Language of document : ECLI:EU:C:2018:135

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA

van 28 februari 2018 (1)

Zaak C14/17

VAR, Srl

tegen

Iveco Orecchia SpA,

in tegenwoordigheid van:

Azienda de Trasporti Milanesi SpA – (ATM)

[verzoek van de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële procedure – Vervoersovereenkomst – Levering van reserveonderdelen voor bussen, trolleybussen en trams – Technische specificaties – Producten gelijkwaardig aan die van een bepaald merk – Bewijs van gelijkwaardigheid – Nationale wet die het mogelijk maakt om de gelijkwaardigheid te bewijzen na de gunning van de opdracht”






1.        De aanbestedende diensten moeten in de bestekken die zij publiceren de kenmerken vaststellen van de werken, leveringen en diensten die zij in het kader van de overheidsopdracht willen aankopen. Tot die kenmerken behoren onder meer de „technische specificaties” van de respectieve producten of diensten.

2.        Als die technische specificaties op subjectieve wijze worden omschreven, kan dat op zijn minst een belangrijke „toetredingsdrempel” vormen voor bepaalde inschrijvers en in extreme gevallen van tevoren de uiteindelijke keuze van de winnende inschrijver bepalen (soms zelfs op frauduleuze wijze), als kenmerken van producten of diensten worden vermeld waaraan alleen die inschrijver kan voldoen.

3.        Om dergelijke onregelmatigheden te voorkomen en teneinde „de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging mogelijk [te] maken”(2) heeft de wetgever van de Unie een aantal voorschriften ter zake vastgesteld. Een daarvan is artikel 34, lid 8, van richtlijn 2004/17/EG(3), dat van toepassing is op dit geschil en waarin bepaald is dat het bij uitzondering mogelijk is om te verwijzen „naar een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie”, voor zover deze verwijzing vergezeld gaat van de woorden „of gelijkwaardig”.

4.        In het geschil dat de Italiaanse rechterlijke instantie moet beslechten, werd in het bestek gebruikgemaakt van deze uitzonderingsbepaling. Daarin was namelijk vermeld dat de overeenkomst betrekking had op de „levering van originele reserveonderdelen en/of originele uitrusting en/of gelijkwaardige onderdelen voor autobussen, trolleybussen en trams van Iveco”.

5.        De discussie gaat niet over de geldigheid van deze technische specificatie als dusdanig (aangezien het mogelijk was om gelijkwaardige onderdelen te leveren), maar wel over het moment waarop de inschrijver het bewijs van gelijkwaardigheid van de reserveonderdelen moest verstrekken.

6.        Volgens het bestek kon dat bewijs aan de aanbestedende dienst worden overgelegd na gunning van de opdracht, „bij de eerste levering van een gelijkwaardig reserveonderdeel”. De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of die clausule strookt met artikel 34 van richtlijn 2004/17. Dat zou het geval zijn als het bewijs van gelijkwaardigheid verplicht bij de inschrijving moet worden gevoegd of wanneer het in elk geval vóór de gunning van de opdracht moet worden overgelegd, zoals die bepaling voorschrijft.

I.      Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht: richtlijn 2004/17

7.        Artikel 34 bepaalt:

„1.      De technische specificaties zoals omschreven in punt 1 van bijlage XXI, maken deel uit van de aanbestedingsstukken, zoals de aankondigingen van de opdrachten, het bestek of de aanvullende documenten. Telkens wanneer zulks mogelijk is, moet in deze technische specificaties rekening worden gehouden met toegankelijkheidscriteria voor gehandicapten of met ontwerpen voor alle gebruikers.

2.      De technische specificaties moeten de inschrijvers gelijke toegang bieden en mogen niet tot gevolg hebben dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden geschapen.

3.      Onverminderd de – voor zover met het Gemeenschapsrecht verenigbare – juridisch bindende nationale technische voorschriften, worden de technische specificaties geformuleerd:

a)      hetzij door verwijzing naar de technische specificaties van bijlage XXI en – in volgorde van voorkeur – naar de nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, de Europese technische goedkeuringen, de gemeenschappelijke technische specificaties, internationale normen, andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen, of, bij ontstentenis daarvan, de nationale normen, de nationale technische goedkeuringen dan wel de nationale technische specificaties, andere technische referentiesystemen, inzake het ontwerpen, het berekenen en het uitvoeren van werken en het gebruik van producten. Iedere verwijzing gaat vergezeld van de woorden ‚of gelijkwaardig’;

b)      hetzij in termen van prestatie-eisen en functionele eisen, die milieukenmerken kunnen omvatten. Zij moeten echter voldoende nauwkeurig zijn, opdat de inschrijvers het voorwerp van de opdracht kunnen bepalen en de aanbestedende diensten de opdracht kunnen gunnen;

c)      hetzij in de onder b) bedoelde termen van prestatie-eisen en functionele eisen, waarbij onder vermoeden van overeenstemming met deze prestaties en eisen wordt verwezen naar de onder a) bedoelde specificaties;

d)      hetzij door verwijzing naar de onder a) genoemde specificaties voor bepaalde kenmerken, en door verwijzing naar de onder b) genoemde prestatie-eisen en functionele eisen voor andere kenmerken.

4.      Wanneer de aanbestedende diensten gebruikmaken van de mogelijkheid te verwijzen naar de in lid 3, onder a), genoemde specificaties, kunnen zij geen inschrijving afwijzen met als reden dat de aangeboden producten en diensten niet beantwoorden aan de betrokken specificaties wanneer de inschrijver in zijn inschrijving met elk passend middel ten genoegen van de aanbestedende dienst kan aantonen dat de door hem voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze voldoen aan de eisen die zijn omschreven in de technische specificaties.

Een passend middel kan een technisch dossier van de fabrikant zijn of een testverslag van een erkende organisatie.

[…]

8.      Behalve indien dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is, mag in de technische specificaties geen melding worden gemaakt van een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst of van een volgens bijzondere werkwijzen verkregen fabricaat, noch mogen deze een verwijzing bevatten naar een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd. Deze vermelding of verwijzing is bij wijze van uitzondering toegestaan wanneer een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht niet mogelijk is door toepassing van de leden 3 en 4; deze vermelding of verwijzing moet vergezeld gaan van de woorden ‚of gelijkwaardig’.”

8.        In artikel 54, „Kwalitatieve selectiecriteria”, is bepaald:

„1.      De aanbestedende diensten die selectiecriteria bij een openbare procedure opstellen, doen dit volgens objectieve regels en criteria […].

[…]”

B.      Italiaans recht

9.        Artikel 68, lid 13, van Decreto Legislativo (wetsdecreet) nr. 163 van 2006 luidt(4):

„Behalve indien dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is, mag in de technische specificaties geen melding worden gemaakt van een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze, en mogen deze evenmin een verwijzing bevatten naar een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd. Deze vermelding of verwijzing is bij wijze van uitzondering toegestaan wanneer een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht niet mogelijk is door toepassing van de leden 3 en 4, voor zover zij vergezeld gaat van de woorden ‚of gelijkwaardig’.”

II.    Feiten en prejudiciële vragen

10.      De Azienda Trasporti Milanese (hierna: „ATM”) heeft een openbare aanbesteding(5) uitgeschreven voor de „levering van originele reserveonderdelen en/of originele uitrusting en/of gelijkwaardige onderdelen voor autobussen en trolleybussen van Iveco”.

11.      De waarde van de overeenkomst bedroeg 3 350 000,00 EUR exclusief btw, voor de levering van 2 195 reserveonderdelen van het merk IVECO/FIAT of gelijkwaardig. Als gunningscriterium werd de laagste prijs gehanteerd, met de mogelijkheid van een nieuwe bieding na de eerste inschrijvingen, tussen de inschrijvers die op de eerste plaats stonden.

12.      In het bestek was bepaald dat:

–        onder „originele reserveonderdelen” zowel de „door de fabrikant van het voertuig zelf vervaardigde onderdelen” als de „door de leveranciers van de fabrikant van het voertuig vervaardigde onderdelen […] waarvoor de producent verklaart dat zij vervaardigd zijn overeenkomstig de door de fabrikant van het voertuig vastgestelde specificaties en productievoorschriften” moeten worden verstaan;

–        onder „gelijkwaardige reserveonderdelen” de onderdelen worden verstaan die „vervaardigd zijn door elke onderneming die verklaart dat de kwaliteit ervan overeenkomt met die van de onderdelen die worden gebruikt voor de aanvankelijke assemblage van het voertuig en van de door de fabrikant van het voertuig geleverde reserveonderdelen”.(6)

13.      In het bestek was verder bepaald dat „de leverancier bij de eerste levering van een gelijkwaardig reserveonderdeel het certificaat van gelijkwaardigheid met het originele product dient over te leggen, dat een noodzakelijke voorwaarde voor de aanvaarding van het product is”.(7)

14.      De enige deelnemers aan de aanbesteding waren VAR, Srl, die gelijkwaardige reserveonderdelen aanbood, en Iveco Orecchia, SpA, die originele reserveonderdelen aanbood. De opdracht werd gegund aan VAR.

15.      Iveco Orecchia heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Tribunal Amministrativo Regionale della Lombardia – Milano (bestuursrechter in eerste aanleg Lombardije – Milaan, Italië), die het beroep bij vonnis nr. 679 van 11 april 2016 heeft toegewezen.

16.      Volgens de rechter in eerste aanleg diende de inschrijver, overeenkomstig artikel 68 van wetsdecreet nr. 163 van 2006, in het kader van de procedure te bewijzen dat de voorgestelde onderdelen gelijkwaardig waren aan de originele. VAR moest worden uitgesloten omdat zij had verklaard dat zij reserveonderdelen wilde leveren die gelijkwaardig waren aan de oorspronkelijke onderdelen (zoals de lex specialis toestaat), zonder dat zij evenwel bij de indiening van de offerte of tijdens de aanbestedingsprocedure certificaten van gelijkwaardigheid met de originele producten of enig ander bewijs had overgelegd.

17.      VAR is tegen dat vonnis opgekomen bij de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië), die erop wijst dat de inschrijver volgens het bestek niet verplicht was om de gelijkwaardigheid te bewijzen vóór de gunning van de opdracht, maar pas bij de eerste levering van de reserveonderdelen.

18.      Diezelfde rechterlijke instantie is van oordeel dat aangezien de Italiaanse bepaling tot omzetting van richtlijn 2004/17 een letterlijke kopie is van artikel 34, lid 8, daarvan, elk spanningsveld tussen het nationale recht en het Unierecht in principe kan worden uitgesloten. Desalniettemin vraagt zij zich af of richtlijn 2004/17 systematisch zo moet worden uitgelegd dat het bewijs van gelijkwaardigheid verplicht moet worden geleverd bij de indiening van de offerte.

19.      Binnen deze context verzoekt de Consiglio di Stato het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„a)      Primair, moet artikel 34, lid 8, van richtlijn 2004/17/EG aldus worden uitgelegd dat reeds bij de inschrijving het bewijs dient te worden geleverd dat de te leveren producten gelijkwaardig zijn aan het originele product?

b)      Subsidiair, voor het geval dat de eerste uitleggingsvraag ontkennend wordt beantwoord: op welke wijze moet de eerbiediging van de beginselen van gelijke behandeling en onpartijdigheid, volledige mededinging en goed bestuur, de rechten van de verdediging en het recht van de andere inschrijvers om te worden gehoord, worden verzekerd?”

III. Samenvatting van de opmerkingen van partijen

20.      Volgens VAR en ATM moet de eerste prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord. Ervan uitgaande dat bij de uitlegging van de bepalingen van het Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de letter van die bepalingen, maar ook met de context en het doel ervan, stellen zij dat:

–        artikel 34, lid 8, van richtlijn 2004/17 geen enkele bepaling bevat die voorschrijft dat de inschrijvers bij de indiening van hun offerte een bewijs van gelijkwaardigheid overleggen;

–        in artikel 34, leden 3 en 4, van richtlijn 2004/17 de kwaliteit van de gevraagde producten is beschreven. Elke inschrijver die een offerte wil indienen voor de in lid 4 bedoelde producten, waarvan de technische eigenschappen niet beantwoorden aan de eigenschappen die in de technische specificaties van het bestek zijn vermeld, zal dus moeten bewijzen dat de alternatieven die hij aanbiedt uit functioneel oogpunt gelijkwaardig zijn om aan de behoeften van de aanbestedende dienst te voldoen;

–        in het geval van artikel 34, lid 8, van richtlijn 2004/17, de kenmerken, functies en prestaties van het gevraagde product daarentegen niet worden beschreven. Er is alleen bepaald dat het product als gedefinieerd in het bestek moet worden geleverd, maar met een andere herkomst dan producten vervaardigd door de originele fabrikant, aangezien het gaat om gevallen waarin een dergelijke beschrijving niet mogelijk is zonder dat wordt verwezen naar een bepaald merk;

–        in die situatie het de inschrijvers, ter bescherming van de vrije mededinging, is toegestaan om gelijkwaardige producten van een ander merk aan te bieden zonder dat zij een bewijs van gelijkwaardigheid moeten leveren overeenkomstig artikel 34, leden 3 en 4, van richtlijn 2004/17. Een omgekeerde uitlegging zou tot onrechtvaardige resultaten leiden en het zou onbegrijpelijk zijn dat de inschrijver, wanneer de aanbestedende dienst naar een merk verwijst om de procedure te vereenvoudigen, in een ongunstigere situatie zou verkeren dan wanneer de klassieke middelen voor het vaststellen van de technische kenmerken zouden zijn gebruikt;

–        de eis dat het bewijs van gelijkwaardigheid bij de indiening van de offerte wordt geleverd, botst met de doelstelling de openstelling van openbare aanbestedingen voor mededinging te bevorderen, aangezien hij inhoudt dat inschrijvers reeds vooraf over dat bewijs moeten beschikken voor een groot aantal producten (in sommige gevallen wel duizenden), die uiteindelijk mogelijk niet worden aangekocht door de dienst. Dat vormt een onnodige en zware belasting die het voor leveranciers van „gelijkwaardige producten” al te moeilijk maakt om deel te nemen aan deze procedures, ten gunste van de distributeurs van originele reserveonderdelen en de voertuigfabrikanten;

–        de bekendmaking van de Commissie van 28 mei 2010 houdende aanvullende richtsnoeren betreffende verticale beperkingen in overeenkomsten voor de verkoop en herstelling van motorvoertuigen en voor de distributie van reserveonderdelen voor motorvoertuigen(8) bevestigt dat het met betrekking tot het mededingingsbeleid in de automobielindustrie nodig is om de toegang van fabrikanten van reserveonderdelen tot de tweedehandsmarkt te beschermen. Zo wordt gegarandeerd dat onafhankelijke of erkende reparateurs en groothandelaars steeds toegang hebben tot reserveonderdelen van concurrerende merken.

21.      Wat de tweede vraag betreft, zijn VAR en ATM van mening dat de mechanismen om de naleving te verzekeren van de beginselen waarnaar de verwijzende rechter verwijst, voortvloeien uit de aanbestedingsdocumenten, zoals vastgesteld door de aanbestedende dienst.

22.      Iveco Orecchia, de Italiaanse regering en de Commissie stellen dat artikel 34, lid 8, van richtlijn 2004/17 geen verplichting inhoudt om een bewijs van gelijkwaardigheid te leveren bij indiening van de offerte, maar dat een systematische uitlegging van die bepaling wel tot die conclusie leidt.

23.      Volgens Iveco Orecchia en de Italiaanse regering moet het bewijs worden geleverd bij indiening van de offerte, terwijl de Commissie het voldoende acht dat het bewijs in de loop van de aanbestedingsprocedure wordt geleverd, zolang het maar vóór de gunning van de opdracht gebeurt. Hun argumenten kunnen als volgt worden samengevat:

–        De indiening van de offerte wordt in artikel 34, leden 4 en 5, van richtlijn 2004/17 genoemd als het tijdstip waarop de inschrijver het bewijs van gelijkwaardigheid moet leveren. Het feit dat hier in artikel 8 niets over wordt gezegd, betekent niet dat deze bepaling een uitzondering vormt op die regel.

–        Lid 8 van artikel 34 van richtlijn 2004/17 heeft enerzijds tot doel de vermelding in het bestek te verbieden van technische specificaties waarin wordt gerefereerd aan een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst, en anderzijds aan te geven in welke uitzonderlijke gevallen een dergelijke vermelding is toegestaan. De wetgever van de Unie heeft een specifieke invulling gegeven aan deze bepaling, waardoor het niet hoeft te verbazen dat hij niet heeft stilgestaan bij de noodzaak om daarnaast ook het tijdstip te vermelden waarop het bewijs van gelijkwaardigheid moet worden geleverd.

–        Los van het voorwerp van de opdracht moet het bewijs van gelijkwaardigheid de aanbestedende dienst in staat stellen om te controleren in welke mate de inschrijver in staat is om aan de voorwaarden van de opdracht te voldoen. Dat moet worden aangetoond in de loop van de aanbestedingsprocedure, aangezien de aanbestedende dienst na afloop van die procedure moet beslissen over de gunning van de opdracht, die plaatsvindt op basis van de offerte die het beste afgestemd is op de voorwaarden van de aanbesteding.

–        Een andere uitlegging zou tot strijdigheid leiden tussen de leden 4 en 5 van artikel 34 van richtlijn 2004/17 enerzijds, en lid 8 van datzelfde artikel anderzijds, met schending van het beginsel van gelijke behandeling. Als de inschrijvers het bewijs van gelijkwaardigheid zouden mogen leveren na gunning van de opdracht, zouden de offertes niet meer vergelijkbaar zijn en zouden sommige inschrijvers dit bewijs misschien meteen al overleggen, terwijl anderen zich het recht voorbehouden om dat later te doen.

–        Nog belangrijker is dat de aanbestedende dienst het risico loopt zich te verbinden tot de aankoop van producten die niet geschikt zijn om in zijn behoeften te voorzien, waardoor hem geen andere mogelijkheid rest dan de overeenkomst nietig te verklaren hetgeen volgens hen niet de bedoeling van de wetgever van de Unie was bij het opstellen van richtlijn 2004/17.

–        Deze uitlegging wordt bevestigd door andere bepalingen van richtlijn 2004/17, zoals artikel 49, lid 2, tweede streepje, waarin is bepaald dat „de aanbestedende dienst, ten spoedigste, […] iedere afgewezen inschrijver in kennis [stelt] van de redenen voor de afwijzing, inclusief […] de redenen voor zijn besluit dat er geen gelijkwaardigheid voorhanden is of dat de werken, leveringen of diensten niet aan de functionele en prestatie-eisen voldoen”. Dat veronderstelt natuurlijk dat het onderzoek van de gelijkwaardigheid van het product met het product als beschreven in het bestek, aan de hand van technische specificaties, wordt verricht voordat de opdracht wordt gegund.

–        Artikel 51, lid 3, van richtlijn 2004/17 wijst in dezelfde richting. Het bewijs van gelijkwaardigheid is absoluut noodzakelijk om na te gaan of de offerte aansluit bij de technische specificaties, hetgeen hoe dan ook moet gebeuren voordat de opdracht wordt gegund.

IV.    Procedure bij het Hof

24.      De verwijzingsbeslissing is op 11 januari 2017 ingekomen bij de griffie van het Hof.

25.      VAR, Iveco Orecchia, ATM, de Italiaanse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Met uitzondering van de Italiaanse regering waren zij allen aanwezig op de terechtzitting van 6 december 2017.

V.      Beoordeling

A.      Inleidende opmerkingen

26.      Zoals ik reeds heb aangegeven, kan de formulering van technische specificaties in de clausules inzake de aanbesteding van overheidsopdrachten een aanzienlijke (mogelijk negatieve) invloed uitoefenen op de mededinging en ongerechtvaardigde belemmeringen opwerpen voor de deelneming van de marktdeelnemers.

27.      De wetgever van de Unie is duidelijk bezorgd over deze kwestie en heeft daarom in artikel 34, lid 2, van richtlijn 2004/17 de regel opgenomen dat „de nationale technische specificaties […] niet tot gevolg [mogen] hebben dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden geschapen”.(9)

28.      Aangezien de betrokken opdracht ziet op de levering van reserveonderdelen voor motorvoertuigen, is het mijns inziens nuttig om, alvorens richtlijn 2004/17 te bestuderen, erop te wijzen dat de wetgever van de Unie in deze sector de bescherming van de mededinging heeft gekoppeld aan een stelsel van uitzonderingen op basis van categorieën, zoals bepaald in verordening (EG) nr. 1400/2002(10). Met deze verordening beoogde hij precies de concurrentie(11) tussen originele reserveonderdelen en reserveonderdelen van gelijke kwaliteit te vrijwaren.(12)

29.      De Commissie staat achter dat doel en heeft daarom in 2010 een aantal aanvullende richtsnoeren bij verordening nr. 461/2010 vastgesteld. In punt 18 daarvan onderstreept zij dat zij met deze richtsnoeren beoogt „de toegang van fabrikanten van reserveonderdelen tot de vervolgmarkten voor motorvoertuigen te beschermen, zodat concurrerende merken van reserveonderdelen beschikbaar blijven voor zowel onafhankelijke als erkende herstellers, maar ook voor groothandelaren in onderdelen”.

30.      In diezelfde richtsnoeren geeft de Commissie ook aan dat „[d]e beschikbaarheid van die onderdelen de consumenten aanzienlijke voordelen [oplevert], met name omdat er vaak grote prijsverschillen zijn tussen onderdelen die door een autofabrikant worden verkocht of doorverkocht en alternatieve onderdelen”.(13) De beperking van de mededinging kan de consumenten in het bijzonder schaden doordat „het productassortiment wordt beperkt, de kwaliteit ervan afneemt of het peil van de productinnovatie daalt”.(14)

31.      Het is juist dat bij de bescherming van de mededinging in verband met verticale overeenkomsten de aandacht vooral gericht is op de marktmacht van de producenten en hun invloed om het aanbod te regelen, terwijl overheidsopdrachten zich eerder aan de vraagzijde afspelen. Toch kan ook de aanbestedende dienst die producten of diensten wenst af te nemen het aanbod beperken door technische specificaties vast te stellen die de kring potentiële inschrijvers op ongerechtvaardigde wijze beperkt. De voordelen van mededinging op het gebied van private overeenkomsten zijn aldus overdraagbaar naar overheidsopdrachten.

32.      Uit deze wetgevende maatregelen kan worden afgeleid dat het beginsel van openstelling voor mededinging bij private aankopen van reserveonderdelen van motorvoertuigen moet bijdragen aan een algemene tendens dat originele onderdelen en onderdelen van gelijke kwaliteit op gelijke voet kunnen worden aangeboden. Diezelfde tendens moet a fortiori worden uitgebreid naar overheidsopdrachten.

B.      Eerste prejudiciële vraag

33.      Het Hof had zich vóór de vaststelling van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten van 2004 al gebogen over de opname van technische specificaties waarin verwezen wordt naar een bepaald merk, in de aankondigingen van overheidsopdrachten of de bestekken.

34.      In het licht van de destijds geldende richtlijn 77/62/EEG(15) heeft het Hof in het arrest Commissie/Nederland(16) de clausule in een overheidsopdracht onderzocht waarin werd verwezen naar het besturingssysteem „UNIX” zonder dat de woorden „of daarmee overeenstemmend” waren vermeld. Het Hof was van oordeel dat „[d]e weglating van de mededeling ‚of daarmee overeenstemmend’ na de aanduiding UNIX [ertoe kan leiden] dat marktdeelnemers die gelijksoortige systemen als UNIX gebruiken niet inschrijven op het aanbestedingsbericht”.

35.      Diezelfde lijn werd in de rechtspraak aangehouden onder vigeur van richtlijn 93/37/EEG(17). In het arrest Commissie/Oostenrijk(18) heeft het Hof het door de Commissie aangevoerde middel aanvaard dat vanwege de wijze waarop deze lidstaat de technische specificatie in het bestek van een overheidsopdracht had geformuleerd „de ‚UNIX-producten’ [werden] begunstigd”, waarmee artikel 10, lid 6, van richtlijn 93/37 was geschonden.

36.      Het achterliggende idee in deze arresten was dat wanneer het gebruik van een merk om technische specificaties vast te stellen, bij uitzondering is toegestaan, de doelgroep moet worden uitgebreid via de vermelding „of gelijkwaardig”. Zo kunnen andere inschrijvers dan degenen die de originele artikelen produceren, meedingen, wat helpt te verhinderen dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden geschapen.

37.      Artikel 34, lid 8, van richtlijn 2004/17 bevat geen enkele aanwijzing over het tijdstip waarop de gelijkwaardigheid van de reserveonderdelen moet worden bewezen tegenover de aanbestedende dienst. Daardoor kunnen de lidstaten de kwestie volgens hun eigen criteria regelen in het nationale recht, hetzij middels een bepaling met algemene strekking, hetzij door hun aanbestedende diensten vrijheid te laten in dat opzicht. Zij moeten zich evenwel laten leiden door de basisbeginselen inzake overheidsopdrachten.(19)

38.      Dient artikel 34, lid 8, van richtlijn 2004/17, gelezen in samenhang met de leden 3 en 4 van dat artikel, zo te worden uitgelegd dat het bewijs van gelijkwaardigheid noodzakelijkerwijs samen met de offerte van de inschrijver moet worden ingediend? De argumenten van de voorstanders van deze oplossing zijn niet te verwaarlozen uit het oogpunt van het garanderen dat bij de gunning van de opdracht de juiste inschrijver wordt gekozen.(20)

39.      Dit bewijs is inderdaad een van de elementen aan de hand waarvan de aanbestedende dienst kan nagaan of de inschrijver in staat is om zijn contractuele verplichtingen na te komen. Het bewijs moet bijgevolg vóór de gunning van de opdracht worden geleverd, aangezien de enige uitweg er anders in bestaat de overeenkomst te ontbinden vanwege niet-naleving door de aannemer.

40.      Voorts zou het, nu in artikel 34, lid 8, van richtlijn 2004/17 alleen een algemeen verbod wordt vastgesteld op technische specificaties waarin verwezen wordt naar een bepaald merk, en wordt gedefinieerd in welke uitzonderlijke gevallen een dergelijke verwijzing wel is toegestaan, logisch zijn om dezelfde criteria als in de leden 3 en 4 toe te passen. Volgens de bewoordingen daarvan lijkt het erop dat het bewijs bij de offerte moet worden gevoegd.

41.      Hoewel dit een aanvaardbare redenering is, worden andere elementen van het besluitvormingsproces hierin mogelijk over het hoofd gezien. Zo laten de leden 3 en 4 van artikel 34 van richtlijn 2004/17 de aanbestedende dienst bij het formuleren van de technische specificaties een aanzienlijke beoordelingsmarge om de doelstellingen van de opdracht uit functioneel oogpunt aldus te omschrijven dat de inschrijvers alternatieven kunnen voorstellen die aan die doelstellingen voldoen, waaronder uiteraard oplossingen die gelijkwaardig zijn aan de oplossingen die in het bestek worden gevraagd. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de aanbestedende dienst in die gevallen van in het begin over de elementen moet beschikken die hem in staat stellen om de verschillende offertes te beoordelen, met inbegrip van de bewijzen.

42.      Het perspectief verandert enigszins wanneer in de technische specificaties direct wordt verwezen naar een merk of productmodel, zoals hier het geval is. De algemene regel dat de technische specificaties in open bewoordingen worden geformuleerd, overeenkomstig artikel 34, lid 4, van richtlijn 2004/17, wordt bevestigd in lid 8, dat een ongerechtvaardigde inperking van de beoordelingsruimte verbiedt.

43.      De reden voor de verwijzing naar een bepaald merk, octrooi of soortgelijke zaken (steeds met de toevoeging „of gelijkwaardig”) is dat zij elke ruimte voor onduidelijkheid wegneemt. Wanneer bijvoorbeeld alleen voertuigonderdelen van een bepaald merk (in dit geval IVECO) of gelijkwaardige onderdelen mogen worden geleverd, heeft de aanbestedende dienst er reeds voor gekozen om „een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht” te formuleren. Dat is het wezenlijke verschil met de leden 3 en 4 van artikel 34 van richtlijn 2004/17 dat een verschillende behandeling van de eisen inzake de gelijkwaardigheidscertificaten toestaat.(21)

44.      De aanbestedende dienst is het beste in staat om zijn behoeften te omschrijven aan de hand van technische specificaties. In situaties zoals die in het hoofdgeding, waarin er geen andere mogelijkheid bestaat dan reserveonderdelen voor een specifiek voertuigtype te leveren, lijkt het passend om die behoeften te omschrijven onder verwijzing naar een bepaald merk en dat wordt ook niet betwist.

45.      De Commissie legt de nadruk op het feit dat wanneer het bewijs van gelijkwaardigheid niet vooraf wordt geleverd, dat het risico met zich brengt dat de aanbestedende dienst een reeks ongeschikte producten aankoopt en zich genoopt ziet de overeenkomst te ontbinden. Om haar stelling over de selectie van de beste gegadigde kracht bij te zetten, citeert zij het arrest CoNISMa(22), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de harmonisering van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten ook in het belang van de aanbestedende dienst is.

46.      In dat arrest wordt ongetwijfeld de nadruk gelegd op de positie van de aanbestedende overheid, die moet toezien op het algemene belang. Net als in eerdere en latere arresten wordt er evenwel eveneens in benadrukt „dat een van de doelstellingen van de communautaire bepalingen inzake aanbestedingen de openstelling is voor een zo ruim mogelijke mededinging […] en dat het in het belang van het gemeenschapsrecht is om de grootst mogelijke deelneming van inschrijvers aan een aanbesteding te waarborgen”.(23) En, nogmaals, als het belang van de aanbestedende dienst in dat arrest in aanmerking wordt genomen, is dat alleen voor zover de aanbestedende dienst dankzij een ruimere deelneming „met betrekking tot de voordeligste en meest aan de behoeften van het betreffende publiek aangepaste aanbieding over een ruimere keuze beschikt”.(24)

47.      Al bij al bieden noch dit arrest, noch de eerder genoemde een rechtstreeks antwoord op de vraag die in deze verwijzing wordt opgeworpen, namelijk wanneer de inschrijver die gelijkwaardige reserveonderdelen aanbiedt volgens richtlijn 2004/17 met documenten moet aantonen dat die onderdelen overeenstemmen met de originele.

48.      Het streven om de goede afloop van de procedure niet in het gedrang te brengen, is zeker legitiem. De procedure zou op een mislukking kunnen uitlopen als de aanbestedende dienst die vooraf geen bewijs heeft geëist uiteindelijk vaststelt dat de gekozen inschrijver niet kan aantonen dat de onderdelen gelijkwaardig zijn.

49.      Dat streven mag echter geen voorrang krijgen op de grondbeginselen van de openbare aanbesteding, meer in het bijzonder het beginsel dat de inschrijvers op gelijke voet moeten kunnen deelnemen en niet geconfronteerd mogen worden met „ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging”. Op deze beide beginselen ga ik meteen hierna in.

50.      Het beginsel van gelijke behandeling wordt niet geschonden als alle inschrijvers de mogelijkheid krijgen om hun gelijkwaardigheidscertificaten over te leggen bij levering van de reserveonderdelen. In tegenstelling tot wat een van de partijen heeft aangevoerd, tast deze mogelijkheid de positie van de inschrijvers niet aan, aangezien het hun vrijstaat om te kiezen of zij deze bewijzen bij hun offerte voegen dan wel het resultaat van de aanbestedingsprocedure afwachten. Het enige wat in dit verband van hen gevraagd wordt, is dat zij zich aan de desbetreffende clausule houden, die duidelijk moet zijn en zonder uitzonderingen moet worden toegepast.(25)

51.      Mijns inziens komt de gelijke behandeling van de inschrijvers dus niet in het gedrang door het feit dat het bewijs van gelijkwaardigheid kan worden geleverd tijdens de uitvoering van de opdracht. Als het bewijs vooraf moet worden overgelegd, kan het daarentegen wél tot discriminatie tussen de inschrijvers komen, aangezien de fabrikant van originele reserveonderdelen bevoordeeld wordt ten opzichte van de inschrijver die gelijkwaardige onderdelen voorstelt, maar de desbetreffende onderdelen nog niet eerder heeft geproduceerd. Het ligt voor de hand dat de inschrijver die gelijkwaardige reserveonderdelen voorstelt in veel gevallen (waaronder het onderhavige) in een eerste fase niet over de certificaten voor elk model beschikt.

52.      Ter terechtzitting is gediscussieerd over de vraag hoe de aanbestedende dienst de kwaliteit van de leveringen kan beoordelen vóór de gunning indien er geen bewijs wordt geleverd dat de leveringen van „gelijke kwaliteit” zijn. Om dat begrip, zoals het wordt gebruikt met betrekking tot auto-onderdelen, beter te begrijpen, is het nuttig om de aanvullende richtsnoeren te raadplegen.(26)

53.      Volgens die richtsnoeren geldt een weerlegbaar vermoeden van kwalitatieve geschiktheid, op basis waarvan de ontvanger van de reserveonderdelen (in dit geval de aanbestedende dienst) ervan mag uitgaan dat de hem verstrekte producten, hoewel zij van gelijke kwaliteit zijn, aan de nodige vereisten zullen voldoen voor het beoogde gebruik. Datzelfde vermoeden helpt, wanneer het wordt toegepast op overheidsopdrachten, om gelijke voorwaarden te scheppen voor alle leveranciers.(27)

54.      De toetsing uit het oogpunt van de maximale openstelling van opdrachten voor mededinging ondersteunt dat idee: de verplichting om de gelijkwaardigheidscertificaten vóór de gunning van de opdracht over te leggen, kan naargelang van de omstandigheden van de aanbesteding een onevenredige hinderpaal vormen, die geïnteresseerde marktdeelnemers ervan weerhoudt hun producten aan te bieden.(28)

55.      De door ATM uitgeschreven opdracht is een goed voorbeeld van een aanbesteding waarbij de aanbestedende dienst voldoende vrijheid kan worden gelaten om, redelijkerwijs, in het bestek te bepalen dat het bewijs achteraf kan worden geleverd. Indien was voorzien in een verplichting om het gelijkwaardigheidscertificaat samen met de offerte in te dienen, had de leverancier van niet-originele onderdelen „preventief” elk van de onderdelen (in het hoofdgeding 2 195) moeten produceren of over evenveel certificaten voor alle gevraagde onderdelen moeten beschikken. De fabrikant van originele reserveonderdelen zou daarentegen het voordeel hebben gehad dat die onderdelen al klaar waren.

56.      Volgens het bestek was het bepalende criterium voor de gunning van de door ATM bekendgemaakte overheidsopdracht dat van de „economisch meest voordelige inschrijving”, dat werd toegepast nadat de twee inschrijvers die hun voorstel hadden ingediend, een nieuwe bieding hadden geformuleerd. Voorafgaand aan die bieding diende de aanbestedende dienst de geschiktheid van beide inschrijvers af te wegen, door onder meer hun technische bekwaamheid om de opdracht uit te voeren, te beoordelen.

57.      In de benadering van degenen die stellen dat de gelijkwaardigheidscertificaten noodzakelijkerwijs vóór de gunning van de opdracht moeten worden overgelegd, wordt dat bewijs in werkelijkheid de bepalende factor in de beoordeling van de technische bekwaamheid.

58.      Ik ben evenwel van mening dat de aanbestedende dienst andere elementen in overweging kan nemen om de technische bekwaamheid van de gegadigden te beoordelen(29), ook wanneer aanvankelijk geen gelijkwaardigheidscertificaten voor elk van de in de aanbesteding gevraagde onderdelen worden overgelegd. Anders gezegd: dat de producent of leverancier van niet-originele reserveonderdelen over de technische bekwaamheid beschikt die noodzakelijk is om de opdracht uit te voeren, kan ook op andere manieren worden aangetoond (bijvoorbeeld door een zekere mate van ervaring in de productie of levering van reserveonderdelen, ook van andere merken, te vereisen).

59.      Het door ATM bekendgemaakte bestek bevatte feitelijk een verwijzing naar de „gegevens en formaliteiten die nodig zijn om te beoordelen of voldaan is aan de vereisten” inzake technische bekwaamheid.(30) In het bestek werd de gegadigden onder meer gevraagd om documentair bewijs te leveren dat zij „in de afgelopen drie jaar (2012‑2013‑2014) de levering van originele reserveonderdelen […] of gelijkwaardige onderdelen voor autobussen, trolleybussen of bedrijfsvoertuigen van IVECO naar behoren hebben verzekerd” en „in de afgelopen drie jaar […] met goed resultaat ten minste twee overeenkomsten hebben gesloten voor die levering, met een waarde boven 750 000 EUR”.(31)

60.      Een bestek dat in dergelijke bewoordingen is geformuleerd, is per definitie restrictief, aangezien de doelgroep wordt beperkt tot degenen die al – originele of gelijkwaardige – reserveonderdelen van het merk IVECO hebben geproduceerd, hetgeen de deelneming van andere producenten uitsluit. Mijns inziens zou de aanbestedende dienst, die al had voorzien in strikte voorwaarden, die voorwaarden redelijkerwijs ook kunnen hanteren als criterium om de technische bekwaamheid van de inschrijvers te beoordelen, zonder daarnaast van hen te eisen dat zij meteen de gelijkwaardigheidscertificaten overleggen voor de 2 195 onderdelen waarop leveringsovereenkomst ziet.(32)

61.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de eerste prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden. Voor zover de twijfel van de Consiglio di Stato enkel de vraag betreft of de gelijkwaardigheid overeenkomstig artikel 34, lid 8, van richtlijn 2004/17 verplicht moet worden aangetoond bij de indiening van de offerte, moet het antwoord luiden dat dat niet noodzakelijk het geval is.

62.      Die bepaling behelst geen verplichting, aangezien de lidstaat (of, indien de nationale wetgeving dat toestaat, de aanbestedende dienst) de vrijheid wordt gelaten om te bepalen wanneer de gelijkwaardigheidscertificaten moeten worden overgelegd. Er wordt geen uniforme oplossing opgelegd, aangezien de wetgever er voorzichtigheidshalve de voorkeur aan heeft gegeven om de lidstaten en de aanbestedende diensten de voor‑ en nadelen van deze of gene oplossing te laten afwegen.

63.      In een situatie zoals in casu lijkt het mij, gezien het aantal onderdelen waarvoor een gelijkwaardigheidscertificaat moet worden overgelegd, passend te aanvaarden dat die certificaten na de indiening van de aanvankelijke offerte worden verstrekt, of zelfs na de gunning van de opdracht, mits het bestek strikte voorwaarden bevat waarmee de technische bekwaamheid van de inschrijvers kan worden verzekerd.

64.      Ik wil hier nog een laatste opmerking aan toevoegen, in lijn met de opmerkingen in mijn conclusie in de zaak Specializuotas transportas(33), inzake een eis „die niet in het bestek wordt gesteld, niet in het nationale recht wordt genoemd en niet in richtlijn 2004/18 is opgenomen”. Als een inschrijver heeft vertrouwd op de clausules van het bestek die hem uitdrukkelijk toestaan de gelijkwaardigheidscertificaten achteraf over te leggen, zou de afwijzing van dergelijke a posteriori verstrekte certificaten de door het Hof verlangde transparantietoets niet doorstaan. Het Hof heeft immers geoordeeld dat „de beginselen van transparantie en gelijke behandeling die gelden voor alle procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, vereisen dat de materiële en formele voorwaarden inzake de deelneming aan een opdracht tevoren duidelijk […] zijn bepaald en bekendgemaakt, in het bijzonder de verplichtingen van de inschrijvers, zodat de betrokkenen exact de procedurele verplichtingen kunnen kennen en er zeker van kunnen zijn dat deze verplichtingen voor alle concurrenten gelden”.(34)

65.      Derhalve geef ik het Hof in overweging de eerste prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden.

C.      Tweede prejudiciële vraag

66.      De tweede prejudiciële vraag rijst alleen indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, zoals ik voorstel. De Consiglio di Stato vraagt het Hof op welke wijze de eerbiediging moet worden verzekerd van de beginselen van gelijke behandeling en onpartijdigheid, volledige mededinging en goed bestuur, de rechten van de verdediging en het recht van de andere inschrijvers om te worden gehoord.

67.      De vraag is te algemeen en in de verwijzingsbeslissing wordt niet uitgelegd waarom deze beginselen in het gedrang zouden komen als het gelijkwaardigheidscertificaat na de indiening van de offerte zou mogen worden overgelegd.

68.      In de verwijzingsbeslissing wordt (terecht) de nadruk gelegd op de uitleggingsvragen met betrekking tot de wisselwerking tussen de verschillende artikelen van richtlijn 2004/17, maar wordt (door de rechterlijke instantie)(35) niet concreet verwezen naar die beginselen.

69.      Het is niet de taak van het Hof om in het kader van de prejudiciële verwijzingen abstracte uitspraken te doen over hoe bepaalde algemene beginselen zouden kunnen worden toegepast, maar wel om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen die hem kan helpen om het geschil dat aan hem is voorgelegd, te beslechten.

70.      Uit dat oogpunt verschaffen de overwegingen op basis waarvan ik het antwoord op de eerste vraag heb voorgesteld, de verwijzende rechter reeds voldoende richtsnoeren voor de uitlegging van op zijn minst enkele van de beginselen waaraan hij refereert, zoals het beginsel van gelijke behandeling, bevordering van de mededinging en onpartijdigheid van de aanbestedende dienst.

71.      Wat de overige beginselen betreft, zie ik geen reden waarom de rechten van de verdediging of het beginsel van hoor en wederhoor van de inschrijvers (en, in voorkomend geval, van de procespartijen) zouden worden aangetast, ongeacht het antwoord op de eerste vraag. De twee rechtspersonen die betrokken waren bij deze aanbesteding hebben hun argumenten vóór of tegen het besluit van ATM voor de nationale rechterlijke instanties kunnen uiteenzetten, zonder dat inbreuk is gemaakt op hun rechten op een eerlijk proces en op rechterlijke bescherming (hetgeen uiteraard niet betekent dat hun respectieve vorderingen in het proces ook zullen slagen).

72.      Wat het recht op behoorlijk bestuur betreft, mag worden aangenomen dat de Consiglio di Stato in het kader van de prejudiciële procedure wilde verwijzen naar het recht dat is neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In dat verband kan worden volstaan met de vaststelling dat dit recht geldend kan worden gemaakt tegenover instellingen, organen en instanties van de Unie, maar niet kan worden tegengeworpen aan een vervoersonderneming van een lidstaat die actief is als een vennootschap op aandelen, zoals ATM (ook al zou die volgens het nationale recht kunnen worden gelijkgesteld aan een overheidsinstantie).

73.      In deze omstandigheden lijkt het mij niet nodig om de tweede prejudiciële vraag te beantwoorden.

VI.    Conclusie

74.      Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om op de vragen van de Consiglio di Stato te antwoorden als volgt:

„Artikel 34, leden 3, 4 en 8, van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en postdiensten moet aldus worden uitgelegd dat de inschrijver niet verplicht is om de certificaten van gelijkwaardigheid van reserveonderdelen voor motorvoertuigen met de originele onderdelen reeds bij indiening van de offerte over te leggen, wanneer:

–        de technische specificaties in het bestek bij wijze van uitzondering zijn geformuleerd onder verwijzing naar een bepaald merk ‚of gelijkwaardig’, en

–        in datzelfde bestek is bepaald dat die certificaten mogen worden overgelegd bij de eerste levering van een gelijkwaardig onderdeel.”


1      Oorspronkelijke taal: Spaans.


2      Overweging 29 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004, L 134, blz. 114).


3      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB 2004, L 134, blz. 1).


4      Wetsdecreet van 12 april 2006, tot omzetting van de richtlijnen 2004/17 en 2004/18 (GURI nr. 100 van 2 mei 2006).


5      De aankondiging werd bekendgemaakt in het Supplement op hetPublicatieblad van de Europese Unie van 25 februari 2015 (2015/S 039‑067523).


6      Document „specifica tecnica”, punten 2.1 en 2.2.


7      Ibidem, punt 5.


8      PB 2010, C 138, blz. 16; hierna: „aanvullende richtsnoeren”.


9      Dat staat ook, in identieke bewoordingen, in artikel 60, lid 2, van richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17 (PB 2014, L 94, blz. 243).


10      Verordening van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (ook wel de „Monti-verordening” genoemd; PB 2002, L 203, blz. 30), na haar verstrijken op 31 mei 2010 vervangen door verordening (EU) nr. 461/2010 van de Commissie van 27 mei 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (PB 2010, L 129, blz. 52).


11      In overweging 23 van verordening nr. 1400/2002 staat dat „teneinde daadwerkelijke mededinging op de herstellings‑ en onderhoudsmarkten te garanderen en herstellers de mogelijkheid te bieden concurrerende reserveonderdelen, zoals originele reserveonderdelen en reserveonderdelen van gelijke kwaliteit, aan de eindgebruikers aan te bieden, de vrijstelling niet [dient] te gelden voor verticale overeenkomsten die voor erkende herstellers die van het distributiestelsel van een voertuigfabrikant deel uitmaken, onafhankelijke distributeurs van reserveonderdelen, onafhankelijke herstellers of eindgebruikers de mogelijkheid beperken, reserveonderdelen te betrekken bij de fabrikant van dergelijke reserveonderdelen of bij een andere derde van hun keuze”. Soortgelijke bewoordingen komen terug in overweging 17 van verordening nr. 461/2010, maar dan vanuit het oogpunt van een beperking van de mogelijkheden van een producent van reserveonderdelen om die onderdelen te verkopen, en niet vanuit het oogpunt van de mogelijkheden om de onderdelen te kopen.


12      Volgens artikel 1, lid 1, onder u), van verordening nr. 1400/2002 „wordt verstaan onder: […] ‚reserveonderdelen van gelijke kwaliteit’: uitsluitend reserveonderdelen die zijn vervaardigd door een onderneming die te allen tijde kan certificeren dat de betrokken onderdelen van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen welke voor de montage van de betrokken motorvoertuigen worden of zijn gebruikt”.


13      Aanvullende richtsnoeren, punt 18.


14      Ibidem, punt 28.


15      Richtlijn van de Raad van 21 december 1976 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB 1977, L 13, blz. 1).


16      Arrest van 24 januari 1995 (C‑359/93, EU:C:1995:14, punten 23‑28). In de latere beschikking van 3 december 2001, Vestergaard (C‑59/00, EU:C:2001:654, punt 22), wordt verwezen naar dat arrest.


17      Richtlijn van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB 1993, L 199, blz. 54).


18      Arrest van 28 oktober 1999 (C‑328/96, EU:C:1999:526, punt 68 juncto punt 78).


19      In overweging 9 van richtlijn 2004/17 worden de openstelling voor mededinging van overheidsopdrachten en de eerbiediging van de beginselen van gelijke behandeling, waarvan het beginsel van non-discriminatie een bijzondere uiting is, van wederzijdse erkenning, van evenredigheid en van doorzichtigheid genoemd.


20      De regeling van de technische specificaties in richtlijn 2014/25 (artikel 60) is niet gewijzigd, aangezien naast de algemene regeling (lid 3) nog steeds een uitzonderingsregeling (lid 4) bestaat die het mogelijk maakt om naar een merk te verwijzen „wanneer een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de opdracht niet mogelijk is door toepassing van” de algemene regel, en die voorschrijft dat een dergelijke verwijzing vergezeld gaat van de woorden „of gelijkwaardig”. In de leden 5 en 6 is bepaald dat het bewijs van gelijkwaardigheid in de inschrijving moet worden geleverd in de gevallen zoals bedoeld in lid 3, maar niet in de gevallen zoals bedoeld in lid 4.


21      Diezelfde overwegingen zijn mutatis mutandis van toepassing op de artikelen 49 en 51 van richtlijn 2004/17, die door een van de partijen bij het geding zijn aangevoerd.


22      Arrest van 23 december 2009 (C‑305/08, EU:C:2009:807).


23      Ibidem, punt 37.


24      Ibidem, punt 37 in fine.


25      Het Hof heeft er in het arrest van 13 juli 2017, Ingsteel en Metrostav (C‑76/16, EU:C:2017:549, punt 34), nogmaals op gewezen dat „het beginsel van gelijke behandeling vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van hun inschrijving dezelfde kansen krijgen. Het betekent derhalve dat voor deze inschrijvingen voor alle inschrijvers dezelfde voorwaarden moeten gelden. Ten tweede heeft het transparantiebeginsel, dat er het logische uitvloeisel van vormt, in essentie tot doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Die verplichting impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in de aankondiging van de opdracht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, in de eerste plaats, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier kunnen interpreteren, en, in de tweede plaats, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn (arrest van 2 juni 2016, Pizzo, C‑27/15, EU:C:2016:404, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak)”.


26      In de punten 19 en 20 van die richtsnoeren wordt het onderscheid gemaakt tussen „originele” onderdelen en onderdelen „van gelijke kwaliteit”. Bij die laatste gaat het om onderdelen die van „voldoende hoge kwaliteit zijn zodat het gebruik ervan de reputatie van het betrokken erkende netwerk niet in gevaar brengt. Zoals bij iedere andere selectienorm kan de motorvoertuigfabrikant het bewijs leveren dat een bepaald reserveonderdeel niet aan dit vereiste voldoet”.


27      Het gebruik van „verklaringen op eer” of andere, soortgelijke instrumenten, waarmee marktdeelnemers in een eerste fase verklaren dat zij in staat zijn bepaalde leveringen te verzorgen, onder voorbehoud van een definitieve controle achteraf door de overheid, is toegestaan in diverse artikelen van richtlijn 2014/24.


28      Zie in dat verband overweging 84 van richtlijn 2014/24: „Veel ondernemingen, niet in de laatste plaats mkb’s, zijn van mening dat de deelname aan aanbestedingen vooral belemmerd wordt door de administratieve belasting die voortvloeit uit de verplichting een aanzienlijk aantal certificaten of andere documenten in verband met uitsluitings‑ en selectiecriteria over te leggen. Het beperken van zulke verplichtingen, bijvoorbeeld door het gebruik van een Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA), bestaande uit een geactualiseerde eigen verklaring, toe te staan, kan de administratieve belasting aanzienlijk vereenvoudigen, ten gunste van de aanbestedende diensten en de ondernemers.”


29      Richtlijn 2014/24 bevat een bijlage XII, die betrekking heeft op de „bewijsmiddelen voor selectiecriteria” en waarin in deel II verwezen wordt naar het „[b]ewijs van de technische bekwaamheid van de ondernemer in de zin van artikel 58”.


30      Sectie III.2.3 van het document „Aviso di gara – Settori speciale”.


31      Sectie 6.1.A, punten III en IV, van het document „disciplinare di gara”.


32      Iveco Orecchia heeft alleen gewezen op de (vermeende) verplichting om het gelijkwaardigheidscertificaat bij de offerte te voegen, zonder in twijfel te trekken dat haar concurrent over de nodige technische bekwaamheid beschikt om de opdracht uit te voeren.


33      C‑531/16, EU:C:2017:883, punten 47 en 48.


34      Arrest van 2 juni 2016, Pizzo (C‑27/15, EU:C:2016:404, punt 37).


35      De Consiglio di Stato aanvaardt gewoon het voorstel om enkele van de door Iveco Orecchia geformuleerde prejudiciële vragen te stellen. Hij legt niet concreet uit waarom hij de tweede prejudiciële vraag zoals vermeld onder b1) van dat voorstel overneemt.