Language of document : ECLI:EU:T:2021:363

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

16 juni 2021 (*)

„Gemeenschapsmodel – Nietigheidsprocedure – Ingeschreven gemeenschapsmodel dat een tafellamp weergeeft – Ouder gemeenschapsmodel – Nietigheidsgrond – Geen eigen karakter – Artikel 6 van verordening (EG) nr. 6/2002”

In zaak T‑187/20,

Davide Groppi Srl, gevestigd te Piacenza (Italië), vertegenwoordigd door F. Boscariol de Roberto, D. Capra en V. Malerba, advocaten,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door L. Rampini als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO:

Viabizzuno Srl, gevestigd te Bentivoglio (Italië),

betreffende een beroep tegen de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO van 23 januari 2020 (zaak R 126/2019‑3) inzake een nietigheidsprocedure tussen Viabizzuno en Davide Groppi,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: V. Tomljenović, president, P. Škvařilová-Pelzl en I. Nõmm (rapporteur), rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien het op 9 april 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 14 juli 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,

gezien de schriftelijke vraag van het Gerecht aan partijen en hun antwoorden op deze vraag, die ter griffie van het Gerecht zijn neergelegd op 9 en 18 december 2020,

na de terechtzitting op 27 januari 2021,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 16 juli 2014 heeft verzoekster, Davide Groppi Srl, bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) overeenkomstig verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1) de inschrijving aangevraagd van het litigieuze gemeenschapsmodel en deze inschrijving verkregen onder het nummer 2503680‑0001. Het gemeenschapsmodel in kwestie wordt hieronder weergegeven:

Image not found

2        De voortbrengselen waarop het litigieuze model zal worden toegepast, behoren tot klasse 26‑05 in de zin van de Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, zoals gewijzigd, en worden omschreven als volgt: „Lampen voor verlichting”. De aanvraag tot inschrijving van het gemeenschapsmodel is bekendgemaakt in Gemeenschapsmodellenblad nr. 2014/133 van 21 juli 2014.

3        Op 3 maart 2017 heeft de andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, Viabizzuno Srl, bij het EUIPO overeenkomstig artikel 52 van verordening nr. 6/2002 een vordering tot nietigverklaring van het litigieuze model ingesteld.

4        De ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde grond was artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met de artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening. Deze grond heeft betrekking op ouder model nr. 1294664‑0010 van 22 september 2011, dat hieronder wordt weergegeven:

Image not found

Image not found

5        Op 4 augustus 2017 heeft verzoekster verzocht de procedure te schorsen omdat tegen het oudere gemeenschapsmodel een vordering tot nietigverklaring was ingesteld.

6        Op 22 november 2018 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring toegewezen op grond dat het litigieuze model geen eigen karakter in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002 heeft.

7        Op 17 januari 2019 heeft verzoekster overeenkomstig de artikelen 55 tot en met 60 van verordening nr. 6/2002 beroep ingesteld bij het EUIPO.

8        Bij beslissing van 23 januari 2020 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de derde kamer van beroep van het EUIPO verzoeksters beroep verworpen. Die kamer van beroep heeft geoordeeld dat:

–        de omstandigheid dat het oudere model nietig was verklaard, irrelevant was omdat het enkel van belang is of het model openbaar was gemaakt;

–        de geïnformeerde gebruiker van het voortbrengsel waarop het litigieuze model betrekking heeft, wordt geacht op de hoogte te zijn van het marktaanbod voor tafel- en tuinverlichting in de betreffende bedrijfstak;

–        de mate van vrijheid van de ontwerper zeer groot is;

–        uit de vergelijking van de algemene indrukken die de modellen in kwestie wekken, blijkt dat het litigieuze model een déjà-vugevoel geeft doordat de modellen in kwestie lampen weergeven die bestaan uit dezelfde drie onderscheiden onderdelen (een voet, een steel en een lampenkap), die visueel nagenoeg identiek zijn;

–        de verschillen die verband houden met het feit dat de voet in het litigieuze model een enkelvoudig en effen oppervlak heeft terwijl de voet in het oudere model tweevoudig is en er bevestigingsgaten in aangebracht zijn, geen beslissende invloed hebben op de algemene indruk die de betreffende modellen wekken, omdat deze verschillen betrekking hebben op een onderdeel dat bij gebruik vaak verborgen is, het gevolg zijn van technische vereisten en niet opwegen tegen de grote gelijkenissen die de twee overige onderdelen van de lampen vertonen;

–        het door verzoekster gestelde verschil dat verband houdt met de verhouding in de dimensionale relatie tussen de voet, de steel en de lampenkap pas – eventueel – kan worden waargenomen na een minutieuze meting van elk van de drie onderdelen, waartoe een geïnformeerde gebruiker niet zal overgaan, en dat verschil bovendien irrelevant is omdat bij de vergelijking van de door de modellen in kwestie gewekte algemene indrukken een synthetische benadering moet worden gevolgd.

 Conclusies van partijen

9        Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing te vernietigen;

–        het EUIPO en de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep te verwijzen in de kosten.

10      Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

11      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, dat gebaseerd is op schending van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 van deze verordening. Dit middel bestaat uit twee onderdelen, die betrekking hebben op fouten die zijn begaan bij respectievelijk de omschrijving van de categorie van de betreffende voortbrengselen en de vergelijking van de algemene indrukken die de modellen in kwestie wekken.

12      Aangezien beide onderdelen van het enige middel betrekking hebben op fouten die de kamer van beroep zou hebben begaan bij de toepassing van artikel 6 van verordening nr. 6/2002 op het onderhavige geval, dienen zij gezamenlijk te worden onderzocht.

13      Artikel 25, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bepaalt dat een gemeenschapsmodel slechts nietig kan worden verklaard in de gevallen die worden genoemd onder a) tot en met g), met name in het onder b) bedoelde geval, te weten wanneer het gemeenschapsmodel in kwestie niet voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 van die verordening.

14      Volgens artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 wordt een ingeschreven gemeenschapsmodel geacht een eigen karakter te hebben indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld vóór de datum van indiening van de aanvraag om inschrijving of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.

15      In artikel 6, lid 2, van verordening nr. 6/2002 wordt voorts gepreciseerd dat bij de beoordeling van dat eigen karakter rekening moet worden gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.

16      Daarnaast blijkt uit overweging 14 van verordening nr. 6/2002 dat bij de beoordeling van het eigen karakter van een model rekening moet worden gehouden met de aard van het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast of waarin het is verwerkt, en in het bijzonder met de bedrijfstak waarmee het verbonden is alsook de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.

17      De beoordeling van het eigen karakter van een gemeenschapsmodel berust in wezen op een onderzoek in vier fasen. Ten eerste wordt vastgesteld tot welke bedrijfstak de voortbrengselen behoren waarin het model zal worden verwerkt of waarop het zal worden toegepast. Ten tweede wordt onderzocht wie – naargelang van het doel van deze voortbrengselen – de geïnformeerde gebruiker van die voortbrengselen is, over welke vakkennis deze geïnformeerde gebruiker reeds beschikt en wat zijn aandachtsniveau is voor de gelijkenissen en verschillen bij de vergelijking van de modellen. Ten derde wordt nagegaan over welke mate van vrijheid de ontwerper bij de ontwikkeling van het model beschikte, waarvan de invloed op het eigen karakter omgekeerd evenredig is aan de omvang van deze vrijheid. Ten vierde wordt, daarmee rekening houdend, vastgesteld wat het resultaat is van de – indien mogelijk rechtstreekse – vergelijking van de algemene indrukken die het litigieuze model en elk ouder, voor het publiek beschikbaar gesteld model, individueel bekeken wekken bij de geïnformeerde gebruiker [zie arrest van 13 juni 2019, Visi/one/EUIPO – EasyFix (Informatieschermen voor voertuigen), T‑74/18, EU:T:2019:417, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

18      Aangezien vaststaat dat het oudere model openbaar is gemaakt in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 6/2002, dient de juistheid te worden nagegaan van de door de kamer van beroep verrichte beoordelingen die betrekking hebben op ten eerste de vaststelling van de geïnformeerde gebruiker van het litigieuze model en de vaststelling van het voortbrengsel waarop dit model betrekking heeft, ten tweede de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van dat model, en ten derde de vergelijking van de algemene indrukken die de modellen in kwestie wekken.

19      Vooraf zij opgemerkt dat het EUIPO het oudere model op 30 oktober 2018 nietig heeft verklaard.

20      Voor de kamer van beroep had verzoekster de aandacht op deze omstandigheid gevestigd om aan te voeren dat de vordering tot nietigverklaring die was ingesteld door de andere partij in de procedure bij die kamer, moest worden afgewezen. De kamer van beroep heeft dit argument in punt 12 van de bestreden beslissing verworpen door te benadrukken dat „het feit dat het oudere gemeenschapsmodel intussen nietig is verklaard, er – anders dan de houder [van het litigieuze model] stelt in het kader van de ter ondersteuning van het beroep aangevoerde gronden – niet toe [leidt] dat de logische en juridische grondslag van deze vordering vervalt”, omdat „[d]eze grondslag [...] niet de geldigheid van het oudere gemeenschapsmodel [is], maar wel de openbaarmaking ervan, die overigens niet is betwist”.

21      Met deze analyse – die verzoekster voor het Gerecht overigens niet meer bestrijdt – moet worden ingestemd, aangezien de tegen de inschrijving van het litigieuze model aangevoerde nietigheidsgrond die van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 is.

22      De logica die ten grondslag ligt aan artikel 25, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 6/2002, bestaat er namelijk in te voorkomen dat modellen worden ingeschreven die niet voldoen aan de voorwaarden waaronder de bescherming ervan gerechtvaardigd is – met name de voorwaarde dat het betreffende model „nieuw” is en een „eigen karakter” heeft in de zin van artikel 5 respectievelijk artikel 6 van die verordening – en niet een ouder model te beschermen.

23      Op dit punt bestaat er een onderscheid tussen de nietigheidsgronden van artikel 25, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 6/2002 en de nietigheidsgrond waarop artikel 25, lid 1, onder e), van deze verordening het oog heeft, die de houder van een onderscheidend teken beoogt te beschermen tegen het gebruik van dit teken in een model. Aangezien deze nietigheidsgrond dient ter bescherming van een ouder recht, moet worden geoordeeld dat de nietigheidsprocedure tegen het gemeenschapsmodel zonder voorwerp geraakt doordat een vordering tot nietigverklaring van dat oudere recht wordt toegewezen [arrest van 9 september 2015, Dairek Attoumi/BHIM – Diesel (DIESEL), T‑278/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:606, punt 24].

24      Een dergelijke oplossing kan echter niet worden toegepast op de in artikel 25, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 6/2002 genoemde gronden, die er niet toe strekken om een ouder recht te beschermen ten behoeve van uitsluitend de houder van dat recht. Uit de rechtspraak volgt namelijk dat die gronden in beginsel door eenieder kunnen worden ingeroepen (arrest van 13 juni 2019, Informatieschermen voor voertuigen, T‑74/18, EU:T:2019:417, punt 64).

25      Meer in het bijzonder moet het criterium voor de beoordeling van het eigen karakter van een model die wordt verricht op grond van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 van deze verordening, blijkens overweging 14 van die verordening bestaan in het duidelijke verschil tussen de algemene indruk die het model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die het model bekijkt, en de algemene indruk die bij hem wordt gewekt door het vormgevingserfgoed.

26      In het kader van het onderzoek van de nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 van deze verordening, heeft het oudere model namelijk enkel tot doel de stand van de techniek aan te geven. Deze komt overeen met de modellen die het vormgevingserfgoed uitmaken dat betrekking heeft op het voortbrengsel in kwestie, en die reeds openbaar waren gemaakt op de datum van de indiening van het model in kwestie [zie in die zin arrest van 7 februari 2019, Eglo Leuchten/EUIPO – Briloner Leuchten (Lamp), T‑767/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:67, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Alleen al doordat een ouder model openbaar is gemaakt, behoort het tot het vormgevingserfgoed.

27      Derhalve is de openbaarmaking van het oudere model van belang, en niet de omvang van de aan dit model verleende bescherming die voortvloeit uit de geldigheid van de inschrijving ervan.

 Voortbrengsel waarop het litigieuze model betrekking heeft en de geïnformeerde gebruiker

28      In de punten 15 tot en met 17 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep zich op het standpunt gesteld dat het litigieuze model „lampen voor verlichting” aanduidt, zodat de geïnformeerde gebruiker de persoon is die dit verlichtingsartikel gebruikt. Deze persoon wordt geacht op de hoogte te zijn van het marktaanbod voor tafel- en tuinverlichting.

29      Verzoekster verwijt de kamer van beroep dat zij twee verschillende voortbrengselen, te weten tafellampen en tuinlampen, met elkaar heeft gelijkgesteld. Ten eerste betoogt verzoekster dat de vaststelling van de voortbrengselen waarin het model zal worden verwerkt of waarop het zal worden toegepast, een voorafgaande voorwaarde is voor de vergelijking van de gewekte algemene indrukken. Zij voegt daaraan toe dat het onvoldoende is enkel rekening te houden met de in de aanvraag om inschrijving van het litigieuze model opgenomen tekstuele omschrijving van het voortbrengsel, en dat in voorkomend geval ook het model zelf in aanmerking moet worden genomen. Ten tweede voert verzoekster aan dat tafellampen en tuinlampen weliswaar behoren tot de ruimere categorie van „lampen voor verlichting”, maar naar hun aard, functie en bestemming verschillen.

30      Het EUIPO bestrijdt dit betoog.

31      Wat in de eerste plaats de vaststelling betreft van het voortbrengsel waarin het model zal worden verwerkt of waarop het zal worden toegepast, dient rekening te worden gehouden met de desbetreffende opgave in de aanvraag om inschrijving van dit model, maar in voorkomend geval ook met het model zelf, voor zover daaruit de aard, bestemming of functie van het voortbrengsel naar voren komt. Wanneer het model zelf in aanmerking wordt genomen, kan het voortbrengsel in kwestie namelijk mogelijkerwijs worden geïdentificeerd binnen een ruimere categorie voortbrengselen, zoals de categorie die bij de inschrijving is vermeld [zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM – PepsiCo (Weergave van een cirkelvormige reclamedrager), T‑9/07, EU:T:2010:96, punt 56].

32      In dit verband zij opgemerkt dat in de inschrijving van het litigieuze model op algemene wijze wordt verwezen naar lampen voor verlichting. Daarnaast levert het onderzoek van het litigieuze model zelf geen extra aanwijzingen op. Uit dat onderzoek kan enkel worden afgeleid dat het voortbrengsel waarop het litigieuze model betrekking heeft, een lamp is, zonder dat kan worden vastgesteld of deze lamp bestemd is om specifiek voor binnen- dan wel buitenverlichting te worden gebruikt.

33      De kamer van beroep heeft de betreffende voortbrengselen dan ook terecht aangemerkt als „lampen voor verlichting” in algemene zin.

34      Voorts dient met betrekking tot verzoeksters argumenten die gebaseerd zijn op de vermeende verschillen tussen de voortbrengselen waarop de modellen in kwestie betrekking hebben, te worden benadrukt dat de vaststelling tot welke bedrijfstak de voortbrengselen behoren waarin het model zal worden verwerkt of waarop het zal worden toegepast, weliswaar een relevante overweging is bij de vaststelling van de geïnformeerde gebruiker en zijn aandachtsniveau alsook bij de vaststelling van de mate van vrijheid waarover de ontwerper beschikte bij de ontwikkeling van dat model en, eventueel, bij de vergelijking van de algemene indrukken die bij die geïnformeerde gebruiker worden gewekt (zie in die zin arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic, C‑281/10 P, EU:C:2011:679, punten 53, 59 en 73), maar niet impliceert dat de voortbrengselen waarop de modellen in kwestie betrekking hebben, soortgelijk moeten zijn of tot dezelfde bedrijfstak moeten behoren.

35      Artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 bevat namelijk geen enkele voorwaarde die inhoudt dat de voortbrengselen soortgelijk zijn en die vergelijkbaar is met de voorwaarde die in het geding is bij het onderzoek of er verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1). Integendeel, indien de bescherming van een model afhankelijk zou worden gesteld van de aard van het voortbrengsel waarin dit model is verwerkt of waarop het wordt toegepast, zou die bescherming in feite worden beperkt tot modellen die behoren tot een welbepaalde bedrijfstak, wat in strijd is met de logica van verordening nr. 6/2002 (zie in die zin en naar analogie arrest van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C‑361/15 P en C‑405/15 P, EU:C:2017:720, punten 91‑95).

36      Wat in de tweede plaats de vaststelling van de „geïnformeerde gebruiker” betreft, zij opgemerkt dat verordening nr. 6/2002 geen definitie van dit begrip bevat. Het dient evenwel te worden opgevat als een begrip dat qua betekenis het midden houdt tussen enerzijds de „gemiddelde consument” uit het merkenrecht – van wie geen enkele specifieke kennis wordt verlangd en die de conflicterende merken in de regel niet rechtstreeks vergelijkt – en anderzijds een deskundige met grondige technische vaardigheden. Het begrip „geïnformeerde gebruiker” kan dan ook aldus worden opgevat dat het verwijst naar een gebruiker die niet slechts gemiddeld aandachtig is maar bijzonder oplettend is ten gevolge van zijn persoonlijke ervaring of zijn uitgebreide kennis van de bedrijfstak in kwestie (arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic, C‑281/10 P, EU:C:2011:679, punt 53).

37      Wat het aandachtsniveau van de geïnformeerde gebruiker betreft, zij opgemerkt dat deze gebruiker niet de normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument is die een model gewoonlijk als een geheel waarneemt en de verschillende details ervan niet onderzoekt, maar evenmin de deskundige of de vakman is die in staat is om in detail de minieme verschillen te onderscheiden die mogelijkerwijs tussen de conflicterende modellen bestaan. De kwalificatie „geïnformeerde” wijst er dan ook op dat de gebruiker weliswaar geen ontwerper of technisch deskundige is, maar verschillende in de betreffende bedrijfstak bestaande modellen kent, enige kennis bezit van de elementen die deze modellen normaal gesproken bevatten, en door zijn belangstelling voor de voortbrengselen in kwestie blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij het gebruik van deze voortbrengselen (zie in die zin arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic, C‑281/10 P, EU:C:2011:679, punt 59).

38      Gelet op deze rechtspraak heeft de kamer van beroep geen fout begaan door in de punten 15 tot en met 17 van de bestreden beslissing vast te stellen dat de gebruiker de persoon is die gebruikmaakt van – tot de verlichtingsartikelen behorende – lampen voor verlichting en die wordt geacht op de hoogte te zijn van het marktaanbod in deze bedrijfstak.

 Mate van vrijheid van de ontwerper

39      Volgens de rechtspraak wordt de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van een model met name bepaald door beperkingen die voortvloeien uit bepaalde kenmerken die de technische functie van het voortbrengsel dan wel een onderdeel daarvan vereist, of uit de wettelijke voorschriften die voor het voortbrengsel gelden. Deze beperkingen leiden tot een normalisatie van bepaalde kenmerken, die aldus gemeenschappelijk worden voor meerdere op het voortbrengsel in kwestie toegepaste modellen (arrest van 18 maart 2010, Weergave van een cirkelvormige reclamedrager, T‑9/07, EU:T:2010:96, punt 67).

40      In zoverre is de vrijheid van de ontwerper veeleer een factor aan de hand waarvan de beoordeling van het eigen karakter van het litigieuze model kan worden genuanceerd, dan een autonome factor die bepaalt welke afstand er tussen twee modellen moet bestaan opdat één ervan kan worden geacht een eigen karakter te hebben. Met andere woorden, de mate van vrijheid van de ontwerper is een factor die de conclusie betreffende de door elk van de betrokken modellen gewekte algemene indruk op de geïnformeerde gebruiker kan versterken of a contrario kan afzwakken [zie arrest van 6 juni 2019, Porsche/EUIPO – Autec (Motorvoertuigen), T‑209/18, EU:T:2019:377, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

41      De invloed die de factor betreffende de vrijheid van de ontwerper heeft op het eigen karakter van een model, varieert namelijk volgens een omgekeerde evenredigheidsregel. Hoe groter de vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van een model is, des te geringer is de kans dat kleine verschillen tussen de conflicterende modellen volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken. Omgekeerd geldt dat hoe beperkter de vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van een model is, des te groter de kans is dat kleine verschillen tussen de conflicterende modellen volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken. Met andere woorden, een grote mate van vrijheid van de ontwerper versterkt de conclusie dat modellen die geen belangrijke verschillen vertonen, bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekken zodat het model geen eigen karakter heeft. Omgekeerd draagt een geringe mate van vrijheid bij tot de conclusie dat modellen waartussen verschillen bestaan die voldoende duidelijk zijn, een andere algemene indruk bij de geïnformeerde gebruiker wekken zodat het model wel een eigen karakter heeft (zie arrest van 13 juni 2019, Informatieschermen voor voertuigen, T‑74/18, EU:T:2019:417, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42      In casu heeft de kamer van beroep in punt 22 van de bestreden beslissing vastgesteld dat deze vrijheid zeer ruim of zelfs nagenoeg oneindig was. Met deze beoordeling, die verzoekster overigens niet bestrijdt, moet worden ingestemd.

 Vergelijking van de algemene indrukken

43      De kamer van beroep heeft in de punten 23 tot en met 35 van de bestreden beslissing geoordeeld dat uit de vergelijking van de algemene indrukken voortvloeit dat het litigieuze model een déjà-vu-indruk wekt.

44      In de eerste plaats heeft de kamer van beroep geconstateerd dat de modellen in kwestie lampen weergeven die bestaan uit dezelfde drie onderdelen en visueel nagenoeg identiek zijn.

45      In de tweede plaats heeft de kamer van beroep zich op het standpunt gesteld dat de verschillen tussen de modellen niet kunnen verhinderen dat er sprake is van een déjà-vu-indruk. Om te beginnen hebben de verschillen die verband houden met het feit dat de voet in het litigieuze model enkelvoudig en effen is terwijl de voet in het oudere model tweevoudig is en er gaten in aangebracht zijn, volgens de kamer van beroep geen beslissende invloed op de algemene indrukken die de modellen in kwestie wekken, omdat deze verschillen betrekking hebben op een onderdeel dat bij het gebruik vaak verborgen is, het gevolg zijn van technische vereisten en niet opwegen tegen de grote gelijkenissen die de twee overige onderdelen van de lampen vertonen. Daarnaast kan het door verzoekster gestelde verschil dat verband houdt met de verhouding in de dimensionale relatie tussen de voet, de steel en de lampenkap pas – eventueel – worden waargenomen na een minutieuze meting van elk van de drie onderdelen, waartoe een geïnformeerde gebruiker niet overgaat. Bovendien is dit verschil volgens de kamer van beroep irrelevant omdat bij de vergelijking van de door de modellen in kwestie gewekte algemene indrukken een synthetische benadering moet worden gevolgd.

46      Teneinde deze beoordeling van de kamer van beroep ter discussie te stellen, verwijst verzoekster in de eerste plaats naar de verschillen tussen de voortbrengselen waarop de modellen in kwestie betrekking hebben. In de tweede plaats stelt zij dat de redenen waarom de kamer van beroep heeft geoordeeld dat er geen relevantie toekomt aan de verschillen tussen de modellen in kwestie, onjuist zijn. Dit geldt ten eerste voor het oordeel dat de voet van het voortbrengsel waarop het oudere model betrekking heeft vaak verborgen is, ten tweede voor het feit dat de kamer van beroep de nadruk heeft gelegd op de technische vereisten van de voet van het voortbrengsel waarop het oudere model betrekking heeft, en ten derde voor het oordeel dat de verschillen betreffende de voet niet opwegen tegen de sterke gelijkenissen die betrekking hebben op de steel en de lampenkap, alsmede dat een geïnformeerde gebruiker de verschillen in de verhouding tussen de onderdelen van beide lampen niet bemerkt.

47      Het EUIPO bestrijdt al deze argumenten.

48      Volgens vaste rechtspraak vloeit het eigen karakter van een model voort uit het feit dat het betreffende model bij de geïnformeerde gebruiker de algemene indruk wekt dat er ten opzichte van alle voorgaande modellen uit het vormgevingserfgoed sprake is van verschillen of dat er geen sprake is van déjà vu, waarbij geen rekening wordt gehouden met verschillen die onvoldoende duidelijk zijn om die algemene indruk te beïnvloeden – ook al hebben zij niet enkel betrekking op onbelangrijke details – maar wel met verschillen die voldoende duidelijk zijn om uiteenlopende algemene indrukken te wekken [zie arrest van 16 februari 2017, Antrax It/EUIPO – Vasco Group (Thermosifons voor radiatoren), T‑828/14 en T‑829/14, EU:T:2017:87, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

49      Voor het onderzoek van het eigen karakter van een model dient dus een vergelijking te worden gemaakt tussen enerzijds de door het litigieuze gemeenschapsmodel gewekte algemene indruk en anderzijds de algemene indruk die wordt gewekt door elk van de oudere modellen die rechtsgeldig worden aangevoerd door de verzoekende partij in de nietigheidsprocedure [arrest van 22 juni 2010, Shenzhen Taiden/BHIM – Bosch Security Systems (Communicatie-apparatuur), T‑153/08, EU:T:2010:248, punt 24].

50      Verschillen volstaan niet om de algemene indruk te wekken dat de modellen in kwestie van elkaar verschillen, wanneer deze verschillen onvoldoende duidelijk zijn opdat zij tot gevolg hebben dat die modellen in de perceptie van de geïnformeerde gebruiker van elkaar worden onderscheiden of opdat zij opwegen tegen de tussen de modellen geconstateerde gelijkenissen (zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Weergave van een cirkelvormige reclamedrager, T‑9/07, EU:T:2010:96, punten 77‑84).

51      Vastgesteld moet worden dat de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat het litigieuze model een déjà-vu-indruk wekt, zodat het geen eigen karakter heeft in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002.

52      Uit de vergelijking van de modellen in kwestie blijkt namelijk dat zij betrekking hebben op lampen die allebei ronde lampenkappen en rechte stelen hebben. Bij beide lampen is de voet rond en veel groter dan de lampenkap.

53      Wanneer er dergelijke elementen van gelijkenis zijn, kunnen de verschillen die betrekking hebben op de voet van de twee lampen – bol en met gaten in het ene geval, vlak en effen in het andere geval – niet worden geacht voldoende duidelijk te zijn in de zin van de rechtspraak die is aangehaald in de punten 48 en 50 hierboven, zoals de kamer van beroep in punt 30 van de bestreden beslissing terecht heeft opgemerkt. Hetzelfde geldt voor het feit dat de steel van het oudere model proportioneel gezien iets langer en fijner is, waardoor de twee lampen van elkaar verschillen wat de verhouding tussen de onderdelen betreft.

54      In dit verband dient bovendien te worden opgemerkt dat de bijzonder ruime vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het litigieuze model – overeenkomstig de in punt 41 hierboven aangehaalde rechtspraak – de invloed beperkt die kleine verschillen tussen de conflicterende modellen kunnen hebben op de vergelijking van de algemene indrukken die deze modellen wekken.

55      Derhalve heeft de kamer van beroep terecht vastgesteld dat het litigieuze model geen eigen karakter heeft in de zin van artikel 6 van verordening nr. 6/2002 en dat model bijgevolg nietig verklaard op grond van artikel 25, lid 1, onder b), van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 6 ervan.

56      Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat de modellen in kwestie zich van elkaar onderscheiden door de bedrijfstak waartoe de voortbrengselen behoren waarop die modellen betrekking hebben. Om de in de punten 32 en 33 hierboven uiteengezette redenen kan namelijk niet worden geoordeeld dat het litigieuze model enkel bestemd is om voor binnenverlichting te worden gebruikt. Om de in de punten 34 en 35 hierboven uiteengezette redenen weegt een dergelijk verschil – gesteld al dat de betreffende voortbrengselen niet behoren tot dezelfde bedrijfstak, maar veeleer tot verwante bedrijfstakken, te weten de bedrijfstak voor binnenverlichting en die voor buitenverlichting – hoe dan ook niet op tegen de belangrijke punten van overeenstemming die er tussen de modellen in kwestie bestaan en die naar voren zijn gekomen uit de vergelijking van de algemene indrukken die deze modellen wekken.

57      Voorts hoeft niet te worden ingegaan op verzoeksters argumenten dat de kamer van beroep – in de punten 28 en 29 van de bestreden beslissing – het feit dat de voet van het oudere model vaak verborgen is en dat de reden voor de verschillen tussen de voeten van de modellen in kwestie gelegen is in technische vereisten, ten onrechte ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel dat deze verschillen betreffende de voet van de lampen irrelevant zijn. De in punt 30 van de bestreden beslissing uiteengezette reden dat die verschillen onvoldoende duidelijk zijn om op te wegen tegen de sterke gelijkenissen tussen de overige onderdelen van de lampen waarop de conflicterende modellen betrekking hebben, volstaat namelijk op zichzelf om vast te stellen dat de door de kamer van beroep verrichte beoordeling gegrond is.

58      Derhalve moet verzoeksters enige middel worden afgewezen en het beroep bijgevolg worden verworpen.

 Kosten

59      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het EUIPO te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Tweede kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Davide Groppi Srl wordt verwezen in de kosten.

Tomljenović

Škvařilová-Pelzl

Nõmm

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 juni 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.