Language of document : ECLI:EU:C:2020:328

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. SZPUNAR

van 30 april 2020 (1)

Zaak C253/19

MH,

NI

tegen

OJ,

Novo Banco, S.A.

[verzoek van de Tribunal da Relação de Guimarães (rechter in tweede aanleg Guimarães, Portugal) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedures – Internationale bevoegdheid – Centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar”






I.      Inleiding

1.        Het begrip „centrum van de voornaamste belangen” vormde de hoeksteen van de door verordening (EG) nr. 1346/2000(2) ingestelde regeling. Het was opgenomen in artikel 3, lid 1, van deze verordening en werd gebruikt als aanknopingspunt voor de aanwijzing van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn om een insolventieprocedure te openen ten aanzien van een schuldenaar. Hoe dit begrip moet worden uitgelegd is in grote mate verduidelijkt door de rechtspraak van het Hof inzake procedures tegen rechtspersonen(3). Het Hof heeft zich echter nog niet kunnen buigen over de uitlegging van dit begrip met betrekking tot natuurlijke personen die geen bedrijfs‑ of beroepsactiviteit als zelfstandige uitoefenen en die gebruikmaken van het vrije verkeer van personen en werknemers.

2.        Verordening nr. 1346/2000 is ingetrokken bij verordening (EU) 2015/848(4), waarin eveneens het begrip „centrum van de voornaamste belangen” wordt gebruikt. In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of de in het kader van verordening nr. 1346/2000 met betrekking tot dit begrip ontwikkelde rechtspraak van het Hof kan worden toegepast – en zo ja, in hoeverre – op een procedure die is ingeleid tegen een natuurlijke persoon die zich in de hierboven vermelde situatie bevindt. Deze zaak biedt het Hof dus de gelegenheid om zich uit te spreken over de bevoegdheid inzake insolventie met betrekking tot personen die geen zelfstandige activiteit uitoefenen, die van hun recht van vrij verkeer van personen en werknemers gebruikmaken en die hun in de lidstaat van hun vroegere gebruikelijke verblijfplaats gelegen vermogen behouden.

II.    Toepasselijke bepalingen

3.        Artikel 3 van verordening 2015/848, met het opschrift „Internationale bevoegdheid”, bepaalt in lid 1 ervan:

„De rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd een insolventieprocedure (,hoofdinsolventieprocedure’) te openen. Het centrum van de voornaamste belangen is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is.

Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn. Dit vermoeden geldt alleen indien de statutaire zetel in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een andere lidstaat is overgebracht.

In het geval van een natuurlijke persoon die als zelfstandige een bedrijfs‑ of beroepsactiviteit uitoefent, wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van diens hoofdvestiging te zijn. Dit vermoeden geldt alleen indien de hoofdvestiging van de natuurlijke persoon in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een andere lidstaat is overgebracht.

In het geval van elke andere natuurlijke persoon wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed diens gebruikelijke verblijfplaats te zijn. Dit vermoeden geldt alleen indien de gebruikelijke verblijfplaats in de zes maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een andere lidstaat is overgebracht.”

III. Feiten van het hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof

4.        Verzoekers, die met elkaar gehuwd zijn, wonen sinds 2016 in Norfolk (Verenigd Koninkrijk), waar zij in loondienst werken. Het echtpaar heeft de Portugese rechterlijke instanties verzocht om hen failliet te verklaren. De rechter bij wie de zaak in eerste aanleg aanhangig is gemaakt, heeft geoordeeld dat hij internationaal niet bevoegd was om kennis te nemen van verzoekers’ vordering aangezien het centrum van hun voornaamste belangen volgens artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 hun gebruikelijke verblijfplaats was, te weten in het Verenigd Koninkrijk.

5.        Verzoekers hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Tribunal da Relação de Guimarães (rechter in tweede aanleg Guimarães, Portugal), de verwijzende rechter, op grond dat het vonnis op een onjuiste uitlegging van de bepalingen van verordening 2015/848 was gebaseerd. Zij hebben dienaangaande betoogd dat, aangezien het enige onroerend goed waarvan zij eigenaar waren was gelegen in Portugal, waar ook alle transacties waren verricht die tot hun insolventie hadden geleid, het centrum van hun voornaamste belangen zich niet in het land van hun gebruikelijke verblijfplaats – namelijk het Verenigd Koninkrijk – maar in Portugal bevond. Voorts stelden zij dat er geen enkel verband bestond tussen hun huidige verblijfplaats en de feiten die tot hun insolventie hadden geleid, die zich immers volledig in Portugal hadden voorgedaan.

6.        De verwijzende rechter heeft twijfels betreffende de juiste uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening 2015/848 en vraagt zich in het bijzonder af welke criteria moeten worden gehanteerd om, in het geval van natuurlijke personen die hun beroepsactiviteit niet als zelfstandige maar als werknemer uitoefenen, het in die bepaling vastgestelde eenvoudige vermoeden te weerleggen volgens hetwelk het centrum van de voornaamste belangen van dergelijke personen wordt vermoed hun gebruikelijke verblijfplaats te zijn, zolang het tegendeel niet is bewezen.

7.        In dit verband onderstreept die rechter dat overweging 30 van die verordening preciseert dat in het geval van een natuurlijke persoon die niet als zelfstandige een bedrijfs‑ of beroepsactiviteit uitoefent, het mogelijk moet zijn dit vermoeden te weerleggen indien bijvoorbeeld de goederen van de schuldenaar zich grotendeels buiten de lidstaat bevinden waar hij zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft.

8.        Daarop heeft de verwijzende rechter bij beslissing van 14 februari 2019, ingekomen ter griffie van het Hof op 26 maart 2019, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Zijn de rechters van een lidstaat op grond van verordening [2015/848] bevoegd om een hoofdinsolventieprocedure te openen ten aanzien van een burger die in die lidstaat zijn enige onroerende zaak bezit, hoewel zijn gebruikelijke verblijfplaats – en die van zijn gezin – in een andere lidstaat gelegen is, waar hij arbeid in loondienst verricht?”

9.        De Portugese regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Aangezien geen van de belanghebbenden heeft verzocht te worden gehoord, heeft het Hof beslist om uitspraak te doen zonder pleitzitting.

IV.    Analyse

10.      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, eerste en vierde alinea, van verordening 2015/848 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze laatste alinea vastgestelde vermoeden kan worden weerlegd ten gunste van een lidstaat op het grondgebied waarvan zich het enige onroerend goed bevindt van de schuldenaar, een natuurlijke persoon die niet als zelfstandige maar als werknemer een beroepsactiviteit uitoefent. Indien dat niet het geval is, wenst die rechter te vernemen welke voorwaarden moeten zijn vervuld voor de weerlegging van dit vermoeden ten gunste van die lidstaat.

11.      Ik merk op dat de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vraag niet preciseert van welke bepalingen van verordening 2015/848 hij om uitlegging verzoekt. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt niettemin duidelijk dat die rechter twijfels heeft betreffende de uitlegging van artikel 3, lid 1, eerste en vierde alinea, van die verordening. Ik stel derhalve voor om de prejudiciële vraag op te vatten zoals deze in punt 10 van deze conclusie is geformuleerd. Volgens vaste rechtspraak dient het Hof in voorkomend geval de gestelde vragen te herformuleren. Bovendien kan het Hof ook bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen die de nationale rechter in zijn vraag niet heeft genoemd.(5)

12.      In dit verband zijn het volgens artikel 3, lid 1, eerste en vierde alinea, van verordening 2015/848 de rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, die bevoegd zijn om de hoofdinsolventieprocedure te openen.(6) Het centrum van de voornaamste belangen van een natuurlijke persoon die niet als zelfstandige werkzaam is, wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, vermoed zijn gebruikelijke verblijfplaats te zijn.(7) Verzoekers behoren kennelijk tot die categorie van personen.

13.      Indien het centrum van de voornaamste belangen van verzoekers overeenkomt met hun gebruikelijke verblijfplaats, te weten in het Verenigd Koninkrijk, zijn de Portugese rechters dus niet bevoegd om de insolventieprocedure te openen. Deze laatsten kunnen alleen bevoegd zijn indien het vermoeden van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 wordt weerlegd ten gunste van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich het enige onroerend goed van verzoekers bevindt, te weten Portugal. Om de prejudiciële vraag naar behoren te kunnen beantwoorden, moet eerst worden vastgesteld in welke omstandigheden dit vermoeden kan worden weerlegd en vervolgens aan welke voorwaarden moet zijn voldaan opdat de rechters van een andere lidstaat dan de lidstaat van de gebruikelijke verblijfplaats bevoegd zijn krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die verordening.

14.      De Portugese regering is van mening dat het feit dat het enige onroerend goed waarvan iemand eigenaar is, in een andere lidstaat is gelegen, in beginsel niet volstaat om dit vermoeden te weerleggen. Volgens de Commissie kan dit vermoeden enkel worden weerlegd indien het enige onroerend goed waarvan de schuldenaar eigenaar is, in een andere lidstaat is gelegen en dit goed het grootste deel van zijn vermogen uitmaakt, en indien er overtuigende elementen zijn die er duidelijk op wijzen dat het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich in die lidstaat bevindt.

15.      Terwijl de Portugese regering zich in die context grotendeels laat leiden door de rechtspraak van het Hof met betrekking tot verordening nr. 1346/2000, die verordening 2015/848 is voorafgegaan, lijkt de Commissie terughoudender met betrekking tot de toepasbaarheid van die rechtspraak op de omstandigheden van de onderhavige zaak. De Commissie wijst er immers op dat, om te bepalen of het vermoeden van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 kan worden weerlegd, rekening moet worden gehouden met de rechtspraak betreffende het verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst(8). In wezen moet worden onderzocht of er omstandigheden zijn waaruit blijkt dat een situatie nauwere banden vertoont met een andere lidstaat dan met de lidstaat waarvoor het vermoeden geldt.

16.      Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te verschaffen, zal ik eerst onderzoeken of in het hoofdgeding verordening 2015/848 van toepassing is (titel A). Vervolgens zal ik mij buigen over de vraag in hoeverre de in de context van verordening nr. 1346/2000 ontwikkelde rechtspraak ook geldt in het kader van verordening 2015/848 en in de omstandigheden van de onderhavige zaak (titel B). Ten slotte zal ik onderzoeken of, gelet op die omstandigheden, het in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 vastgestelde vermoeden kan worden weerlegd en de Portugese rechters zich bevoegd kunnen achten op grond van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die verordening (titel C).

A.      Toepasselijkheid van verordening 2015/848

17.      De verwijzende rechter stelt dat verordening 2015/848 dient te worden uitgelegd ter beantwoording van de vraag of de Portugese rechters bevoegd zijn om de insolventieprocedure te openen ten aanzien van verzoekers.

18.      Verordening 2015/848 geldt, volgens artikel 92 ervan, in beginsel sinds 26 juni 2017. Daarnaast bepaalt artikel 84, lid 1, van die verordening dat zij slechts van toepassing is op insolventieprocedures die vanaf deze datum zijn geopend.

19.      De vraag of ingevolge het verzoek van verzoekers een insolventieprocedure diende te worden geopend, is waarschijnlijk gerezen nadat zij hun gebruikelijke verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk hadden gevestigd, te weten in de loop van 2016. Zoals de verwijzende rechter aangeeft, kan dus niet worden uitgesloten dat verordening 2015/848 van toepassing is op het door verzoekers bij de Portugese rechter ingediende verzoek. Bij gebreke van omstandigheden die de conclusie kunnen ondersteunen dat verordening 2015/848 niet van toepassing is op het hoofdgeding en gelet op de taakverdeling tussen het Hof en de verwijzende rechter, ben ik derhalve van mening dat het inderdaad deze verordening die moet worden uitgelegd in de onderhavige zaak.

20.      Volledigheidshalve merk ik op dat overweging 25 van verordening 2015/848 bepaalt dat deze verordening uitsluitend van toepassing is op procedures met betrekking tot een schuldenaar van wie het centrum van de voornaamste belangen in de Europese Unie ligt. In zijn arrest Schmid(9) heeft het Hof het dwingende karakter van dit beginsel, zoals het ook in een soortgelijke overweging van verordening nr. 1346/2000 was vastgesteld, bevestigd. Hieruit volgt dat het feit dat een schuldenaar zijn verblijfplaats heeft in een lidstaat die deze verordening niet toepast of in een derde land, niet automatisch uitsluit dat de verordening van toepassing is ten aanzien van de schuldenaar. Hoe dan ook viel het Verenigd Koninkrijk onder geen van die categorieën wat de vermoedelijke datum betreft waarop de zaak bij de Portugese rechter aanhangig is gemaakt. Overweging 87 van verordening 2015/848 geeft aan dat het Verenigd Koninkrijk heeft deelgenomen aan de vaststelling en de toepassing van deze verordening.(10)

B.      Relevantie van de eerdere rechtspraak betreffende verordening nr. 1346/2000 voor verordening 2015/848

21.      In verordening 2015/848, net als in verordening nr. 1346/2000, wordt het begrip „centrum van de voornaamste belangen” gebruikt als aanknopingsfactor voor de in artikel 3, lid 1, van die verordeningen vastgestelde bevoegdheidsregel aan de hand waarvan kan worden bepaald welke rechters bevoegd zijn om de hoofdinsolventieprocedure te openen. Bovendien bepaalt bedoeld aanknopingscriterium van het centrum van de voornaamste belangen zowel in verordening 2015/848 als in de eraan voorafgaande verordening onrechtstreeks het recht dat van toepassing is op insolventiekwesties.(11)

22.      Uit de rechtspraak volgt dat het begrip „centrum van de voornaamste belangen” in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 een autonome betekenis heeft en dus eenvormig en los van de nationale wetgevingen moet worden uitgelegd.(12) Zoals blijkt uit punt 21 van deze conclusie, neemt verordening 2015/848 op zijn minst in grote lijnen de oplossingen van verordening nr. 1346/2000 over. Het begrip „centrum van de voornaamste belangen” moet dus nog steeds als een autonoom begrip van het Unierecht worden beschouwd.

23.      Het is dienaangaande zeker juist dat verordening 2015/848, anders dan haar voorganger, niet uitsluitend van toepassing is op procedures die ertoe leiden dat de insolvente schuldenaars het beheer en de beschikking over hun vermogen geheel of ten dele verliezen.(13) Gelet op de continuïteit tussen deze twee verordeningen kan het feit dat aan verordening 2015/848 een ruimere materiële werkingssfeer is verleend, evenwel geen significante impact hebben op de wijze waarop het begrip „centrum van de voornaamste belangen” moet worden uitgelegd. De omstandigheid dat de procedure tijdens het verloop ervan soms, in de door het toepasselijke insolventierecht bepaalde gevallen, kan worden gewijzigd wat de strekking ervan betreft, bevestigt deze uitlegging. Volgens het zogenoemde perpetuatio-foribeginsel dient dit gegeven de bevoegdheid van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt immers onverlet te laten.

24.      Voor zover verordening 2015/848 betrekking heeft op een natuurlijke persoon die geen zelfstandige activiteit uitoefent, kunnen de in deze verordening gekozen oplossingen, wat betreft de preciseringen van het begrip „centrum van de voornaamste belangen” en de vermoedens waarin die verordening voorziet, echter twijfels doen rijzen over de toepasselijkheid van de eerdere rechtspraak met betrekking tot die verordening.

1.      Begrip „centrum van de voornaamste belangen”

25.      Verordening nr. 1346/2000 bevatte geen definitie van het begrip „centrum van de voornaamste belangen”. In die verordening werd de draagwijdte van dit begrip echter verduidelijkt in overweging 13 ervan, waarin stond te lezen dat „[h]et ‚centrum van de voornaamste belangen’ overeen [dient] te komen met de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is”. Verordening 2015/848 gebruikt a priori, in artikel 3, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, ervan, de definitie van het begrip „centrum van de voornaamste belangen” zoals die blijkt uit overweging 13 van verordening nr. 1346/2000.

26.      Overweging 13 van verordening nr. 1346/2000 leek een verband te leggen tussen de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en het feit dat die plaats als zodanig voor derden herkenbaar is. Die overweging bepaalde immers dat „[h]et ‚centrum van de voornaamste belangen’ overeen [dient] te komen met de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is”(14). In artikel 3, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van verordening 2015/848 is de term „daardoor” echter niet overgenomen.(15)

27.      Ik denk evenwel niet dat dit minimale onderscheid de wijze waarop het centrum van de voornaamste belangen van een schuldenaar moet worden vastgesteld aanzienlijk kan veranderen ten opzichte van de methode die daarvoor in verordening nr. 1346/2000 was vastgesteld.

28.      De verwijzing naar „de plaats [...] die daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is” impliceerde dat de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voerde, moest worden vastgesteld op basis van objectieve criteria, wat noodzakelijk was opdat die plaats als zodanig voor derden herkenbaar zou zijn. Dienovereenkomstig heeft het Hof in zijn rechtspraak met betrekking tot verordening nr. 1346/2000 tot op heden geoordeeld dat het centrum van de voornaamste belangen moet worden geïdentificeerd aan de hand van criteria die zowel objectief als voor derden verifieerbaar zijn.(16)

29.      Het blijft met betrekking tot verordening 2015/848 van essentieel belang dat objectieve criteria worden gebruikt om ervoor te zorgen dat een bevoegdheidsregel de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid aangaande de vaststelling van de bevoegde rechter waarborgt. Deze rechtszekerheid en deze voorspelbaarheid zijn des te belangrijker wanneer, zoals ook in het kader van verordening nr. 1346/2000 het geval was, de vaststelling van de bevoegde rechter overeenkomstig artikel 7, lid 1, van verordening 2015/848 eveneens beslissend is ter bepaling van het toepasselijke recht.(17)

30.      Bovendien bestaat een andere specifieke doelstelling van de bevoegdheids‑ en collisieregels van verordening 2015/848 erin, zoals in overweging 5 van deze verordening is benadrukt, te vermijden dat „partijen [ertoe] worden aangezet geschillen of goederen van de ene lidstaat naar de andere over te brengen om hun rechtspositie ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers te verbeteren (forumshopping)”. Door objectieve criteria te gebruiken voor de vaststelling van het centrum van de voornaamste belangen, kunnen tevens dergelijke praktijken van schuldenaars worden beperkt.

31.      Gelet op het voorgaande moet, in het kader van verordening 2015/848, de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert, worden vastgesteld op basis van objectieve criteria die door derden kunnen worden geverifieerd.

2.      De vermoedens waarin verordening 2015/848 voorziet

32.      De Uniewetgever heeft zich er niet toe beperkt overweging 13 van verordening nr. 1346/2000 over te nemen in verordening 2015/848 en er een dwingend karakter aan te verlenen. Terwijl in verordening nr. 1346/2000 enkel een vermoeden met betrekking tot vennootschappen en rechtspersonen was vastgesteld, voorziet artikel 3, lid 1, tweede tot en met vierde alinea, van verordening 2015/848 immers in drie verschillende vermoedens die respectievelijk van toepassing zijn op drie categorieën schuldenaren: ten eerste vennootschappen en rechtspersonen, ten tweede natuurlijke personen die als zelfstandige een bedrijfs‑ of beroepsactiviteit uitoefenen en ten derde elke andere natuurlijke persoon.

33.      Bovendien heeft de Uniewetgever beperkingen ingesteld waardoor de vermoedens van artikel 3, lid 1, tweede tot en met vierde alinea, van verordening 2015/848 niet van toepassing zijn tijdens de periode die volgt op de overbrenging van het vermoede centrum van de voornaamste belangen. Die periode bedraagt zes maanden voor natuurlijke personen die geen zelfstandige activiteit uitoefenen en drie maanden voor de twee andere categorieën schuldenaren. Dit onderscheid vloeit mijns inziens voort uit het feit dat het voor eerstgenoemde natuurlijke personen gemakkelijker is om het vermoede centrum van hun persoonlijke belangen over te brengen. Die beperkingen lijken in casu hoe dan ook niet relevant.(18)

34.      Het vermoeden dat in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 is vastgesteld voor natuurlijke personen die geen zelfstandige activiteit uitoefenen, bestaat erin dat, tot bewijs van het tegendeel, het centrum van de voornaamste belangen van een dergelijke persoon wordt vermoed zijn gebruikelijke verblijfplaats te zijn. De prejudiciële vraag betreft nu juist dit aspect, namelijk de vraag of, gelet op het feit dat het enige onroerend goed van verzoekers in Portugal is gelegen, het vermoeden kan worden weerlegd ten gunste van die lidstaat.

35.      In dit verband kunnen twijfels bestaan met betrekking tot de draagwijdte van de in artikel 3, lid 1, van verordening 2015/848 vastgestelde vermoedens, waaronder het in de vierde alinea van die bepaling neergelegde vermoeden, gelet op artikel 4, lid 1, van deze verordening, volgens welke bepaling een rechter bij wie een insolventieprocedure wordt ingeleid ambtshalve onderzoekt of hij op grond van artikel 3 van die verordening bevoegd is. Bovendien bepaalt overweging 27 van die verordening dat „[a]lvorens een insolventieprocedure te openen, [...] de bevoegde rechter ambtshalve [moet] onderzoeken of het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar dan wel de vestiging van de schuldenaar zich daadwerkelijk binnen zijn rechtsgebied bevindt”.

36.      De daaropvolgende overwegingen van verordening 2015/848 bevestigen de uitlegging volgens welke de verplichting om ambtshalve de bevoegdheidsvraag te onderzoeken ook op het gerecht waarbij de procedure is ingeleid rust wanneer een van de in artikel 3, lid 1, van die verordening vastgestelde vermoedens geldt. Hoewel de overwegingen 30 en 31 van verordening 2015/848 naar die vermoedens verwijzen, bepaalt overweging 32 van deze verordening immers dat de rechter „[h]oe dan ook [...], indien de omstandigheden van de zaak aanleiding tot twijfel over zijn bevoegdheid geven, de schuldenaar ertoe [dient] te verplichten aanvullend bewijs ter staving van zijn beweringen voor te leggen; ook dient de rechter, indien het op de insolventieprocedure toepasselijke recht in die mogelijkheid voorziet, de schuldeisers van de schuldenaar de gelegenheid te bieden hun standpunt inzake de bevoegdheid naar voren te brengen”(19).

37.      Een rechter verplichten te onderzoeken waar het centrum van de voornaamste belangen van een schuldenaar zich werkelijk bevindt, lijkt a priori moeilijk verenigbaar met het concept van vermoedens, aangezien die in wezen zijn vastgesteld om de rechter vrij te stellen van de verplichting om de omstandigheden van de zaak te onderzoeken.

38.      Ik wijs er met betrekking tot deze schijnbare tegenstrijdigheid op dat verordening nr. 1346/2000 weliswaar geen bepaling bevatte die vergelijkbaar was met artikel 4, lid 1, van verordening 2015/848, maar dat zij – net als verordening 2015/848 – in een vermoeden betreffende het centrum van de voornaamste belangen voorzag voor vennootschappen en rechtspersonen.

39.      Dat heeft het Hof niet belet om in het arrest Eurofood IFSC(20) te oordelen dat het beginsel van wederzijds vertrouwen inhoudt dat de rechter van een lidstaat bij wie een verzoek tot opening van een hoofdinsolventieprocedure is ingediend, nagaat of hij bevoegd is op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000, dat wil zeggen dat hij onderzoekt of het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich in deze lidstaat bevindt.

40.      Hieruit volgt dat de in artikel 4, lid 1, van verordening 2015/848 neergelegde verplichting reeds op de rechters van de lidstaten rustte krachtens verordening nr. 1346/2000, ook al bevatte die verordening een vermoeden betreffende het centrum van de voornaamste belangen. Dit vermoeden is ook opgenomen in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening 2015/848, samen met de twee andere vermoedens, die natuurlijke personen betreffen. Bijgevolg blijft de juridische waarde van dit vermoeden – en van de twee andere in artikel 3, lid 1, van verordening 2015/848 vastgestelde vermoedens – mijns inziens ongewijzigd ten opzichte van de juridische waarde van het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 vastgestelde vermoeden.

41.      Wat in dit verband de juridische waarde van het in verordening nr. 1346/2000 ten gunste van de statutaire zetel van een vennootschap vastgestelde vermoeden betreft, heeft het Hof in het arrest Eurofood IFSC(21) geoordeeld dat van dit vermoeden slechts kon worden afgeweken indien aan de hand van objectieve, voor derden verifieerbare factoren kon worden aangetoond dat de werkelijke situatie verschilde van die welke de aanknoping bij de statutaire zetel werd geacht te weerspiegelen. Het Hof heeft dienaangaande in dat arrest verduidelijkt dat dit vermoeden kon worden weerlegd wanneer de schuldenaar geen activiteit uitoefende op het grondgebied van de staat waar zijn zetel was gevestigd(22). In het arrest Interedil(23) heeft het geoordeeld dat dit ook het geval was wanneer de plaats van het hoofdbestuur van een vennootschap zich niet op de plaats van de statutaire zetel bevond.

42.      Ik leid hier met betrekking tot verordening 2015/848 en de erin vastgestelde vermoedens, daaronder begrepen het vermoeden waarin artikel 3, lid 1, vierde alinea, van deze verordening voorziet, uit af dat het vermoede centrum van de voornaamste belangen ook het uitgangspunt vormt voor het volgens artikel 4, lid 1, van die verordening te voeren onderzoek. In het kader van dat onderzoek verifieert de rechter bij wie een verzoek tot opening van een insolventieprocedure is ingediend alle relevante gegevens, teneinde zich ervan te vergewissen dat het ten gunste van de gebruikelijke verblijfplaats vastgestelde vermoeden niet is weerlegd.(24) Dit vermoeden kan slechts worden weerlegd indien uit die gegevens, die worden getoetst aan de hand van de criteria die worden gehanteerd voor een natuurlijke persoon die geen zelfstandige activiteit uitoefent, blijkt dat de werkelijke situatie verschilt van die welke de locatie van de gebruikelijke verblijfplaats wordt geacht te weerspiegelen.

43.      Derhalve moet worden nagegaan wat de gebruikelijke verblijfplaats wordt geacht in te houden als vermoed centrum van de voornaamste belangen, en moeten de criteria worden vastgesteld aan de hand waarvan kan worden bepaald of er sprake is van een werkelijke situatie die verschilt van het resultaat van dit onderzoek.

C.      Toepassing van de eerdere rechtspraak betreffende verordening nr. 1346/2000 op natuurlijke personen die geen zelfstandige activiteit uitoefenen

1.      De gebruikelijke verblijfplaats als vermoed centrum van de voornaamste belangen

44.      De verwijzende rechter geeft aan dat verzoekers hun gebruikelijke verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk hebben. Los van de vraag of die vaststelling strookt met het begrip „gebruikelijke verblijfplaats” in de zin van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848, merk ik op dat deze verordening geen definitie bevat van dit begrip. Aangezien niets erop wijst dat de wetgever voor de vaststelling van de gebruikelijke verblijfplaats naar het nationale recht heeft willen verwijzen, moet worden geconcludeerd dat het begrip „gebruikelijke verblijfplaats” een autonoom begrip van het Unierecht is.

45.      Over dit begrip bestaat weliswaar rechtspraak van het Hof met betrekking tot verordening (EG) nr. 2201/2003(25), waarbij het dan gaat om de gebruikelijke verblijfplaats van een kind, maar de criteria die in het kader van die verordening worden gebruikt om de gebruikelijke verblijfplaats vast te stellen, lijken mij niet in het kader van verordening 2015/848 te kunnen worden toegepast om te achterhalen om welke redenen de gebruikelijke verblijfplaats wordt geacht het centrum van de voornaamste belangen te zijn van een schuldenaar. In de onderhavige context gaat het niet zozeer om de sociale of familiale situatie(26) maar veeleer om de vermogenssituatie van een debiteur(27).

46.      In het kader van verordening 2015/848 is de gebruikelijke verblijfplaats immers het vermoede centrum van de voornaamste belangen van een schuldenaar. Bijgevolg moet die plaats ook – of zelfs vooral – beantwoorden aan de in artikel 3, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van die verordening neergelegde criteria, te weten overeenkomen met de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en als zodanig herkenbaar zijn voor derden. De sociale of familiale situatie van een schuldenaar is geen element dat gemakkelijk kan worden geverifieerd door derden. Stellig is dit anders voor interpersoonlijke banden die economische gevolgen hebben, zoals de huwelijksband of de band tussen de leden van een gezin. Dergelijke banden kunnen de vermogenssituatie van een schuldenaar beïnvloeden en hem er met name toe aanzetten transacties met derden tot stand te brengen. Volgens mij moeten die banden evenwel, niet vanwege het subjectieve belang ervan voor een schuldenaar maar vanwege de economische gevolgen ervan in aanmerking worden genomen. Wat de vaststelling van de bevoegde rechter op grond van het centrum van de voornaamste belangen betreft, verschilt de relatie tussen een moedervennootschap en haar dochtervennootschap duidelijk van die tussen personen die een familieband hebben. In het geval van een natuurlijke persoon die geen zelfstandige activiteit uitoefent, vervaagt de grens tussen zijn economische en zijn familiale situatie, terwijl dit bij een vennootschap niet aan de orde is.

47.      Die uitlegging wordt bevestigd door het rapport van M. Virgós en E. Schmit(28), waarvan algemeen wordt erkend dat het een bron van nuttige aanwijzingen vormt voor de uitlegging van verordening nr. 1346/2000, en dus van verordening 2015/848.

48.      In punt 75 van dit rapport verduidelijken de auteurs, in soortgelijke bewoordingen als die van overweging 13 van verordening nr. 1346/2000 en artikel 3, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van verordening 2015/848, dat het begrip „centrum van de voornaamste belangen” aldus moet worden uitgelegd dat het doelt op de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk, en dus herkenbaar voor derden, het beheer over zijn belangen voert. Die auteurs voegen hieraan toe dat het via het gebruik van de term „belangen” de bedoeling was niet alleen commerciële, industriële en beroepsactiviteiten te omvatten, maar ook elke economische activiteit in het algemeen, inclusief de activiteiten van particulieren, met name die van consumenten. Zelfs met betrekking tot natuurlijke personen die geen zelfstandige activiteit uitoefenen („consumenten”) wordt niet aan andere dan economische belangen gerefereerd. Het centrum van de economische belangen moet in hoofdzaak worden vastgesteld aan de hand van de gegevens die met die belangen verband houden.

49.      Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat een feitelijke situatie verschilt van die welke de aanknoping bij de gebruikelijke verblijfplaats wordt geacht te weerspiegelen wanneer de gebruikelijke verblijfplaats niet haar rol vervult als plaats waar de economische beslissingen van een schuldenaar worden genomen, waar het grootste deel van zijn inkomsten wordt geïnd en wordt uitgegeven, of waar het grootste deel van zijn vermogen zich bevindt. In dergelijke omstandigheden kan het in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 vastgestelde vermoeden worden weerlegd.

50.      Het staat dienaangaande aan de verwijzende rechter om te verifiëren of het enige onroerend goed van verzoekers, dat in Portugal is gelegen, het grootste deel van hun vermogen uitmaakt. Indien dit het geval is, kan het in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 vastgestelde vermoeden worden weerlegd en die rechter dient dan te oordelen of dit gegeven volstaat om ervan uit te gaan dat het centrum van de voornaamste belangen van verzoekers zich in die lidstaat bevindt.

51.      Bijgevolg hoeven enkel nog de gegevens te worden geïdentificeerd aan de hand waarvan dit vermoeden kan worden weerlegd ten gunste van de lidstaat waar het enige onroerend goed van een schuldenaar zich bevindt.

2.      Gegevens die het vermoeden kunnen weerleggen

52.      Onder verwijzing naar het arrest Interedil(29) stelt de Portugese regering dat het centrum van de voornaamste belangen van natuurlijke personen overeenkomt met de plaats waar het grootste deel van hun vermogen of het merendeel van hun economische, sociale en familiale banden zich bevindt, zoals blijkt uit een algemene beoordeling en rekening houdend met het standpunt van de huidige of potentiële schuldeisers. In dit verband geeft de rechtsleer aan dat de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, tal van criteria in aanmerking kan nemen, zoals het bestaan van een huurovereenkomst of een eigendomstitel, de grootte van de verblijfplaats, het elektriciteitsverbruik, de kosten van levensonderhoud, het feit of het gezin er al dan niet woont, de arbeidsovereenkomst, de kennis van de taal en de plaats waar de schulden en de activa van de betrokkene zich bevinden.(30)

53.      Bovenstaande overwegingen betreffende de gegevens die relevant kunnen zijn voor het volgens artikel 4, lid 1, van verordening 2015/848 te verrichten       onderzoek vereisen mijns inziens enkele belangrijke verduidelijkingen.

54.      Ten eerste is het stellig juist dat de Uniewetgever de in artikel 3, lid 1, van verordening 2015/848 vastgestelde vermoedens, waaronder dat betreffende natuurlijke personen die geen zelfstandige activiteit uitoefenen, heeft verduidelijkt door middel van de toelichtingen in overweging 30 van die verordening. In deze overweging heet het met name dat „[i]n het geval van een [dergelijke] natuurlijke persoon [...] het mogelijk [moet] zijn dit vermoeden te weerleggen indien bijvoorbeeld de goederen van de schuldenaar zich grotendeels bevinden buiten de lidstaat waar deze zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft”.(31) Onder verwijzing naar die precisering betogen verzoekers dat daaruit blijkt dat in casu de Portugese rechters bevoegd zijn om kennis te nemen van het door hen ingediende verzoek.

55.      Zoals de Portugese regering en de Commissie hebben opgemerkt, vormen de situaties waarin in die overweging wordt verwezen, echter slechts voorbeelden van situaties waarin het vermoeden van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 kan („zou moeten kunnen”) worden weerlegd.(32) Het enkele feit dat sprake is van in die overweging genoemde omstandigheden, betekent evenwel niet dat het vermoeden automatisch zou zijn weerlegd ten gunste van een lidstaat. Hieruit volgt dat de plaats waar de activa van de schuldenaar zich bevinden één van de elementen vormt die in aanmerking moeten worden genomen wanneer wordt onderzocht of het vermoeden al dan niet kan worden weerlegd ten gunste van een lidstaat.

56.      Indien één enkel goed het centrum van de voornaamste belangen zou kunnen verplaatsen, zou dat immers ingaan tegen een van de doelstellingen van verordening 2015/848, namelijk het voorkomen van „forumshopping”. In dit verband moet ook rekening worden gehouden met de gevolgen van een uitlegging volgens welke het vermoeden van artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 moet worden geacht steeds te zijn weerlegd ten gunste van de staat op het grondgebied waarvan een één enkel onroerend goed van de schuldenaar is gelegen. Die uitlegging zou immers tot gevolg hebben dat de rechters van de lidstaten niet bevoegd zouden zijn om een insolventieprocedure te openen ten aanzien van een persoon die zijn gebruikelijke verblijfplaats in een lidstaat heeft waar hij arbeid in loondienst verricht, maar die eigenaar is van een onroerend goed dat is gelegen in een derde land.(33)

57.      Ten tweede kunnen nuttige referentiepunten worden afgeleid uit de bewoordingen van artikel 3, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van verordening 2015/848, gelezen in het licht van de vierde alinea van die bepaling en rekening houdende met de specifieke situatie van natuurlijke personen die geen zelfstandige activiteit uitoefenen.

58.      Om te beginnen kan uit het feit dat artikel 3, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van verordening 2015/848 bepaalt dat het centrum van de voornaamste belangen de plaats is waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert, worden afgeleid dat die plaats een voldoende mate van stabiliteit moet vertonen.(34) Zoals in punt 31 van deze conclusie is uiteengezet moet het feit dat het om een stabiel centrum van belangenbeheer gaat, blijken uit objectieve gegevens die door derden kunnen worden geverifieerd.

59.      Verder volgt uit de bewoordingen van artikel 3, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van verordening 2015/848 namelijk dat de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert als zodanig voor derden herkenbaar moet zijn, hetgeen zijnerzijds betekent dat het de door alle objectieve gegevens gewekte totaalindruk is die in dit verband beslissend is.(35)

60.      Het is juist dat „derden” een uiterst ruim begrip is. Overweging 28 van verordening 2015/848 specificeert dat „[b]ij het bepalen of het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar voor derden verifieerbaar is, [...] bijzondere aandacht [moet] worden besteed aan de schuldeisers en de inschatting die zij maken van de plaats waar een schuldenaar het beheer over zijn belangen voert”.(36) Voorts heeft het Hof, in het arrest Interedil(37), verklaard dat aan het in overweging 13 van verordening nr. 1346/2000 vermelde vereiste van objectiviteit en verifieerbaarheid is voldaan wanneer de materiële factoren waarmee rekening wordt gehouden voor de vaststelling van de plaats waar de schuldplichtige vennootschap gewoonlijk het beheer over haar belangen voert, openbaar zijn gemaakt of minstens zo transparant zijn dat derden, dat wil zeggen met name de schuldeisers van de vennootschap, daarvan op de hoogte konden zijn.

61.      In dit verband moet worden opgemerkt dat de prejudiciële vraag zoals zij is geformuleerd enkel betrekking heeft op de omstandigheid dat de schuldenaar eigenaar is van een onroerend goed dat gelegen is in een andere lidstaat dan die van zijn gebruikelijke verblijfplaats, waar hij arbeid in loondienst verricht. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter dat verzoekers bij de verwijzende rechter eveneens hebben aangevoerd dat in Portugal alle transacties zijn verricht en alle overeenkomsten zijn gesloten die tot hun insolventie hebben geleid.

62.      Ik ben evenwel van mening dat voor natuurlijke personen die geen zelfstandige activiteit uitoefenen, geen doorslaggevend belang moet worden gehecht aan de algemene indruk die de situatie van een schuldenaar voorheen opriep bij zijn schuldeisers.

63.      In de Unie genieten die personen immers een grote mobiliteit. Hun schuldeisers kunnen de overbrenging van het centrum van de belangen van een schuldenaar steeds voorzien en volgens overweging 27 van verordening 2015/848 moet het centrum van de voornaamste belangen of de vestiging van de schuldenaar zich daadwerkelijk binnen het rechtsgebied van een bevoegde rechter bevinden opdat hij kennis kan nemen van het verzoek tot opening van een hoofdinsolventieprocedure. Bovendien zijn in deze verordening voldoende waarborgen opgenomen die tot doel hebben om op frauduleuze of oneigenlijke gronden gebaseerde forumshopping te voorkomen. Bijgevolg moet, onverminderd de toepassing van die waarborgen, vooral belang worden gehecht aan de objectieve gegevens die door derden (huidige en potentiële schuldeisers) kunnen worden geverifieerd wanneer een dergelijk verzoek wordt ingediend.

D.      Slotopmerkingen

64.      Samenvattend ben ik van oordeel dat het in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848 vastgestelde vermoeden kan worden weerlegd wanneer de gebruikelijke verblijfplaats van een natuurlijke persoon die geen zelfstandige activiteit uitoefent niet haar rol vervult als plaats waar de economische beslissingen van een schuldenaar worden genomen, waar het grootste deel van zijn inkomsten wordt geïnd en wordt uitgegeven, of waar het grootste deel van zijn vermogen zich bevindt. Dit vermoeden kan echter niet worden weerlegd ten gunste van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich het enige onroerend goed van een schuldenaar bevindt wanneer geen andere elementen voorhanden zijn die erop wijzen dat het centrum van zijn voornaamste belangen in die lidstaat gelegen is. Die omstandigheid kan worden vastgesteld op basis van objectieve, door derden (huidige en potentiële schuldeisers) verifieerbare gegevens die verband houden met de economische belangen van die schuldenaar.

V.      Conclusie

65.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Tribunal da Relação de Guimarães te beantwoorden als volgt:

„Artikel 3, lid 1, eerste en vierde alinea, van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat het vermoeden dat de gebruikelijke verblijfplaats van een schuldenaar die een natuurlijke persoon is die geen zelfstandige activiteit uitoefent het centrum van zijn voornaamste belangen is, kan worden weerlegd wanneer de gebruikelijke verblijfplaats niet haar rol vervult als plaats waar de economische beslissingen van een schuldenaar worden genomen, waar het grootste deel van zijn inkomsten wordt geïnd en wordt uitgegeven, of waar het grootste deel van zijn vermogen zich bevindt.

Dit vermoeden kan echter niet worden weerlegd ten gunste van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich het enige onroerend goed van een schuldenaar bevindt wanneer geen andere elementen voorhanden zijn die erop wijzen dat het centrum van zijn voornaamste belangen in die lidstaat gelegen is. Die omstandigheid kan worden vastgesteld op basis van objectieve, door derden (huidige en potentiële schuldeisers) verifieerbare gegevens die verband houden met de economische belangen van die schuldenaar.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Verordening van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1).


3      Zie arresten van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281); 20 oktober 2011, Interedil (C‑396/09, EU:C:2011:671), en 15 december 2011, Rastelli Davide en C. (C‑191/10, EU:C:2011:838).


4      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19, met rectificatie PB 2016, L 349, blz. 9).


5      Zie onder meer arresten van 7 september 2017, Neto de Sousa (C‑506/16, EU:C:2017:642, punt 23), en 26 oktober 2017, Aqua Pro (C‑407/16, EU:C:2017:817, punt 26).


6      Zie artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening 2015/848.


7      Zie artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening 2015/848.


8      Verdrag ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1980, L 266, blz. 1).


9      Zie arrest van 16 januari 2014 (C‑328/12, EU:C:2014:6, punt 21).


10      De terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie staat er dus in beginsel niet aan in de weg dat de Portugese rechters kennis nemen van het verzoek van verzoekers.


11      Artikel 7, lid 1, van verordening 2015/848 preciseert dat „[t]enzij deze verordening iets anders bepaalt, [...] de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan [worden] beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend”.


12      Zie arresten van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 31); 20 oktober 2011, Interedil (C‑396/09, EU:C:2011:671, punt 43), en 15 december 2011, Rastelli Davide en C. (C‑191/10, EU:C:2011:838, punt 31).


13      Verordening 2015/848 omvat procedures met het oog op herstel, schuldaanpassing of reorganisatie, en pre-insolventieprocedures. Zie mijn conclusie in de zaak A (C‑716/17, EU:C:2019:262, punt 25). Zie ook Hess, B., Oberhammer, P., Bariatti, S., Koller, Ch., Laukemann, B., Requejo Isidro, en M., Villata, F.C. (red.), The Implementation of the New Insolvency Regulation: Improving Cooperation and Mutual Trust, Nomos, Baden-Baden, 2017, blz. 52, en Sautonie-Laguionie, L., „L’extension du champ d’application du règlement (UE) n° 2015/848 par une définition vaste des ‚procédures d’insolvabilité’”, in Cotiga-Raccah, A., en Sautonie-Laguionie, L. (red.), Le nouveau droit européen des faillites internationales, Bruylant, Brussel, 2018, blz. 66 e.v.


14      Cursivering van mij.


15      Zie Andrianesis, A.P., „The Opening of Multijurisdictional Insolvencies Through the Prism of the Recast Regulation 848/2015”, European Company Law, 2017, deel 14 (1), blz. 9; Mucciarelli, F.M., „Private International Law Rules in the Insolvency Regulation Recast: A Reform or a Restatement of the Status Quo?”, European Company Law, 2016, deel 1, blz. 14 en 15, en Vallens, J.‑L., „Le règlement (UE) n° 2015/848 du 20 mai 2015: une avancée significative du droit européen de l’insolvabilité”, Revue Lamy droit des affaires, 2015, nr. 106, blz. 18.


16      Zie arresten van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 33), en 20 oktober 2011, Interedil (C‑396/09, EU:C:2011:671, punt 49). Zie eveneens beschikking van 24 mei 2016, Leonmobili en Leone (C‑353/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:374, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


17      Zie naar analogie arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 33), dat betrekking heeft op verordening nr. 1346/2000. Het fundamentele doel van de collisieregels bestaat er immers in te waarborgen dat voorzienbaar is welk recht op een bepaald feitencomplex van toepassing is, ook wanneer het gaat om de toepassing van de lex fori. Zie met name mijn conclusie in de zaak KP (C‑83/17, EU:C:2018:46, punt 81).


18      Vast staat dat verzoekers sinds 2016 hun gebruikelijke verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk hebben. Zoals uit punt 18 van deze conclusie blijkt, kan verordening 2015/848 bovendien alleen van toepassing zijn op de procedure in het hoofdgeding indien de insolventieprocedure niet is geopend vóór 26 juni 2017. Uit de door de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vraag gebruikte bewoordingen blijkt dat die rechter hoe dan ook de mogelijkheid uitsluit om het in artikel 3, lid 1, vierde alinea, van die verordening vastgestelde vermoeden te weerleggen op grond dat de gebruikelijke verblijfplaats van verzoekers tijdens de periode van zes maanden zou zijn overgebracht.


19      Cursivering van mij.


20      Zie arrest van 2 mei 2006 (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 41). Zie met betrekking tot de gevolgen van deze uitlegging Van Calster, G., European Private International Law, Hart Publishing, Oxford en Portland, 2016, blz. 298.


21      Zie arrest van 2 mei 2006 (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 34).


22      Zie arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, EU:C:2006:281, punt 35).


23      Zie arrest van 20 oktober 2011 (C‑396/09, EU:C:2011:671, punt 51).


24      Zie in die zin Cuniberti, G., Nabet, P., en Raimon, M., Droit européen de l’insolvabilité. Règlement (UE) 2015/848 du 20 mai 2015 relatif aux procédures d’insolvabilité, LGDJ, Issy-les-Moulineaux Cedex, 2017, blz. 116, punt 197.


25      Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).


26      Zie, a contrario, arrest van 22 december 2010, Mercredi (C‑497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 47 en 48).


27      Zie Jault-Seseke, F., en Robine, D., „Le règlement 2015/848: le vin nouveau et les vieilles outres”, Revue critique de droit international privé, 2016, punt 27.


28      Toelichtend rapport van M. Virgós en E. Schmit van 3 mei 1996 bij het Verdrag inzake insolventieprocedures, document van de Raad van de Europese Unie, 6500/96, DRS 8 (CFC). De definitieve versie van de volledige tekst in het Engels is opgenomen in Moss, G., Fletcher, I. F., en Isaacs, S., The EC Regulation on Insolvency Proceedings. A Commentary and Annotated Guide, 2e druk, Oxford University Press, Oxford, 2009, blz. 381 e.v.


29      Arrest van 20 oktober 2011 (C‑396/09, EU:C:2011:671, punt 52).


30      Zie in die zin Cuniberti, G., Nabet, P., en Raimon, M., op. cit., aangehaald in voetnoot 24, blz. 76, punt 145.


31      Overweging 30 van verordening 2015/848 vermeldt inderdaad een tweede situatie waarin het vermoeden kan worden weerlegd, namelijk „indien kan worden aangetoond dat het inleiden van de insolventieprocedure in het nieuwe rechtsgebied de voornaamste reden voor de verhuizing van de schuldenaar was en dat het inleiden van die procedure een wezenlijke inbreuk zou vormen op de belangen van de schuldeisers die betrekkingen met de schuldenaar zijn aangegaan voordat de verplaatsing plaatsvond”. Verzoekers wordt echter niet verweten dat zij hun gebruikelijke verblijfplaats met een die bedoeling zouden hebben overgebracht. De verwijzende rechter lijkt in elk geval niet uit te gaan van die hypothese.


32      Zie ook punt 49 van deze conclusie.


33      Zie punt 20 van deze conclusie.


34      Zie Fabriès-Lecéa, E., in Sautonie-Laguionie, L., en Lisanti, C. (red.), Le règlement (UE) n° 2015/848 du 20 mai 2015 relatif aux procédures d’insolvabilité. Commentaire article par article, Société de législation comparée, Parijs, 2015, blz. 61.


35      Zie in die zin met betrekking tot het feit dat het centrum van de voornaamste belangen door derden moet kunnen worden geverifieerd, Jault-Seseke, F., en Robine, D., op. cit., aangehaald in voetnoot 27.


36      Cursivering van mij.


37      Arrest van 20 oktober 2011 (C‑396/09, EU:C:2011:671, punt 49).