Language of document :

Beroep ingesteld op 29 juni 2015 – DEI / Commissie

(Zaak T-352/15)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Dimosia Epicheirisi Ilektrismou AE (DEI) (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: E. Bourtzalas, D. Waelbroeck, Ch. Tagaras, Ch. Synodinos en E. Salaka, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van besluit C (2015) 1942 final van 25 maart 2015 van de Commissie, in de zaak SA.38101, voor zover het daarin heet dat Aluminium SA geen staatssteun heeft ontvangen en dat de Commissie bijgevolg niet verplicht is om een formele onderzoeksprocedure te starten, zoals bepaald in artikel 108, lid 2, VWEU;

nietigverklaring van besluit C (2015) 1942 final van 25 maart 2015 van de Commissie, in de zaak SA.38101, voor zover het daarin heet dat de klacht van DEI betreffende de staatssteun, ingediend op basis van de motivering van besluit 346/2012 van de Griekse regelgevende autoriteit voor energie („RAE”), zonder voorwerp is geworden ingevolge beslissing 1/2013 van het scheidsgerecht, en

verwijzing van de Commissie in DEI’s kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: schending van de wezenlijke vormvoorschriften van de procedure, voor zover de bestreden handeling niet voldoet aan de procedurevereisten voor het nemen van een dergelijk besluit.

Tweede middel: ontbreken van een toereikende motivering, tegenstrijdigheid en niet-nakoming van de plicht om alle juridische en feitelijke gronden te onderzoeken die relevant zij voor de beoordeling of de „duidelijke en objectieve parameters”, zoals omschreven in de arbitrageovereenkomst, „de discretionaire bevoegdheid van de arbiters beperkten” en als „logisch gevolg” de laatste vastgelegde elektrische energieprijs hadden.

Derde middel: een kennelijk onjuiste opvatting van het recht bij de uitlegging en toepassing van het criterium van de behoedzame particuliere investeerder en van de artikelen 107, lid 1, en 108, lid 2, VWEU, met betrekking tot het oordeel dat de elektrische energieprijs vastgelegd door de beslissing van het scheidsgerecht een „logisch gevolg is van de juist bepaalde paramaters in de arbitrageovereenkomst”.

Vierde middel: kennelijk onjuiste opvatting van het recht bij de uitlegging en toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU, met betrekking tot het oordeel dat de Commissie niet verplicht was om complexe economische onderzoeken te voeren, en ook een kennelijk onjuiste opvatting van het recht en een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten voor zover de Commissie kritische vragen niet heeft onderzocht om vast te stellen of er wel of niet sprake was van staatssteun.

Vijfde middel: kennelijk onjuiste opvatting van het recht bij de toepassing van de artikelen 107, lid 1, en 108, lid 2, VWEU en kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten bij de toepassing van het beginsel van de behoedzame particuliere investeerder in een markteconomie.

6.    Zesde middel: kennelijk onjuiste opvatting van het recht bij de uitlegging en toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU, niet-nakoming van de motiveringsplicht en kennelijk foute beoordeling van de feiten terzake van het besluit van de Commissie om geen verder onderzoek te voeren naar de klacht van DEI uit 2012, overeenkomstig artikel 108, lid 2, VWEU, op basis van haar oordeel dat „die zonder voorwerp is geworden” ingevolge de door het scheidsgerecht genomen beslissing 1/2013.

____________