Language of document : ECLI:EU:C:2010:490

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 2 september 2010 (1)

Zaak C‑283/09

Artur Weryński

tegen

Mediatel 4B Spółka

(Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy Śródmieścia, Polen)

„Samenwerking tussen gerechten van lidstaten op gebied van bewijsverkrijging – Verordening (EG) nr. 1206/2001 – Grensoverschrijdende bewijsverkrijging – Getuigenverhoor door aangezocht gerecht – Getuigenvergoeding – Verplichting om voorschot te betalen”





I –    Inleiding

1.        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken.(2) De kern van het probleem betreft de vraag of het aangezochte gerecht het verhoor van een getuige afhankelijk mag stellen van de betaling van een getuigenvergoeding door het verzoekende gerecht. Allereerst moet echter worden uitgemaakt of het verzoek ontvankelijk is, aangezien de verwijzende rechter op het tijdstip van indiening hiervan mogelijk niet verwijzingsbevoegd was.

II – Rechtskader

A –    Unierecht

2.        In punt 16 van de considerans van verordening nr. 1206/2001 wordt verklaard:

„De uitvoering van het verzoek overeenkomstig artikel 10 moet geen aanleiding geven tot terugbetaling van rechten of kosten. Indien het aangezochte gerecht evenwel om terugbetaling verzoekt, dienen de vergoedingen betaald aan deskundigen en tolken, alsmede de door de toepassing van artikel 10, leden 3 en 4, veroorzaakte kosten, niet door dat gerecht gedragen te worden. In een dergelijk geval dient het verzoekende gerecht de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de terugbetaling onverwijld geschiedt. Wanneer het advies van een deskundige wordt vereist, kan het aangezochte gerecht, vóór de uitvoering van het verzoek, het verzoekende gerecht verzoeken om een passend deposito of voorschot voor de gevraagde kosten.”

3.        Artikel 10 van de verordening, dat algemene bepalingen bevat betreffende de uitvoering van het verzoek, bepaalt:

„1.      Het aangezochte gerecht voert het verzoek onverwijld en uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van het verzoek uit.

2.      Het aangezochte gerecht voert het verzoek uit overeenkomstig zijn nationale wet.

[...]”

4.        Artikel 14 van de verordening luidt als volgt:

„1.      Een verzoek om een persoon te verhoren wordt niet uitgevoerd indien de betrokken persoon zich beroept op een recht van verschoning of een verbod om een verklaring af te leggen gegrond op:

a)      de wet van de lidstaat van het aangezochte gerecht; of

b)      de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht, en het verschoningsrecht of het verbod is vermeld in het verzoek of, eventueel, op verzoek van het aangezochte gerecht is bevestigd door het verzoekende gerecht.

2.      Afgezien van de in lid 1 genoemde gronden kan de uitvoering van een verzoek niet worden geweigerd dan indien:

[...]

d)      een deposito of voorschot waarom overeenkomstig artikel 18, lid 3, is verzocht niet is gestort binnen 60 dagen nadat het aangezochte gerecht daarom heeft verzocht.

[...]”

5.        Artikel 18 van de verordening luidt als volgt:

„1.      De uitvoering van het verzoek overeenkomstig artikel 10 geeft geen aanleiding tot terugbetaling van rechten of kosten.

2.      Indien het aangezochte gerecht evenwel om terugbetaling verzoekt, zorgt het verzoekende gerecht voor de onverwijlde terugbetaling van:

–        de vergoedingen die betaald zijn aan deskundigen en tolken; en

–        de kosten die veroorzaakt zijn door de toepassing van artikel 10, leden 3 en 4.

De wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht bepaalt wie verplicht is de vergoeding of kosten te dragen.

3.      Wanneer het advies van een deskundige wordt vereist, kan het aangezochte gerecht, vóór de uitvoering van het verzoek, het verzoekende gerecht verzoeken om een passend deposito of voorschot voor de gevraagde kosten. In alle andere gevallen vormt een deposito of voorschot geen voorwaarde voor de uitvoering van een verzoek.

Partijen storten een deposito of voorschot indien de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht dat bepaalt.”

B –    Internationale verdragen

6.        Het Verdrag van ’s-Gravenhage van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken (hierna: „HBV”) gold niet tussen alle lidstaten van de Europese Unie. Met verordening nr. 1206/2001 werd beoogd een regeling in te voeren die voor alle lidstaten geldt(3) en die in zoverre het HBV, waarnaar wordt verwezen in punt 6 van de considerans van de verordening, vervangt.

7.        In artikel 14 van het HBV wordt bepaald:

„De uitvoering van de rogatoire commissie kan niet leiden tot terugbetaling van rechten of kosten van welke aard ook.

Evenwel heeft de aangezochte staat het recht van de verzoekende staat de terugbetaling te verlangen van vergoedingen welke zijn betaald aan deskundigen en tolken, alsmede van de kosten welke zijn veroorzaakt door de toepassing van een bijzondere vorm welke door de verzoekende staat verzocht is overeenkomstig het tweede lid van artikel 9.

De aangezochte autoriteit welker wet het aan partijen overlaat de bewijzen te verzamelen en die niet in staat is zelf de rogatoire commissie uit te voeren, kan een daartoe geschikte persoon daarmede belasten na daartoe toestemming te hebben verkregen van de verzoekende autoriteit. Bij het verzoek tot een zodanige toestemming vermeldt de aangezochte autoriteit bij benadering de uit deze procedure voortvloeiende kosten. De toestemming brengt voor de verzoekende autoriteit de verplichting mee, die kosten terug te betalen. Is er geen toestemming verleend, dan kan de verzoekende autoriteit niet voor die kosten worden aangesproken.”

8.        Artikel 26 van het HBV bepaalt:

„Elke verdragsluitende staat kan, indien hij daartoe op staatsrechtelijke gronden is gehouden, van de verzoekende staat de terugbetaling verlangen van de kosten van de uitvoering van de rogatoire commissie wat betreft de betekening of de oproep te verschijnen, de schadeloosstellingen verschuldigd aan de persoon die de getuigenverklaring heeft afgelegd en de opstelling van het proces-verbaal van de onderzoekshandeling.

Indien een staat gebruik heeft gemaakt van de bepalingen van het vorige lid, kan elke andere verdragsluitende staat deze staat verzoeken zodanige kosten terug te betalen.”

III – Feiten en prejudiciële vraag

9.        Het verzoek om een prejudiciële beslissing vloeit voort uit een geding tussen Artur Weryński en Mediatel 4B spółka z o.o. ter zake van een schadevergoeding uit hoofde van een concurrentiebeding. In het kader van die procedure heeft de Poolse Sąd Rejonowy dla Warszawy Śródmieścia (de verwijzende rechter) de Ierse Dublin Metropolitan District Court op grondslag van verordening nr. 1206/2001 op 6 januari 2009 verzocht een getuige te verhoren. Het aangezochte gerecht stelde dit getuigenverhoor evenwel afhankelijk van de betaling van een voorschot ter hoogte van 40 EUR op de krachtens Iers recht aan de getuige te betalen onkostenvergoeding en verzocht het Poolse gerecht bij schrijven van 12 januari 2009 om dit bedrag te betalen.

10.      Daarop heeft de verwijzende rechter, bij beschikking van 17 juli 2009, besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om opheldering over de volgende vraag:

„Mag het aangezochte gerecht op grond van verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad [...] betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, van het verzoekende gerecht een voorschot op de getuigenvergoeding of de terugbetaling van de aan een verhoorde getuige betaalde vergoeding verlangen, of dient het die vergoeding uit eigen middelen te betalen?”

11.      In de procedure voor het Hof hebben de Ierse en de Poolse regering alsmede de Commissie schriftelijke en mondelinge opmerkingen gemaakt. Verder hebben de Duitse, de Finse en de Tsjechische regering aan de schriftelijke behandeling deelgenomen.

IV – Juridische beoordeling

A –    Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

12.      Eerst moet worden vastgesteld of het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.

1.      Bevoegdheid van het Hof

13.      Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft verordening nr. 1206/2001, die is vastgesteld op grondslag van de artikelen 61, sub c, EG en 67, lid 1, EG, welke bepalingen deel uitmaken van titel IV van het derde deel van het EG-Verdrag (Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen, waaronder justitiële samenwerking in burgerlijke zaken). Ingevolge artikel 68, lid 1, EG zijn met betrekking tot handelingen die op die titel gebaseerd zijn, slechts de rechterlijke instanties waarvan de beslissingen naar nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, bevoegd tot prejudiciële verwijzing. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is artikel 68 EG komen te vervallen, zodat deze beperking van de verwijzingsbevoegdheid thans niet meer bestaat.(4)

14.      Het verzoek is op 23 juli 2009, dus vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, ingekomen bij het Hof. Ingevolge het op dat moment geldende artikel 68 EG moet dus worden nagegaan of de verwijzende rechter een rechterlijke instantie is die in laatste aanleg oordeelt.

15.      Bij de Sąd Rejonowy dla Warszawy Śródmieścia (rechtbank van eerste aanleg) gaat het om een rechter die in eerste aanleg oordeelt en waarvan de beslissingen vatbaar zijn voor hoger beroep bij de Sąd Okręgowy (arrondissementsrechtbank). De kwalificatie als rechterlijke instantie in laatste aanleg berust evenwel in het kader van artikel 68, lid 1, EG, net als bij artikel 234, derde alinea, EG, op een concrete beoordeling: ook lagere rechters waarvan de beslissingen in het concrete geding niet meer vatbaar zijn voor hoger beroep vormen rechterlijke instanties in laatste aanleg in de zin van die bepaling.(5)

16.      Zoals ik reeds in mijn conclusie in de zaak Tedesco heb gesteld, moet bovendien met name in samenhang met verordening nr. 1206/2001 worden bedacht, dat het vaststellen van feiten typisch een taak is van lagere rechters, en niet van rechterlijke instanties in laatste aanleg.(6) Om de uitlegging door het Hof van verordening nr. 1206/2001 al mogelijk te maken, mag het begrip rechterlijke instantie in laatste aanleg in de zin van artikel 68, lid 1, EG dus niet te eng worden uitgelegd. Inzonderheid is het niet toegestaan enkel de hoogste rechterlijke instanties als bevoegd tot prejudiciële verwijzing aan te merken.

17.      De Poolse regering heeft betoogd dat het Poolse recht met betrekking tot de beslissing van de verwijzende rechter inzake de vraag wie de kosten draagt voor het getuigenverhoor, geen hoger beroep kent.

18.      Echter, niet elke procedurele maatregel die een gerecht bij niet voor beroep vatbare beslissing treft, maakt dit gerecht tot een rechterlijke instantie in laatste aanleg in de zin van artikel 68, lid 1, EG. De niet voor beroep vatbare tussenbeslissing moet veeleer een zelfstandige procedure of een afzonderlijke fase van de procedure afsluiten, en de prejudiciële vraag moet betrekking hebben op deze procedure respectievelijk op deze fase van de procedure.(7)

19.      De vraag rijst of de in casu relevante beslissingen van de verwijzende rechter ter zake van het getuigenverhoor, respectievelijk de in verband hiermee te dragen kosten, aan dit criterium inzake de fase van de procedure beantwoorden.

20.      Uiteindelijk kan echter in het midden worden gelaten of de verwijzende rechter kan worden gekwalificeerd als een rechterlijke instantie die in laatste aanleg oordeelt en dus reeds krachtens artikel 68, lid 1, EG verwijzingsbevoegd was. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is het verzoek om een prejudiciële beslissing immers in ieder geval achteraf ontvankelijk geworden.

21.      Met het Verdrag van Lissabon is de oude verwijzingsbeperking van artikel 68, lid 1, EG volledig komen te vervallen. Voor verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van handelingen op het gebied van visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen, en derhalve ook van verordening nr. 1206/2001, geldt thans de algemene regeling van verzoeken om een prejudiciële beslissing overeenkomstig artikel 267 VWEU. Bijgevolg zijn ook op dat gebied de lagere rechters verwijzingsbevoegd.

22.      Hoewel het Verdrag van Lissabon pas na de indiening bij het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing in werking is getreden, is de in het Verdrag neergelegde juridische regeling van de werking van de Europese Unie op het onderhavige verzoek ook ratione temporis van toepassing. Voor de vraag naar de verwijzingsbevoegdheid dient namelijk niet het tijdstip van indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing beslissend te zijn, maar het tijdstip waarop op dat verzoek wordt beslist.

23.      Volgens vaste rechtspraak worden procedureregels geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen, in tegenstelling tot materiële regels, die in de regel niet van toepassing zijn op vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties.(8) Of die rechtspraak van toepassing is op de bepalingen inzake de verwijzingsbevoegdheid van nationale rechters, kan in het midden blijven. Uit de ratio van de oorspronkelijke beperking van de verwijzingsbevoegdheid in artikel 68 EG volgt immers in ieder geval dat een oorspronkelijk niet-ontvankelijk verzoek achteraf als ontvankelijk moet worden behandeld. Met de beperking wilde men enerzijds het Hof behoeden voor mogelijke overbelasting als gevolg van een onoverzienbare hoeveelheid verzoeken om een prejudiciële beslissing(9) en anderzijds voorkomen dat verzoeken van lagere rechters om een prejudiciële beslissing de nationale procedures onnodig vertragen.

24.      Het wegvallen van de beperking van de verwijzingsbevoegdheid als gevolg van het Verdrag van Lissabon toont aan dat de lidstaten deze gevaren niet meer zien, en integendeel juist de mogelijkheid hebben willen creëren om, net als in de andere gevallen van prejudiciële procedures, ook bij procedures op het gebied van de toenmalige titel IV van het EG-Verdrag de mogelijkheid van prejudiciële verwijzing open te stellen voor alle rechterlijke instanties. Om procedurele vertragingen in zaken op dit gebied, die worden gekenmerkt door een bijzondere spoedeisendheid, te vermijden, werd ten slotte in 2008 de nieuwe prejudiciële spoedprocedure ingevoerd.(10) Deze gewijzigde inschatting pleit ervoor om een vóór de inwerkingtreding ingediend prejudicieel verzoek, waarop echter nog niet is beslist, als ontvankelijk aan te merken.

25.      Ten slotte pleiten ook doelmatigheidsoverwegingen en het beginsel van proceseconomie ervoor om verzoeken om een prejudiciële beslissing afkomstig van lagere rechters die in het kader van de overgangsperiode kort voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn ingediend en door het Hof pas na die inwerkingtreding worden behandeld, als ontvankelijk aan te merken. Een niet-ontvankelijkverklaring zou erop uitlopen dat het inmiddels verwijzingsbevoegde gerecht dezelfde prejudiciële vraag nogmaals indient(11), hetgeen tot aanzienlijke extra administratieve lasten en een onnodige verlenging van de duur van de procedure in het hoofdgeding zou leiden.

26.      Bijgevolg is de verwijzende rechter bevoegd tot indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing.

2.      Relevantie van de prejudiciële vraag

27.      Hierna dient te worden onderzocht of de door de verwijzende rechter voorgelegde vragen relevant zijn.

28.      Volgens vaste rechtspraak inzake artikel 234 EG, die ook geldt voor artikel 267 VWEU, is het in het kader van de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, en is het Hof, wanneer de gestelde prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.(12) Er geldt derhalve een vermoeden van relevantie(13) ten gunste van de door de nationale rechters voorgelegde prejudiciële vragen.

29.      Dit vermoeden kan evenwel in uitzonderingsgevallen worden weerlegd, namelijk wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van de in die vragen genoemde bepalingen van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van louter hypothetische aard is of wanneer het Hof niet over de nodige feitelijke of juridische gegevens beschikt om een nuttig antwoord op de hem gestelde vragen te kunnen geven. Behoudens deze uitzonderingen is het Hof in beginsel verplicht om de aan hem voorgelegde prejudiciële vragen betreffende de uitlegging van handelingen te beantwoorden.(14)

30.      De verwijzende rechter wenst met zijn prejudiciële vraag te vernemen of het aangezochte gerecht, de Ierse Metropolitan District Court dus, voor het getuigenverhoor een voorschot, respectievelijk terugbetaling mag verlangen, dan wel of het aangezochte gerecht integendeel verplicht is deze onkosten zelf te dragen.

31.      Bij deze formulering heeft de prejudiciële vraag alleen betrekking op handelingen en verplichtingen van het aangezochte gerecht. Een antwoord op die vraag houdt dus niet direct verband met de verwijzende rechter. Indien er twijfel bestaat over de verplichtingen van het aangezochte gerecht, dan staat het aan dat gerecht om eventueel het Hof te verzoeken om uitlegging van verordening nr. 1206/2001. Wanneer men zich strikt houdt aan de formulering van de vraag, dan zou deze vraag dus niet relevant zijn voor het geding waarin de verwijzende rechter uitspraak moet doen.

32.      Voor het verwijzende gerecht draait het echter in wezen om de vraag in hoeverre het zelf verplicht is tot betaling van een dergelijk voorschot, respectievelijk tot terugbetaling van kosten. Het gaat dus niet slechts om een vraagstelling die verband houdt met de rechten en verplichtingen van een ander gerecht. De rechten en verplichtingen van het aangezochte gerecht, die het voorwerp vormen van de prejudiciële vraag, stemmen integendeel direct overeen met die van het verwijzende, verzoekende gerecht. Daarom lijkt het mij zinvol de prejudiciële vraag in overeenstemming hiermee aldus te herformuleren dat daarmee wordt gevraagd of het verzoekende gerecht verplicht is om aan het aangezochte gerecht een voorschot te betalen, respectievelijk de kosten van dat gerecht achteraf terug te betalen.

33.      Ook wanneer de prejudiciële vraag in die zin wordt geherformuleerd, rijst evenwel de vraag naar de relevantie van de uitlegging van verordening nr. 1206/2001 in dit concrete geval. Een eventuele verplichting om de kosten van getuigen terug te betalen heeft immers op zich enkel betrekking op de verhouding tussen het aangezochte en het verzoekende gerecht. Zij heeft geen directe invloed op de uitkomst van het hoofdgeding, waarin het gaat om een recht op schadevergoeding.

34.      Ook de Commissie heeft erop gewezen dat de prejudiciële vraag op het eerste gezicht niet-ontvankelijk lijkt, aangezien die vraag enkel de samenwerking tussen de gerechten betreft, en dus betrekking heeft op de administratieve werkzaamheden van de verwijzende rechter, en niet op diens rechtsprekende functie.

35.      In ieder geval voor zover het gaat om de vraag of het verzoekende gerecht verplicht is tot betaling van een voorschot op de getuigenvergoeding, opdat het aangezochte gerecht deze getuigenondervraging verricht, moet de relevantie van deze vraag evenwel worden bevestigd. Wanneer het aangezochte Ierse gerecht de getuigenondervraging namelijk afhankelijk stelt van de betaling van een voorschot, dan bestaat er voor het verzoekende Poolse gerecht enkel nog de mogelijkheid om ofwel af te zien van de bewijsgaring, ofwel een voorschot op de kosten te betalen, waartoe dat gerecht mogelijkerwijze op grond van verordening nr. 1206/2001 niet is verplicht. Wanneer het geen voorschot betaalt, en de getuige vervolgens niet wordt verhoord, dan kan dit rechtstreeks van invloed zijn op de beslissing in het hoofdgeding in de zaak. Het gerecht kan dan immers – bijvoorbeeld bij gebrek aan overige bewijsmiddelen – een beslissing inzake de bewijslast nemen ten nadele van de partij door wie de buitenlandse getuige was aangewezen.

36.      Moeilijker te beoordelen is de relevantie van de vraag betreffende de terugbetaling achteraf van de kosten van getuigen. In die situatie heeft het aangezochte gerecht het getuigenverhoor immers verricht, en kan het verzoekende gerecht zijn beslissing in het hoofdgeding hierop baseren. De vraag naar de terugbetaling van de kosten zal echter toch rijzen, en wel wanneer moet worden beslist omtrent de kosten van het hoofdgeding, zodat die vraag in ieder geval niet kennelijk zonder belang is voor de afdoening van dat geding. Voorts zij er nogmaals aan herinnerd dat de meeste vragen inzake de uitlegging van verordening nr. 1206/2001, die betrekking heeft op de bewijsverkrijging, slechts indirect betrekking zullen hebben op het hoofdgeding. Wanneer men te hoge eisen zou stellen aan de relevantie, dan zou een uitlegging van de verordening door middel van een prejudicieel verzoek in veel gevallen worden belemmerd.

37.      Ter terechtzitting voor het Hof bleef onduidelijk of de verwijzende rechter de door het Ierse gerecht verlangde getuigenvergoeding mogelijkerwijs reeds had voldaan. De verwijzende rechter heeft hierover geen toelichting gegeven. Ook na betaling(15) zou de vraag echter niet kennelijk irrelevant zijn. Indien de betaling in strijd is met verordening nr. 1206/2001, dan zou de vraag rijzen van de terugbetaling aan het verzoekende gerecht. Bovendien zou in het kader van de beslissing omtrent de kosten nog steeds de vraag van de rechtmatigheid van de vordering van de kosten door het aangezochte gerecht relevant zijn.

38.      Mijns inziens is de vraag derhalve zowel met het oog op de voorschotverplichting als met betrekking tot de terugbetalingsverplichting van het verzoekende gerecht, relevant en dus ontvankelijk.

B –    Beantwoording van de prejudiciële vraag

39.      Het Poolse gerecht wenst met zijn prejudiciële vraag in wezen te vernemen of het verplicht is om de vergoeding van de door het aangezochte gerecht verhoorde getuige te dragen, hetzij in de vorm van een voorschot, hetzij in de vorm van terugbetaling achteraf.

40.      Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de in geding zijnde situatie overeenkomstig artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1206/2001 binnen de werkingssfeer van die verordening valt. Een gerecht van een lidstaat verzoekt hier immers in een burgerrechtelijke zaak het bevoegde gerecht van een andere lidstaat om een bewijsverkrijging. Het verhoren van een getuige is in artikel 4, lid 1, sub e, uitdrukkelijk als voorwerp van een verzoek vermeld.

41.      Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de verordening voert het aangezochte gerecht het verzoek uit overeenkomstig zijn nationale wet. Naar Iers recht is een getuige slechts verplicht om voor de rechter te verschijnen wanneer hem van tevoren een onkostenvergoeding is betaald (bijvoorbeeld voor zijn reiskosten). Alle partijen zijn het erover eens dat een getuige een hem toekomende vergoeding niet kan worden geweigerd. Onduidelijk is slechts, of die moet worden betaald door het verzoekende gerecht.

1.      Voorschot op getuigenvergoedingen

42.      Hierna dient allereerst te worden onderzocht of het verzoekende gerecht kan worden verplicht tot betaling van een voorschot op de getuigenvergoeding aan het aangezochte gerecht, opdat laatstgenoemd gerecht het getuigenverhoor verricht, met andere woorden, of het aangezochte gerecht een getuigenverhoor net zolang kan weigeren totdat het verzoekende gerecht een voorschot op de getuigenvergoeding heeft betaald.

43.      De Ierse regering is van mening dat het – aangezien de uitvoering van het verzoek wordt beheerst door het Ierse recht – verenigbaar is met de verordening om het verrichten van het getuigenverhoor afhankelijk te stellen van de voorafgaande betaling van een getuigenvergoeding door het verzoekende gerecht. Naar Iers recht is de getuige namelijk enkel verplicht een verklaring af te leggen wanneer hem van tevoren een vergoeding is betaald.

44.      De gronden voor weigering van een verzoek zijn te vinden in artikel 14 van verordening nr. 1206/2001. Het eerste lid van dat artikel betreft de weigering om een verzoek uit te voeren in het geval waarin de betrokken persoon een recht van verschoning heeft of het hem verboden is een verklaring af te leggen. In het tweede lid worden nog andere redenen genoemd op grond waarvan uitvoering van een verzoek kan worden geweigerd. Sub d wordt het geval genoemd waarin geen deposito of voorschot, waarom overeenkomstig artikel 18, lid 3, van de verordening is verzocht, is gestort. Krachtens die bepaling mag een voorschot worden verlangd voor het advies van een deskundige. In het vorderen van een voorschot ter zake van een getuigenverhoor wordt daarin niet voorzien.

45.      Dat de uitvoering van een verzoek afhankelijk wordt gesteld van de betaling van een getuigenvergoeding, zou dus slechts dan niet in strijd zijn met artikel 14 van de verordening, wanneer de daar genoemde gronden voor weigering niet limitatief, doch slechts enuntiatief zouden zijn opgesomd. Tegen een dergelijk normbegrip pleit echter reeds de formulering van artikel 14, lid 2. Daarin wordt namelijk bepaald dat de uitvoering van een verzoek, afgezien van de in lid 1 genoemde gronden, „niet kan worden geweigerd dan indien [...]”.(16) Ten slotte wordt ook in punt 11 van de considerans van de verordening beklemtoond dat – met het oog op de doeltreffendheid van deze verordening – de mogelijkheid om een verzoek te weigeren, beperkt blijft tot strikt begrensde, buitengewone gevallen. Hieruit volgt dat de gronden voor een weigering van een verzoek in artikel 14 limitatief zijn opgesomd.

46.      Het aangezochte gerecht mag derhalve de uitvoering van een getuigenverhoor niet afhankelijk stellen van de voorafgaande betaling van een voorschot op de getuigenvergoeding. Het verzoekende gerecht is dan ook niet verplicht een dergelijk voorschot te betalen.

2.      Terugbetaling van getuigenvergoedingen

47.      Voorts moet worden nagegaan of het aangezochte gerecht mag verlangen dat het verzoekende gerecht de getuigenvergoeding achteraf terugbetaalt.

48.      Artikel 18, lid 1, van de verordening bepaalt dat de uitvoering van een verzoek geen aanleiding geeft tot terugbetaling van rechten of kosten. Beslissend is derhalve of ook getuigenvergoedingen als rechten en kosten in de zin van die bepaling moeten worden gekwalificeerd.

49.      Het aangezochte gerecht en de Ierse regering wijzen erop dat overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de verordening het aangezochte gerecht het verzoek uitvoert overeenkomstig zijn nationale wet. Naar Iers recht zijn getuigen slechts verplicht om voor de rechter te verschijnen wanneer zij van tevoren een vergoeding hadden ontvangen voor hun onkosten. Voor de betaling van deze vergoeding is niet het gerecht verantwoordelijk, maar de partij door wie de getuige is aangewezen. Het gaat daarbij niet om gerechtskosten, en het gerecht is niet voor de betaling ervan verantwoordelijk. Dit is in overeenstemming met het contradictoire karakter van de Ierse civiele procedure.

50.      Volgens de Ierse regering heeft artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1206/2001 uitsluitend betrekking op administratieve kosten, dat wil zeggen kosten die het gerecht in rekening brengt voor zijn werkzaamheden. Onkosten van getuigen vallen daar niet onder, aangezien het daarbij gaat om kosten die, althans volgens Iers recht, door partijen moeten worden gedragen en die geen administratieve kosten zijn. Aangezien onkosten van getuigen van meet af aan niet onder artikel 18, lid 1, vallen, staat verordening nr. 1206/2001 er niet aan in de weg dat het aangezochte gerecht de onkosten van getuigen verhaalt. Die kosten moeten dan hetzij door het verzoekende gerecht, hetzij door een van de partijen in het hoofdgeding worden gedragen.

51.      Om te beginnen dient te worden gepreciseerd dat de betekenis van het begrip „kosten” unierechtelijk op autonome wijze moet worden bepaald en niet telkens van het nationale recht kan afhangen. Indien het kostenvraagstuk steeds zou afhangen van het nationale kostenbegrip, dan zou dit in strijd zijn met de geest en het doel van de verordening, die een snelle en ongecompliceerde uitvoering van bewijsverzoeken tot doel heeft.

52.      Mijns inziens vallen onder de begrippen „rechten” en „kosten” in de zin van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1206/2001 ook vergoedingen die worden betaald aan een door het aangezochte gerecht verhoorde getuige.

53.      Daarvoor pleit enerzijds de formulering van de bepaling. In artikel 18, lid 1, wordt gesproken van „rechten” en „kosten”. Onder „rechten” moeten de door het gerecht voor zijn werkzaamheden in rekening gebrachte kosten worden verstaan, de door de Ierse regering genoemde institutionele kosten dus, terwijl met „kosten” die bedragen worden bedoeld die het gerecht tijdens de procedure aan derden besteedt, bijvoorbeeld aan deskundigen of getuigen. Ook de andere taalversies bevatten geen aanwijzingen waaruit blijkt dat de getuigenvergoeding niet onder artikel 18, lid 1, zou vallen(17), aangezien die vergoeding eveneens onder de daarin gehanteerde begrippen kan worden gebracht.

54.      Tegen de opvatting van de Ierse regering pleit ook de systematische uitlegging. Indien artikel 18, lid 1, inderdaad enkel betrekking zou hebben op institutionele kosten, dan was het niet noodzakelijk om, als uitzondering op dit beginsel, in artikel 18, lid 2, te voorzien in terugbetaling van de kosten van deskundigen, die ook niet-institutionele kosten zijn in de betekenis die de Ierse regering hieraan geeft. Die vallen dan juist van meet af aan niet onder de kosten in de zin van artikel 18, lid 1, van de verordening.

55.      Voor een ruime opvatting van het begrip „kosten” in de zin van artikel 18, lid 1, die ertoe leidt dat hieronder ook getuigenvergoedingen worden begrepen, pleiten ook de geest en het doel van de verordening.

56.      Het doel van verordening nr. 1206/2001 is, blijkens de considerans(18) ervan, een eenvoudige, efficiënte en snelle afwikkeling van grensoverschrijdende bewijsverkrijgingen. De bewijsverkrijging in een andere lidstaat mag niet tot een vertraging van nationale procedures leiden, om welke reden met verordening nr. 1206/2001 een voor alle lidstaten(19) bindende regeling in het leven is geroepen waarmee hindernissen die op dit gebied kunnen ontstaan, uit de weg kunnen worden geruimd.

57.      Voorschot- en terugbetalingsverplichtingen voor getuigenvergoedingen verzwaren en vertragen een grensoverschrijdende bewijsverkrijging. Aan de andere kant vormen zij ook een financiële belasting voor de aangezochte lidstaat. Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat elke lidstaat nu eens de aangezochte, dan weer de verzoekende lidstaat kan zijn, zodat de opgekomen kosten zichzelf uiteindelijk neutraliseren, iets waarop ook de Finse regering heeft gewezen. Natuurlijk gaat het daarbij niet om exact compenserende bedragen. Een dergelijke compensatie wordt echter ook helemaal niet beoogd. Veeleer wordt met het oog op de doelstellingen van de verordening op de koop toe genomen dat een financiële onevenwichtigheid kan ontstaan. Om bovenmatige nadelen te vermijden, worden derhalve bijzonder hoge kosten, zoals die voor deskundigen en tolken, uitdrukkelijk geacht voor terugbetaling in aanmerking te komen.

58.      Een vergoedingsverplichting voor de verwijzende rechter kan dus enkel ontstaan wanneer een van de uitzonderingen van artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1206/2001 van toepassing is.

59.      In dat artikel is bepaald dat de kosten van deskundigen en tolken, alsmede van de uitgaven die zijn ontstaan door toepassing van artikel 10, leden 3 en 4, voor terugbetaling in aanmerking komen. Artikel 10, leden 3 en 4, heeft betrekking op de situatie waarin het verzoek op aanvraag van het verzoekende gerecht in een bepaalde vorm wordt uitgevoerd. Lid 4 regelt de bewijsverkrijging met gebruikmaking van communicatietechnologie. Getuigenvergoedingen worden daarin niet genoemd. Een verplichting om getuigenvergoedingen terug te betalen is derhalve slechts dan verenigbaar met de verordening, indien deze opsomming van uitzonderingen op de vrijheid van terugbetaling in lid 2 slechts enuntiatief is. Daartegen pleiten de geest en het doel van de verordening. Die moet grensoverschrijdende bewijsverkrijgingen vereenvoudigen en bespoedigen. De uitzonderingen in het tweede lid dienen dan ook als limitatief te worden gekwalificeerd.

60.      Tot slot pleit ook de ontstaansgeschiedenis van de verordening ervoor dat getuigenvergoedingen niet voor terugbetaling in aanmerking komen. Blijkens punt 6 van de considerans en artikel 21, lid 1, van verordening nr. 1206/2001 moet die verordening het Verdrag van ’s-Gravenhage van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken (HBV) vervangen, om welke reden voor de uitlegging ook kan worden teruggegrepen op de toepasselijke bepalingen van het HBV.

61.      Artikel 18 van de verordening komt inhoudelijk overeen met artikel 14 van het HBV. In het eerste lid daarvan wordt bepaald dat de uitvoering van de rogatoire commissie niet kan leiden tot terugbetaling van rechten of kosten. Artikel 14, tweede alinea, HBV geeft de aangezochte staat enkel het recht om van de verzoekende staat de terugbetaling te verlangen van vergoedingen welke zijn betaald aan deskundigen en tolken, alsmede van de kosten welke zijn veroorzaakt door de toepassing van een bijzondere vorm welke door de verzoekende staat verzocht is overeenkomstig het tweede lid van artikel 9.(20) In het Haags Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954 werd nog uitdrukkelijk bepaald(21) dat getuigenvergoedingen in beginsel moesten worden terugbetaald. Uit de toelichting bij het HBV blijkt dat het aantal gevallen waarin kosten voor terugbetaling in aanmerking komen, ten opzichte van het Verdrag van 1954 bewust moest worden verminderd, om welke reden de terugbetaling van getuigenonkosten – juist ook met het oog op de doorgaans lage bedragen ervan – bewust is komen te vervallen.(22) Enkel het staatsrechtelijke voorbehoud werd opgenomen in artikel 26 HBV, krachtens hetwelk een verdragsluitende staat onder meer de terugbetaling van de kosten die bij de uitvoering van een verzoek zijn opgekomen door de schadeloosstelling van de persoon die de getuigenverklaring heeft afgelegd, enkel kan verlangen van de verzoekende staat indien hij daartoe op staatsrechtelijke gronden is gehouden.

62.      Het feit dat verordening nr. 1206/2001 de formulering van artikel 14 HBV heeft overgenomen, zonder evenwel de staatsrechtelijke uitzondering van artikel 26 HBV op te nemen, pleit ervoor dat getuigenvergoedingen in beginsel niet voor terugbetaling in aanmerking zouden moeten komen. Getuigenvergoedingen hoeven derhalve overeenkomstig artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1206/2001 in beginsel niet te worden terugbetaald.

63.      Het laatste aspect van de vraag van de verwijzende rechter, namelijk de kwestie of het aangezochte gerecht de vergoeding uiteindelijk uit eigen middelen dient te betalen, speelt voor de beantwoording van de prejudiciële vraag geen rol. Het verzoek wordt volgens artikel 10, lid 2, uitgevoerd overeenkomstig de nationale wet. Die wet regelt ook de vraag hoe en door wie de getuigen worden vergoed. Aangezien deze vraag alleen een samenvatting vormt van de eerste twee onderdelen van de prejudiciële vraag, hoeft het Hof hierop niet afzonderlijk te antwoorden.

V –    Conclusie

64.      Dientengevolge geef ik in overweging de prejudiciële vraag van de Sąd Rejonowy als volgt te beantwoorden:

„Artikel 14 en artikel 18 van verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, moeten aldus worden uitgelegd dat het verzoekende gerecht niet verplicht is om het aangezochte gerecht een voorschot te betalen op de getuigenvergoeding, noch om de aan de verhoorde getuige betaalde vergoeding achteraf terug te betalen.”


1 – Oorspronkelijke taal: Duits.


2 – PB L 174, blz. 1 (hierna: „verordening nr. 1206/2001”). Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, gemeld dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze verordening (punt 21 van de considerans van verordening nr. 1206/2001).


3 – Met uitzondering van Denemarken, zie artikel 1, lid 3, van de verordening.


4 – Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Protocol nr. 36 bij het Verdrag van Lissabon (betreffende de overgangsbepalingen) blijven voor handelingen van de Unie op het gebied van politiële samenwerking en de justitiële samenwerking in strafzaken die voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn vastgesteld, als overgangsmaatregel de beperkte bevoegdheden van het Hof van Justitie bestaan. Overeenkomstig artikel 10, lid 3, houdt deze overgangsmaatregel in ieder geval op effect te sorteren vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. Derhalve kan ook in de toekomst de in het onderhavige geval aan de orde zijnde vraag naar het achteraf wegvallen van de beperking van de verwijzingsbevoegdheid nogmaals rijzen.


5 – Zie mijn conclusie van 18 juli 2007, Tedesco (C‑175/06, Jurispr. blz. I‑7929, punten 21 e.v.), en arrest van 25 juni 2009, Roda Golf & Beach Resort (C‑14/08, Jurispr. blz. I‑5439, punt 29), alsmede de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo van 5 maart 2009 in deze zaak (punten 28 e.v.).


6 – Zie mijn conclusie in de zaak Tedesco (aangehaald in voetnoot 5, punt 22).


7 – Zie mijn conclusie in de zaak Tedesco (aangehaald in voetnoot 5, punt 26).


8 – Zie met name arresten van 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services (C‑293/04, Jurispr. blz. I‑2263, punt 21), en 28 juni 2007, Dell’Orto (C‑467/05, Jurispr. blz. I‑5557, punten 48 en 49).


9 – Zie in dit verband ook de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo in de zaak Roda Golf & Beach Resort (aangehaald in voetnoot 5, punten 22 e.v.).


10 – Besluit van de Raad van 20 december 2007 houdende wijziging van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie; Wijzigingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, die het Hof op 15 januari 2008 heeft vastgesteld (PB L 24 van 29 januari 2008, blz. 39).


11 – Zoals is gebeurd in de zaak Martinez, waarin het Hof zich bij beschikking van 20 november 2009 – dus vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon – vanwege de verwijzingsbeperking in artikel 68 EG onbevoegd heeft verklaard (C‑278/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie): de verwijzende rechter heeft het verzoek om een prejudiciële beslissing op 6 april 2010 opnieuw ingediend (C‑161/10).


12 – Zie met name arresten van 15 december 1995, Bosman (C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59), en 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C‑295/04–C‑298/04, Jurispr. blz. I‑6619, punt 26).


13 – Arresten van 16 juni 2005, Pupino (C‑105/03, Jurispr. blz. I‑5285, punt 30); 9 oktober 2008, Katz (C‑404/07, Jurispr. blz. I‑7607, punt 31), en 22 april 2010, Dimos Agiou Nikolaou (C‑82/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 15).


14 – Zie met name arrest Bosman (aangehaald in voetnoot 12, punt 61), en arrest van 10 januari 2006, IATA en ELFAA (C‑344/04, Jurispr. blz. I‑403, punt 24).


15 – Na de terechtzitting hebben de Ierse en de Poolse regering er in schriftelijke opmerkingen op gewezen dat de verwijzende rechter het voorschot op getuigenvergoeding ten bedrage van 40 EUR had betaald.


16 – Cursivering van mij.


17 – Zie bijvoorbeeld de Franse taalversie: „Frais”, respectievelijk „remboursement de taxes ou de frais”; de Spaanse taalversie: „Gastos” respectievelijk „abono de tasas o gastos”; de Engelse taalversie: „Costs” respectievelijk „reimbursement of taxes and costs”; de Zweedse taalversie: „Kostnader” respectievelijk „avgifter och kostnader” en de Italiaanse taalversie: „Spese” respectievelijk „rimborso di tasse o spese”.


18 – Zie bijvoorbeeld de punten 1, 2, 8, 10 en 11 van de considerans van de verordening.


19 – Met uitzondering van Denemarken, zie artikel 1, lid 3, van de verordening.


20 – Bovendien voorziet artikel 14, derde alinea, in nog een ander geval van overname van kosten. Volgens die bepaling kan een autoriteit die niet in staat is zelf de rogatoire commissie uit te voeren, een daartoe geschikte persoon daarmede belasten na daartoe toestemming te hebben verkregen van de verzoekende autoriteit. Bij het verzoek tot een zodanige toestemming vermeldt de aangezochte autoriteit bij benadering de uit deze procedure voortvloeiende kosten. De toestemming brengt voor de verzoekende autoriteit de verplichting mee, die kosten terug te betalen.


21 – Zie artikel 16 van het Haags Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954: „De uitvoering van rogatoire commissiën geeft geen aanleiding tot terugbetaling van heffingen of kosten van welke aard ook. Evenwel heeft, tenzij het tegendeel is overeengekomen, de aangezochte Staat het recht van de verzoekende Staat de terugbetaling te eisen van de schadeloosstellingen betaald aan getuigen of deskundigen, alsmede van de kosten veroorzaakt door de tussenkomst van de deurwaarder (officier ministériel), welke noodzakelijk is geweest, omdat de getuigen niet vrijwillig zijn verschenen, en eindelijk van de kosten voortspruitende uit eventuele toepassing van artikel 14, lid 2.”


22 – Zie het toelichtende rapport van Philip W. Amram, „Explanatory Report on the 1970 Hague Evidence Convention”, sub J, te raadplegen op: http://hcch.e-vision.nl/upload/expl20e.pdf.