Language of document : ECLI:EU:C:2016:220

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

7 april 2016 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikelen 45 VWEU en 48 VWEU – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 15, lid 2 – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikel 67, lid 3 – Sociale zekerheid – Werkloosheidsuitkering ter aanvulling van inkomsten uit deeltijdarbeid – Toekenning van deze uitkering – Vervulling van tijdvakken van arbeid – Samentelling van tijdvakken van verzekering of van arbeid – Inaanmerkingneming van tijdvakken van verzekering of van arbeid die vervuld zijn krachtens de wetgeving van een andere lidstaat”

In zaak C‑284/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Arbeidshof te Brussel (België) bij beslissing van 27 mei 2015, ingekomen bij het Hof op 10 juni 2015, in de procedure

Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA)

tegen

M.

en

M.

tegen

Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA),

Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen (HVW),

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, S. Rodin (rapporteur) en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en L. Van den Broeck als gemachtigden,

–        de Deense regering, vertegenwoordigd door C. Thorning en S. Wolff als gemachtigden,

–        de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door O. Segnana en A. Norberg als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin als gemachtigde,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 67, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PB L 177, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”), alsook de geldigheid van deze bepaling uit het oogpunt van de artikelen 45 VWEU en 48 VWEU en artikel 15, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van twee door de verwijzende rechter gevoegde gedingen, enerzijds het geding tussen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: „RVA”) en M., en anderzijds het geding tussen M. en de RVA alsook de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen (HVW), over de uitbetaling van de werkloosheidsuitkering en van de inkomensgarantie-uitkering.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Artikel 3 van verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Gelijkheid van behandeling”, bepaalt in lid 1:

„[Personen] op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”

4        Artikel 67 van deze verordening, met als opschrift „Samentellen van tijdvakken van verzekering of van arbeid”, luidt:

„1.      Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van verzekering waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld mits evenwel de tijdvakken van arbeid als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens bedoelde wettelijke regeling waren vervuld.

2.      Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van arbeid, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid, alsof het tijdvakken van arbeid waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.

3.      Met uitzondering van de in artikel 71, lid 1, onder a), ii), en onder b), ii), bedoelde gevallen, wordt toepassing van de leden 1 en 2 afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk:

–        in het geval van lid 1, tijdvakken van verzekering;

–        in het geval van lid 2, tijdvakken van arbeid,

heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd.

4.      Wanneer de duur waarover uitkeringen worden verleend, afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering of van arbeid, is lid 1 respectievelijk lid 2 van toepassing.”

 Belgisch recht

5        Artikel 29, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (Belgisch Staatsblad van 31 december 1991, blz. 29888), in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie (hierna: „koninklijk besluit van 25 november 1991”), bepaalt:

„Wordt vanaf de aanvang van zijn deeltijdse betrekking geacht een deeltijdse werknemer met behoud van rechten te zijn, de werknemer die in een arbeidsregeling getreden is die niet beantwoordt aan de bepalingen van artikel 28, §§ 1 of 3, en waarvan de wekelijkse duur beantwoordt aan de bepalingen van artikel 11 bis, vierde en volgende leden, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten indien hij:

1°      a)     ofwel alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen als voltijdse werknemer vervult op het tijdstip dat hij in de deeltijdse arbeidsregeling treedt, [...]

[...]”

6        Krachtens Belgisch recht heeft een voltijdse werknemer slechts recht op werkloosheidsuitkeringen indien hij voldoet aan bepaalde voorwaarden, waaronder de in artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 gestelde voorwaarde dat hij een bepaald aantal dagen heeft gewerkt tijdens een aan de uitkeringsaanvraag voorafgaande referentieperiode.

7        Artikel 37, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 luidt:

„De in het buitenland verrichte arbeid komt in aanmerking wanneer hij verricht werd in een dienstbetrekking die in België aanleiding zou geven tot inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid.

Het eerste lid geldt evenwel slechts indien de werknemer, na de in het buitenland verrichte arbeid, tijdvakken van arbeid als loontrekkende heeft vervuld krachtens de Belgische regeling.”

8        Krachtens artikel 131 bis, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 kan de deeltijdse werknemer met behoud van rechten gedurende zijn deeltijdse tewerkstelling onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een specifieke uitkering met de benaming „inkomensgarantie-uitkering”.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9        M., een musicus met de Tsjechische nationaliteit, heeft tot en met 27 april 2008 in Tsjechië gewerkt in het kader van een voltijdse arbeidsovereenkomst. Na zijn verhuizing naar België heeft hij zich op 10 mei 2008 in deze lidstaat ingeschreven als werkzoekende.

10      Op 27 mei 2008 heeft M. een werkloosheidsuitkering aangevraagd met ingang van 13 mei 2008, maar aan deze aanvraag is geen enkel gevolg gegeven.

11      Nadat hij als viool- en gitaarleraar in dienst was genomen in het kader van een deeltijdse arbeidsovereenkomst voor 2,5 uur per week, heeft M. op 9 september 2008 een inkomensgarantie-uitkering met ingang van 8 september 2008 aangevraagd voor de uren dat hij niet werkte.

12      Op 24 juni 2009, de dag na die waarop zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst eindigde, heeft M. een werkloosheidsuitkering aangevraagd met ingang van deze datum, aangezien hij niet langer enige beroepsactiviteit uitoefende. Vervolgens heeft hij, nadat hij opnieuw deeltijds in dienst was genomen, op 22 oktober 2009 voor de tweede keer een inkomensgarantie-uitkering aangevraagd, ditmaal met ingang van 7 september 2009.

13      De RVA heeft op de verschillende aanvragen het volgende besloten:

–        De aanvraag voor een inkomensgarantie-uitkering voor de periode vanaf 8 september 2008 is tweemaal afgewezen, op respectievelijk 3 en 22 juli 2009, op grond dat de in Tsjechië geleverde arbeidsprestaties niet in aanmerking konden worden genomen omdat er geen arbeidsprestaties in België op gevolgd waren.

–        De aanvraag voor een werkloosheidsuitkering voor de periode vanaf 24 juni 2009 is afgewezen op 26 augustus 2009 op grond dat aan een deeltijdse werknemer die elke activiteit heeft gestaakt, alleen een werkloosheidsuitkering wordt toegekend indien de wekelijkse arbeidstijd van de voorheen uitgeoefende betrekkingen ten minste 12 uur bedroeg.

–        De aanvraag voor een inkomensgarantie-uitkering voor de periode vanaf 7 september 2009 is afgewezen.

14      M. heeft tegen al deze besluiten van de RVA beroep ingesteld bij de Arbeidsrechtbank te Brussel. Bij beslissing van 11 september 2012 heeft deze rechtbank het beroep van M. gedeeltelijk gegrond verklaard.

15      De RVA en M. hebben respectievelijk op 16 en 18 oktober 2012 tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Arbeidshof te Brussel.

16      Bij beslissing van 24 december 2014 heeft deze rechterlijke instantie bevestigd dat M. bij gebreke van enige activiteit recht had op werkloosheidsuitkeringen voor de periode van 24 juni tot en met 6 september 2009, en dat hij vervolgens recht had op een inkomensgarantie-uitkering met ingang van 7 september 2009. Voorts heeft die rechterlijke instantie, met betrekking tot de toekenning van werkloosheidsuitkeringen met ingang van 8 september 2008, de heropening van de mondelinge behandeling gelast teneinde partijen in het hoofdgeding in de gelegenheid te stellen hun opmerkingen in te dienen over de toepassing van artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71. Daartoe heeft op 29 april 2015 een terechtzitting plaatsgevonden.

17      De verwijzende rechter merkt op dat voor hem enkel de vraag in geschil is of M. op 8 september 2008 aanspraak had kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen als voltijdse werknemer.

18      In dit verband merkt hij op dat een inkomensgarantie-uitkering enkel wordt toegekend aan deeltijdse werknemers met behoud van rechten. Voor deze hoedanigheid komt een werknemer als M. slechts in aanmerking indien hij kan aantonen dat hij bij de aanvang van zijn deeltijdse werkzaamheden voldeed aan alle voorwaarden om werkloosheidsuitkeringen te ontvangen als voltijdse werknemer.

19      Het komt de verwijzende rechter voor dat M. niet aan die voorwaarden voldeed, aangezien de in Tsjechië geleverde arbeidsprestaties niet in aanmerking konden worden genomen, en dat M. op 8 september 2008 nog geen tijdvakken van arbeid als loontrekker had vervuld krachtens de Belgische regeling.

20      Niettemin uit deze rechter twijfels over de geldigheid van artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71 omdat het zou kunnen worden geacht een ongerechtvaardigde belemmering te vormen van het vrije verkeer van onderdanen van andere lidstaten die in België een deeltijdse betrekking wensen uit te oefenen.

21      Dienaangaande merkt hij op dat de onderhavige zaak zich lijkt te onderscheiden van de zaak die heeft geleid tot het arrest Van Noorden (C‑272/90, EU:C:1991:219), waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat die bepaling zich er niet tegen verzet dat een lidstaat weigert een werknemer werkloosheidsuitkeringen te betalen wanneer die werknemer niet laatstelijk in die lidstaat tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld. In die zaak had de verzoeker in het hoofdgeding namelijk niet doen blijken van zijn voornemen om een deeltijdse betrekking uit te oefenen.

22      In deze omstandigheden heeft het Arbeidshof te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 67, lid 3, van [verordening nr. 1408/71] aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat weigert tijdvakken van arbeid samen te tellen, wat nodig is voor de verwerving van het recht op een werkloosheidsuitkering ter aanvulling van inkomsten uit deeltijdarbeid, wanneer deze deeltijdarbeid niet is voorafgegaan door tijdvakken van verzekering of van arbeid in deze lidstaat?

2)      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is artikel 67, lid 3, van [verordening nr. 1408/71] dan verenigbaar met in het bijzonder

–        artikel 48 VWEU, voor zover de in artikel 67, lid 3, gestelde voorwaarde voor de samentelling van tijdvakken van arbeid het vrije verkeer van werknemers en hun toegang tot bepaalde deeltijdse betrekkingen kan beperken;

–        artikel 45 VWEU, dat ,de afschaffing [inhoudt] van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden’ en dat werknemers het recht toekent om ,in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling’ (waaronder deeltijdse betrekkingen) in andere lidstaten, ,zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten’ en aldaar te verblijven ,teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden’;

–        artikel 15, lid 2, van het [Handvest], dat bepaalt dat ‚[i]edere burger van de Unie [...] vrij [is] in iedere lidstaat werk te zoeken [en] te werken [...]’?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

23      Om te beginnen zij opgemerkt dat de aanvrager van een werkloosheidsuitkering ter aanvulling van inkomsten uit deeltijdarbeid, te weten de inkomensgarantie-uitkering waarin het Belgische recht voorziet, blijkens de verwijzingsbeslissing moet voldoen aan de voorwaarden om werkloosheidsuitkeringen te ontvangen als voltijdse werknemer.

24      Voorts blijkt uit de schriftelijke opmerkingen van de Belgische regering dat de inkomensgarantie-uitkering is ingevoerd om te voorkomen dat personen die in aanmerking komen voor werkloosheidsuitkeringen als voltijdse werknemer, ervan worden weerhouden een deeltijdse betrekking te aanvaarden doordat het bedrag van die uitkeringen groter is dan het voor die betrekking betaalde loon.

25      Aangezien een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van werkloosheidsuitkeringen, evenmin aanspraak kan maken op een inkomensgarantie-uitkering, dient te worden onderzocht of artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71, dat ratione temporis van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, zich ertegen verzet dat de tijdvakken van arbeid die moeten worden vervuld om recht te hebben op deze uitkeringen, niet worden samengeteld wanneer geen enkel tijdvak van arbeid of van verzekering is vervuld in de lidstaat waar een werkloosheidsuitkering is aangevraagd.

26      Dienaangaande zij herinnerd aan de vaste rechtspraak dat een werkzoekende die nooit onderworpen is geweest aan de sociale wetgeving van de lidstaat waar hij een werkloosheidsuitkering aanvraagt, en die dus laatstelijk ook geen tijdvakken van verzekering of van arbeid krachtens de wettelijke regeling van deze lidstaat heeft vervuld, geen werkloosheidsuitkeringen kan ontvangen op grond van artikel 67 van die verordening (zie arresten Van Noorden, C‑272/90, EU:C:1991:219, punt 10, en Martínez Losada e.a., C‑88/95, C‑102/95 en C‑103/95, EU:C:1997:69, punt 36, en beschikking Verwayen-Boelen, C‑175/00, EU:C:2002:133, punt 26).

27      Voorts kan het betoog van de Europese Commissie dat in dit geding moet worden nagegaan of de bepalingen van de Belgische wetgeving inzake de inkomensgarantie-uitkering kunnen leiden tot een door artikel 3, lid 1, van dezelfde verordening verboden indirecte discriminatie, niet worden aanvaard.

28      Uit de rechtspraak van het Hof blijkt namelijk ook dat in het kader van verordening nr. 1408/71 de vraag of een lidstaat voor de toekenning van een werkloosheidsuitkering de door de betrokkene krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid in aanmerking dient te nemen, alleen moet worden beantwoord aan de hand van artikel 67 van deze verordening (zie arrest Martínez Losada e.a., C‑88/95, C‑102/95 en C‑103/95, EU:C:1997:69, punt 27, en beschikking Verwayen-Boelen, C‑175/00, EU:C:2002:133, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve is artikel 3 van deze verordening niet van toepassing indien deze bijzondere bepalingen bevat, zoals artikel 67 ervan, dat het recht van de werkloze op werkloosheidsuitkeringen regelt (zie in die zin arrest Adanez-Vega, C‑372/02, EU:C:2004:705, punt 57).

29      Gelet op een en ander moet artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat weigert tijdvakken van arbeid samen te tellen, wat nodig is voor de verwerving van het recht op een werkloosheidsuitkering ter aanvulling van inkomsten uit deeltijdarbeid, wanneer deze deeltijdarbeid niet is voorafgegaan door tijdvakken van verzekering of van arbeid in deze lidstaat.

 Tweede vraag

30      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71 geldig is uit het oogpunt van de artikelen 45 VWEU en 48 VWEU en artikel 15, lid 2, van het Handvest.

31      In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat artikel 48 VWEU de Uniewetgever niet verbiedt voorwaarden en beperkingen te verbinden aan de mogelijkheden die hij biedt ter verzekering van het door artikel 45 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van werknemers, en in de tweede plaats dat de Raad van de Europese Unie op juiste wijze van zijn beoordelingsvrijheid heeft gebruikgemaakt door onder meer in artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71 voorwaarden te stellen die moeten bewerkstelligen dat met name naar werk wordt gezocht in de staat waar de betrokkene laatstelijk bijdragen voor de werkloosheidsverzekering heeft betaald, en dat die staat de lasten van de werkloosheidsuitkering draagt (zie in die zin arrest Gray, C‑62/91, EU:C:1992:177, punten 11 en 12).

32      Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat bij het onderzoek van de tweede vraag niet is gebleken van elementen die de geldigheid van artikel 67, lid 3, van die verordening uit het oogpunt van de artikelen 45 VWEU en 48 VWEU kunnen aantasten.

33      Wat de verenigbaarheid van artikel 67, lid 3, van deze verordening met artikel 15, lid 2, van het Handvest betreft, zij eraan herinnerd dat volgens artikel 52, lid 2, van het Handvest de door dit Handvest erkende rechten die voorkomen in bepalingen van de Verdragen, moeten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door deze Verdragen zijn gesteld. Dit geldt voor artikel 15, lid 2, van het Handvest, dat onder meer het door artikel 45 VWEU neergelegde beginsel van vrij verkeer van werknemers overneemt, zoals wordt bevestigd door de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) die op deze bepaling betrekking hebben (zie arrest Gardella, C‑233/12, EU:C:2013:449, punt 39).

34      Bijgevolg is artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71, dat in overeenstemming is met de artikelen 45 VWEU en 48 VWEU, eveneens in overeenstemming met artikel 15, lid 2, van het Handvest.

35      Gelet op een ander is bij het onderzoek van de tweede vraag niet gebleken van enig element dat de geldigheid van artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71 kan aantasten.

 Kosten

36      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 67, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat weigert tijdvakken van arbeid samen te tellen, wat nodig is voor de verwerving van het recht op een werkloosheidsuitkering ter aanvulling van inkomsten uit deeltijdarbeid, wanneer deze deeltijdarbeid niet is voorafgegaan door tijdvakken van verzekering of van arbeid in deze lidstaat.

2)      Bij het onderzoek van de tweede vraag is niet gebleken van enig element dat de geldigheid van artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 592/2008, kan aantasten.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.