Language of document : ECLI:EU:T:2021:457

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)

14 juli 2021 (*)

„Dumping – Invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne – Tussentijds nieuw onderzoek – Berekening van de normale waarde – Verkoopkosten, administratiekosten en andere algemene kosten – Verkoop tussen verbonden ondernemingen – Normale handelstransacties – Eén enkele economische eenheid – Artikel 2, leden 3, 4 en 6, van verordening (EU) 2016/1036 – Uitvoerprijs – Correctie – Taken die vergelijkbaar zijn met die van een agent die op commissiebasis werkt – Artikel 2, lid 10, onder i), van verordening 2016/1036 – Kennelijke beoordelingsfout – Andere methode dan bij eerder onderzoek – Artikel 11, lid 9, van verordening 2016/1036 – Gewettigd vertrouwen – Rechten van de verdediging”

In zaak T‑716/19,

Interpipe Niko Tube LLC, gevestigd te Nikopol (Oekraïne),

Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant OJSC, gevestigd te Dnipro (Oekraïne),

vertegenwoordigd door B. Servais, advocaat,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková en G. Luengo als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2019/1295 van de Commissie van 1 augustus 2019 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) 2018/1469 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EU) 2016/1036 (PB 2019, L 204, blz. 22),

wijst

HET GERECHT (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, L. Truchot (rapporteur) en M. Sampol Pucurull, rechters,

griffier: E. Artemiou, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 december 2020,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoeksters, Interpipe Niko Tube LLC en Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant OJSC, zijn twee vennootschappen naar Oekraïens recht die naadloze buizen en pijpen produceren en exporteren.

2        Naar aanleiding van een klacht die op 14 februari 2005 was ingediend door het „Defence Committee of the Seamless Steel Tube Industry of the European Union” heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen een antidumpingprocedure ingeleid met betrekking tot de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland, overeenkomstig verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1) [vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51), die op haar beurt is vervangen door verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21; hierna: „basisverordening”)], en met name artikel 5 van verordening nr. 384/96 (thans artikel 5 van de basisverordening), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 tot wijziging van verordening nr. 384/96 en verordening (EG) nr. 2026/97 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB 2004, L 77, blz. 12; hierna: „gewijzigde verordening nr. 384/96”).

3        Op 27 juni 2006 is de Raad van de Europese Unie overgegaan tot vaststelling van verordening (EG) nr. 954/2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland, tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 2320/97 en (EG) nr. 348/2000, tot beëindiging van de tussentijdse procedure en de procedure bij het vervallen van de maatregelen voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en tot beëindiging van de tussentijdse procedures voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en uit Kroatië en Oekraïne (PB 2006, L 175, blz. 4).

4        Bij verordening nr. 954/2006 heeft de Raad een antidumpingrecht van 25,1 % ingesteld op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, die waren geproduceerd door CJSC Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube en door OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant, twee vennootschappen naar Oekraïens recht, die respectievelijk Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube ZAT (Interpipe Niko Tube ZAT) en Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant VAT (Interpipe NTRP VAT) zijn geworden (hierna tezamen: „voormalige Interpipe-vennootschappen”), en in wier rechten verzoeksters zijn getreden. In deze verordening was de Raad van oordeel dat deze ondernemingen „verbonden” waren met twee handelaren: SPIG Interpipe, gevestigd in Oekraïne, en Sepco SA, gevestigd in Zwitserland.

5        Bij een op 8 september 2006 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben de voormalige Interpipe-vennootschappen nietigverklaring van verordening nr. 954/2006 gevorderd, voor zover deze op hen betrekking had.

6        In zijn arrest van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad (T‑249/06, EU:T:2009:62; hierna: „eerste arrest Interpipe”), heeft het Gerecht, na een kennelijke beoordelingsfout en schending van de rechten van de verdediging te hebben vastgesteld, artikel 1 van verordening nr. 954/2006 nietig verklaard, voor zover het antidumpingrecht dat was vastgesteld voor de uitvoer naar de Unie van de producten die werden vervaardigd door de betrokken Oekraïense ondernemingen hoger was dan het geval zou zijn geweest indien op de uitvoerprijs geen correctie wegens commissie was toegepast, in de zin van artikel 2, lid 10, onder i), van de gewijzigde verordening nr. 384/96 [thans artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening], wanneer de verkopen via de Zwitserse handelsmaatschappij Sepco waren afgewikkeld. Uit punt 178 van dat arrest volgt dat, wanneer wordt vastgesteld dat een producent taken die in de regel worden verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling, opdraagt aan een distributiemaatschappij die hij economisch controleert en waarmee hij een economische eenheid vormt, de Raad en de Commissie zich op goede gronden baseren op de prijzen die de eerste onafhankelijke afnemer aan de verbonden distributeur heeft betaald, zonder een correctie wegens commissie toe te passen. Volgens het Gerecht kon Sepco worden beschouwd als een interne verkoopafdeling van de voormalige Interpipe-vennootschappen, zodat de instellingen geen correctie hadden mogen toepassen op de door haar aangerekende prijzen. Het Gerecht heeft het beroep voor het overige verworpen.

7        Bij arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/ Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP (C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78), heeft het Hof de hogere voorzieningen van de Raad en de Commissie tegen het eerste arrest Interpipe afgewezen.

8        De Raad heeft uitvoering gegeven aan het eerste Interpipe-arrest door de vaststelling van uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2012 van 21 juni 2012 tot wijziging van verordening nr. 954/2006 (PB 2012, L 165, blz. 1). Overeenkomstig de overwegingen 11 tot en met 14 van deze uitvoeringsverordening werd de dumpingmarge opnieuw berekend zonder een correctie van de uitvoerprijs, voor verkoop via de verbonden onderneming Sepco, wegens commissies in de zin van artikel 2, lid 10, onder i), van verordening nr. 1225/2009 [thans artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening], die intussen in de plaats was gekomen van gewijzigde verordening nr. 384/96. Het antidumpingrecht dat van toepassing is op verzoeksters werd vastgesteld op 17,7 %.

9        De bij verordening nr. 954/2006, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening nr. 540/2012, vastgestelde antidumpingmaatregelen werden gehandhaafd voor een nieuwe periode van vijf jaar overeenkomstig uitvoeringsverordening (EU) nr. 585/2012 van de Raad van 26 juni 2012 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1225/2009, en tot beëindiging van de procedure van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Kroatië (PB 2012, L 174, blz. 5). De Raad was van oordeel dat verzoeksters bleven samenwerken met twee verbonden handelaren, gevestigd in Oekraïne en Zwitserland (zie punt 4 hierboven), thans LLC Interpipe Ukraine (hierna: „IPU”) en Interpipe Europe SA (hierna: „IPE”) genaamd. Het op verzoeksters van toepassing zijnde antidumpingrecht is op 17,7 % gehandhaafd.

10      Na een tussentijds nieuw onderzoek waar verzoeksters om hadden verzocht op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 1225/2009 (thans artikel 11, lid 3, van de basisverordening) (hierna: „het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek”), heeft de Raad uitvoeringsverordening (EU) nr. 795/2012 van 28 augustus 2012 tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 585/2012 (PB 2012, L 238, blz. 1) vastgesteld, waarbij het op hen toepasselijke antidumpingrecht tot 13,8 % werd verlaagd.

11      Op 4 juli 2017 heeft de Commissie in het Publicatieblad een bericht bekendgemaakt van inleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of staal van oorsprong uit Rusland en Oekraïne (PB 2017, C 214, blz. 9). Het in dat bericht bedoelde nieuwe onderzoek (hierna: „het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek”) was gebaseerd op artikel 11, lid 2, van de basisverordening.

12      Op 7 mei 2018 heeft de Commissie in het Publicatieblad ook het bericht bekendgemaakt van opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van oorsprong uit onder meer Oekraïne (PB 2018, C 159, blz. 18). Het nieuwe onderzoek waarop dit bericht betrekking had (hierna: „het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek”) en dat gebaseerd was op een verzoek van verzoeksters op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, was beperkt tot de dumping waarvan zij beschuldigd werden.

13      Op 13 juli 2018 heeft de Commissie in het kader van het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek aan verzoeksters overeenkomstig artikel 20 van de basisverordening een algemeen informatiedocument toegezonden, waarin zij verzoeksters meedeelde dat zij voornemens was om voor de vaststelling van hun verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (hierna: „VAA‑kosten”), die noodzakelijk zijn voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 4, van de basisverordening, niet alleen de VAA‑kosten in aanmerking te nemen die verband hielden met de verkoop van het betrokken product door verzoeksters aan onafhankelijke afnemers in Oekraïne, hetzij rechtstreeks, hetzij via IPU, maar ook de VAA‑kosten, exclusief vervoerkosten, ter zake van de verkoop van het betrokken product door verzoeksters aan IPU met het oog op wederverkoop door laatstgenoemde aan onafhankelijke afnemers in Oekraïne.

14      Voorts heeft de Commissie opgemerkt dat verzoeksters hun producten nu niet alleen, zoals voorheen, via IPE naar de Unie uitvoerden, maar ook via een andere verbonden onderneming, te weten Interpipe Central Trade GmbH (hierna: „IPCT”), gevestigd in Duitsland, die als een importeur moest worden beschouwd. Overeenkomstig het eerste Interpipe-arrest heeft de Commissie niet overwogen een correctie uit hoofde van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening toe te passen op de prijzen die door niet‑verbonden afnemers aan IPE werden betaald, terwijl zij wel het voornemen te kennen gaf een correctie uit hoofde van artikel 2, lid 9, van de basisverordening toe te passen voor producten die door IPCT in de Unie werden verkocht.

15      In hun opmerkingen van 30 juli 2018 met betrekking tot het algemene informatiedocument van 13 juli 2018, betwistten verzoeksters de berekeningen van de VAA‑kosten door de Commissie, waarbij zij aanvoerden dat de beoogde methode in strijd met artikel 11, lid 9, van de basisverordening afweek van de methode die eerder werd toegepast. Deze beweerde nieuwe methode zou de VAA‑kosten kunstmatig hebben opgedreven en bijgevolg ook de dumpingmarge.

16      Naar aanleiding van het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2018/1469 van 1 oktober 2018 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2018, L 246, blz. 20) vastgesteld. De antidumpingmaatregelen in kwestie werden daarmee gehandhaafd.

17      In de overwegingen 82 en 83 van de uitvoeringsverordening 2018/1469 heeft de Commissie opgemerkt dat zij, na alle elementen te hebben geanalyseerd, het verzoek van verzoeksters met betrekking tot de berekening van de VAA‑kosten tussen verbonden ondernemingen had aanvaard.

18      In de overwegingen 86 en 87 van uitvoeringsverordening 2018/1469 heeft de Commissie verduidelijkt dat wanneer de producent-exporteur het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Unie exporteerde via IPE, als handelaar, de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening werd berekend op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het product dat met het oog op uitvoer naar de Unie wordt verkocht. Wanneer de producent-exporteur het betrokken product echter via IPCT, als importeur, naar de Unie uitvoerde, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst werd doorverkocht aan onafhankelijke afnemers in de Unie, met de door die bepaling toegestane correcties.

19      Het antidumpingrecht dat van toepassing is op verzoeksters is op 13,8 % gehandhaafd.

20      Op 21 mei 2019 heeft de Commissie verzoeksters in het kader van het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek een algemeen informatiedocument (hierna: „AID 2019”) gestuurd, overeenkomstig artikel 20 van de basisverordening. In dit document heeft de Commissie verzoeksters ten eerste meegedeeld dat bij de berekening van hun VAA‑kosten de kosten waren opgeteld die zij voor hun verkopen aan IPU hadden gemaakt. Ten tweede heeft de Commissie opgemerkt dat IPE en IPCT volgens haar functioneerden als twee kanalen waarlangs dezelfde producten naar de Unie konden worden uitgevoerd. Op grond van dit gegeven, de coördinerende rol van IPU tussen verzoeksters enerzijds en IPE en IPCT anderzijds, de specifieke kenmerken van de tussen IPU en de twee laatstgenoemde vennootschappen gesloten overeenkomsten en het ontbreken in de statuten van IPE van een exclusiviteitsverplichting met betrekking tot de keuze van de leveranciers van de te verkopen producten, is de Commissie tot de slotsom gekomen dat IPE niet langer kon worden beschouwd als een interne afdeling voor de verkoop voor uitvoer binnen de groep waartoe verzoeksters behoorden (hierna: „Interpipe Group”) en dat daarom bij de berekening van de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening een correctie moest worden toegepast op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in de Unie aan IPE waren betaald.

21      In hun opmerkingen van 4 juni 2019 met betrekking tot het AID 2019 hebben verzoeksters met name, in de eerste plaats, de berekeningen van de Commissie van de VAA‑kosten betwist, waarbij zij hebben aangevoerd dat de voorgenomen methode overeenkwam met de methode die reeds was voorgesteld – en uiteindelijk verworpen – in het kader van het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek. In de tweede plaats hebben zij aangevoerd dat de toepassing van een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening op de door onafhankelijke kopers aan IPE betaalde prijzen in strijd was met de beginselen die voortvloeiden uit het eerste arrest Interpipe (zie punt 6 hierboven). Zij hebben benadrukt dat, in weerwil van de oprichting van IPCT, de feitelijke omstandigheden niet waren gewijzigd.

22      Op 27 juni 2019 heeft de Commissie verzoeksters een aanvullend informatiedocument toegezonden, waarin stond dat zij meerdere argumenten had aanvaard die zij in hun opmerkingen van 4 juni 2019 hadden aangevoerd en die verschilden van de argumenten die in punt 21 supra zijn uiteengezet. De Commissie heeft toegevoegd dat deze laatste argumenten waren geanalyseerd, maar dat hierop zou worden ingegaan in de uitvoeringsverordening die uiterlijk op 6 augustus 2019 zou worden bekendgemaakt. Het door de Commissie in dit document met aanvullende informatie overwogen antidumpingrecht bedroeg 8,1 %.

23      Op 1 augustus 2019 heeft de Commissie na afloop van het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek uitvoeringsverordening (EU) 2019/1295 tot wijziging van uitvoeringsverordening 2018/1469 (PB 2019, L 204, blz. 22) (hierna: „bestreden verordening”) vastgesteld, waarin het op verzoeksters toepasselijke antidumpingrecht is vastgesteld op 8,1 %.

24      In de overwegingen 32, 33 en 39 tot en met 42 van de bestreden verordening heeft de Commissie de in punt 21 hierboven uiteengezette argumenten van verzoeksters afgewezen. De Commissie heeft verklaard dat, wegens het vertrouwelijke karakter van de bedrijfsinformatie met betrekking tot de presentatie en de analyse van deze argumenten, de redenen voor de afwijzing ervan uitvoerig zijn uiteengezet in een afzonderlijke brief, die zij op 2 augustus 2019 aan verzoeksters heeft gezonden (hierna: „brief van 2 augustus 2019”).

 Procedure en conclusies van partijen

25      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 oktober 2019, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

26      De schriftelijke behandeling is op 15 april 2020 gesloten.

27      Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 april 2020, hebben verzoeksters overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om een pleitzitting.

28      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Zevende kamer) besloten over te gaan tot de mondelinge behandeling. In het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het de partijen vragen gesteld die zij vóór de terechtzitting schriftelijk dienden te beantwoorden, en de Commissie verzocht bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben hieraan binnen de gestelde termijn gevolg gegeven.

29      Partijen hebben ter terechtzitting van 17 december 2020 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

30      Verzoeksters verzoeken het Gerecht:

–        de bestreden verordening nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

31      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoeksters te verwijzen in de kosten.

 In rechte

32      Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan.

33      Met het eerste middel wordt gesteld dat de VAA‑kosten betreffende de verkopen van verzoeksters aan IPU niet hadden mogen worden opgenomen in de berekening van de normale waarde. De Commissie zou hiermee artikel 2, lid 3, eerste alinea, lid 4, eerste alinea, en lid 6, eerste volzin, van de basisverordening alsmede artikel 2.2.2, eerste volzin, van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (GATT) (PB 1994, L 336, blz. 103) (hierna: „Antidumpingovereenkomst van de WTO”), die is opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3), hebben geschonden.

34      Het tweede middel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout bij de toepassing, op de uitvoerprijs, van een bedrag dat overeenkomt met de VAA‑kosten en de winst van een op commissiebasis werkende agent. De Commissie had niet, op grond van artikel 2, lid 10, eerste tot en met vierde volzin, en onder i), van de basisverordening, een bedrag dat overeenkwam met de VAA‑kosten en de winst van IPE van de uitvoerprijs van verzoeksters mogen aftrekken.

35      Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, aangezien de Commissie de normale waarde en de uitvoerprijs van verzoeksters zou hebben bepaald door een andere methode toe te passen dan die welke zij eerder had gebruikt.

36      In het kader van elk van deze drie middelen voeren verzoeksters schending aan van artikel 9, lid 4, tweede alinea, van de basisverordening en van artikel 9.3 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO, doordat, als gevolg van de gestelde schendingen en de kennelijke beoordelingsfout, het ingestelde antidumpingrecht hoger zou zijn dan de dumpingmarge.

37      Het vierde middel is ontleend aan schending van de rechten van verdediging.

 Eerste middel: onrechtmatigheid van het opnemen,in de berekening van de normale waarde,van de VAAkosten betreffende de verkopen van verzoeksters aan IPU

38      Verzoeksters betogen dat de Commissie, voor zover zij de VAA‑kosten betreffende hun verkopen aan IPU in de berekening van de normale waarde heeft opgenomen, inbreuk heeft gemaakt op artikel 2, lid 3, eerste alinea, lid 4, eerste alinea, en lid 6, eerste volzin, van de basisverordening, haar eigen besluitvormingspraktijk alsmede artikel 2.2.2, eerste volzin, van de Antidumpingovereenkomst van de WTO, zoals uitgelegd in de beslissingen van het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO. Voorts betogen verzoeksters dat zij feitelijk niet de last van de betwiste VAA‑kosten hebben gedragen.

39      Om te beginnen brengen verzoeksters in herinnering dat zij het betrokken product, op de binnenlandse markt van Oekraïne, altijd hetzij zelf rechtstreeks hebben verkocht aan onafhankelijke binnenlandse afnemers (hierna: „rechtstreekse verkoop”), hetzij indirect, in die zin dat zij dat product aan IPU verkochten, die het dan vervolgens afzette bij onafhankelijke binnenlandse afnemers (hierna: „indirecte verkoop”).

40      Met het onderhavige middel betogen verzoeksters, om te beginnen, dat de Commissie zich in het kader van het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek, dat heeft geleid tot de vaststelling van de bestreden verordening, bij de berekeningen ter bepaling van de normale waarde, wat de VAA‑kosten betreft, niet, zoals in het verleden, uitsluitend heeft gebaseerd op hun VAA‑kosten voor de rechtstreekse verkoop van het betrokken product en op de VAA‑kosten van IPU voor de indirecte verkoop van dat product. Zij zou ten onrechte de VAA‑kosten hebben opgenomen die verzoeksters hebben gemaakt voor hun verkoop van het betrokken product aan IPU (hierna: „betwiste VAA‑kosten”), dat door IPU werd doorverkocht aan onafhankelijke kopers op de Oekraïense binnenlandse markt. Volgens verzoeksters is de dumpingmarge kunstmatig vergroot door het meerekenen van de betwiste VAA‑kosten, die niet werden genoemd in de berekeningen van de Commissie in het kader van het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek en die uiteindelijk zijn weggelaten uit de berekeningen ten behoeve van het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek (zie punten 11, 13 en 17 hierboven).

41      Vervolgens brengen verzoeksters in herinnering dat volgens artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening de „normale waarde [...] normaal gebaseerd [is] op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald”, en dat, volgens artikel 2, lid 1, derde alinea, van die verordening, de prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die kennelijk geassocieerd zijn niet mogen worden beschouwd als in het kader van normale handelstransacties te zijn toegepast. In de onderhavige zaak zou de Commissie dit beginsel terecht hebben toegepast, maar ten onrechte niet de conclusie hebben getrokken dat de VAA‑kosten met betrekking tot de verkopen tussen dergelijke partijen evenmin konden worden geacht deel uit te maken van normale handelstransacties. Verzoeksters benadrukken dat artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening bepaalt dat de VAA‑kosten moeten worden berekend op basis van gegevens betreffende normale handelstransacties. Hetzelfde beginsel zou voortvloeien uit artikel 2.2.2, eerste volzin, van de Antidumpingovereenkomst van de WTO.

42      Ten slotte voeren verzoeksters aan dat de toevoeging van de betwiste VAA‑kosten de normale waarde en bijgevolg de dumpingmarge kunstmatig heeft verhoogd, zoals blijkt uit de volgende twee elementen.

43      In de eerste plaats herinneren verzoeksters eraan dat, volgens artikel 2, lid 4, eerste en derde alinea, van de basisverordening en de praktijk van de Commissie, de verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt van het land van uitvoer aan onafhankelijke afnemers moet hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties om bij de berekening van de normale waarde in aanmerking te worden genomen. De toets om te bepalen of een verkoop in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden (hierna: „NHT-toets”), houdt, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening, in dat de productiekosten per eenheid plus VAA‑kosten worden vergeleken met de werkelijke verkoopprijs, per productsoort. Verzoeksters voegen daaraan toe dat de basisverordening, in het bijzonder artikel 2, lid 4, daarvan, geen regel bevat die voorschrijft dat alle kosten, met inbegrip van die voor verkopen tussen verbonden ondernemingen, moeten worden opgenomen in de VAA‑kosten die voor de NHT-toets worden gebruikt.

44      Voor die productsoorten waarbij meer dan 80 % van de verkoop op de binnenlandse markt van de exporteur winstgevend was, dat wil zeggen tegen prijzen die hoger lagen dan de kosten per eenheid (hierna: „winstgevende verkoop”), en waarbij de gewogen gemiddelde verkoopprijs gelijk was aan of hoger was dan de gewogen gemiddelde kosten per eenheid, wordt de normale waarde berekend op basis van alle verkopen, ongeacht of zij winstgevend waren of niet.

45      Wanneer daarentegen de omvang van de winstgevende verkoop van een productsoort op die markt 80 % of minder van de totale verkoop van die productsoort bedraagt, of wanneer de gewogen gemiddelde prijs van die productsoort lager is dan de productiekosten per eenheid, wordt de normale waarde uitsluitend gebaseerd op de winstgevende verkoop.

46      Verzoeksters wijzen erop dat het feit of alle verkopen van een productsoort in aanmerking worden genomen (zie punt 44 hierboven) dan wel alleen de winstgevende verkopen van die productsoort (zie punt 45 hierboven) van invloed is op de berekening van de normale waarde van de productsoort, in die zin dat de normale waarde in het tweede geval hoger wordt. Hierdoor zou ook de dumpingmarge toenemen.

47      Verzoeksters wijzen erop dat in casu het feit dat de betwiste VAA‑kosten in de berekening van de normale waarde zijn opgenomen heeft geleid tot een stijging van de totale kosten en bijgevolg tot een daling van het percentage winstgevende verkopen. De winstgevende verkoop zou de drempel van 80 % dus niet hebben bereikt voor een groter aantal productsoorten dat op de binnenlandse markt van Oekraïne wordt verkocht, zodat alleen de winstgevende verkoop in aanmerking is genomen en de normale waarde hoger is geworden.

48      In de tweede plaats volgt, naar mening van verzoeksters, uit artikel 2, lid 3, eerste alinea, van de basisverordening dat, voor productsoorten die niet door de producent op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers worden verkocht, maar worden uitgevoerd naar de Unie, de normale waarde moet worden berekend aan de hand van de productiekosten, vermeerderd met een redelijk bedrag voor VAA‑kosten en winst. Dit redelijke bedrag moet worden berekend op basis van de verkoop van andere soorten van het betrokken product in het kader van normale handelstransacties. De toevoeging van de betwiste VAA‑kosten heeft tot gevolg gehad dat ook de normale waarde berekend voor de productsoorten die niet op de binnenlandse markt worden verkocht, is verhoogd.

49      Uit alle voorgaande argumenten leiden verzoeksters af dat de Commissie, door de betwiste VAA‑kosten in aanmerking te nemen, artikel 2, lid 3, eerste alinea, lid 4, eerste alinea, en lid 6, eerste volzin, van de basisverordening heeft geschonden.

50      De Commissie betwist de gegrondheid van de argumenten van verzoeksters en, wat betreft de argumenten inzake schending van haar besluitvormingspraktijk en van de uit de beslissingen van het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO te trekken lessen, ook de ontvankelijkheid ervan, op grond dat zij zijn aangevoerd op een wijze die niet in overeenstemming is met punt 115 van de Praktische uitvoeringsbepalingen voor het Reglement voor de procesvoering, aangezien zij niet overeenstemmen met de titels van de in het verzoekschrift aangevoerde middelen.

51      Dienaangaande zij opgemerkt dat de niet-eerbiediging van de redactionele aanbevelingen in de Praktische uitvoeringsbepalingen van het Reglement voor de procesvoering slechts kan leiden tot de niet‑ontvankelijkheid van een beroep of van een deel ervan indien het niet voldoet aan artikel 76, onder d), van dit Reglement. Zoals hieronder zal worden uiteengezet, wordt in het verzoekschrift evenwel toegelicht waaruit het eerste middel bestaat en zijn de ter ondersteuning daarvan aangevoerde grieven voldoende duidelijk en nauwkeurig (zie in die zin arrest van 25 maart 2015, België/Commissie, T‑538/11, EU:T:2015:188, punt 131 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      De door de Commissie aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid zijn dus ongegrond.

53      Ten gronde moeten, alvorens het onderhavige middel te onderzoeken, de belangrijkste toepasselijke bepalingen en de rechtspraak waarin deze zijn uitgelegd in herinnering worden gebracht.

54      Ingevolge artikel 1, lid 2, van de basisverordening „[wordt] [t]en aanzien van een product [...] geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Unie lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld”. Artikel 2, lid 12, eerste volzin, van deze verordening preciseert dat „de dumpingmarge [...] het bedrag [is] waarmee de normale waarde de uitvoerprijs overschrijdt”.

55      Hieruit volgt dat de bepaling van de normale waarde van een product een van de essentiële stappen is om het bestaan van eventuele dumping te kunnen vaststellen (arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 20; zie in die zin ook arrest van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 105).

56      De primaire methode voor de vaststelling van de normale waarde van een product is uiteengezet in artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening (arrest van 11 juli 2017, Viraj Profiles/Raad, T‑67/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:481, punt 110), waarin wordt bepaald dat „de normale waarde [...] normaal [is] gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald”.

57      Zoals het Hof heeft verklaard, blijkt uit zowel de bewoordingen als de systematiek van artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening dat voor het vaststellen van de normale waarde in beginsel als eerste de prijs in aanmerking moet worden genomen die in het kader van normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald. Krachtens artikel 2, lid 3, eerste alinea, van de basisverordening mag van dat beginsel slechts worden afgeweken wanneer het soortgelijke product niet of niet in voldoende hoeveelheden in het kader van „normale handelstransacties” is verkocht of indien deze verkoop geen deugdelijke vergelijking mogelijk maakt. Deze afwijkingen van de methode voor de vaststelling van de normale waarde aan de hand van werkelijke prijzen zijn uitputtend van aard (zie arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punten 20 en 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58      Het Hof heeft tevens gepreciseerd dat het begrip „normale handelstransacties” ertoe strekt te verzekeren dat de normale waarde van een product zo veel mogelijk overeenstemt met de normale prijs van het soortgelijke product op de binnenlandse markt van de exporteur. Aldus vormt een verkoop die is gesloten volgens voorwaarden die niet overeenstemmen met de handelspraktijk voor de verkoop van het soortgelijke product op die markt op het voor de vaststelling van dumping relevante tijdstip, geen geschikte basis om de normale waarde van het soortgelijke product op die markt vast te stellen (arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 28).

59      De basisverordening bevat geen definitie van het begrip „normale handelstransacties”. Artikel 2 van de basisverordening voorziet evenwel uitdrukkelijk in twee gevallen van verkoop die, onder bepaalde voorwaarden, geen dergelijke transacties kunnen vormen. In de eerste plaats bepaalt artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening dat de prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die kennelijk geassocieerd zijn of met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen, niet mogen worden geacht in het kader van normale handelstransacties te zijn toegepast en niet mogen worden gebruikt voor de berekening van de normale waarde, tenzij bij wijze van uitzondering is vastgesteld dat de relatie tussen deze belanghebbenden de prijzen niet heeft beïnvloed (zie arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In de tweede plaats mag krachtens artikel 2, lid 4, eerste alinea, van de basisverordening de verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of de verkoop bij uitvoer naar een derde land tegen lagere prijzen dan de productiekosten per eenheid, slechts worden beschouwd als verkoop die niet in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden, indien is vastgesteld dat deze verkoop over een langere periode en in aanzienlijke hoeveelheden heeft plaatsgevonden tegen prijzen die het niet mogelijk maken binnen een redelijke termijn alle kosten terug te verdienen (arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 24). Artikel 2, lid 4, derde alinea, van deze verordening preciseert dat onder „langere periode” normaal één jaar moet worden verstaan, doch in geen geval minder dan zes maanden en dat de verkoop beneden de kostprijs per eenheid wordt geacht in aanzienlijke hoeveelheden binnen deze periode te hebben plaatsgevonden, wanneer wordt vastgesteld dat de gewogen gemiddelde verkoopprijs lager is dan de gewogen gemiddelde kostprijs per eenheid of dat de hoeveelheid die beneden de kostprijs per eenheid is verkocht, niet minder dan 20 % bedraagt van de hoeveelheid die voor de vaststelling van de normale waarde in aanmerking wordt genomen.

60      Volgens het Hof heeft het begrip „normale handelstransacties” betrekking op de aard van de verkopen als zodanig (zie arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

 Bepalingen van de bestreden verordening met betrekking tot de normale waarde

61      Zoals blijkt uit de overwegingen 25 tot en met 31 van de bestreden verordening heeft de Commissie in casu de normale waarde als volgt vastgesteld.

62      In de eerste plaats heeft de Commissie, in overeenstemming met artikel 2, lid 2, van de basisverordening, onderzocht of de totale omvang van de binnenlandse verkoop – in Oekraïne – van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers, voor verzoeksters representatief was in vergelijking met de totale omvang van de verkoop bij uitvoer naar de Unie, dat wil zeggen dat de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid ten minste 5 % van de totale naar de Unie uitgevoerde hoeveelheid van het opnieuw onderzochte product bedroeg. Zij is tot de slotsom gekomen dat dit het geval was (overweging 25).

63      Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop door verzoeksters van elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met de productsoort die naar de Unie wordt uitgevoerd, representatief was, dat wil zeggen dat de totale binnenlandse verkoop per productsoort ten minste 5 % bedroeg van de totale uitvoer van de identieke of vergelijkbare productsoort naar de Unie. Zij heeft vastgesteld dat de binnenlandse verkoop van de productsoort in het onderzoektijdvak grotendeels representatief was (overweging 26).

64      In de tweede plaats heeft de Commissie voor de productsoorten die in representatieve hoeveelheden in Oekraïne werden verkocht (hierna: „in Oekraïne verkochte productsoorten”), de NHT-toets toegepast (zie punt 43 hierboven). Hiertoe heeft zij het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het tijdvak van het onderzoek vastgesteld (overweging 27).

65      Voor elke in Oekraïne verkochte productsoort waarvan meer dan 80 % van de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid werd verkocht tegen prijzen die hoger waren dan de productiekosten en waarvan de gewogen gemiddelde verkoopprijs gelijk was aan of hoger was dan de productiekosten per eenheid, werd de normale waarde per productsoort berekend als het gewogen gemiddelde van de werkelijke binnenlandse prijzen van de totale verkoop van de productsoort in kwestie, ongeacht of die verkoop al dan niet winstgevend was (overweging 28).

66      Wanneer de winstgevende verkoop van een productsoort 80 % of minder van de totale verkoop van een productsoort in Oekraïne bedroeg, of de gewogen gemiddelde prijs van die productsoort lager was dan de productiekosten per eenheid, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, berekend als de gewogen gemiddelde prijs van uitsluitend de winstgevende verkoop op de binnenlandse markt van die productsoort tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek (overweging 29).

67      Uit de analyse van de binnenlandse verkoop is gebleken dat 35 tot 55 % van de totale binnenlandse verkoop van de in Oekraïne verkochte productsoorten winstgevend was en dat de gewogen gemiddelde verkoopprijs hoger was dan de productiekosten. De normale waarde is bijgevolg berekend als gewogen gemiddelde van de prijzen van uitsluitend de winstgevende verkoop (overweging 30).

68      In de derde plaats heeft de Commissie de normale waarde voor de productsoorten waarvan de verkoop in Oekraïne minder dan 5 % van de verkoop bij uitvoer naar de Unie uitmaakte of die helemaal niet op de binnenlandse markt werden verkocht (hierna: „niet in Oekraïne verkochte productsoorten”), berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, op basis van de productiekosten per productsoort, vermeerderd met een bedrag voor VAA‑kosten en winst (overweging 31).

 Werkingssfeer van artikel 2, leden 3, 4 en 6, van de basisverordening

69      Verzoeksters stellen dat de Commissie bij de berekening van de normale waarde ten onrechte rekening heeft gehouden met de betwiste VAA‑kosten en daardoor de normale waarde heeft overdreven, zowel bij de toepassing van de NHT-toets, voor in Oekraïne verkochte producttypes, als bij de berekening van de normale waarde in de zin van artikel 2, lid 3, van de basisverordening, voor niet in Oekraïne verkochte productsoorten (zie punten 43‑48 hierboven).

70      Om over deze bezwaren een uitspraak te kunnen doen, is het van belang vast te stellen of de Commissie de betwiste VAA‑kosten mocht opnemen in de berekening van de normale waarde ingevolge artikel 2, leden 3 en 4, van de basisverordening.

71      Zoals in de punten 57 tot en met 60 hierboven is uiteengezet, is het basisbeginsel voor de vaststelling van de normale waarde dat deze moet worden gebaseerd op elementen die verband houden met normale handelstransacties.

72      Uit artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening volgt dat de prijzen van verkopen tussen geassocieerde partijen, behoudens uitzonderingen, niet mogen worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde (zie punt 59 hierboven).

73      De Commissie betoogt dat deze uitsluiting betrekking heeft op een andere kwestie dan de vraag of, in casu, de VAA-kosten in verband met verkopen tussen geassocieerde partijen, zoals verzoeksters en IPU, in aanmerking kunnen worden genomen voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 4, van de basisverordening.

74      Er zij aan herinnerd dat volgens de rechtspraak de productiekosten, opgevat als de som van de fabricagekosten van het betrokken product en de VAA-kosten, door de Commissie in aanmerking worden genomen, om te beginnen, in het kader van de in artikel 2, lid 4, van de basisverordening bedoelde NHT-toets, om te beoordelen of de binnenlandse verkoop winstgevend was en derhalve kon worden geacht in het kader van normale handelstransacties te hebben plaatsgevonden, en, voorts, bij de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van die verordening, wanneer de binnenlandse verkoop niet in aanmerking kon worden genomen (zie in die zin arrest van 11 juli 2017, Viraj Profiles/Raad, T‑67/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:481, punt 163). Uit de rechtspraak volgt ook dat de relevante kosten in zowel het ene als het andere geval dezelfde moeten zijn, om te voorkomen dat producenten‑exporteurs verschillend worden behandeld – zonder dat daarvoor enige reden is – naargelang zij bepaalde soorten producten ook in eigen land of alleen in het buitenland verkopen (zie in die zin arrest van 5 oktober 1988, Brother Industries/Raad, 250/85, EU:C:1988:464, punt 19).

75      Hieruit volgt dat, in casu, de Commissie dezelfde VAA‑kosten moest gebruiken bij zowel de toepassing van de NHT-toets op in Oekraïne verkochte productsoorten als de berekening van de normale waarde voor niet in Oekraïne verkochte productsoorten. Deze bevinding, die in overeenstemming is met de in punt 74 hierboven aangehaalde rechtspraak, is ook door partijen ter terechtzitting bevestigd.

76      In de basisverordening is de methode voor de beoordeling van de VAA‑kosten gespecificeerd in artikel 2, lid 6, eerste volzin, waarin wordt bepaald dat „[d]e bedragen voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst worden gebaseerd op feitelijke gegevens over de productie en de verkoop van het soortgelijke product, in het kader van normale handelstransacties, door de exporteur of de producent op wie het onderzoek betrekking heeft”.

77      In haar schrifturen betoogt de Commissie dat artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening alleen van toepassing is voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, terwijl het niet relevant zou zijn voor de NHT‑toets overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening.

78      Opgemerkt zij evenwel dat in artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen de beoordeling van de normale waarde op grond van artikel 2, lid 3, of op grond van een andere bepaling van dezelfde verordening. Deze bepaling beperkt de toepassing van de daarin neergelegde rechtsregeling niet tot situaties die onder bepaalde specifieke bepalingen van die verordening vallen. Bijgevolg staat artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening er niet aan in de weg dat de daarin neergelegde verplichting om zich te baseren op in het kader van normale handelstransacties verzamelde gegevens, van algemene toepassing is telkens wanneer dat artikel verwijst naar de VAA‑kosten. Aangezien voorts vaststaat dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend (zie punt 75 hierboven), de VAA‑kosten die worden gebruikt voor de berekening van de normale waarde op basis van artikel 2, lid 3, van de basisverordening, dezelfde zijn als die welke worden gebruikt voor de NHT-toets overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening, moeten deze kosten voldoen aan artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening en derhalve gebaseerd zijn op gegevens over de verkoop in het kader van normale handelstransacties

79      Het is noodzakelijk om na te gaan of de Commissie dergelijke gegevens heeft gebruikt bij de toepassing van de NHT-toets in deze zaak.

80      In dit verband zij eraan herinnerd dat de soorten producten die de Interpipe Group in Oekraïne verkocht, in de vorm van zowel rechtstreekse als indirecte verkoop via IPU werden afgezet (zie punt 39 hierboven). Artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening verwijst echter niet specifiek naar het geval van transacties zoals indirecte verkoop, die in twee fasen plaatsvinden, waarvan de eerste fase binnen de enkele economische eenheid valt die door deze groep wordt gevormd.

81      Om te rechtvaardigen dat in de berekening van de normale waarde de VAA‑kosten worden opgenomen die zijn gemaakt bij de verkoop door verzoeksters aan IPU, die onbetwist een met verzoeksters verbonden onderneming is, voert de Commissie in wezen aan dat de normale waarde van het aan de eerste onafhankelijke afnemer verkochte product wordt berekend door de volledige kosten voor de vervaardiging en de verkoop van het product in aanmerking te nemen, ongeacht of deze kosten zijn gemaakt door de fabrikant dan wel door de partij die binnen de groep verbonden is.

82      In dit verband zij herinnerd aan de betekenis van het begrip „één enkele economische eenheid” in het Unierecht en de gevolgen ervan voor de berekening van de normale waarde in het geval van transacties als de indirecte verkoop in het onderhavige geval.

 Begrip „één enkele economische eenheid” en zijn gevolgen

83      Het begrip „één enkele economische eenheid” is ontwikkeld voor de vaststelling van de normale waarde in de zin van artikel 2, lid 1, van de basisverordening en hieraan voorafgaande overeenkomstige bepalingen. Dit begrip is gebaseerd op de noodzaak om rekening te houden met de economische realiteit van de relaties binnen een groep van vennootschappen (arresten van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 55, en 17 maart 2015, RFA International/Commissie, T‑466/12, EU:T:2015:151, punten 108 en 110).

84      Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de scheiding van productie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, namelijk niets afdoen aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid die op deze wijze activiteiten verricht die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt (zie arrest van 13 oktober 1993, Matsushita Electric Industrial/Raad, C‑104/90, EU:C:1993:837, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85      Wat betreft de prijzen die in aanmerking moeten worden genomen in geval van een verkoop waarbij verscheidene ondernemingen van dezelfde groep betrokken zijn voordat het betrokken product door een derde wordt gekocht, volgt uit de rechtspraak dat wanneer een producent taken die normaal worden verricht door een interne verkoopafdeling, voor zijn producten opdraagt aan een verkoopvennootschap die hij economisch controleert, het gerechtvaardigd is om voor de vaststelling van de normale waarde de prijzen te gebruiken die door de eerste onafhankelijke afnemer aan deze verkoopvennootschap zijn betaald., aangezien deze prijzen kunnen worden beschouwd als prijzen van de eerste verkoop van het product in normale handelstransacties in de zin van artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening (arrest van 17 maart 2015, RFA International/Commissie, T‑466/12, EU:T:2015:151, punt 108; zie ook in die zin arresten van 5 oktober 1988, Brother Industries/Raad, 250/85, EU:C:1988:464, punt 15, en 10 maart 1992, Canon/Raad, C‑171/87, EU:C:1992:106, punten 9 en 11). Hieruit volgt dat de instellingen van de Unie die bevoegd zijn om antidumpingmaatregelen vast te stellen, moeten uitgaan van de prijzen die de eerste, van de geassocieerde verkoopmaatschappijen onafhankelijke koper heeft betaald (arrest van 10 maart 1992, Matsushita Electric/Raad, C‑175/87, EU:C:1992:109, punt 16; zie ook in die zin arresten van 5 oktober 1988, TEC e.a./Raad, 260/85 en 106/86, EU:C:1988:465, punt 30, en 5 oktober 1988, Silver Seiko e.a./Raad, 273/85 en 107/86, EU:C:1988:466, punt 14).

86      Om te komen tot deze slotsom, die betrekking heeft op de prijzen, heeft het Hof zich uitgesproken over de kosten met de opmerking dat alle kosten van de door de producent gecontroleerde distributiemaatschappijen, alsmede de kosten van de producent die verband hielden met de verkoop van de betrokken producten op de binnenlandse markt en die zonder twijfel in de verkoopprijs zouden zijn verwerkt indien de verkoop werd verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van de producent, in de normale waarde moeten worden opgenomen (arrest van 10 maart 1992, Matsushita Electric/Raad, C‑175/87, EU:C:1992:109, punt 15).

87      Meer in het algemeen is het Hof van oordeel dat bij indirecte verkopen zoals die welke in casu aan de orde zijn, steeds alle kosten in aanmerking moeten worden genomen die noodzakelijkerwijs in de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs zijn begrepen, teneinde te voorkomen dat voor de berekening van de normale waarde wordt gediscrimineerd naargelang de verkoop wordt verricht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, dan wel door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap (zie in die zin arresten van 5 oktober 1988, TEC e.a./Raad, 260/85 en 106/86, EU:C:1988:465, punt 29, en 10 maart 1992, Canon/Raad, C‑171/87, EU:C:1992:106, punt 13).

88      Op grond van de hierboven genoemde beginselen moet worden vastgesteld dat in casu een indirecte verkoop niet in zijn twee bestanddelen kan worden gesplitst, teneinde het tweede, dat tussen IPU en een onafhankelijke koper heeft plaatsgevonden, als een normale handelstransactie te kwalificeren, terwijl het eerste, dat tussen een van de verzoeksters en IPU heeft plaatsgevonden, bij de berekening van de normale waarde niet in aanmerking zou worden genomen omdat het niet om een dergelijke transactie zou gaan. Hieruit volgt dat de indirecte verkoop in zijn geheel door de Commissie in aanmerking moet worden genomen voor deze beoordeling.

89      Ingevolge zowel artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening als de in punt 85 hierboven genoemde rechtspraak zijn, wat de indirecte verkoop betreft, de door onafhankelijke afnemers betaalde prijzen derhalve als enige relevant voor de berekening van de normale waarde. Hierover bestaat tussen partijen overigens overeenstemming.

90      Wat de VAA‑kosten betreft, betwisten verzoeksters, gelet op de in de punten 86 en 87 hierboven geformuleerde beginselen en de daaruit in punt 88 hierboven getrokken conclusie, ten onrechte de keuze van de Commissie om zich te baseren op alle kosten, met inbegrip van de betwiste VAA‑kosten, die binnen de Interpipe Group zijn gemaakt in de twee fasen waaruit de indirecte verkopen bestaan.

91      Hieraan moet worden toegevoegd dat de cumulatie van de VAA‑kosten voor de twee fasen van een indirecte verkoop en het in aanmerking nemen van alleen de in de tweede fase aangerekende prijs met het oog op de NHT-toets, in overeenstemming is met de toepasselijke bepalingen van de basisverordening en de hierboven aangehaalde rechtspraak, en de economische realiteit weerspiegelt. In casu kan immers worden aangenomen dat de prijzen die IPU aan onafhankelijke afnemers berekende voor producten die zij van verzoeksters heeft gekocht, het resultaat zijn van de volgende elementen. In de eerste plaats omvatten die door IPU aangerekende prijzen de prijzen die IPU zelf in een eerder stadium aan verzoeksters heeft betaald, met dien verstande dat die prijzen worden geacht de productiekosten, de VAA‑kosten van verzoeksters bij de verkoop van die producten aan IPU en, eventueel, de winst voor verzoeksters weer te geven. In de tweede plaats omvatten zij de VAA‑kosten die IPU heeft gemaakt voor de verkoop van dezelfde producten aan onafhankelijke afnemers, in voorkomend geval vermeerderd met winst. Om vast te stellen of een indirecte verkoop winstgevend is, moet de Commissie nagaan of de door IPU aangerekende prijs haar in staat stelt de prijs die zij aan verzoeksters heeft betaald en haar VAA‑kosten terug te verdienen. Aangezien, zoals zojuist is benadrukt, de door IPU aan verzoeksters betaalde prijs onder meer de VAA-kosten van verzoeksters omvat, is de Commissie verplicht deze kosten in aanmerking te nemen. Van de andere kant kan niet worden aangenomen, en verzoeksters voeren dit ook niet aan, dat de VAA‑kosten die IPU heeft gemaakt in verband met de verkoop aan onafhankelijke kopers, de VAA‑kosten omvatten die verzoeksters hebben gemaakt in de eerste fase van de indirecte verkoop tussen hen en IPU. Indien de Commissie de betwiste VAA‑kosten niet in haar berekening had opgenomen, zouden deze dus niet in aanmerking zijn genomen in het kader van de indirecte verkoop, zodat de normale waarde zou zijn vastgesteld volgens een methode die de economische realiteit niet weerspiegelt.

92      In het licht van de voorgaande overwegingen kan artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening niet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de Commissie zich in het kader van de NHT-toets en de berekening van de normale waarde ingevolge artikel 2, lid 3, van die verordening baseert op VAA‑kosten die de kosten omvatten die in het onderhavige geval worden betwist.

93      Bijgevolg moeten de grieven van verzoeksters dat de Commissie, door de betwiste VAA‑kosten in de berekening van de normale waarde op te nemen, de normale waarde kunstmatig heeft verhoogd, worden verworpen. Bijgevolg moet worden ingegaan op de andere grieven tot staving van het eerste middel, die betrekking hebben op de beslissingen van het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO, het theoretische karakter van de betwiste VAA‑kosten en de schending van de praktijk van de Commissie.

 Grieven ontleend aan de beslissingen van het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO

94      Verzoeksters betogen dat de beroepsinstantie van de WTO, waarvan de rapporten door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO zijn overgenomen, bij de uitlegging van artikel 2.2.2, eerste volzin, van de Antidumpingovereenkomst van de WTO, dat overeen zou komen met artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening, heeft verduidelijkt dat moet worden uitgegaan van de feitelijke gegevens betreffende de productie en de verkoop in het kader van normale handelstransacties en dat verkopen die niet in het kader van dergelijke transacties hebben plaatsgevonden, buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de berekening van de bedragen die overeenkomen met de VAA-kosten en de winst.

95      Volgens vaste rechtspraak behoren de overeenkomsten van de WTO, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet tot de normen waaraan de Unierechter de wettigheid van de handelingen van de instellingen van de Unie- toetst uit hoofde van artikel 263, eerste alinea, VWEU. Ingeval de Unie uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de Uniehandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO‑overeenkomsten verwijst, dient het Hof de wettigheid van de betrokken Uniehandeling echter wel aan de WTO-regels te toetsen (zie arrest van 17 maart 2015, RFA International/Commissie, T‑466/12, EU:T:2015:151, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin arrest van 15 november 2018, Baby Dan, C‑592/17, EU:C:2018:913, punten 66 en 67).

96      In overweging 3 van de basisverordening valt te lezen dat ter verzekering van een correcte en doorzichtige uitvoering van de regels van de Antidumpingovereenkomst van de WTO van 1994, de bewoordingen van die overeenkomst zoveel mogelijk in het Unierecht tot uitdrukking dienen te komen.

97      De bepalingen van artikel 2.2.2, eerste volzin, van de Antidumpingovereenkomst van de WTO vallen in wezen samen met die van artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening. Hetzelfde geldt, om te beginnen, voor de artikelen 2.2 en 2.2.1 van deze overeenkomst en, voorts, voor artikel 2, leden 3 en 4, van de basisverordening.

98      Hieruit volgt dat de bepalingen van de basisverordening, voor zover zij overeenkomen met bepalingen van de Antidumpingovereenkomst van de WTO, voor zover mogelijk moeten worden uitgelegd in het licht van de overeenkomstige bepalingen van die overeenkomst, zoals uitgelegd door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO (zie in die zin arresten van 19 december 2013, Transnational Company „Kazchrome” en ENRC Marketing/Raad, C‑10/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:865, punt 54; 18 oktober 2018, Rotho Blaas, C‑207/17, EU:C:2018:840, punten 46‑48, en 10 april 2019, Jindal Saw en Jindal Saw Italia/Commissie, T‑301/16, EU:T:2019:234, punt 134).

99      In zijn rapport met betrekking tot het geschil „Europese Gemeenschappen – Antidumpingrechten op de invoer van katoenen beddengoed van oorsprong uit India”, dat op 12 maart 2001 door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO is aangenomen (WT/DS 141/AB/R, punt 82), heeft de beroepsinstantie van de WTO artikel 2.2.2 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO uitgelegd als volgt:

„[I]n de eerste zin van de inleidende tekst van artikel 2.2.2 is sprake van ‚feitelijke gegevens betreffende de productie en de verkoop, in het kader van normale handelstransacties’. De opstellers van de Antidumpingovereenkomst [van de WTO] hebben dus duidelijk aangegeven dat verkopen die niet in het kader van normale handelstransacties hebben plaatsgevonden, buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de berekening van de [VAA-]kosten en winst volgens de in de inleidende tekst van artikel 2.2.2 uiteengezette methode.”

100    Soortgelijke overwegingen zijn te vinden in het rapport van de beroepsinstantie van de WTO met betrekking tot geschil „China – Maatregelen tot instelling van antidumpingrechten op hoogwaardige roestvrijstalen naadloze buizen (‚HP-SSST’) uit de Europese Unie”, dat op 28 oktober 2015 door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO is aangenomen (WT/DS 460/AB/R, punt 5.27), alsmede in het rapport van het WTO‑panel over het geschil „Verenigde Staten – Antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaalde olieveldbuizen uit Korea”, dat op 18 januari 2018 door het beroepsorgaan van de WTO is aangenomen (WT/DS 488/R, punt 7.45).

101    In casu moet echter worden vastgesteld dat het feit dat de Commissie de betwiste VAA‑kosten in aanmerking heeft genomen niet in strijd is met het in de beslissingen van het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO neergelegde beginsel dat verkopen die geen normale handelstransacties vormen, bij de berekening van de VAA‑kosten buiten beschouwing worden gelaten. Zoals in punt 88 hierboven is opgemerkt, moet een indirecte verkoop namelijk in zijn geheel in beginsel als een normale handelstransactie worden beschouwd. Bovengenoemde beslissingen van het beroepsorgaan van de WTO hebben geen betrekking op situaties zoals de indirecte verkopen, die in deze zaak aan de orde zijn.

102    Aangezien het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO zich niet specifiek heeft uitgesproken over een situatie als die van de indirecte verkoop, kan niet worden aangenomen dat de Commissie, door rekening te houden met de betwiste VAA‑kosten, inbreuk heeft gemaakt op artikel 2, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening, gelezen in het licht van artikel 2.2.2 van de Antidumpingovereenkomst van de WTO.

 Theoretische aard van de betwiste VAAkosten

103    Verzoeksters betogen dat zij in feite niet de last van de betwiste VAA‑kosten hebben gedragen. Zij benadrukken dat zij het beginsel dat verkopen tussen verbonden partijen bepaalde kosten met zich meebrengen, niet in twijfel trekken, maar stellen dat de VAA‑kosten die zij in hun antwoorden op de vragenlijst van de Commissie hebben vermeld, niet representatief zijn voor de werkelijke kosten die voor deze transacties zijn gemaakt en dat deze VAA‑kosten derhalve buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten. De bedragen die verzoeksters in de kolom van de vragenlijst ter zake van de kosten met betrekking tot de „verbonden kopers” hebben vermeldzijn theoretisch van aard en zijn enkel vermeld om te voldoen aan het door de Commissie vastgestelde format van de vragenlijst.

104    Er zij aan herinnerd dat, volgens artikel 2, lid 5, eerste alinea, van de basisverordening, „de kosten [...] normaal [worden] berekend aan de hand van de administratie van diegene waarop het onderzoek betrekking heeft, mits deze wordt gevoerd overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van het betrokken land en wordt aangetoond, dat deze een redelijk beeld geeft van de aan de vervaardiging en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten”.

105    Daarenboven volgt uit artikel 6, lid 2, van de basisverordening dat de diensten van de Commissie een vragenlijst opstellen en aan de belanghebbenden toesturen, teneinde de inlichtingen te verkrijgen die nodig zijn voor het antidumpingonderzoek en dat deze belanghebbenden verplicht zijn die diensten de gegevens te verstrekken die haar in staat stellen het antidumpingonderzoek uit te voeren [arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punten 50 en 51].

106    De antwoorden van de belanghebbenden op de vragenlijst als bedoeld in artikel 6, lid 2, van de basisverordening en de daaropvolgende controle die de Commissie overeenkomstig artikel 16 van de basisverordening ter plaatse kan verrichten, zijn van wezenlijk belang voor het verloop van de antidumpingprocedure (zie arrest van 30 april 2015, VTZ e.a./Raad, T‑432/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:248, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

107    Bovendien volgt uit artikel 18, leden 3 en 6, van de basisverordening dat de inlichtingen die de belanghebbenden aan de Commissie moeten verstrekken, door de instellingen van de Unie moeten worden gebruikt om de conclusies van het antidumpingonderzoek op te stellen en dat die belanghebbenden geen relevante inlichtingen mogen achterhouden. Of een bepaald gegeven beslissend is, moet per geval worden beoordeeld [arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punt 52].

108    Voorts staat het aan de Commissie, als onderzoekend orgaan, om vast te stellen of dumping plaatsvindt (zie in die zin arresten van 12 oktober 1999, Acme/Raad, T‑48/96, EU:T:1999:251, punt 40, en 30 april 2015, VTZ e.a./Raad, T‑432/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:248, punt 29).

109    De controle van de verzamelde elementen strekt ertoe de Commissie in staat te stellen haar taak te vervullen en met name de methoden die voor de totstandkoming van de gegevens zijn gebruikt, te begrijpen en te controleren en meer in het algemeen zich te vergewissen van de juistheid van de door de onderzochte onderneming verstrekte inlichtingen, welke onderneming de door de Commissie gestelde vragen naar beste vermogen en volledig moet beantwoorden en alle nuttige gegevens en toelichtingen dient te verschaffen zodat de Commissie de nodige kruiscontroles kan verrichten om de juistheid van de verschafte gegevens te verifiëren en binnen de gestelde termijnen en in ieder geval voor het einde van de controle tot redelijk betrouwbare conclusies kan komen (arrest van 3 december 2019, Yieh United Steel/Commissie, T‑607/15, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2019:831, punt 78).

110    In de onderhavige zaak hebben verzoeksters in antwoord op de hun door de Commissie toegezonden vragenlijst de gegevens betreffende de betwiste VAA‑kosten verstrekt. Hoewel zij vraagtekens hebben gezet bij het beginsel volgens hetwelk die kosten in aanmerking moeten worden genomen, en daarbij hebben aangevoerd dat de methode van de Commissie is gewijzigd ten opzichte van eerdere door de Commissie verrichte onderzoeken, hebben zij geen twijfels geuit over de betrouwbaarheid van de gegevens die zij aan die instelling hebben verstrekt.

111    Voor het Gerecht voeren verzoeksters aan dat zij bij het invullen van de vragenlijst van de Commissie voor de beoordeling van de betwiste VAA‑kosten, op het totaalbedrag van hun VAA‑kosten een coëfficiënt hebben toegepast die overeenkomt met de verhouding van de omzet die zij met hun verkopen aan IPU hebben behaald tot het bedrag van de omzet die met al hun verkopen is behaald. Aangezien de verkoopprijzen van hun producten aan IPU volgens hen niet konden worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening, is de omzet die door deze verkopen wordt gegenereerd ook irrelevant voor de vaststelling van de VAA‑kosten. De volgens een dergelijke methode berekende VAA‑kosten zouden theoretisch zijn en hadden bij de berekening van de normale waarde buiten beschouwing moeten worden gelaten.

112    Verzoeksters erkennen evenwel dat de verkopen tussen verbonden ondernemingen bepaalde VAA‑kosten meebrengen. Er zij op gewezen dat deze erkenning van hun kant niet gepaard gaat met een voorstel voor een andere methode dan die welke voortvloeit uit de vragenlijst die de Commissie heeft gebruikt voor de raming van de betwiste VAA‑kosten, waarmee de Commissie rekening diende te houden, zoals blijkt uit punt 90 hierboven.

113    Wat betreft het argument dat, door het toepassen van de methode die resulteerde uit de vragenlijst van de Commissie, de betwiste VAA‑kosten zijn geraamd volgens een coëfficiënt die is berekend aan de hand van een omzet die is vastgesteld op basis van prijzen die tussen verbonden ondernemingen, zoals verzoeksters en IPU, in rekening zijn gebracht, zij erop gewezen dat artikel 2, lid 1, van de basisverordening, waarop verzoeksters zich beroepen (zie punt 111 hierboven), geen verwijzing naar VAA‑kosten bevat. Het is juist dat de derde alinea van die bepaling uitsluit dat de prijzen die tussen verbonden ondernemingen worden berekend, worden beschouwd als prijzen die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de normale waarde, die volgens de eerste alinea van hetzelfde lid „normaal [is] gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald”. Verzoeksters hebben echter niet aangetoond dat de uitsluiting van prijzen die tussen verbonden ondernemingen in rekening worden gebracht, impliceert dat ook de VAA‑kosten in verband met verkopen tussen dergelijke ondernemingen worden uitgesloten.

114    De onderhavige bezwaren van verzoeksters kunnen dus geen afbreuk doen aan het in de punten 83 tot en met 91 hierboven uiteengezette beginsel dat de Commissie verplicht is de normale waarde te berekenen door rekening te houden met alle kosten van de verkoop van de in Oekraïne verkochte productsoorten, met inbegrip van alle kosten in verband met indirecte verkoop. Derhalve moeten deze bezwaren worden afgewezen.

 Schending van de praktijk van de Commissie

115    Verzoeksters stellen dat de Commissie, door de betwiste VAA‑kosten in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de normale waarde, haar eigen praktijk heeft geschonden.

116    Er zij evenwel aan herinnerd dat de wettigheid van een verordening tot instelling van antidumpingrechten moet worden beoordeeld aan de hand van de rechtsregels en inzonderheid aan de hand van de bepalingen van de basisverordening, en niet op basis van de vermeende eerdere besluitvormingspraktijk van de Commissie en de Raad [arrest van 18 oktober 2016, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑351/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:616, punt 107; zie ook in die zin arrest van 4 oktober 2006, Moser Baer India/Raad, T‑300/03, EU:T:2006:289, punt 45].

117    Aangezien in casu is vastgesteld dat de opneming van de betwiste VAA‑kosten in de berekening van de normale waarde in overeenstemming was met de basisverordening, moet de onderhavige grief ongegrond worden verklaard, zonder dat behoeft te worden onderzocht of de instellingen bij de vaststelling van de door verzoeksters aangevoerde verordeningen een andere methode hebben toegepast dan die welke in casu is gevolgd.

118    Gelet op al het voorgaande moet tot de slotsom worden gekomen dat de Commissie, door de betwiste VAA‑kosten in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de normale waarde, niet in strijd heeft gehandeld met artikel 2, lid 3, eerste alinea, lid 4, eerste alinea, en lid 6, eerste volzin, van de basisverordening, en evenmin is voorbijgegaan aan artikel 2.2.2, eerste volzin, van de Antidumpingovereenkomst van de WTO.

119    Bijgevolg moet het eerste middel, zoals weergeven in punt 33 hierboven, worden afgewezen.

 Tweede middel: kennelijke beoordelingsfout bij de toepassing op de uitvoerprijs van een bedrag dat overeenkomt met de VAAkosten en de winst van een op commissiebasis werkende agent

120    Verzoeksters stellen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de uitlegging van artikel 2, lid 10, eerste tot en met vierde volzin, en onder i), van de basisverordening.

121    Verzoeksters stellen dat de Commissie bij de berekening van de uitvoerprijs in het kader van de procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, ten onrechte, krachtens artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening, een neerwaartse correctie heeft toegepast op de prijzen die IPE in rekening heeft gebracht voor de verkoop van het betrokken product aan de eerste onafhankelijke afnemers in de Unie (hierna: „bestreden correctie”). Door de bestreden correctie is een functionele asymmetrie ontstaan tussen de normale waarde en de exportprijs van verzoeksters, waardoor de vergelijkbaarheid van de prijzen is aangetast, hetgeen in strijd is met artikel 2, lid 10, eerste tot en met vierde volzin, van de basisverordening. In plaats van deze correctie te verrichten, had de Commissie zich op deze prijzen moeten baseren, zoals zij ook bij de vorige nieuwe onderzoeken zou hebben gedaan, overeenkomstig de lering uit het eerste arrest Interpipe, dat door het Hof is bevestigd. De elementen waarop de Commissie in het AID 2019, de bestreden verordening en de brief van 2 augustus 2019 heeft gewezen, zouden de bestreden correctie niet rechtvaardigen.

122    In de eerste plaats stelt de Commissie ten onrechte dat zij door de oprichting van IPCT (zie punt 14 hierboven), die aan IPE is toegevoegd, nu over parallelle kanalen beschikken om dezelfde producten naar de Unie uit te voeren. De Commissie zou ten onrechte hieruit de conclusie hebben getrokken dat IPE thans als agent moet worden aangemerkt en niet, zoals in het verleden, als een interne verkoopafdeling van de door verzoeksters en IPU gevormde enkele economische eenheid. De Commissie zou geen uitleg hebben gegeven wat betreft het automatisme van het beweerde verband tussen de aanwezigheid van IPCT, als een in de Unie gevestigde verbonden importeur, en de wijziging van de kwalificatie van IPE. Deze laatste zou ondanks de oprichting van IPCT op de oude voet doorgaan en het belangrijkste uitvoerkanaal van verzoeksters blijven voor hun verkoop aan de Unie van het product waarop de huidige antidumpingmaatregelen betrekking hebben. IPCT zou zijn opgericht om, voornamelijk in Duitsland, de verkoop van spoorwielen te vergemakkelijken, die niet onder de definitie van hetzelfde product zouden vallen. Bovendien zou noch uit de basisverordening, noch uit de rechtspraak kunnen worden geconcludeerd dat het bestaan van een „parallel” verkoopkanaal de status van een verbonden handelaar als interne verkoopafdeling in gevaar kan brengen. Het doorslaggevende criterium om een dergelijke status uit te sluiten zou zijn of de handelaar zijn omzet hoofdzakelijk behaalt met de verkoop van producten van niet-verbonden ondernemingen. Verzoeksters zouden echter al het betrokken product aan IPE leveren, hetwelk laatstgenoemde in de Unie verkoopt. Aan de juistheid van deze vaststelling zou niet worden afgedaan door het door de Commissie benadrukte feit dat de statuten van IPE geen exclusiviteitsclausule ten gunste van verzoeksters bevatten, die IPE formeel zou beletten zich bij andere fabrikanten te bevoorraden.

123    Voorts zetten verzoeksters uiteen dat IPCT in 2014 is opgericht en dat de Commissie ten tijde van het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek op de hoogte was van het bestaan van die vennootschap, maar deze wijziging van de feitelijke omstandigheden niet als een voldoende reden heeft beschouwd om de status van IPE als interne verkoopafdeling te heroverwegen.

124    In de tweede plaats erkennen verzoeksters weliswaar dat IPU de door de Commissie beschreven coördinatiefuncties uitoefent (zie punt 20 hierboven), maar betwisten zij de conclusie van de Commissie dat deze functies onverenigbaar zijn met het feit dat IPE tot dezelfde economische eenheid behoort als verzoeksters en IPU, en impliceren dat IPE moet worden beschouwd als een agent die op commissiebasis werkt. Zij verwijzen in dit verband naar het eerste Interpipe-arrest.

125    In de derde plaats betogen verzoeksters dat, ook al bevatten de tussen IPU, enerzijds, en IPE of IPCT, anderzijds, gesloten overeenkomsten (hierna: „betrokken overeenkomsten”) clausules betreffende klachten over de niet-overeenstemming van de goederen met de contractuele vereisten en specificaties en betreffende de verantwoordelijkheid van de partijen voor de kwaliteitsbeoordeling, aansprakelijkheid voor schade tijdens het vervoer en technische aanpassingen aan de behoeften van de eindafnemers, alsmede een arbitrageclausule, deze omstandigheid niet tot de slotsom kan leiden dat IPE geen interne verkoopafdeling is. Dergelijke clausules, die zouden zijn opgenomen om te voldoen aan de eisen van de op dergelijke overeenkomsten van toepassing zijnde Oekraïense wet, zouden niets veranderen aan de economische realiteit van de situatie van IPE, die een interne verkoopafdeling zou zijn, en geen agent die op commissiebasis werkt.

126    De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.

127    Alvorens deze argumenten te onderzoeken, moet worden herinnerd aan de relevante bepalingen, de in de rechtspraak geformuleerde beginselen en de geschiedenis van de toepassing van een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening en de voorlopers daarvan op de Interpipe Group.

128    Ingevolge artikel 2, lid 10, eerste volzin, van de basisverordening wordt „[d]e uitvoerprijs [...] op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Artikel 2, lid 10, derde volzin van deze verordening bepaalt dat „[w]anneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet op deze grondslag kunnen worden vergeleken, [...] door middel van correcties, naargelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening [wordt] gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan”.

129    Artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening noemt „[c]ommissies” als een van de „factoren” waarvoor „correcties [kunnen] worden toegepast”. Deze bepaling schrijft met name voor dat „een correctie [wordt] toegepast voor verschillen in de commissies die in verband met de verkoop van de betrokken producten worden betaald”. Zij preciseert dat „[o]nder ‚commissies’ [...] ook [wordt] verstaan de marge van een handelaar die in het product of het soortgelijke product handelt indien de functies van deze handelaar vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent”.

130    Uit de rechtspraak volgt evenwel dat een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening alleen kan worden toegepast wanneer de in een derde land gevestigde producent en zijn verbonden distributeur die belast is met de uitvoer naar de Unie, één enkele economische eenheid vormen (arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 39).

131    Het is namelijk reeds geoordeeld dat het begrip „één enkele economische eenheid” – dat is ontwikkeld met het oog op de vaststelling van de normale waarde, zoals volgt uit de punten 83 en 84 hierboven – ook van toepassing is op de vaststelling van de uitvoerprijs (zie in die zin arresten van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punten 55 en 56, en 17 maart 2015, RFA International/Commissie, T‑466/12, EU:T:2015:151, punten 108 en 109).

132    Overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in de in punt 84 hierboven genoemde rechtspraak, moet worden opgemerkt dat de erkenning dat één enkel economische eenheid bestaat, kan voorkomen dat kosten die kennelijk in de verkoopprijs van een product begrepen zijn wanneer de verkoop wordt verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van de producent, niet meer daarin begrepen zijn wanneer de verkoop wordt verricht door een juridisch zelfstandige vennootschap die echter economisch wordt gecontroleerd door de producent (arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 41).

133     Hieruit volgt dat een handelaar die één enkele economische eenheid vormt met een in een derde land gevestigde producent, niet kan worden geacht functies uit te oefenen die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent, in de zin van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening (zie in die zin arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 42).

134    In het kader van het onderzoek of tussen een producent en zijn verbonden handelaar sprake is van één enkele economische eenheid moet de economische realiteit van de betrekkingen tussen deze producent en deze distributeur worden beoordeeld. Gelet op het vereiste van een vaststelling die de economische realiteit van de betrekkingen tussen deze producent en die distributeur weerspiegelt, dienen de instellingen van de Unie rekening te houden met alle relevante factoren aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of deze distributeur al dan niet de functies uitoefent van een bedrijfsinterne verkoopafdeling van deze producent (zie in die zin arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

135    De bewijslast met betrekking tot de specifieke correcties die zijn opgesomd in artikel 2, lid 10, onder a) tot en met k), van de basisverordening, berust volgens de rechtspraak op degenen die zich daarop willen beroepen (zie in die zin arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

136    Zijn de instellingen van de Unie van mening dat een correctie ter verlaging van de uitvoerprijs dient te worden toegepast omdat een aan een producent verbonden verkoopvennootschap functies uitoefent die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent, dan staat het aan deze instellingen om ten minste met elkaar overeenstemmende aanwijzingen te verstrekken die aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan (zie arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

137    Hieruit volgt dat, in het geval waarin de instellingen van de Unie met elkaar overeenstemmende aanwijzingen hebben verstrekt dat een met een producent verbonden distributeur functies uitoefent die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent, het aan deze distributeur of aan deze producent is om het bewijs aan te voeren dat een correctie krachtens artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening niet gerechtvaardigd is (arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 85).

 Voorgeschiedenis van de toepassing op de Interpipe Group van een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening en de hieraan voorafgaande verordeningen

–       In verordening nr. 954/2006 op de Interpipe Group toegepaste correctie en het gevolg dat is gegeven aan de vastgestelde onwettigheid ervan in het eerste arrest Interpipe

138    Zoals in de punten 4 en 6 hierboven in herinnering is gebracht, was bij de berekening, in verordening nr. 954/2006, van het antidumpingrecht dat van toepassing was op de voormalige Interpipe-vennootschappen – opgevolgd door verzoeksters – een soortgelijke correctie als de bestreden correctie toegepast op de prijzen die werden berekend door de Zwitserse vennootschap Sepco, die later IPE is geworden. In het eerste arrest Interpipe heeft het Gerecht deze verordening gedeeltelijk nietig verklaard, juist wegens de onwettigheid van deze correctie.

139    Om tot deze uitspraak te komen heeft het Gerecht om te beginnen opgemerkt dat de Commissie voor haar conclusie dat Sepco functies uitoefende die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent, was uitgegaan van drie elementen. Ten eerste zouden verzoeksters het betrokken product ook rechtstreeks in de Unie hebben verkocht. Ten tweede zou SPIG Interpipe, de verbonden verkoopvennootschap in Oekraïne die later werd veranderd in IPU, zijn opgetreden als verkoopagent voor de verkopen van de voormalige Interpipe-vennootschappen aan Sepco. Ten derde zouden de banden van Sepco met verzoeksters ontoereikend zijn geweest en kon op basis van die banden niet worden aangenomen dat Sepco door verzoeksters werd gecontroleerd of dat Sepco en de voormalige Interpipe-vennootschappen onder een gemeenschappelijke controle stonden (eerste arrest Interpipe, punt 182).

140    Wat het eerste element betreft heeft het Gerecht vastgesteld dat de rechtstreekse verkopen van de voormalige Interpipe-vennootschappen in de Unie, in een overgangsfase, waren voortgezet in de nieuwe lidstaten. Bovendien vertegenwoordigden de rechtstreekse verkopen ongeveer 8 % van hun totale verkoop in de Unie en waren derhalve marginaal. Bijgevolg hebben deze vennootschappen slechts verkoopfuncties uitgeoefend die complementair waren aan die van Sepco en dan alleen tijdens een overgangsperiode (eerste arrest Interpipe, punt 185).

141    Wat het tweede element betreft heeft het Gerecht benadrukt dat de Raad niet had uitgelegd in welk opzicht uit het feit dat SPIG Interpipe een commissie ontving over de verkopen van de voormalige Interpipe‑vennootschappen aan Sepco, bleek dat Sepco functies had uitgeoefend die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent, of eraan in de weg stond dat Sepco als een bedrijfsinterne verkoopafdeling van deze vennootschappen kon worden aangemerkt (eerste arrest Interpipe, punt 186).

142    Wat het derde element betreft heeft het Gerecht opgemerkt dat op basis van de stukken van het dossier niet kon worden vastgesteld dat er geen toereikende banden bestonden tussen Sepco en een van de voormalige Interpipe-vennootschappen (eerste arrest Interpipe, punt 187).

143    Het Gerecht heeft hieruit de conclusie getrokken dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de toepassing van artikel 2, lid 10, onder i), van de gewijzigde verordening nr. 384/96, voor zover hij een correctie had toegepast op de uitvoerprijs die Sepco in rekening had gebracht in het kader van transacties betreffende producten die door een van de voormalige Interpipe-vennootschappen waren vervaardigd (eerste arrest Interpipe, punt 190). Wegens schending van de rechten van de verdediging werd deze correctie ook onwettig geacht voor zover zij werd toegepast op transacties betreffende producten die door de andere van de vroegere Interpipe-vennootschappen werden vervaardigd (eerste arrest Interpipe, punten 209‑211).

144    In de overwegingen 12 en 13 van uitvoeringsverordening nr. 540/2012, ter uitvoering van het eerste arrest Interpipe vastgesteld door de Raad op grond van artikel 266 VWEU, en bevestigd door het Hof, heeft de Raad, om te beginnen, eraan herinnerd dat het Gerecht in zijn arrest van oordeel was dat de instellingen van de Unie bij de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs in het bijzondere geval van de Interpipe Group geen correctie voor commissies hadden mogen uitvoeren en, voorts, dat daarom de dumpingmarge opnieuw moest worden berekend zonder een correctie van de uitvoerprijs voor verschillen in commissies.

145    Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft bevestigd, is de Raad in uitvoeringsverordening nr. 540/2012 niet ingegaan op de vraag of andere elementen dan die welke het Gerecht in het eerste arrest Interpipe heeft onderzocht, de toepassing van de in dat arrest onwettig verklaarde correctie kunnen rechtvaardigen.

146    Een dergelijk onderzoek volgt evenmin uit uitvoeringsverordening nr. 585/2012, waarbij de Raad de bestreden antidumpingmaatregelen heeft gehandhaafd (zie punt 9 hierboven). Uit de overwegingen 7, 38 en 57 daarvan volgt namelijk dat ingevolge de beslissingen van de rechterlijke instanties van de Unie geen enkele correctie diende te worden toegepast op de uitvoerprijzen van de Interpipe Group. Hetzelfde geldt voor uitvoeringsverordening nr. 795/2012, die is vastgesteld naar aanleiding van het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek, zoals blijkt uit de overwegingen 2, 27 en 28 daarvan.

147    In verordening 2018/1469, die is vastgesteld na het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek, heeft de Commissie in de overwegingen 4 en 5 alle antidumpingmaatregelen tegen de Interpipe Group beschreven. In overweging 86 heeft zij opgemerkt dat, wanneer de producent-exporteur het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Unie uitvoerde via IPE, de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening werd vastgesteld op basis van de voor het betrokken product bij uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijzen. In overweging 87 heeft de Commissie hieraan toegevoegd dat, wanneer de producenten-exporteurs het betrokken product via IPCT naar de Unie uitvoerden, de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening werd berekend op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht.

148    Het is dan ook om de redenen die voortvloeien uit het eerste arrest Interpipe dat de Commissie ook in uitvoeringsverordening 2018/1469 niet de in artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening bedoelde correctie op de uitvoerprijzen van de door IPE verkochte producten heeft toegepast.

–       Toepassing van de bestreden correctie

149    In het kader van het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek is de Commissie daarentegen, na de kwestie van de verhouding tussen verzoeksters en IPE nader te hebben onderzocht, tot de conclusie gekomen dat de bestreden correctie wel moest worden toegepast.

150    Uit de overwegingen 39 tot en met 42 van de bestreden verordening volgt dat, volgens de Commissie, in het tijdvak van het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek de Interpipe Group het betrokken product via twee verschillende verkoopkanalen naar de Unie uitvoerde, te weten via IPE, dezelfde, in Zwitserland gevestigde aangesloten handelsmaatschappij als die via welke zij haar producten uitvoerde ten tijde van het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek, en IPCT. Dit laatste distributiekanaal bestond ten tijde van dit laatste tussentijdse nieuwe onderzoek nog niet. Bijgevolg, en op basis van andere elementen die wegens hun vertrouwelijke aard niet in voornoemde verordening zijn vermeld, maar in de brief van 2 augustus 2019 aan verzoeksters zijn meegedeeld, was de Commissie van mening dat de bestreden correctie moest worden toegepast.

151    Uit de brief van 2 augustus 2019 volgt dat de bestreden correctie volgens de Commissie gerechtvaardigd was op basis van de volgende vier elementen.

152    In de eerste plaats heeft de Commissie vastgesteld dat IPE en IPCT dezelfde producten verkochten en dezelfde diensten aanboden aan hun klanten in de Unie. IPE, dat niet betrokken was bij de verkoop door IPCT, was dus niet langer de enige onderneming die verantwoordelijk was voor de distributie in de Unie van de door verzoeksters vervaardigde producten. Zij heeft eraan toegevoegd dat IPCT niet alleen verantwoordelijk was voor een aanzienlijk deel van de verkoop van de Interpipe Group in de Unie, maar het betrokken product ook verkocht in verschillende lidstaten en zelfs aan sommige van de kopers waarmee IPE samenwerkte.

153    In de tweede plaats was IPU, volgens de Commissie, een schakel tussen IPE en IPCT enerzijds en verzoeksters anderzijds, aangezien zij de bestellingen van IPE en IPCT verzamelde en aan een van verzoeksters toekende, afhankelijk van hun capaciteiten en productieschema’s.

154    In de derde plaats heeft de Commissie vastgesteld dat de betrokken overeenkomsten (zie punt 125 hierboven) voorzag in gedetailleerde procedures voor klachten over producten die niet aan de contractuele specificaties voldeden. Deze overeenkomsten regelden ook de exclusieve verantwoordelijkheden van de verkoper en de afnemer met betrekking tot kwaliteitsbeoordeling, en de aansprakelijkheid voor transportschade en technische aanpassingen aan de behoeften van de eindafnemers, en bevatten een gedetailleerd deel over arbitrage voor het beslechten van geschillen die eventueel voortvloeiden uit de contractuele bepalingen tussen IPU, als verkoper, en IPE of IPCT, als afnemers. De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat IPU in de meeste gevallen optrad als commissionair voor verzoeksters en dat in de overeenkomsten tussen IPU aan de ene kant en IPE of IPCT aan de andere kant uitdrukkelijk melding werd gemaakt van de overdracht van het risico van IPU aan IPE of IPCT.

155    In de vierde plaats heeft de Commissie benadrukt dat de statuten van IPE geen exclusiviteitsclausule ten gunste van verzoeksters bevatten, zodat het haar vrijstond zich bij andere fabrikanten te bevoorraden.

 Betwisting door verzoeksters van de elementen waarop de bestreden correctie berust

156    De meeste grieven die verzoeksters tot staving van het onderhavige middel hebben aangevoerd, hebben de kritiek gemeen dat de Commissie bij de toepassing op hen van de bestreden correctie is afgeweken van de conclusies die de instellingen hadden getrokken met betrekking tot de rol van Sepco, thans IPE, sinds zij uitvoering hadden gegeven aan het eerste arrest Interpipe.

157    Voor de beoordeling van het onderhavige middel hoeft echter enkel te worden nagegaan of de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de vier in de punten 152 tot en met 155 hierboven uiteengezette elementen de toepassing van de bestreden correctie mogelijk maakten. De andere grieven van verzoeksters komen namelijk overeen met die welke zij aanvoeren ter ondersteuning van het tweede onderdeel van het derde middel, welk onderdeel is ontleend aan schending van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, omdat de Commissie haar methode zou hebben gewijzigd zonder dat was voldaan aan de voorwaarden die deze bepaling daarvoor stelt. Die bezwaren zullen derhalve bij de behandeling van dat onderdeel worden behandeld.

158    Zoals de Commissie ter terechtzitting, in antwoord op een vraag van het Gerecht, heeft opgemerkt, zonder door verzoeksters te zijn tegengesproken, houdt geen van de vier in de punten 152 tot en met 155 hierboven genoemde elementen verband met de drie elementen die het Gerecht van eerste aanleg in het arrest Interpipe heeft onderzocht en ten aanzien waarvan het een kennelijke beoordelingsfout heeft vastgesteld (zie punten 139‑143 hierboven). Bijgevolg heeft het feit dat deze drie elementen in dat arrest niet toereikend werden geacht om een met de bestreden correctie vergelijkbare correctie te rechtvaardigen, geen invloed op de rechtmatigheid van laatstgenoemde correctie, aangezien de Commissie zich ter ondersteuning van haar besluit op deze vier afzonderlijke elementen beroept.

159    Met betrekking tot het feit dat de statuten van IPE geen exclusiviteitsclausule ten gunste van verzoeksters bevatten (zie punt 155 hierboven), zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak het aandeel van de verkoop door de handelaar van producten van niet-verbonden producenten een belangrijke factor is om te bepalen of deze handelaar één enkele economische eenheid vormt met de verbonden producent. Indien de handelaar een groot deel van zijn omzet behaalt met de verkoop van producten van niet-verbonden ondernemingen, kan dit een aanwijzing zijn dat de functies van de handelaar niet die van een interne verkoopafdeling zijn (arrest van 25 juni 2015, PT Musim Mas/Raad, T‑26/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:437, punt 53).

160    In casu betwisten verzoeksters het argument van de Commissie dat de statuten van IPE geen exclusiviteitsclausule ten gunste van hen bevatten. Zij voeren aan, zonder op dit punt door de Commissie te zijn tegengesproken, dat IPE feitelijk altijd alleen het door hen vervaardigde betrokken product heeft verkocht.

161    Aangezien de instellingen van de Unie zich moeten baseren op de economische realiteit van de betrekkingen tussen de betrokken vennootschappen (zie punten 83 en 134 hierboven), is het ontbreken van een dergelijke exclusiviteitsclausule derhalve geen element dat de rechtmatigheid van de bestreden correctie op nuttige wijze kan ondersteunen.

162    Wat de inhoud van betrokken overeenkomsten betreft (zie punten 125 en 154 hierboven), zij er om te beginnen aan herinnerd dat, volgens de rechtspraak, het bestaan van schriftelijke overeenkomsten tussen vennootschappen een relevant element is om te bepalen of zij al dan niet één enkele economische eenheid vormen. Het bestaan van dergelijke overeenkomsten lijkt namelijk aan te tonen dat de betrekkingen tussen de betrokken ondernemingen op basis van normale commerciële voorwaarden zijn georganiseerd (zie in die zin arrest van 25 juni 2015, PT Musim Mas/Raad, T‑26/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:437, punt 60).

163    In casu vormt de inhoud van de betrokken overeenkomsten, zoals de Commissie die heeft beschreven in de brief van 2 augustus 2019 en zoals die blijkt uit de stukken die zij heeft overgelegd in antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang (zie punt 28 hierboven), een bewijs voor haar besluit om de bestreden correctie toe te passen. Het feit dat er sprake is van een arbitragebeding ter beslechting van mogelijke contractuele geschillen tussen de twee contracterende vennootschappen en hoofdelijke aansprakelijkheid tussen deze vennootschappen ontbreekt, hetgeen niet alleen veronderstelt dat er sprake is van twee verschillende rechtspersonen, maar ook van twee economische entiteiten met uiteenlopende belangen, lijkt namelijk niet verenigbaar met het bestaan van één enkele economische eenheid en met de kwalificatie van een van deze vennootschappen als een interne verkoopafdeling (zie in die zin en naar analogie arrest van 25 juni 2015, PT Musim Mas/Raad, T‑26/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:437, punten 62 en 63).

164    Wat betreft de identieke aard van de activiteiten die IPE en IPCT ten aanzien van in de Unie gevestigde afnemers verrichten (zie punt 152 hierboven), zij erop gewezen dat verzoeksters geen enkel bewijs hebben aangevoerd dat de bevindingen van de Commissie met betrekking tot de rol van IPCT ter discussie kan stellen, die volgens haar het betrokken product in de Unie ten dele aan dezelfde afnemers heeft verkocht als die welke zich bij IPE bevoorraadden. Verzoeksters hebben immers alleen verklaard dat IPCT is opgericht ter vergemakkelijking van de verkoop van spoorwielen, die niet onder de definitie van het betrokken product vallen, voornamelijk in Duitsland. Bovendien hebben verzoeksters in hun opmerkingen over het AID 2019 erkend dat IPCT „beperkte hoeveelheden van het betrokken product [verkocht] in bepaalde lidstaten”.

165    De Commissie kan terecht stellen dat één enkele economische eenheid in beginsel één enkele interne verkoopafdeling heeft, zodat de, zelfs gedeeltelijke, identieke aard van de door IPE en IPCT verrichte verkoopfuncties binnen de Unie een bewijs is dat kan uitsluiten dat IPE een dergelijke afdeling vormt.

166    Ten slotte zij opgemerkt dat de rol van IPU als schakel (zie punt 153 hierboven) de vaststelling van de Commissie ondersteunt dat de rol van IPCT in de weg staat aan de kwalificatie van IPE als interne verkoopafdeling. Zoals de Commissie ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft uiteengezet, sluit het feit dat IPU bestellingen van zowel IPE als IPCT behandelt, niet elke mogelijkheid uit dat laatstgenoemde twee ondernemingen met elkaar concurreren voor de verkoop van dezelfde producten op de markt van de Unie. Verzoeksters verklaren niet, waarom de Interpipe Group zo is georganiseerd, dat een onderneming die als interne verkoopafdeling zou moeten fungeren, concurreert met een andere onderneming van dezelfde groep.

167    Hieruit volgt dat, afgezien van het ontbreken in de statuten van IPE van een exclusiviteitsclausule ten gunste van verzoeksters, de door de Commissie vastgestelde elementen samenhangende aanwijzingen vormen die uitsluiten dat IPE kan worden beschouwd als een interne verkoopafdeling (zie punt 137 hierboven).

168    Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden geconcludeerd dat de Commissie bij de toepassing van de bestreden correctie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Bijgevolg moet het tweede middel, bedoeld in punt 34 hierboven, worden afgewezen.

 Derde middel: schending van artikel 11, lid 9, van de basisverordening doordat de Commissie de methode voor de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs heeft gewijzigd

169    Verzoeksters voeren aan dat de Commissie, overeenkomstig artikel 11, lid 9, van de basisverordening, bij nieuwe onderzoeken op grond van artikel 11, leden 2 en 3, van die verordening in de regel dezelfde methode moet gebruiken, met name voor de vaststelling van de normale waarde en de uitvoerprijs, als bij het onderzoek dat heeft geleid tot de instelling van de maatregelen die opnieuw worden onderzocht. Alleen bij gewijzigde omstandigheden zou deze methode kunnen worden veranderd. De Commissie kan echter geen nieuwe methode gebruiken alleen omdat zij deze geschikter acht dan de oude, mits de oude methode in overeenstemming is met de basisverordening. In dit geval zou de referentiemethode de methode zijn die werd toegepast tijdens het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek. Voorts betogen verzoeksters dat de Commissie, wanneer zij zich op haar oorspronkelijke onderzoek wil baseren haar eigen argument tegenspreekt dat de eerdere onderzoeken geen referentiepunt vormen.

170    Verzoeksters wijzen erop dat de Commissie de betwiste VAA‑kosten noch bij het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek, noch, naar aanleiding van hun opmerkingen (zie punten 13, 15 en 17 hierboven), bij het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek in aanmerking heeft genomen en dat, hoewel IPCT vóór dit laatste nieuwe onderzoek was opgericht, de uitvoerprijs in dat nieuwe onderzoek was berekend zonder de bestreden correctie toe te passen op de door IPE aangerekende prijzen.

171    Met het onderhavige middel betogen verzoeksters dus dat de Commissie artikel 11, lid 9, van de basisverordening in twee opzichten heeft geschonden, doordat zij bij het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek, om te beginnen, de normale waarde (eerste onderdeel) en, voorts, de uitvoerprijs (tweede onderdeel) heeft berekend volgens een andere methode dan die welke zij voorheen had toegepast. Zij stellen dat de wijzigingen die de Commissie in haar berekeningen heeft aangebracht, een „methode” vormen in de zin van voormelde bepaling, en geen „benadering”, een door de Commissie voor het Gerecht gebruikte term, die evenwel niet overeenstemt met enig begrip in de basisverordening.

172    Alvorens de twee onderdelen van het onderhavige middel te onderzoeken, dient te worden herinnerd aan de bewoordingen van artikel 11, lid 9, van de basisverordening en aan de in de rechtspraak geformuleerde beginselen.

173    Artikel 11, lid 9, van de basisverordening bepaalt dat de Commissie bij alle overeenkomstig dit artikel uitgevoerde nieuwe onderzoeken, voor zover de omstandigheden niet zijn gewijzigd, op dezelfde wijze te werk gaat als bij het onderzoek dat tot instelling van het recht heeft geleid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2 van die verordening.

174    In de eerste plaats zij erop gewezen dat de uitzondering volgens welke de instellingen bij een procedure voor een nieuw onderzoek op een andere wijze te werk mogen gaan dan bij de oorspronkelijke procedure wanneer de omstandigheden zijn gewijzigd, noodzakelijkerwijs strikt moet worden uitgelegd, aangezien een afwijking van of uitzondering op een algemene regel restrictief dient te worden uitgelegd (arrest van 3 december 2020, Changmao Biochemical Engineering/Distillerie Bonollo e.a., C‑461/18 P, EU:C:2020:979, punt 143). De bewijslast berust op de instellingen: zij moeten aantonen dat de omstandigheden zijn gewijzigd, willen zij bij het nieuwe onderzoek een andere methode toepassen dan die welke bij het oorspronkelijke onderzoek is gehanteerd (arrest van 19 september 2013, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, C‑15/12 P, EU:C:2013:572, punt 18).

175    Het vereiste van een strikte uitlegging van de bij wijze van uitzondering door artikel 11, lid 9, van de basisverordening toegestane mogelijkheid om van methode te veranderen, kan instellingen niet toestaan een methode te blijven toepassen die niet in overeenstemming zou zijn met de bepalingen van artikel 2 van de basisverordening (zie in die zin arresten van 19 september 2013, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, C‑15/12 P, EU:C:2013:572, punt 19; 18 september 2014, Valimar, C‑374/12, EU:C:2014:2231, punt 43, en 3 december 2020, Changmao Biochemical Engineering/Distillerie Bonollo e.a., C‑461/18 P, EU:C:2020:979, punt 144).

176    Tot rechtvaardiging van een wijziging van methode volstaat echter niet dat een nieuwe methode geschikter is dan de oude, er evenwel van uitgaande dat de oude methode verenigbaar was met artikel 2 van de basisverordening (zie arrest van 17 maart 2015, RFA International/Commissie, T‑466/12, EU:T:2015:151, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

177    In de tweede plaats betreft de in artikel 11, lid 9, van de basisverordening bedoelde wijziging van omstandigheden de parameters die tot berekening van de dumpingmarge overeenkomstig met name artikel 2 van deze verordening, volgens de gekozen methode zijn toegepast bij het oorspronkelijke onderzoek, dat heeft geleid tot de oplegging van het recht (zie in die zin arrest van 28 april 2015, CHEMK en KF/Raad, T‑169/12, EU:T:2015:231, punt 90).

178    In de derde plaats betekent het gebruik van dezelfde methode niet dat opnieuw gebruik moet worden gemaakt van dezelfde bij een vorig onderzoek verzamelde gegevens of van dezelfde feitelijke of cijfermatige conclusies die uit die gegevens zijn getrokken (arrest van 7 februari 2013, Acron/Raad, T‑118/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:67, punt 115).

179    De twee onderdelen van het onderhavige middel moeten achtereenvolgens in het licht van deze beginselen worden onderzocht.

 Eerste onderdeel: wijziging door de Commissie van de methode voor de berekening van de normale waarde

180    Ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het derde middel voeren verzoeksters aan dat de Commissie noch in de bestreden verordening, noch in de brief van 2 augustus 2019 heeft verwezen naar enige wijziging in de omstandigheden sinds het onderzoek dat verband hield met het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek, die de toepassing zou rechtvaardigen van een andere methode om te bepalen of hun verkopen in het kader van normale handelstransacties hadden plaatsgevonden en om de berekende normale waarde vast te stellen. Bovendien wijzen verzoeksters erop dat de Commissie in die brief heeft erkend dat zij haar methode had gewijzigd op grond dat ten tijde van het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek en het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek de betwiste VAA‑kosten abusievelijk niet in aanmerking waren genomen en dat de thans toegepaste methode in overeenstemming was met artikel 2, leden 4 en 6, van de basisverordening en dat de genoemde fout geen gewettigd vertrouwen had gewekt waarop verzoeksters zich konden beroepen. Volgens verzoeksters kan op grond van deze summiere uiteenzettingen van de Commissie niet worden aangenomen dat zij het bewijs heeft geleverd van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, die strikt zou moeten worden uitgelegd.

181    De Commissie zou er evenmin in geslaagd zijn te bewijzen dat de uitsluiting van de betwiste VAA‑kosten niet in overeenstemming was met artikel 2 van de basisverordening. De bewering van de Commissie dat de nieuwe methode in overeenstemming is met dat artikel, zou immers niet neerkomen op een verklaring dat de methode die is gevolgd in het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek en in het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek onjuist was. Verzoeksters stellen met klem dat de door de Commissie vanaf het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek gemaakte fout, zo het al een fout was, had moeten worden gecorrigeerd in het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek. In het kader daarvan zou de Commissie de betwiste VAA‑kosten in detail evenwel hebben onderzocht en uiteindelijk het door verzoeksters met betrekking tot deze kosten verdedigde standpunt hebben aanvaard.

182    De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.

183    Opgemerkt zij dat het besluit om de betwiste VAA‑kosten al dan niet in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de normale waarde geen feitelijke kwestie is die de Commissie zou kunnen bijstellen op basis van door verzoeksters verstrekte nieuwe gegevens, maar voortvloeit uit de uitlegging die de Commissie heeft willen geven van de relevante bepalingen van artikel 2 van de basisverordening, in het bijzonder de leden 3, 4 en 6 ervan. De opname van deze kosten in het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek, nadat zij in het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek en in het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek waren uitgesloten, vormt bijgevolg een verandering van methode in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening.

184    Zoals uit het onderzoek van het eerste middel volgt, vereist de basisverordening, uitgelegd in het licht van de relevante rechtspraak, echter dat de NHT-toets wordt toegepast en dat de normale waarde in de zin van artikel 2, lid 3, van die verordening wordt berekend op basis van alle VAA‑kosten die bij de directe en indirecte verkopen van verzoeksters op de Oekraïense markt zijn ontstaan. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, voldeed de methode die zij heeft toegepast in het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek en het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek niet aan artikel 2 van de basisverordening, voor zover daarbij de betwiste VAA‑kosten buiten beschouwing zijn gelaten.

185    Hieruit volgt dat, overeenkomstig de in punt 175 hierboven vermelde rechtspraak, de door de Commissie toegepaste wijziging van de methode niet in strijd is met artikel 11, lid 9, van de basisverordening.

186    In het kader van het onderhavige onderdeel stellen verzoeksters ook schending van het vertrouwensbeginsel, gezien het feit dat zij, toen zij de Commissie hadden verzocht (zie punt 12 hierboven) om uitvoering van het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek dat tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, hadden verwacht dat de dumpingmarge zou worden berekend volgens dezelfde methode als die welke de Commissie sinds het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek had gebruikt.

187    Volgens vaste rechtspraak kan iedere justitiabele zich op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen beroepen wanneer hij zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat de Unie‑administratie, door hem precieze toezeggingen te doen, gegronde verwachtingen bij hem heeft gewekt. Die toezeggingen moeten bovendien in overeenstemming zijn met de geldende normen (arrest van 24 maart 2011, ISD Polska e.a./Commissie, C‑369/09 P, EU:C:2011:175, punt 123; zie ook arrest van 17 december 2010, EWRIA e.a./Commissie, T‑369/08, EU:T:2010:549, punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

188    Zelfs indien verzoeksters van de Commissie voldoende precieze toezeggingen hadden gekregen over de uitsluiting van de betwiste VAA‑kosten, zouden die toezeggingen in het onderhavige geval in strijd zijn geweest met artikel 2 van de basisverordening, zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel.

189    In elk geval blijkt uit het dossier niet dat dergelijke toezeggingen in het kader van het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek aan verzoeksters zijn gedaan. Wat betreft de toezeggingen die zouden zijn voortgevloeid uit de gedachtewisselingen tussen de Commissie en verzoeksters over de betwiste VAA‑kosten tijdens het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek, zij erop gewezen dat die gedachtewisselingen op 13 juli 2018 zijn begonnen (zie punt 13 hierboven). Vóór die datum hadden verzoeksters echter al verzocht om het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek, dat heeft geleid tot de vaststelling van de bestreden verordening, zoals blijkt uit de bekendmaking op 7 mei 2018 van de aankondiging van dat nieuwe onderzoek (zie punt 12 hierboven). Verzoeksters kunnen zich dus niet beroepen op een gewettigd vertrouwen dat voortvloeit uit gedachtewisselingen die eerder hebben plaatsgevonden in het kader van het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek.

190    Bijgevolg is de grief van verzoeksters betreffende schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen ongegrond.

191    Gelet op de voorgaande overwegingen moet het eerste onderdeel van het derde middel worden afgewezen.

 Tweede onderdeel: wijziging door de Commissie van de methode voor de berekening van de uitvoerprijs

192    Met het tweede onderdeel van het onderhavige middel betogen verzoeksters dat de oprichting van IPCT in 2014 geen wijziging van de omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek vormt die de bestreden correctie zou kunnen rechtvaardigen. Bijgevolg had de Commissie de bij dat onderzoek gevolgde methode moeten blijven toepassen, daar zij niet kon aantonen dat deze niet in overeenstemming was met artikel 2 van de basisverordening. Verzoeksters betwisten het door de Commissie in de brief van 2 augustus 2019 aangevoerde argument dat zij, aangezien het doel van een nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel verschilt van dat van een tussentijds nieuw onderzoek, een gedetailleerde analyse van de structuur van de Interpipe Group heeft verricht tijdens het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek, maar niet tijdens het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek. Zij maken ook bezwaar tegen het argument van de Commissie dat de relevante vraag voor de toepassing van artikel 11, lid 9, van de basisverordening is of de omstandigheden sinds het vorige tussentijdse nieuwe onderzoek zijn gewijzigd. De procedureregels, met uitzondering van die betreffende de termijnen, en de omvang van de nieuwe onderzoeken uit hoofde van het vervallen van maatregelen en van de tussentijdse nieuwe onderzoeken zouden, wat de vaststelling van de dumpingmarge betreft, vergelijkbaar, zo niet identiek zijn, zoals zou volgen uit artikel 11, lid 5, van de basisverordening.

193    De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.

194    Zoals uit de punten 143 tot en met 148 hierboven blijkt, hebben de instellingen na de uitspraak van het eerste arrest Interpipe en tot het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek, toen zij besloten de door het Gerecht in dat arrest onwettig verklaarde correctie niet langer op de Interpipe Group toe te passen, geen onderzoek verricht met betrekking tot de vier in de punten 152 tot en met 155 hierboven genoemde elementen op basis waarvan de Commissie na het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek de bestreden correctie heeft verricht.

195    Het is juist dat tijdens het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek het bestaan van IPCT door de Commissie is vermeld. De Commissie heeft hieruit echter geen conclusies getrokken met betrekking tot de uitvoerprijzen van IPE.

196    Hieruit volgt dat de Commissie voor de vaststelling van de bestreden verordening de bestreden correctie heeft toegepast op basis van feitelijke elementen die zij niet eerder had onderzocht of waaruit zij geen rechtsgevolgen had afgeleid.

197    Hieraan moet worden toegevoegd dat de toepassing van een correctie op basis van elementen die in het verleden niet zijn onderzocht, niet kan worden beschouwd als een wijziging van methode in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, maar het gevolg is van de vaststelling dat nu aan de voorwaarden voor een dergelijke correctie is voldaan (zie in die zin arrest van 16 december 2011, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, T‑423/09, EU:T:2011:764, punt 57).

198    Ervan uitgaande dat de Commissie haar methode in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening heeft gewijzigd, moet in elk geval, om te beginnen, worden opgemerkt dat volgens de rechtspraak wijzigingen die de structuur van een groep en de organisatie van haar uitvoer naar de Unie beïnvloeden, een wijziging van omstandigheden in de zin van die bepaling vormen. Een dergelijke wijziging van de omstandigheden kan een wijziging van de methode rechtvaardigen, wanneer deze wijziging het gevolg is van het ontstaan van een tweede verkoopkanaal voor de betrokken groep en, derhalve, van de wijziging in de organisatie van de verkoop van de groep (zie in die zin arrest van 17 maart 2015, RFA International/Commissie, T‑466/12, EU:T:2015:151, punten 100 en 101).

199    Aan het recht dat de Commissie aldus heeft om de bestreden correctie toe te passen zonder artikel 11, lid 9, van de basisverordening te schenden, wordt niet afgedaan door het feit dat de vier elementen waarop zij zich daartoe heeft gebaseerd, niet alle nieuw zijn, zodat de Commissie eerder rekening had kunnen houden met de reeds eerder bestaande elementen. Ervan uitgaande dat de Commissie bij eerdere nieuwe onderzoeken per abuis geen rekening heeft gehouden met deze elementen of er niet de juridische gevolgen aan heeft verbonden, kan zij niet worden verplicht dezelfde fout te herhalen bij de vaststelling van de bestreden verordening, enkel om geen inbreuk te maken op artikel 11, lid 9, van de basisverordening. Dit artikel kan immers niet aldus worden uitgelegd dat de Commissie een methode moet blijven toepassen die niet in overeenstemming zou zijn met het bepaalde in artikel 2 van de basisverordening (zie punt 175 hierboven).

200    In de tweede plaats zij erop gewezen dat de rol van IPCT een van de voornaamste elementen is die de bestreden correctie rechtvaardigen. Het is juist dat deze onderneming al actief was ten tijde van het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek en dat de Commissie haar heeft genoemd in uitvoeringsverordening 2018/1469. Volgens de rechtspraak moeten de instellingen in het kader van een uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening verricht nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen waarvan de vervaldatum nadert, evenwel alleen vaststellen of het vervallen van die maatregelen tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden, in welk geval die maatregelen worden gehandhaafd. Is dat niet zo, dan worden de antidumpingmaatregelen ingetrokken. Bijgevolg kan een nieuw onderzoek van de maatregelen waarvan de vervaldatum nadert, niet ertoe leiden dat de geldende maatregelen worden gewijzigd. Wat betreft een tussentijds nieuw onderzoek in de zin van artikel 11, lid 3, van die verordening, kan de Commissie daarentegen onder meer nagaan of de omstandigheden met betrekking tot dumping en schade ingrijpend zijn gewijzigd en kan zij de antidumpingmaatregelen niet alleen intrekken of handhaven maar ook wijzigen [arresten van 11 februari 2010, Hoesch Metals and Alloys, C‑373/08, EU:C:2010:68, punt 76; 18 september 2014, Valimar, C‑374/12, EU:C:2014:2231, punt 52, en 18 oktober 2016, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑351/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:616, punt 57].

201    De Commissie kan dus niet worden verweten dat zij de rol van IPCT tijdens het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek niet grondiger heeft onderzocht en dat zij daaruit niet dezelfde juridische conclusies heeft getrokken als bij het in 2019 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek.

202    Gelet op de voorgaande overwegingen moeten het tweede onderdeel van het onderhavige middel en bijgevolg alle in het kader van het tweede (zie punten 157 en 168 hierboven) en het derde middel aangevoerde grieven worden afgewezen.

203    De afwijzing van de eerste drie middelen heeft tevens de afwijzing van de in punt 36 hierboven vermelde grieven van verzoeksters tot gevolg, aangezien de door hen aangevoerde schendingen van artikel 9, lid 4, tweede alinea, van de basisverordening en van artikel 9, lid 3, van de Antidumpingovereenkomst van de WTO uitsluitend zijn gebaseerd op de grieven die bij het onderzoek van die middelen zijn afgewezen.

 Vierde middel: schending van de rechten van de verdediging

204    Verzoeksters stellen dat hun rechten van verdediging zijn geschonden omdat de Commissie hun pas bij brief van 2 augustus 2019, verzonden op dezelfde dag als die van de bekendmaking van de bestreden verordening in het Publicatieblad, nieuwe argumenten heeft meegedeeld betreffende het feit dat ook bij verkopen aan een verbonden afnemer als IPU VAA‑kosten worden gemaakt, betreffende de erkenning van een fout dienaangaande in het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek en het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek, alsook betreffende de statuten van IPE en de betrokken overeenkomsten. Deze argumenten zouden de basis vormen voor het besluit van de Commissie om de betwiste VAA‑kosten in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de normale waarde en om IPE niet langer als een interne verkoopafdeling te beschouwen.

205    Verzoeksters wijzen erop dat zij voor het slagen van dit middel niet hoeven aan te tonen dat de inhoud van de bestreden verordening anders zou zijn geweest indien zij hun opmerkingen over deze argumenten hadden kunnen indienen vóór de vaststelling van die verordening. Het volstaat dat een dergelijk geval niet volledig is uitgesloten, aangezien zij zich zonder de procedurefout beter hadden kunnen verdedigen. Uit het eerste en het tweede middel zou naar voren komen dat verzoeksters aanvullende opmerkingen hadden kunnen maken die hadden kunnen afdoen aan de geldigheid van de door de Commissie in de bestreden verordening aangebrachte wijzigingen in de methodologie door rekening te houden met de betwiste VAA‑kosten en de bestreden correctie toe te passen. Aldus zou niet volledig kunnen worden uitgesloten dat de Commissie tot een ander besluit over de in voormelde middelen opgeworpen vragen had kunnen komen indien verzoeksters in de loop van de administratieve procedure de in de brief van 2 augustus 2019 vervatte informatie hadden ontvangen.

206    De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.

207    Alvorens in te gaan op de argumenten van verzoeksters betreffende de gestelde schending van de rechten van de verdediging met betrekking tot zowel de betwiste VAA‑kosten als de bestreden correctie, moeten de grondbeginselen met betrekking tot deze rechten in herinnering worden gebracht.

208    De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt een algemeen beginsel van Unierecht, waarvan het recht om in elke procedure te worden gehoord integraal deel uitmaakt [zie arresten van 3 juli 2014, Kamino International Logistics en Datema Hellmann Worldwide Logistics, C‑129/13 en C‑130/13, EU:C:2014:2041, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 december 2014, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑643/11, EU:T:2014:1076, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

209    De eerbiediging van de rechten van de verdediging – die van kapitaal belang is in antidumpingonderzoeksprocedures – impliceert dat de belanghebbende ondernemingen tijdens de administratieve procedure in staat zijn gesteld om zinvol hun standpunt kenbaar te maken over het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en over het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar gestelde bestaan van dumping en van daaruit voortvloeiende schade [arresten van 27 juni 1991, Al-Jubail Fertilizer/Raad, C‑49/88, EU:C:1991:276, punt 17; 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punten 76 en 77, en 12 december 2014, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑643/11, EU:T:2014:1076, punt 41].

210    Een onregelmatigheid met betrekking tot de eerbiediging van deze rechten kan enkel tot de nietigverklaring van een verordening tot instelling van een antidumpingrecht leiden indien de mogelijkheid bestaat dat als gevolg van deze onregelmatigheid de administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden, en dus dat aan de rechten van de verdediging van de betrokken partij daadwerkelijk afbreuk is gedaan. Deze partij kan evenwel niet worden verplicht aan te tonen dat het besluit van de Commissie anders zou hebben geluid, maar alleen dat zulks niet helemaal is uitgesloten, aangezien deze partij zich zonder de betwiste procedurele onregelmatigheid beter had kunnen verdedigen (arrest van 10 april 2019, Jindal Saw en Jindal Saw Italia/Commissie, T‑301/16, EU:T:2019:234, punten 66 en 67; zie in die zin ook arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punten 78 en 79).

211    Tot slot zij eraan herinnerd dat het recht te worden gehoord geldt voor alle elementen, feitelijk en rechtens, waarop het besluit is gebaseerd, maar niet voor het definitieve standpunt dat de administratie voornemens is in te nemen. Dit recht verlangt dus niet dat de administratie, voordat zij haar eindbesluit met betrekking tot de beoordeling van door een partij overgelegde elementen vaststelt, deze laatste opnieuw in de gelegenheid stelt om zich over die elementen uit te spreken (zie in die zin arresten van 4 maart 2020, Tulliallan Burlington/EUIPO, C‑155/18 P‑C‑158/18 P, EU:C:2020:151, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 19 mei 2010, IMI e.a./Commissie, T‑18/05, EU:T:2010:202, punt 109, en 9 maart 2015, Deutsche Börse/Commissie, T‑175/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:148, punt 344).

212    De grieven van verzoeksters betreffende de gestelde schending van de rechten van de verdediging met betrekking tot de VAA‑kosten en voorts de bestreden correctie moeten in het licht van deze beginselen worden onderzocht.

 Grieven betreffende de betwiste VAAkosten

213    Volgens verzoeksters had de Commissie in het AID 2019 aangegeven dat zij voornemens was om de betwiste VAA‑kosten in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de normale waarde. Zij geven aan dat zij deze aanpak van de Commissie in hun opmerkingen over het AID 2019 hadden bekritiseerd op grond dat de Commissie daarmee de stelling herhaalde die zij reeds had aangevoerd in het kader van het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek, en die zij bij de vaststelling van de uitvoeringsverordening 2018/1469 had laten varen naar aanleiding van de bezwaren die zij hadden geuit.

214    Het is juist dat de Commissie in de punten 3 tot en met 6 van de brief van 2 augustus 2019 in de eerste plaats heeft gepreciseerd dat verzoeksters in hun antwoorden op de vragenlijst van de Commissie hadden vermeld dat er sprake was van kosten in verband met verkopen tussen verbonden ondernemingen binnen de Interpipe Group, in de tweede plaats dat de verkopen tussen deze ondernemingen VAA‑kosten omvatten, in de derde plaats dat de voor de toepassing van artikel 2 van de basisverordening gebruikte methode alle ondersteuningskosten moet weergeven, en, in de vierde plaats dat de betwiste VAA‑kosten in het in 2018 beëindigde laatste nieuwe onderzoek en het in 2012 beëindigde tussentijdse nieuwe onderzoek per abuis niet waren meegenomen, terwijl zij in het oorspronkelijke onderzoek wel in aanmerking zouden zijn genomen.

215    Deze opmerkingen van de Commissie, die verzoeksters na de vaststelling van de bestreden verordening hebben ontvangen, bevatten echter geen elementen, feitelijk of rechtens, waarvan zij niet eerder op de hoogte waren en waarover zij zich niet hadden kunnen uitspreken. Zij vormen de basis van het definitieve standpunt van de Commissie over de kwestie van de betwiste VAA‑kosten, zodat op grond van de in punt 211 hierboven vermelde rechtspraak op dit punt geen schending van de rechten van de verdediging kan worden vastgesteld.

216    Aangezien verzoeksters aanvoeren dat de aanvullende argumenten die zij voor de Commissie hadden kunnen aanvoeren indien zij de in de brief van 2 augustus 2019 vervatte gegevens eerder hadden ontvangen, de argumenten zijn die zij voor het Gerecht hebben aangevoerd (zie punt 205 hierboven), moet voorts worden vastgesteld dat al deze argumenten bij het onderzoek van de andere in het onderhavige beroep aangevoerde middelen zijn afgewezen. Derhalve is niet aangetoond dat, indien verzoeksters deze argumenten tijdens de administratieve procedure hadden aangevoerd, deze procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden (zie in die zin en naar analogie arrest van 30 april 2014, Tisza Erőmű/Commissie, T‑468/08, niet gepubliceerd, EU:T:2014:235, punt 217).

217    De onderhavige bezwaren moeten derhalve worden afgewezen.

 Grieven met betrekking tot de bestreden correctie

218    Er zij aan herinnerd dat de Commissie in de brief van 2 augustus 2019, waarvan de datum samenvalt met die van de bekendmaking van de bestreden verordening in het Publicatieblad, de motivering van die verordening heeft aangevuld met elementen die wegens hun vertrouwelijke aard niet in die verordening konden worden opgenomen. In die brief heeft de Commissie geantwoord op de bezwaren die verzoeksters hadden aangevoerd in hun opmerkingen over het AID 2019 en die niet waren beantwoord in het document met aanvullende informatie van 27 juni 2019 (zie punt 22 hierboven).

219    De vier elementen, beschreven in de brief van 2 augustus 2019, waarop de Commissie zich heeft gebaseerd bij de toepassing van de bestreden correctie (zie punten 151‑155 hierboven), waren voor verzoeksters in het AID 2019 uiteengezet in de punten 34 tot en met 42. In hun opmerkingen over het AID 2019 hebben verzoeksters deze vier elementen opgesomd en over elk ervan een standpunt ingenomen.

220    Verzoeksters voeren echter aan dat de brief van 2 augustus 2019 aanvullende motiveringen bevat die niet in het AID 2019 waren opgenomen. Zo zou de Commissie hierin voor het eerst hebben vermeld dat in de betrokken overeenkomsten was bepaald dat het risico van IPU werd overgedragen op IPE of IPCT en dat in de statuten van IPE niet was bepaald dat zij handelde in opdracht van IPU, maar dat IPE alle financiële, fiduciaire of commerciële verrichtingen kon uitvoeren die verband hielden met haar doel.

221    Er zij echter op gewezen dat deze gestelde aanvullende rechtvaardigingen slechts verduidelijkingen zijn van de in het AID 2019 opgenomen elementen, die de Commissie heeft toegevoegd na de opmerkingen van verzoeksters over dat document. Deze verduidelijkingen, die betrekking hebben op de inhoud van de statuten van IPE en de betrokken overeenkomsten, die verzoeksters duidelijk bekend zijn, bevatten geen nieuwe feitelijke of juridische elementen, maar betreffen aangelegenheden waarover verzoeksters zich in die opmerkingen hebben uitgesproken.

222    Derhalve moet worden geconcludeerd dat de Commissie in de brief van 2 augustus 2019 slechts haar definitieve standpunt over de bestreden correctie heeft uiteengezet, dat is vastgesteld op basis van elementen waarover verzoeksters hun standpunt kenbaar hadden kunnen maken. In die omstandigheden kan, overeenkomstig de in punt 211 hierboven vermelde rechtspraak, geen schending van de rechten van de verdediging worden vastgesteld.

223    Bovendien gelden de in punt 216 hierboven uiteengezette overwegingen evenzeer voor de onderhavige grieven van verzoeksters.

224    In het licht van de voorgaande overwegingen moet het vierde middel worden afgewezen en bijgevolg het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

225    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Zevende kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Interpipe Niko Tube LLC en Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant OJSC worden verwezen in de kosten.

da Silva Passos

Truchot

Sampol Pucurull

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 juli 2021.

ondertekeningen


Inhoud


Procedure en conclusies van partijen

In rechte

Eerste middel: onrechtmatigheid van het opnemen, in de berekening van de normale waarde, van de VAA kosten betreffende de verkopen van verzoeksters aan IPU

Bepalingen van de bestreden verordening met betrekking tot de normale waarde

Werkingssfeer van artikel 2, leden 3, 4 en 6, van de basisverordening

Begrip „één enkele economische eenheid” en zijn gevolgen

Grieven ontleend aan de beslissingen van het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO

Theoretische aard van de betwiste VAA kosten

Schending van de praktijk van de Commissie

Tweede middel: kennelijke beoordelingsfout bij de toepassing op de uitvoerprijs van een bedrag dat overeenkomt met de VAA kosten en de winst van een op commissiebasis werkende agent

Voorgeschiedenis van de toepassing op de Interpipe Group van een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening en de hieraan voorafgaande verordeningen

– In verordening nr. 954/2006 op de Interpipe Group toegepaste correctie en het gevolg dat is gegeven aan de vastgestelde onwettigheid ervan in het eerste arrest Interpipe

– Toepassing van de bestreden correctie

Betwisting door verzoeksters van de elementen waarop de bestreden correctie berust

Derde middel: schending van artikel 11, lid 9, van de basisverordening doordat de Commissie de methode voor de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs heeft gewijzigd

Eerste onderdeel: wijziging door de Commissie van de methode voor de berekening van de normale waarde

Tweede onderdeel: wijziging door de Commissie van de methode voor de berekening van de uitvoerprijs

Vierde middel: schending van de rechten van de verdediging

Grieven betreffende de betwiste VAA kosten

Grieven met betrekking tot de bestreden correctie

Kosten


*      Procestaal: Engels.