Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 18 oktober 2021 – K.R.; Andere partij: Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(Zaak C-637/21)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: K.R.

Andere partij: Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Prejudiciële vragen

Moet artikel 16, lid 4, van richtlijn 2004/38/EG1 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG aldus worden uitgelegd dat elke aanwezigheid in het gastland, hoe kort ook, van een burger van de Unie met een duurzaam verblijfsrecht, volstaat om een periode van afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het gastland te doorbreken?

Als het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt: met welke aspecten moet rekening worden gehouden om te bepalen of een aanwezigheid in het gastland van een dergelijke burger van de Unie een periode van afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het gastland doorbreekt? Kan hierbij belang gehecht worden aan de omstandigheid dat de betrokken burger van de Unie het centrum van haar belangen naar een andere lidstaat heeft verplaatst?

____________

1 PB 2004, L 158, blz. 77.