Language of document : ECLI:EU:F:2016:164

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

21 juli 2016

Zaak F‑125/15

HB

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Bevorderingsronde 2014 – Artikel 45, lid 1, van het Statuut – Vergelijking van de verdiensten – Beoordelingsrapporten 2011 en 2012 – Afwezigheid van een aantal maanden wegens moederschapsverlof in 2013 – Beoordelingsrapport dat geen wezenlijke beoordeling over het betrokken jaar bevat – Besluit om verzoekster in 2014 niet te bevorderen – Motiveringsplicht – Vergelijkende beoordeling van de verdiensten – Geen aanbeveling van het paritair bevorderingscomité – Toegang tot verzoeksters op de computer opgeslagen persoonsdossier – Samenstelling van het paritair bevorderingscomité – Discriminatie op grond van geslacht – Immateriële schade”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee HB vraagt om nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie, dat het personeel van die instelling is meegedeeld op 14 november 2014, om haar in het kader van de bevorderingsronde 2014 niet te bevorderen naar de rang AD 8 alsmede om vergoeding van de immateriële schade die zij zou hebben geleden.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. HB draagt de helft van haar eigen kosten. De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de helft van de kosten van HB.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Bevordering – Klacht van een niet-bevorderde kandidaat – Afwijzend besluit – Motiveringsplicht – Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

2.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijkende beoordeling van de verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

3.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijkende beoordeling van de verdiensten – Raadpleging van de persoonsdossiers van de kandidaten – Rechtvaardiging voor het gebruik dat van de beschikbare informatie is gemaakt – Verplichting van de administratie – Geen verplichting

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

4.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijkende beoordeling van de verdiensten – Modaliteiten – Inschakeling van het paritair bevorderingscomité – Verzuim van het comité om aanbevelingen te doen – Gevolgen – Verplichting voor de administratie om dit te verhelpen

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

5.      Ambtenaren – Gelijke behandeling – Gelijkheid van mannelijke en vrouwelijke ambtenaren – Fundamenteel recht – Eerbiediging verzekerd door de Unierechter – Besluit tot niet-bevordering – Discriminatie op grond van zwangerschap – Bewijslast

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 23, lid 1; richtlijn 76/207 van de Raad)

1.      Het tot aanstelling bevoegd gezag is weliswaar niet gehouden, de bevorderingsbesluiten te motiveren jegens de niet-bevorderde ambtenaren, doch het is wel verplicht, zijn besluit tot afwijzing van een klacht die door een niet-bevorderde ambtenaar is ingesteld tegen het besluit om hem niet te bevorderen met redenen te omkleden, waarbij de motivering van dit afwijzend besluit wordt geacht samen te vallen met die van het besluit waartegen de klacht was gericht.

Aangezien bevorderingen bij keuze geschieden, mag de motivering van de afwijzing van de klacht alleen betrekking hebben op het bestaan van de wettelijke voorwaarden waarvan het Statuut de regelmatigheid van de procedure afhankelijk stelt.

Het tot aanstelling bevoegd gezag is met name niet gehouden om de afgewezen kandidaat in kennis te stellen van het resultaat van zijn vergelijkende beoordeling tussen hem en de bevorderde kandidaten. Het is voldoende dat het tot aanstelling bevoegd gezag in zijn besluit tot afwijzing van de klacht aan de betrokken ambtenaar de relevante individuele reden meedeelt die de afwijzing van zijn sollicitatie rechtvaardigt. Bovendien behoeft het tot aanstelling bevoegd gezag een afgewezen kandidaat niet uit te leggen waarom elk van de bevorderde ambtenaren verdienstelijker was dan hij.

(cf. punten 29, 30 en 33)

Referentie:

Hof: arrest van 7 februari 1990, Culin/Commissie, C‑343/87, EU:C:1990:49, punt 13, en beschikking van 25 oktober 2007, Nijs/Rekenkamer, C‑495/06 P, EU:C:2007:644

Gerecht van eerste aanleg: arrest van 3 oktober 2006, Nijs/Rekenkamer, T‑171/05, EU:T:2006:288, punt 42

Gerecht van de Europese Unie: beschikking van 16 september 2013, Bouillez/Raad, T‑31/13 P, EU:T:2013:521, punt 26

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten van 15 december 2011, Sabbag Afota/Raad, F‑9/11, EU:F:2011:196, punt 62, en 15 december 2015, Bonazzi/Commissie, F‑88/15, EU:F:2015:150, punten 98 en 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak

2.      Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt voor de vergelijkende beoordeling van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren over een ruime beoordelingsbevoegdheid en de toetsing van de Unierechter moet zich op dat gebied beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar oordeel konden brengen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet een kennelijk onjuist gebruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt. De Unierechter kan zijn oordeel over de kwalificaties en de verdiensten van die ambtenaren dus niet in de plaats stellen van dat van het tot aanstelling bevoegd gezag.

Teneinde de nuttige werking te behouden van de beoordelingsmarge die de wetgever het tot aanstelling bevoegd gezag op het gebied van bevordering heeft willen geven, kan de Unierechter een besluit niet nietig verklaren alleen op grond dat hij van oordeel is dat er sprake is van feiten die plausibele twijfel doen rijzen over de beoordeling door dat gezag, of zelfs het bestaan van een kennelijk onjuiste beoordeling aantonen. Alleen de vaststelling van een kennelijke fout kan immers tot de nietigverklaring van een besluit op het gebied van de bevordering leiden en in dat opzicht moeten de door de verzoekende partij aan te voeren bewijselementen voldoende zijn om de beoordeling van de feiten in het besluit om de betrokken ambtenaar niet te bevorderen hun plausibiliteit te ontnemen. aangevoerde elementen in elk geval plausibel lijkt. Met andere woorden, de grief ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling moet worden afgewezen indien de betwiste beoordeling ondanks de door de verzoekende partij aangevoerde elementen in elk geval plausibel lijkt.

De aldus aan het tot aanstelling bevoegd gezag toegekende ruime beoordelingsbevoegdheid wordt echter begrensd door het vereiste dat de vergelijkende beoordeling van de sollicitaties met zorg en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling. In de praktijk moet deze vergelijking plaatsvinden op voet van gelijkheid en op basis van vergelijkbare informatie en inlichtingen.

(cf. punten 44‑46)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: arrest van 15 januari 2014, Stols/Raad, T‑95/12 P, EU:T:2014:3, punten 29 en 32

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten van 15 december 2015, Bonazzi/Commissie, F‑88/15, EU:F:2015:150, punt 48, en 2 maart 2016, Loescher/Raad, F‑84/15, EU:F:2016:29, punten 56, 57 en 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak

3.      De persoonsdossiers van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren moeten weliswaar ter beschikking van het tot aanstelling bevoegd gezag staan, doch van dat gezag kan niet worden verlangd dat het een rechtvaardiging geeft voor het gebruik dat het in elk individueel geval heeft gemaakt van de hem ter beschikking staande informatie.

(cf. punt 57)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest van 15 december 2015, Bonazzi/Commissie, F‑88/15, EU:F:2015:150, punt 52

4.      In het kader van een bevorderingsprocedure betekent het ontbreken van elke aanbeveling van het paritair bevorderingscomité niet dat er geen enkele daadwerkelijke vergelijking van de verdiensten heeft plaatsgevonden, daar dit in alle gevallen de taak is van het tot aanstelling bevoegd gezag zelf. Het verzuim van het paritair bevorderingscomité leidt niet tot de onwettigheid van de bevorderingsprocedure, daar bevorderingsbesluiten en de vergelijkende beoordeling van de verdiensten in elk geval overeenkomstig artikel 45 van het Statuut de uitsluitende verantwoordelijkheid van het tot aanstelling bevoegd gezag zijn.

(cf. punt 58)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest van 15 december 2015, Bonazzi/Commissie, F‑88/15, EU:F:2015:150, punten 82 en 83

5.      Het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de werkgelegenheid en, daarmee samenhangend, het ontbreken van elke rechtstreekse of indirecte discriminatie op grond van geslacht, zoals neergelegd in artikel 23, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, maken deel uit van de grondrechten waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert.

In het kader van het Statuut moet met name de gelijkheid op het gebied van de arbeidsvoorwaarden worden verzekerd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers van de Unie zelf, met dien verstande dat de vereisten die dit beginsel in de betrekkingen tussen de instellingen van de Unie en hun personeelsleden meebrengt zich niet beperken tot die welke voortvloeien uit de Verdragen en de richtlijnen die de Unie op dit gebied heeft vastgesteld.

Richtlijn 76/207, betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich bovendien tegen een nationale regeling die een vrouw het recht op beoordeling ontneemt en, dientengevolge, het recht om te kunnen worden bevorderd, omdat zij afwezig was van het werk wegens een moederschapsverlof.

Het bestaan van discriminatie op grond van geslacht kan echter niet worden verondersteld alleen op grond van een zwangerschap. Integendeel, het staat aan de belanghebbende om ten minste aanwijzingen te geven op grond waarvan het bestaan van die discriminatie kan worden vermoed, hetgeen in casu betekent dat er elementen moeten worden aangevoerd die doen vermoeden dat het tot aanstelling bevoegd gezag het besluit tot niet-bevordering heeft genomen wegens de zwangerschap en wegens de met die zwangerschap verband houdende afwezigheid.

(cf. punten 74‑76 en 78)

Referentie:

Hof: arresten van 15 juni 1978, Defrenne, 149/77, EU:C:1978:130, punt 29; 20 maart 1984, Razzouk en Beydoun/Commissie, 75/82 en 117/82, EU:C:1984:116, punt 17, en 30 april 1998, Thibault, C‑136/95, EU:C:1998:178, punt 33

Gerecht van eerste aanleg: arrest van 23 januari 2003, Hectors/Parlement, T‑181/01, EU:T:2003:13, punten 117 en 124