Language of document : ECLI:EU:C:2011:559

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

V. TRSTENJAK

van 8 september 2011 (1)

Zaak C‑282/10

Maribel Dominguez

tegen

Centre informatique du Centre Ouest Atlantique

tegen

Préfet de la région Centre

[Verzoek van de Cour de Cassation (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Artikel 31, lid 2, van het Handvest — Sociale grondrechten — Algemene rechtsbeginselen — Horizontale werking van richtlijnen — Artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG— Arbeidsvoorwaarden — Organisatie van arbeidstijd — Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon — Ontstaan van recht op vakantie onafhankelijk van aard en duur van de afwezigheid van de werknemer — Nationale regeling volgens welke de toekenning van deze vakantie afhankelijk is van een minimumduur van daadwerkelijke arbeid tijdens het referentiejaar — Verplichting van de nationale rechter om nationale bepalingen die strijdig zijn met het recht van de Unie buiten toepassing te laten”






Inhoud


I — Inleiding

II — Rechtskader

A — Recht van de Unie

1. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

2. Richtlijn 2003/88/EG

B — Nationaal recht

III — Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen

IV — Procedure voor het Hof

V — Voornaamste argumenten van de partijen

A — De eerste prejudiciële vraag

B — De tweede prejudiciële vraag

C — De derde prejudiciële vraag

VI — Juridische beoordeling

A — De eerste prejudiciële vraag

B — De tweede prejudiciële vraag

1. Algemeen

a) Voornaamste juridische aspecten

b) Bestaan van een geschil tussen particulieren

2. De rol van de nationale rechter in een geschil tussen particulieren

a) De Unierechtelijke grenzen van de toepasselijkheid van richtlijnen

b) Mogelijke alternatieven

i) Rechtstreekse toepasselijkheid van het grondrecht van artikel 31, lid 2, van het Handvest

— Toepasselijkheid van het Handvest

— Hoedanigheid van grondrecht

— Ontbrekende derdenwerking

— Slotsom

ii) Rechtstreekse toepasselijkheid van een eventueel algemeen rechtsbeginsel

— Rang van het recht op jaarlijkse vakantie binnen de Unierechtsorde

— Toepasselijkheid van het algemene rechtsbeginsel tussen particulieren

— Resultaat

iii) Toepassing van het algemene rechtsbeginsel zoals het door richtlijn 2003/88 is geconcretiseerd

— De benadering van het Hof in het arrest Kücükdeveci

— Toepasbaarheid van deze benadering op het recht op jaarlijkse vakantie

— Resultaat

c) Samenvatting

3. Subsidiaire aansprakelijkheid van de lidstaat wegens schending van het Unierecht

4. Resultaat

C — De derde prejudiciële vraag

VII — Conclusie

I –    Inleiding

1.        In de onderhavige prejudiciële procedure volgens artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft de Franse Cour de Cassation (hierna: „verwijzende rechter”) het Hof drie vragen gesteld met betrekking tot de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd(2).

2.        Dit verzoek om een prejudiciële beslissing vindt zijn oorsprong in een geding tussen M. Dominguez (hierna: „verzoekster in het hoofdgeding”) en haar werkgever, het Centre Informatique du Centre Ouest Atlantique (hierna: „verweerder in het hoofdgeding”), waarbij het gaat om de vraag of en eventueel in welke omvang laatstgenoemde verplicht is tot betaling van een financiële vergoeding voor de jaarlijkse vakantie die zij als gevolg van een ongeval niet kon opnemen. Vanuit de visie van de verwijzende rechter is de manier waarop de duur van deze vakantie moet worden berekend, een belangrijk te verduidelijken aspect, met als bijzondere omstandigheid dat volgens het toepasselijke nationale recht enerzijds voor het ontstaan van het recht op jaarlijkse vakantie relevant is dat de werknemer een minimumaantal dagen heeft gewerkt, en anderzijds dat niet elke vorm van door een ongeval veroorzaakte afwezigheid van het werk als arbeidstijd wordt meegeteld.

3.        Het bestaan van een recht op vakantie en de precieze omvang daarvan kunnen echter niet worden vastgesteld zolang niet duidelijk is of de bovengenoemde nationale regelingen wel als met artikel 7 van richtlijn 2003/88 verenigbaar aangemerkt kunnen worden en of verzoekster zich jegens verweerder rechtstreeks op deze richtlijn kan beroepen. In de onderhavige zaak worden enerzijds rechtsvragen gesteld waarop het Hof reeds een ondubbelzinnig antwoord heeft gegeven, zodat het Hof eigenlijk kan volstaan met een verwijzing naar de desbetreffende arresten. Anderzijds wordt het Hof gevraagd zich uit te spreken over de plaats die het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon binnen de normenhiërarchie van de Unierechtsorde inneemt en of de werknemer zich misschien ook rechtstreeks daarop kan beroepen in de relatie tot zijn werkgever.

4.        Hiertoe moeten vier verschillende benaderingen worden onderzocht, die de werknemer moeten helpen zijn rechten jegens de werkgever te handhaven. Om te beginnen moet de mogelijkheid van horizontale werking van richtlijnen worden onderzocht. Tegen de achtergrond van het feit dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie intussen juridisch bindend is geworden, moet vervolgens de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 31, lid 2, van het Handvest worden bezien. Voorts moet als alternatief de rechtstreekse toepasselijkheid worden onderzocht van een mogelijk rechtsbeginsel dat de werknemer recht op jaarlijkse vakantie verleent. Tot slot zal ik nagaan in hoeverre de door het Hof in het arrest Kücükdeveci(3) ontwikkelde leer kan worden toegepast. Daarbij zal ik de voor- en nadelen van deze leer gedetailleerd bespreken. De onderhavige zaak biedt het Hof gelegenheid deze leer dogmatisch te benaderen en zo nodig te verfijnen.

II – Rechtskader

A –    Recht van de Unie(4)

1.      Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

5.        Titel IV („Solidariteit”) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) voorziet in artikel 31 in het recht van iedere werknemer op „rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en ‑voorwaarden”. Artikel 31, lid 2, luidt als volgt:

„Iedere werknemer heeft recht op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden, alsmede op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon.”

6.        Titel VII („Algemene bepalingen”) legt in artikel 51 de werkingssfeer van het Handvest vast. Artikel 51, lid 1, ervan luidt:

„De bepalingen van dit handvest zijn gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.”

2.      Richtlijn 2003/88/EG

7.        Artikel 1 van richtlijn 2003/88 bepaalt:

„Doel en toepassingsgebied

1.      Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.

2.      Deze richtlijn is van toepassing op:

a)      de minimale jaarlijkse vakantie [...]

[...]”

8.        Artikel 7 van deze richtlijn luidt:

„Jaarlijkse vakantie

1.      De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.

2.      De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.”

9.        Volgens artikel 17 van richtlijn 2003/88 kunnen de lidstaten van enkele bepalingen van deze richtlijn afwijken. Ten aanzien van artikel 7 van deze richtlijn is afwijking niet toegestaan.

B –    Nationaal recht

10.      Het op het hoofdgeding toepasselijke artikel L. 223‑2, eerste alinea, van de Code du travail (Frans arbeidswetboek) bepaalt:

„De werknemer die in de loop van het referentiejaar in dienst is geweest bij dezelfde werkgever gedurende een tijdvak overeenkomend met ten minste één maand daadwerkelijke arbeid, heeft recht op tweeënhalve werkdagen vakantie per gewerkte maand, zonder dat de opeisbare vakantie meer dan 30 werkdagen kan bedragen.”

11.      Artikel L. 3141‑3 van de nieuwe Code du travail, in de redactie van de wet van 20 augustus 2008 bepaalt:

„De werknemer die gedurende een periode overeenkomend met ten minste tien dagen daadwerkelijke arbeid bij dezelfde werkgever werkzaam is geweest, heeft recht op tweeënhalve werkdagen vakantie per gewerkte maand. De opeisbare vakantie kan echter niet meer dan 30 werkdagen bedragen.”

12.      Artikel L. 223‑4 van de Code du travail in de ten tijde van de feiten geldende redactie luidde:

„Voor de bepaling van de duur van de vakantie worden perioden overeenkomend met vier werkweken of vierentwintig werkdagen gelijkgesteld met een maand effectieve arbeid. De perioden van vakantie met behoud van loon, de compenserende rusttijd als voorzien in artikel L. 212‑5‑1 van dit wetboek en artikel L. 713‑9 van de Code rural [agrarisch wetboek], de rusttijd voor vrouwen na de bevalling als voorzien in de artikelen L. 122‑25 tot en met L. 122‑30, de verworven rustdagen op grond van arbeidstijdverkorting en de ononderbroken perioden van ten hoogste een jaar, waarin de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens een arbeidsongeval of een beroepsziekte is geschorst, gelden als perioden van daadwerkelijke arbeid. (Perioden waarin een werknemer of een leerling wegens om het even welke reden in nationale dienst wordt gehouden of opnieuw wordt opgeroepen, geldt voor de berekening van de duur van de vakantie eveneens als periode van daadwerkelijke arbeid.)”

13.      Het huidige artikel L. 3141‑5 van de Code du travail bepaalt:

„Voor de bepaling van de duur van de vakantie wordt met daadwerkelijke arbeid gelijkgesteld:

1)         De perioden van vakantie met behoud van loon;

2)         perioden van zwangerschapsverlof, vaderschapsverlof en adoptieverlof, en verlof voor de adoptie en de opvoeding van kinderen;

3)         de verplichte compenserende rusttijd als voorzien in artikel L. 3121‑26 van de Code du travail en artikel L. 713‑9 van de Code rural;

4)         de op grond van arbeidstijdverkorting verworven rustdagen;

5)         de ononderbroken perioden van ten hoogste een jaar, waarin de uitvoering van schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens een arbeidsongeval of een beroepsziekte is geschorst; en

6)         de periode waarin een werknemer wegens om het even welke reden in nationale dienst wordt gehouden of opnieuw wordt opgeroepen.”

14.      Artikel XIV, vierde alinea, van het modelreglement bij de nationale collectieve arbeidsovereenkomst voor het personeel van de socialezekerheidsorganen bepaalt dat geen recht op jaarlijkse vakantie bestaat voor het jaar waarin een werknemer afwezig was wegens ziekte of langdurige ziekte waardoor de arbeid gedurende twaalf maanden of meer is onderbroken, wegens vervulling van de verplichte legerdienst of wegens onbetaalde vakantie in de zin van de artikelen 410, 44 en 46 van de collectieve arbeidsovereenkomst. Dit recht ontstaat opnieuw op de datum waarop de arbeid wordt hervat, waarbij de duur van de vakantie evenredig is aan de daadwerkelijke arbeidstijd waarvoor nog geen jaarlijkse vakantie is verleend.

III – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen

15.      Verzoekster in het hoofdgeding is sinds 10 januari 1987 in dienst bij verweerder in het hoofdgeding, die valt onder de collectieve arbeidsovereenkomst voor het personeel van socialezekerheidsorganen.

16.      Op 3 november 2005 kreeg zij een verkeersongeval op de weg tussen haar woonplaats en haar arbeidsplaats. Ten gevolge van dit ongeval was zij van 3 november 2005 tot en met 7 januari 2007 met ziekteverlof.

17.      Op 8 januari 2007 ging zij voor halve dagen en vanaf 8 februari 2007 weer fulltime aan het werk. Na haar terugkeer deelde verweerder in het hoofdgeding haar het aantal vakantiedagen mede waarop zij volgens zijn berekening recht had voor de periode van haar afwezigheid. Verzoekster in het hoofdgeding maakte hiertegen bezwaar en vorderde van haar werkgever voor deze periode 22,5 dagen vakantie met behoud van loon, subsidiair een compenserende vergoeding ter hoogte van 1 971,39 EUR.

18.      In eerste instantie wendde zij zich tot de Conseil de prud’hommes de Limoges, die bij beslissing van 15 januari 2008 haar vordering afwees. Vervolgens stelde zij hoger beroep in bij de Cour d’appel de Limoges. Dit werd echter bij arrest van 16 september 2008 afgewezen. De Cour d’appel stelde onder meer vast dat verweerder in het hoofdgeding als werkgever de desbetreffende arbeidsrechtelijke bepalingen op juiste wijze toegepast en het ontstaan van een recht op vakantie terecht afgewezen had, omdat verzoekster in het hoofdgeding ten gevolge van haar ongeval meer dan twaalf maanden afwezig was geweest en tijdens die periode geen daadwerkelijke arbeid had verricht. De Cour d’appel stelde voorts vast dat verzoekster in het hoofdgeding zich niet kon beroepen op de bij een arbeidsongeval toepasselijke arbeidsrechtelijke regelingen.

19.      Voor de Cour de cassation vecht zij dit arrest aan op grond dat enerzijds een ongeval op de weg van of naar het werk gelijkgesteld moet worden aan een arbeidsongeval en zij dus van dezelfde regeling moet kunnen profiteren. Anderzijds stelt zij dat de periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst na het ongeval voor de berekening van de vakantie met behoud van loon moet worden gelijkgesteld met daadwerkelijk gewerkte arbeidstijd.

20.      De verwijzende rechter heeft uitgaande van de rechtspraak van het Hof, die uitvoerig wordt aangehaald, twijfels wat betreft zowel de verenigbaarheid van de toepasselijke nationale arbeidsrechtelijke voorschriften als de verplichting van de nationale rechter om nationale bepalingen die in strijd zijn met het Unierecht buiten toepassing te laten.

21.      In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of praktijken volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon slechts ontstaat als de werknemer tijdens de referentieperiode ten minste tien dagen (of een maand) daadwerkelijk heeft gewerkt?

2)      Zo ja, moet de nationale rechter bij wie een geschil tussen particulieren aanhangig is, op grond van artikel 7 van richtlijn 2003/88, dat de werkgever een bijzondere verplichting oplegt in zoverre het de om gezondheidsredenen gedurende een jaar of meer afwezige werknemer recht op vakantie met behoud van loon verleent, een daarmee strijdige nationale bepaling buiten beschouwing laten, volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in een dergelijk geval slechts ontstaat indien de werknemer tijdens de referentieperiode ten minste tien dagen daadwerkelijk heeft gewerkt?

3)      Hebben werknemers op grond van artikel 7 van richtlijn 2003/88, dat geen onderscheid maakt tussen werknemers naargelang hun afwezigheid van het werk tijdens de referentieperiode het gevolg is van een arbeidsongeval, een beroepsziekte, een ongeval op weg van of naar het werk of een ziekte die geen beroepsziekte is, recht op een even lange vakantie met behoud van loon, ongeacht de oorzaak van hun afwezigheid om gezondheidsredenen, of moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat zij er zich niet tegen verzet dat de duur van de vakantie met behoud van loon kan verschillen afhankelijk van de reden waarom de werknemer afwezig is, wanneer de nationale wet in bepaalde omstandigheden een jaarlijkse vakantie met behoud van loon voorschrijft van langere duur dan het in de richtlijn bepaalde minimum van vier weken?”

IV – Procedure voor het Hof

22.      De verwijzingsbeslissing van 2 juni 2010 is op 7 juni 2010 ingekomen ter griffie van het Hof.

23.      De partijen in het hoofdgeding, de Franse, de Deense en de Nederlandse regering alsmede de Europese Commissie hebben binnen de termijn van artikel 23 van het Statuut van het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.

24.      Ter terechtzitting van 17 mei 2011 hebben de vertegenwoordigers van de partijen in het hoofdgeding, de Franse, de Deense en de Nederlandse regering alsmede de Commissie hun standpunt mondeling toegelicht.

V –    Voornaamste argumenten van de partijen

A –    De eerste prejudiciële vraag

25.      Alle deelnemers aan de procedure zijn van mening dat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof, in het bijzonder de arresten BECTU(5) en Schultz-Hoff(6). Zij geven dienovereenkomstig in overweging deze prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of praktijken volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon slechts ontstaat als de werknemer tijdens de referentieperiode ten minste tien dagen (of een maand) heeft gewerkt.

B –    De tweede prejudiciële vraag

26.      Zowel de argumentatielijnen alsook de door de deelnemers aan de procedure voorgestelde antwoorden op deze prejudiciële vraag wijken sterk van elkaar af.

27.      Verzoekster in het hoofdgeding verwijst naar de arresten Simmenthal(7) en Melki(8) en stelt dat de verklaringen van het Hof in het arrest BECTU geen afbreuk doen aan de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 7 van richtlijn 2003/88. Zij is van mening dat de situatie voor de nationale rechter eenvoudig is: hij is verplicht de toepassing achterwege te laten van nationale bepalingen volgens welke de uitoefening van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon slechts ontstaat na vervulling van een met het Unierecht onverenigbare voorwaarde.

28.      Verweerder in het hoofdgeding beroept zich op de door de verwijzende rechter aangehaalde rechtspraak en trekt daaruit de tegenovergestelde conclusie. Hij is van mening dat de in deze rechtspraak ontwikkelde beginselen impliceren dat de nationale rechter een nationale bepaling in een geschil tussen particulieren niet buiten toepassing kan laten op grond dat deze bepaling onverenigbaar is met een richtlijn. Een dergelijke handelswijze zou namelijk overeenkomen met een uitlegging contra legem. Ten aanzien van de definitie van de richtlijn zelf, die eisen stelt aan de lidstaten en geen rechtstreekse verplichtingen schept voor de burgers, is er geen reden om deze vaste rechtspraak te herzien aangezien aldus het verschil tussen richtlijnen en verordeningen wordt opgeheven.

29.      De Franse en de Nederlandse regering gaan in hun analyse van de rechtspraak nog wat verder.

30.      De Franse regering herinnert bijvoorbeeld niet alleen aan de door de Cour de cassation aangehaalde rechtspraak, maar ook aan de arresten Mangold(9) en Kücükdeveci(10). In deze arresten heeft het Hof zijn rechtspraak betreffende de positie van de nationale rechter in het geval van nationale bepalingen die strijdig zijn met het Unierecht verder ontwikkeld. Volgens deze rechtspraak moet de nationale rechter een nationale bepaling bij een conflict met een algemeen rechtsbeginsel van Unierecht zo nodig buiten toepassing laten. De Franse regering wijst er in dit verband op dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon volgens vaste rechtspraak weliswaar moet worden gezien als een „bijzonder belangrijk beginsel van communautair sociaal recht” maar door het Hof nog niet is aangemerkt als een algemeen communautair rechtsbeginsel, zoals bijvoorbeeld het verbod van leeftijdsdiscriminatie. Daarom kan de bovengenoemde rechtspraak niet worden uitgebreid tot het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.

31.      De Franse regering geeft dus in overweging om de tweede prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat voor zover artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 in de weg staat aan een nationale bepaling volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie slechts ontstaat als de werknemer tijdens de referentieperiode ten minste tien dagen (of een maand) daadwerkelijk heeft gewerkt, deze richtlijnbepaling de rechter in een geschil tussen particulieren niet toestaat de nationale bepaling buiten toepassing te laten.

32.      De Nederlandse regering beperkt haar opmerkingen tot deze prejudiciële vraag. Zij is van mening dat de rechter overeenkomstig de door de Cour de cassation aangehaalde vaste rechtspraak van het Hof in een geschil tussen particulieren niet verplicht is een nationale bepaling die strijdig is met een richtlijnbepaling buiten toepassing te laten. De nationale rechter moet het nationale recht zo veel mogelijk uitleggen en toepassen in het licht van de richtlijn.

33.      De Nederlandse regering is van mening dat het arrest Kücükdeveci en het feit dat het recht op jaarlijkse vakantie wordt aangemerkt als een „bijzonder belangrijk beginsel van communautair sociaal recht” geen andere conclusie toelaten, temeer daar het bij dit beginsel niet om een algemeen rechtsbeginsel gaat.

34.      Terwijl de Franse en de Nederlandse regering tot de conclusie komen dat de overwegingen van het Hof in het arrest Kücükdeveci niet van toepassing zijn, ziet de Commissie geen reden om in het hoofdgeding een analoge toepassing uit te sluiten.

35.      Haars inziens moet de tweede prejudiciële vraag aldus worden beantwoord dat de nationale rechter in het kader van zijn bevoegdheden gehouden is de rechtsbescherming van particulieren en de volle werking van het Unierecht veilig te stellen, waarbij hij zo nodig nationale bepalingen buiten toepassing kan laten die niet in overeenstemming zijn met het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.

C –    De derde prejudiciële vraag

36.      Verzoekster in het hoofdgeding stelt voor deze prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat artikel 7 van richtlijn 2003/88 zich verzet tegen een verschil in duur van de vakantie met behoud van loon afhankelijk van de reden waarom de werknemer afwezig is. Deze richtlijnbepaling bepaalt immers dat werknemers recht hebben op een even lange vakantie met behoud van loon ongeacht de reden waarom de werknemer afwezig is.

37.      Verweerder in het hoofdgeding staat op het tegenovergestelde standpunt. Zijns inziens verzet artikel 7 van richtlijn 2003/88 zich er niet tegen dat de regelingen die de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon bepalen, wat de gelijkstelling van de afwezigheidsperiode met daadwerkelijke arbeid betreft gunstiger zijn voor werknemers die tengevolge van ziekte of een bedrijfsongeval afwezig zijn dan voor werknemers die niet ten gevolge van een bedrijfsongeval afwezig zijn.

38.      De Franse regering leidt uit de hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof af dat artikel 7 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon verschillend kan zijn afhankelijk van de oorzaak van de afwezigheid van de werknemer, omdat de in deze richtlijnbepaling voorziene minimumvakantie van vier weken gegarandeerd is.

39.      De Commissie wijst er weliswaar op dat uit de verwijzingsbeschikking niet ondubbelzinnig blijkt op welk element van het nationale recht deze prejudiciële vraag betrekking heeft, toch geeft zij in overweging deze vraag overeenkomstig het voorstel van de Franse regering te beantwoorden.

VI – Juridische beoordeling

A –    De eerste prejudiciële vraag

40.      Met de eerste prejudiciële vraag wil de verwijzende rechter weten of een lidstaat volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 de uitoefening van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon afhankelijk mag stellen van een in het nationale recht nader bepaalde minimumarbeidstijd, waarbij deze minimumarbeidstijd in het Franse recht oorspronkelijk één maand was en ten gevolge van een wetswijziging thans tien dagen is.

41.      Het antwoord op deze prejudiciële vraag vloeit voort uit de rechtspraak van het Hof, in het bijzonder de arresten BECTU en Schultz-Hoff. Ik wil dan ook de desbetreffende relevante constateringen van het Hof in herinnering roepen om vervolgens te bezien of ze op het hoofdgeding kunnen worden toegepast.

42.      Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van communautair sociaal recht, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de uitdrukkelijk in richtlijn 2003/88 zelf bepaalde grenzen.(11) Met de wettelijke verankering van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon op het niveau van het afgeleid recht wilde de Uniewetgever garanderen dat een werknemer in alle lidstaten van een daadwerkelijke rust kan genieten „in het belang van een doeltreffende bescherming van zijn veiligheid en gezondheid”.(12) Volgens het Hof is het doel van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, de werknemer in staat te stellen uit te rusten en over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken.(13)

43.      Niet in de laatste plaats vanwege de buitengewone betekenis die de Unierechtsorde aan dit beginsel toekent, heeft het Hof in punt 52 van het arrest BECTU vastgesteld dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/104 — waarvan de bewoordingen identiek zijn aan die van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 — „zich ertegen verzet, dat lidstaten het aan alle werknemers toegekende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon eenzijdig beperken door het ontstaan van dit recht te doen afhangen van een voorwaarde die tot gevolg heeft, dat bepaalde werknemers van dit recht worden uitgesloten.”

44.      In punt 53 van hetzelfde arrest heeft het Hof vervolgens opgemerkt dat de lidstaten „in hun interne regeling dus de voorwaarden voor de uitoefening en de tenuitvoerlegging van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon [mogen] vastleggen door de concrete omstandigheden te bepalen waarin de werknemers gebruik mogen maken van dit recht, dat hun toekomt op grond van alle vervulde tijdvakken van tewerkstelling, zonder dat zij echter het ontstaan zelf van dit rechtstreeks uit richtlijn 93/104 voortvloeiende recht van enigerlei voorwaarde afhankelijk mogen stellen”.

45.      In punt 55 van voornoemd arrest heeft het Hof voorts verklaard dat de maatregelen die de lidstaten ter uitvoering van de voorschriften vaststellen, weliswaar bepaalde verschillen kunnen bevatten met betrekking tot de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, omdat de richtlijn zich uiteindelijk beperkt tot het vaststellen van minimumvoorschriften tot harmonisatie op gemeenschapsvlak van de organisatie van de arbeidstijd en het verder aan de lidstaten overlaat de noodzakelijke uitvoerings- en toepassingsmodaliteiten vast te stellen. Daarbij heeft het Hof benadrukt dat „de richtlijn [het] de lidstaten echter niet [toestaat], het ontstaan van een uitdrukkelijk aan alle werknemers toegekend recht als zodanig uit te sluiten”.

46.      De hierboven beschreven rechtspraak moet aldus worden begrepen dat het Hof in beginsel de bevoegdheid van de lidstaten erkend tot het vaststellen van zogenoemde uitvoeringsmodaliteiten waarmee zij bepaalde aspecten van de uitoefening van het recht op jaarlijkse vakantie in detail mogen regelen, zoals bijvoorbeeld op welke wijze werknemers de vakantie kunnen opnemen waarop zij voor de eerste weken van hun dienstverband recht hebben. Deze regelingsbevoegdheid van de lidstaten vindt echter haar grens daar waar de gekozen regeling de effectiviteit van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon raakt op een wijze dat het realiseren van het doel van het recht op vakantie niet meer is gegarandeerd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een nationale regeling die niet het „hoe” maar het „of” van de uitoefening van het recht vaststelt.

47.      Een dergelijke regeling is in het hoofdgeding ondubbelzinnig aan de orde, zoals ook de Franse regering zelf heeft toegegeven, temeer daar het ontstaan van het recht zelf is verbonden aan de voorwaarde dat de werknemer een minimumarbeidstijd van een maand (in het geval van het inmiddels gewijzigde artikel L. 223‑2, lid 1, van de Code du travail) respectievelijk tien dagen (in het geval van het huidige artikel L. 3141‑3 van de Code du travail) voltooit. Zoals de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen gedetailleerd heeft gemotiveerd, vloeit de vaststelling van de minimumarbeidstijd van tien dagen voort uit de modaliteiten van de berekening van de duur van de jaarlijkse vakantie. Laatstgenoemde komt overeen met een bepaald aantal werkdagen, waarbij een vakantiedag volgens deze rekenmethode overeenkomt met tien werkdagen.

48.      Zoals de Franse regering eveneens heeft toegegeven, verandert de verwijzing naar de noodzaak om de jaarlijkse vakantie per geval precies te kunnen berekenen niets aan het feit dat de rechtspraak van het Hof niet voorziet in uitzonderingen op de regel dat de verwezenlijking van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon bij de uitvoering op het niveau van de lidstaten niet mag worden doorkruist door nationale maatregelen. In dit verband moet erop worden gewezen dat aan het arrest BECTU feiten ten grondslag lagen die vergelijkbaar zijn met die in de onderhavige zaak, zodat de in dat arrest ontwikkelde beginselen rechtstreeks toepasbaar zijn op het hoofdgeding. In die zaak was het Hof namelijk gevraagd of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/104 een lidstaat toestaat een nationale regeling vast te stellen krachtens welke een werknemer pas een recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon verwerft, wanneer hij gedurende minimaal dertien weken ononderbroken bij dezelfde werkgever is tewerkgesteld. Omdat het Hof deze vraag uitdrukkelijk ontkennend heeft beantwoord, lijkt het mij voor de hand liggend dat ook de litigieuze Franse regeling niet in overeenstemming is met richtlijn 2003/88.

49.      Een andere rechtsvraag die in het kader van het hoofdgeding aan de orde is gesteld en die — zoals verweerder in het hoofdgeding in zijn schriftelijke argumentatie(14) terecht heeft opgemerkt — eveneens moet worden opgehelderd in de onderhavige prejudiciële procedure, is namelijk of het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon ook kan ontstaan tijdens een periode waarin de werknemer wegens ziekte afwezig was. De noodzaak daartoe vloeit voort uit het feit dat het uiteindelijk daarvan afhankelijk is of verzoekster in het hoofdgeding voor die periode eigenlijk wel recht heeft op vakantie of dat haar afwezigheid van het werk zich daartegen verzet.

50.      Ook voor de beantwoording van deze vraag levert de rechtspraak bruikbare aanwijzingen. Bijzonder nuttig is het arrest Schultz-Hoff waarin het Hof in punt 39 voorop heeft gesteld dat artikel 7, lid 1, van de richtlijn met betrekking tot het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor „alle werknemers” geldt. Relevant zijn bovendien de verdere overwegingen in punt 40 van dat arrest, dat „richtlijn 2003/88 met betrekking tot [het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon] geen onderscheid maakt tussen werknemers die wegens ziekteverlof van korte of lange duur in de referentieperiode hun arbeid verzuimen, en werknemers die in genoemde periode wel hebben gewerkt”.

51.      Daaruit heeft het Hof in punt 41 van het arrest een naar mijn mening ook voor de onderhavige prejudiciële procedure belangrijke conclusie getrokken, en wel dat „ten aanzien van werknemers met een naar behoren voorgeschreven ziekteverlof, voor het door richtlijn 2003/88 zelf aan alle werknemers verleende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon [...] niet door een lidstaat als voorwaarde kan worden gesteld dat tijdens de door die lidstaat vastgestelde referentieperiode daadwerkelijk is gewerkt”.

52.      De hierboven beschreven rechtspraak moet derhalve aldus worden begrepen dat ten aanzien van werknemers met een naar behoren voorgeschreven ziekteverlof, een afwezigheid wegens ziekte in het referentiejaar niet in de weg staat aan het ontstaan van recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Dit betekent in juridisch opzicht dat arbeidsverzuim om redenen die losstaan van de wil van de betrokken werknemer, zoals bijvoorbeeld door ziekte, als arbeidstijd moet worden aangemerkt. Dit is ook bepaald in artikel 5, lid 4, van verdrag nr. 132 van de Internationale Arbeidsorganisatie van 24 juni 1970 over de jaarlijkse vakantie met behoud van loon (geherformuleerd), die het Hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn overwegingen betreffende de verhouding tussen de jaarlijkse vakantie en het ziekteverlof.

53.      Samenvattend moet worden geconcludeerd dat de litigieuze regeling niet in overeenstemming is met richtlijn 2003/88. Tot deze conclusie komt ook de Franse regering, die in haar memorie heeft aangekondigd artikel L. 3141‑3 van de Code du travail te zullen wijzigen(15). Derhalve moet de eerste prejudiciële vraag aldus worden beantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of praktijken volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon slechts ontstaat als de werknemer tijdens de referentieperiode ten minste tien dagen (of een maand) daadwerkelijk heeft gewerkt.

B –    De tweede prejudiciële vraag

1.      Algemeen

a)      Voornaamste juridische aspecten

54.      De tweede prejudiciële vraag is uitdrukkelijk alleen gesteld voor het geval dat tot onverenigbaarheid van de litigieuze nationale bepaling met het Unierecht — zoals hierboven is gebeurd — moet worden geconcludeerd. Zoals blijkt uit de opmerkingen in de verwijzingsbeschikking die met name betrekking hebben op deze prejudiciële vraag(16), wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of artikel 7 van richtlijn 2003/88 hem eventueel de Unierechtelijke verplichting oplegt om in een geschil tussen particulieren de litigieuze nationale bepaling buiten toepassing te laten.

55.      Voor de beantwoording van deze vraag zal ik nader ingaan op twee wezenlijke juridische aspecten die met elkaar verbonden zijn. Enerzijds gaat het om de rol van de nationale rechter bij de toepassing van het Unierecht, zoals die voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof. Anderzijds gaat het om de betekenis die de Unierechtsorde toekent aan het recht op jaarlijkse vakantie en de effectuering daarvan.

b)      Bestaan van een geschil tussen particulieren

56.      Alvorens in te gaan op deze centrale aspecten van de prejudiciële vraag, wil ik voor de volledigheid opmerken dat de omstandigheid dat in het hoofdgeding twee particulieren tegenover elkaar staan naar mijn mening niet ter discussie staat.

57.      Allereerst wordt eraan herinnerd dat het volgens de rechtspraak van het Hof uitsluitend aan de verwijzende rechter staat om het voorwerp te bepalen van de vragen die hij het Hof wil stellen. Het is immers uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk concreet geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.(17)

58.      Voor zover de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing ondubbelzinnig uitgaat van een geschil tussen particulieren, en de vraag van een eventuele relatie van verweerder in het hoofdgeding met de Franse Staat, en wel als onderdeel van het openbaar bestuur, in elk geval niet expliciet behandelt, is ook het Hof aan deze beoordeling gebonden.

59.      Bij uitzondering mag het Hof weliswaar een beoordeling geven van de gronden die voor de nationale rechter aanleiding waren tot het stellen van een bepaalde prejudiciële vraag. Dit is volgens de rechtspraak het geval wanneer het Hof in werkelijkheid duidelijk genoodzaakt wordt te beslissen over een geconstrueerd geschil of te adviseren over vragen van algemene of hypothetische aard, de verzochte uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die het nodig heeft om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.(18)

60.      De voorwaarden daarvoor zijn hier echter niet aan de orde. Volgens de verhelderende opmerkingen van de deelnemers aan de procedure tijdens de mondelinge behandeling gaat het in het hoofdgeding om een geschil voortvloeiend uit een arbeidsrechtelijke overeenkomst, waarbij verweerder in het hoofdgeding jegens verzoekster in het hoofdgeding heeft gehandeld als particulier en geenszins als een met overheidsbevoegdheden uitgeruste instantie. Deze opmerkingen bevestigen de beoordeling van de verwijzende rechter.

2.      De rol van de nationale rechter in een geschil tussen particulieren

a)      De Unierechtelijke grenzen van de toepasselijkheid van richtlijnen

61.      Aangaande de rol van de nationale rechter in een geschil tussen particulieren waarbij blijkt dat de betrokken nationale regeling — zoals in het hoofdgeding — strijdig is met het recht van de Unie, heeft het Hof geoordeeld dat het de taak van de nationale rechter is om de voor de justitiabelen uit de bepalingen van de Unie voortvloeiende rechtsbescherming te verzekeren en de volle werking van die bepalingen te waarborgen.(19) Een belangrijke beperking geldt echter bij geschillen tussen particulieren, aangezien volgens de rechtspraak een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen kan opleggen aan particulieren en als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen.(20)

62.      Hieruit volgt volgens het Hof dat zelfs een duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke bepaling van een richtlijn die tot doel heeft particulieren rechten te verlenen of hun verplichtingen op te leggen, niet als zodanig kan worden toegepast in geschillen tussen uitsluitend particulieren. En wel omdat anders aan de Unie de bevoegdheid wordt toegekend aan particulieren rechtstreeks verplichtingen op te leggen, terwijl zij dit alleen kan wanneer haar de bevoegdheid is toegekend om verordeningen vast te stellen.(21) Dit standpunt respecteert de bijzondere aard van de richtlijn, die per definitie slechts rechtstreeks verplichtingen oplegt aan de lidstaten, die volgens artikel 288, derde alinea, VWEU, de adressaten ervan zijn, en particulieren slechts verplichtingen kan opleggen via nationale uitvoeringsmaatregelen.

63.      Deze rechtspraak verdient instemming. Bijgevolg moet ook de voor horizontale relaties meermaals voorgestelde(22) differentiatie tussen een positieve en een negatieve rechtstreekse werking van richtlijnen worden afgewezen. Volgens deze opvatting kunnen uit een niet omgezette richtlijn weliswaar geen rechtstreekse verplichtingen van een particulier jegens een andere particulier voortvloeien, maar behoort nationaal recht dat onverenigbaar is met een richtlijn ook in geschillen tussen particulieren buiten toepassing te blijven op grond van het beginsel van de voorrang van het Unierecht. Hiertegen wordt terecht ingebracht dat deze benadering leidt tot rechtsonzekerheid.(23) Want afhankelijk van de normatieve context die een met een richtlijn onverenigbaar voorschrift heeft in het nationale recht, kan het buiten toepassing laten daarvan toch leiden tot een uitbreiding van de verplichtingen van particuliere rechtssubjecten; of dat zo is, hangt af van — uit Unierechtelijke optiek — eerder toevallige factoren, zoals bijvoorbeeld of er in het nationale recht een ander (verplichtingen in het leven roepend) voorschrift is waarop bij schorsing van het met de richtlijn onverenigbare bepaling kan worden teruggevallen.

64.      Volgens deze rechtspraak kan verzoekster in het hoofdgeding zich dus niet beroepen op artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 om van de verwijzende rechter te vorderen dat hij de met het Unierecht onverenigbare nationale regeling buiten toepassing laat.

65.      Als compensatie voor het ontbreken van een horizontale rechtstreekse werking van richtlijnen heeft het Hof evenwel benadrukt dat er alternatieve oplossingen bestaan die genoegdoening kunnen verschaffen aan de particulier die zich benadeeld acht door de omstandigheid dat een richtlijn niet of slecht is uitgevoerd. Daarbij gaat het enerzijds om de mogelijkheid van een richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht en anderzijds om de toepassing van het beginsel van de Unierechtelijke aansprakelijkheid van de lidstaat wegens schending van het Unierecht.

66.      Het Hof heeft de methode van de richtlijnconforme uitlegging gemotiveerd met de verplichting voor alle autoriteiten van de lidstaten, en dus in het kader van hun bevoegdheden ook voor de gerechtelijke instanties, het met een richtlijn beoogde doel te realiseren en alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren.(24) Dit impliceert dat bij de toepassing van het nationale recht, dit recht met gebruikmaking van alle beschikbare uitleggingsmethoden zo veel mogelijk in het licht van de richtlijn moet worden uitgelegd teneinde het met de richtlijn beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen.(25) In het arrest Pfeiffer e.a.(26) heeft het Hof toegelicht hoe de nationale rechter in een geschil tussen particulieren te werk moet gaan. Wanneer het nationale recht het met de daarin erkende uitleggingsmethoden in bepaalde omstandigheden mogelijk maakt om een bepaling van de nationale rechtsorde aldus uit te leggen dat een conflict met een andere bepaling van nationaal recht wordt vermeden, of om de strekking van die bepaling met dit doel te beperken door haar slechts toe te passen voor zover zij met die andere bepaling verenigbaar is, is de rechter verplicht dezelfde methoden te gebruiken om het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken.

67.      Zoals het Hof herhaaldelijk heeft verklaard, vindt deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht evenwel haar beperking in de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel, in dier voege dat zij niet kan dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.(27)

68.      Uit de verwijzingsbeschikking kan niet expliciet worden afgeleid of een richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht wel mogelijk is. Uit een beoordeling van het prejudiciële verzoek in zijn geheel kan echter worden geconcludeerd dat de verwijzende rechter kennelijk als enige uitweg om tot een richtlijnconform uitleggingsresultaat te komen, de optie ziet om de litigieuze regeling buiten toepassing te laten. Gelet op het feit dat de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeschikking de rechtspraak van het Hof over de grenzen van deze uitleggingsmethode heeft aangehaald, kan ervan worden uitgegaan dat een richtlijnconforme uitlegging in het hoofdgeding niet mogelijk is zonder het nationale recht contra legem uit te leggen.

b)      Mogelijke alternatieven

69.      Nagegaan moet dus worden of het de nationale rechter onder bepaalde voorwaarden toch is toegestaan de litigieuze regeling in een relatie tussen particulieren buiten toepassing te laten. Naar mijn mening komen drie verschillende opties in aanmerking, die ik afzonderlijk zal toelichten en op hun uitvoerbaarheid bespreken.

70.      Allereerst moet worden onderzocht of rechtstreekse toepasselijkheid van het grondrecht van artikel 31, lid 2, van het Handvest in aanmerking komt.(28) Vervolgens zal ik bezien of het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon als een algemeen beginsel van Unierecht kan worden gekwalificeerd en rechtstreeks kan worden toegepast in een relatie tussen particulieren.(29) Tot slot volgt een kritische beschouwing van de beslissing van het Hof in het arrest Kücükdeveci, om te bezien of deze op de onderhavige zaak kan worden toegepast.(30)

i)      Rechtstreekse toepasselijkheid van het grondrecht van artikel 31, lid 2, van het Handvest

71.      Een eerste optie zou, zoals reeds aangeduid, kunnen bestaan in de rechtstreekse toepassing van het in artikel 31, lid 2, van het Handvest verankerde grondrecht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.

–       Toepasselijkheid van het Handvest

72.      Ook al had het Handvest oorspronkelijk vooral een declaratoir karakter als uitdrukking van de verbintenis van de Unie tot eerbiediging van de grondrechten, behoort het sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 blijkens artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) definitief tot het primaire recht van de Unie.(31) Dit heeft tot gevolg dat handelingen van de instellingen van de Unie op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd ingevolge de in artikel 51, lid 1, van het Handvest verankerde bindende werking van grondrechten thans aan die bepaling moeten worden getoetst. Ook de lidstaten worden erdoor gebonden voor zover zij uitvoering geven aan het Unierecht.(32)

73.      Gelet op de omstandigheid dat de feiten van het hoofdgeding zich hebben afgespeeld in de jaren 2005 tot en met 2007, dus op een tijdstip waarop het Handvest nog niet in werking was getreden, moet de toepasselijkheid van het Handvest ratione temporis strikt genomen worden afgewezen. Dan wordt echter buiten beschouwing gelaten, dat de rechters van de Unie aan het Handvest reeds lang voor zijn formele integratie in de Unierechtsorde een belangrijke betekenis hebben toegekend bij de uitlegging van het Unierecht.(33) Er bestaat geen bezwaar tegen gebruikmaking van het Handvest als hulpmiddel bij de uitlegging, temeer niet daar het Handvest de rechten bekrachtigt die in tal van rechtsinstrumenten zijn neergelegd en voortvloeien uit de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, waardoor het Handvest uiteindelijk kan worden beschouwd als neerslag van het Europese waardenstelsel.

74.      Sinds de inwerkingtreding die inmiddels heeft plaatsgevonden, is het bindende karakter van het Handvest bij de uitlegging thans onbetwist, wat met name wordt bevestigd door de omstandigheid dat het Hof het Handvest in punt 22 van het arrest Kücükdeveci in zijn rechtsoverwegingen heeft betrokken, ondanks het feit dat het Handvest op dat moment duidelijk nog niet van toepassing was.(34) Het lijkt dus consequent om ook in de onderhavige zaak de relevante bepalingen van het Handvest als uitgangspunt voor de uitlegging van alle andere normen van het Unierecht, waaronder de algemene rechtsbeginselen en het afgeleide recht, toe te passen. Het gaat er met name om, elke uitlegging van die normen te vermijden die mogelijk strijdig is met de waarden van het Handvest.

–       Hoedanigheid van grondrecht

75.      De kwalificatie van het recht van de werknemer op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in artikel 31, lid 2, van het Handvest als sociaal grondrecht levert volgens mij geen bijzondere moeilijkheden op. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Schultz-Hoff e.a. heb betoogd(35), is het feit dat dit recht is opgenomen in het Handvest een bevestiging dat het om een grondrecht gaat. Hierbij heb ik aansluiting gezocht bij het standpunt van advocaat-generaal Tizzano die dit reeds in zijn conclusie in de zaak BECTU had aangevoerd.(36) Voor zover ik het kan overzien, is een niet onaanzienlijk deel van de doctrine eveneens deze mening toegedaan(37), waarbij gelijksoortige argumenten worden aangevoerd, in wezen gebaseerd op de bewoordingen en de juridische constructie van deze grondrechtnorm.

76.      Inderdaad maken alleen reeds de bewoordingen van deze bepaling aannemelijk dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is geconcipieerd als „grondrecht”, waardoor een verbondenheid met de in artikel 51, lid 1, van het Handvest genoemde „beginselen”, die geen rechtstreekse subjectieve rechten in het leven roepen maar veeleer door de adressaten in het kader van hun bevoegdheden geconcretiseerd moeten worden, onmiddellijk kan worden uitgesloten. Artikel 31, lid 2, van het Handvest bepaalt namelijk dat „iedere werknemer recht heeft op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden, alsmede op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon”. Hierin komt de mensenrechtelijke kwaliteit van de garantie duidelijk tot uitdrukking, temeer daar in dit artikel de waardigheid van de mens in het arbeidsproces op de voorgrond staat.(38) Daarmee onderscheidt het zich duidelijk van andere bepalingen van titel IV („Solidariteit”) van het Handvest, die eerder in de zin van een objectiefrechtelijke garantie zo zijn geformuleerd, dat de daarin gegarandeerde rechten „erkend” of „geëerbiedigd” worden. Deze verschillende formuleringen brengen een gradatie in de intensiteit van de bescherming naargelang het rechtsgoed tot uitdrukking.(39)

77.      Overeenkomstig dit beschermingssysteem in niveaus stellen bepalingen die slechts „beginselen” bevatten en in zoverre overeenkomstig artikel 52, lid 5, eerste zin, van het Handvest in eerste instantie bindend zijn voor de wetgever bij de uitvoering, doorgaans ook vast dat bescherming alleen „overeenkomstig het recht van de Unie respectievelijk de nationale wetten en praktijken” wordt verleend.(40) Een wezenlijk kenmerk van de beginselen is namelijk dat hun toepassing vaak uitvoeringsmaatregelen veronderstelt, die overigens alleen overeenkomstig de in het Verdrag voorziene bevoegdheidsverdeling en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel kunnen worden vastgesteld.(41) Het feit dat beginselen, om effect te sorteren, wettelijke, organisatorische en praktische maatregelen van de Unie en haar lidstaten vereisen, komt tot uitdrukking in de ook voor hen geldende passage „bevorderen zij de toepassing ervan” in artikel 51, lid 1, tweede zin, van het Handvest.

78.      Dit is echter niet het geval bij artikel 31, lid 2, van het Handvest, dat in zoverre voorziet in een individueel opeisbaar recht. De omstandigheid dat artikel 31, lid 1, van het Handvest, waar het verwijst naar het „recht op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden”, relatief abstract is geformuleerd en een nadere concretisering in het tweede lid behoeft, laat zich niet als argument aanvoeren voor een kwalificatie van dit voorschrift als geheel als „beginsel” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, temeer daar grondrechtelijke normen in beginsel juist abstract geformuleerd kunnen zijn, vooral om met politieke en maatschappelijke veranderingen rekening te kunnen houden.(42) Dit geldt vooral voor sociale rechten, die vaak concretisering nodig hebben, niet in de laatste plaats vanwege de daarmee gepaard gaande kosten die een verwezenlijking van deze rechten uiteindelijk afhankelijk kunnen maken van de daadwerkelijke economische mogelijkheden van de staat.(43)

79.      Een systematische uitlegging leidt niet tot een andere conclusie. In de artikelen 28 en 29 van het Handvest wordt eveneens gesproken van een „recht” voor de betrokkenen, waardoor beide bepalingen subjectieve rechten verlenen.(44) Vanwege de nabijheid van de bepalingen tot artikel 31 van het Handvest, hun inhoudelijke samenhang en hun structurele gelijkheid moet ook bij artikel 31 van het Handvest worden uitgegaan van een subjectief recht.

–       Ontbrekende derdenwerking

Het systeem van grondrechtenbescherming van het Handvest

80.      De formulering van artikel 31 van het Handvest zou er op het eerste gezicht toe kunnen verleiden derdenwerking(45) van de norm aan te nemen en de norm rechtstreeks toe te passen op de relatie tussen werknemer en werkgever. Theoretisch zouden daardoor ook particulieren worden verplicht om rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden te garanderen. Ingevolge artikel 51, lid 1, eerste zin, is het Handvest echter alleen „tot de instellingen, organen en instanties van de Unie [gericht], alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten”. Voorts bepaalt artikel 52, lid 2, dat „de door dit Handvest erkende rechten waaraan de communautaire verdragen of het Verdrag betreffende de Europese Unie ten grondslag liggen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij die verdragen zijn gesteld”. Naar mijn mening duiden deze bepalingen op een beoogde beperking van de kring van de adressaten van de grondrechten, hetgeen weer duidelijkheid geeft omtrent de door de Uniewetgever nagestreefde wijze van grondrechtenbescherming.

81.      Dienovereenkomstig zal er slechts sprake zijn van een inbreuk op de beschermingssfeer van artikel 31 van het Handvest wanneer de Unie of de lidstaten hun werknemers geen rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden garanderen, of wanneer zij geen regelingen treffen ter bescherming van de in artikel 31 van het Handvest genoemde rechten, terwijl zij over de daarvoor vereiste bevoegdheden beschikken.(46) Deze bepaling verleent particulieren dus een subjectief recht, in eerste instantie bestaand uit een jegens hen op de Unie en haar lidstaten rustende beschermingsverplichting.

82.      Gelet op de ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 51, lid 1, eerste zin, van het Handvest kan een aantasting van een grondrecht door het handelen van een lidstaat zich slechts voordoen in het kader van de uitvoering van het Unierecht, bijvoorbeeld bij de omzetting van richtlijnen in het nationale recht.(47) Deze bepaling bevestigt tenslotte de in de rechtspraak van het Hof erkende gebondenheid van de lidstaten aan de grondrechten bij de uitvoering van het recht van de Unie.(48) Hierbij verdient echter vermelding dat degenen die de grondrechten moeten eerbiedigen, over een aanzienlijke speelruimte beschikken op uitvoeringsgebied, omdat artikel 31 van het Handvest als grondrecht met beschermingskarakter juist de vaststelling van uitvoeringsregelingen impliceert.(49)

83.      Gelet op het feit dat ten eerste artikel 51, lid 1, eerste zin, van het Handvest de kring van degenen die aan de werking van de grondrechten zijn gebonden ondubbelzinnig vastlegt, en ten tweede de functie van het grondrecht van artikel 31 van het Handvest, gelet op het doel van de regeling ervan, beperkt is tot het voorzien in een beschermingsverplichting voor de Unie en de lidstaten, moet ervan worden uitgegaan dat dit grondrecht geen rechtstreekse verplichtingen oplegt aan particulieren.(50) Als bijkomend argument tegen een rechtstreekse derdenwerking van grondrechten in het algemeen kan voorts worden aangevoerd dat particulieren ook niet kunnen voldoen aan het in artikel 52, lid 1, van het Handvest voorziene wettelijk voorbehoud („Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld”). Deze op de rechtstaat gebaseerde eis voor inbreuken op grondrechten kan zich uiteraard alleen richten tot de Unie en haar lidstaten als dragers van overheidsgezag. Particulieren kunnen daarom hoogstens indirect door regelingen ter uitvoering van de beschermingsverplichting gebonden worden.(51) Bovendien komt de grondrechtconforme uitlegging ook bij privaatrechtelijke voorschriften tot zijn recht. Dit is voor de onderhavige procedure echter verder niet relevant. Relevant is wel de vaststelling dat het in artikel 31, lid 2, van het Handvest verankerde grondrecht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet rechtstreeks van toepassing is tussen particulieren.

Het systeem van grondrechtenbescherming van het EVRM

84.      Dat een rechtstreekse bindende werking van grondrechten voor particulieren niet dwingend noodzakelijk is om in zogenoemde horizontale relaties een billijke grondrechtenbescherming te waarborgen, maar het veeleer voldoende is wanneer particulieren zich kunnen beroepen op een beschermingsverplichting van de wetgever om inbreuken op grondrechten door particulieren te verhinderen, bewijst het systeem van grondrechtenbescherming voorzien in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (EVRM).

85.      Het EVRM voorziet weliswaar niet in een met artikel 31, lid 2, van het Handvest vergelijkbaar recht op jaarlijkse vakantie, toch verdient het vermelding dat het uit het EVRM voortvloeiende niveau van grondrechtenbescherming ingevolge artikel 52, lid 3, en artikel 53 van het Handvest bepalend is voor de Unierechtsorde. Deze bepalingen moeten overeenkomstig hun strekking en doel namelijk aldus worden begrepen dat het in het Handvest gegarandeerde niveau van grondrechtenbescherming niet achter mag blijven bij de minimumnorm van het EVRM.(52) Om die reden, maar ook met het oog op een toekomstige toetreding van de Unie tot het EVRM, zoals voorzien in artikel 6, lid 2, eerste zin, VEU, lijkt het essentieel om de oplossingen in acht te nemen die geboden worden door dit pan-Europese systeem van grondrechtenbescherming.

86.      Bovendien moet worden vastgesteld dat in de grondrechtelijke waarborgen van het EVRM geen aanwijzingen voor een derdenwerking te vinden zijn, ook al zijn er bepalingen waarbij dit voor de hand lijkt te liggen.(53) Derdenwerking zou ook om processuele redenen nauwelijks te overwinnen moeilijkheden opleveren omdat verzoeken wegens overtreding van de waarborgen van het EVRM door particulieren volgens artikel 35 EVRM a priori ratione personae niet zijn toegestaan.(54) In plaats daarvan vindt de grondrechtenbescherming in de relatie tussen particulieren plaats door de beschermingsverplichting die op de staat rust en die hij door het nemen van positieve maatregelen (zogenoemde „obligations positives”) moet nakomen. Volgens dit concept is de staat verplicht om de rechtsposities van de betrokken dragers van grondrechten (slachtoffers) te verdedigen tegen inbreuken door particulieren (overtreders)(55), waarbij hij over een zekere speelruimte beschikt bij de keuze van de middelen. Alleen in bijzondere constellaties verlangt het EVRM wettelijke verboden met sancties ter bescherming van een grondrecht, bijvoorbeeld op het gebied van de bescherming van het leven in artikel 2 EVRM tegen inbreuken door particulieren. Aan zijn beschermingsverplichting door middel van wetgeving en de tenuitvoerlegging daarvan voldoet de staat wanneer hij bijvoorbeeld in het privaatrecht zorgt voor een aan het EVRM beantwoordende belangenafweging, dragers van grondrechten strafrechtelijk voldoende beschermt tegen inbreuken door particulieren of burenrechtelijke belangen behoorlijk regelt in het bestuursrecht(56). Schending van deze beschermingsverplichting wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens door middel van een veroordeling van de desbetreffende staat bindend vastgesteld.(57) Vanwege het ontbreken van een passieve legitimatie van particulieren is een dergelijke veroordeling echter niet verbonden aan een medeverantwoordelijkheid van de overtreder, aan wie de inbreuk op de grondrechten uiteindelijk te wijten is.

87.      Dit korte overzicht laat reeds zien dat de dogmatiek van de beschermingsverplichting, waarop het systeem van de grondrechtenbescherming van het EVRM berust, een bindende werking van de grondrechten jegens particulieren overbodig maakt omdat zij billijke oplossingen biedt voor de rechtsvragen die doorgaans in het kader van de derdenwerking worden besproken.(58) Men kan dus niet stellen dat het beschermingsniveau van grondrechten in de Unie achterblijft bij dat van het EVRM wanneer rechtstreekse werking van de grondrechten van het Handvest in horizontale relaties van de hand wordt gewezen.

–       Slotsom

88.      De verwijzende rechter kan zich dus niet op artikel 31, lid 2, van het Handvest baseren om nationaal recht dat strijdig is met het Unierecht en niet richtlijnconform kan worden uitgelegd, in een geschil tussen particulieren buiten toepassing te laten.

ii)    Rechtstreekse toepasselijkheid van een eventueel algemeen rechtsbeginsel

89.      Een andere denkbare benadering zou zijn om een algemeen rechtsbeginsel van Unierecht, dat voorziet in een recht van de werknemer op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, in een relatie tussen particulieren toe te passen.

90.      Voor deze benadering is echter opheldering van twee wezenlijke vragen vereist. Enerzijds moet worden onderzocht of het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon binnen de Unierechtsorde wel de rang van algemeen rechtsbeginsel bezit. Anderzijds moet worden opgehelderd of dit algemene rechtsbeginsel eventueel ook in de relatie tussen particulieren van toepassing is.

–       Rang van het recht op jaarlijkse vakantie binnen de Unierechtsorde

Het begrip algemeen rechtsbeginsel

91.      Als inleiding tot het onderzoek van de eerste vraag wil ik kort ingaan op het begrip en de functie van de algemene rechtsbeginselen in het Unierecht.

92.      De algemene rechtsbeginselen van het Unierecht nemen binnen de rechtspraak van het Hof een bijzondere plaats in. Toch is het begrip algemene rechtsbeginselen tot op heden omstreden.(59) Noch de literatuur, noch de rechtspraak hanteert een uniforme terminologie. Voor een deel hebben de verschillen enkel betrekking op de woordkeuze, bijvoorbeeld wanneer het Hof en de advocaten-generaal verwijzen naar een „algemeen erkende rechtsregel”(60), „een in het recht van de deelnemende staten algemeen erkend beginsel”(61), „een elementair rechtsbeginsel”(62), „een fundamenteel beginsel”(63), een algemeen „beginsel”(64), „regel”(65) of het „algemene gelijkheidsbeginsel dat tot de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht behoort”(66).

93.      In ieder geval bestaat echter overeenstemming, dat de algemene rechtsbeginselen vanwege hun aanvullende werking en hun functie als uitleggingsinstrument in de rechtspraak van groot belang zijn.(67).Dit is niet in de laatste plaats het gevolg van het feit dat de Unierechtsorde een rechtsorde in ontwikkeling is, die, open als zij staat voor de voortschrijdende eenwording, noodzakelijkerwijs onvolledig en uitleggingsbehoeftig is. Het is vermoedelijk dit besef dat het Hof heeft doen afzien van een precieze rubricering van de algemene rechtsbeginselen, teneinde voldoende armslag te houden om de los van de terminologische verschillen opkomende feitelijke vragen te kunnen beantwoorden.(68) Bovendien hebben de algemene rechtsbeginselen betekenis in hun functie als norm voor de beoordeling van de rechtmatigheid en geldigheid van Uniehandelingen(69) en als basis voor de ontwikkeling van het rechtersrecht(70).

94.      Volgens een in de rechtsliteratuur verdedigde definitie behoren tot de algemene rechtsbeginselen die fundamentele bepalingen van het ongeschreven primaire Unierecht, die inherent zijn aan de rechtsorde van de Europese Unie of gemeenschappelijk zijn aan alle rechtsstelsels van de lidstaten.(71) In beginsel kan worden onderscheiden tussen algemene beginselen van Unierecht in strikte zin, dat wil zeggen enerzijds de uitsluitend op basis van de geest en de systematiek van de Verdragen ontwikkelde rechtsbeginselen betrekking hebbend op specifieke Unierechtelijke problemen, en anderzijds de algemene rechtsbeginselen die gemeenschappelijk zijn aan de nationale rechts‑ en constitutionele stelsels van de lidstaten.(72) Terwijl de eerste categorie algemene rechtsbeginselen rechtstreeks uit het primaire Unierecht kan worden afgeleid, gaat het Hof wat de rechtsbeginselen van de tweede categorie betreft in wezen uit van een kritisch-normerende rechtsvergelijking(73), daarbij geenszins het criterium van de kleinste gemeenschappelijke noemer hanterend. Evenmin behoeven de aldus geformuleerde rechtsbeginselen in hun concrete uiteindelijke definitie op Unieniveau altijd in alle vergeleken rechtsstelsels tegelijk voor te komen.(74)

95.      Kenmerkend voor de algemene rechtsbeginselen is dat zij fundamentele beginselen van de Unie en haar lidstaten belichamen, hetgeen hun primairrechtelijke status binnen de normenhiërarchie van de Unierechtsorde verklaart.(75) Van bijzondere betekenis is de door de Unierechter in dit algemene kader ontwikkelde en gewaarborgde grondrechtenbescherming in engere zin, alsmede de uitwerking van aan grondrechten gelijkwaardige procedurele rechten, die als algemene beginselen van de rechtsstaat de rang van constitutioneel recht van de Unie hebben gekregen.(76) Tot de algemene rechtsbeginselen worden bijgevolg ook die beginselen gerekend, die nauw samenhangen met de structuurbeginselen van de Europese Unie genoemd in artikel 2 VEU, zoals vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het rechtsstaatbeginsel, en die welke hieruit kunnen worden afgeleid. Schending ervan door een lidstaat kan het bijzondere sanctiemechanisme van artikel 7 VEU in werking stellen.

96.      Als algemene beginselen van Unierecht zijn bijvoorbeeld erkend belangrijke rechtsstatelijke beginselen als het evenredigheidsbeginsel(77), het vereiste van rechtsduidelijkheid(78) of het recht van de justitiabele op een doeltreffende bescherming in rechte(79). Hiertoe behoren ook verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen(80), de beginselen van „ne bis in idem”(81), hoor en wederhoor(82), ook in de vorm van de mogelijkheid tot stellingname in geval van een bezwarende maatregel(83), het motiveringsvereiste voor handelingen van de instellingen(84) of het beginsel van ambtshalve onderzoek(85). Ook het beroep op „overmacht”(86) maakt hiervan deel uit. Er kunnen evenwel ook beginselen worden genoemd die eigen zijn aan het contractenrecht, zoals het algemene rechtsbeginsel pacta sunt servanda(87) of het beginsel clausula rebus sic stantibus(88).

97.      Tot de sfeer van de verzorgingsstaat behoren bijvoorbeeld de erkenning van het solidariteitsbeginsel(89) of de zorgplicht van een instelling jegens haar personeelsleden(90). Tot de erkenning van de federale bindingen binnen de Europese Unie behoort het vaak genoemde beginsel van samenwerking tussen de lidstaten en hun medewerkingsverplichtingen jegens de Unie. Uit artikel 10 EG heeft het Hof zo het beginsel van de wederzijdse gemeenschapstrouw(91) ontwikkeld. Voorts heeft het Hof zich uitgesproken voor het democratiebeginsel door bijvoorbeeld te wijzen op de noodzaak van daadwerkelijke deelneming van het Europees Parlement aan het wetgevingsproces van de Unie volgens de hiertoe in het Verdrag neergelegde procedures.(92)

98.      Tot de grondrechten van de Unie die het Hof door middel van de reeds genoemde normerende rechtsvergelijking alsook met inachtneming van internationale en Europese mensenrechtenverdragen heeft erkend, behoren zulke voor een liberale en democratische samenleving kenmerkende grond‑ en mensenrechten als de vrijheid van meningsuiting(93) en de vrijheid van vereniging(94). Evenzo behoren hiertoe de fundamentele beginselen die rechtstreeks uit de Verdragen voortvloeien, zoals het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit(95) en het verbod van discriminatie naar geslacht(96).

Het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in de Europese Unie

99.      Het is de vraag of het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon voldoet aan de eisen van de rechtspraak betreffende de algemene rechtsbeginselen. Zoals bij de hierboven genoemde voorbeelden zou een dergelijk recht op het gebied van het arbeidsrecht van de Unie van zo fundamentele betekenis moeten zijn dat het in talrijke normen van het primaire recht respectievelijk van het afgeleide Unierecht tot uitdrukking is gekomen.

100. Voorts kunnen de vele internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens en de rechten van werknemers, waartoe de lidstaten van de Unie zijn toegetreden, als kenbron worden aangemerkt.

101. Tot slot moet het recht van de lidstaten zelf aan een onderzoek worden onderworpen. Teruggrijpen op de door het Hof herhaaldelijk toegepaste rechtsvergelijkende benadering kan namelijk duidelijk maken of dit recht volgens de constitutionele tradities(97) of in elk geval de kernbepalingen van het nationale arbeidsrecht een vooraanstaande plaats binnen de nationale rechtsordes toekomt.

–        Unierechtelijke bepalingen

102. Wat de relevante Unierechtelijke bepalingen betreft, kan worden aangeknoopt aan de eerder gemaakte opmerkingen betreffende de kwalificatie van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon als grondrecht. Zoals reeds eerder vermeld, is de codificatie in artikel 31, lid 1, van het Handvest een bevestiging van zijn vooraanstaande plaats binnen de Unierechtsorde. In dit verband herinner ik eraan dat het Handvest, zoals in de vijfde alinea van de preambule ervan te lezen is, „de rechten bevestigt die in het bijzonder voortvloeien uit de constitutionele tradities en de internationale verplichtingen die de lidstaten gemeen hebben, uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit de door de Unie en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”. Met andere woorden, het Handvest geeft niets minder dan de huidige stand van de grondrechtenbescherming in de Europese Unie weer.

103. Hoewel duidelijk is dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/104 — als voorganger van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 — heeft gediend als voorbeeld voor de formulering van artikel 31, lid 1, van het Handvest, mag daaruit niet worden geconcludeerd dat het recht op een minimale jaarlijkse vakantie met behoud van loon pas in de arbeidstijdenrichtlijn is vastgelegd. Onafhankelijk van de duur van de gewaarborgde vakantie behoorde dit recht immers reeds lang tot de internationaal erkende sociale grondrechten.

–        Internationale bepalingen

104. Op internationaal niveau wordt dit grondrecht bijvoorbeeld genoemd in artikel 24 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens(98), volgens hetwelk eenieder „recht [heeft] op rust en op eigen vrije tijd, met inbegrip van een redelijke beperking van de arbeidstijd, en op periodieke vakanties met behoud van loon”. Het wordt tevens erkend in artikel 2, punt 3, van het Sociaal Handvest van de Raad van Europa(99) alsmede in artikel 7, sub d, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten(100) als uitdrukking van het recht van eenieder op billijke en gunstige arbeidsvoorwaarden. Ook punt 8 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden legt het recht van werknemers op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon vast.(101) Laatstgenoemde bepaling is relevant omdat het Handvest grote betekenis als kenbron heeft in de rechtspraak van het Hof. Het weerspiegelt namelijk de gezamenlijke standpunten en tradities van de lidstaten en wordt beschouwd als een verklaring van fundamentele beginselen waaraan de Unie en haar lidstaten zich willen houden.(102) In het kader van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) als gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties is het recht op een minimale jaarlijkse vakantie met behoud van loon tot op heden het onderwerp van twee multilaterale overeenkomsten geweest, waarbij het op 30 juni 1973 in werking getreden verdrag nr. 132(103) het tot dan geldende verdrag nr. 52(104) heeft gewijzigd. Zij bevatten dwingende voorschriften voor de verdragsluitende staten met betrekking tot de verwezenlijking van dit sociale grondrecht in hun nationale rechtsordes.

105. Deze internationale handelingen verschillen echter zowel qua inhoud als qua normatieve draagwijdte, aangezien het in enkele gevallen om volkenrechtelijke verdragen gaat, in andere daarentegen enkel om plechtige verklaringen die juridisch niet verbindend zijn.(105) Ook is de personele werkingssfeer ervan verschillend, zodat de kring van begunstigden geenszins gelijk is. Bovendien is er voor de ondertekenende staten als adressaten van de handeling in de regel een ruime beoordelingsmarge op uitvoeringsgebied, zodat de begunstigden zich niet rechtstreeks op dat recht kunnen beroepen.(106) Niettemin is het veelzeggend dat het recht op vakantie met behoud van loon in al deze internationale handelingen in eenduidige bewoordingen tot de grondrechten van de werknemers wordt gerekend.

–        Rechtsordes van de lidstaten

106. Sociale rechten zijn op het niveau van het constitutioneel recht zeer verschillend ontwikkeld. Zo bevatten meerdere, maar niet alle grondwetsteksten waarborgen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, die het recht op rust van de werknemers omvatten.

107. Artikel 11, lid 5, van de Luxemburgse grondwet en artikel 40, lid 2, van de Spaanse grondwet bijvoorbeeld, leggen de staat de verplichting op om gezonde arbeidsvoorwaarden te creëren en de rust van de werknemers te waarborgen, respectievelijk daarvoor te zorgen.(107) Een veel uitgebreidere regeling, die veel dichter bij de formulering in artikel 31 van het Handvest staat, is te vinden in artikel 36 van de Italiaanse grondwet, dat onder meer voorziet in een recht op een wekelijkse rustdag en een jaarlijkse vakantie met behoud van loon. De Portugese grondwet schijnt een van de voorbeelden geweest te zijn voor de regeling in het Handvest, omdat artikel 59, lid 1, sub d, van die grondwet het recht op rust en vrije tijd, maximering van de dagelijkse arbeidstijd, een wekelijks rustpauze en een periodieke vakantie met behoud van loon vastlegt.(108) Toch moet worden vastgesteld dat de in deze grondwetten gedetailleerd en subjectief geformuleerde sociale grondrechten in het algemeen slechts als taakstellend voor de staat en niet als rechtstreeks opeisbare rechten worden beschouwd.(109)

108. In de meeste oude lidstaten van de Europese Unie is het recht op minimale jaarlijkse vakantie met behoud van loon gefundeerd op gewone wetten waarin de betrokken voorschriften van het secundaire recht van de richtlijnen zijn overgenomen, voor zover het Unierechtelijke toepassinggebieden betreft. Dit geldt bijvoorbeeld voor het Duitse recht, dat in artikel 20, lid 1, van de grondwet als staatsdoel weliswaar het „beginsel van de sociale staat” erkent, waaruit verschillende sociale minimumrechten kunnen worden afgeleid, maar de regeling van de jaarlijkse vakanties verder aan de wetgever overlaat.(110) Desondanks bevatten de grondwetten van de Duitse deelstaten echter een veelvoud aan sociale garanties en beginselen, die onder meer ook de verplichting opleggen aan de deelstaatwetgever te voorzien in voldoende vakantie met behoud van loon.(111)

109. In de nieuwe lidstaten, met uitzondering van Cyprus, is dit recht daarentegen zeer uitgebreid gecodificeerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor artikel 36, sub f, van de Slowaakse, artikel 66, lid 2, van de Poolse, artikel 70/B, lid 4, van de Hongaarse, artikel 107 van de Letse, artikel 41, lid 2, van de Roemeense, artikel 48, lid 5, van de Bulgaarse, artikel 13, lid 2, van de Maltese en artikel 49, lid 1, van de Litouwse grondwet, die de minimale jaarlijkse vakantie met behoud van loon uitdrukkelijk waarborgen. De arbeidsvoorwaarden in het algemeen worden genoemd in de Sloveense grondwet (artikel 66), de Tsjechische grondwet (artikel 28) en de Estse grondwet (artikel 29, lid 4)(112).

–        Gevolgtrekkingen

110. De betekenis van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon wordt in de rechtspraak van het Hof reeds lang erkend. Volgens vaste rechtspraak is het „een bijzonder belangrijk beginsel van communautair sociaal recht”, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk in richtlijn 2003/88 zelf zijn bepaald. Toch heeft het Hof tot op heden niet eenduidig uitgesproken dat het om een algemeen rechtsbeginsel van Unierecht gaat. De omstandigheid dat in de rechtspraak bij de aanduiding van deze algemene rechtsbeginselen(113) geen uniforme terminologie wordt gebruikt, maakt een ondubbelzinnige rubricering extra moeilijk.

111. Het bovenstaande rechtsvergelijkende onderzoek laat echter zien dat de gedachte volgens welke de werknemer recht heeft op periodieke rust ingebed is in de rechtsordes van de Unie en haar lidstaten. Het feit dat deze gedachte zowel op het niveau van de Unie(114) als in meerdere lidstaten constitutionele rang heeft(115), pleit reeds voor de vooraanstaande plaats van dit recht, die een kwalificatie als algemeen beginsel van Unierecht aannemelijk maakt.

112. Het is daarbij niet van belang dat niet alle lidstaten dit recht binnen hun rechtsorde constitutionele rang toekennen(116), want het wordt in elk geval beschouwd als een kernpunt van het nationale recht, en wel ongeacht of het om een privaat- of publiekrechtelijke arbeidsrelatie gaat, wat overigens ook door de rechtspraak van het Hof wordt erkend(117). Doordat het recht niet is beperkt tot een bepaald rechtsgebied, maar veeleer sectoroverstijgend, voor een veelvoud van beroepsvelden zowel op het gebied van het arbeids- als op het ambtenarenrecht in alle lidstaten geldt, maakt het recht op jaarlijkse vakantie aanspraak op de algemene gelding die kenmerkend is voor algemene rechtsbeginselen en die hen onderscheidt van specifieke rechtsregels.(118) Op het gebied van de Uniewetgeving is het niet anders, want zoals ik onlangs in mijn conclusie in de zaak C‑155/10 (Williams e.a.) heb aangegeven(119), voorzien ook de richtlijnen betreffende de organisatie van de arbeidstijd, die vanwege de bijzonderheden van individuele beroepsvelden sectorspecifieke regelingen bevatten(120), die in zo verre kunnen worden beschouwd als lex specialis ten opzichte van de regeling in richtlijn 2003/88, in eigen bepalingen met betrekking tot het vakantierecht.

113. Bovendien bezit het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon inhoudelijk een minimum aan normatieve bepaaldheid, wat doorgaans als voorwaarde voor erkenning als algemeen rechtsbeginsel wordt beschouwd(121). Dit wordt enerzijds bevestigd door een vergelijking met enkele in de rechtspraak erkende rechtsbeginselen, zoals bijvoorbeeld het reeds genoemde „democratiebeginsel” of het „solidariteitsbeginsel”, die zich kenmerken door hun abstractheid. Anderzijds blijkt dit uit de duidelijkheid van het doel van het recht. Ongeacht de noodzakelijke vormgeving door de wetgever beoogt het recht op jaarlijkse vakantie in wezen een tijdelijke vrijstelling van de werknemer van de contractuele arbeidsverplichting. Doordat dit recht in elk geval voldoet aan de minimale eisen van inhoudelijke bepaaldheid, voldoet het ook aan de voorwaarden om als algemeen rechtsbeginsel te worden beschouwd.

114. Op grond van het bovenstaande kan worden vastgesteld dat een aantal argumenten ervoor pleit, het recht op jaarlijkse vakantie de rang van algemeen rechtsbeginsel binnen de Unierechtsorde toe te kennen.

–       Toepasselijkheid van het algemene rechtsbeginsel tussen particulieren

115. Voorts moet worden verduidelijkt of dit algemene rechtsbeginsel ook in de relatie tussen particulieren kan worden toegepast.

Fundamentele mogelijkheid van rechtstreekse toepassing

116. In de rechtspraak van het Hof wordt erkend dat particulieren zich tegenover de staat kunnen beroepen op de algemene rechtsbeginselen.(122) Het Hof heeft daarentegen tot op heden geen uitdrukkelijk standpunt ingenomen met betrekking tot de fundamentele vraag of de grondrechten als algemene rechtsbeginselen rechtstreeks toepasselijk zijn in relaties tussen particulieren.

117. Deze vraag verdient juist vanwege de betekenis van de individuele grondrechtenbescherming bijzondere aandacht. Want enerzijds kan met verwijzing naar de oorsprong en het doel van de algemene rechtsbeginselen worden aangevoerd dat deze er in eerste instantie toe dienen particulieren te beschermen tegen ingrepen van het openbaar gezag, wat betekent dat er geen sprake is van een rechtstreekse toepassing tussen particulieren. Anderzijds kan de mening worden gehuldigd dat in een moderne staat de traditionele tegenstelling „publiek/privaat” achterhaald is. Er zijn inderdaad situaties te bedenken waarin bescherming van grondrechten tegen particuliere instellingen net zo noodzakelijk is als tegen overheidsinstanties, met als gevolg dat het niet verlenen van grondrechtenbescherming gelijk zou staan aan een grondrechtenschending.(123)

118. Dit is bijvoorbeeld het geval bij arbeidsrelaties zoals in de onderhavige zaak, temeer daar een arbeidsrelatie — en wel ongeacht of deze in het individuele geval privaat- of publiekrechtelijk van aard is — doorgaans wordt gekenmerkt door een asymmetrische machtsrelatie tussen werkgever en werknemer.(124) Omdat het vaak van het toeval afhangt of de werkgever een particulier of de overheid is(125), is het moeilijk te onderbouwen waarom de grondrechtenbescherming naargelang van de situatie zou moeten verschillen.

119. Voor een gebondenheid van particulieren aan de grondrechten als algemene rechtsbeginselen pleiten niet in de laatste plaats het beginsel van het nuttig effect in het Unierecht en de eenheid van de Unierechtsorde. Het Unierecht kan via derdenwerking van de grondrechten op vele gebieden een grotere werking krijgen. Terwijl de lidstaten vanwege hun gebondenheid aan de grondrechten het Unierecht alleen in overeenstemming met de grondrechten mogen toepassen, kunnen particulieren de nuttige werking van het Unierecht in het kader van hun rechtsbetrekkingen in gevaar brengen wanneer zij de grondrechten op Unierechtelijk gedetermineerde gebieden mogen schenden. Daarin zou een bedreiging van de eenheid van het Unierecht liggen.(126)

120. Een onderzoek van de rechtspraak tot nu toe laat een vergelijkbare benadering in deze richting zien in de argumentatie van het Hof.

121. Aanwijzingen voor een rechtstreekse toepasselijkheid van algemene rechtsbeginselen tussen particulieren zijn bijvoorbeeld af te leiden uit het arrest Defrenne(127), waar het Hof heeft vastgesteld dat het in artikel 119 EEG (artikel 157 VWEU) neergelegde beginsel voorziet in een recht op gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, waarop betrokkenen zich bij de nationale rechter kunnen beroepen en waarbij het irrelevant is of het gaat om een relatie met een publieke of met een particuliere werkgever.

122. Bovendien kunnen aanwijzingen worden afgeleid uit de rechtspraak met betrekking tot de toepassing van de fundamentele vrijheden tegenover particulieren, bijvoorbeeld het arrest Walrave(128), waar het Hof heeft bepaald dat het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in de artikelen 7, 48 en 59 EEG (artikelen 18, 45 en 56 VWEU) niet alleen geldt voor het optreden van overheidsinstanties, maar zich ook uitstrekt tot maatregelen van andere aard — in bedoelde zaak van een sportbond — strekkende tot collectieve regeling van arbeid in loondienst en dienstverrichtingen. De motivering van het Hof luidde dat de opheffing van belemmeringen van het vrije verkeer van personen en het vrij verrichten van diensten in gevaar zou worden gebracht, indien de opheffing van door de staten ingestelde belemmeringen kan worden ontkracht door belemmeringen voortvloeiend uit krachtens hun eigen rechtsbevoegdheid door niet onder het publiekrecht vallende verenigingen of lichamen verrichte handelingen. Dat bovendien, waar de arbeidsvoorwaarden in de verschillende lidstaten nu eens worden beheerst door bepalingen van wet of verordening, dan weer door overeenkomsten en andere rechtshandelingen van privaatrechtelijke aard, een beperking van de betrokken verboden tot het overheidsoptreden ongelijkheden in hun toepassing kan doen ontstaan.(129) Later heeft het Hof in het arrest Bosman(130) vastgesteld dat die primairrechtelijke bepalingen met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers ook van toepassing zijn op de transferregels van de internationale voetbalbonden FIFA („Fédération Internationale de Football Association”) en UEFA („Union des Associations Européennes de Football”).

123. Anderzijds is het onzeker of uit de arresten Walrave en Bosman zonder meer de conclusie van een algemene rechtstreekse toepassing van grondrechten in de vorm van algemene rechtsbeginselen in relaties tussen particulieren getrokken kan worden, temeer daar het in beide zaken ging om de toepasselijkheid van de fundamentele vrijheden op particuliere organisaties die een bepaalde regelgevende bevoegdheid bezaten en daarom een quasi-publiekrechtelijk karakter hadden. Men zou dus kunnen menen dat het oordeel van het Hof werd ingegeven door de bijzondere omstandigheden in die zaken. Indien dit standpunt wordt overgenomen dan mogen er, gelet op het feit dat verweerder in het hoofdgeding geen particuliere organisatie met regelgevende bevoegdheden is, geen parallellen worden getrokken.

124. Als verdere aanwijzing voor een rechtstreekse toepasselijkheid van algemene rechtsbeginselen in relaties tussen particulieren kan worden verwezen naar het arrest in de zaak Angonese, waar het ging om de toegang tot arbeid in een particuliere bank en het Hof besliste dat „het in [artikel 45 VWEU] geformuleerde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit [...] op particulieren van toepassing” is.(131)

125. Tot slot mag in dit verband het arrest Kücükdeveci(132) niet onvermeld blijven, waar het Hof het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, dat als algemeen rechtsbeginsel binnen de Unierechtsorde voor de eerste keer erkend is in het arrest Mangold(133), op een arbeidsrelatie tussen particulieren heeft toegepast. Het Hof heeft de rechtstreekse toepasselijkheid van het algemene rechtsbeginsel gemotiveerd met een eigen benadering, die niet in de laatste plaats vanwege haar innovatieve karakter een nader onderzoek in dogmatisch opzicht behoeft. Op deze plaats verwijs ik dus reeds naar mijn opmerkingen verderop(134) over deze benadering, waarop ik separaat en gedetailleerd zal ingaan.

126. Samenvattend stel ik vast dat volgens deze rechtspraak een rechtstreekse toepasselijkheid van grondrechten in de vorm van algemene rechtsbeginselen in relaties tussen particulieren niet principieel is uitgesloten.(135)

Risico van discrepantie met de bepalingen van het Handvest

127. Met de inwerkingtreding van het Handvest heeft het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon nu zijn basis in artikel 31, lid 2, daarvan. Een door het Hof eventueel op basis van de bovenstaande overwegingen te ontwikkelen algemeen rechtsbeginsel dat in wezen voorziet in hetzelfde recht, kan niettemin een zelfstandige plaats innemen omdat artikel 6 VEU het Handvest en de uit algemene rechtsbeginselen voortvloeiende grondrechten in de leden 1 en 3 uitdrukkelijk en naast elkaar vermeldt.(136) Wat de verhouding van de rechten van het Handvest tot de rechten uit algemene rechtsbeginselen betreft kan uit deze bepalingen worden afgeleid dat zij op voet van gelijkheid naast elkaar staan.(137) Dienovereenkomstig kunnen zij ook cumulatief worden toegepast, zodat particulieren niet kan worden ontzegd zich op de verdergaande waarborg te beroepen. Inhoudelijk zullen zij elkaar echter in hoge mate dekken want enerzijds bekrachtigt het Handvest, zoals blijkt uit de preambule, de rechten die voortvloeien uit de door het Hof gebruikte kenbronnen, en anderzijds vormt het een indicatie voor de inhoud van de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Toch is niet uit te sluiten dat de uit algemene rechtsbeginselen afgeleide en zich verder ontwikkelende grondrechten een ruimere bescherming bieden dan die van het Handvest.(138)

128. Voor zover hierna wordt uitgegaan van een parallelle gelding van de grondrechten van het Handvest en de algemene rechtsbeginselen in de Unierechtsorde, wijs ik erop dat een rechtstreekse toepassing van een rechtsbeginsel dat voorziet in een recht op jaarlijkse vakantie, op zijn minst in een geschil tussen particulieren het risico van discrepanties in zich houdt. Zoals reeds uiteengezet, moet artikel 51, lid 1, eerste zin, van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het in artikel 31, lid 2, van het Handvest verankerde grondrecht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet rechtstreeks van toepassing is tussen particulieren. Particulieren toch toestaan zich op het algemene rechtsbeginsel te beroepen, zou echter leiden tot het omzeilen van de door de Uniewetgever in het Handvest aangebrachte beperking van de kring van degenen die aan de werking van de grondrechten zijn gebonden.

129. Het vereiste van een coherente grondrechtenbescherming gebiedt evenwel dat beide grondrechten zo veel mogelijk gecoördineerd worden uitgelegd.(139) Omdat de grondrechten voortvloeiend uit de algemene rechtsbeginselen en vooral de rechtspraak van het Hof ter zake volgens punt 5 van de preambule van het Handvest geïntegreerd moeten worden in de uitlegging van de grondrechten van het Handvest, mag er geen inhoudelijke tegenstrijdigheid zijn tussen de twee categorieën grondrechten. Veeleer is een harmoniserende uitlegging vereist waar het grondrecht van het Handvest dat toestaat.(140)

130. In de onderhavige zaak is geen harmoniserende uitlegging mogelijk bij rechtstreekse toepassing van het algemene rechtsbeginsel in de relatie tussen werknemer en werkgever. De beslissing van de Uniewetgever om de grondrechtenbescherming — in het hoofdgeding via artikel 31, lid 2, van het Handvest — alleen indirect door oplegging van een beschermingsverplichting aan de Unie en haar lidstaten te waarborgen, zou worden doorkruist indien langs de weg van de ongeschreven algemene rechtsbeginselen uiteindelijk toch de mogelijkheid van derdenwerking werd geopend, daaronder begrepen het recht om van de nationale rechter te verlangen dat hij met het Unierecht strijdig nationaal recht buiten toepassing laat in relaties tussen particulieren. Om discrepanties te vermijden, zou rechtstreekse toepasselijkheid van het algemene rechtsbeginsel moeten worden afgewezen.(141)

131. Toch moet er nadrukkelijk op worden gewezen dat deze opmerkingen slechts gelden voor zover het bij het grondrecht van artikel 31, lid 2, van het Handvest en het algemene rechtsbeginsel gaat om hetzelfde grondrecht, respectievelijk om grondrechten met dezelfde beschermingsomvang. Zoals in de inleiding is uiteengezet, kan echter niet worden uitgesloten dat de uit algemene rechtsbeginselen afgeleide en zich verder ontwikkelende grondrechten een ruimere bescherming waarborgen dan de grondrechten van het Handvest. In dat geval kan de discrepantie met artikel 51, lid 1, eerste zin, van het Handvest in bepaalde omstandigheden vervallen.

132. De hierna volgende opmerkingen gelden alleen voor het geval dat het Hof in de toepassing van een op het waarborgen van jaarlijkse vakantie gericht algemeen rechtsbeginsel in relaties tussen particulieren geen discrepantie ziet met artikel 51, lid 1, eerste zin, van het Handvest.

Overdraagbaarheid naar het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon      

133. Nu een rechtstreekse toepasselijkheid van grondrechten in de vorm van algemene rechtsbeginselen in relaties tussen particulieren in beginsel niet kan worden uitgesloten, zal ik thans nagaan of aan de hiervoor geldende voorwaarden is voldaan.

–        Toekenning van een subjectief recht

134. Daartoe moet het hier aan de orde zijnde recht op jaarlijkse vakantie allereerst de toekenning van subjectieve rechten beogen. Zoals reeds aangevoerd, waarborgt het algemene rechtsbeginsel een subjectief recht door de basis te leggen voor een recht van de werknemer jegens de werkgever, namelijk in wezen om tijdelijk te worden vrijgesteld van de contractuele arbeidsverplichting om een redelijke tijd voor rust te hebben. In dit opzicht wordt voldaan aan de eerste voorwaarde voor rechtstreekse toepasselijkheid.

–        Inhoudelijk onvoorwaardelijk en voldoende bepaald

135. Voorts moet het algemene rechtsbeginsel inhoudelijk onvoorwaardelijk en voldoende bepaald zijn om het tegenover de werkgever als particulier te kunnen inroepen. Inhoudelijk onvoorwaardelijk is een bepaling wanneer deze zonder voorbehoud en zonder voorwaarden toepasselijk is en geen enkele nadere handeling vereist van de instellingen van de lidstaten of de Unie.(142) Voldoende nauwkeurig bepaald is een bepaling wanneer deze ondubbelzinnig een verplichting schept(143), dus juridisch perfect is en als zodanig door iedere rechterlijke instantie kan worden toegepast(144).

136. Het is onzeker of in het geval van het recht op jaarlijkse vakantie aan deze voorwaarden is voldaan, temeer daar onduidelijk is hoe ver het beschermingsgebied van het algemene rechtsbeginsel daadwerkelijk reikt. Omdat de omvang van tevoren niet ondubbelzinnig en uitputtend kan worden bepaald, moet in elk afzonderlijk geval worden onderzocht of het beschermingsgebied eventueel door een handeling van de Unie en/of haar lidstaten wordt geraakt. Dit is de taak van het Hof, dat bevoegd is tot uitlegging van de algemene rechtsbeginselen van het Unierecht.(145)

137. Om voldoende bepaald te zijn, zou het algemene rechtsbeginsel meerdere aspecten van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moeten omvatten, die echter ten behoeve van hun doelmatigheid alleen door de wetgever zelf zouden moeten worden geregeld om ervoor te zorgen dat ze passend en voldoende flexibel aansluiten bij de eisen van de tijd. Deze te regelen aspecten hebben bijvoorbeeld betrekking op het aantal toe te kennen vakantiedagen, waarbij onder meer de vraag rijst of dit een precies vastgelegd aantal of eerder een minimumaantal dagen moet zijn. Voorts zou het algemene rechtsbeginsel, om rechtstreeks jegens de werkgever inroepbaar te zijn, moeten bepalen hoe de vakantiedagen over het jaar verdeeld moeten zijn opdat de jaarlijkse vakantie zijn rustfunctie kan vervullen. Bovendien zou het algemene rechtsbeginsel rekening moeten houden met de bijzonderheden van elke economische sector door, voor zover vereist, te voorzien in specifieke regelingen voor individuele sectoren.

138. Dat dit niet mogelijk is, ligt voor de hand. Want enerzijds kan een zodanig omvangrijk algemeen rechtsbeginsel niet bestaan zonder tegelijkertijd de begripmakende begrenzing van de specifieke rechtsregels aan te tasten.(146) Anderzijds wil ik eraan herinneren dat de regeling van deze bijzonderheden tot de eigen bevoegdheid van de wetgever behoort. Niet in de laatste plaats daarom laten ook de grondwetten van de lidstaten die het recht op jaarlijkse vakantie expliciet als grondrecht erkennen, de regeling van uitvoeringsmodaliteiten over aan de nationale wetgever. Vergelijkbaar is het op Unieniveau in de relatie tussen artikel 31 van het Handvest en richtlijn 2003/88.

139. De wetgevingsbevoegdheid van de Unie wordt overeenkomstig de Verdragen gezamenlijk uitgeoefend door de Raad en het Europees Parlement. Het regelingsprerogatief waarover zij als wetgever beschikken op het gebied van het vakantierecht als onderdeel van het sociale recht van de Unie moet in elk geval geëerbiedigd worden. Niet alleen de hierboven aangehaalde doelmatigheidsoverwegingen dwingen daartoe, maar ook het institutionele evenwicht binnen de Unie. Dit laatste is niet gebaseerd op het beginsel van de machtenscheiding in staatsrechtelijke zin, maar op het beginsel van functiescheiding, volgens hetwelk de functies van de Unie behoren te worden uitgeoefend door de instellingen die daartoe in de Verdragen het beste zijn uitgerust. In tegenstelling tot het beginsel van de machtenscheiding, dat het individu beoogt te beschermen door de staatsmacht te matigen, is het beginsel van de functiescheiding in het Unierecht gericht op een doeltreffende verwezenlijking van de doelen van de Unie.(147)

140. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak C‑101/08 (Audiolux) heb uiteengezet, is het Hof als instelling van de Unie in de zin van artikel 12, lid 1, VEU eveneens een onderdeel van dit institutionele evenwicht.(148) Deze omstandigheid brengt mee dat het Hof in zijn hoedanigheid van rechtsprekende instelling van de Unie, die tot taak heeft om in het kader van zijn bevoegdheid de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag te verzekeren, de wetgevende bevoegdheden van de Raad en het Parlement respecteert.(149) Dit brengt noodzakelijkerwijs mee dat het Hof in de eerste plaats niet treedt in de in het Verdrag aan de Uniewetgever opgedragen taak wetgevend op te treden op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd, en in de tweede plaats zoals tot dusver de nodige terughoudendheid in acht neemt bij de formulering van algemene beginselen van Unierecht die onder omstandigheden kunnen botsen met doelen van de wetgever.

141. De rechtstreekse toepasselijkheid van een algemeen rechtsbeginsel met als inhoud een recht van de werknemer jegens de werkgever op jaarlijkse vakantie, zou dus in eerste instantie vereisen dat het Hof dit recht door middel van uitlegging een voldoende bepaalde normatieve inhoud verleent Daarmee zou het echter, gelet op de omvang van de noodzakelijke regelingen, uiteindelijk bevoegdheden uitoefenen die traditioneel aan de Uniewetgever zijn voorbehouden. Omdat dit om de hierboven genoemde redenen niet geoorloofd is, moet ervan worden uitgegaan dat dit algemene rechtsbeginsel in elk geval in zijn zuivere vorm niet als inhoudelijk onvoorwaardelijk kan worden aangemerkt, maar veeleer wettelijke vormgeving door de wetgever vereist.

142. Dit betekent dat het algemene rechtsbeginsel niet voldoet aan de voorwaarden om in relaties tussen particulieren rechtstreeks toepasselijk te zijn.

–       Resultaat

143. Uit de bovenstaande overwegingen vloeit voort dat de verwijzende rechter zich niet op een algemeen rechtsbeginsel kan baseren om nationaal recht dat strijdig is met het Unierecht en niet toegankelijk voor een richtlijnconforme uitlegging, in een geschil tussen particulieren buiten toepassing te laten.

iii) Toepassing van het algemene rechtsbeginsel zoals het door richtlijn 2003/88 is geconcretiseerd

144. Een andere denkbare benadering zou zijn om het bovengenoemde algemene rechtsbeginsel toe te passen zoals het door richtlijn 2003/88 is geconcretiseerd.(150)

–       De benadering van het Hof in het arrest Kücükdeveci

145. In het arrest Kücükdeveci, waarnaar enkele deelnemers aan de procedure in hun opmerkingen hebben verwezen, heeft het Hof zich van een vergelijkbare benadering bediend en daarbij de verplichting van de nationale rechter bevestigd, het verbod van discriminatie wegens leeftijd in zijn concretisering door richtlijn 2000/78 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(151) te handhaven door zo nodig elke met dit verbod strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten(152).

146. Met deze vaststelling heeft het Hof het beginsel van voorrang van het Unierecht boven het nationale recht uitgebreid naar zogenoemde horizontale relaties.(153). Deze benadering is in overeenstemming met de rechtspraak tot dusver betreffende de ontbrekende horizontale rechtstreekse werking van richtlijnen(154), in zoverre dat het Hof niet heeft geoordeeld dat richtlijn 2000/78 moet worden toegepast in een relatie tussen particulieren, maar alleen het daarin geconcretiseerde verbod van discriminatie wegens leeftijd, dat — zoals reeds vastgesteld in het arrest Mangold(155) — als bijzondere toepassing van het algemene beginsel van gelijke behandeling een algemeen beginsel van het recht van de Unie is.(156) De door het Hof in het arrest Kücükdeveci gevolgde benadering berust in wezen op de gedachte dat een algemeen beginsel zoals het verbod van discriminatie wegens leeftijd in het belang van de individuele rechtsbescherming en de effectiviteit van het recht van de Unie ook op nationaal niveau consequent moet worden gehandhaafd.(157) In dogmatisch opzicht is deze benadering een doorontwikkeling van het arrest Mangold.

147. Een rechtstreekse toepasselijkheid van het verbod van discriminatie wegens leeftijd in zijn concretisering door richtlijn 2000/78 in relaties tussen particulieren komt volgens de uiteenzetting van het Hof echter kennelijk pas in aanmerking wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet in het hoofdgeding sprake zijn van een objectief niet gerechtvaardigde ongelijke behandeling op grond van de leeftijd, wat aan de hand van de toepassingsvoorwaarden van richtlijn 2000/78 moet worden vastgesteld.(158) Ten tweede moet de relevante nationale regeling een materie behandelen die onder die richtlijn valt.(159)

–       Toepasbaarheid van deze benadering op het recht op jaarlijkse vakantie

Voorwaarden voor toepassing

148. Een overeenkomstige toepassing van deze benadering op het hoofdgeding, om de nationale rechter de bevoegdheid toe te kennen nationaal recht dat strijdig is met het Unierecht zo nodig buiten toepassing te laten, zou onder meer veronderstellen dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon los van zijn codificatie in het afgeleide recht, in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88, binnen de Unierechtsorde de rang van een algemeen rechtsbeginsel bezit, waarvoor de reeds aangehaalde argumenten pleiten.(160)

149. Als verdere voorwaarde is het bestaan van een arbeidsrelatie vereist, die in het hoofdgeding duidelijk aanwezig is. Tot slot moet er sprake zijn van een recht op vakantie overeenkomstig de voorwaarden van de richtlijn. Dit laatste garandeert dat het algemene rechtsbeginsel niet onbegrensd wordt toegepast, maar slechts voor zover de betreffende nationale regeling binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/88 valt. Ook aan deze voorwaarde wordt in het hoofdgeding voldaan, nu de litigieuze regeling een door de nationale wetgever opgestelde voorwaarde voor de gebruikmaking van jaarlijkse vakantie betreft.(161)

150. Opdat het algemene rechtsbeginsel kan worden geactiveerd en tegen het nationale recht kan worden ingebracht, moet tot slot sprake zijn van een schending van het in de richtlijn verankerde recht op vakantie. Dit laatste is al gebleken in mijn onderzoek van de eerste prejudiciële vraag.(162)

151. Vanuit een formeel standpunt bezien is eigenlijk voldaan aan de voorwaarden voor een rechtstreekse toepassing van het recht op jaarlijkse vakantie in de vorm van het algemene rechtsbeginsel zoals het door richtlijn 2003/88 is geconcretiseerd. Toch lijkt het zinvol om na te denken over de voor- en nadelen van een dergelijke benadering alvorens een dergelijke aanpak in de onderhavige zaak in overweging te nemen.(163)

Voor- en nadelen van een dergelijke benadering

152. Deze benadering heeft als voordeel de reeds genoemde tekortkomingen van een rechtstreekse toepassing van het algemene rechtsbeginsel in zuivere vorm(164) op te heffen. Dit geldt vooral met betrekking tot het vereiste van „voldoende bepaaldheid”. Doordat de richtlijn het algemene rechtsbeginsel concretiseert, verkrijgt het uiteindelijk de inhoudelijke bepaaldheid die voor een rechtstreekse toepasselijkheid is vereist.

153. Toch bestaan er ook bezwaren tegen de dogmatische juistheid van deze benadering, waarop ik hierna dieper zal ingaan.

–        Risico van vermenging van rechtsbronnen

154. Mijn bezwaren hebben allereerst betrekking op het niet uit te sluiten risico dat als gevolg van een gecombineerde toepassing van algemene rechtsbeginselen en richtlijn rechtsbronnen van verschillende rang binnen de Unierechtsorde op ontoelaatbare wijze met elkaar worden vermengd.

155. Objectief gezien is deze benadering in wezen gebaseerd op de veronderstelling dat de inhoud van het algemene rechtsbeginsel zijn neerslag moet hebben gevonden in de inhoud van de richtlijn en dat een autonome bepaling van deze inhoud door middel van de uitlegging daarom in principe overbodig is. Uiteindelijk wordt niets anders verondersteld dan dat de beschermingsomvang van het algemene rechtsbeginsel in hoge mate dezelfde is als die van de concretiserende richtlijnbepaling.(165)

156. Deze benadering heeft echter als nadeel dat zij volledig onbeantwoord laat hoe ver de beschermingsomvang van het desbetreffende algemene rechtsbeginsel daadwerkelijk reikt en of de richtlijn mogelijk verdergaande regelingen bevat die helemaal niet onder de beschermingsomvang vallen.(166) De veronderstelling waarop deze benadering is gebaseerd, kan niet verdoezelen dat een parallellie tussen de inhoud van de richtlijn en van het primaire recht niet alleen geenszins dwingend maar in werkelijkheid de uitzondering is, omdat het afgeleid recht meestal verdergaande regelingen bevat.(167) Dit is in zoverre problematisch dat in een dergelijk geval deze benadering zou zijn uitgesloten. Wanneer deze benadering, zoals door het Hof gepostuleerd, daadwerkelijk de toepassing van het algemene rechtsbeginsel beoogt, zou het immers dogmatisch juist zijn eerst over te gaan tot een autonome bepaling van de inhoud daarvan in plaats van omgekeerd uit de richtlijnbepalingen de inhoud van het algemene rechtsbeginsel af te leiden.(168)

157. Omdat in deze benadering uiteindelijk de richtlijn en niet het algemene rechtsbeginsel zelf als uitgangspunt voor de vaststelling van de beschermingsomvang van de norm dient(169), brengt zij het risico mee dat steeds meer normeringen van de richtlijn als bestanddeel van het rechtsbeginsel worden aangemerkt. Met andere woorden, de richtlijn kan zich theoretisch ontwikkelen tot een onuitputtelijke inspiratiebron voor het verrijken van de beschermingsomvang van het algemene rechtsbeginsel, wat op de lange termijn kan leiden tot een samensmelting van rechtsbronnen van verschillende rang.(170) Uiteindelijk kan deze handelswijze tot een onomkeerbare „verstarring” van deze normeringen leiden. De wetgever wordt namelijk als gevolg van de integratie van steeds meer normatieve bestanddelen uit de richtlijn in de beschermingsomvang van het algemene rechtsbeginsel de mogelijkheid ontnomen om wijzigingen in de richtlijn aan te brengen, temeer daar deze normeringen aldus de rang van primair recht krijgen, dat aan beïnvloeding van zijn kant is onttrokken.

158. Gelet op het feit dat het bij het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gaat om een sociaal grondrecht, dat — overeenkomstig zijn aard — in aanzienlijke mate behoefte heeft aan concretisering en bovendien vaak alleen afhankelijk van de desbetreffende economische en sociale werkelijkheid kan worden verleend(171), kan deze benadering niet te overziene gevolgen hebben voor de Unie en haar lidstaten. Ik wijs erop dat de concretisering van een dergelijk algemeen rechtsbeginsel door de wetgever een zekere flexibiliteit vereist, omdat de maatschappelijke opvattingen over wat als „sociaal” respectievelijk „sociaal rechtvaardig” moet worden aangemerkt, enerzijds zich in de loop van de tijd kunnen wijzigen en anderzijds in de regel op compromissen zullen berusten.(172) Verder mag niet buiten beschouwing worden gelaten dat de uitvoering van de socialerechtsstaatgedachte afhankelijk kan zijn van de relevante economische situatie in de Unie en haar lidstaten. Een consolidatie van sociale normen zonder rekening te houden met de economische en sociale werkelijkheid moet daarom worden vermeden.

159. Dit mag echter niet zo worden begrepen dat de Unie de sociale dimensie van de integratie buiten beschouwing moet laten. Bevordering van de sociale samenhang in de zin van de gedachte van „solidariteit” is en blijft een belangrijk doel van de Europese integratie, zoals ondubbelzinnig kan worden afgeleid uit artikel 2 („solidariteit” als een van de waarden waarop de Unie berust) en artikel 3, lid 3, VEU („bestrijding van sociale uitsluiting”; bevordering van „sociale rechtvaardigheid”, „sociale bescherming”, „de gelijkheid van mannen en vrouwen”, „solidariteit tussen generaties” en de „bescherming van de rechten van het kind”) alsmede artikel 9 VWEU („bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid”, „waarborging van een adequate sociale bescherming”, „bestrijding van sociale uitsluiting”). Veeleer gaat het erom rekening te houden met de beoordelingsmarge die de Uniewetgever toekomt bij de uitoefening van de beschermingsverplichting die het grondrecht voor hem meebrengt.

–        Geen uitputtende concretisering door de richtlijn

160. Maar ook wanneer het Hof deze bezwaren niet deelt, is het onzeker of de in het arrest Kücükdeveci gebruikte benadering toepasbaar is op het hoofdgeding, temeer daar richtlijn 2003/88 het algemene rechtsbeginsel nauwelijks voldoende concretiseert om de rechtstreekse toepassing daarvan in relaties tussen particulieren mogelijk te maken.

161. Niet alleen voorziet richtlijn 2003/88 in een reeks bijzondere regelingen, bijvoorbeeld door in artikel 15 het invoeren van gunstigere bepalingen en in artikel 17 afwijkingen van en uitzonderingen op enkele centrale richtlijnbepalingen door de lidstaten toe te staan.(173) Daarenboven kent zij de lidstaten een ruime beoordelingsmarge toe. Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 bepaalt uitdrukkelijk dat de lidstaten „de nodige maatregelen treffen” opdat aan alle werknemers een jaarlijkse vakantie met behoud van loon wordt toegekend, en wel „overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie”. Concrete antwoorden op essentiële vragen van het vakantierecht, zoals bijvoorbeeld hoeveel vakantie moet worden toegekend, zijn niet rechtstreeks af te leiden uit de richtlijn noch uit de bewoordingen van artikel 31, lid 2, van het Handvest(174), dat op het punt van de waarborgen van het grondrecht op jaarlijkse vakantie zelfs korter is geformuleerd dan de relevante uitvoeringsregeling in artikel 7 van richtlijn 2003/88.

162. Hier ligt een wezenlijk verschil met de discriminatieverboden waarvoor de in het arrest Kücükdeveci toegepaste benadering werd ontwikkeld. De discriminatieverboden bezitten de bijzonderheid dat hun inhoudelijke kern op het niveau van het primaire en het afgeleide recht in wezen identiek is. Wat discriminatie is, kan ook door uitlegging van de primairrechtelijke discriminatieverboden worden vastgesteld. De regels van de richtlijnen zijn in zoverre niet meer dan nader gedetailleerde uitwerkingen van de primairrechtelijke beginselen. Alleen voor zover de richtlijnen het persoonlijke en zakelijke toepassingsgebied, alsook de rechtsgevolgen en de procedure regelen, bevatten ze regelingen die inhoudelijk niet ook zonder meer rechtstreeks uit het primaire recht kunnen worden afgeleid. Bij de grondrechten van werknemers van artikelen 27 e.v. van het Handvest is dit anders, omdat deze van meet af aan afhankelijk zijn gesteld van concretisering door de wetgever.(175)

163. Gelet op het feit dat richtlijn 2003/88 de jaarlijkse vakantie niet uitputtend regelt maar in aanzienlijke mate naar het nationale recht verwijst, rijst de vraag of bij de concretisering van het algemene rechtsbeginsel ook de nationale uitvoeringsmaatregelen mogen worden betrokken. Naar mijn mening zou dit echter op hindernissen stuiten. Want gelet op het veelvoud aan verschillende nationale regelingen op het gebied van het vakantierecht is niet alleen de uitvoerbaarheid van een dergelijke benadering onzeker. Bovendien zou de uniforme toepassing van het Unierecht in alle lidstaten niet gewaarborgd zijn.

–        Ontbrekende rechtszekerheid voor particulieren

164. Anderzijds zijn er bezwaren waar het de verenigbaarheid van deze benadering met het vereiste van rechtszekerheid betreft. De rechtszekerheid is eveneens een algemeen rechtsbeginsel van Unierecht.(176) Zoals het Hof herhaaldelijk heeft verklaard, gebiedt het beginsel van rechtszekerheid dat een regeling die nadelige gevolgen voor particulieren heeft, duidelijk en nauwkeurig is en dat de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar is.(177) Omdat een particulier echter nooit met zekerheid kan weten wanneer een ongeschreven algemeen rechtsbeginsel in zijn concretisering door de desbetreffende richtlijn prevaleert boven het nationaal geschreven recht, zal vanuit zijn perspectief de gelding van het nationale recht even onzeker zijn als bij een rechtstreekse toepassing van de richtlijn in relaties tussen particulieren, hetgeen het Hof, zoals het zo vaak in zijn rechtspraak(178) heeft bekrachtigd, juist wil vermijden(179). De gevolgen zullen juist op het gebied van het arbeidsrecht, dat de details van een nauwelijks te overzien aantal arbeidsrelaties regelt, aanzienlijk zijn.

165. Er is namelijk een niet uit te sluiten risico dat de nationale rechter zich door deze benadering gedwongen ziet om nationaal recht dat in enigerlei vorm binnen de werkingssfeer van een richtlijn valt maar zonder enig verband met de richtlijn is uitgevaardigd, buiten toepassing te laten op de grond dat de betrokken richtlijnbepalingen algemene rechtsbeginselen van het Unierecht concretiseren respectievelijk rechtsgoederen van primairrechtelijke rang belichamen(180), en wel ongeacht of de nationale rechter naar nationaal recht beschikt over de bevoegdheid daartoe. Dit risico is des te groter omdat uit het arrest Kücükdeveci uitdrukkelijk voortvloeit dat de nationale rechter in een dergelijke situatie niet verplicht is het Hof vooraf om een prejudiciële beslissing te verzoeken.(181)

166. Indien deze benadering zich doorzet in de rechtspraak van het Hof, zou de richtlijnen een plaats worden toegekend die hen volgens de opzet van het primaire recht niet toekomt. Zij zouden invalspoorten voor het primaire recht worden, veel verder strekkend dan het gebied dat de instellingen die hen hebben uitgevaardigd hen wilden toekennen en hebben toegekend. In combinatie met de primairrechtelijke consequentie van buitentoepassinglating van de nationale norm en de door het Hof aanvaarde bevoegdheid van de nationale rechter om in elke instantie normen te passeren zonder vooraf een prejudiciële procedure te voeren, zou dit tot een aanzienlijke erosie van nationale voorschriften leiden, gelet op het feit dat een groot aantal rechtsgebieden op enigerlei wijze door richtlijnen is beïnvloed.

167. Het is evenwel onzeker of dit in overeenstemming is met het door de Verdragen gecreëerde systeem van regelgeving en handhaving.

–        Risico van een discrepantie met de bepalingen van het Handvest

168. Het door mij in verband met een rechtstreekse toepassing van het algemene rechtsbeginsel genoemde bezwaar van het risico van een discrepantie met artikel 51 van het Handvest(182) geldt tevens in het geval van toepassing van deze benadering. Wat dat betreft, verwijs ik naar mijn opmerkingen over deze problematiek. De in artikel 51, lid 1, eerste zin, van het Handvest vastgelegde beperking van de kring van degenen die aan de werking van de grondrechten zijn gebonden, verzet zich dus eveneens tegen toepassing van het algemene rechtsbeginsel zoals het door richtlijn 2003/88 is geconcretiseerd.

–       Resultaat

169. Op grond van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat een rechtstreekse toepassing van het algemene rechtsbeginsel, zoals in de zaak Kücükdeveci, teneinde nationaal recht dat strijdig is met het Unierecht te passeren, in het hoofdgeding niet mogelijk is.

c)      Samenvatting

170. Samenvattend stel ik vast dat het Unierecht de nationale rechter niet de mogelijkheid biedt, de litigieuze regeling in een relatie tussen particulieren buiten toepassing te laten. Omdat de prejudiciële vraag zo is geformuleerd dat daarmee eigenlijk wordt gevraagd of er sprake is van een daartoe strekkende Unierechtelijke verplichting voor de nationale rechter, moet deze vraag derhalve aldus worden beantwoord dat de nationale rechter bij gebreke van desbetreffende Unierechtelijke vereisten daartoe niet verplicht is.

3.      Subsidiaire aansprakelijkheid van de lidstaat wegens schending van het Unierecht

171. Indien — zoals in het hoofdgeding — vaststaat dat er sprake is van een schending van het Unierecht wegens tekortschietende uitvoering van artikel 7 van richtlijn 2003/88 en toch geen buitentoepassingverklaring van de met het Unierecht strijdige nationale regeling door de nationale rechter mogelijk is, betekent dit geenszins dat verzoekster in het hoofdgeding geen rechten zou hebben.

172. Veeleer rest haar, zoals hierboven aangeduid(183), ter handhaving van haar uit het Unierecht voortvloeiende recht op jaarlijkse vakantie de mogelijkheid om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen een lidstaat wegens schending van het Unierecht. Het rechtsinstituut van de Unierechtelijke staatsaansprakelijkheid kan de burger in een dergelijk geval genoegdoening verschaffen doordat het de desbetreffende lidstaat verplicht hem de schade te vergoeden die voor hem is ontstaan wegens de schending van het Unierecht door de staat.

173. Het Unierecht erkent een recht op schadevergoeding onder drie voorwaarden: „de geschonden rechtsregel moet ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen, de schending moet voldoende gekwalificeerd zijn en er moet een direct causaal verband bestaan tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade”.(184) In het arrest Dillenkofer e.a.(185) hanteerde het Hof — in aanvulling hierop — specifiek met betrekking tot gevallen waarin maatregelen voor de tijdige uitvoering van een richtlijn ontbreken, een iets andere formulering van de eerste voorwaarde, namelijk dat het door de richtlijn voorgeschreven resultaat de toekenning van rechten aan particulieren inhoudt, waarvan de inhoud kan worden bepaald op basis van de bepalingen van de richtlijn. Het Hof benadrukte hierbij dat de twee formuleringen in wezen op hetzelfde neerkomen.(186)

174. Wat de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Unie en de rechterlijke instanties van de lidstaten betreft, zij opgemerkt dat het in beginsel de taak van de nationale rechter is vast te stellen of in het concrete geval is voldaan aan de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de lidstaten wegens schending van het Unierecht.(187) Daarentegen betreft de vraag inzake het bestaan en de omvang van de aansprakelijkheid van een staat wegens uit een dergelijke schending voortvloeiende schade, de uitlegging van het Unierecht zelf, die als zodanig tot de bevoegdheid van het Hof behoort.(188)

4.      Resultaat

175. Op grond van het voorgaande moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 7 van richtlijn 2003/88 de nationale rechter bij wie een geschil tussen particulieren aanhangig is, niet de verplichting oplegt een nationale bepaling buiten toepassing te laten volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon slechts ontstaat indien de werknemer tijdens de referentieperiode ten minste tien dagen heeft gewerkt, en een richtlijnconforme uitlegging van die bepaling niet mogelijk is.

C –    De derde prejudiciële vraag

176. Bij de formulering van zijn derde prejudiciële vraag is de verwijzende rechter kennelijk uitgegaan van een bepaald nationaal rechtskader dat voorziet in een recht op jaarlijkse vakantie van verschillende duur afhankelijk van de oorzaak van de afwezigheid van de werknemer wegens gezondheidsredenen, en dat waarschijnlijk een onderscheid wordt gemaakt naargelang de oorzaak een arbeidsongeval was, een beroepsziekte, een ongeval op de weg van of naar het werk of een ziekte die geen beroepsziekte is. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt niet hoe lang de duur van de vakantie in die gevallen is. Het staat alleen vast dat dit nationale rechtskader in bepaalde omstandigheden een jaarlijkse vakantie met behoud van loon voorschrijft, die langer is dan de in de richtlijn voorziene minimumduur van vier weken.

177. Reeds in mijn bespreking van de eerste prejudiciële vraag heb ik uiteengezet dat het in artikel 7 van richtlijn 2003/88 gewaarborgde recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon ontstaat ongeacht of de werknemer in de betrokken periode wegens ziekte afwezig was, wanneer er sprake is van een naar behoren voorgeschreven ziekteverlof.(189) Zoals de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeschikking terecht opmerkt, maakt artikel 7 van richtlijn 2003/88 geen onderscheid naar de oorzaak van de afwezigheid wegens ziekte. Veeleer is deze richtlijnbepaling met betrekking tot het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van toepassing op „elke werknemer”. Dientengevolge beschikken alle werknemers, ook degenen die om een van de bovengenoemde redenen met ziekteverlof zijn, krachtens artikel 7, lid 1, over een minimale jaarlijkse vakantie van vier weken.

178. Dit betekent echter niet dat de lidstaten in hun nationale wetgeving niet zouden mogen voorzien in een langere jaarlijkse vakantie dan de Unierechtelijk vastgelegde periode van vier weken, want, zoals reeds blijkt uit de bewoordingen van de bepaling, dit is slechts een minimumduur. Deze bepaling moet namelijk in samenhang met de algemene doelstelling van richtlijn 2003/88 worden uitgelegd, die volgens artikel 1, lid 1, erin bestaat „minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd” vast te stellen, en voor het overige volgens artikel 15 het recht van de lidstaten onaangetast laat „wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen [toe te passen] of [in te voeren] die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, dan wel de toepassing bevorderen of mogelijk maken van collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers”. Daaruit vloeit de bevoegdheid van de lidstaten voort om met betrekking tot het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gunstigere regelingen vast te stellen dan Unierechtelijk vastgelegd.

179. Richtlijn 2003/88 verhindert de lidstaten evenmin om dergelijke regelingen die voorzien in een gunstigere behandeling, afhankelijk te stellen van bepaalde voorwaarden, mits daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de door de richtlijn gewaarborgde minimumbescherming. In dit verband herinner ik aan het arrest Merino Gómez(190), waarin het Hof heeft verklaard dat artikel 7, lid 1, van de richtlijn, volgens hetwelk de lidstaten de nodige maatregelen treffen „overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van” jaarlijkse vakantie, aldus moet worden begrepen dat „de nationale toepassingsvoorwaarden in ieder geval een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken dienen te garanderen”.(191) Voor het hoofdgeding betekent dit dat het een lidstaat in principe geoorloofd is, werknemers wat de minimumduur van de jaarlijkse vakantie betreft verschillend te behandelen afhankelijk van de reden van hun afwezigheid wegens ziekte, voor zover de in artikel 7, lid 1, van de richtlijn voorgeschreven minimumduur van vier weken niet wordt onderschreden.

180. Eventuele vereisten die tot een andere beoordeling zouden kunnen leiden, kunnen ook niet worden afgeleid uit de bepalingen die het recht op ziekteverlof en de wijze van uitoefening regelen, omdat dit recht zoals het Hof in het arrest Schultz-Hoff terecht heeft vastgesteld „thans niet in het [Unie]recht is geregeld”(192). De regeling van dit recht is daarentegen voorbehouden aan de bevoegdheid van de lidstaten. Daarom staat het hen ook vrij regelingen vast te stellen die eventueel ook een verlagend effect hebben op de duur van de jaarlijkse vakantie, voor zover in elk geval wordt voldaan aan de door richtlijn 2003/88 geformuleerde voorwaarde van inachtneming van een minimumduur van de jaarlijkse vakantie van vier weken.

181. Het niet als arbeidstijd meerekenen van een afwezigheid wegens ziekte op grond van vereisten van nationaal recht, zoals bijvoorbeeld bij een ongeval op de weg van of naar het werk of een ziekte die geen beroepsziekte is, mag niet ten koste gaan van de minimale jaarlijkse vakantie van vier weken. De Franse regering(193) heeft gelijk met haar opvatting dat dit verhinderd moet worden door de werknemer zo nodig de mogelijkheid te geven zijn vakantie in te halen binnen een redelijke overdrachtsperiode die rekening houdt met het rustdoel van richtlijn 2003/88. Zoals het Hof in het arrest Federatie Nederlandse Vakbeweging(194) heeft vastgesteld, moet de jaarlijkse vakantie opdat het positieve effect daarvan op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer zich ten volle doet gevoelen, weliswaar in principe in het daartoe voorziene, te weten het lopende jaar worden genomen. Deze rusttijd boet echter niet aan belang in wanneer hij in een volgende periode, bijvoorbeeld tijdens de overdrachtsperiode, wordt genomen.

182. Uit het bovenstaande moet derhalve worden geconcludeerd dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationale wetten en/of gebruiken die voorzien in een verschillende duur van de vakantie met behoud van loon naargelang de oorzaak van de afwezigheid van de werknemer, voor zover de in deze richtlijnbepaling voorgeschreven minimumduur van vier weken in elk geval gewaarborgd is.

VII – Conclusie

183. Gelet op het bovenstaande stel ik het Hof voor op de prejudiciële vragen van de Cour de Cassation als volgt te antwoorden:

„1)      Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of praktijken volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon slechts ontstaat als de werknemer tijdens de referentieperiode ten minste tien dagen (of een maand) heeft gewerkt.

2)      Artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG legt de nationale rechter bij wie een geschil tussen particulieren aanhangig is, niet de verplichting op een nationale bepaling buiten toepassing te laten volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon slechts ontstaat indien de werknemer tijdens de referentieperiode ten minste tien dagen heeft gewerkt, en een richtlijnconforme uitlegging van die bepaling niet mogelijk is.

3)      Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationale wetten en/of gebruiken die voorzien in een verschillende duur van de vakantie met behoud van loon naargelang de oorzaak van de afwezigheid van de werknemer, voor zover de in deze richtlijnbepaling voorgeschreven minimumduur van vier weken in elk geval gewaarborgd is.”


1 –      Oorspronkelijke taal: Duits.


      


2 –      PB L 299, blz. 9.


3 –      Arrest van 19 januari 2010, Kücükdeveci (C‑555/07, Jurispr. blz. I-365).


4 –      In aansluiting op de in het VEU en in het VWEU gehanteerde omschrijving wordt het begrip „recht van de Unie” als verzamelbegrip voor gemeenschapsrecht en recht van de Unie gebruikt. Voor zover het hierna individuele bepalingen uit het primaire gemeenschapsrecht betreft, worden de chronologisch toepasselijke voorschriften aangehaald.


5 –      Arrest van 26 juni 2001, BECTU (C‑173/99, Jurispr. blz. I-4881).


6 –      Arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C‑350/06 en C‑520/06, Jurispr. blz. I‑179).


7 –      Arrest van 9 maart 1978, Simmenthal (106/77, Jurispr. blz. 629).


8 –      Arrest van 22 juni 2010, Melki (C‑188/10 en C‑189/10, Jurispr. blz. I-5667).


9 –      Arrest van 22 november 2005, Mangold (C‑144/04, Jurispr. blz. I‑9981).


10 –      Arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3).


11 –      Zie arrest BECTU (aangehaald in voetnoot 5, punt 43); arresten van 18 maart 2004, Merino Gómez (C‑342/01, Jurispr. blz. I-2605, punt 29), en 16 maart 2006, Robinson-Steele e.a. (C‑131/04 en C‑257/04, Jurispr. blz. I-2531, punt 48); betreffende richtlijn 2003/88 zie arrest Schultz-Hoff e.a. (aangehaald in voetnoot 6, punt 22), en arresten van 10 september 2009, Vicente Pereda (C‑277/08, Jurispr. blz. I-8405, punt 18), en 22 april 2010, Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols (C‑486/08, Jurispr. blz. I‑3527, punt 28). Zie de synthese van de rechtspraak van Schrammel, W.,Winkler, G., Europäisches Arbeits- und Sozialrecht, Wenen, 2010, blz. 179 e.v.


12 –      Zie arresten BECTU (aangehaald in voetnoot 5, punt 44), Merino Gómez (aangehaald in voetnoot 11, punt 30), Schultz-Hoff e.a. (aangehaald in voetnoot 6, punt 23) en Vicente Pereda (aangehaald in voetnoot 11, punt 21).


13 –      Zie arresten Schultz-Hoff e.a. (aangehaald in voetnoot 6, punt 25) en Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols (aangehaald in voetnoot 11, punt 30).


14 –      Zie blz. 8 van de memorie van verweerder in het hoofdgeding.


15 –      Zie punt 29 van de memorie van de Franse regering.


16 –      Zie blz. 5 van de verwijzingsbeschikking waar een wat duidelijker beschrijving wordt gegeven van het onderwerp van de tweede prejudiciële vraag.


17 –      Zie arresten van 5 mei 2011, MSD Sharp (C‑316/09, Jurispr. blz. I-3249, punt 21), en 30 november 2006, Brünsteiner en Autohaus Hilgert (C‑376/05 en C‑377/05, Jurispr. blz. I-11383, punt 26).


18 –      Zie onder meer arresten van 16 december 1981, Foglia/Novello (244/80, Jurispr. blz. 3045, punt 18); 15 juni 1995, Zabala Erasun e.a. (C‑422/93–C‑424/93, Jurispr. blz. I‑1567, punt 29); 15 december 1995, Bosman (C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 61); 12 maart 1998, Djabali (C‑314/96, Jurispr. blz. I‑1149, punt 19); 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, Jurispr. blz. I‑2099, punt 39); 5 februari 2004, Schneider (C‑380/01, Jurispr. blz. I‑1389, punt 22); 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse Regering (C‑212/06, Jurispr. blz. I‑1683, punt 29), en 23 april 2009, VTB-VAB (C‑261/07 en C‑299/07, Jurispr. blz. I‑2949, punt 33).


19 –      Zie arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 45), en arresten van 15 april 2008, Impact (C‑268/06, Jurispr. blz. I-2483, punt 42), en 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C‑397/01–C‑403/01, Jurispr. blz. I-8835, punt 111).


20 –      Zie arresten Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 46) en Pfeiffer e.a. (aangehaald in voetnoot 19, punt 108); arresten van 14 juli 1994, Faccini Dori (C‑91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 20); 11 juni 1987, Pretore di Salò (14/86, Jurispr. blz. 2545, punt 19), en 26 februari 1986, Marshall, 152/84, Jurispr. blz. 723, punt 48). Zie over de horizontale werking van richtlijnen Vcelouch, P., Kommentar zu EU- und EG-Vertrag (uitgegeven door Heinz Mayer), Wenen, 2004, artikel 249 EG-Verdrag, blz. 23, punt 72; Knes, R., „Uporaba in učinkovanje direktiv s področja varstva okolja v upravnih in sodnih postopkih”, Varstvo narave, 2008, blz. 14, 15 en in het bijzonder inzake het arbeidsrecht Thüsing, G., Europäisches Arbeitsrecht, München, 2008, blz. 14, punten 29 en 30.


21 –      Arrest Faccini Dori (aangehaald in voetnoot 20, punt 24).


22 –      Zie bijvoorbeeld de conclusie van advocaat-generaal Alber van 18 januari 2000 in de zaak Collino en Chiappero (C‑343/98, Jurispr. blz. I-6659, punten 29‑31); conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer van 6 mei 2003 in de zaak Pfeiffer (arrest aangehaald in voetnoot 19, punt 58); met inachtneming van de bijzonderheden van het non-discriminatierecht: conclusie van advocaat-generaal Bot van 7 juli 2009 in de zaak Kücükdeveci (arrest aangehaald in voetnoot 3, punten 63 en 70).


23 –      Zie Herresthal, C., Rechtsfortbildung im europarechtlichen Bezugsrahmen — Methoden, Kompetenzen, Grenzen dargestellt am Beispiel des Privatrechts, München, 2006, blz. 81 e.v.; v. Danwitz, T., „Rechtswirkung von Richtlinien in der neueren Rechtsprechung des EuGH”, Juristenzeitung, 2007, blz. 697, 703.


24 –      Zie arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 47); arresten van 10 april 1984, von Colson en Kamann (14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26), en 13 november 1990, Marleasing (C‑106/89, Jurispr. blz. I-4135, punt 8); arrest Faccini Dori (aangehaald in voetnoot 20, punt 26); arrest van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie (C‑129/96, Jurispr. blz. I-7411, punt 40); arrest Pfeiffer e.a. (aangehaald in voetnoot 19, punt 110), en arrest van 23 april 2009, Angelidaki e.a. (C‑378/07–C‑380/07, Jurispr. blz. I-3071, punt 106).


25 –      Zie arresten Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 48) en von Colson en Kamann (aangehaald in voetnoot 24, punt 26).


26 –      Arrest Pfeiffer e.a. (aangehaald in voetnoot 19, punt 116).


27 –      Zie in die zin arresten van 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen (80/86, Jurispr. blz. 3969, punt 13), en 4 juli 2006, Adeneler e.a. (C-212/04, Jurispr., blz. I-6057, punt 110); arresten Impact (aangehaald in voetnoot 19, punt 100) en Angelidaki e.a. (aangehaald in voetnoot 24, punt 199), en arrest van 16 juli 2009, Mono Car Styling (C‑12/08, Jurispr. blz. I-6653, punt 61).


28 –      Zie de punten 71 tot en met 88 van deze conclusie.


29 –      Zie de punten 89 tot en met 143 van deze conclusie.


30 –      Zie de punten 144 tot en met 169 van deze conclusie.


31 –      Zie arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 22) en arrest van 22 december 2010, DEB (C‑279/09, Jurispr. blz. I-13849, punt 30).


32 –      Zie Jarass, H. D., Charta der Grundrechte der Europäischen Union — Kommentar, München, 2010, artikel 31, punt 3, blz. 277, en artikel 51, punt 6, blz. 413.


33 –      Hierop wijzen terecht Lenaerts, K./Van Nuffel, P., European Union Law, Londen, 2011, blz. 832, punt 22‑022. Zie arresten Hof van 27 juni 2006, Parlement/Raad (C‑540/03, Jurispr. blz. I-5769, punten 38 en 58); 13 maart 2007, Unibet (C‑432/05, Jurispr. blz. I-2271, punt 37); 11 december 2007, International Transport Workers’ Federation and Finnish Seamen’s Union (C‑438/05, Jurispr. blz. I-10779, punten 90 en 91); 29 januari 2008, Promusicae (C‑275/06, Jurispr. blz. I-271, punten 61‑65); 3 september 2008, Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C‑402/05 P en C‑415/05 P, Jurispr. blz. I-6351, punt 335); arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 22), en arrest van 9 november 2010, Eifert/Land Hessen (C‑92/09 en C‑93/09, Jurispr. blz. I-11063, punten 45 e.v.). Zie arrest Gerecht van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie (T‑177/01, Jurispr. blz. II-2365). Verder heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de arresten van 11 juli 2002, Goodwin/Verenigd Koninkrijk (zaaknr. 28957/95, punt 100), en 30 juni 2005, Bosphorus/Ierland (zaaknr. 45036/98, punt 159) gerefereerd aan het Handvest.


34 –      Zoals Fischinger, P., „Normverwerfungskompetenz nationaler Gerichte bei Verstößen gegen primärrechtliche Diskriminierungsverbote ohne vorherige Anrufung des EuGH”, Zeitschrift für Europäisches Privatrecht, 2011, blz. 206, terecht opmerkt, kon artikel 21 van het Handvest niet van toepassing zijn op de feiten die ten grondslag lagen aan het arrest Kükükdeveci, omdat het Handvest pas geruime tijd na de inwerkingtreding van het ontslag van kracht werd.


35 –      Conclusie van 24 januari 2008 in de zaak Schultz-Hoff (arrest aangehaald in voetnoot 6, punt 38).


36 –      Conclusie van advocaat-generaal Tizzano van 8 februari 2001 in de zaak BECTU (arrest aangehaald in voetnoot 5, punt 28).


37 –      Lenaerts, K., „La solidarité ou le chapitre IV de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne”, Revue trimestrielle des droits de l’homme, 2010, punt 28, blz. 217 e.v.; Jarass, H., t.a.p. (voetnoot 32), punt 2; Picod, F., Traité établissant une Constitution pour l’Europe, Partie II — La Charte des droits fondamentaux de l’Union, Band 2, Brussel, 2005, artikel II-91, blz. 424, 653; Frenz, W., Handbuch Europarecht, Band 4 (Europäische Grundrechte), blz. 1078, punt 3597 en blz. 1164, punt 3881; Riedel, E., Charta der Grundrechte der Europäischen Union, 3e druk, Baden-Baden, 2011, artikel 31, blz. 442, punt 12; Seifert, A., „Mangold und kein Ende — die Entscheidung der Großen Kammer des EuGH vom 19.1.2010 in der Rechtssache Kücükdeveci”, Europarecht, 2010, blz. 808, spreekt met betrekking tot artikel 31, lid 2, van het Handvest van een grondrecht.


38 –      In die zin Riedel, E., t.a.p. (voetnoot 37), artikel 31, blz. 442, punt 12.


39 –      Schwarze, J., „Der Grundrechtsschutz für Unternehmen in der Europäischen Grundrechtecharta”, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht, 2001, blz. 519.


40 –      Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 134, punt 444.


41 –      Zie Borowsky, M., Charta der Grundrechte der Europäischen Union, 3e druk, Baden-Baden, 2011, artikel 51, blz. 660, punt 34.


42 –      Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1164, punt 3882.


43 –      Idem, blz. 135, punt 444.


44 –      Lenaerts, K., t.a.p. (voetnoot 37); Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1165, punt 3884.


45 –      Bij de kwestie „derdenwerking” gaat het om de vraag of grondrechten alleen betekenis hebben in de relatie tussen particulieren en de staat (dus zich richten tot de staat) of ook gelden in de relaties tussen burgers onderling. Daarbij wordt onderscheiden tussen „directe derdenwerking” en „indirecte derdenwerking” van grondrechten. Met „directe derdenwerking” wordt de directe gelding van grondrechten bedoeld, ook in het privaatrechtelijk rechtsverkeer tussen particulieren. Rechtshandelingen kunnen volgens deze opvatting dus niet tot stand komen wanneer zij strijdig zijn met een grondrecht. De theorie van de „indirecte derdenwerking” beschouwt daarentegen de algemene clausules als „inbreukpunten” van grondrechten op het privaatrecht; bij de uitlegging van deze algemene clausules moet rekening worden gehouden met het in de grondrechtenregeling verankerde waardesysteem. Alleen bij indirecte derdenwerking kunnen de betrokken gezichtspunten (bijvoorbeeld grondrecht en contractuele vrijheid) tegen elkaar worden afgewogen (zie in dit verband Walter, R., Mayer, H., Grundriss des österreichischen Bundesverfassungsrechts, 9e druk, Wenen, 2000, blz. 548 e.v., en mijn conclusie van 29 maart 2007 in de zaak Carp (arrest van 7 juni 2007, C‑80/06, Jurispr. blz. I‑4473, punt 69).


      Uit een rechtsvergelijkend onderzoek naar de derdenwerking van grondrechten in de lidstaten (zie Rengeling, H.‑W., Szczekalla, P., Grundrechte in der Europäischen Union —Charta der Grundrechte und Allgemeine Rechtsgrundsätze, Keulen, 2004, blz. 179 e.v., punten 338 e.v.) blijkt dat deze in de meeste lidstaten in elk geval bekend is en besproken wordt, maar dat de afzonderlijke vragen ook daar deels nog onbeantwoord zijn en ter discussie staan. In Italië wordt zowel de indirecte werking in gelijkgestelde rechtsrelaties tussen particulieren erkend, als de directe werking voor particulieren in rechtsrelaties waarin de ene partij meer macht kan uitoefenen dan de andere. In België staat de derdenwerking van grondrechten ter discussie en in de jurisprudentie wordt een tendens naar erkenning van indirecte derdenwerking waargenomen. Ook in Oostenrijk vindt ten dele nog een controverse discussie plaats. In Griekenland is de vraag ook nog niet beantwoord. In Frankrijk, Ierland, Nederland, Portugal, Spanje en Slovenië is derdenwerking van afzonderlijke grondrechten in elk geval erkend. De Sloveense doctrine wijst erop dat enkele grondrechten uit de Sloveense grondwet (directe) derdenwerking kunnen bezitten (zie Krivic, M., „Ustavno sodišče, pristojnosti in postopek”, in: Pavčnik/Mavčič [uitgegeven], Ustavno sodstvo, Cankarjeva založba, 2000, blz. 69). In Denemarken en Luxemburg is derdenwerking van grondrechtbepalingen tot op heden niet erkend. In het Verenigd Koninkrijk moeten de grondrechten wegens het ontbreken van een geschreven grondwet in de zin van een allesomvattend document worden afgeleid uit de wetten en de Common Law (zie „Soziale Grundrechte in Europa”, Europäisches Parlament — Generaldirektion Wissenschaft, Arbeitsdokument SOCI 104 DE, blz. 26 e.v.). Toch krijgt de relevante jurisprudentie in het kader van het EVRM, vooral krachtens de „Human Rights Act” van 1998, evenals vroeger via het Unierecht, steeds meer betekenis. Finland kent geen directe bindende werking van grondrechten jegens particulieren; de staat is verplicht overtredingen door particulieren tegen te gaan.


46 –      Jarass, H., t.a.p. (voetnoot 32), punt 9; Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1171, punt 3909.


47 –      Jarass, H., t.a.p. (voetnoot 32), artikel 51, blz. 419, punt 21.


48 –      In die zin Geiger, R., EUV/AEUV-Kommentar (uitgegeven door Rudolf Geiger/Daniel-Erasmus Khan/Markus Kotzur), 5e druk, München, 2010, artikel 51, blz. 1016. Zie arresten van 12 december 1996, X (C‑74/95 en C-129/95, Jurispr. blz. I-6609, punt 25); 13 april 2000, Karlsson (C‑292/97, Jurispr. blz. I-2737, punt 37), en 6 november 2003, Lindqvist (C‑101/01, Jurispr. blz. I‑12971, punt 87), en 26 juni 2007, Orde van Franstalige en Duitstalige balies e.a. (C‑305/05, Jurispr. blz. I-5305, punt 28), en arrest Promusicae (aangehaald in voetnoot 33, punt 68).


49 –      Jarass, H., t.a.p. (voetnoot 32), artikel 31, blz. 279, punt 9 en artikel 51, blz. 419, punt 21; Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1172, punt 3910.


50 –      Tegen directe derdenwerking: Jarass, H., t.a.p. (voetnoot 32), artikel 31, blz. 277, punt 3 en artikel 51, blz. 421, punt 24; dezelfde auteur, EU-Grundrechte, München, 2005, § 4, blz. 42; De Mol, M., „Kücükdeveci: Mangold Revisited — Horizontal Direct Effect of a General Principle of EU Law”, European Constitutional Law Review, 2010, nr. 6, blz. 302; Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1172, punt 3910; Schiek, D., „Constitutional Principles and Horizontal Effect: Kücükdeveci Revisited”, European Labour Law Journal, 2010, punt 3, blz. 373; Hatje, A., EU-Kommentar (uitgegeven door Jürgen Schwarze), 2e druk, Baden-Baden, 2009, artikel 51, blz. 2324, punt 20; Kingreen, T., EUV/EGV — Kommentar, 3e druk, München, 2007, artikel 51 Handvest van de grondrechten, blz. 2713, punt 18, die erop wijst dat enkele van de grondrechten van het Handvest bij een onbevangen lezing als werkend jegens derden zouden kunnen worden opgevat, maar desondanks van mening is dat de daarin beschreven grondrechten geen derdenwerking hebben omdat artikel 51, lid 1, eerste zin, alleen de Unie en de lidstaten bindt. Tegen aantastingen van de grondrechten door particulieren kan volgens de auteur worden opgetreden door uitoefening van de op de overheid rustende beschermingsverplichting tegen inbreuken van niet tot de overheid behorende derden. In die zin ook Riesenhuber, K., Europäisches Arbeitsrecht, Hamburg, 2009, § 2, blz. 45, punt 25, die van mening is dat de grondrechten van het Handvest particulieren niet direct maar slechts indirect kunnen binden, via de beschermingsverplichting van de wetgever. Kokott, J., Sobotta, C., „The Charter of fundamental rights of the European Union after Lisbon”, EUI Working Papers (2010/6) — Academy of European Law, blz. 14, huldigen eveneens de mening dat artikel 51 van het Handvest zich verzet tegen een rechtstreekse werking van grondrechten in de relatie tussen particulieren.


      Vóór directe derdenwerking: Dauses, M., Der Schutz der Grundrechte in der Rechtsordnung der Europäischen Union, Frankfurt am Main, 2010, blz. 99, die voor zijn opvatting verwijst naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke ook particulieren onder bepaalde voorwaarden verplicht kunnen worden grondrechtelijke waarborgen te eerbiedigen, bijvoorbeeld bij discriminatie op grond van nationaliteit of op het gebied van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.


      Geen duidelijk standpunt wordt ingenomen door Streinz, R., EUV/EGV — Kommentar, München, 2003, artikel 51, blz. 2652, punt 10, die stelt dat de vraag betreffende directe of indirecte derdenwerking van de rechten uit het Handvest evenals de vraag betreffende verplichtingen inzake de bescherming van grondrechten is opengelaten en aan de rechtspraak en doctrine is overgelaten .


51 –      Zie Jarass, H., t.a.p. (voetnoot 32), artikel 31, blz. 277, punt 3; Knecht, M., EU-Kommentar (uitgegeven door Jürgen Schwarze), 2e druk, Baden-Baden, 2009, artikel 31, blz. 2276, punt 4; Kingreen, T., t.a.p. (voetnoot 50), artikel 51 Handvest van de grondrechten, blz. 2713, punt 18; Kühling, J., Europäisches Verfassungsrecht (uitgegeven door Armin von Bogdandy), Heidelberg, 2003, blz. 603, gaat ervan uit dat grondrechten beschermingsverplichtingen van de overheid jegens handelingen van particulieren in het leven kunnen roepen, zodat de dubieuze constructie van binding van particulieren aan de grondrechten noodzakelijk is.


52 –      Zie Becker, U., EU-Kommentar (uitgegeven door Jürgen Schwarze), 2e druk, Baden-Baden, 2009, artikel 53, blz. 2333, punt 1, die van mening is dat artikel 53 van het Handvest ertoe dient om conflicten tussen verschillende bronnen van grondrechtenbescherming uit te sluiten. Het voorschrift leidt tot een meestbegunstiging: gaat het andere grondrecht (bijvoorbeeld uit het EVRM) verder dan de rechten uit het Handvest, dan mogen de laatstgenoemde niet zo worden uitgelegd dat zij een verdergaande bescherming verbieden. Waarborgt daarentegen het Handvest verdergaande rechtsgevolgen dan andere grondrechten, dan worden deze reeds juist niet a priori beperkt.


53 –      In die zin Grabenwarter, C., Europäische Menschenrechtskonvention, 4e druk, Wenen, 2009, blz. 130, punt 14.


54 –      Zie Rengeling, H.‑W., Szczekalla, P., t.a.p. (voetnoot 45), blz. 180, punt 339. Zie uitspraken van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens van 11 oktober 1988, Ian Nimmo/Verenigd Koninkrijk (zaaknr.: 12327/86), en van 7 april 1997, Scientology Kirche Deutschland e.V./Duitsland (zaaknr.: 34614/97).


55 –      Zie Reid, K., A practitioner’s Guide to the European Convention on Human Rights, 2e druk, Londen 2004, blz. 46, punt I-064; Grabenwarter, C., t.a.p. (voetnoot 53), blz. 127, punt 7; Jarass, H., EU-Grundrechte, München, 2005, blz. 52, punt 12; Rengeling, H.‑W., Szczekalla, P., t.a.p. (voetnoot 45), blz. 180, punt 339, die derdenwerking van individuele rechten in het EVRM van de hand wijzen. In plaats daarvan gaat het huns inziens alleen om een verdragsconforme uitlegging van het recht van de overeenkomstsluitende staten en zogenoemde positieve verplichtingen (beschermingsverplichtingen) van die staten, juist ook bescherming van de uit het verdrag voortvloeiende rechten door de nationale wetgeving. Dit is vergelijkbaar met andere internationale wilsverklaringen ter bescherming van de rechten van de mens, in het bijzonder met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.


56 –      Grabenwarter, C., t.a.p. (voetnoot 53), blz. 131, punt 15.


57 –      Zie arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 16 december 2008, Khurshid Mustafa en Tarzibachi/Zweden (zaaknr. 23883/06), punt 50 [recht op informatie]; 24 juni 2004, Von Hannover/Duitsland (zaaknr. 59320/00), punt 57 [eerbieding van het privéleven]; 16 november 2004, Moreno Gómez/Spanje (zaaknr. 4143/02), punt 55 [eerbieding van het privéleven], en 30 november 2004, Öneryildiz/Turkije (zaaknr. 48939/99), punt 135 [eigendomsrecht].


58 –      Zie Grabenwarter, C., t.a.p. (voetnoot 53), blz. 131, punt 15, die van mening is dat de problemen van de derdenwerking opgaan in de dogmatiek van de beschermingsverplichting.


59 –      Zie Schwarze, J., European Administrative Law, Luxemburg, 2006, blz. 65, en Sariyiannidou, E., Institutional balance and democratic legitimacy in the decision-making process of the EU, Bristol, 2006, blz. 145.


60 –      Arrest van 16 juli 1956, Fédération Charbonnière de Belgique/Hoge Autoriteit (8/55, Jurispr. blz. 211, 322).


61 –      Arrest van 21 juni 1958, Wirtschaftsvereinigung Eisen- und Stahlindustrie/Hoge Autoriteit (13/57, Jurispr. blz. 281, 304).


62 –      Arrest van 22 maart 1961, SNUPAT/Hoge Autoriteit (42 en 49/59, Jurispr. blz. 103, 169).


63 –      Arrest van 13 februari 1979, Hofmann-La Roche/Commissie (85/76, Jurispr. blz. 461, 511).


64 –      Arrest van 15 juli 1960, Lachmüller e.a./Commissie (43/59, 45/59 en 48/59, Jurispr. blz. 967, 989).


65 –      Arrest van 12 juli 1962, Hoogovens/Hoge Autoriteit (14/61, Jurispr. blz. 513, 549).


66 –      Arrest van 19 oktober 1977, Ruckdeschel/HZA Hamburg-St. Annen (117/76 en 16/77, Jurispr. blz. 1753, 1769).


67 –      Tridimas, T., The General Principles of EU Law, 2e druk, Londen, 2006, blz. 17 e.v. en 29 e.v. wijst enerzijds op de functie van de algemene rechtsbeginselen bestaande in de opvulling van leemten in het communautaire recht, een functie die samenhangt met de omstandigheid dat de communautaire rechtsorde een nieuwe en jonge rechtsorde is die verder ontwikkeld moet worden. Bovendien is het EG-Verdrag een kaderverdrag met talrijke algemeen gestelde bepalingen en onbepaalde rechtsbegrippen, die het Hof een vergaande bevoegdheid tot ontwikkeling van het recht toekennen. Anderzijds wijst de auteur op de functie van uitleggingsinstrument voor het afgeleid recht. Lenaerts, K., Van Nuffel, P., Constitutional Law of the European Union, 2e druk, Londen, 2005, punt 17‑066, blz. 711, wijzen erop dat de overheid in het kader van de uitlegging van het communautaire recht doorgaans teruggrijpt op algemene rechtsbeginselen, vooral bij onduidelijkheden in het uit te leggen recht of juridische lacunes. Toriello, F., I principi generali del diritto comunitario — Il ruolo della comparazione, Milaan, 2000, blz. 141, wijst zowel op de aanvullingsfunctie als op de functie van uitleggingsinstrument, maar noemt ook andere functies.


68 –      In die zin Schwarze, J., t.a.p. (voetnoot 59), blz. 65.


69 –      Zie Lenaerts, K., Gutiérrez-Fons, J. A., „The constitutional allocation of powers and general principles of law”, Common Market Law Review, 2010, blz. 1629; Toriello, F., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 141.


70 –      Zie Toriello, F., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 141.


71 –      Zie Schweitzer, M., Hummer, W., Obwexer, W., Europarecht, blz. 65, punten 240 en 241.


72 –      In die zin Lengauer, A.‑M., Kommentar zu EU- und EG-Vertrag (uitgegeven door Heinz Mayer), Wenen, 2004, artikel 220, punt 27, blz. 65; Toriello, F., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 315‑318.


73 –      In die zin Schweitzer, M., Hummer, W., Obwexer, W., Europarecht, punt 244, blz. 66; Oppermann, T., Europarecht, 3e druk, München, 2005, punt 21, blz. 144; Toriello, F., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 140.


74 –      Zie Tridimas, T., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 6.


75 –      Algemeen wordt aangenomen dat de algemene rechtsbeginselen primairrechtelijke status hebben [zie Schroeder, W., EUV/EGV — Kommentar (uitgegeven door Rudolf Streinz), artikel 249, blz. 2159, punt 15]. Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat een handeling van een instelling van de Gemeenschappen aan de algemene rechtsbeginselen moet worden getoetst. Zie arresten van 12 november 1969, Stauder (29/69, Jurispr. blz. 419, punt 7), en 13 december 1979, Hauer (44/79, Jurispr. blz. 3727, punten 14 e.v.).


76 –      Zo ook Wegener, B., in Calliess/Ruffert (uitgegeven), Kommentar zu EUV/EGV, 3e druk, 2007, 3e druk, München 2007, artikel 220, punt 37, blz. 1956 en Tridimas, T., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 2 e.v.


77 –      Zie arrest van 9 augustus 1994, Bondsrepubliek Duitsland/Raad (C‑359/92, Jurispr. blz. I-3681). Reeds vóór de positivering van deze gedachte in artikel 5, lid 3, EG [artikel 5, lid 4, VEU] was zowel in de rechtspraak als in de rechtsliteratuur onbetwist, dat gebruikmaking van communautaire bevoegdheden onder het voorbehoud van evenredigheid staat [zie Lienbacher, G., EU-Kommentar (uitgegeven door Jürgen Schwarze), 1e druk, Baden-Baden 2000, artikel 5 EG, punt 36, blz. 270].


78 –      Zie arrest van 10 juli 1980, Commissie/Verenigd Koninkrijk (32/79, Jurispr. blz. 2403).


79 –      Zie arrest van het Gerecht van 6 maart 2001, Dunnett, Hackett en Turró Calvet/Europese Investeringsbank (T‑192/99, Jurispr. blz. II-813). Zie speciaal over het recht op daadwerkelijke toegang tot de rechter, arresten Hof van 15 mei 1986, Johnston (222/84, Jurispr. blz. 1651, punten 18 en 19); 15 oktober 1987, Heylens e.a. (222/86, Jurispr. blz. 4097, punt 14); 27 november 2001, Commissie/Oostenrijk (C‑424/99, Jurispr. blz. I-9285, punt 45); 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, Jurispr. blz. I-6677, punt 39), en 19 juni 2003, Eribrand (C‑467/01, Jurispr. blz. I-6471, punt 61); arresten Unibet (aangehaald in voetnoot 33, punt 37) en DEB (aangehaald in voetnoot 31, punt 29).


80 –      Zie arrest van 6 juli 2000, Agricola Tabacchi Bonavicina (C‑402/98, Jurispr. blz. I-5501).


81 –      Zie arrest van 13 februari 1969, Walt Wilhelm (14/68, Jurispr. blz. 1).


82 –      Zie arrest van 4 juli 1963, Alves (32/62, Jurispr. blz. 351).


83 –      Zie arresten van 14 juli 1972, Cassella Farbwerke Mainkur/Commissie (55/69, Jurispr. blz. 887); 28 mei 1980, Kuhner/Commissie (33/79 en 75/79, Jurispr. blz. 1677); 29 juni 1994, Fiskano/Commissie (C‑135/92, Jurispr. blz. I-2885); 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a. (C‑32/95 P, Jurispr. blz. I-5373, punt 21); 21 september 2000, Mediocurso/Commissie (C‑462/98 P, Jurispr. blz. I-7183, punt 36); 12 december 2002, Cipriani (C‑395/00, Jurispr. blz. I-11877, punt 51); 13 september 2007, Land Oberösterreich en Oostenrijk/Commissie (C‑439/05 P en C‑454/05 P, Jurispr. blz. I-7141), en 18 december 2008, Sopropré (C‑349/07, Jurispr. blz. I-10369, punten 36 en 37).


84 –      Zie arrest van 25 oktober 1978, Koninklijke Scholten-Honig (125/77, Jurispr. blz. 1991).


85 –      Zie arrest van 21 november 1991, Technische Universität München (C‑269/90, Jurispr. blz. I-5469).


86 –      Zie arrest van 14 februari 1978, IFG/Commissie (68/77, Jurispr. blz. 353).


87 –      Zie arrest van het Gerecht van 25 mei 2004, Distilleria Palma/Commissie (T‑154/01, Jurispr. blz. II-1493, punt 45).


88 –      Zie arrest van 21 september 2005, Ali Yusuf en Al Barakaat International Foundation/Raad (T‑306/01, Jurispr. blz. II-3533, punt 277).


89 –      Zie arrest van 18 maart 1980, Ferriera Valsabbia/Commissie (154/78, 205/78, 206/78, 226/78–228/78, 263/78, 264/78, 39/79, 31/79, 83/79 en 85/79, Jurispr. blz. 907).


90 –      Zie arrest van 28 mei 1980, Kuhner/Commissie (33/79 en 75/79, Jurispr. blz. 1677).


91 –      Zie arrest van 5 mei 1981, Commissie/Verenigd Koninkrijk (804/79, Jurispr. blz. 1045).


92 –      Zie arrest van 30 maart 1995, Parlement/Raad (C‑65/93, Jurispr. blz. I-643, punt 21).


93 –      Zie arrest van 17 januari 1984, VBVB en VBBB/Commissie (43/82 en 63/82, Jurispr. blz. 19).


94 –      Zie arrest Bosman (aangehaald in voetnoot 18).


95 –      Zie arrest van 12 juli 1984, Prodest (237/83, Jurispr. blz. 3153).


96 –      Zie arrest van 15 juni 1978, Defrenne (149/77, Jurispr. blz. 1365).


97 –      Zie arresten van 3 mei 2005, Berlusconi e.a. (C‑387/02, C‑391/02 en C‑403/02, Jurispr. blz. I-3565, punten 67‑69); 11 maart 2008, Jager (C‑420/06, Jurispr. I-1315, punt 59), en 28 april 2011, El Dridi (C‑61/11 PPU, Jurispr. blz. I-3015, punt 61).


98 –      Universele Verklaring van de rechten van de mens, afgekondigd op 10 december 1948 bij resolutie 217 A (III) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.


99 –      Europees Sociaal Handvest, ter ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa opengesteld op 18 oktober 1961 te Turijn en op 26 februari 1965 van kracht geworden. In artikel 2, punt 3, daarvan is bepaald dat de overeenkomstsluitende partijen zich, teneinde de onbelemmerde uitoefening van het recht op billijke arbeidsvoorwaarden te waarborgen, verbinden een jaarlijks verlof van ten minste twee weken met behoud van loon te waarborgen.


100 –      Het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten is op 19 december 1966 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met eenparigheid van stemmen goedgekeurd. Artikel 7, sub d, daarvan bepaalt: „De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op billijke en gunstige arbeidsvoorwaarden, die in het bijzonder het volgende waarborgen: rustpauzen, vrije tijd en een redelijke duur van de werktijd en periodieke vakanties met behoud van loon, alsmede behoud van loon op algemeen erkende feestdagen.”


101 –      Het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 9 december 1989 bepaalt in punt 8, dat „alle werkenden in de Europese Gemeenschap recht hebben op een wekelijkse rusttijd en een jaarlijkse vakantie met behoud van loon, waarvan de duur onderling in opwaartse zin moet worden aangepast, overeenkomstig de nationale gebruiken”.


102 –      Zie Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1059, punt 3539.


103 –      Verdrag nr. 132 betreffende de jaarlijkse vakantie met behoud van loon (herzien in 1970), aangenomen door de Algemene Vergadering van de Internationale Arbeidsorganisatie op 24 juni 1970, in werking getreden op 30 juni 1973.


104 –      Verdrag nr. 52 betreffende de jaarlijkse vakantie met behoud van loon, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Internationale Arbeidsorganisatie op 24 juni 1936, in werking getreden op 22 september 1939. Dit verdrag is herzien bij verdrag nr. 132, maar is nog steeds opengesteld voor bekrachtiging.


105 –      Zuleeg, M., „Der Schutz sozialer Rechte in der Rechtsordnung der Europäischen Gemeinschaft”, Europäische Grundrechte-Zeitschrift, 1992, nr. 15/16, blz. 331, wijst erop dat handelingen die niet juridisch verbindend zijn, zoals het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, in de eerste plaats ter koersbepaling dienen. Zij krijgen echter juridische betekenis wanneer rechters ernaar verwijzen voor uitlegging of rechtsontwikkeling. Balze, W., Überblick zum sozialen Arbeitsschutz in der EU, Europäisches Arbeits- und Sozialrecht, 38e supplement, 1998, punt 4, stelt terecht vast dat het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden weliswaar zelf als plechtige verklaring niet juridisch verbindend is, maar wel de fundamentele stimulans was voor het eind 1989 afgekondigde actieprogramma van de Commissie van 28 november 1989 inzake de toepassing van het Gemeenschapshandvest. Het actieprogramma bevatte in totaal 23 concrete voorstellen voor richtlijnen, onder meer op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid van de werknemers, die voor het grootste gedeelte vóór 1993 zijn uitgevoerd. Daaruit volgt dat ook plechtige verklaringen, als inspiratiebron voor wetgevingsactiviteiten, uiteindelijk toch betekenis kunnen krijgen bij de verwezenlijking van de daarin geproclameerde sociale grondrechten.


106 –      Zie Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1060, punt 3542.


107 –      Zie González Ortega, S., „El disfrute efectivo de la vacaciones anuales retribuidas: una cuestión de derecho y de libertad personal, de seguridad en el trabajo y de igualdad”, Revista española de derecho europeo, nr. 11, 2004, blz. 423 e.v.


108 –      Zie Vieira De Andrade, J. C., „La protection des droits sociaux fondamentaux dans l’ordre juridique du Portugal”, La protection des droits sociaux fondamentaux dans les États membres de l’Union européenne — Étude de droit comparé, Athene/Brussel/Baden-Baden, 2000, blz. 677.


109 –      Zie Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1062, punt 3542.


110 –      Zie Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1062, punt 3548.


111 –      Artikel 24, lid 3, van de grondwet van de deelstaat Nordrhein-Westfalen bepaalt bijvoorbeeld dat het recht op voldoende vakantie met behoud van loon wettelijk moet worden vastgelegd.


112 –      Zie Riedel, E., Charta der Grundrechte der Europäischen Union (uitgegeven door Jürgen Meyer), 2e druk, Baden-Baden, 2006, artikel 31, punten 3 en 4.


113 –      Zie punt 92 van deze conclusie.


114 –      Zie Nielsen, R., „Free movement and fundamental rights”, European Labour Law Journal, 2010, nr. 1, blz. 258, die wijst op de potentiële betekenis van het Handvest bij de ontwikkeling van sociale grondrechten via de rechtspraak van het Hof naar algemene rechtsbeginselen. Volgens de auteur moet het Hof zich bij de uitoefening van deze taak in toenemende mate op het Handvest baseren, dat — anders dan het EVRM — talrijke sociale normen vastlegt, zoals bijvoorbeeld het verbod van discriminatie, het verbod van kinderarbeid en het verbod van slavernij en dwangarbeid, het recht van vergadering, het recht op collectieve onderhandeling en het stakingsrecht van werknemers.


115 –      Zie Lenaerts, K., Gutiérrez-Fons, J. A., t.a.p. (voetnoot 69), blz. 1633, die erop wijzen dat het Hof er meer toe geneigd zal zijn een bepaalde soort regeling over te nemen, naarmate de convergentie tussen de rechtordes groter is. Wanneer de convergentie weliswaar niet volledig is maar een bepaalde benadering zich in het merendeel van de lidstaten heeft doorgezet, zal het Hof doorgaans deze benadering volgen, door deze aan te passen aan de Unierechtsorde.


116 –      Zie Tridimas, T., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 6, die erop wijst dat het Hof onder omstandigheden een algemeen rechtsbeginsel als zodanig kan erkennen hoewel dit niet in de rechtsordes van de lidstaten bekend is.


117 –      Zie beschikking van 7 april 2011, May (C‑519/09, Jurispr. blz. I-2761, punten 26 en 27), waar het Hof heeft verklaard dat ook een voor een publiekrechtelijke instelling werkende persoon ongeacht zijn status als ambtenaar een „werknemer” in de zin van artikel 7 van richtlijn 2003/88 is.


118 –      Zie Tridimas, T., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 1, die de vraag aan de orde stelt hoe een algemeen rechtsbeginsel kan worden onderscheiden van een specifieke regeling. Hij is van mening dat dit afhankelijk is van enerzijds de algemene gelding van dit rechtsbeginsel, waarbij „algemeen” betekent dat het beginsel over een zekere mate van abstractheid moet beschikken, en anderzijds de relevantie van dit beginsel binnen een rechtsorde.


119 –      Zie de punten 39 tot en met 42 van mijn conclusie van 16 juni 2011 in de zaak C‑155/10 (Williams e.a.), waarin het ging om het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van piloten van een luchtvaartmaatschappij. Uitgelegd werd clausule 3 van de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart, gesloten door de Association of European Airlines (AEA), de European Transport Workers’ Association (ETF), de European Cockpit Association (ECA), de European Regions Airline Association (ERA) en de International Air Carrier Association (IACA), zoals geïmplementeerd door richtlijn 2000/79/EG (PB L 302, blz. 59). Bedoeld artikel bevat eigen vakantiebepalingen voor het mobiel personeel in de burgerluchtvaart.


120 –      Als tweede voorbeeld kan de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden worden genoemd. Volgens punt 12 van de considerans van richtlijn 2003/88 is de richtlijn namelijk niet van toepassing op deze groep personen. In plaats daarvan wordt verwezen naar richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 inzake de Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST) (PB L 167, blz. 33). Deze overeenkomst bevat in clausule 16 een speciale vakantieregeling voor zeevarenden, vergelijkbaar met die van artikel 7 van richtlijn 2003/88.


121 –      Volgens Tridimas, T., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 26, moeten algemene rechtsbeginselen beschikken over een verifieerbare, minimale juridisch bindende inhoud.


122 –      Zo heeft het Hof bijvoorbeeld verschillende nationale maatregelen veroordeeld omdat ze niet verenigbaar waren met het algemene beginsel van gelijke behandeling (zie bijvoorbeeld arresten van 25 november 1986, Klensch, 201/85 en 202/85, Jurispr. blz. 3477, en 13 juli 1989, Wachauf, 5/88, Jurispr. blz. 2609) of met bijzondere uitwerkingen van dit beginsel — zoals het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit in verschillende situaties (zie bijvoorbeeld arresten van 13 februari 1985, Gravier, 293/83, Jurispr. blz. 593 [toegang tot de beroepsopleiding]; 2 februari 1988, Blaizot, 24/86, Jurispr. blz. 379 [toegang tot universitair onderwijs]; 27 september 1988, Commissie/België, 42/87, Jurispr. blz. 5445 [studietoelagen]; 20 oktober 1993, Phil Collins e.a., C‑92/92 en C‑326/92, Jurispr. blz. I-5145 [intellectuele eigendomsrechten], en 26 september 1996, Data Delecta, C‑43/95, Jurispr. blz. I-4661 [gerechtelijke procedure]), de eerbiediging van grondrechten (zie bijvoorbeeld arresten Johnston, aangehaald in voetnoot 79 [effectieve rechterlijke controle in verband met „beroepseisen” als rechtvaardiging voor een verschillende behandeling van mannen en vrouwen], en Wachauf, reeds aangehaald [eigendomsrechten in verband met de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelproducten], en arrest van 11 juli 2002, Carpenter, C‑60/00, Jurispr. blz. I-6279 [recht op eerbiediging van het gezins- en familieleven in verband met een mogelijke beperking van het vrij verrichten van diensten]), het vertrouwensbeginsel (zie bijvoorbeeld arrest van 11 juli 2002, Marks & Spencer, C‑62/00, Jurispr. blz. I-6325 [het vertrouwensbeginsel in verband met een nieuwe nationale verjaringstermijn waarbinnen kan worden verzocht om teruggaaf van in strijd met het gemeenschapsrecht geïnde bedragen]) en het evenredigheidsbeginsel (zie bijvoorbeeld arresten van 19 juni 1980, Testa, 41/79, 121/79 en 796/79, Jurispr. blz. I-1979 [beoordelingsvrijheid van de lidstaat bij verlenging van de duur van de uitkering bij werkloosheid volgens artikel 69, lid 2, van verordening nr. 1408/71], en 18 december 1997, Molenheide e.a., C‑286/94, C‑340/95, C‑401/95 en C‑47/96, Jurispr. blz. I-7281).


123 –      In die zin Tridimas, T., t.a.p. (voetnoot 67), blz. 47. In die zin ook Walter, R., Mayer, H., t.a.p. (voetnoot 45), blz. 549, punt 1330, die van mening zijn dat toepasselijkheid van de grondrechten vooral in het geval van een overmachtige contractpartij (bijvoorbeeld een monopolist) ten opzichte van een andere wenselijk kan zijn.


124 –      Daarom wordt de werknemer in de rechtspraak van het Hof vaak ook als de sociaal en economisch zwakkere en dus bescherming behoevende partij beschouwd. Zie bijvoorbeeld in verband met de uitlegging van artikel 6 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 266, blz. 1), het arrest van 15 maart 2011, Koelzsch (C‑29/10, Jurispr. blz. I-1595, punt 40).


125 –      Zie Preis, U., Temming, F., „Der EuGH, das BVerfG und der Gesetzgeber”, Neue Zeitschrift für Arbeitsrecht, 2010, blz. 190. Thüsing, G., t.a.p. (voetnoot 20), blz. 15, punt 34, wijst terecht erop dat de grenzen waar de overheid begint en waar zij ophoudt, vloeiend zijn.


126 –      Zie Rengeling, H.‑W., Szczekalla, P., t.a.p. (voetnoot 45), blz. 182, punt 341.


127 –      Arrest van 8 april 1976, Defrenne (43/75, Jurispr. blz. 455).


128 –      Arrest van 12 december 1974, Walrave (36/74, Jurispr. blz. 1405).


129 –      Arrest van 12 december 1974, Walrave (36/74, Jurispr. blz. 1405, punten 16‑19).


130 –      Arrest Bosman (aangehaald in voetnoot 18).


131 –      Arrest van 6 juni 2000, Angonese (C‑281/98, Jurispr. blz. I-4139, punt 36).


132 –      Arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3).


133 –      Arrest Mangold (aangehaald in voetnoot 9, punt 75).


134 –      Zie de punten 144 e.v. van deze conclusie.


135 –      In die zin ook advocaat-generaal Sharpston in haar conclusie van 22 mei 2008 in de zaak Bartsch (C‑427/06, Jurispr. blz. I-7245, punt 85).


136 –      Zie Jarass, H., „Bedeutung der EU-Rechtsschutzgewährleistung für nationale und EU-Gerichte”, Neue Juristische Wochenschrift, 2011, blz. 1394.


137 –      Lenaerts, K., Gutiérrez-Fons, J. A., t.a.p. (voetnoot 69), blz. 1656, lijken ook uit te gaan van de parallelle gelding van de uit algemene rechtsbeginselen voortvloeiende rechten en de rechten van het Handvest, omdat zij aan het Handvest betekenis toekennen als inspiratiebron voor de ontdekking van nieuwe algemene rechtsbeginselen. In die zin ook Preis, U., Temming, T., t.a.p. (voetnoot 125), die van mening zijn dat het Hof in het kader van zijn bevoegdheid krachtens artikel 6, lid 3, VEU een ongeschreven subsidiair Uniegrondrecht van algemene handelingsvrijheid afleidt, op grond waarvan particulieren de mogelijkheid hebben schendingen van regelmatige richtlijnbepalingen als zodanig in algemene zin aan de orde te stellen.


138 –      Zie Geiger, R., t.a.p. (voetnoot 48), artikel 6, blz. 45, punt 27; Jarass, H., t.a.p. (voetnoot 55), blz. 19, punt 15.


139 –      In die zin Jarass, H., t.a.p. (voetnoot 136).


140 –      Zie Jarass, H., t.a.p. (voetnoot 55), blz. 19, punt 15.


141 –      In die zin De Mol, M., t.a.p. (voetnoot 50), die onder verwijzing naar de in artikel 51, lid 1, eerste zin, van het Handvest voorziene bindende werking van de grondrechten voor exclusief de Unie en haar lidstaten een horizontale werking van algemene rechtsbeginselen ontkent.


142 –      Zie arresten van 4 december 1974, Van Duyn (41/74, Jurispr. blz. 1338, punten 13 en 14); 12 mei 1987, Traen (372/85–374/85, Jurispr. blz. 2141, punt 25); 20 september 1988, Beentjes (31/87, Jurispr. blz. 4635, punt 43), en 23 februari 1994, Comitato di coordinamento per la difesa della Cava/Regione Lombardia (C‑236/92, Jurispr. blz. I-483, punt 9).


143 –      Zie arresten van 22 september 1983, Auer (271/82, Jurispr. blz. 2727, punt 16), en 15 december 1983, Rienks (5/83, Jurispr. blz. 4233, punt 8); arrest Marshall (aangehaald in voetnoot 20, punt 52); arrest van 4 december 1986, Federatie Nederlandse Vakbeweging (71/85, Jurispr. blz. 3855, punt 18), en arrest Comitato di coordinamento per la difesa della Cava/Regione Lombardia (aangehaald in voetnoot 142, punt 10).


144 –      Zie arresten van 27 juni 1989, Kühne (50/88, Jurispr. blz. 1925, punt 26), en 22 mei 1980, Santillo (131/79, Jurispr. blz. 1585, punt 13).


145 –      Zie Fischinger, P., t.a.p. (voetnoot 34), die met betrekking tot het verbod van discriminatie wegens leeftijd stelt dat bij de toetsing of er sprake is van schending van een algemeen rechtsbeginsel eerst de inhoud van dit algemene rechtsbeginsel autonoom (dat wil zeggen zonder daarbij een norm van afgeleid recht te betrekken) moet worden vastgesteld.


146 –      Zie De Mol, M., t.a.p. (voetnoot 50), blz. 301, die de erkenning van de horizontale werking van een algemeen rechtsbeginsel in het arrest Kücükdeveci als opmerkelijk bestempelt, omdat zij van mening is dat algemene rechtsbeginselen worden gekenmerkt doordat zij ten eerste doorgaans de burger in de relatie tot de staat beschermen, en ten tweede „in zoverre abstract zijn dat zij alleen een bepaalde richting aangeven zonder echter een concrete rechtsregel vast te leggen”.


147 –      In die zin Schweitzer, M., Hummer, W., Obwexer, W., Europarecht, blz. 178, punt 653; Sariyiannidou, E., t.a.p. (voetnoot 59), blz. 122 spreekt eveneens van een „functiescheiding”. Volgens Oppermann, T., t.a.p. (voetnoot 73), §5, punt 5, blz. 80, is in de Europese Gemeenschap de staatkundige verdeling van bevoegdheden tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht aangepast ten gunste van een specifiek institutioneel evenwicht tussen de gemeenschapsinstellingen. Vooral tussen het Parlement, de Raad en de Commissie zijn de taken anders verdeeld dan op het niveau van een staat. Ook in de Europese Gemeenschap is er sprake van wederzijdse controle en machtsevenwicht („checks and balances”). Het institutionele evenwicht tussen de instellingen is een afspiegeling van een fundamenteel rechtsstaatbeginsel. Het gebiedt dat elke instelling haar bevoegdheden met inachtneming van de bevoegdheden van de andere instellingen uitoefent en dat schending hiervan door het Hof kan worden bestraft.


148 –      Zie mijn conclusie van 30 juni 2009 in de zaak Audiolux (C‑101/08, Jurispr. 2009, blz. I-9823, punt 107).


149 –      Sariyiannidou, E., t.a.p. (voetnoot 59), blz. 137, is van mening dat artikel 220 EG het Hof uiteindelijk de bevoegdheid toekent om te bepalen wat „recht” is, echter zonder die bevoegdheid duidelijk af te bakenen. Het Hof heeft bij de uitwerking van algemene rechtsbeginselen uitgebreid gebruik gemaakt van zijn rechtsontwikkelingsbevoegdheid. De auteur uit de vrees dat hierdoor de grenzen tussen rechterlijke en politieke activiteit kunnen vervagen.


150 –      Zo ook Seifert, A., t.a.p. (voetnoot 37), die een overeenkomstige toepassing van de in het arrest Kücükdeveci ontwikkelde rechtspraakbeginselen op andere door grondrechten beschermde gebieden denkbaar acht. Hij verwijst daarbij naar het grondrecht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in artikel 31, lid 2, van het Handvest, dat met name door de arbeidstijdrichtlijn is geconcretiseerd.


151 –      PB L 303, blz. 16.


152 –      Arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 53).


153 –      Zie Simon, D., „L’invocabilité des directives dans les litiges horizontaux: confirmation ou infléchissement”, Europe: actualité du droit communautaire, 2010, nr. 3, blz. 7, punt 19.


154 –      Zie Seifert, A., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 806, die inschat dat het teruggrijpen op een algemeen rechtsbeginsel voor het Hof een middel is om niet in conflict te komen met zijn eigen rechtspraak met betrekking tot het ontbreken van een rechtstreekse horizontale werking van richtlijnen tussen particulieren.


155 –      Arrest Mangold (aangehaald in voetnoot 9, punt 75).


156 –      Arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 50).


157 –      Arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 51).


158 –      Arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punten 28‑43).


159 –      Arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punten 25 en 26).


160 –      Zie de punten 110 tot en met 114 van deze conclusie.


161 –      Zie punt 47 van deze conclusie.


162 –      Zie punt 53 van deze conclusie.


163 –      Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Kokott van 6 mei 2010 in de zaak Roca Álvarez (C‑104/09, Jurispr. blz. I-8661, punt 55), waar zij verwijst naar de arresten Mangold en Kücükdeveci en daarbij de vraag opwerpt of het Hof een horizontale rechtstreekse werking zou aannemen voor andere algemene rechtsbeginselen, zoals het verbod van discriminatie wegens geslacht. Volgens de advocaat-generaal vereist een dergelijke ontwikkeling een grondige bespreking van de dogmatische fundamenten en de grenzen van deze omstreden horizontale rechtstreekse werking. Ook Thüsing, G., Horler, S., Besprechung des Urteils Kücükdeveci, Common Market Law Review, 2010, blz. 1171, pleiten voor een meer uitvoerige dogmatische onderbouwing van deze benadering.


164 –      Zie punt 136 van deze conclusie.


165 –      Zie De Mol, M., t.a.p. (voetnoot 50), blz. 305, die er terecht van uitgaat dat het Hof bij zijn benadering het algemene rechtsbeginsel in hoge mate gelijkstelt met de richtlijn.


166 –      Dit wordt eveneens bekritiseerd door Simon, D., t.a.p. (voetnoot 153), nr. 3, blz. 4, punt 7. De auteur is van mening dat bij deze benadering noch de draagwijdte van het algemene rechtsbeginsel van het verbod van discriminatie wegens leeftijd, noch de concretisering daarvan en evenmin de richtlijn zelf duidelijk wordt gedefinieerd.


167 –      In die zin Fischinger, P., t.a.p. (voetnoot 34), blz. 207.


168 –      Zie Fischinger, P., t.a.p. (voetnoot 34), blz. 207, die van mening is dat de benadering in het arrest Kücükdeveci op nationaal niveau overeenkomt met het verzoek uit de inhoud van een wet de beschermingsomvang van een grondwettelijk gewaarborgd grondrecht af te leiden.


169 –      Zie Mörsdorf, O., „Diskriminierung jüngerer Arbeitnehmer — Unanwendbarkeit von §622 II2 BGB wegen Verstoßes gegen das Unionsrecht”, Neue Juristische Wochenschrift, 2010, blz. 1048, die opmerkt dat het Hof in het arrest Kücükdeveci als toetsingscriterium voor de conformiteit van het nationale recht met het recht van de Unie — ondanks tegenstrijdige verklaringen — niet de abstracte primairrechtelijke rechtsnorm gebruikt (dat wil zeggen het algemene rechtsbeginsel), maar de richtlijn, die een gedetailleerde regeling bevat. Volgens Fischinger, P., t.a.p. (voetnoot 34), blz. 206, wordt in het arrest Kücükdeveci feitelijk uit de richtlijn de kern en uit het primaire recht het rechtsgevolg afgeleid.


170 –      Fischinger, P., t.a.p. (voetnoot 34), blz. 207, uit het vermoeden dat het Hof in het arrest Kücükdeveci de deur op een kier heeft laten staan om ook in de toekomst uit de richtlijnnormeringen conclusies te trekken over de inhoud van nieuw gevonden primair recht.


171 –      In die zin Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 137, punt 453, die de verwezenlijking van sociale rechten ook van de financiële mogelijkheden afhankelijk maakt. Zie Riesenhuber, K., t.a.p. (voetnoot 50), blz. 49 e.v., punt 34, die naar de ontstaansgeschiedenis van titel IV („Solidariteit”) verwijst en daarbij opmerkt dat het opnemen van sociale grondrechten in het Handvest in de Conventie bijzonder omstreden was, omdat werd gevreesd dat de erkenning van sociale rechten zou leiden tot een bovenmatige financiële belasting van de Unie en de lidstaten. Ten gunste van hun integratie werd daarentegen de ondeelbaarheid van politieke en sociale rechten aangevoerd, alsook het feit dat reeds in artikel 136, lid 1, en in artikel 151 VWEU rekening werd gehouden met het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten. Het resultaat werd een compromis: weliswaar werden sociale rechten opgenomen, maar zij waren slechts zwak en niet als echte afdwingbare rechten vormgegeven. In veel gevallen bevat het Handvest geen zelfstandige waarborgen, maar aanwijzingen voor het „of” en „hoe” van de bescherming aan het recht van de Unie en dat van de lidstaten.


172 –      Zie Frenz, W., t.a.p. (voetnoot 37), blz. 1059, punt 3540, die tracht te verklaren waarom het Handvest juist op het gebied van de sociale rechten onvolledig is. Hij is van mening dat de sociale rechten waarschijnlijk niet volledig kunnen zijn. Enerzijds zijn de maatschappelijke denkbeelden over wat als „sociaal” wordt beschouwd aan verandering onderhevig, anderzijds zal de vastlegging van sociale rechten steeds op compromissen berusten. Rengeling, H.‑W., Szczekalla, P., t.a.p. (voetnoot 45), blz. 793, wijzen er terecht op dat het begrip „sociaal” in het Handvest veeleer open blijft. Ook is onduidelijk wat precies wordt bedoeld met „Solidariteit” in titel IV van het Handvest.


173 –      Zie met betrekking tot de afwijkingen en uitzonderingen met name Blanpain, R., European Labour Law, 11e druk, Alphen aan den Rijn, 2008, blz. 586 e.v.


174 –      Zie Bauer, J.‑H., von Medem, A., „Kücükdeveci = Mangold hoch zwei? Europäische Grundrechte verdrängen deutsches Arbeitsrecht”, Zeitschrift für Wirtschaftsrecht, nr. 11, 2010, blz. 452.


175 –      In die zin Bauer, J.‑H., von Medem, A., t.a.p. (voetnoot 174), die zich uitspreken tegen een toepassing van de benadering van het arrest Kücükdeveci in het geval van de werknemersgrondrechten van de artikelen 27 e.v. van het Handvest vanwege de verschillen tussen dit type grondrechten en de discriminatieverboden. Zij wijzen erop dat er op veel van de in hoofdstuk IV („Solidariteit”) van het Handvest aangestipte gebieden richtlijnen zijn, die volgens de gebruikelijke opvattingen niet in staat zijn om strijdig nationaal recht in geschillen tussen particulieren te verdringen. De auteurs verwijzen daarbij uitdrukkelijk ook naar de arbeidstijdrichtlijn, die bijvoorbeeld het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in artikel 31, lid 2, van het Handvest concretiseert.


176 –      Zie in verband met de rechtsstaatbeginselen in het Unierecht, punt 96 van deze conclusie. Zie arresten van 16 juni 1993, Frankrijk/Commissie (C‑325/91, Jurispr. blz. I-3283, punt 26), en van 16 oktober 1997, Banque Indosuez e.a. (C‑177/96, Jurispr. blz. I-5659, punten 26‑31).


177 –      Zie arresten van 7 juni 2005, VEMW (C‑17/03, Jurispr. blz. I-4983, punt 80), en 14 januari 2010, Stadt Papenburg (C‑226/08, Jurispr. blz. I-131, punt 45).


178 –      Zie punten 61 tot en met 63 van deze conclusie.


179 –      Zie Avbelj, M., „Temeljna načela prava EU padajo na glavo”, Pravna praksa, 2010, nr. 7, blz. 34, die kritiek levert op het arrest Kücükdeveci omdat het volgens hem de rechtspraak van het Hof tot dusver met betrekking tot de ontbrekende horizontale werking van richtlijnen op zijn kop zou kunnen zetten. De Mol, M., t.a.p. (voetnoot 50), blz. 307, uit bezwaren met betrekking tot de verenigbaarheid van deze benadering, waarbij het gaat om de handhaving van een algemeen rechtsbeginsel (verbod van discriminatie wegens leeftijd), met het vereiste van rechtszekerheid, dat ten slotte ook een algemeen rechtsbeginsel is. Volgens de auteur kunnen particulieren niet meer vertrouwen op het nationale (geschreven) recht. In plaats daarvan moeten zij rekening houden met de mogelijke werking van het (ongeschreven) algemene rechtsbeginsel.


180 –      In die zin Thüsing, G., Horler, S., t.a.p. (voetnoot 163); Seifert, A., t.a.p. (voetnoot 37).


181 –      Arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 3, punt 53).


182 –      Zie punt 127 van deze conclusie.


183 –      Zie punt 65 van deze conclusie.


184 –      Goffin, L., „À propos des principes régissant la responsabilité non contractuelle des États membres en cas de violation du droit communautaire”, Cahiers de droit européen, nr. 5‑6 1997, blz. 537 e.v.; Lenaerts, K., Arts, D., Maselis, I., Procedural Law of the European Union, 2e druk, Londen, 2006, punt 3‑042, blz. 109; Knez, R., „Varstvo pravic posameznika, ki jih vsebuje pravo skupnosti”, Revizor, nr. 4/5, 2003, jaargang 14, blz. 105; Ossenbühl, F., Staatshaftungsrecht, 5e druk, München, 1998, blz. 505, en Guichot, E., La responsabilidad extracontractual de los poderes públicos según el Derecho Comunitario, Valencia, 2007, blz. 473, 474, noemen drie voorwaarden: (1) de geschonden rechtsnorm moet ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen, (2) de schending moet voldoende gekwalificeerd zijn, en (3) er moet een causaal verband zijn tussen de schending en de geleden schade. Zie onder meer arresten van 5 maart 1996, Brasserie du Pêcheur en Factortame (C‑46/93 en C‑48/93, Jurispr. blz. I‑1029, punt 51); 23 mei 1996, Hedley Lomas (C‑5/94, Jurispr. blz. I‑2553, punt 25), en 4 juli 2000, Haim (C‑424/97, Jurispr. blz. I-5123, punt 36), alsmede arresten van 4 december 2003, Evans (C‑63/01, Jurispr. blz. I‑14447, punt 83), en 25 januari 2007, Robins e.a. (C‑278/05, Jurispr. blz. I‑1053, punt 69).


185 –      Arrest van 8 oktober 1996, Dillenkofer e.a. (C‑178/94, C‑179/94, C‑188/94–C‑190/94, Jurispr. blz. I-4845, punt 23).


186 –      In die zin ook advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie van 26 september 2000 in de zaak Lindöpark (arrest van 18 januari 2001, C‑150/99, Jurispr. blz. I‑493, punt 51).


187 –      Arrest Brasserie du Pêcheur en Factortame (aangehaald in voetnoot 184, punt 22); arresten van 26 maart 1996, British Telecommunications (C‑392/93, Jurispr. blz. I‑1631, punt 41), en 18 januari 2001, Lindöpark (C‑150/99, Jurispr. blz. I‑493, punt 38).


188 –      Arrest Brasserie du Pêcheur en Factortame (aangehaald in voetnoot 184, punt 25).


189 –      Zie punt 52 van deze conclusie.


190 –      Arrest Merino Gómez (aangehaald in voetnoot 11).


191 –      Arrest Merino Gómez (aangehaald in voetnoot 11, punt 31).


192 –      Arrest Schultz-Hoff e.a. (aangehaald in voetnoot 6, punt 27).


193 –      Zie punt 53 van de memorie van de Franse regering.


194 –      Zie arrest van 6 april 2006, Federatie Nederlandse Vakbeweging (C‑124/05, Jurispr. blz. I-3423, punt 30), en arrest Schultz-Hoff e.a. (aangehaald in voetnoot 6, punt 30).