Language of document : ECLI:EU:C:2019:467

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

6 juni 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 2008/48/EG – Precontractuele verplichtingen – Artikel 5, lid 6 – Verplichting voor de kredietgever om het best aangepaste krediet te zoeken – Artikel 8, lid 1 – Verplichting voor de kredietgever om geen kredietovereenkomst te sluiten in geval van twijfel over de kredietwaardigheid van de consument – Verplichting voor de kredietgever om te beoordelen of het krediet wenselijk is”

In zaak C‑58/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de justice de paix du canton de Visé (vredegerecht Wezet, België) bij beslissing van 22 januari 2018, ingekomen bij het Hof op 30 januari 2018, in de procedure

Michel Schyns

tegen

Belfius Bank NV,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader (rapporteur), A. Rosas, L. Bay Larsen en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 november 2018,

gelet op de opmerkingen van:

–        Belfius Bank NV, vertegenwoordigd door D. Blommaert en P. Algrain, advocaten,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Pochet en P. Cottin als gemachtigden, bijgestaan door F. de Patoul, advocaat,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Ruiz García, C. Valero en G. Goddin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 februari 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 6, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificaties in PB 2009, L 207, blz. 14; PB 2010, L 199, blz. 40, en PB 2011, L 234, blz. 46).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Michel Schyns en Belfius Bank NV (hierna: „Belfius”), rechtsopvolger van Dexia Bank België, over een kredietovereenkomst die hij bij Belfius heeft afgesloten om de installatie van zonnepanelen door Home Vision SPRL te financieren.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2008/48

3        De overwegingen 7, 9, 24, 26, 27 en 44 van richtlijn 2008/48 luiden:

„(7)      Teneinde de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken, moet op een aantal kerngebieden een geharmoniseerd communautair kader worden geschapen. Met toekomstgerichte communautaire voorschriften die aan toekomstige kredietvormen kunnen worden aangepast en die de lidstaten de nodige speelruimte laten bij de omzetting daarvan, dient, met het oog op de gestage ontwikkeling van de markt voor consumentenkrediet en de toenemende mobiliteit van de Europese burger, een bijdrage te worden geleverd aan een modern consumentenkrediet.

[...]

(9)      Volledige harmonisatie is nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de Gemeenschap een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren. Het mag de lidstaten derhalve niet worden toegestaan andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd. Deze beperking moet echter alleen gelden voor door deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen. Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren. [...]

[...]

(24)      De consument moet uitgebreid worden geïnformeerd voordat hij de kredietovereenkomst sluit, ongeacht of bij de verkoop van het krediet een kredietbemiddelaar betrokken is. [...]

[...]

(26)      De lidstaten moeten passende maatregelen nemen ter bevordering van verantwoordelijke praktijken in alle stadia van de kredietrelatie, rekening houdend met de specifieke kenmerken van hun kredietmarkt. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld voorlichting of scholing van de consument inhouden, inclusief waarschuwingen over de risico’s van het niet nakomen van betalingsverplichtingen of overmatige schuldenlast. In de zich uitbreidende kredietmarkt is het met name belangrijk dat kredietgevers zich niet inlaten met onverantwoordelijke leningpraktijken of kredieten toestaan zonder de kredietwaardigheid vooraf te hebben beoordeeld, en de lidstaten moeten het nodige toezicht uitvoeren om dergelijk gedrag te vermijden en de noodzakelijke middelen bepalen om de kredietgever te sanctioneren wanneer dat toch het geval is. Onverminderd de kredietrisicobepalingen van richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen moeten kredietgevers de verantwoordelijkheid hebben om de kredietwaardigheid van elke consument te beoordelen. [...]

(27)      Afgezien van de precontractuele informatie waarop de consument recht heeft, kan hij nog aanvullende bijstand nodig hebben om uit te maken welke kredietovereenkomst in het palet aangeboden producten voor zijn behoeften en financiële situatie het meest geschikt is. Daarom moeten de lidstaten ervoor zorgen dat kredietgevers dergelijke hulp omtrent de door hen aan de consument aangeboden kredietproducten verlenen. Zo nodig moet de consument persoonlijk toelichting krijgen op de relevante precontractuele informatie en de voornaamste kenmerken van de voorgestelde producten, zodat hij zich rekenschap kan geven van de gevolgen die deze voor zijn economische situatie kunnen hebben. In voorkomend geval moet deze plicht tot hulp aan de consument ook voor kredietbemiddelaars gelden. De lidstaten kunnen bepalen op welke wijze en in welke mate deze toelichtingen aan de consument moeten worden gegeven, gelet op de bijzondere omstandigheden waarin het krediet wordt aangeboden, de noodzaak van hulp aan de consument en de aard van afzonderlijke kredietproducten.

[...]

(44)      Om voor transparantie en stabiliteit op de markt te zorgen, dienen de lidstaten in afwachting van verdere harmonisatie te zorgen voor de nodige maatregelen met het oog op de regulering van en het toezicht op kredietgevers.”

4        Richtlijn 2008/48 heeft volgens artikel 1 ervan tot doel bepaalde aspecten van de voorschriften van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.

5        Artikel 5 van deze richtlijn heeft als opschrift „Precontractuele informatie”. Lid 6 ervan is vervat in de volgende bewoordingen:

„De lidstaten zien erop toe dat de kredietgevers en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaars de consument een passende toelichting verstrekken om hem in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, zo nodig door de ingevolge lid 1 te verstrekken precontractuele informatie, de voornaamste kenmerken van de voorgestelde producten en de specifieke gevolgen hiervan voor de consument toe te lichten, met inbegrip van de gevolgen indien de consument niet betaalt. De lidstaten kunnen de wijze waarop en de mate waarin dergelijke bijstand wordt verleend, alsmede de identiteit van degene door wie de bijstand wordt verleend, aanpassen aan de specifieke omstandigheden waarin de overeenkomst wordt aangeboden, de persoon aan wie zij wordt aangeboden, en het soort krediet dat wordt aangeboden.”

6        Artikel 8 van die richtlijn, met als opschrift „Verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument voor het sluiten van de kredietovereenkomst beoordeelt op basis van toereikende informatie die, in voorkomend geval, is verkregen van de consument en, waar nodig, op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand. Lidstaten van wie de wetgeving van kredietgevers vereist dat zij de kredietwaardigheid van consumenten op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand beoordelen, kunnen dit vereiste behouden.”

7        Artikel 22 van richtlijn 2008/48 heeft als opschrift „Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn”. Lid 1 ervan luidt:

„In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.”

 Richtlijn 2014/17/EU

8        Richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34) heeft tot doel een EU-markt voor hypothecair krediet tot stand te brengen die een hoog niveau van consumentenbescherming waarborgt.

9        Overweging 3 van deze richtlijn luidt:

„De financiële crisis heeft laten zien dat onverantwoordelijk gedrag van marktdeelnemers de grondslagen van het financiële stelsel kan ondermijnen, hetgeen heeft geleid tot een gebrek aan vertrouwen tussen alle partijen, en in het bijzonder consumenten, en mogelijkerwijs tot ernstige sociale en economische gevolgen. [...]”

10      In artikel 18, lid 5, onder a), van dezelfde richtlijn staat te lezen:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat:

a)      de kredietgever het krediet uitsluitend aan de consument beschikbaar stelt indien het resultaat van de kredietwaardigheidsbeoordeling uitwijst dat de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen waarschijnlijk op de krachtens die overeenkomst vereiste wijze zullen worden nagekomen”.

 Belgisch recht

11      Artikel 10 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (Belgisch Staatsblad van 21 juni 2010, blz. 38338; hierna: „wet op het consumentenkrediet”), bepaalde:

„De kredietgever en de kredietbemiddelaar moeten aan de consument die om een kredietovereenkomst verzoekt en, in voorkomend geval, de steller van een persoonlijke zekerheid, de juiste en volledige informatie vragen die zij noodzakelijk achten om hun financiële toestand en hun terugbetalingsmogelijkheden te beoordelen en, in ieder geval, hun lopende financiële verbintenissen. [...]”

12      Artikel 11, § 4, van deze wet luidde:

„De kredietgevers en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaars verstrekken de consument een passende toelichting om hem in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, zo nodig door de ingevolge § 1 te verstrekken precontractuele informatie, de voornaamste kenmerken van de voorgestelde producten en de specifieke gevolgen hiervan voor de consument toe te lichten, met inbegrip van de gevolgen indien de consument niet betaalt.”

13      Artikel 15, eerste en tweede lid, van deze wet luidde als volgt:

„De kredietgever en de kredietbemiddelaar zijn verplicht om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden of waarvoor zij gewoonlijk bemiddelen, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst en met het doel van het krediet.

De kredietgever mag slechts een kredietovereenkomst sluiten wanneer hij, gelet op de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, onder meer op basis van de raadpleging geregeld door artikel 9 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de Centrale voor kredieten aan particulieren, en op basis van de informatie bedoeld in artikel 10, redelijkerwijze moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst, na te komen.”

14      De wet op het consumentenkrediet is ingetrokken met ingang van 1 april 2015, de dag waarop het Wetboek van economisch recht – dat ratione temporis niet van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding – in werking trad. De bewoordingen van artikel 15, eerste lid, van die wet zijn overgenomen in artikel VII.75 van dit wetboek. Artikel VII.77, § 2, eerste lid, van hetzelfde wetboek is in soortgelijke bewoordingen vervat als artikel 15, tweede lid, van de wet op het consumentenkrediet.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15      Om de aankoop van zonnepanelen en de plaatsing ervan door Home Vision te financieren, heeft Schyns op 22 mei 2012 bij Dexia Bank België – waarvan Belfius rechtsopvolger is – een lening afgesloten voor een bedrag van 40 002 EUR en met een looptijd van tien jaar. Deze lening moest worden afgelost in maandelijkse termijnen van 427,72 EUR. Dezelfde dag heeft Belfius de volledige overeengekomen som overgemaakt aan Schyns, die deze op zijn beurt heeft doorgestort aan Home Vision.

16      In de tussen Schyns en Home Vision gesloten overeenkomst was bepaald dat laatstgenoemde zich ertoe verbond om zonnepanelen te plaatsen ter waarde van 40 002 EUR en dit bedrag volledig terug te betalen aan Schyns in maandelijkse termijnen van 622,41 EUR. In ruil daarvoor moest Schyns de groenestroomcertificaten die verbonden waren aan de elektriciteit die door het gebruik van die zonnepanelen zou worden opgewekt, gedurende tien jaar overdragen aan Home Vision.

17      Op 5 december 2013 is Home Vision failliet verklaard voordat het de zonnepanelen in kwestie had geplaatst. Schyns heeft de maandelijkse aflossingen meer dan vier jaar betaald totdat hij de zaak op 21 december 2016 aanhangig heeft gemaakt bij de justice de paix du canton de Visé (vredegerecht Wezet, België), waarbij hij primair vorderde dat de kredietovereenkomst in kwestie werd ontbonden wegens een tekortkoming aan de zijde van Belfius en dat hij werd bevrijd van elke op hem rustende verplichting tot terugbetaling. Subsidiair heeft hij verzocht om die overeenkomst te wijzigen teneinde zijn totale schuld te verminderen tot 20 000 EUR, terug te betalen in maandelijkse termijnen van 150 EUR.

18      Schyns verwijt Belfius met name de artikelen 10 en volgende van de wet op het consumentenkrediet te hebben geschonden door hem een bedrag te hebben uitgeleend dat te hoog was in verhouding tot zijn inkomsten.

19      In dit verband voert Schyns aan dat zijn maandelijkse inkomsten ten tijde van de sluiting van de betreffende leningsovereenkomst niet meer bedroegen dan 1 900 EUR per maand en dat hij naast het opgenomen krediet twee hypothecaire leningen diende af te lossen voor een totaalbedrag van 421,67 EUR per maand.

20      Belfius verzet zich tegen de vorderingen van Schyns en voert daarbij aan dat de nationale bepalingen waarop deze zich beroept, niet verenigbaar zijn met artikel 5, lid 6, van richtlijn 2008/48, volgens welke bepaling de consument dient te beoordelen of het krediet wenselijk is, zonder dat op de kredietgever een algemene verplichting rust om het best aangepaste krediet te zoeken.

21      De verwijzende rechter is van oordeel dat de toepasselijke nationale bepalingen – met name artikel 15 van de wet op het consumentenkrediet, krachtens hetwelk de kredietgever geen overeenkomst mag sluiten indien hij van mening is dat de consument niet in staat zal zijn de lening af te lossen – de kredietgever ertoe verplichten te beoordelen of het krediet wenselijk is.

22      In casu waren de omvang van Schyns’ vermogen en de door hem reeds aangegane hypothecaire leningen volgens de verwijzende rechter ten tijde van de sluiting van de betreffende overeenkomst redenen om te betwijfelen of Schyns in staat zou zijn tot aflossing.

23      In deze omstandigheden heeft de justice de paix du canton de Visé de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      a)      Staat artikel 5, lid 6, van [richtlijn 2008/48], voor zover deze bepaling tot doel heeft de consument in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, in de weg aan artikel 15, eerste lid, van de [wet op het consumentenkrediet] (ingetrokken en inmiddels vervangen door artikel VII.75 van het Wetboek van economisch recht), voor zover daarin is bepaald dat de kredietgever en de kredietbemiddelaar verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden of waarvoor zij gewoonlijk bemiddelen, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst en met het doel van het krediet, omdat bij laatstgenoemde bepaling aan de kredietgever of kredietbemiddelaar een niet in die richtlijn neergelegde algemene verplichting wordt opgelegd om voor de consument het best aangepaste krediet te zoeken?

      b)      Staat artikel 5, lid 6, van [richtlijn 2008/48], voor zover deze bepaling tot doel heeft de consument in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, in de weg aan artikel 15, tweede lid, van de [wet op het consumentenkrediet] (ingetrokken en inmiddels vervangen door artikel VII.77, § 2, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht), voor zover daarin is bepaald dat de kredietgever slechts een kredietovereenkomst mag sluiten wanneer hij, gelet op de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, onder meer op basis van de raadpleging die wordt geregeld door artikel 9 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de Centrale voor kredieten aan particulieren, en op basis van de informatie als bedoeld in artikel 10, redelijkerwijs moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen, omdat laatstgenoemde bepaling tot gevolg heeft dat de kredietgever zelf de wenselijkheid van een eventuele kredietverlening dient te beoordelen in de plaats van de consument?

2)      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet [richtlijn 2008/48] dan aldus worden uitgelegd dat de kredietgever en de kredietbemiddelaar steeds verplicht zijn de wenselijkheid van een eventuele kredietverlening te beoordelen in de plaats van de consument?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste prejudiciële vraag, onder a)

24      Met zijn eerste vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 6, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de kredietgevers of de kredietbemiddelaars verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst en met het doel van het krediet.

25      Volgens artikel 5, lid 6, van richtlijn 2008/48 zien de lidstaten erop toe dat de kredietgevers en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaars de consument een passende toelichting verstrekken om hem in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, zo nodig door de ingevolge lid 1 van hetzelfde artikel te verstrekken precontractuele informatie, de voornaamste kenmerken van de voorgestelde producten en de specifieke gevolgen hiervan voor de consument toe te lichten, met inbegrip van de gevolgen indien de consument niet betaalt.

26      Artikel 6 van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkrediet [COM(2002) 443 definitief, PB 2002, C 331 E, blz. 200], met als opschrift „Wederzijdse en voorafgaande informatieverstrekking en adviesplicht”, bepaalde weliswaar in lid 3 dat „[u]it de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden of waarbij zij gewoonlijk bemiddelen, [...] de kredietgever en de eventuele kredietbemiddelaar de meest gepaste soort krediet en het meest gepaste kredietbedrag [kiezen], rekening houdend met de financiële situatie van de consument, de risico’s en voordelen die aan het voorgestelde product verbonden zijn, en het doel van het krediet”, maar deze verplichting is niet overgenomen in de definitieve versie van richtlijn 2008/48. Hieruit volgt dat de lidstaten krachtens deze richtlijn niet gehouden zijn kredietgevers een algemene verplichting op te leggen om de consumenten het best aangepaste krediet aan te bieden.

27      Niettemin blijkt uit punt 5.4 van het gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2005 betreffende consumentenkredietovereenkomsten en tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad [COM(2005) 483 definitief], dat de Europese Commissie „erbij [blijft] dat een kredietgever niet alleen aan de voorschriften inzake precontractuele informatie moet voldoen, maar aanvullende toelichtingen moet verstrekken om de consument in staat te stellen een goed geïnformeerde beslissing te nemen”, dat „de consument steeds verantwoordelijk is voor zijn uiteindelijke beslissing om een kredietovereenkomst te sluiten”, en dat „de lidstaten meer speelruimte [krijgen] om hun omzettingsmaatregelen aan te passen aan de situatie op hun markt”.

28      In dit verband zij eraan herinnerd dat richtlijn 2008/48, zoals blijkt uit de overwegingen 7 en 9 ervan, ertoe strekt om ter zake van het consumentenkrediet op een aantal kerngebieden een volledige, dwingende harmonisatie tot stand te brengen die nodig is om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie een grondige en gelijkwaardige bescherming van hun belangen genieten en om de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Uit artikel 22, lid 1, van richtlijn 2008/48 blijkt weliswaar dat deze richtlijn voorziet in een volledige harmonisatie, wat aldus moet worden begrepen dat de lidstaten geen nationale bepalingen mogen handhaven of invoeren die afwijken van die welke in die richtlijn zijn vastgesteld (arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punt 38), maar dit neemt niet weg dat de laatste volzin van artikel 5, lid 6, van diezelfde richtlijn de lidstaten bewegingsruimte biedt, aangezien zij „de wijze waarop en de mate waarin [aan consumenten] bijstand wordt verleend” door kredietgevers en in voorkomend geval door kredietbemiddelaars, kunnen aanpassen.

30      Bovendien volgt uit artikel 5, lid 6, van richtlijn 2008/48 en uit overweging 27 ervan dat de consument, afgezien van de precontractuele informatie die op grond van artikel 5, lid 1, van die richtlijn moet worden verstrekt, vóór de sluiting van de kredietovereenkomst aanvullende bijstand nodig kan hebben om uit te maken welke kredietovereenkomst voor zijn behoeften en financiële situatie het meest geschikt is, alsook dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de kredietgevers dergelijke bijstand verlenen wat betreft de kredietproducten die zij aanbieden (arrest van 18 december 2014, CA Consumer Finance, C‑449/13, EU:C:2014:2464, punt 41). Voorts wordt in overweging 24 van richtlijn 2008/48 gepreciseerd dat de consument „uitgebreid” moet worden geïnformeerd voordat hij de kredietovereenkomst sluit.

31      In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, waarbij aan de kredietgever of kredietbemiddelaar de verplichting wordt opgelegd om het krediet te zoeken dat het best is aangepast aan de behoeften van de consument, tot doel een hoog niveau van consumentenrechtenbescherming tot stand te brengen doordat zij ertoe strekt de consument vóór het sluiten van de overeenkomst te beschermen.

32      Hoe dan ook wordt aan de lidstaten weliswaar bewegingsruimte gelaten om de aard en de inhoud van de precontractuele bijstand vast te stellen die kredietgevers en kredietbemiddelaars aan de consumenten moeten verlenen, maar dat neemt niet weg dat de lidstaten die bewegingsruimte moeten gebruiken in overeenstemming met alle bepalingen van richtlijn 2008/48.

33      Bij de vaststelling van de aanvullende bijstand kunnen de lidstaten dan ook – onverminderd de overige bepalingen van richtlijn 2008/48 – beslissen dat aan de consument verschillende wijzen van kredietverstrekking moeten worden voorgesteld. Aangezien de professionele kredietverstrekker het best in staat is om uit zijn normale aanbod het krediet te bepalen dat het best is aangepast aan de behoeften van de consument, vormt het voorstellen van dit krediet een vorm van aanvullende bijstand.

34      Voor een consument is het immers van wezenlijk belang dat hij vóór en bij de sluiting van een overeenkomst kennisneemt van alle contractvoorwaarden en van de gevolgen die aan die sluiting zijn verbonden. Met name op basis van de aldus verkregen informatie zal hij beslissen of hij gebonden wenst te zijn door de voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 64). Daarnaast strekt de bepaling van het best aangepaste krediet ertoe de informatie waarover de consument beschikt, te vervolledigen zodat hij met volledige kennis van zaken een definitieve beslissing kan nemen. Ten slotte kan de verplichting om dergelijke informatie te verstrekken niet afdoen aan het beginsel dat de consument verantwoordelijk is voor de uiteindelijke beslissing om uit de hem door de kredietgever vóór het sluiten van de overeenkomst aangeboden kredietovereenkomsten de kredietovereenkomst te kiezen die hij wenst te sluiten.

35      Uit het voorgaande vloeit voort dat een nationale regeling op grond waarvan kredietgevers of kredietbemiddelaars verplicht zijn om het krediet te zoeken dat het best beantwoordt aan de behoeften van de consument en om hem dit krediet aan te bieden, niet verder gaat dan de speelruimte die richtlijn 2008/48 de lidstaten toestaat voor zover de geharmoniseerde bepalingen van die richtlijn in acht worden genomen.

36      Bijgevolg dient op de eerste prejudiciële vraag, onder a), te worden geantwoord dat artikel 5, lid 6, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan kredietgevers of kredietbemiddelaars verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst en met het doel van het krediet.

 Eerste prejudiciële vraag, onder b), en tweede prejudiciële vraag

37      Met zijn eerste vraag, onder b), en zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 6, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.

38      Gepreciseerd dient te worden dat de verwijzende rechter weliswaar enkel artikel 5, lid 6, van richtlijn 2008/48 vermeldt, maar dat die vragen in wezen betrekking hebben op de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument door de kredietgever overeenkomstig artikel 8, lid 1, van die richtlijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet laatstgenoemde bepaling dan ook worden geacht te behoren tot de bepalingen van Unierecht om de uitlegging waarvan de verwijzende rechter het Hof verzoekt (zie in die zin arrest van 10 september 2014, Kušionová, C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 45).

39      Volgens artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument vóór het sluiten van de kredietovereenkomst beoordeelt op basis van toereikende informatie die in voorkomend geval is verkregen van de consument en, waar nodig, op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand.

40      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat deze verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen ertoe strekt de kredietgever een verantwoordelijkheidsbesef bij te brengen en te voorkomen dat hij een krediet verleent aan consumenten die niet kredietwaardig zijn (arrest van 18 december 2014, CA Consumer Finance, C‑449/13, EU:C:2014:2464, punt 43).

41      Voor zover de precontractuele verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de kredietnemer te beoordelen ertoe strekt de consument te beschermen tegen de risico’s van een overmatige schuldenlast en van insolvabiliteit, draagt zij dus bij tot de verwezenlijking van het met richtlijn 2008/48 nagestreefde doel, dat in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.

42      Opgemerkt dient te worden dat richtlijn 2008/48 geen enkele bepaling bevat over de wijze waarop de kredietgever zich dient te gedragen in geval van twijfel aan de kredietwaardigheid van de consument.

43      In dit verband zijn de lidstaten, zoals de advocaat-generaal in punt 71 van haar conclusie heeft opgemerkt, nog steeds bevoegd om – voor de kredietovereenkomsten waarop richtlijn 2008/48 van toepassing is – de verplichtingen vast te stellen die aan de kredietgever kunnen worden opgelegd na de controle van de kredietwaardigheid, zodat die vaststelling niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.

44      Weliswaar harmoniseert richtlijn 2008/48 – zoals in punt 29 van dit arrest in herinnering is gebracht – slechts bepaalde aspecten van de voorschriften van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten, maar volgens overweging 44 van die richtlijn dienen de lidstaten de nodige maatregelen te treffen met het oog op de regulering van en het toezicht op kredietgevers, teneinde voor transparantie en stabiliteit op de markt te zorgen, en in afwachting van verdere harmonisatie.

45      Het is dan ook niet in strijd met het doel van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 dat aan de verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen een rechtsgevolg wordt verbonden met betrekking tot de wijze waarop de kredietgever zich dient te gedragen in geval van een negatieve beoordeling. In overweging 26 van die richtlijn wordt immers de doelstelling herhaald die erin bestaat kredietgevers verantwoordelijk te maken en te ontmoedigen om er onverantwoordelijke leningpraktijken op na te houden.

46      Voorts is richtlijn 2014/17 – die, zoals in overweging 3 ervan in herinnering wordt gebracht, op het gebied van woonkredieten voor consumenten is vastgesteld naar aanleiding van de internationale financiële crisis, die heeft laten zien dat onverantwoordelijk gedrag van marktdeelnemers de grondslagen van het financiële stelsel kan ondermijnen – weliswaar temporeel en materieel niet van toepassing, maar uit de betreffende richtlijn blijkt dat de Uniewetgever kredietgevers verantwoordelijk wenste te maken door in artikel 18, lid 5, onder a), van die richtlijn te bepalen dat de lidstaten erop toezien dat „de kredietgever het krediet uitsluitend aan de consument beschikbaar stelt indien het resultaat van de kredietwaardigheidsbeoordeling uitwijst dat de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen waarschijnlijk op de krachtens die overeenkomst vereiste wijze zullen worden nagekomen”.

47      Derhalve is de bij een nationale wettelijke regeling aan de kredietgever opgelegde verplichting om af te zien van het sluiten van de kredietovereenkomst wanneer hij redelijkerwijs niet kan aannemen dat de consument, gelet op zijn financiële en persoonlijke situatie, in staat zal zijn om het krediet in overeenstemming met de overeenkomst af te lossen, niet in strijd met het doel van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48, en doet zij evenmin afbreuk aan de principiële verantwoordelijkheid van de consument om voor zijn eigen belangen te waken.

48      Uit het voorgaande volgt dat een nationale regeling waarbij aan de kredietgever de verplichting wordt opgelegd om geen kredietovereenkomst te sluiten wanneer hij vaststelt dat de consument niet kredietwaardig is, niet in strijd is met richtlijn 2008/48.

49      Bijgevolg dient op de eerste prejudiciële vraag, onder b), en op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 6, en artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.

 Kosten

50      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 5, lid 6, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan kredietgevers of kredietbemiddelaars verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst en met het doel van het krediet.

2)      Artikel 5, lid 6, en artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.