Language of document :

Hogere voorziening ingesteld op 29 juni 2021 door Roemenië tegen het arrest van het Gerecht (Tiende kamer – uitgebreid) van 14 april 2021 in zaak T-543/19, Roemenië / Commissie

(Zaak C-401/21 P)

Procestaal: Roemeens

Partijen

Rekwirant: Roemenië (vertegenwoordigers: E. Gane, L.-E. Baţagoi, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

de hogere voorziening toewijzen, het arrest van het Gerecht in zaak T-543/19 in zijn geheel vernietigen, opnieuw uitspraak doen in zaak T-543/19 en het beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2019)4027 final van de Commissie toewijzen voor zover de Commissie voor de eerste en de tweede prioritaire as van het operationele programma een medefinancieringspercentage van 75 % in plaats van 85 %, heeft toegepast,

of

de hogere voorziening toewijzen, het arrest van het Gerecht in zaak T-543/19 in zijn geheel vernietigen en de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak, waarbij het Gerecht het beroep tot nietigverklaring toewijst en besluit C(2019) 4027 final van de Commissie gedeeltelijk nietig verklaart, voor zover de Commissie voor de eerste en de tweede prioritaire as van het operationele programma een medefinancieringspercentage van 75 % in plaats van 85 %, heeft toegepast;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert Roemenië drie middelen aan.

A.    Onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 139, lid 6, aanhef en onder a), van verordening nr. 1303/2013, in samenhang met artikel 137, lid 1, aanhef en onder a) en d), en lid 2, artikel 131, artikel 135, lid 2, en artikel 139, leden 1, 2 en 7, van die verordening

Roemenië is van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een aantal onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot het onderscheid tussen het definitieve verzoek om tussentijdse betaling en de aanvaarding van de rekeningen, door ten onrechte voorbij te gaan aan de rol van laatstgenoemde fase en te oordelen dat voor de berekening van het verschuldigde bedrag het medefinancieringspercentage geldt dat van toepassing is op het tijdstip waarop het definitieve verzoek om tussentijdse betaling wordt ingediend.

B.    Onjuiste uitlegging en toepassing van het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd

Roemenië is van mening dat het Gerecht het beginsel dat de boekhouding per jaar wordt gevoerd onjuist heeft uitgelegd en toegepast door te oordelen dat de toepassing van een medefinancieringspercentage dat is vastgesteld na de indiening van het definitieve verzoek om tussentijdse betaling, op tijdens een boekjaar gedane en in het boekhoudsysteem opgenomen uitgaven, een schending van dit beginsel vormt.

C.    Onjuiste uitlegging en toepassing van het verbod van terugwerkende kracht

Roemenië is van mening dat het Gerecht het verbod van terugwerkende kracht onjuist heeft uitgelegd en toegepast, toen het oordeelde dat het in uitvoeringsbesluit C(2018)8890 final van 12 december 2018 vastgestelde medefinancieringspercentage niet van toepassing was op de in het boekjaar 2017-2018 gedane uitgaven, aangezien de rechtspositie van Roemenië reeds vaststond op het tijdstip waarop het in werking trad – op 12 december 2018 – in die zin dat het boekjaar op 30 juni 2018 was afgesloten en het laatste verzoek om tussentijdse betaling op 6 juli 2018 was ingediend.

____________