Language of document : ECLI:EU:T:2018:602

Zaken T‑639/15 tot en met T‑666/15 en T‑94/16

Maria Psara e.a.

tegen

Europees Parlement

„Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Europees Parlement – Uitgave door de leden van het Europees Parlement van hun vergoedingen – Weigering van toegang – Niet-bestaande documenten – Persoonsgegevens – Verordening (EG) nr. 45/2001 – Noodzaak van de doorgifte van gegevens – Concreet en individueel onderzoek – Gedeeltelijke toegang – Buitensporige administratieve belasting – Motiveringsplicht”

Samenvatting – Arrest van het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) van 25 september 2018

1.      Instellingen van de Europese Unie – Recht van toegang van het publiek tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Weigering van toegang tot een document op grond dat het niet bestaat of dat de betrokken instelling het niet in haar bezit heeft – Verzoek om toegang tot documenten betreffende de uitgave door de leden van het Europees Parlement van hun vergoedingen van algemene onkosten – Documenten die het Parlement niet in zijn bezit heeft

(Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad; besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008, art. 25 en 26)

2.      Instellingen van de Europese Unie – Recht van toegang van het publiek tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Beperkingen van het beginsel van toegang tot documenten – Bestaan van de documenten waarop het verzoek om toegang betrekking heeft – Vermoeden dat deze documenten niet bestaan op grond dat de betrokken instelling dit verklaart – Louter vermoeden dat weerlegbaar is met relevante en onderling overeenstemmende bewijzen

(Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad)

3.      Instellingen van de Europese Unie – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens – Verordening nr. 45/2001 – Begrip „persoonsgegevens” – Documenten betreffende vergoedingen en onkosten betaald aan leden van het Europees Parlement – Daaronder begrepen – Persoonsgegevens gekoppeld aan andere, openbare gegevens – Geen invloed

[Verordening nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2, a)]

4.      Instellingen van de Europese Unie – Recht van toegang van het publiek tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Uitzonderingen op het recht van toegang tot documenten – Bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu – Omvang – Verplichting tot toetsing aan de Uniewetgeving betreffende de bescherming van persoonsgegevens – Volledige toepasselijkheid van de bepalingen van verordening nr. 45/2001 op elk verzoek om toegang tot documenten die persoonsgegevens bevatten

[Verordeningen van het Europees Parlement en de Raad nr. 45/2001 en nr. 1049/2001; art. 4, lid 1, b)]

5.      Instellingen van de Europese Unie – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens – Verordening nr. 45/2001 – Verzoek om toegang tot persoonsgegevens – Verplichting tot bewijs van de noodzaak van doorgifte van deze gegevens – Omvang – Verificatie door de betrokken instelling – Beoordelingscriteria – Beroep door de aanvrager op algemeen geformuleerde doelstellingen betreffende openheid – Afwijzing

[Verordeningen van het Europees Parlement en de Raad nr. 45/2001, art. 8, b), en nr. 1049/2001, art. 4, lid 1, b)]

6.      Instellingen van de Europese Unie – Recht van toegang van het publiek tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Uitzonderingen op het recht van toegang tot documenten – Weigering van toegang – Verplichting voor de instelling om een concreet en individueel onderzoek van de documenten te verrichten – Mogelijkheid om zich te baseren op algemene vermoedens die gelden voor bepaalde categorieën documenten – Grenzen

(Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4)

7.      Instellingen van de Europese Unie – Recht van toegang van het publiek tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Uitzonderingen op het recht van toegang tot documenten – Verplichting om gedeeltelijke toegang te verlenen tot gegevens die niet onder de uitzonderingen vallen – Geen verplichting in geval van een buitensporige administratieve last – Onleesbaar maken van persoonsgegevens in meer dan vier miljoen documenten – Weigering van gedeeltelijke toegang – Toelaatbaarheid

(Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4, lid 6)

8.      Instellingen van de Europese Unie – Recht van toegang van het publiek tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Uitzonderingen op het recht van toegang tot documenten – Weigering van toegang – Motiveringsplicht – Omvang – Noodzaak om te antwoorden op alle argumenten die in het confirmatief verzoek om toegang naar voren zijn gebracht – Geen

(Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4)

1.      Het in verordening nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie neergelegde recht van toegang van het publiek heeft enkel betrekking op documenten waarover de instellingen daadwerkelijk beschikken, aangezien dit recht zich niet kan uitstrekken tot documenten die niet in hun bezit zijn of die niet bestaan.

Met betrekking tot een verzoek om toegang tot documenten die aangeven hoe en wanneer leden van het Parlement van elke lidstaat hun algemene onkostenvergoedingen tijdens verschillende perioden hebben uitgegeven, volgt uit de artikelen 25 en 26 van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement dat de Parlementsleden na een aan het begin van hun mandaat ingediende aanvraag maandelijks een forfaitaire vergoeding ontvangen waarvan het bedrag trouwens bij het publiek bekend is. Gelet op het forfaitaire karakter van de algemene onkostenvergoedingen, beschikt het Europees Parlement over geen enkel document waarin het gebruik door zijn leden van de genoemde onkostenvergoedingen gedetailleerd, materieel of temporeel, wordt aangegeven. Bijgevolg beschikt het Europees Parlement niet over de betrokken gegevens en kon het derhalve de gevraagde documenten als zodanig niet openbaar maken.

(zie punten 27, 29‑31)

2.      Zie de tekst van de beslissing.

(zie punten 33‑35)

3.      De stukken in het bezit van het Parlement die betrekking hebben op vergoedingen van reiskosten en dagvergoedingen, die noodzakelijkerwijs elk betrokken lid van het Parlement identificeren, al was het maar met het oog op de betaling van deze vergoedingen, zijn documenten die informatie bevatten over identificeerbare natuurlijke personen in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Dat geldt eveneens voor de documenten waarover het Parlement beschikt met betrekking tot de kosten van parlementaire bijstand, die noodzakelijkerwijs elk betrokken lid van het Parlement en de respectieve begunstigden van die vergoedingen identificeren, al was het maar met het oog op de betaling van deze vergoedingen.

In dit verband kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de betrokken gegevens – in die zin dat deze ofwel tot de persoonlijke levenssfeer ofwel tot de openbare sfeer zouden behoren – aangezien het begrip „persoonsgegevens” in de zin van artikel 2, onder a), van verordening (EG) nr. 45/2001 en het begrip „gegevens betreffende de persoonlijke levenssfeer” niet samenvallen. De vraag of er een risico van aantasting van de legitieme belangen van leden van het Parlement bestaat, kan evenmin invloed hebben op de kwalificatie van de betrokken gegevens als persoonsgegevens. Ook het feit dat de betrokken persoonsgegevens nauw verband houden met openbare gegevens over die personen, met name omdat zij, inzonderheid wat de namen van de Parlementsleden betreft, op de website van het Parlement worden vermeld, impliceert geenszins dat die gegevens hun karakter van persoonsgegevens, in de zin van die bepaling, zouden hebben verloren. Met andere woorden, de kwalificatie van de betrokken gegevens als persoonsgegevens kan niet worden uitgesloten enkel en alleen op grond van het feit dat deze gegevens zijn gekoppeld aan andere gegevens, die openbaar zijn, en zulks ongeacht de vraag of de openbaarmaking van die gegevens de legitieme belangen van de betrokken personen zou aantasten.

(zie punten 46‑48, 50‑53)

4.      Zie de tekst van de beslissing.

(zie punten 65, 66)

5.      In de context van besluiten waarbij een instelling een verzoek om toegang tot informatie die persoonsgegevens bevat, afwijst op grond dat het valt onder de in artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bedoelde uitzondering ontleend aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, kunnen die gegevens enkel worden overgedragen indien – overeenkomstig artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, dat de lidstaten dienen na te leven wanneer zij een verzoek ontvangen om toegang tot documenten die persoonsgegevens bevatten – de ontvanger ervan de noodzaak van de doorgifte aantoont en er geen reden bestaat om aan te nemen dat die doorgifte de rechtmatige belangen van de betrokkene zou kunnen schaden.

Aldus blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001 dat deze bepaling de doorgifte van persoonsgegevens afhankelijk stelt van twee cumulatieve voorwaarden. Binnen die context staat het allereerst aan degene die om een dergelijke doorgifte verzoekt, aan te tonen dat deze noodzakelijk is. Indien dit is aangetoond, staat het vervolgens aan de betrokken instelling om na te gaan of er geen reden bestaat om aan te nemen dat de betrokken doorgifte de rechtmatige belangen van de betrokkene zou kunnen schaden. Derhalve vereist die bepaling van de instelling waarbij het verzoek is ingediend, dat deze, in eerste instantie, beoordeelt of de doorgifte van persoonsgegevens noodzakelijk, en dus evenredig is met het door de verzoeker nagestreefde doel, waarbij de vervulling van de in artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001 voorziene noodzakelijkheidsvoorwaarde – die strikt moet worden uitgelegd – inhoudt dat de verzoeker aantoont dat van alle denkbare maatregelen de doorgifte van persoonsgegevens de meest geschikte is om het door hem nagestreefde doel te bereiken, en dat deze doorgifte evenredig is aan dit doel, hetgeen betekent dat hij daartoe uitdrukkelijke en legitieme rechtvaardigingsgronden dient aan te voeren.

Wanneer voor het aantonen van de noodzaak van de doorgifte van de betrokken gegevens melding wordt gemaakt van verschillende doelstellingen, zoals het waarborgen van het recht van het publiek op informatie en openheid, die te ruim en algemeen zijn geformuleerd, kan de betrokken instelling niet worden verweten dat zij uit doelstellingen die zo ruim en algemeen zijn geformuleerd, niet impliciet het bewijs van de noodzaak van de doorgifte van die persoonsgegevens heeft afgeleid. Een tegengestelde beoordeling zou de instelling er in beginsel toe verplichten uit algemene overwegingen met betrekking tot het openbaar belang bij de openbaarmaking van persoonsgegevens, impliciet het bewijs van de noodzaak van de doorgifte van die gegevens af te leiden. Bovendien kan het streven naar het voeren van een openbaar debat niet volstaan om aan te tonen dat persoonsgegevens moeten worden doorgegeven, aangezien een dergelijk argument enkel verband houdt met het doel van het verzoek om toegang tot documenten. Het doel van openheid mag niet automatisch de voorrang krijgen op het recht op bescherming van persoonsgegevens.

(zie punten 69‑76, 90, 91)

6.      Zie de tekst van de beslissing.

(zie punten 102‑105)

7.      Er kan niet worden betwist dat het onleesbaar maken van alle persoonsgegevens in meer dan vier miljoen documenten een buitensporige administratieve last met zich zou brengen die de weigering van gedeeltelijke toegang tot de betrokken documenten krachtens artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie kan rechtvaardigen.

(zie punten 127, 129)

8.      In het geval van een besluit tot weigering van toegang tot documenten kan de betrokken instelling niet op geldige wijze worden verweten dat zij de motiveringsplicht heeft geschonden, op grond dat deze instelling niet alle door de verzoeker in het kader van zijn confirmatief verzoek om toegang aangevoerde argumenten heeft beantwoord. De motiveringsplicht brengt immers niet mee dat de betrokken instelling elk van de argumenten die zijn aangevoerd in de procedure voorafgaand aan de vaststelling van het bestreden eindbesluit, moet beantwoorden.

(zie punten 133, 134)