Language of document : ECLI:EU:T:2020:255

Beroep ingesteld op 4 november 2009 - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België

(Zaak C-435/09)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. van Beek, J.-B. Laignelot en C.A.H.M. ten Dam, gemachtigden)

Verweerder: Koninkrijk België

Conclusies

1.    vast te stellen dat België, door niet de maatregelen vast te stellen die nodig zijn om,

wat het Vlaamse Gewest betreft: artikel 4, leden 2 en 3, in samenhang met bijlagen II en III,

wat het Waalse Gewest betreft: artikel 4, lid 1, in samenhang met bijlage I, punt 8, sub a en punt 18, sub a en artikel 7, lid 1, sub b, en

wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft: artikel 4, leden 2 en 3, in samenhang met bijlagen II en III en bijlage III als zodanig,

van richtlijn 85/337/EEG1 van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997, correct dan wel volledig uit te voeren,

de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.    België in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie heeft hiertoe de volgende gronden aangevoerd:

a)    Met betrekking tot de wetgeving van het Vlaamse gewest stelt de Commissie dat in deze wetgeving niet alle relevante criteria van bijlage III van de richtlijn in acht worden genomen bij het bepalen of de in bijlage II van de richtlijn genoemde projecten al dan niet moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling als bedoeld in de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn. De Vlaamse regering heeft niet aangetoond dat de door haar genoemde alternatieve procedures voor bedoelde projecten voldoen aan de eisen van de artikelen 2 en 5 tot en met 10 van de richtlijn.

b)    Met betrekking tot de wetgeving van het Waalse Gewest stelt de Commissie in de eerste plaats dat deze wetgeving voor de in punt 18, sub a, van bijlage I genoemde projecten (industriële installaties voor de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen) een drempelwaarde hanteert, terwijl de richtlijn daarin niet voorziet, en voor de in punt 8, sub a, van bijlage I genoemde projecten (havens voor de binnenscheepvaart) een drempelwaarde hanteert die is uitgedrukt in het aantal schepen en niet in termen van tonnages, zoals de richtlijn doet. In de tweede plaats stelt de Commissie dat in de wetgeving van het Waalse Gewest artikel 7, lid 1, sub b van de richtlijn niet juist is omgezet.

c)    Met betrekking tot de wetgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stelt de Commissie in de eerste plaats dat in deze wetgeving geen rekening wordt gehouden met de relevante selectiecriteria van bijlage III van de richtlijn bij de omzetting van artikel 4, lid 3, van de richtlijn en dat de door de Brusselse regering genoemde alternatieve beoordelingswijzen niet voldoen aan alle in de richtlijn genoemde kenmerken. In de tweede plaats stelt de Commissie dat in deze wetgeving bijlage III van de richtlijn als zodanig niet is omgezet.

____________

1 - PB L 175, blz. 40.