en begrijpelijke formulering geboden is, zelfs in het geval dat genoemd vereiste in de nationale bepalingen niet is overgenomen.

75.      De verwijzende rechter heeft immers benadrukt dat verweerster in het hoofdgeding heeft gesteld dat de aangezochte rechter niet heeft kunnen onderzoeken of de litigieuze bedingen duidelijk en begrijpelijk waren geformuleerd, omdat § 209, lid 4, van het Hongaarse burgerlijk wetboek dat op de datum dat de betrokken kredietovereenkomst is gesloten, niet vereiste.

76.      In dat opzicht blijkt volgens mij voldoende duidelijk uit de vaste rechtspraak van het Hof inzake de verplichting tot conforme uitlegging, die eveneens geldt voor de nationale rechter in een geding tussen particulieren(24), dat de nationale rechter die zijn nationale recht moet uitleggen, dat zo veel mogelijk moet doen in het licht van de bewoordingen en het doel van richtlijn 93/13, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken.(25)

77.      Deze verplichting tot conforme uitlegging geldt met betrekking tot de in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vereiste duidelijkheid en begrijpelijkheid des te meer, aangezien het Hof het belang ervan heeft benadrukt door te oordelen dat, om de door richtlijn 93/13 nagestreefde doelstellingen van bescherming van de consument concreet te kunnen garanderen, elke omzetting van genoemd artikel 4, lid 2, volledig dient te zijn, zodat het verbod om het oneerlijke karakter van bedingen te beoordelen enkel betrekking heeft op bedingen die duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.(26)

78.      Hieruit volgt dat de aangezochte nationale rechter derhalve in staat (en zelfs verplicht) is om na te gaan of de litigieuze bedingen voldoen aan het transparantievereiste van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, en dat los van de vraag of dat vereiste op de datum van sluiting van de litigieuze leningsovereenkomst uitdrukkelijk in het toepasselijke nationale recht was overgenomen.

79.      In de tweede plaats doet zich de vraag voor of het vereiste dat de bedingen die betrekking hebben op het eigenlijke voorwerp of de verhouding prijs-kwaliteit van de prestatie, „duidelijk en begrijpelijk” moeten zijn, om te ontkomen aan een beoordeling van het oneerlijke karakter ervan, slechts het formele en taalkundige aspect van het beding betreft of dat het, ruimer bezien, eveneens betrekking heeft op de economische gevolgen die de toepassing van het litigieuze contractuele beding met zich brengt of op het verband ervan met andere bedingen.

80.      In het verlengde van hetgeen ik reeds heb uiteengezet, vereist de bescherming van de consument, in de hoedanigheid van zwakke partij, noodzakelijkerwijs een duidelijke en objectieve uitlegging van de in artikel 4, lid 2, richtlijn 93/13 opgenomen begrippen „eigenlijke voorwerp” en „prijs”, maar tegelijkertijd vergt zij dat het transparantievereiste ruim wordt uitgelegd. Zoals de Commissie heeft benadrukt, kan de consument, gelet op de ondergeschikte situatie waarin hij zich met betrekking tot het informatieniveau ten opzichte van de verkoper bevindt, moeilijkheden ondervinden om de gevolgen van bepaalde contractuele bedingen juist te kunnen beoordelen, ondanks het feit dat deze taalkundig duidelijk zijn geformuleerd.

81.      Bijgevolg dient het onderzoek van het duidelijke en begrijpelijke karakter van een beding zich niet te beperken tot het louter redactionele aspect ervan. Of een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is, moet worden beoordeeld op basis van de vraag of het de consument ervan verzekert dat hij beschikt over informatie met behulp waarvan hij de voor‑ en nadelen van het sluiten van een gegeven overeenkomst en de risico’s waaraan hij zich ten gevolge van de transactie blootstelt, kan beoordelen. De consument dient niet alleen de inhoud van een beding te begrijpen, maar eveneens de daaraan verbonden rechten en verplichtingen.(27)

82.      Deze uitlegging vindt volgens mij trouwens veel steun in de meest recente rechtspraak van het Hof.

83.      In het arrest RWE Vertrieb(28), dat met name betrekking had op de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 93/13, dat de verkopers verplicht om aan de consument voorgestelde bedingen „duidelijk en begrijpelijk” op te stellen, heeft het Hof immers verduidelijkt dat het aan de verwijzende rechter is om zich, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval, ervan te verzekeren dat de consument de kosten kan voorzien waaraan hij kan worden blootgesteld.

84.      Hoewel deze rechtspraak inderdaad betrekking heeft op de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 93/13, geldt deze volgens mij des te meer met betrekking tot het transparantievereiste van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, aangezien deze laatstgenoemde bepaling het belangrijke gevolg heeft dat bepaalde contractuele bedingen aan een beoordeling van het oneerlijke karakter ervan worden onttrokken. De eisen betreffende het duidelijke en begrijpelijke karakter van het betrokken beding, die de voorwaarde vormen voor de uitvoering van een inhoudelijke toetsing en die de bevoegde nationale rechter, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval, moet vaststellen, mogen inderdaad niet buitensporig worden verlaagd.

85.      Om terug te komen op het hoofdgeding en zonder vooruit te willen lopen op het onderzoek dat de nationale rechter zal moeten verrichten, blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat de contractuele bedingen met betrekking tot de toepasselijke wisselkoers bij de vrijgave en de aflossing van de lening vanuit louter taalkundig gezichtspunt duidelijk geformuleerd lijken. Punt I/1 van de litigieuze overeenkomst bepaalt dat „het bedrag van de lening in een vreemde valuta wordt vastgesteld tegen de door de bank toegepaste aankoopkoers van de vreemde valuta op de datum waarop de gelden worden vrijgegeven”. Bovendien bepaalt punt III/2 van dezelfde overeenkomst dat „de kredietverlener het bedrag in HUF van elke maandelijkse betaling vaststelt op basis van de door de bank op de dag voor de vervaldatum toegepaste verkoopkoers van de [vreemde] valuta”.

86.      Maar hoe duidelijk deze bewoordingen ook zijn, er kan worden getwijfeld over de algehele begrijpelijkheid ervan. Er kunnen inderdaad vraagtekens worden geplaatst bij de beoordeling door de betrokken consument van de exacte economische gevolgen van het beding van de kredietovereenkomst dat verwijst naar de aankoopprijs van de vreemde valuta (en niet naar de verkoopprijs van de vreemde valuta) voor de bedragen die hij uiteindelijk verschuldigd zal zijn.

87.      Hoewel, anders dan de Commissie stelt, de consument grotendeels het risico kan beoordelen waaraan hij wordt blootgesteld op het niveau van zijn in nationale valuta luidende schuld in geval van stijging van de koers van de vreemde referentievaluta, aangezien de leningsovereenkomst die hij is aangegaan juist in deze vreemde valuta luidt, is het daarentegen verre van vanzelfsprekend dat de consument de redenen heeft kunnen begrijpen waarom de maandelijkse termijnen op basis van de verkoopkoers van de vreemde valuta worden berekend, terwijl de aankoopkoers daarvan is gebruikt bij de vrijgave van de lening. Daaromtrent ontbreekt immers elke opheldering, zowel in de overeenkomst als naar aanleiding van de sluiting daarvan.

88.      Hoeveel consumenten, hoewel redelijk oplettend en bedachtzaam, kunnen immers de omvang van het verschil begrijpen dat bestaat tussen de verkoopprijs van vreemde valuta en de aankoopprijs daarvan? Anders dan algemeen wordt waargenomen op de markt van waardepapieren, vinden de aan‑ en de verkoop van vreemde valuta plaats per paar („cross”) en komen zij tot stand in samenhang met een andere vreemde valuta. Er is derhalve niet één enkele contante wisselkoers („spot”), maar er zijn er twee.(29) Het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs van een vreemde valuta („spread”), dat grotendeels afhankelijk is van het aantal en de kwaliteit van de deelnemers op een gegeven markt, kan aanzienlijk zijn. Beroepsbeoefenaren uit het bankwezen en de financiële sector en uit de belanghebbende kringen zijn zich daarvan in het algemeen bewust, maar het is niet noodzakelijkerwijs bekend bij de gemiddelde consument.(30)

89.      Het is echter aan de nationale rechter om na te gaan of, gelet op de door de verkopers voorafgaande aan de sluiting van de overeenkomst verstrekte informatie, de consument de exacte gevolgen van de verwijzing naar de aankoopprijs (in plaats van de verkoopprijs) kon beoordelen.

90.      In het onderhavige geval is het aan de aangezochte rechter om, in het licht van de naar aanleiding van de sluiting van de litigieuze overeenkomst verstrekte objectieve elementen, vast te stellen of de consument kon begrijpen dat hij, behalve enerzijds de rente en anderzijds de risico’s welke noodzakelijkerwijs voortvloeien uit de fluctuatie van de wisselkoers tussen de nationale valuta (waarin hij zijn lening aflost) en de vreemde referentievaluta, zonder kennis van zaken blootstaat aan extra lasten welke voortvloeien uit het verschil tussen de verkoopprijs van de vreemde valuta en de aankoopprijs daarvan.

91.      Gelet op het bovenstaande, en voor zover de eerste prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, stel ik voor op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het aan de aangezochte rechter is om het oneerlijke karakter te onderzoeken van de contractuele bedingen die aldaar worden bedoeld, indien deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, op basis van een conforme uitlegging van het op de datum van de sluiting van de litigieuze overeenkomst toepasselijke nationale recht. Bij het onderzoek of de contractuele bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn, moeten alle omstandigheden van het concrete geval in aanmerking worden genomen, met name de bij de sluiting van de overeenkomst ter kennis van de consument gebrachte informatie. Het moet niet alleen betrekking hebben op het louter formele en taalkundige aspect, maar ook op de exacte beoordeling van de economische gevolgen van genoemde bedingen en op het verband dat tussen deze bedingen kan bestaan.

D –    Derde prejudiciële vraag: bevoegdheden van de nationale rechter om een als oneerlijk gekwalificeerd beding te vervangen of te wijzigen

92.      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in hoger beroep aangezochte rechter, nadat hij het oneerlijke karakter had vastgesteld van het contractuele beding inzake de berekening van de maandelijkse termijnen door toepassing van het verschil tussen de aankoopkoers en de verkoopkoers van de vreemde referentievaluta, op grond van § 237, lid 2, van het Hongaarse burgerlijk wetboek(31) heeft geoordeeld dat er reden was om de in het hoofdgeding litigieuze leningsovereenkomst te wijzigen en heeft bepaald dat de maandelijkse termijnen van de aflossing van de lening dienden te worden berekend op basis van de door de bank toegepaste aankoopkoers.

93.      De door de appelrechter aangebrachte wijziging roept de vraag op of deze niet in botsing komt met de in het arrest Banco Español de Crédito, reeds aangehaald, ontwikkelde oplossing.

94.      Ik herinner eraan dat het Hof in deze zaak met name is verzocht om te antwoorden op de vraag of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 in de weg staat aan de wetgeving van een lidstaat die de nationale rechter toestaat, wanneer hij de nietigheid van een oneerlijk beding in een tussen een verkoper en een consument gesloten overeenkomst vaststelt, genoemde overeenkomst aan te vullen door de inhoud van dat beding te herzien.

95.      Het Hof heeft bevestigend geantwoord en zich gebaseerd op de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, en meer in het algemeen genomen op de doelstellingen en de algemene opzet van richtlijn 93/13. In deze context heeft het met name benadrukt dat de bevoegdheid om de inhoud van oneerlijke bedingen te herzien, de verwezenlijking van het in artikel 7 van richtlijn 93/13 bedoelde langetermijndoel in gevaar zou kunnen brengen. Een dergelijke bevoegdheid zou ertoe bijdragen dat de voor verkopers afschrikkende werking die uitgaat van een loutere niet-toepassing van dergelijke oneerlijke bedingen ten aanzien van de consument wordt uitgeschakeld, aangezien deze verkopers in de verleiding zouden blijven om die bedingen te gebruiken in de wetenschap dat ook al mochten deze ongeldig worden verklaard, de overeenkomst niettemin voor zover noodzakelijk door de nationale rechter zou kunnen worden aangevuld en het belang van die verkopers dus gediend zou zijn. Zou worden erkend dat de nationale rechter een dergelijke bevoegdheid heeft, dan zou die op zich geen even doeltreffende bescherming van de consument kunnen verzekeren als die welke voortvloeit uit de niet-toepassing van oneerlijke bedingen.(32)

96.      Dienaangaande lijkt het belangrijk te benadrukken dat de door het Hof ontwikkelde benadering beoogde het in de overeenkomst vastgelegde evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen te herstellen in het geval dat de litigieuze overeenkomst in beginsel kon voortbestaan „zonder andere wijzigingen dan de schrapping van de oneerlijke bedingen [...] voor zover volgens de regels van intern recht een dergelijk voortbestaan van de overeenkomst rechtens mogelijk is” (punt 65 van het arrest).

97.      Het verbod aan de rechter om de inhoud van een door hem als oneerlijk gekwalificeerd beding te herzien, in plaats van het enkel en alleen niet toe te passen, heeft eveneens betrekking op het geval waar de schrapping van het litigieuze beding, dat in de opzet van de overeenkomst een ondergeschikt karakter heeft, het bestaan van genoemde overeenkomst niet in gevaar brengt en voor de consument niet nadelig blijkt te zijn.

98.      Dat geval onderscheidt zich van het in het hoofdgeding bedoelde geval, waar de schrapping van het oneerlijk geachte contractuele beding inhoudt dat de uitvoering van de overeenkomst niet kan worden voortgezet, hetgeen tenslotte voor de consument bijzonder nadelige gevolgen met zich brengt. De schrapping van de bedingen inzake de toepasselijke wisselkoers zou de kredietovereenkomst immers onuitvoerbaar maken. Overigens zou de consument naar alle waarschijnlijkheid onmiddellijk het nog aan de bank verschuldigde bedrag van de lening moeten aflossen. Als de consument in principe niet onmiddellijk kan aflossen, zou zijn verhypothekeerde onroerend verkocht kunnen worden.

99.      Een uitbreiding van de door het Hof ontwikkelde benadering tot de mogelijkheid voor de nationale rechter om het ongeldige oneerlijke beding te vervangen door nationale voorschriften van aanvullend recht, is in casu volgens mij evenmin vereist, noch gepast.

100. Ik ben van mening dat in principe niets eraan in de weg zou moeten staan dat de nationale rechter, overeenkomstig de beginselen van het verbintenissenrecht, het oneerlijke karakter van een beding wegneemt door het te vervangen door een nationaal voorschrift van aanvullend recht. Vervanging door een dergelijk voorschrift, dat zelf geacht wordt geen oneerlijke bedingen te bevatten(33), hetgeen ertoe leidt dat de overeenkomst ondanks de schrapping van het litigieuze beding kan voortbestaan en voor de partijen bindend kan blijven, past volgens mij in de doelstellingen van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13.

101. Met richtlijn 93/13 streeft de Uniewetgever ernaar het evenwicht tussen de partijen te herstellen, in principe met behoud van de geldigheid van een overeenkomst in haar geheel, en niet alle overeenkomsten met oneerlijke bedingen nietig te verklaren.(34)

102. Indien daarentegen een dergelijke vervanging niet zou zijn toegestaan en de rechter verplicht zou zijn om de overeenkomst te vernietigen, zou het afschrikkende karakter van de nietigheidssanctie kunnen worden aangetast. Een dergelijke vernietiging zou gewoonlijk immers tot gevolg hebben dat het gehele nog verschuldigde bedrag van de lening opeisbaar zou worden, hetgeen de financiële mogelijkheden van de consument overstijgt en waardoor deze meer wordt benadeeld dan de professionele kredietverlener, die er door dat gevolg mogelijk niet toe wordt aangezet om te voorkomen dat dergelijke bedingen in zijn overeenkomsten worden opgenomen.

103. In deze omstandigheden lijkt de „geldigverklaring” van een overeenkomst door middel van de vervanging door een voorschrift van aanvullend recht, indien dat krachtens het toepasselijke nationale recht mogelijk is – hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan – noodzakelijk teneinde een reëel evenwicht tussen de partijen te herstellen en aldus de bescherming van de consument tegen oneerlijke bedingen als belangrijkste doelstelling van richtlijn 93/13 te waarborgen, door de nuttige werking van het bij deze richtlijn ingevoerde beschermingsmechanisme in stand te houden.

104. Hoewel ik mij er zeer van bewust ben dat het Hof deze vraag niet rechtstreeks en precies is voorgelegd, en zij dientengevolge door de partijen niet is besproken(35), is het volgens mij belangrijk te benadrukken dat deze bevoegdheid tot vervanging niet onbegrensd mag zijn: de tussenkomst van de rechter moet zo veel mogelijk uitsluitend tot doel hebben een zekere gelijkheid tussen de verkopers en de consumenten, met wie zij overeenkomsten sluiten, te herstellen.(36)

105. Deze bevoegdheid mag niet leiden tot een verstoring van het in de overeenkomst vastgelegde evenwicht door tussenkomst van het staatsgezag na de sluiting van de overeenkomst. Het is immers bekend dat de overeenkomst in principe onder de wet blijft vallen die van kracht was op de dag waarop de overeenkomst tot stand is gekomen en dat elke tussenkomst van een derde, met inbegrip van de staat in de hoedanigheid van wetgever, met beleid moet worden bezien, aangezien zij mogelijk de contractvrijheid en de vrije mededinging, die daar een uitvloeisel van is, kan schaden.(37)

106. Ik stel voor om op de derde vraag te antwoorden dat de nationale rechter krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de ongeldigheid van een oneerlijk contractueel beding jegens de consument weliswaar niet kan verhelpen, maar niets eraan in de weg staat dat de nationale rechter een nationaal voorschrift van aanvullend recht toepast dat het ongeldige contractuele beding kan vervangen, voor zover de overeenkomst krachtens de bepalingen van nationaal recht na schrapping van het oneerlijke beding rechtens kan voortbestaan.

IV – Conclusie

107. In het licht van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de door de Kúria voorgelegde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

„1)      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, moet aldus worden uitgelegd dat in geval van een in vreemde valuta luidende lening, die echter in feite wordt vrijgegeven in nationale valuta en door de consument uitsluitend in nationale valuta moet worden afgelost, het contractuele beding dat de wisselkoersen vaststelt, en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, kan worden geacht tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst te behoren, indien uit de overeenkomst duidelijk blijkt dat dat beding er een wezenlijke maatstaf van vormt. Het verschil tussen de verkoopkoers en de aankoopkoers van de vreemde valuta kan daarentegen niet als een vergoeding worden beschouwd waarvan de gelijkwaardigheid met de dienst niet kan worden onderzocht met het oog op de beoordeling van het oneerlijke karakter.

2)      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat het aan de aangezochte rechter is om het oneerlijke karakter te onderzoeken van de contractuele bedingen die aldaar worden bedoeld, zodra deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, op basis van een conforme uitlegging van het op de datum van de sluiting van de litigieuze overeenkomst toepasselijke nationale recht. Bij het onderzoek of de contractuele bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn, moeten alle omstandigheden van het concrete geval in aanmerking worden genomen, met name de bij de sluiting van de overeenkomst ter kennis van de consument gebrachte informatie. Het moet niet alleen betrekking hebben op het louter formele en taalkundige aspect, maar ook op de exacte beoordeling van de economische gevolgen van genoemde bedingen en op het verband dat tussen deze bedingen kan bestaan.

3)      Hoewel de nationale rechter krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de ongeldigheid van een oneerlijk contractueel beding jegens de consument niet kan verhelpen, staat niets eraan in de weg dat de nationale rechter een nationaal voorschrift van aanvullend recht toepast dat het ongeldige contractuele beding kan vervangen, voor zover de overeenkomst krachtens de bepalingen van nationaal recht na schrapping van het oneerlijke beding rechtens kan voortbestaan.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 – De verwijzende rechter heeft eveneens de aandacht gevestigd op het feit dat het uitstaande bedrag van de door de Hongaarse huishoudens bij kredietinstellingen ingeschreven leningen volgens de door Magyar Nemzeti Bank (Hongaarse nationale bank) met betrekking tot het tweede halfjaar van 2012 verstrekte gegevens 32,56 % van het bruto nationaal product bedraagt. De op basis van een vreemde valuta verstrekte leningen, zoals de in het hoofdgeding litigieuze, vormen 18,54 % van dat product, ofwel een bedrag van 5 289 miljard Hongaarse forint (HUF). Wat meer in het bijzonder de in Zwitserse franken (CHF) luidende kredieten betreft, zij zouden niet alleen in Hongarije, maar eveneens in andere lidstaten, met name in Polen en in Kroatië, op grote schaal zijn aangeboden.


3 – Ik moet opmerken dat op nationaal niveau een zeker aantal maatregelen is genomen om vast te stellen dat de sluiting van kredietovereenkomsten met een wisselkoersrisico zou kunnen worden gekwalificeerd als oneerlijke en misleidende handelspraktijk, aangezien de gelopen risico’s, wegens het fout inschatten door de banken van hun verplichting om inlichtingen te verstrekken, te adviseren en te waarschuwen, door een zeker aantal consumenten slecht zouden zijn begrepen. Sommige lidstaten hebben het, fundamenteler, raadzaam geacht om grenzen te stellen aan de verstrekking van leningen in vreemde valuta met een wisselkoersrisico aan particulieren.


4 – Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).


5 –      Arrest van 14 juni 2012 (C‑618/10).


6 – Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 22 september 1992 met het oog op de vaststelling van de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (doc. 8406/1/92, PB C 283, blz. 1, nr. 2).


7 – Voorstel van 3 september 1990 voor een richtlijn van de Raad betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten [COM(90) 322 def.]. Voor een uiteenzetting van de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 93/13 en kanttekeningen van de doctrine betreffende de invoeging van artikel 4, lid 2, verwijs ik naar de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 3 juni 2010, Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid (C‑484/08, Jurispr. blz. I‑4785, met name punten 61‑66).


8 – Advocaat-generaal Tizzano heeft in deze zin in zijn conclusie in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 10 mei 2001, Commissie/Nederland (C‑144/99, Jurispr. blz. I‑3541), opgemerkt dat „de uitsluiting van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, van de regeling inzake algemene voorwaarden een wezenlijke beperking van de werkingssfeer van de richtlijn oplevert. Men denke slechts aan de consequenties daarvan voor allerlei overeenkomsten, bijvoorbeeld verzekeringsovereenkomsten, die zich bij uitstek lenen voor redactionele vaagheid, juist waar het gaat om hun wezenlijke voorwerp, in dit voorbeeld dus de omschrijving van het verzekerd risico.”


9 – Zie daartoe het verslag van de Commissie van 27 april 2000 over de toepassing van richtlijn 93/13 [COM(2000) 248 definitief]. Dat verslag benadrukt dat deze beperking van de werkingssfeer weliswaar door een groot aantal lidstaten niet is omgezet, maar dat in de praktijk niet tot toepassingsproblemen heeft geleid. Volgens dat verslag zijn „[d]e rechtbanken van de betrokken lidstaten [...] niet overgegaan tot de toetsing van de prijzen, noch tot het op grote schaal wijzigen van de belangrijkste contractuele bedingen zoals dat door sommigen en door bepaalde beroepskringen werd gevreesd. In feite zijn in verreweg de meeste gevallen noch de prijs als zodanig, die het resultaat is van de concurrentiesituatie, noch de bedingen, die op duidelijke en alomvattende wijze de definitie van het voorwerp van de overeenkomst betreffen, van dien aard dat ze tot problemen leiden die door de toepassing van de wetgeving betreffende de oneerlijke bedingen moeten worden opgelost. Hun uitsluiting van het toepassingsgebied van de richtlijn leidt wel tot twijfels over de interpretatie, met nadelige gevolgen voor de goede toepassing van de tekst.”


10 –      Arrest Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid, reeds aangehaald (punten 42‑44).


11 – Zie conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid, reeds aangehaald (punt 68).


12 – Zie reeds aangehaald arrest (punt 34).


13 – Zie over de aan de nationale rechter voorbehouden rol arrest van 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing (C‑137/08, Jurispr. blz. I‑10847, punt 49).


14 – Zie in deze zin arrest van 1 april 2004, Freiburger Kommunalbauten (C‑237/02, Jurispr. blz. I‑3403, punt 22).


15 – Zie met name Office of Fair Trading/Abbey National [2009] UKSC 6.


16 – Voor een meer gedetailleerde uiteenzetting van de verschillen in uitlegging in de lidstaten verwijs ik met name naar het Issues paper van de Law Commission/Scottish Law Commission van 25 juli 2012 (Unfair Terms in Consumer contracts, a new approach?), met name naar de punten 7.55‑7.66, dat beschikbaar is op het internetadres: http://lawcommission.justice.gov.uk/docs/unfair_terms_in_consumer_contracts_issues.pdf. Ik verwijs eveneens naar de bijdrage van Schillig, „Directive 93/13 and the ‚price term exemption’: a comparative analysis in the light of the ‚market for lemons’ rationale”, ICLQ (2011), vol. 60 (4), blz. 933‑963.


17 – Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133, blz. 66, en rectificaties PB 2009, L 207, blz. 14; PB 2010, L 199, blz. 40, en PB 2011, L 234, blz. 46). In artikel 3, sub c, van deze richtlijn wordt de kredietovereenkomst omschreven als „een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten c.q. goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt”.


18 – In haar conclusie in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič (C‑453/10), heeft advocaat-generaal Trstenjak in deze zin gesteld dat „[m]et het oog op de indeling bij een van de in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 genoemde voorwerpen van de overeenkomst [...] ik erop [wil] wijzen dat de opgave van het jaarlijkse rentepercentage door de Uniewetgever belangrijk wordt geacht omdat dit in wezen een van de eigenlijke voorwerpen van de kredietovereenkomst is. Dat beding geeft namelijk uitsluitsel over de kosten die de kredietnemer voor de verstrekking van de lening moet betalen. Het jaarlijkse rentepercentage komt in zoverre binnen het geheel van contractuele rechten en verplichtingen van de partijen overeen met de eigenlijke tegenprestatie die de kredietgever ontvangt. Hieruit volgt dat een beding dat een onjuiste opgave van de kosten bevat, bijvoorbeeld omdat het jaarlijkse rentepercentage verkeerd is berekend, zich leent tot een inhoudelijke toetsing in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, voor zover het niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd” (punt 117).


19 – In het onderhavige geval heeft de verwijzende rechter in het kader van de derde prejudiciële vraag opgemerkt dat de geldigheid en de uitvoering van de litigieuze leningsovereenkomst zal worden geschaad in het geval dat het litigieuze beding wordt weggelaten.


20 – Arrest van 26 april 2012 (C‑472/10).


21 – In zoverre bepaalt § 231, lid 2, van het Hongaarse burgerlijk wetboek duidelijk dat „[i]n een andere valuta [dan het wettig betaalmiddel van de plaats van uitvoering] luidende schulden worden omgerekend tegen de op de plaats en de dag van betaling toegepaste wisselkoers.”


22 – Verslag van 27 april 2000 (op. cit., blz. 15 en 16).


23 – Het zeer beperkte karakter van deze uitsluitingsmogelijkheid heeft Schillig aldus in zijn artikel kunnen benadrukken (op. cit., blz. 947). De auteur heeft in wezen benadrukt dat de verhouding prijs-kwaliteit nooit wordt getoetst aangezien er geen wettelijke standaard bestaat die richtsnoeren zou kunnen verschaffen voor een dergelijke toetsing.


24 – Zie met name arresten van 13 november 1990, Marleasing (C‑106/89, Jurispr. blz. I‑4135, punt 8), en 7 december 1995, Spano e.a. (C‑472/93, Jurispr. blz. I‑4321, punt 17).


25 – Zie met name arrest van 27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores (C‑240/98–C‑244/98, Jurispr. blz. I‑4941, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


26 – Zie reeds aangehaalde arresten Commissie/Nederland en Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid (punt 39).


27 – Het gebruik van twee woorden („duidelijk” en „begrijpelijk”) moet overigens zeker in deze zin worden uitgelegd. De „duidelijkheid” lijkt vooral betrekking te hebben op het redactionele aspect van het beding. De „begrijpelijkheid” daarentegen heeft betrekking op het inzicht in de juiste strekking van de gebruikte bewoordingen.


28 – Arrest van 21 maart 2013 (C‑92/11).


29 – De enkele wisselkoers die doorgaans door de financiële of algemene pers wordt bekendgemaakt, is het gemiddelde van twee wisselkoersen.


30 – Zonder vooruit te willen lopen op de oplossing die ten slotte door de nationale rechter zal worden gekozen, blijkt dat nergens in de overeenkomst kan worden afgeleid waaruit het exacte verschil tussen de aankoopkoers en de verkoopkoers van de vreemde valuta zou bestaan.


31 – Deze bepaling voorziet erin dat „[i]ndien niet kan worden teruggekeerd naar de situatie van voor de sluiting van de overeenkomst, [...] de rechter de overeenkomst van toepassing [kan] verklaren voor de periode tot aan de uitspraak van zijn vonnis. Een ongeldige overeenkomst kan geldig worden verklaard indien de ongeldigheidsgrond kan worden weggenomen, in het bijzonder in woekerovereenkomsten, wanneer de prestaties van de partijen kennelijk niet gelijkwaardig zijn, door het onevenredige voordeel ongedaan te maken. In deze gevallen moet worden beslist over de terugbetaling van de eventueel zonder tegenprestatie verrichte diensten.”


32 – Zie arrest Banco Español de Crédito, reeds aangehaald (punten 69 en 70).


33 – Zie de dertiende overweging van de considerans van richtlijn 93/13, volgens welke „de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarin bedingen van overeenkomsten met consumenten, direct of indirect, worden vastgesteld, [...] geacht [worden] geen oneerlijke bedingen te bevatten”.


34 – Arrest Pereničová en Perenič, reeds aangehaald (punt 31).


35 – Verweerster in het hoofdgeding heeft in haar opmerkingen echter gesteld dat de vraag inzake de mogelijke toepasselijkheid van aanvullend recht een hypothetisch karakter heeft, aangezien op de datum van de sluiting van de in het hoofdgeding litigieuze leningsovereenkomst dergelijke wetgeving niet bestond. Zij heeft bovendien gesteld dat de rechter, door het voorschrift van aanvullend recht bindend toepasselijk te verklaren, de contractvrijheid aanzienlijk zou beperken.


36 – Zie arrest Banco Español de Crédito, reeds aangehaald (punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


37 –      Hoewel de verwijzingsbeslissing niet uitdrukkelijk de betrokken aanvullende bepalingen noemt, blijkt uit de door de Hongaarse regering verstrekte inlichtingen dat de voorschriften van aanvullend recht waarop de verwijzende rechter lijkt te doelen op de datum dat de litigieuze overeenkomst is gesloten, worden gevormd door § 200/A van wet nr. CXII. van 1996 betreffende kredietinstellingen en financiële ondernemingen, juncto § 234/A daarvan. Overeenkomstig deze voorschriften, die toepasselijk zijn op alle op 27 november 2010 bestaande overeenkomsten, zullen de tot dan toe op in vreemde valuta luidende leningsovereenkomsten toegepaste koersen worden vervangen door de officiële door Magyar Nemzeti Bank vastgestelde koers of door de door de bank vastgestelde gemiddelde koers van de vreemde valuta.