Language of document : ECLI:EU:T:2019:638

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid)

20 september 2019 (*)

„REACH – Beoordeling van stoffen – Triclosan – Besluit van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht – Artikel 51, lid 6, van verordening (EG) nr. 1907/2006 – Beroep ingesteld bij de kamer van beroep – Opdracht van de kamer van beroep – Procedure op tegenspraak – Toetsingsomvang – Toetsingsintensiteit – Bevoegdheden van de kamer van beroep – Artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 – Artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 – Relevante informatie – Evenredigheid – Artikel 25 van verordening nr. 1907/2006 – Bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 – Onder relevante omstandigheden verkregen gegevens – Persistentie – Neurotoxiciteit – Reprotoxiciteit – Artikel 12, lid 1, van verordening (EG) nr. 771/2008 – Vertraging bij de indiening van een wetenschappelijk advies”

In zaak T‑125/17,

BASF Grenzach GmbH, gevestigd te Grenzach-Wyhlen (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Nordlander en M. Abenhaïm, advocaten, vervolgens door K. Nordlander en K. Le Croy, solicitor,

verzoekster,

tegen

Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Heikkilä, W. Broere en T. Röcke, vervolgens door M. Heikkilä, W. Broere en C. Jacquet als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door

Koninkrijk Denemarken, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Thorning en M. Wolff, vervolgens door M. Wolff, J. Nymann-Lindegren en P. Ngo als gemachtigden,

door

Bondsrepubliek Duitsland, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze en D. Klebs, vervolgens door D. Klebs als gemachtigden,

en door

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Bulterman en C. Schillemans als gemachtigden,

interveniënten,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van beslissing A-018‑2014 van de kamer van beroep van ECHA van 19 december 2016, voor zover daarbij verzoeksters beroep tegen het besluit van ECHA van 19 september 2014 waarbij om aanvullende informatie over de stof triclosan (CAS 3380‑34-5) wordt verzocht, gedeeltelijk is verworpen en de uiterste datum voor indiening van die informatie is vastgesteld op 26 december 2018,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, I. Labucka, S. Papasavvas, A. Dittrich (rapporteur) en I. Ulloa Rubio, rechters,

griffier: N. Schall, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 december 2018,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding en bestreden beslissing

1        Triclosan (CAS 3380‑34-5) is een breedspectrumantibioticum dat is goedgekeurd voor gebruik als conserverend middel in bepaalde soorten cosmetische producten. Het is uitsluitend voor cosmetisch gebruik geregistreerd overeenkomstig verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3).

2        Verzoekster, BASF Grenzach GmbH, fabrikant van triclosan, is de enige registrant van die stof in de zin van artikel 3, punt 7, van verordening nr. 1907/2006.

3        In 2012 is triclosan opgenomen in het voortschrijdend communautair actieplan voor de beoordelingen in de zin van artikel 44 van verordening nr. 1907/2006, aangezien er redenen tot ongerustheid waren met betrekking tot de persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen alsmede de mogelijke hormoonontregelende effecten van deze stof.

4        Krachtens artikel 45 van verordening nr. 1907/2006 is de bevoegde instantie van het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen om triclosan te beoordelen in samenwerking met de bevoegde instantie van het Koninkrijk Denemarken. Overeenkomstig artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 hebben die instanties samen een ontwerpbesluit ten aanzien van verzoekster opgesteld dat voorzag in verzoeken om aanvullende informatie over triclosan.

5        Op 20 maart 2013 is verzoekster overeenkomstig artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 op de hoogte gesteld van het ontwerpbesluit.

6        Op 23 april 2013 heeft verzoekster opmerkingen over het ontwerpbesluit ingediend.

7        De bevoegde instantie van het Koninkrijk der Nederlanden heeft verzoeksters opmerkingen in aanmerking genomen en heeft het ontwerpbesluit overeenkomstig artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 herzien.

8        Op 6 maart 2014 zijn het herziene ontwerpbesluit en verzoeksters opmerkingen overeenkomstig artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 meegedeeld aan de bevoegde instanties van de andere lidstaten en aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA).

9        Vier bevoegde instanties van die andere lidstaten en ECHA hebben wijzigingsvoorstellen ingediend krachtens artikel 51, lid 2, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

10      Na die voorstellen te hebben onderzocht, heeft de bevoegde instantie van het Koninkrijk der Nederlanden het ontwerpbesluit gewijzigd krachtens artikel 51, lid 4, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

11      Op 22 april 2014 is het gewijzigde ontwerpbesluit voorgelegd aan het Comité lidstaten overeenkomstig artikel 51, lid 4, tweede volzin, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

12      Verzoekster heeft over die wijzigingsvoorstellen opmerkingen gemaakt waarmee het Comité lidstaten rekening heeft gehouden (artikel 51, lid 5, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening).

13      Op 12 juni 2014 heeft het Comité lidstaten krachtens artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, met eenparigheid van stemmen overeenstemming bereikt over het gewijzigde ontwerpbesluit.

14      Op 19 september 2014 heeft ECHA besluit SEV-D-2114285478‑33-01/F inzake de beoordeling van triclosan (hierna: „besluit van ECHA”) vastgesteld op basis van artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening. Bij dat besluit heeft het verzoekster verzocht met name de volgende informatie over te leggen:

–        een simulatietest met betrekking tot de uiteindelijke afbraak van triclosan in oppervlaktewater (meer of rivier) en in zeewater, die als pelagische test wordt uitgevoerd, dat wil zeggen uitsluitend in water, zonder gesuspendeerd sediment, bij een geschikte omgevingstemperatuur van hoogstens 12 graden Celsius, volgens testmethode C.25 van de Europese Unie en richtsnoeren 309 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor het testen van chemische stoffen (hierna: „persistentietest”);

–        een uitgebreid onderzoek naar neurotoxiciteit bij de ontwikkeling, volgens OESO-richtsnoeren 426 voor het testen van chemische stoffen, rekening houdend met de relevante gegevens van het uitgebreide onderzoek naar reprotoxiciteit over één generatie, volgens OESO-richtsnoeren 443 voor het testen van chemische stoffen, dat proeven met ratten inhoudt (hierna: „uitgebreid neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat”);

–        een test met betrekking tot de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen, volgens richtsnoeren 234 van de OESO voor het testen van chemische stoffen, op de zebravis of het Japanse rijstvisje (hierna: „vistest”).  

15      Bij zijn besluit heeft ECHA verzoekster eveneens verzocht de beschikbare informatie over te leggen met betrekking tot de effecten van triclosan op het cardiovasculaire systeem van bepaalde laboratoriumdieren en de mens, alsmede nadere gegevens over een scenario van schadelijke emissies van het type „gebruik binnenshuis met verspreiding op grote schaal van stoffen in open systemen”.

16      Bij het besluit van ECHA is de uiterste datum voor indiening van de gevraagde informatie vastgesteld op 26 september 2016.

17      Op 17 december 2014 heeft verzoekster krachtens artikel 51, lid 8, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, en artikel 91, lid 1, van die verordening, tegen het besluit van ECHA beroep ingesteld bij de kamer van beroep van dat agentschap.

18      Overeenkomstig artikel 91, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 had het beroep tegen het besluit van ECHA schorsende werking.

19      Op 2 april 2015 heeft ECHA zijn verweerschrift bij de kamer van beroep ingediend.

20      Op 6 oktober 2015 heeft PETA International Science Consortium Ltd toelating gekregen om bij de kamer van beroep te interveniëren aan de zijde van verzoekster.

21      Op 12 januari 2016 heeft PETA International Science Consortium haar memorie in interventie bij de kamer van beroep ingediend. Op 22 februari 2016 hebben ECHA en verzoekster hun opmerkingen over die memorie ingediend. Verzoekster heeft bij haar opmerkingen een deskundigenadvies gevoegd.

22      Op 9 juni 2016 heeft een terechtzitting voor de kamer van beroep plaatsgevonden. Ter terechtzitting heeft ECHA drie studies overgelegd ter betwisting van het deskundigenadvies dat verzoekster in het kader van haar opmerkingen over de memorie in interventie had ingediend. Die kamer heeft partijen de gelegenheid gegeven om na de terechtzitting hun opmerkingen in te dienen over dat advies en de drie door ECHA overgelegde studies.

23      Op 19 december 2016 heeft de kamer van beroep beslissing A-018‑2014 (hierna: „bestreden beslissing”) gegeven. Bij die beslissing heeft zij het besluit van ECHA nietig verklaard, voor zover ECHA verzoekster had verplicht informatie te verstrekken met betrekking tot de effecten van triclosan op het cardiovasculaire systeem (zie punt 15 hierboven), en het beroep verworpen voor het overige. Voorts heeft zij de termijn voor overlegging van de in punt 14 hierboven vermelde informatie vastgesteld op 26 december 2018.

II.    Procedure bij het Gerecht en conclusies van partijen

24      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 februari 2017, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

25      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op diezelfde dag, heeft verzoekster een verzoek in kort geding ingediend waarbij zij de president van het Gerecht verzocht de onmiddellijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te gelasten in afwachting van een beslissing over het verzoek om voorlopige maatregelen, de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing op te schorten voor zover zij de persistentietest, het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat en de vistest betreft, en dienovereenkomstig voor de duur van de opschorting een termijnverlenging te gelasten voor de mededeling van de resultaten van de tests en het onderzoek. Het verzoek in kort geding is afgewezen bij beschikking van 13 juli 2017, BASF Grenzach/ECHA (T‑125/17 R, niet gepubliceerd, EU:T:2017:496), op grond dat verzoekster het spoedeisend karakter niet had aangetoond, en de kosten voor die procedure zijn aangehouden. De tegen die beschikking ingestelde hogere voorziening is afgewezen bij beschikking van 28 mei 2018, BASF Grenzach/ECHA [C‑565/17 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2018:340].

26      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 april 2017, heeft PETA International Science Consortium verzocht om in de onderhavige procedure te mogen interveniëren aan de zijde van verzoekster. Bij beschikking van 12 december 2017, BASF Grenzach/ECHA (T‑125/17, niet gepubliceerd, EU:T:2017:931), is dat verzoek afgewezen.

27      Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht respectievelijk op 16, 18 en 31 mei 2017, hebben de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken verzocht om in de onderhavige procedure te mogen interveniëren aan de zijde van ECHA. Bij beslissingen van de kamerpresident van 21 juni 2017 zijn die lidstaten toegelaten tot interventie.

28      Op 1 juni 2017 heeft het ECHA zijn verweerschrift ingediend.

29      Op 20 juli 2017 heeft verzoekster haar repliek ingediend.

30      Op 7 september 2017 heeft ECHA zijn dupliek ingediend.

31      Op 1 september 2017 hebben het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden hun memories in interventie neergelegd. Op 4 september 2017 heeft de Bondsrepubliek Duitsland haar memorie in interventie neergelegd. Op 31 oktober 2017 hebben ECHA en verzoekster hun opmerkingen over die memories ingediend.

32      Op voorstel van de Tweede kamer heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 28 van zijn Reglement voor de procesvoering de zaak naar een uitgebreide kamer verwezen.

33      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en, in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang, schriftelijke vragen te stellen aan ECHA en dat agentschap te verzoeken het administratieve dossier over te leggen. ECHA heeft binnen de gestelde termijn op die vragen geantwoord en aan dat verzoek voldaan.

34      Verzoekster, ECHA, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden zijn ter terechtzitting van 12 december 2018 gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.

35      In het kader van haar pleidooi heeft verzoekster het argument aangevoerd dat de verzoeken om informatie die onderzoeken inhielden waarbij proeven met dieren moesten worden uitgevoerd, niet in overeenstemming waren met het evenredigheidsbeginsel, omdat de uitvoering van die onderzoeken op grond van de bepalingen van verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB 2009, L 342, blz. 59) een verbod zou kunnen meebrengen op het in de handel brengen van de producten waarin triclosan wordt gebruikt.

36      Ter terechtzitting heeft ECHA afgezien van een deel van de argumenten die het tegen het eerste middel van het beroep had aangevoerd.

37      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing nietig te verklaren voor zover de kamer van beroep het beroep tegen het besluit van ECHA gedeeltelijk heeft verworpen en de uiterste datum voor het indienen van aanvullende informatie over de stof triclosan heeft vastgesteld op 26 december 2018;

–        ECHA en interveniënten te verwijzen in hun eigen kosten en in verzoeksters kosten.

38      ECHA en het Koninkrijk der Nederlanden verzoeken het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

39      Het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland verzoeken het Gerecht het beroep te verwerpen.

III. In rechte

40      In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep in de eerste plaats de middelen onderzocht die verzoekster in het kader van haar beroep bij de kamer van beroep had ontwikkeld met betrekking tot het verzoek tot uitvoering van de persistentietest, in de tweede plaats die met betrekking tot het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, in de derde plaats die met betrekking tot het verzoek tot uitvoering van de vistest, en in de vierde plaats die met betrekking tot het verzoek tot overlegging van de beschikbare informatie over de effecten van triclosan op het cardiovasculaire systeem.

41      Ter ondersteuning van het onderhavige beroep voert verzoekster twee middelen aan.

42      Met het eerste middel wordt aangevoerd dat de kamer van beroep wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden. Dat middel bestaat uit twee onderdelen: 1) die kamer heeft het besluit van ECHA ontoereikend onderzocht en 2) de kamer van beroep heeft nagelaten cruciale wetenschappelijke studies en dossiers te onderzoeken die deel uitmaakten van het dossier van ECHA en die verzoekster haar had toegezonden.

43      Met het tweede middel wordt aangevoerd dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met het dierenwelzijn en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Het middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste betreft het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, het tweede het verzoek tot uitvoering van de vistest en het derde het verzoek tot uitvoering van de persistentietest.

44      Verzoeksters argumenten zullen worden onderzocht in de volgorde van de overwegingen in de bestreden beslissing waarop zij betrekking hebben. Derhalve zullen in de eerste plaats de in het kader van het eerste middel en het derde onderdeel van het tweede middel aangevoerde argumenten worden onderzocht die zien op de verwerping van het beroep bij de kamer van beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de persistentietest. In de tweede plaats zullen de in het kader van het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel aangevoerde argumenten worden onderzocht die zien op de verwerping van dat beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat. In de derde plaats zullen de in het kader van het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel aangevoerde argumenten worden onderzocht die zien op de verwerping van dat beroep voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de vistest.

45      In de vierde plaats zal het in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel aangevoerde argument worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep in het geheel van de bestreden beslissing geen samenhangende toetsing heeft verricht. In de vijfde plaats zal het in het kader van het eerste middel aangevoerde argument worden onderzocht ontleend aan schending van verzoeksters rechten van verdediging. In de zesde plaats ten slotte zal worden rekening gehouden met het argument inzake de bepalingen van verordening nr. 1223/2009 dat verzoekster in het kader van haar pleidooi ter terechtzitting heeft aangevoerd (punt 35 hierboven).

A.      Argumenten met betrekking tot de verwerping van het beroep bij de kamer van beroep voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de persistentietest

46      In zijn besluit heeft ECHA verzoekster verzocht om de persistentietest uit te voeren. Volgens de vaststellingen in dat besluit was dat verzoek tot overlegging van aanvullende informatie over triclosan gerechtvaardigd door het feit dat er een potentieel risico bestond dat triclosan persistent was in het mariene of zoetwatermilieu, dat die vraag moest worden opgehelderd, dat het niet mogelijk was om die vraag op basis van de beschikbare informatie op te helderen en dat met de persistentietest ter zake nuttige informatie kon worden verkregen.

47      In het kader van het beroep bij de kamer van beroep heeft verzoekster aangevoerd dat ECHA niet het recht had de uitvoering van de persistentietest te vragen. Dienaangaande heeft zij de volgende vijf middelen aangevoerd: 1) schending van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006; 2) schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van die verordening; 3), schending van artikel 130 van die verordening; 4) schending van het evenredigheidsbeginsel en, 5) schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, die in hun geheel zijn verworpen om de in de punten 28 tot en met 115 van de bestreden beslissing uiteengezette redenen.

48      In het kader van het onderhavige beroep komt verzoekster op tegen de overwegingen op basis waarvan de kamer van beroep het bij haar ingestelde beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de persistentietest, heeft verworpen. In de eerste plaats zullen de argumenten worden onderzocht waarmee verzoekster de overwegingen ter discussie stelt op grond waarvan die kamer het tweede middel van het bij haar ingestelde beroep, namelijk schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, heeft afgewezen. In de tweede plaats zullen de argumenten worden onderzocht waarmee verzoekster de overwegingen ter discussie stelt op grond waarvan die kamer het eerste middel van het bij haar ingestelde beroep, namelijk schending van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006, heeft verworpen. In de derde plaats zullen de argumenten worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat de Canadese instanties tot de conclusie zijn gekomen dat triclosan noch persistente noch bioaccumulerende eigenschappen vertoont.

1.      Argumenten ter betwisting van de verwerping door de kamer van beroep van het tweede middel van het bij haar ingestelde beroep 

49      In het kader van het tweede middel van het beroep bij de kamer van beroep heeft verzoekster aangevoerd dat ECHA artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 had geschonden. In die context heeft zij met name aangevoerd dat ECHA geen rekening had gehouden met relevante informatie waaruit bleek dat triclosan grotendeels uit het afvoerwater van zuiveringsinstallaties werd geëlimineerd, niet alleen vanwege de absorptie ervan, maar ook vanwege de mineralisatie ervan. Die stof wordt snel uit de waterige fase geëlimineerd en opgenomen in sediment, hetgeen pleit voor een relatief hoog eliminatiepotentieel in het aquatische compartiment. In het kader van dat middel heeft verzoekster eveneens argumenten aangevoerd inzake de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare gegevens.

50      In de punten 57 tot en met 65 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht.

51      Om te beginnen heeft de kamer van beroep in punt 58 van de bestreden beslissing uiteengezet dat ECHA krachtens artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 weliswaar alle relevante informatie in aanmerking moest nemen die over die stof werd ingediend, maar dat dit niet betekende dat dit agentschap noodzakelijkerwijze tot dezelfde vaststellingen zou komen als verzoekster.

52      In de punten 59 tot en met 61 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep met betrekking tot, ten eerste, verzoeksters argument dat ECHA geen rekening had gehouden met informatie waaruit bleek dat triclosan door de zuiveringsinstallaties grotendeels uit het afvalwater werd geëlimineerd, opgemerkt dat, hoewel tricoslan volgens de vaststellingen in het besluit van ECHA door de zuiveringsinstallaties grotendeels uit het afvalwater werd geëlimineerd, dat niet het geval was voor de volledige stof, die in bepaalde zoete oppervlaktewateren alomtegenwoordig leek te zijn en waarvan de concentratieniveaus in het mariene milieu relatief hoog bleven. Zij is tot de slotsom gekomen dat, anders dan verzoekster stelde, rekening was gehouden met de relevante informatie, maar dat in het besluit van ECHA uit die informatie een andere conclusie was getrokken dan die welke verzoekster voorstond.

53      Ten tweede heeft de kamer van beroep met betrekking tot verzoeksters argument dat ECHA niet in aanmerking had genomen dat triclosan zich snel met het gesuspendeerd sediment verbond en dus grotendeels uit de waterige fase werd geëlimineerd, in de punten 62 en 63 van de bestreden beslissing erop gewezen dat het opmerkingen met betrekking tot de verspreiding van triclosan betrof die reeds waren gemaakt tijdens de procedure bij ECHA en dat in het besluit van dat agentschap reeds expliciet en uitputtend op die opmerkingen was geantwoord. In punt 64 van de bestreden beslissing heeft zij in antwoord op verzoeksters argument dat op de vraag of triclosan al dan niet persistent was, had moeten worden gereageerd door de bewijskracht van de beschikbare gegevens te bepalen, opgemerkt dat de bepaling van de bewijskracht overeenkomstig bijlage XI bij verordening nr. 1907/2006 kon worden gebruikt om de vereiste standaardinformatie aan te passen met het oog op de registratie. Zelfs indien een dergelijke benadering werd gevolgd met het oog op de registratie van een stof, kan volgens haar in het kader van de beoordeling van die stof evenwel worden verzocht om aanvullende informatie om te verduidelijken of er ter zake bezorgdheid bestaat, mits ECHA zijn beoordelingsbevoegdheid correct heeft uitgeoefend door met name alle relevante informatie die over de betrokken stof was ingediend in aanmerking te nemen.

54      Verzoekster betwist die opvattingen en voert daartoe om te beginnen aan dat de kamer van beroep haar opdracht in het kader van een bij haar ingesteld beroep heeft veronachtzaamd, ten tweede, dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met het feit dat bij de beoordeling van stoffen de bewijskracht van de beschikbare informatie dient te worden bepaald, en ten slotte, ten derde, dat de intensiteit van de toetsing door die kamer ontoereikend was.

a)      Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep haar opdracht in het kader van een beroep bij haar heeft veronachtzaamd

55      In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing haar toetsingsopdracht heeft veronachtzaamd. Zij betoogt dat die kamer zich heeft beperkt tot een rechtmatigheidstoetsing van het besluit van ECHA, die beperkt was tot de toetsing van de kennelijke beoordelingsfout. In het bijzonder heeft zij geweigerd de door verzoekster aangevoerde wetenschappelijke gegevens te onderzoeken en rekening te houden met de relevantie ervan. Volgens haar had die kamer zelf een volledig administratief onderzoek moeten verrichten. Een dergelijk onderzoek had niet alleen ingehouden dat het besluit van ECHA wordt getoetst vanuit juridisch oogpunt, maar eveneens dat de aan het besluit ten grondslag liggende wetenschappelijke beoordelingen opnieuw worden onderzocht, rekening houdend met de meest relevante gegevens en, in voorkomend geval, met gegevens die in de loop van de beroepsprocedure aan het licht zijn gekomen. Voorts was die kamer, die elke bevoegdheid kan uitoefenen die binnen de competentie van ECHA valt, volgens verzoekster verplicht om overeenkomstig het beginsel van functionele continuïteit te onderzoeken of op het tijdstip waarop zij uitspraak heeft gedaan op het beroep, een nieuw besluit met hetzelfde dispositief als het besluit van ECHA rechtsgeldig kon worden vastgesteld in het licht van alle relevante gegevens, zowel feitelijk als rechtens. Bij een dergelijk onderzoek is de betrokken kamer onderworpen aan dezelfde materiële verplichtingen en dezelfde bewijslast als die waaraan ECHA was onderworpen in het kader van zijn onderzoek. Het door de kamer van beroep verrichte onderzoek had dus eveneens moeten zijn gebaseerd op de gegevens die tijdens de procedure bij haar waren overgelegd.

56      Ter ondersteuning van haar betoog voert verzoekster ten eerste aan dat de kamer van beroep krachtens artikel 76, lid 1, onder h), van verordening nr. 1907/2006 deel uitmaakt van ECHA. Ten tweede is de bestaansreden van het mechanisme voor interne toetsing het garanderen van de wetenschappelijke kwaliteit en de rechtmatigheid van de besluiten van ECHA in het licht van de verordening. Ten derde heeft die kamer als opdracht het beroep zo doeltreffend en efficiënt mogelijk te onderzoeken. Ten vierde stelt een dergelijke benadering die kamer in staat alle relevante aspecten van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken aan de hand van de meest relevante wetenschappelijke gegevens en met toepassing van de beginselen van uitmuntendheid, onafhankelijkheid en transparantie. Ten vijfde beschikt die kamer over dezelfde onderzoeksmogelijkheden als de kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO). Overeenkomstig artikel 12, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 771/2008 van de Commissie van 1 augustus 2008 tot vaststelling van de regels inzake de organisatie en de procesvoering van de kamer van beroep van ECHA (PB 2008, L 206, blz. 5), is die kamer bevoegd om rekening te houden met de wetenschappelijke gegevens en middelen die dateren van na het besluit van ECHA. Daardoor kan zij haar onderzoek aanpassen en rekening houden met de meest recente wetenschappelijke studies terzake. Ten zesde zijn beroepen tegen besluiten waarbij in het kader van de beoordeling van stoffen om aanvullende informatie wordt verzocht, onderworpen aan dezelfde regels als beroepen tegen andere besluiten van ECHA. Ten zevende kan de kamer van beroep krachtens artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 en het beginsel van functionele continuïteit elke bevoegdheid uitoefenen die binnen de competentie van ECHA valt. Zij had het besluit van ECHA dus kunnen wijzigen of vervangen door haar eigen beslissing. Ten achtste hebben de beroepen voor de kamer van beroep schorsende werking. Ten negende doet de in de bestreden beslissing gevolgde benadering een leemte ontstaan in het besluitvormingsproces die de Uniewetgever en -rechter hebben willen vermijden.

57      ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

58      Alvorens te antwoorden op verzoeksters argumenten, dient om te beginnen de omvang en de intensiteit van de toetsing te worden onderzocht die de kamer van beroep moet verrichten ten aanzien van de besluiten van ECHA, en in het bijzonder ten aanzien van de besluiten waarbij in het kader van de beoordeling van stoffen om aanvullende informatie wordt verzocht.

1)      Omvang en intensiteit van de toetsing door de kamer van beroep

i)      Toetsingsomvang

59      Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat in geen enkele bepaling van verordening nr. 1907/2006, noch van verordening nr. 771/2008 uitdrukkelijk staat te lezen dat de kamer van beroep in het kader van een bij haar ingesteld beroep tegen een besluit van ECHA waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht, een onderzoek „de novo” verricht zoals verzoekster dat voor ogen heeft, dat wil zeggen een onderzoek van de vraag of, op het tijdstip waarop zij uitspraak doet op het beroep, een nieuw besluit met hetzelfde dispositief als het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, rechtsgeldig kan worden vastgesteld, in het licht van alle relevante elementen, feitelijk en rechtens, met name wetenschappelijke kwesties.

60      Integendeel, uit de bepalingen van verordening nr. 1907/2006 en verordening nr. 771/2008 blijkt dat de kamer van beroep zich in het kader van een dergelijk beroep beperkt tot het onderzoek of de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten aantonen dat het litigieuze besluit onjuist is.

61      In de eerste plaats dient immers te worden opgemerkt dat de procedure bij de kamer van beroep een procedure op tegenspraak is.

62      Artikel 93, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 bepaalt dat de procedureregels van de kamer van beroep door de Europese Commissie worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 133, lid 4, van die verordening. Derhalve wordt de procedure bij die kamer geregeld door de regels van verordening nr. 771/2008.

63      Wat de regels inzake procedures voor de kamer van beroep betreft, dient in het bijzonder te worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder e) en f), van verordening nr. 771/2008 het beroepschrift de aangevoerde middelen en argumenten, zowel feitelijk als rechtens, moet bevatten, en zo nodig, de bewijsaanbiedingen en een verklaring waarin de feiten waarvoor het bewijs wordt aangeboden, worden uiteengezet. Overeenkomstig artikel 7, lid 1 en lid 2, onder b) en c), van die verordening moet ECHA een verweerschrift overleggen dat aan dezelfde eisen voldoet. Ten slotte bepaalt artikel 12 van die verordening, met als opschrift „Onderzoek van het beroep”, in de leden 1 en 2, dat de partijen na de eerste memoriewisseling geen verdere bewijzen mogen inbrengen, tenzij de vertraging naar behoren is gemotiveerd, en geen nieuwe middelen mogen voordragen, tenzij de kamer van beroep beslist dat die middelen zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van het geding is gebleken.

64      De in verordening nr. 771/2008 neergelegde procedureregels voorzien dus in de organisatie, voor de kamer van beroep, van een tegensprekelijk debat tussen de verzoekende partij die opkomt tegen een besluit van ECHA, en dat agentschap als verwerende partij, op grond van middelen, argumenten en bewijzen die in beginsel tijdens de eerste memoriewisseling zijn aangevoerd. Die bepalingen van voormelde verordening zijn algemene bepalingen die van toepassing zijn op alle beslissingen van de kamer van beroep, ongeacht de aard van het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen.

65      Bij wijze van tussentijdse conclusie dient derhalve te worden vastgesteld dat het voorwerp van de procedure bij de kamer van beroep van ECHA wordt afgebakend door de middelen die de verzoekende partij in het kader van het bij die kamer ingestelde beroep heeft aangevoerd. In het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van een dergelijk beroep onderzoekt die kamer dus alleen of de verzoekende partij met haar middelen kan aantonen dat het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, blijk geeft van een fout, en welke middelen ambtshalve dienen te worden aangevoerd.

66      Aan het tegensprekelijke karakter van de procedure bij de kamer van beroep wordt niet afgedaan door artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006, dat bepaalt dat de kamer van beroep elke bevoegdheid kan uitoefenen die binnen de competentie van het agentschap valt, of de zaak voor verdere behandeling kan doorverwijzen naar het bevoegde orgaan van het agentschap. In die bepaling worden immers uitsluitend de bevoegdheden geregeld waarover de kamer van beroep beschikt na te hebben vastgesteld dat het beroep bij haar gegrond was. Daarentegen wordt daarin niet geregeld wat de omvang is van de toetsing die de kamer van beroep ten aanzien van de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep verricht.

67      Voorts kan uit het feit dat de kamer van beroep overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder h), van verordening nr. 1907/2006 deel uitmaakt van ECHA en dat de bepalingen waarop ECHA zich baseert wanneer het in eerste aanleg uitspraak doet, verwijzen naar het „agentschap”, niet worden afgeleid dat die kamer verplicht zou zijn dezelfde procedure met toepassing van dezelfde procedureregels te volgen als ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet.

68      Uit de opzet van verordening nr. 1907/2006 blijkt immers dat de procedureregels die zijn gericht tot het „agentschap”, die van toepassing zijn op ECHA wanneer het een besluit vaststelt in eerste aanleg, niet bedoeld zijn om rechtstreeks van toepassing te zijn op de kamer van beroep.

69      Zoals blijkt uit het voorbeeld van de procedureregels voor de vaststelling van een besluit waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht, zou een rechtstreekse toepassing van die procedureregels op de kamer van beroep leiden tot resultaten die indruisen tegen de door verordening nr. 1907/2006 nagestreefde doelstellingen.

70      In die context dient er immers aan te worden herinnerd dat een bevoegde instantie van een lidstaat die is aangewezen met het oog op de uitvoering van de beoordelingsprocedure met betrekking tot een stof die vanwege bezorgdheid over de persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen van die stof in het communautaire voortschrijdende actieplan is vermeld (hierna: „aangewezen instantie”), krachtens artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 een ontwerpbesluit opstelt binnen twaalf maanden na publicatie van het communautaire voortschrijdende actieplan op de website van ECHA voor de stoffen die dat jaar zullen worden beoordeeld, wanneer zij van mening is dat aanvullende informatie nodig is. Het besluit wordt dan vastgesteld volgens de in de artikelen 50 en 52 van die verordening opgenomen procedure.

71      Artikel 50 van verordening nr. 1907/2006 regelt de rechten van de registranten en downstreamgebruikers. Volgens lid 1 van dat artikel stelt ECHA de betrokken registranten of downstreamgebruikers op de hoogte van het ontwerpbesluit. Indien de betrokken registranten of downstreamgebruikers opmerkingen wensen te maken, dienen zij die bij ECHA in binnen 30 dagen na ontvangst. Het agentschap stelt vervolgens onverwijld de aangewezen instantie op de hoogte van de indiening van de opmerkingen. Die instantie neemt alle ontvangen opmerkingen in aanmerking en kan het ontwerpbesluit dienovereenkomstig wijzigen.

72      Overeenkomstig artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 zendt de aangewezen instantie haar ontwerpbesluit, met de eventuele opmerkingen van de registrant of downstreamgebruiker, toe aan ECHA en de bevoegde instanties van de lidstaten.

73      Volgens artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 zijn de bepalingen van artikel 51, leden 2 tot en met 8, van die verordening, betreffende het besluitvormingsproces voor de dossierbeoordeling, van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van besluiten waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht.

74      Krachtens artikel 51, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 kunnen de lidstaten wijzigingen van het ontwerpbesluit voorstellen binnen 30 dagen na de mededeling. Indien geen enkel wijzigingsvoorstel wordt toegezonden aan de aangewezen instantie, neemt ECHA overeenkomstig artikel 51, lid 3, van die verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, het besluit in de versie zoals het is meegedeeld.

75      Wanneer de aangewezen instantie wijzigingsvoorstellen ontvangt, kan zij het ontwerpbesluit wijzigen overeenkomstig artikel 51, lid 4, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening. Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van 30 dagen voor indiening van de opmerkingen legt die instantie overeenkomstig artikel 51, lid 4, tweede volzin, van die verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, een ontwerpbesluit, alsmede de eventueel voorgestelde wijzigingen, voor aan het Comité lidstaten en ECHA. Overeenkomstig artikel 51, lid 5, van de betrokken verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, zendt zij het eveneens toe aan de betrokken registranten en downstreamgebruikers, die hun opmerkingen kunnen maken. Indien het Comité lidstaten binnen 60 dagen na de voorlegging van het ontwerpbesluit met eenparigheid van stemmen overeenstemming erover bereikt, stelt ECHA overeenkomstig artikel 51, lid 6, van de betrokken verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, zijn besluit dienovereenkomstig vast.

76      Indien het Comité lidstaten daarentegen niet tot overeenstemming met eenparigheid van stemmen komt, stelt de Commissie krachtens artikel 51, lid 7, van verordening nr. 1907/2006, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, een ontwerpbesluit op dat volgens de in artikel 133, lid 3, van die verordening bedoelde procedure wordt aangenomen.

77      Indien in het kader van een beroep tegen een besluit waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in het kader van de beoordeling van een stof, de kamer van beroep verplicht zou zijn, omdat zij deel uitmaakt van het „agentschap”, om dezelfde procedure te volgen als ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, zou dat dus inhouden dat die kamer slechts een beslissing kan geven indien in het Comité lidstaten voorafgaand overeenstemming met eenparigheid van stemmen is bereikt in de zin van artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006.

78      Een dergelijke benadering zou evenwel niet stroken met de doelstelling van de wetgever om een toetsing door de kamer van beroep mogelijk te maken ten aanzien van besluiten waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in het kader van de beoordeling van een stof.

79      Soortgelijke overwegingen gelden voor de procedure voor de aanneming van besluiten op grond van de dossierbeoordeling, in het kader waarvan artikel 51 van verordening nr. 1907/2006 rechtstreeks van toepassing is.

80      In die context dient eveneens te worden opgemerkt dat, anders dan is vastgesteld voor de kamers van beroep van andere agentschappen, zoals de kamer van beroep van het EUIPO, de regels die gelden voor de kamer van beroep van ECHA geen bepaling bevatten volgens welke de procedureregels bij de instantie die het besluit heeft vastgesteld waartegen beroep is ingesteld, van overeenkomstige toepassing zijn op de beroepsprocedures (inzake de voor de kamer van beroep van het EUIPO geldende regels, zie punt 96 hieronder).

81      In de tweede plaats en hoe dan ook dient te worden opgemerkt dat een beroep bij de kamer van beroep tegen een besluit van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in het kader van de beoordeling van een stof, alleen mag gericht zijn op het onderzoek of met de door verzoekster overgelegde gegevens kan worden aangetoond dat dit besluit onjuist is.

82      Een besluit van ECHA waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht, wordt immers vastgesteld op grond van artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1907/2006, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 2 van titel VI, waarin het gaat over stoffenbeoordelingen, alsmede van artikel 50, lid 1, artikel 52 en artikel 51, leden 2 tot en met 6, van die verordening, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

83      Zoals blijkt uit de artikelen 44 tot en met 48 van verordening nr. 1907/2006, gelezen in het licht van overwegingen 66 tot en met 68 van die verordening, is de stoffenbeoordelingsprocedure, die het kader vormt voor de vaststelling van een besluit waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in het kader van de beoordeling van een stof, erop gericht een nadere beoordeling te verrichten van stoffen die worden geacht prioritair te zijn in het licht van de risico’s die zij kunnen inhouden voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. Een dergelijke beoordeling, die de aangewezen instantie verricht rekening houdend met het voorzorgsbeginsel (artikel 1, lid 3, tweede volzin, van die verordening), dient te worden toevertrouwd aan wetenschappelijke deskundigen.

84      Zoals blijkt uit artikel 46, lid 1, en artikel 52 van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met artikel 51, leden 2 tot en met 8, van die verordening, wordt de procedure tot vaststelling van een besluit waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht, ingeleid op basis van een door de aangewezen instantie opgesteld ontwerp indien die instantie van mening is dat aanvullende informatie noodzakelijk is. Zoals in punt 75 hierboven is uiteengezet, leidt dat voorstel tot een besluit van ECHA in geval van overeenkomst als bedoeld in artikel 51, lid 3 of 6, van die verordening, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, namelijk wanneer over het ontwerpbesluit geen enkele opmerking is gemaakt door de lidstaten of door ECHA, of, ingeval opmerkingen zijn gemaakt, wanneer in het Comité lidstaten overeenstemming met eenparigheid van stemmen is bereikt.

85      Een dergelijk besluit komt derhalve tot stand in een context van onzekerheid en is gebaseerd op wetenschappelijke beoordelingen van wetenschappelijke deskundigen die behoren tot de aangewezen instantie van een bepaalde lidstaat en de bevoegde instanties van de andere lidstaten. Evenwel dient te worden vastgesteld dat noch uit de bepalingen van verordening nr. 1907/2006, noch uit die van verordening nr. 771/2008 blijkt dat die wetenschappelijke beoordeling dient te worden overgedaan in het kader van de beroepsprocedure bij de kamer van beroep. Integendeel, zoals hierboven in de punten 68 tot en met 79 is uiteengezet, blijkt uit de opzet van de procedurele bepalingen voor de vaststelling van besluiten waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht, dat de artikelen 46 en 50 tot en met 52 van verordening nr. 1907/2006 niet rechtstreeks van toepassing zijn op de procedure bij de kamer van beroep.

86      Derhalve kan een bij de kamer van beroep ingesteld beroep tegen een besluit van ECHA waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht, uitsluitend tot doel hebben te onderzoeken of op grond van de door verzoekster ingediende gegevens wordt aangetoond dat dit besluit onjuist is. In het kader van een dergelijk beroep kan de verzoekende partij zich dan ook niet beperken tot de stelling dat het resultaat van de beoordeling waarop dat besluit is gebaseerd anders had moeten zijn, maar dient zij argumenten aan te voeren ten bewijze dat de wetenschappelijke beoordeling waarop het betrokken besluit is gebaseerd, onjuist is.

ii)    Toetsingsintensiteit

87      Wat de intensiteit van de door de kamer van beroep verrichte toetsing betreft, zij eraan herinnerd dat de toetsing die de Unierechter in het kader van een beroep tot nietigverklaring verricht krachtens artikel 263 VWEU, inderdaad beperkt is wanneer zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten worden beoordeeld. Bij dat soort beoordelingen blijft de toetsing door de Unierechter met name beperkt tot de vraag of sprake is geweest van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, dan wel of de instantie die de beslissing heeft genomen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden (zie arrest van 21 juli 2011, Etimine, C‑15/10, EU:C:2011:504, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88      Die rechtspraak is evenwel niet van toepassing op de toetsing door de kamer van beroep van ECHA. Dienaangaande zij er met betrekking tot de leden van dat orgaan aan herinnerd dat volgens artikel 1, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 771/2008 ten minste één lid juridisch en ten minste één lid technisch gekwalificeerd is overeenkomstig verordening (EG) nr. 1238/2007 van de Commissie van 23 oktober 2007 tot vaststelling van regels voor de kwalificaties van de leden van de kamer van beroep van ECHA (PB 2007, L 280, blz. 10). Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van die laatste verordening moeten de technisch gekwalificeerde leden in het bezit zijn van een universitair diploma of een daarmee gelijkgesteld getuigschrift en ruime beroepservaring hebben op het gebied van risico- en blootstellingsbeoordeling of risicobeheersing met betrekking tot de gevaren van chemische stoffen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, of op aanverwante gebieden. Uit die bepalingen dient te worden afgeleid dat de wetgever de kamer van beroep van ECHA heeft willen voorzien van de nodige deskundigheid zodat zij zelf zeer ingewikkelde wetenschappelijke feiten zou kunnen beoordelen.

89      Derhalve is de toetsing door de kamer van beroep ten aanzien van de wetenschappelijke beoordelingen in een besluit van ECHA niet beperkt tot de vraag of sprake is van kennelijke dwalingen. Integendeel, op basis van de juridische en wetenschappelijke competenties van haar leden moet de kamer van beroep dienaangaande nagaan of met de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat de overwegingen waarop dat besluit is gebaseerd, onjuist zijn.

2)      Verzoeksters argumenten

90      Verzoeksters argumenten dienen te worden onderzocht in het licht van de voorgaande overwegingen inzake de omvang en de intensiteit van de toetsing door de kamer van beroep.

91      In de eerste plaats voert verzoekster aan dat ingevolge artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 sprake is van een functionele continuïteit tussen de kamer van beroep en ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, die vergelijkbaar is met die tussen de kamers van beroep van het EUIPO en de instanties van dat bureau, en dat vanwege die functionele continuïteit de kamer van beroep van ECHA in het kader van een bij haar ingesteld beroep tegen een besluit van dit agentschap alle vragen, met name de wetenschappelijke vragen, die aan bod komen in het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, moet onderwerpen aan een volledig nieuw onderzoek.

92      Dienaangaande dient ten eerste eraan te worden herinnerd dat de procedureregels tot vaststelling van een besluit van ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, zoals in de punten 60 tot en met 80 hierboven is uiteengezet, niet rechtstreeks toepasselijk zijn bij het onderzoek naar de gegrondheid van een beroep bij de kamer van beroep. Integendeel, die kamer past de in de verordeningen nr. 1907/2006 en nr. 771/2008 vastgestelde procedureregels toe die specifiek zijn bedoeld voor de bij haar ingeleide procedure, en onderzoekt in het kader van een procedure op tegenspraak dan ook enkel of dat besluit onjuist is. Zoals hierboven in de punten 81 tot en met 86 is uiteengezet, beperkt de kamer van beroep zich hoe dan ook tot een dergelijk onderzoek in het kader van een beroep tegen een besluit van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in de context van de beoordeling van een stof.

93      Ten tweede dient eraan te worden herinnerd dat artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006, zoals in punt 66 hierboven is aangegeven, alleen de bevoegdheden regelt waarover de kamer van beroep beschikt na te hebben vastgesteld dat een bij haar ingesteld beroep gegrond is, en niet de omvang van de toetsing die deze kamer verricht ten aanzien van de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep.

94      Wat ten derde verzoeksters argumenten betreft inzake de rechtspraak met betrekking tot de kamers van beroep van het EUIPO, dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak de kamer van beroep van het EUIPO, wanneer bij haar beroep is ingesteld, inderdaad de vordering of het geschil dat bij de instantie in eerste aanleg aanhangig was, opnieuw volledig ten gronde dient te onderzoeken, zowel rechtens als feitelijk (zie in die zin arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 57). Een kamer van beroep van het EUIPO kan zich dus niet beperken tot het onderzoek of, in het licht van de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten, het besluit van de in eerste aanleg rechtsprekende instantie van het EUIPO onjuist was, maar dient te onderzoeken of een nieuw besluit met hetzelfde dispositief als het besluit waartegen beroep bij haar is ingesteld, al dan niet rechtsgeldig kan worden vastgesteld op het ogenblik waarop zij op het beroep uitspraak doet. De omvang van het door de kamer van beroep te verrichten onderzoek van het besluit waartegen beroep is ingesteld, wordt in beginsel dan ook niet bepaald door de middelen die de insteller van het beroep heeft aangevoerd [arresten van 23 september 2003, Henkel/BHIM – LHS (UK) (KLEENCARE), T‑308/01, EU:T:2003:241, punten 26 en 29, en 16 maart 2005, L’Oréal/BHIM – Revlon (FLEXI AIR), T‑112/03, EU:T:2005:102, punt 36].

95      Anders dan verzoekster aanvoert, kan die rechtspraak evenwel niet worden toegepast op de kamer van beroep van ECHA. De aard en reikwijdte van het door de kamers van beroep van het EUIPO verrichte onderzoek zijn immers sterk afhankelijk van hun wettelijke en bestuursrechtelijke context, die sterk verschilt van die van de kamer van beroep van ECHA.

96      In die context dient om te beginnen worden opgemerkt dat volgens de opzet van het bij verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) ingevoerde stelsel de bepalingen betreffende de procedure voor de instanties en afdelingen van het EUIPO van overeenkomstige toepassing zijn op de beroepsprocedures voor de kamer van beroep. Dat is het geval met de algemene regels van hoofdstuk IX, afdeling 1, van verordening 2017/1001 en in het bijzonder artikel 95 van die verordening, dat bepaalt dat het EUIPO ambtshalve de feiten onderzoekt, behalve in procedures inzake relatieve afwijzingsgronden en in nietigheidsprocedures op basis van artikel 59 van die verordening. Evenzo staat in artikel 48 van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van verordening 2017/1001 en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1) te lezen dat, tenzij anders is bepaald, de bepalingen inzake de procedures voor de instantie van het EUIPO die de beslissing heeft gegeven waartegen beroep is ingesteld, van overeenkomstige toepassing zijn op de beroepsprocedures.

97      Wat ECHA betreft, dient daarentegen niet alleen in herinnering te worden gebracht dat de bepalingen inzake de procedure tot vaststelling van de door dat agentschap in eerste aanleg genomen besluiten, zoals hierboven in de punten 68 tot en met 79 is uiteengezet, niet van toepassing zijn op de beroepsprocedure bij de kamer van beroep, maar eveneens dient te worden opgemerkt dat de op die kamer toepasselijke regels niet voorzien in een met artikel 48 van de gedelegeerde verordening 2018/625 vergelijkbaar voorschrift waarin wordt bepaald dat de procedureregels voor de vaststelling van een besluit van ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, van overeenkomstige toepassing zijn op procedures voor die kamer.

98      Voorts is het juist dat de in punt 94 hierboven aangehaalde rechtspraak betreffende de kamers van beroep van het EUIPO met name is gebaseerd op artikel 71, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001, volgens hetwelk die kamer hetzij de bevoegdheden kan uitoefenen van de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen, hetzij de zaak voor verdere afdoening naar die instantie kan terugwijzen. Die bepaling bevat volgens die rechtspraak immers niet alleen een aanwijzing over de mogelijke inhoud van een beslissing van de kamer van beroep van het EUIPO, maar ook over de omvang van haar onderzoek van de bestreden beslissing (arrest van 23 september 2003, KLEENCARE, T‑308/01, EU:T:2003:241, punt 24).

99      Anders dan verzoekster aanvoert, kan die rechtspraak evenwel niet worden toegepast op de kamer van beroep van ECHA op grond van het loutere feit dat de bewoordingen van artikel 71, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001 vergelijkbaar zijn met die van artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006.

100    In die context dient te worden opgemerkt dat de tweede volzin van artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001 wordt voorafgegaan door een eerste volzin, waaruit blijkt dat de kamer van beroep van het EUIPO de in de tweede volzin van dat lid bedoelde bevoegdheden uitoefent „[n]adat onderzocht is of het beroep [gegrond]” is. Volgens de bewoordingen ervan heeft artikel 71, lid 1, van die verordening dus betrekking op de vraag over welke bevoegdheden die kamer beschikt na te hebben vastgesteld dat het bij haar ingestelde beroep gegrond was.

101    Uit het regelgevend kader van artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001 blijkt evenwel dat de bepalingen betreffende de procedure voor de instanties en afdelingen van het EUIPO in het kader van een procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO van toepassing zijn (zie punt 96 hierboven) en dat die kamer dus dient te onderzoeken of een nieuw besluit met hetzelfde dispositief als het besluit waartegen beroep bij haar is ingesteld, al dan niet rechtsgeldig kan worden vastgesteld op het ogenblik waarop zij op het beroep uitspraak doet. De in punt 98 hierboven vermelde rechtspraak dient dan ook te worden gelezen in het licht van het regelgevend kader van artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001. Uit die rechtspraak kan dan ook niet worden afgeleid dat artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006, dat deel uitmaakt van een ander regelgevend kader, aldus dient te worden uitgelegd dat alleen dat artikel de omvang van de toetsing bepaalt die de kamer van beroep van ECHA bij het onderzoek naar de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep moet verrichten.

102    Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat de aard van de opdrachten van het EUIPO en van de besluiten die dat bureau vaststelt, niet vergelijkbaar is met die van de opdrachten en besluiten van ECHA. Zoals blijkt uit overweging 27 van verordening 2017/1001, dient het EUIPO te zorgen voor de administratieve uitvoering op Unieniveau die het merkenrecht voor ieder individueel merk vereist. Zoals uit de overwegingen 40 en 41 van die verordening kan worden afgeleid, impliceert de administratieve uitvoering met name dat het EUIPO uitspraak doet op de aanvragen om inschrijving van een Uniemerk en op de door derden ingeleide procedures om zich te verzetten tegen een dergelijke inschrijving of daaraan een einde te maken. ECHA van zijn kant dient volgens overweging 15 van verordening nr. 1907/2006 als centraal orgaan te zorgen voor een doeltreffend beheer van de technische, administratieve en wetenschappelijke aspecten van het bij die verordening ingevoerde stelsel ter bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de risico’s verbonden aan het vervaardigen, het in omloop brengen en het gebruiken van chemische stoffen. In het bijzonder blijkt uit de overwegingen 16 tot en met 21 van die verordening dat één van de kernpunten van dat stelsel, dat ECHA dient uit te voeren, de verplichting is die op de fabrikanten en importeurs van chemische stoffen rust om alle relevante en beschikbare informatie over de gevaren van die stoffen te verstrekken en passende risicobeheersmaatregelen te bevorderen. De besluiten van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht sluiten aan bij die verplichtingen.

103    In het licht van die verschillen wordt een passende rechtsbescherming tegen dergelijke besluiten niet noodzakelijkerwijze gewaarborgd door de toetsing ervan door de kamer van beroep van ECHA te onderwerpen aan de vereisten die gelden voor de toetsing door de kamers van beroep van het EUIPO. Zoals kan worden afgeleid uit overweging 42 van verordening 2017/1001, kan het immers gerechtvaardigd zijn aan te nemen dat het, teneinde een effectieve en efficiënte behandeling te waarborgen van de vorderingen en geschillen waarvan het EUIPO kennis dient te nemen, aan de kamers van beroep van dat bureau staat om die vorderingen en geschillen opnieuw ten gronde te onderzoeken, en zich daarbij in de plaats te stellen van de instantie van het EUIPO die in eerste aanleg uitspraak doet. Wanneer daarentegen particulieren verplichtingen worden opgelegd op grond van een bestuursrechtelijk besluit, zoals een besluit van ECHA dat is gebaseerd op artikel 46, lid 1, en artikel 52 van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met artikel 51, leden 2 tot en met 8, van die verordening, rechtvaardigt de rechtsbescherming die deze particulieren ten aanzien van dat besluit genieten, een dergelijke substitutie niet, maar vereist zij alleen dat de kamer van beroep nagaat of het betrokken besluit onjuist is.

104    In de tweede plaats dient het argument te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep krachtens artikel 76, lid 1, onder h), van verordening nr. 1907/2006 integrerend deel uitmaakt van ECHA. Zoals in de punten 59 tot en met 86 hierboven is uiteengezet, kan het feit dat die kamer een orgaan van ECHA vormt en geen van dat agentschap losstaand orgaan, op zich immers niet afdoen aan de aard en de omvang van het onderzoek dat zij dient te verrichten, ongeacht de bepalingen waarbij de bevoegdheden van dat orgaan worden vastgesteld en de procedureregels waaraan het onderworpen is, de aard van de besluiten die aan zijn toetsing zijn onderworpen en de doelstellingen van rechtsbescherming waaraan het beantwoordt.

105    In de derde plaats dienen de argumenten te worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep over onderzoeksmogelijkheden beschikt die haar in staat stellen een beslissing te nemen die is gebaseerd op een nieuw onderzoek, zowel feitelijk als rechtens, van de kwesties die ECHA behandelt wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet.

106    Ten eerste dient het argument te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep over dezelfde onderzoeksmogelijkheden beschikt als ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet. Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking dat, zoals blijkt uit de punten 59 tot en met 86 hierboven, in het licht van het tegensprekelijk karakter van de procedure bij die kamer en het feit dat de procedureregels die voor ECHA gelden wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, niet van toepassing zijn in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van het bij haar ingestelde beroep, niet kan worden geoordeeld dat die kamer over dezelfde onderzoeksmogelijkheden beschikt als ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet.

107    Ten tweede voert verzoekster aan dat artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008, op grond waarvan de kamer van beroep rekening kan houden met gegevens die voor het eerst zijn overgelegd in de loop van de beroepsprocedure, bevestigt dat die kamer verplicht is om zelf een nieuw onderzoek te verrichten van de wetenschappelijke beoordelingen die het verzoek om aanvullende informatie rechtvaardigen.

108    Die uitlegging van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 kan evenwel niet worden aanvaard.

109    Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 dient te worden gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, onder f), van die verordening. Overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder f), van die verordening moeten de bewijsaanbiedingen en de feiten waarvoor het bewijs wordt aangeboden, in beginsel reeds in het beroepschrift zijn opgenomen. Zoals blijkt uit een gezamenlijke lezing van artikel 6, lid 1, onder f), en artikel 12, lid 1, van de betrokken verordening, kunnen de partijen na de eerste memoriewisseling in beginsel geen verdere bewijzen overleggen. Een uitzondering is echter voorzien voor het geval dat de vertraging waarmee het nieuwe bewijsaanbod geschiedt, naar behoren is gemotiveerd. Artikel 12, lid 1, van die verordening regelt dus alleen, in welk geval in het kader van een procedure op tegenspraak voor de kamer van beroep, een bewijsaanbod dat nog niet in het beroepschrift was opgenomen, nog kan geschieden in een later stadium van die procedure.

110    Daarnaast dient te worden gepreciseerd dat artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 niet kan worden gelijkgesteld met een regel zoals artikel 95, lid 2, van verordening 2017/1001, betreffende het EUIPO, dat bepaalt dat dit „[b]ureau [...] geen rekening [hoeft] te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd”.

111    Artikel 95, lid 2, van verordening 2017/1001 maakt immers deel uit van de procedureregels die niet alleen gelden voor de instantie van het EUIPO die in eerste aanleg uitspraak doet, maar eveneens voor de kamer van beroep van dat bureau. Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 heeft daarentegen uitsluitend betrekking op de procedure bij de kamer van beroep en preciseert alleen maar in welk geval een bewijsaanbod dat niet in het beroepschrift is opgenomen, nog kan worden geacht ontvankelijk te zijn.

112    In het licht van de bewoordingen van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 en de context van die bepaling kan bijgevolg, anders dan verzoekster stelt, uit die bepaling niet worden afgeleid dat de kamer van beroep verplicht is om in het kader van een bij haar ingesteld beroep de wetenschappelijke beoordelingen die het verzoek om aanvullende informatie hebben gerechtvaardigd, opnieuw te onderzoeken.

113    Verzoeksters argument ontleend aan artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 dient derhalve eveneens te worden afgewezen.

114    Ten derde dient te worden opgemerkt dat verzoeksters benadering volgens welke de kamer van beroep in het kader van een bij haar ingesteld beroep haar eigen onderzoek moet verrichten, hoe dan ook niet in overeenstemming is met de bepalingen van verordening nr. 1907/2006 en met de doelstellingen die met de bepalingen van die verordening inzake de stoffenbeoordeling worden nagestreefd.

115    Zoals blijkt uit de punten 81 tot en met 86 hierboven, wordt immers een besluit waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht, in een context van onzekerheid over de gevaren die de betrokken stof vertoont, vastgesteld op basis van een door de aangewezen instantie van een lidstaat opgesteld ontwerpbesluit. Zoals hierboven in de punten 70 tot en met 76 is uiteengezet, wordt door de regels van verordening nr. 1907/2006 betreffende de procedure voor de vaststelling van een dergelijk besluit van ECHA een belangrijke rol toegekend aan de bevoegde instanties van de lidstaten. Die regels hebben tot doel de deskundigen van de lidstaten bij de besluitvorming te betrekken, teneinde de deskundigheid te benutten waarover de lidstaten beschikken met betrekking tot de verschillende wetenschappelijke vragen die bij de beoordeling van een stof rijzen. Zoals blijkt uit de betrokken bepalingen en uit overweging 67 van die verordening, is de voor de beoordeling van stoffen en dossiers vastgestelde procedure bovendien gebaseerd op het beginsel dat overeenstemming met eenparigheid van stemmen in het Comité lidstaten over de ontwerpbesluiten (of overeenstemming tussen de lidstaten en ECHA) de basis moet zijn van een efficiënt systeem dat strookt met het subsidiariteitsbeginsel. In die context zij eraan herinnerd dat bij gebreke van dergelijke overeenstemming dossierbeoordelingsbesluiten en stofbeoordelingsbesluiten krachtens artikel 51, lid 7, van die verordening, dat rechtstreeks van toepassing is op besluiten die worden vastgesteld op grond van de dossierbeoordeling, en artikel 52, lid 2, van die verordening, dat van overeenkomstige toepassing is op besluiten die worden vastgesteld in het kader van de beoordeling van stoffen, niet door ECHA maar door de Commissie moeten worden vastgesteld.

116    Verzoeksters benadering volgens welke de kamer van beroep middels een eigen onderzoek zelf de wetenschappelijke beoordelingen toetst waarop een verzoek om aanvullende informatie is gebaseerd, houdt evenwel onvoldoende rekening met de doelstellingen van die procedure. De benadering van de kamer van beroep volgens welke zij bij het onderzoek naar de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep alleen nagaat of de overwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, onjuist zijn in het licht van de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten, strookt met die doelstellingen.

117    Aan die slotsom wordt niet afgedaan door het feit dat, wanneer uit het onderzoek van de middelen die de verzoekende partij in het kader van de door verordening nr. 771/2008 vastgestelde procedure op tegenspraak aanvoert, blijkt dat een besluit van ECHA onjuist is, het overeenkomstig artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 aan de kamer van beroep staat om te beslissen of zij de zaak terugverwijst naar het bevoegde orgaan van dat agentschap dan wel zelf een definitieve beslissing geeft.

118    In het geval waarin het beroep bij de kamer van beroep gegrond is, wordt door artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 immers een beoordelingsbevoegdheid toegekend aan die kamer. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moet die kamer nagaan of zij op grond van de gegevens waarover zij na onderzoek van het beroep beschikt, zelf een beslissing kan nemen. Voorts moet zij rekening houden met de procedureregels voor de vaststelling van het besluit van ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet. Hoewel die procedure een belangrijke rol toekent aan bepaalde actoren, zoals de procedure voor de vaststelling van besluiten in het kader van de beoordeling van dossiers en stoffen dit doet aan de lidstaten en het Comité lidstaten, moet zij onderzoeken of de vaststelling van een definitieve beslissing door de kamer strookt met de door die verordening nagestreefde doelstellingen dan wel of het voor de naleving van de regels inzake de procedure bij ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, en van de doelstellingen van die procedureregels, is vereist dat de zaak wordt terugverwezen naar het bevoegde orgaan van dat agentschap.

119    In het licht van de voorgaande overwegingen dienen verzoeksters argumenten inzake de onderzoeksmogelijkheden van de kamer van beroep te worden afgewezen.

120    In de vierde plaats voert verzoekster aan dat uit de praktijk van de kamer van beroep blijkt dat die kamer zichzelf beschouwt als een functioneel verlengstuk van ECHA dat in eerste aanleg uitspraak doet. Dienaangaande volstaat het op te merken dat de hierboven in de punten 59 tot en met 86 uiteengezette overwegingen rechtstreeks zijn gebaseerd op de toepasselijke bepalingen van verordeningen nr. 1907/2006 en nr. 771/2008 en dat daaraan dus geen afbreuk kan worden gedaan door de praktijk van die kamer van beroep.

121    In de vijfde plaats voert verzoekster aan dat verordeningen nr. 1907/2006 en nr. 771/2008 identieke regels bevatten voor de beroepen tegen alle in artikel 91, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 vermelde besluiten van ECHA. Dienaangaande kan worden volstaan eraan te herinneren dat, zoals in punt 59 hierboven is uiteengezet, geen van de bepalingen van bovengenoemde verordeningen de kamer van beroep verplicht ten aanzien van een besluit van ECHA een onderzoek de novo te verrichten. Om de hierboven in de punten 81 tot en met 86 uiteengezette redenen bestaat die verplichting hoe dan ook niet voor besluiten waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht.

122    In de zesde plaats voert verzoekster aan dat het doel van een beroep bij de kamer van beroep er niet in bestaat een beperkte toetsing van de rechtmatigheid van een besluit van ECHA te verrichten, die identiek is aan de door de rechterlijke instanties van de Unie verrichte toetsing.  

123    Dat argument dient eveneens als irrelevant te worden afgewezen.

124    Zoals in de punten 87 tot en met 89 hierboven is uiteengezet, is de toetsing door de kamer van beroep ten aanzien van de beoordeling van zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten intenser dan die van de toetsing door de Unierechter.

125    In de zevende plaats voert verzoekster aan dat ingevolge artikel 91, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 beroep bij de kamer van beroep, zoals de beroepen voor de kamer van beroep van het EUIPO, schorsende werking heeft.

126    In het licht van de in de punten 59 tot en met 86 hierboven uiteengezette overwegingen kan het loutere feit dat de beroepen voor de kamer van beroep van ECHA schorsende werking hebben, niet inhouden dat de kamer van beroep de beoordelingen van wetenschappelijke en technische feiten die een verzoek om aanvullende informatie rechtvaardigen zelf opnieuw moet onderzoeken.

127    Integendeel, de schorsende werking van de beroepen voor de kamer van beroep verzet zich tegen een dergelijke benadering.

128    In die context zij eraan herinnerd dat een van de doelstellingen van verordening nr. 1907/2006 erin bestaat de vervaardiging en het gebruik van stoffen met schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens of het milieu uit te sluiten of te beperken. De beoordeling van een stof heeft aldus tot doel te bepalen of die stof persistent, bioaccumulerend of toxisch is of zeer persistent of zeer bioaccumulerend. De besluiten van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht, zijn dus noodzakelijk om die beoordeling te kunnen verrichten.

129    Indien de kamer van beroep, zoals verzoekster stelt, de beoordelingen van wetenschappelijke en technische feiten die een verzoek om aanvullende informatie rechtvaardigen, systematisch zelf opnieuw zou moeten onderzoeken, dreigt de procedure bij die kamer langer te duren waardoor de opstelling van studies met aanvullende informatie die dus noodzakelijk is om de betrokken stof te beoordelen, vertraging zou kunnen oplopen.

130    Gelet op die overwegingen dient verzoeksters argument inzake de schorsende werking van het beroep bij de kamer van beroep eveneens te worden afgewezen.

131    Derhalve dienen alle argumenten te worden afgewezen waarmee verzoekster beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing is voorbijgegaan aan de opdracht die haar in het kader van een beroep tegen een besluit van ECHA is toevertrouwd.

b)      Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met de bewijskracht van de beschikbare informatie 

132    In het kader van het derde onderdeel van het tweede middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 heeft geschonden. In dat punt heeft de kamer van beroep ten onrechte geoordeeld dat bij de beoordeling van een stof de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie geen toepassing vindt. Die benadering geldt zowel in de context van de registratie van een stof als in die van de beoordeling van een stof. Volgens verzoekster had die kamer, alvorens om de uitvoering van de persistentietest te verzoeken, dan ook moeten nagaan of uit de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie conclusies konden worden getrokken met betrekking tot het risico op persistentie van triclosan. Slechts indien een dergelijke benadering niet had geleid tot overtuigende resultaten, kon om uitvoering van een aanvullende test worden verzocht. De betrokken kamer heeft evenwel geen dergelijk onderzoek uitgevoerd. In die bijlage staat overigens niet dat de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie een aan de registranten voorbehouden taak zou zijn.

133    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

134    Allereerst dienen verzoeksters argumenten te worden afgewezen voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zelf een nieuw onderzoek had moeten verrichten door zelf de bewijskracht van de beschikbare informatie te bepalen. Zoals hierboven in de punten 55 tot en met 131 reeds is uiteengezet, beperkt die kamer zich in het kader van een bij haar ingesteld beroep immers tot het onderzoek of met de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, onjuist is.

135    Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zich bij de toetsing van het besluit van ECHA heeft vergist.

136    Dienaangaande dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de overweging van de kamer van beroep in punt 64, eerste volzin, van de bestreden beslissing dat overeenkomstig bijlage XI bij verordening nr. 1907/2006 een benadering op grond van de bewijskracht kan worden gehanteerd om de verplichte standaardinformatie in het kader van de registratie van een stof te wijzigen, als dusdanig niet onjuist is. Zoals uit punt 1.2 van die bijlage blijkt, moet er in het kader van de registratie van een stof immers worden afgezien van verder onderzoek voor die eigenschap bij gewervelde dieren en mag er worden afgezien van verder onderzoek waarbij geen gewervelde dieren betrokken zijn, indien een dergelijke benadering het mogelijk maakt de aan- of afwezigheid van een bepaalde gevaarlijke eigenschap te bevestigen.

137    In de tweede plaats dient te worden opgemerkt, voor zover verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 heeft geschonden, dat in de tweede alinea van die bijlage louter wordt aangegeven dat voor de identificatie van persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen, alsmede voor de identificatie van zeer persistente en zeer bioaccumulerende stoffen de bewijskracht wordt bepaald met behulp van het oordeel van deskundigen. Daarentegen wordt in die alinea niet uitdrukkelijk verwezen naar de fase van de stoffenbeoordeling. Derhalve dienen verzoeksters argumenten ontleend aan schending van die bijlage te worden afgewezen.

138    In de derde plaats dienen de argumenten te worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat wanneer een benadering op grond van de bewijskracht van de beschikbare informatie zou zijn gevolgd, het mogelijk zou zijn geweest te beoordelen of triclosan persistent was en het evenredigheidsbeginsel er zich dan ook tegen verzette dat ECHA om aanvullende informatie verzocht.

139    Dienaangaande dient ten eerste te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de tweede volzin van punt 64 van de bestreden beslissing heeft uiteengezet dat ECHA bij de beoordeling van een stof het recht had aanvullende informatie te vragen die verder gaat dan de informatie die in het kader van de registratie ervan is vereist, wanneer dat agentschap, na alle relevante informatie in aanmerking te hebben genomen die met betrekking tot de stof was verstrekt, tot de slotsom komt dat die aanvullende informatie noodzakelijk is voor de beoordeling van de betrokken stof. Met die volzin heeft zij dus in herinnering gebracht dat ECHA alle relevante informatie in aanmerking dient te nemen waarover het beschikt alvorens om aanvullende informatie te verzoeken.

140    Ten tweede dient eraan te worden herinnerd dat de procedure bij de kamer van beroep, zoals hierboven in de punten 59 tot en met 86 reeds is uiteengezet, een procedure op tegenspraak is en de omvang van het door die kamer verrichte onderzoek dan ook door verzoeksters argumenten was beperkt. Gesteld dat ECHA in de fase van de beoordeling van een stof verplicht zou zijn met de bewijskracht van de beschikbare informatie rekening te houden, dan had verzoekster tijdens die procedure derhalve moeten uiteenzetten waarom volgens die benadering een conclusie kon worden getrokken met betrekking tot de vraag of er al dan niet een risico bestond dat die stof persistent was.

141    In het kader van het tweede middel van het beroep bij de kamer van beroep had verzoekster evenwel geen omstandige argumenten aangevoerd ten bewijze dat de overwegingen van ECHA ter rechtvaardiging van zijn slotsom dat aanvullende informatie noodzakelijk was, onjuist waren. Dat middel was voornamelijk ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, volgens hetwelk in het kader van de beoordeling van een stof met name alle relevante informatie die over de betrokken stof is verstrekt in aanmerking moet worden genomen. Zoals hierboven in punt 52 is uiteengezet, heeft de kamer van beroep in de punten 59 tot en met 61 van de bestreden beslissing evenwel op dat hoofdargument geantwoord. In die context heeft zij opgemerkt dat ECHA de betrokken informatie in aanmerking had genomen, maar dat dit agentschap daaraan een andere conclusie had verbonden dan verzoekster.

142    Het klopt dat verzoekster in het kader van het tweede middel van het beroep bij de kamer van beroep eveneens het argument had aangevoerd dat ECHA, indien het de bewijskracht van de beschikbare informatie had bepaald, niet tot de slotsom had kunnen komen dat het verzoek tot uitvoering van de persistentietest noodzakelijk was. In die context dient evenwel te worden opgemerkt dat ECHA, zoals die kamer in de punten 57 tot en met 63 van de bestreden beslissing heeft uiteengezet, in zijn besluit omstandig had uiteengezet waarom het van mening was dat op grond van de door verzoekster verstrekte informatie niet tot de slotsom kon worden gekomen dat er geen risico van persistentie bestond. Vastgesteld dient evenwel te worden dat verzoekster in het kader van dat beroep geen argumenten heeft ontwikkeld ter betwisting van de in dat besluit uiteengezette redenen, maar slechts heeft aangevoerd dat de bewijskracht van de beschikbare informatie had moeten worden bepaald.

143    In het licht van de argumenten die verzoekster in het kader van het beroep bij de kamer van beroep heeft aangevoerd, kan, afgezien van de vraag of er een verplichting bestaat om de benadering te volgen die op de bewijskracht van de in het kader van de beoordeling van een stof beschikbare informatie is gebaseerd, die kamer hoe dan ook niet worden verweten in punt 64 van de bestreden beslissing slechts in herinnering te hebben gebracht dat ECHA alle relevante informatie waarover het beschikte in aanmerking moest nemen, alvorens een besluit vast te stellen waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht.

144     In de vierde plaats dient het argument te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat het niet aan haar stond om aan te tonen dat een verzoek om aanvullende informatie gelet op de beschikbare informatie niet noodzakelijk was. Uit punt 64 van de bestreden beslissing blijkt immers geenszins dat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat het aan de registrant staat om tijdens de procedure tot vaststelling van het besluit van ECHA aan te tonen dat het verzoek om informatie noodzakelijk was. Daarnaast dient in elk geval te worden geconstateerd dat uit punt III.I.1, tweede alinea, van het besluit van ECHA (bladzijde 5) blijkt dat dit agentschap in het kader van het onderzoek naar de vraag of aanvullende informatie over de persistentie van triclosan noodzakelijk was, de bewijskracht van de beschikbare informatie heeft bepaald.

145    Derhalve dient het betoog waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing de bewijskracht van de beschikbare informatie niet in aanmerking heeft genomen, te worden afgewezen.

c)      Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de intensiteit van de door de kamer van beroep verrichte toetsing ontoereikend was

146    In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep zich in punt 64 van de bestreden beslissing heeft vergist door zich met betrekking tot meningsverschillen op wetenschappelijk gebied te verlaten op ECHA, voor zover dat agentschap zijn beoordelingsbevoegdheid naar behoren had uitgeoefend. In dat punt heeft de kamer van beroep alleen maar nagegaan of ECHA geen kennelijke beoordelingsfouten had gemaakt.

147    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

148    Voor zover verzoekster allereerst met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zich niet had mogen beperken tot het onderzoek van de vraag of het besluit van ECHA onjuist was, maar zelf had moeten onderzoeken of het noodzakelijk was het verzoek tot uitvoering van de persistentietest vast te stellen, dienen die argumenten te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

149    Voor zover vervolgens met dat argument wordt beoogd aan te tonen dat de kamer van beroep in punt 64, tweede volzin, van de bestreden beslissing ten onrechte de intensiteit van de toetsing heeft beperkt die zij ten aanzien van de wetenschappelijke overwegingen in het besluit van ECHA heeft verricht, dient het eveneens te worden afgewezen.

150    In het kader van het beroep bij de kamer van beroep heeft verzoekster aangevoerd dat ECHA, indien het een benadering zou hebben gevolgd die op de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie was gebaseerd, niet tot de slotsom had kunnen komen dat het verzoek tot uitvoering van de persistentietest noodzakelijk was.

151    In punt 64, tweede volzin, van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep uiteengezet dat in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie kon worden verzocht teneinde tegemoet te komen aan eventuele bezorgdheden, mits ECHA zijn beoordelingsbevoegdheid correct heeft uitgeoefend, met name door rekening te houden met alle relevante informatie die met betrekking tot die stof was verstrekt. Uit die volzin kan evenwel niet worden afgeleid dat die kamer verzoeksters argument heeft afgewezen omdat met dat argument niet kon worden aangetoond dat het besluit van ECHA kennelijk onjuist was. Zoals hierboven in de punten 140 tot en met 143 is uiteengezet, heeft die kamer dat argument van verzoekster in die volzin immers niet verder onderzocht op grond dat het onvoldoende was gedetailleerd. In die omstandigheden kan uit die volzin niet worden afgeleid dat verzoeksters argument is afgewezen omdat de intensiteit van de door die kamer verrichte toetsing ten onrechte beperkt was.

152    De argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing een fout heeft gemaakt door zich met betrekking tot de meningsverschillen op wetenschappelijk gebied te verlaten op ECHA en alleen na te gaan of er geen sprake was van kennelijke beoordelingsfouten, kunnen dan ook niet slagen. Derhalve dienen alle argumenten van de hand te worden gewezen waarmee wordt beoogd de overwegingen te weerleggen waarop de kamer van beroep zich heeft gebaseerd om het tweede middel van het tegen het besluit van ECHA ingestelde beroep af te wijzen.

2.      Argumenten ter betwisting van de afwijzing door de kamer van beroep van het eerste middel van het bij haar ingestelde beroep

153    In het kader van het eerste middel van het beroep bij de kamer van beroep heeft verzoekster met name schending van de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 aangevoerd, volgens welke de informatie die gebruikt wordt bij de beoordeling van de persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen van een stof en bij de beoordeling van de zeer persistente en zeer bioaccumulerende eigenschappen van die stof moet zijn gebaseerd op onder relevante omstandigheden verkregen gegevens.

154    In de punten 40 tot en met 51 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht en afgewezen. In punt 41 van die beslissing heeft zij uiteengezet dat zij gelet op verzoeksters argumenten diende te onderzoeken of de in het besluit van ECHA omschreven testomstandigheden, te weten het vereiste dat de test in pelagisch water werd uitgevoerd zonder extra gesuspendeerd sediment, relevante omstandigheden vormden in de zin van de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006. In de punten 42 tot en met 45 van de bestreden beslissing heeft zij erop gewezen dat triclosan volgens de vaststellingen in het besluit van ECHA aanwezig was in bepaalde zoete en zoute pelagische wateren die geen grote hoeveelheden gesuspendeerd deeltjesmateriaal bevatten waaraan het zich gemakkelijk bond, dat die stof in dat soort water potentieel persistent was en dat op grond van de resultaten van de testen in de water- en sedimentsystemen geen conclusies konden worden getrokken met betrekking tot de halfwaardetijd ervan in pelagisch water. In punt 46 van die beslissing heeft zij verzoeksters argument in herinnering gebracht dat de belangrijkste bron van emissies van triclosan in het milieu de rechtstreekse lozing was van afvalwater van zuiveringsinstallaties in het oppervlaktewater, dat al dan niet grote hoeveelheden vaste stoffen en sediment kan bevatten. Zij heeft eveneens uiteengezet dat verzoekster om die reden van mening was dat een test in pelagisch water zonder extra gesuspendeerd sediment niet zou worden uitgevoerd onder relevante omstandigheden in de zin van de vierde alinea van de aanhef van die bijlage. In de punten 47 tot en met 50 van die beslissing heeft zij op dat argument geantwoord. Ten eerste heeft zij herinnerd aan de definitie van het begrip persistentie en aan het feit dat de persistentie van een stof volgens punt 1.1.1 van die bijlage met name afhing van de afbraak ervan in pelagisch water. Ten tweede heeft zij vastgesteld dat, zelfs indien in dat punt was aangegeven dat de testen onder relevante omstandigheden moesten plaatsvinden, dit niet betekende dat men zich hoefde te beperkten tot de meest voorkomende situaties van verspreiding van de stof in het milieu. Zij heeft gepreciseerd dat het verzoek tot uitvoering van de persistentietest niet tot doel had te beoordelen hoe triclosan zich gedroeg in water waarin veel gesuspendeerd stof of sediment aanwezig was, maar wel hoe het zich gedroeg in de in punt 1.1.1. van die bijlage genoemde specifieke compartimenten, waaronder pelagisch zoet- of zeewater zonder grote hoeveelheden gebonden residuen. In punt 51 van die beslissing is zij tot de slotsom gekomen dat het eerste middel van het beroep tegen het besluit van ECHA in het licht van die overwegingen diende te worden afgewezen.

155    Verzoekster voert aan dat die overwegingen onjuist zijn. In het kader van het derde onderdeel van het tweede middel, dat is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, voert zij aan dat ECHA en de kamer van beroep, door te eisen dat de persistentietest in pelagisch water zou worden uitgevoerd – hetgeen in strijd is met de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 – geen gegevens in aanmerking hebben genomen die uitdrukking gaven aan relevante omstandigheden voor het milieu. Het doel van een verzoek om informatie is het verkrijgen van gegevens waarmee milieurisico’s kunnen worden geïdentificeerd en passende risicobeheersmaatregelen vastgesteld. Daarentegen is de abstracte vaststelling van een intrinsieke eigenschap van een stof die van invloed is op de mogelijkheid dat zij wordt afgebroken, in die context irrelevant. De belangrijkste bron van emissies van triclosan in het milieu is de rechtstreekse lozing van afvalwater van zuiveringsinstallaties in oppervlaktewater, dat al dan niet grote hoeveelheden vaste stoffen en sediment kan bevatten. Om die reden vindt een test in pelagisch water zonder extra gesuspendeerd sediment niet plaats onder relevante omstandigheden in de zin van de vierde alinea van de aanhef van die bijlage.

156    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

157    Voor zover verzoekster allereerst met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep in het kader van een onderzoek „de novo” van het besluit van ECHA zelf de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 had moeten toepassen, dienen die argumenten te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

158    Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep in het kader van haar toetsing van het besluit van ECHA is voorbijgegaan aan de draagwijdte van de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006.

159    Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat de persistentie en de afbreekbaarheid van een stof, zoals blijkt uit punt 12.2, eerste volzin, van bijlage II bij verordening nr. 1907/2006, overeenkomen met het vermogen ervan om in het milieu te worden afgebroken, hetzij langs biologische weg, hetzij via andere processen, zoals oxidatie of hydrolyse.

160    Volgens punt 1.1.1 van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 voldoet een stof aan het persistentiecriterium in een van de volgende situaties:

a)      de halfwaardetijd in zeewater is langer dan 60 dagen;

b)      de halfwaardetijd in zoet of estuarien water is langer dan 40 dagen;

c)      de halfwaardetijd in marien sediment is langer dan 180 dagen;

d)      de halfwaardetijd in zoetwatersediment of sediment van estuaria is langer dan 120 dagen;

e)      de halfwaardetijd in de bodem is langer dan 120 dagen.

161    Hieruit volgt dat een stof als persistent moet worden beschouwd wanneer de halfwaardetijd ervan in een van de vijf in punt 1.1.1. van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 genoemde milieucompartimenten de in dat punt aangegeven duur overschrijdt. Zoals blijkt uit de punten a) en b) van die bepaling, bestaan sommige van die compartimenten uit pelagisch zoet- of zeewater.

162    In die context dient eveneens in herinnering te worden gebracht dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing erop heeft gewezen dat volgens aanwijzingen in het besluit van ECHA die verzoekster niet had betwist, triclosan in pelagisch zoet- en zeewater aanwezig was en die compartimenten geen grote hoeveelheid gesuspendeerd deeltjesmateriaal bevatten waaraan het zich gemakkelijk bond.

163    In die omstandigheden heeft de kamer van beroep in de punten 40 tot en met 51 van de bestreden beslissing geen fout begaan door te oordelen dat de persistentietest, die betrekking heeft op de manier waarop triclosan zich gedraagt in pelagisch zoet- en zeewater, zou hebben plaatsgevonden onder relevante omstandigheden in de zin van de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006.

164    Aangezien een stof als persistent moet worden beschouwd indien de halfwaardetijd ervan de duur overschrijdt in een van de vijf in punt 1.1.1. van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 genoemde milieucompartimenten (zie punt 160 hierboven), kon het onderzoek naar de persistentie van triclosan immers niet worden beperkt tot het compartiment waarin het grootste deel van de emissies plaatsvindt, wanneer informatie voorhanden is op grond waarvan triclosan eveneens aanwezig is in andere relevante compartimenten zoals pelagisch zoet- en zeewater. De kamer van beroep heeft dan ook terecht het argument afgewezen waarmee werd aangevoerd dat het vereiste dat de persistentietest in pelagisch water zou worden uitgevoerd, niet in overeenstemming was met de vierde alinea van de aanhef van die bijlage.

165    Derhalve dienen alle argumenten te worden afgewezen waarmee verzoekster beoogt de afwijzing door de kamer van beroep van het eerste middel van het beroep tegen het besluit van ECHA ter discussie te stellen.

3.      Argumenten ontleend aan de bevindingen van de Canadese instanties

166    In het kader van het derde onderdeel van het tweede middel betoogt verzoekster dat ECHA en de kamer van beroep geen rekening hebben gehouden met de bewijselementen met betrekking tot de persistentie van triclosan. Op basis van de beschikbare informatie zijn de Canadese instanties tot de slotsom gekomen dat triclosan noch persistent, noch bioaccumulerend is. De door ECHA en de Canadese instanties toepaste criteria ter identificatie van de persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen zijn soortgelijk doordat zij dezelfde doelstelling nastreven van het beschermen van het milieu tegen de schadelijke gevolgen van die stoffen. Daarnaast is de wetenschappelijke methode die de Canadese instanties volgen, vergelijkbaar met de benadering die is gebaseerd op de bewijskracht van de bewijselementen.

167    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

168    Voor zover verzoekster allereerst met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep met de bevindingen van de Canadese instanties rekening had moeten houden bij het onderzoek „de novo” dat zij in het kader van een bij haar ingesteld beroep ten aanzien van het besluit van ECHA moest verrichten, dienen die argumenten te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

169    Vervolgens dienen de argumenten te worden onderzocht die verzoekster ontleent aan de bevindingen van de Canadese instanties, voor zover zij ermee beoogt aan te tonen dat die kamer bij de toetsing die zij ten aanzien van het besluit van ECHA heeft verricht, een fout heeft gemaakt.

170    In de eerste plaats dienen, voor zover verzoekster met haar argumenten wenst aan te tonen dat de kamer van beroep had moeten vaststellen dat ECHA artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 had geschonden, of dat dit agentschap, gelet op de bevindingen van de Canadese instanties, niet het recht had de uitvoering van de persistentietest te vragen, die argumenten te worden afgewezen. Zoals in de punten 59 tot en met 86 hierboven is uiteengezet, hangt de omvang van de door die kamer verrichte toetsing immers af van de middelen die verzoeksters aanvoert. Evenwel dient vastgesteld te worden dat verzoekster in het kader van het eerste middel van het bij die kamer ingestelde beroep geen enkel middel inzake de bevindingen van de Canadese instanties heeft aangevoerd.

171    In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat voor zover verzoekster met haar argumenten wenst aan te voeren dat de bevindingen van de Canadese instanties aantonen dat de overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn, verzoekster louter het bestaan van die bevindingen aanvoert, maar niet uiteenzet waarom die bevindingen zouden kunnen afdoen aan de rechtmatigheid van de op de regels van verordening nr. 1907/2006 gebaseerde overwegingen van die kamer. Die argumenten dienen dan ook als onvoldoende gedetailleerd te worden afgewezen.

172    Derhalve dienen verzoeksters argumenten inzake de bevindingen van de Canadese instanties, en bijgevolg alle argumenten inzake de verwerping van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de persistentietest, te worden afgewezen.

B.      Argumenten ontleend aan de verwerping van het beroep bij de kamer van beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat

173    In zijn besluit heeft ECHA verzoekster verzocht het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat uit te voeren. Volgens de overwegingen in dat besluit was dat verzoek om aanvullende informatie gerechtvaardigd omdat er bezorgdheid bestond omtrent potentiële risico’s op neurotoxiciteit en reprotoxiciteit van triclosan en dat het niet mogelijk was deze bezorgdheid op basis van de beschikbare informatie weg te nemen of te bevestigen.

174    In het kader van het beroep dat verzoekster tegen het besluit van ECHA bij de kamer van beroep had ingesteld, heeft zij aangevoerd dat niet om uitvoering van dat onderzoek had mogen zijn verzocht. Dienaangaande heeft zij vier middelen aangevoerd, te weten het zesde middel, ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, het zevende middel, ontleend aan schending van artikel 25 van die verordening, het achtste middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, en het negende middel, ontleend aan schending van artikel 130 van die verordening.

175    In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht. Zij heeft vragen in verband met de ontvankelijkheid onderzocht (punten 117‑131). Zij heeft enkele inleidende opmerkingen gemaakt (punten 132‑136). Zij heeft het zevende en achtste middel (punten 137‑168), het zesde middel (punten 169‑203) en het negende middel (punten 204‑220) onderzocht en afgewezen.

176    In het kader van het onderhavige beroep voert verzoekster aan dat bepaalde overwegingen die de kamer van beroep in die delen van de bestreden beslissing heeft ontwikkeld, onjuist zijn. Ten eerste zullen de argumenten inzake de afwijzing van het zesde middel van het tegen het besluit van ECHA ingestelde beroep worden onderzocht die zijn ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006. Ten tweede zullen de argumenten inzake de afwijzing van het zevende en het achtste middel van dat beroep worden onderzocht die zijn ontleend aan schending van artikel 25 van die verordening en van het evenredigheidsbeginsel. Ten derde zullen de argumenten worden beoordeeld waarmee wordt beoogd de overwegingen van die kamer die betrekking hebben op vragen in verband met de ontvankelijkheid, ter discussie te stellen. Ten vierde zullen de argumenten worden onderzocht waarmee wordt beoogd de inleidende opmerkingen van die kamer ter discussie te stellen.

1.      Argumenten ter betwisting van de afwijzing door de kamer van beroep van het zesde middel van het bij haar ingestelde beroep

177    Het zesde middel van het beroep tegen het besluit van ECHA had betrekking op schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006. Dat middel bestond uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel, waarmee werd beoogd het verzoek tot uitvoering van een uitgebreid neurotoxiciteitsonderzoek in zijn geheel ter discussie te stellen, is door de kamer van beroep onderzocht en afgewezen in de punten 186 tot en met 199 van de bestreden beslissing. Het tweede onderdeel, waarmee meer specifiek werd beoogd het vereiste om aanvullende gegevens te verstrekken, namelijk het onderzoek naar reprotoxiciteit over één generatie, ter discussie te stellen, is door die kamer onderzocht en afgewezen in de punten 200 tot en met 203 van die beslissing.

178    Verzoekster is van mening dat de kamer van beroep fouten heeft gemaakt bij het onderzoek van de twee onderdelen van het zesde middel van het tegen het besluit van ECHA ingestelde beroep.

a)      Argumenten ter betwisting van de overwegingen waarop de kamer van beroep de verwerping van het eerste onderdeel van het zesde middel van het bij haar ingestelde beroep heeft gebaseerd

179    Het eerste onderdeel van het zesde middel van het beroep bij de kamer van beroep had betrekking op de overwegingen van ECHA ter rechtvaardiging van het verzoek tot uitvoering van het neurotoxiciteitsonderzoek overeenkomstig OESO-methode TG 426. In het kader van dat onderdeel heeft verzoekster met name schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 aangevoerd, op grond dat geen rekening was gehouden met alle relevante informatie over triclosan. Dat onderdeel bestond uit verschillende grieven. Met de eerste grief werd aangevoerd dat de onderzoeken bij ratten niet relevant waren, en met het tweede dat, wat de gevolgen van triclosan op de schildklierfunctie bij de mens betreft, met name geen rekening was gehouden met de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe noch met het rapport Witorsch.

180    In de punten 187 tot en met 199 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het eerste onderdeel van het zesde middel van het tegen het besluit van ECHA ingestelde beroep onderzocht.

181    In die context heeft de kamer van beroep in punt 187 van de bestreden beslissing uiteengezet dat de eerste grief, ontleend aan een gebrek aan relevantie van de onderzoeken bij ratten, en sommige van de argumenten die in het kader van het zesde middel van het beroep voor de kamer waren aangevoerd, elkaar overlapten en dat daarmee in het kader van het onderzoek van het zesde middel rekening zou worden gehouden.

182    In de punten 188 tot en met 193 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep de door verzoekster in het kader van de tweede grief ontwikkelde argumenten inzake de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe en het rapport Witorsch onderzocht en afgewezen.

183    In het kader van het onderhavige beroep voert verzoekster argumenten aan ter betwisting van, ten eerste, de overwegingen van de kamer van beroep inzake de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe en, ten tweede, haar overwegingen inzake het rapport Witorsch.

1)      Argumenten betreffende de overwegingen van de kamer van beroep inzake de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe

184    In punt 188 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het argument verworpen waarmee verzoekster aanvoerde dat bij de vaststelling van het besluit van ECHA geen rekening was gehouden met de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe, die volgens dat besluit aantoonden dat triclosan bij relevante doses geen negatieve gevolgen had voor de mens. Zij heeft dienaangaande opgemerkt dat die studies waren opgenomen in de bij dat besluit gevoegde bibliografie van studies en dat in dat besluit erop was gewezen dat met die studies rekening was gehouden. Onder verwijzing naar haar opmerkingen in punt 135 van de bestreden beslissing heeft zij erop gewezen dat in die omstandigheden diende te worden geoordeeld dat die studies bij de vaststelling van het besluit van ECHA in aanmerking waren genomen. In punt 135 van de bestreden beslissing heeft zij immers uiteengezet dat ECHA met name op grond van zijn motivatieplicht niet verplicht was in een besluit waarbij zij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie verzocht, in te gaan op elk punt van alle bestaande of ingediende studies en dat ECHA derhalve moest worden geacht rekening te hebben gehouden met de studies die waren opgenomen in de bij zijn besluit gevoegde bibliografie.

185    Verzoekster stelt dat de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 135 en 188 van de bestreden beslissing onjuist zijn. Volgens haar had de kamer van beroep niet mogen volstaan met de opmerking dat de wetenschappelijke studies met gegevens over de blootstelling van de mens aan triclosan waren opgenomen in de bij het besluit van ECHA gevoegde bibliografie. Verzoekster betoogt dat die kamer niet had mogen volstaan met de veronderstelling dat de in die studies vermelde gegevens in aanmerking waren genomen, en evenmin haar argument had mogen afwijzen dat triclosan bij de in het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat vereiste doses geen gevolgen had voor de gezondheid van de mens, door zich uitsluitend op die grond te baseren.

186    ECHA en de interveniënten betwisten dat argument.

187    Voor zover verzoekster allereerst met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zich niet had mogen beperken tot het onderzoek van de vraag of het besluit van ECHA onjuist was, maar zelf had moeten onderzoeken of verzoekster, gelet op de informatie in de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe, moest worden verzocht een neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat uit te voeren, dienen zij te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

188    Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht, voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep een fout heeft gemaakt bij de toetsing die zij ten aanzien van het besluit van ECHA heeft verricht.

189    Ten eerste dient het argument te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep in punt 188 van de bestreden beslissing haar argument had moeten onderzoeken dat triclosan geen gevolgen heeft voor de gezondheid van de mens bij de doses die zijn vereist in het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat. Dienaangaande volstaat de opmerking dat de kamer van beroep, zoals duidelijk blijkt uit punt 187 van de bestreden beslissing (zie punt 181 hierboven), dat argument in het kader van het onderzoek van het zesde middel van het beroep heeft onderzocht omdat dit argument en de in het kader van het zesde middel aangevoerde argumenten elkaar overlapten.

190    Ten tweede stelt verzoekster dat de kamer van beroep artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 heeft geschonden. Volgens haar had die kamer zich in punt 188 van de bestreden beslissing niet mogen beperken tot de opmerking dat de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe in de bij het besluit van ECHA gevoegde bibliografie waren vermeld.

191    Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat het in het kader van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep aan die kamer stond om na te gaan of tijdens de procedure tot vaststelling van het besluit van ECHA rekening was gehouden met alle relevante informatie die over triclosan was meegedeeld.

192    Vastgesteld dient te worden dat de kamer van beroep in punt 135 van de bestreden beslissing terecht heeft geoordeeld dat ECHA niet was tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht door in zijn besluit niet op elk punt van alle bestaande of ingediende studies in te gaan. Wat de studies Allmyr en Cullinan betreft, dient hoe dan ook te worden geconstateerd dat ECHA daarmee op bladzijde 20 van zijn besluit rekening heeft gehouden.

193    Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de argumenten die verzoekster in het kader van het beroep bij de kamer van beroep had aangevoerd ter ondersteuning van de grief inzake schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 onvoldoende gedetailleerd waren. Ter ondersteuning van de grief dat met de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe geen rekening was gehouden tijdens de procedure tot vaststelling van het besluit van ECHA, heeft verzoekster zich immers beperkt tot de stelling dat indien met die studies rekening was gehouden, de conclusie niet had kunnen luiden dat aanvullende informatie met betrekking tot het risico op neurotoxociteit van triclosan noodzakelijk was. Zoals de kamer van beroep reeds in een andere context heeft aangegeven, in punt 61 van de bestreden beslissing, kon met het enkele feit dat ECHA tot een andere slotsom was gekomen dan verzoekster evenwel niet worden aangetoond dat de inhoud van bepaalde studies niet in aanmerking was genomen. Dat kan immers eveneens het gevolg zijn van het feit dat ECHA, op basis van dezelfde informatie, tot een andere slotsom was gekomen dan verzoekster. In die omstandigheden kan de kamer van beroep niet worden verweten dat zij zich in punt 188 van de bestreden beslissing heeft beperkt tot de opmerking dat de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe in de bij het besluit van ECHA gevoegde bibliografie waren vermeld.

194    De grief dat de kamer van beroep artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 heeft geschonden door geen toereikend antwoord te formuleren op de argumenten met betrekking tot de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe, dient dan ook te worden afgewezen.

195    Derhalve dienen de argumenten inzake de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe, waarmee wordt beoogd aan te tonen de kamer van beroep in de punten 135 en 188 van de bestreden beslissing een fout heeft gemaakt, in hun geheel te worden afgewezen.

2)      Argumenten ontleend aan de overwegingen van de kamer van beroep inzake het rapport Witorsch

196    In de punten 189 tot en met 191 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep zich uitgesproken over de argumenten waarmee verzoekster aanvoert dat tijdens de procedure tot vaststelling van het besluit van ECHA geen rekening was gehouden met het rapport Witorsch. In die punten heeft zij zich in wezen op drie overwegingen gebaseerd. In de eerste plaats heeft zij zich in punt 190 van de bestreden beslissing gebaseerd op de overweging dat dit rapport in het kader van het bij haar ingestelde beroep niet was overgelegd en dat zij om die reden de relevantie ervan niet had kunnen beoordelen. In de tweede plaats heeft zij zich in de punten 189 en 191, eerste volzin, van de bestreden beslissing gebaseerd op de overweging dat het betrokken rapport ten tijde van de beoordeling van triclosan niet beschikbaar was en dat ECHA dan ook niet kon worden verweten het niet in aanmerking te hebben genomen. In de derde plaats heeft zij in punt 191, tweede tot en met vierde volzin, van het bestreden besluit opgemerkt dat verzoekster niet had aangevoerd dat de door ECHA gesignaleerde bezorgdheden zouden kunnen worden weggenomen met dat rapport.

197    Verzoekster betoogt dat de overwegingen van de kamer van beroep betreffende het rapport Witorsch onjuist zijn. De overweging van de kamer van beroep dat dit rapport niet als bewijs zou zijn overgelegd in het beroepschrift en evenmin daarna, is onjuist. Dit rapport was reeds bekend gemaakt in een wetenschappelijk tijdschrift en was relevant. De Canadese instanties hebben zich rechtstreeks op datzelfde rapport gebaseerd om tot de slotsom te komen dat het op grond van de beschikbare informatie niet mogelijk was om triclosan als een zorgwekkende stof voor de gezondheid van de mens te beschouwen. Door met dit rapport geen rekening te houden, heeft de kamer van beroep artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 geschonden.

198    Voor zover verzoekster in de eerste plaats met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zich niet had mogen beperken tot het onderzoek van de vraag of het besluit van ECHA onjuist was, maar een onderzoek „de novo” van dat besluit had moeten uitvoeren in het kader waarvan het rapport Witorsch in aanmerking moest worden genomen, dienen die argumenten te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

199    Wat het argument ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 betreft, dient te worden gepreciseerd dat de kamer van beroep in het kader van een bij haar ingesteld beroep niet verplicht is om de betrokken stof opnieuw te beoordelen en dat die bepaling dus niet rechtstreeks op haar van toepassing is. Wanneer daarentegen de verzoekende partij in het kader van de toetsing die de kamer van beroep verricht ten aanzien van de besluiten van ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, een argument aanvoert ontleend aan schending van die bepaling, staat het aan die kamer om na te gaan of die bepaling tijdens de procedure tot vaststelling van het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, werd nageleefd.

200    In de tweede plaats dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht, voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep bij de toetsing van het besluit van ECHA een fout heeft gemaakt.

201    Voor zover verzoekster ten eerste met haar argumenten aanvoert dat artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 tijdens de procedure tot vaststelling van het besluit van ECHA is geschonden omdat het rapport Witorsch niet in aanmerking zou zijn genomen, dient dat argument te worden afgewezen. Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking dat dit rapport, zoals de kamer van beroep in de punten 189 en 191, eerste volzin, van de bestreden beslissing heeft opgemerkt, niet beschikbaar was tijdens die procedure. Derhalve is elke schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 ter zake uitgesloten, zoals die kamer terecht heeft vastgesteld.

202    Voor zover verzoekster ten tweede met haar argumenten aanvoert dat de kamer van beroep in het kader van haar toetsing van het besluit van ECHA rekening had moeten houden met het rapport Witorsch, dient eraan te worden herinnerd dat het, zoals blijkt uit artikel 6, lid 1, onder f), en artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008, aan verzoekster stond om dit rapport over te leggen tijdens de procedure op tegenspraak voor die kamer. Zoals die kamer in punt 190 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, heeft verzoekster dat evenwel niet gedaan.

203    Bovendien kan het loutere feit dat de Canadese instanties zich op het rapport Witorsch hebben gebaseerd voor hun conclusie dat triclosan op basis van de bestaande gegevens bij de rat niet als een zorgwekkende stof voor de gezondheid van de mens kon worden beschouwd, niet afdoen aan het feit dat de overwegingen van de kamer van beroep met betrekking tot de aan dat rapport ontleende argumenten gegrond zijn.

204    In het licht van die overwegingen dient te worden geconcludeerd dat verzoekster met haar argumenten ontleend aan het rapport Witorsch niet kan aantonen dat de kamer van beroep in de punten 189 tot en met 191 van de bestreden beslissing een fout heeft gemaakt.

205    Derhalve dienen alle argumenten ter betwisting van de overwegingen waarop de kamer van beroep de afwijzing van het eerste onderdeel van het zesde middel van het bij haar ingestelde beroep heeft gebaseerd, te worden afgewezen.

b)      Argumenten ter betwisting van de overwegingen waarop de kamer van beroep de afwijzing van het tweede onderdeel van het zesde middel van het bij haar ingestelde beroep heeft gebaseerd

206    In het kader van het tweede onderdeel van het zesde middel van het beroep bij de kamer van beroep heeft verzoekster argumenten aangevoerd betreffende de overwegingen waarop ECHA zijn verzoek had gebaseerd tot uitvoering, overeenkomstig OESO-richtsnoeren 443, van een neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, uitgebreid met de relevante elementen van het onderzoek naar reprotoxiciteit over één generatie. In die context heeft zij betoogd dat het besluit van ECHA in strijd met artikel 47 van verordening nr. 1907/2006 was vastgesteld aangezien geen rekening was gehouden met de volgende studies: Ciba-Geigy (1983), Ciba-Geigy (1986) en Ciba-Geigy (1994). Ter ondersteuning van dat betoog heeft zij aangevoerd dat de aangewezen instantie in dat besluit ten onrechte had vastgesteld dat er in het registratiedossier geen sprake was van resultaten met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen. Die studies bevatten wel degelijk dergelijke resultaten. Voorts heeft zij aangevoerd dat de bewijskracht van de beschikbare informatie niet was bepaald.

207    In de punten 201 tot en met 203 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht en afgewezen.

208    In punt 201, tweede volzin, van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) in de bibliografie van dat besluit waren opgenomen. In de derde volzin van dat punt heeft zij opgemerkt dat de studie Ciba-Geigy (1994) „terloops” was vermeld in de argumenten die verzoekster ter ondersteuning van het beroep bij haar had ontwikkeld, maar dat die laatste studie niet voorkwam op de bij dat besluit gevoegde lijst van de studies die in de loop van de stoffenboordelingsprocedure was ingediend. In de vierde en de vijfde volzin van dat punt heeft zij geconstateerd dat geen enkele van die studies in de loop van de beroepsprocedure was overgelegd. Derhalve was het voor haar onmogelijk om te bepalen of die studies relevant waren voor de beoordeling van triclosan in de zin van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006.

209    In punt 202 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het argument onderzocht dat de bewijskracht van de beschikbare informatie niet zou zijn bepaald. In de eerste plaats heeft zij in de eerste volzin van dat punt in herinnering gebracht, onder verwijzing naar haar overwegingen in punt 64 van die beslissing, dat ECHA niet verplicht was een benadering te volgen die is gebaseerd op de bewijskracht van de beschikbare informatie teneinde in de context van de beoordeling van een stof conclusies te trekken met betrekking tot een bijzondere eigenschap van die stof. Volgens haar was de relevante vraag veeleer of ECHA rekening had gehouden met alle relevante informatie. In de tweede plaats heeft zij in de tweede tot en met de vierde volzin van dat punt erop gewezen dat, voor zover verzoekster over de beschikbare informatie opmerkingen had ingediend, die opmerkingen in het besluit van ECHA waren afgewezen. Voor het overige kon volgens haar van ECHA niet worden verwacht dat dit agentschap grieven afwijst die verzoekster niet specifiek had aangevoerd.

210    Verzoekster betoogt dat sommige van die overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn.

211    In de eerste plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel aan dat de kamer van beroep artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 heeft geschonden door geen acht te slaan op de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986), die ten eerste haar argument staven dat geen enkel potentieel risico op reprotoxiciteit het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat kon rechtvaardigen, ten tweede histopathologische analyses bevatten in verband met het gewicht van de voortplantingsorganen en de histopathologie bij ratten, en ten derde zijn opgenomen in het beoordelingsdossier van de stof en ingeroepen in het beroepschrift voor de betrokken kamer.

212    In die context voert verzoekster eveneens aan dat de overweging van de kamer van beroep dat zij, doordat verzoekster de studies niet opnieuw als bijlagen bij het beroepschrift had ingediend, niet in staat was geweest te bepalen of zij nuttig waren voor de beoordeling van triclosan in de zin van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, onjuist is. Volgens haar had die kamer gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot die studies, die via de internationale databank voor uniforme chemische informatie beschikbaar waren en in bijlage 3 bij het besluit van ECHA waren vermeld. Zij is van mening dat die kamer eveneens overeenkomstig artikel 15, lid 3, van verordening nr. 771/2008 om overlegging van die documenten had kunnen verzoeken. Door haar weigering de relevantie van de betrokken studies te onderzoeken, heeft de betrokken kamer derhalve op een onrechtmatige manier belangrijke wetenschappelijke bewijzen uitgesloten en niet alle relevante informatie in aanmerking genomen.

213    In de tweede plaats voert verzoekster in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel aan dat de kamer van beroep eraan is voorbijgegaan dat de op de bewijskracht van de bewijselementen gebaseerde benadering van toepassing is op de stoffenbeoordeling en ECHA op grond daarvan zijn beoordelingsbevoegdheid op het gebied van complexe wetenschappelijke en technische beoordelingen kon uitoefenen met inaanmerkingneming van alle relevante elementen.

214    In de derde plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel aan dat de kamer van beroep de inhoud van het beroepschrift onjuist heeft opgevat. Volgens haar heeft die kamer geconstateerd dat zij geen argument met betrekking tot de bepaling van de bewijskracht had aangevoerd, terwijl zij in dat beroepschrift een dergelijk argument had aangevoerd. Die kamer is met name voorbijgegaan aan de inhoud van de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986).

215    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

216    Eerst dienen verzoeksters argumenten, voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zich niet had mogen beperken tot het onderzoek van de vraag of het besluit van ECHA onjuist was, maar zelf had moeten onderzoeken, rekening houdend met de inhoud van de studies Ciba-Geigy, of een verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat noodzakelijk was, te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131. In die context dienen eveneens de argumenten waarmee wordt aangevoerd dat artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 rechtstreeks van toepassing is op de kamer van beroep, te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in punt 199.

217    Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht, voor zover ermee wordt beoogd aan te tonen dat de kamer van beroep bij de toetsing van het besluit van ECHA een fout heeft gemaakt.

218    In die context dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep had dienen te constateren dat het besluit van ECHA was vastgesteld in strijd met artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 en anderzijds de argumenten waarmee wordt aangevoerd dat die kamer de argumenten met betrekking tot de bepaling van de bewijskracht van de bewijselementen niet had mogen afwijzen.

1)      Argumenten volgens welke de kamer van beroep had moeten constateren dat artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 was geschonden

219    Verzoekster voert aan dat de kamer van beroep had moeten constateren dat ECHA artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 had geschonden.

220    In die context dient eraan te worden herinnerd dat de kamer van beroep, geconfronteerd met het argument dat ECHA artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 had geschonden door geen rekening te houden met de studies Ciba-Geigy, diende te onderzoeken of het informatie over triclosan betrof die relevant was en was ingediend in de zin van die bepaling, en of ermee rekening was gehouden tijdens procedure die had geleid tot de vaststelling van dat besluit.

221    In de eerste plaats zij opgemerkt dat verzoekster zich in haar schriftelijke stukken voor het Gerecht heeft beperkt tot argumenten inzake de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986). De notitieafspraak „studies Ciba-Geigy” die verzoekster in die schriftelijke stukken heeft gehanteerd, heeft betrekking op de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986), maar niet op de studie Ciba-Geigy (1994).  Derhalve dient te worden geconstateerd dat de voor het Gerecht aangevoerde argumenten geen betrekking hebben op de studie Ciba-Geigy (1994).

222    Het is juist dat verzoekster in het kader van de opmerkingen die zij ter terechtzitting heeft gemaakt, heeft verklaard dat haar schriftelijke opmerkingen eveneens betrekking hadden op de studie Ciba-Geigy (1994). Luidens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering mogen nieuwe middelen evenwel niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Aangezien verzoekster zich niet op dergelijke gegevens beroept, dienen de opmerkingen die zij tijdens de terechtzitting heeft gemaakt, als tardief te worden afgewezen.

223    Hoe dan ook heeft de kamer van beroep terecht het argument verworpen dat het besluit van ECHA in strijd met artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 was vastgesteld omdat de studie Ciba-Geigy (1994) niet in aanmerking was genomen. Volgens het door verzoekster niet betwiste punt 201, derde volzin, van de bestreden beslissing is die studie immers niet tijdens de beoordelingsprocedure ingediend. Derhalve kon ECHA wat die studie betreft geen schending van bovengenoemde bepaling worden verweten.

224    In de tweede plaats dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep met betrekking tot de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 had moeten vaststellen.

225    In die context dient te worden opgemerkt dat de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986), zoals de kamer van beroep in punt 201 van de bestreden beslissing heeft uiteengezet, waren opgenomen in de bibliografie die bij het besluit van ECHA was gevoegd.

226    In die omstandigheden stond het in het kader van de procedure op tegenspraak voor de kamer van beroep aan verzoekster om argumenten aan te voeren ten bewijze dat de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986), ondanks hun vermelding in de bibliografie in bijlage bij het besluit van ECHA, niet in aanmerking waren genomen in het kader van de procedure die had geleid tot de vaststelling van dat besluit.

227    Zoals in de punten 190 tot en met 194 hierboven is uiteengezet, kon het enkele feit dat ECHA tot een andere slotsom was gekomen dan verzoekster met betrekking tot de noodzaak om het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat uit te voeren, niet aantonen dat er geen rekening was gehouden met de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986).

228    Voor de kamer van beroep had verzoekster evenwel eveneens aangevoerd dat de op bladzijde 15 van het besluit van ECHA samengevatte vaststelling van de aangewezen instantie dat het registratiedossier geen resultaten bevatte met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen, werd tegengesproken door de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986), die volgens haar dergelijke resultaten bevatten. Derhalve dient te worden onderzocht of dat argument, in het licht van de inhoud van het besluit van ECHA, twijfel kon doen ontstaan over de vraag of die studies in aanmerking waren genomen.

229    Dienaangaande dient allereerst te worden opgemerkt dat verzoekster, zoals blijkt uit de bladzijden 8 en 19 van bijlage N bij het beroepschrift, in het kader van haar opmerkingen over de voorstellen tot wijziging van het ontwerpbesluit van ECHA (zie punt 12 hierboven) had opgemerkt dat studies in het technisch registratiedossier, wat de testikels of voortplantingsorganen betreft, geen enkele verandering aan het licht had gebracht op histopathologisch gebied, noch wat het gewicht ervan betreft. In die context had zij met name verwezen naar de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986). In die bijlage wordt immers op bladzijde 8 verwezen met name naar studies nr. 18 en nr. 19 en op bladzijde 19 ervan vermeld dat het de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) betreft.

230    Vervolgens dient te worden opgemerkt dat verzoeksters opmerkingen over het ontwerpbesluit zijn samengevat op de bladzijden 26 en 27 van het besluit van ECHA, en dat de in punt 229 hierboven vermelde opmerking woordelijk is overgenomen op bladzijde 27 van dat besluit. In die context dient eveneens te worden opgemerkt dat uit bijlage 3 bij dat besluit blijkt dat die opmerking met name betrekking had op de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986).

231    Ten slotte dient te worden geconstateerd dat op de bladzijden 27 en 28 van het besluit van ECHA is onderzocht of het mogelijke risico op reprotoxiciteit van triclosan met name als gevolg van de informatie in de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) kon worden uitgesloten. Op die bladzijden, en meer bepaald in punt 2 van de antwoorden van de aangewezen instantie, is immers met name uiteengezet dat de registranten reeds eerder opmerkingen hadden gemaakt over het feit dat triclosan volgens sommige van de studies over die stof geen gevolgen had voor de voortplanting en dat de aangewezen instantie reeds voordien had aangegeven dat de dosering van triclosan in die studies niet was gemeten tijdens de voor de ontwikkeling van het voortplantingsstelsel cruciale prenatale en postnatale perioden, en dat zij dan ook onvoldoende gegevens opleverden om het ontbreken van gevolgen voor de voortplanting betrouwbaar te kunnen beoordelen. Met betrekking tot de studie Ciba-Geigy (1983), een subchronische studie, is op bladzijde 28 van dat besluit eveneens vermeld dat in een retrospectieve analyse van de toegevoegde waarde van een studie over twee generaties was geconcludeerd dat het feit dat geen enkel effect op de voortplanting was waargenomen in een subchronische studie, niet belette dat de stof gevolgen voor de voortplanting kon hebben.

232    In het licht van die elementen kon de enkele verwijzing naar de vaststelling van de aangewezen instantie op bladzijde 15 van het besluit van ECHA, volgens welke verzoeksters registratiedossier geen resultaten met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen bevatte, niet aantonen dat de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) niet in aanmerking waren genomen in de procedure die had geleid tot de vaststelling van dat besluit.

233    Derhalve dient te worden geconstateerd dat verzoekster in het kader van het beroep bij de kamer van beroep geen argumenten heeft aangevoerd die kunnen aantonen dat artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 was geschonden omdat de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) niet in aanmerking zouden zijn genomen. In die omstandigheden kan die kamer niet worden verweten in de bestreden beslissing geen dergelijke schending te hebben vastgesteld.

234    In die context dient te worden gepreciseerd dat aan die slotsom niet kan worden afgedaan door een eventuele fout in de in punt 201, vierde volzin, van de bestreden beslissing opgenomen overweging van de kamer van beroep dat zij het argument ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 eveneens mocht afwijzen omdat verzoekster de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) niet tijdens de procedure bij haar had ingediend. Zoals in de punten 219 tot en met 233 hierboven is uiteengezet, blijft het immers zo, zelfs gesteld dat die overweging onjuist is, dat verzoeksters argumenten niet konden afdoen aan de afwijzing door die kamer van het argument ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van die verordening. Verzoekster had immers geen argument aangevoerd waaruit blijkt dat die studies niet in aanmerking waren genomen.

2)      Argumenten betreffende de overwegingen van de kamer van beroep inzake de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie

235    Verzoekster betoogt dat de overwegingen van de kamer van beroep inzake de bewijskracht van de beschikbare informatie onjuist zijn.

236    In de eerste plaats voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in punt 202 van de bestreden beslissing, door de vaststelling dat ECHA niet verplicht was een op de bewijskracht van de beschikbare informatie gebaseerde benadering te volgen teneinde in de context van de beoordeling van een stof te komen tot een slotsom over een bijzondere eigenschap van een stof, eraan is voorbijgegaan dat de bepaling van de bewijskracht eveneens toepassing vindt bij de beoordeling van een stof.

237    Dienaangaande zij er ten eerste aan herinnerd dat, zoals in de punten 136 en 137 hierboven is uiteengezet, het juist is dat uit punt 1.2 van bijlage XI bij verordening nr. 1907/2006 blijkt dat, indien in het kader van de registratie van een stof een op de bepaling van de bewijskracht gebaseerde benadering kan bevestigen dat al dan niet sprake is van een bijzondere gevaarlijke eigenschap, er moet worden afgezien van verder onderzoek voor die eigenschap bij gewervelde dieren en er mag worden afgezien van verder onderzoek waarbij geen gewervelde dieren betrokken zijn, en dat daarnaast uit de tweede alinea van bijlage XIII bij die verordening blijkt dat voor de identificatie van persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen, alsmede voor de identificatie van zeer persistente en zeer bioaccumulerende stoffen de bewijskracht wordt bepaald met behulp van het oordeel van deskundigen. Uit die bepalingen blijkt evenwel niet uitdrukkelijk dat de bewijskracht dient te worden bepaald in het kader van de beoordeling van een stof.

238    Ten tweede zij opgemerkt dat gesteld dat ECHA in het kader van de beoordeling van een stof, gelet op het evenredigheidsbeginsel, niet het recht zou hebben om aanvullende informatie te vragen over het bestaan van een potentieel risico van een stof wanneer met betrekking tot het al dan niet bestaan van dat risico conclusies kunnen worden getrokken op grond van de bewijskracht van de beschikbare informatie, het, gelet op het feit dat de procedure bij de kamer van beroep een procedure op tegenspraak is (zie punten 59‑86 hierboven), niettemin aan de verzoekende partij van een beroep bij de kamer van beroep staat om uiteen te zetten waarom de overwegingen in het besluit van ECHA onjuist zouden zijn.

239    In de tweede volzin van punt 202 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep evenwel uiteengezet dat verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het zesde middel van het bij haar ingestelde beroep geen omstandige argumenten had aangedragen ter betwisting van de vaststelling van ECHA dat de beschikbare informatie niet volstond om triclosan te kunnen beoordelen met betrekking tot het potentiële risico van reprotoxiciteit ervan.

240    Voor zover verzoekster met haar argumenten beoogt die vaststelling ter discussie te stellen, volstaat het eraan te herinneren dat, zoals in punt 231 hierboven is uiteengezet, op de bladzijden 27 en 28 van het besluit van ECHA erop is gewezen dat de dosering van triclosan in de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) niet was gemeten tijdens de voor de ontwikkeling van het voortplantingsstelsel cruciale prenatale en postnatale perioden, en dat daarom de in die studies verstrekte informatie niet volstond om het ontbreken van gevolgen voor de voortplanting betrouwbaar te kunnen beoordelen. Met betrekking tot de studie Ciba-Geigy (1983), een subchronische studie, is erop gewezen dat in een retrospectieve analyse van de toegevoegde waarde van een studie over twee generaties was geconcludeerd dat het feit dat geen enkel effect op de voortplanting was waargenomen in een subchronische studie, niet belette dat de stof gevolgen voor de voortplanting kon hebben.

241    Evenwel dient te worden vastgesteld dat verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het zesde middel van het beroep bij de kamer van beroep met betrekking tot de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) alleen maar heeft aangevoerd dat de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie het mogelijk zou hebben gemaakt vast te stellen dat er geen sprake was van enig potentieel risico op reprotoxiciteit van triclosan. Verzoekster heeft zich dus beperkt tot het inroepen van het bestaan van die studies, zonder argumenten aan te voeren die vraagtekens konden plaatsen bij de in het besluit van ECHA gegeven reden waarom de informatie uit die studies niet als toereikend kon worden beschouwd.

242    In die omstandigheden kan de kamer van beroep niet worden verweten te hebben geoordeeld dat de argumenten die verzoekster met betrekking tot de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) had aangevoerd, onvoldoende gedetailleerd waren.

243    Met betrekking tot de studie Ciba-Geigy (1994) dient in herinnering te worden gebracht, zoals in punt 222 hierboven is uiteengezet, dat verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen voor het Gerecht geen argumenten ten aanzien van die studie heeft aangevoerd, en dat haar mondelinge opmerkingen die voor het eerst ter terechtzitting zijn geformuleerd, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. In elk geval dient te worden vastgesteld dat verzoekster voor de kamer van beroep geen enkel omstandig argument over die studie naar voren heeft gebracht. Ten overvloede zij eraan herinnerd dat die studie bij ECHA niet was ingediend.

244    Derhalve dienen de argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met de bewijskracht van de beschikbare informatie, te worden afgewezen.

245    In de tweede plaats dienen verzoeksters argumenten eveneens te worden afgewezen in het geval zij met haar argumenten wenst aan te voeren dat de kamer van beroep erop had moeten wijzen dat de aangewezen instantie op bladzijde 15 van het besluit van ECHA ten onrechte had vastgesteld dat het registratiedossier geen resultaten bevatte met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen.

246    Het is juist dat gesteld dat er in tegenstelling tot wat de aangewezen instantie heeft geconstateerd, in de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) wel resultaten waren opgenomen met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen, de op bladzijde 15 van het besluit van ECHA samengevatte vaststelling van die instantie dat verzoeksters registratiedossier geen resultaten bevatte met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen, onjuist zou zijn geweest.

247    In het licht van de op de bladzijden 27 en 28 van het besluit van ECHA uiteengezette redenen (zie punt 231 hierboven), volgens welke de dosering van triclosan in de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) niet was gemeten tijdens de voor de ontwikkeling van het voortplantingsstelsel cruciale prenatale en postnatale perioden, en volgens welke de in die studies verstrekte informatie dan ook niet volstond om het ontbreken van gevolgen voor de voortplanting betrouwbaar te kunnen beoordelen, zouden die bevindingen evenwel niet hebben volstaan om de mogelijkheid uit te sluiten dat triclosan reprotoxische effecten kan hebben.

248    In die omstandigheden zou een eventuele fout in de vaststelling van de aangewezen instantie op bladzijde 15 van het besluit van ECHA niet hebben kunnen afdoen aan de beslissing van dat agentschap om de uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat te vragen.

249    Hieruit volgt dat alle argumenten ter betwisting van de overwegingen waarop de kamer van beroep de afwijzing van het tweede onderdeel van het zesde middel van het beroep tegen het besluit van ECHA heeft gebaseerd, en dus alle argumenten ter betwisting van de overwegingen waarop de kamer van beroep de afwijzing van dat middel heeft gebaseerd, dienen te worden verworpen.

2.      Argumenten ter betwisting van de verwerping door de kamer van beroep van het zevende en het achtste middel van het bij haar ingestelde beroep

250    In de punten 137 tot en met 168 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep de argumenten onderzocht die verzoekster had ontwikkeld in het kader van het zevende en het achtste middel van het administratief beroep, te weten schending van artikel 25 van verordening nr. 1907/2006 en schending van het evenredigheidsbeginsel. In het kader van die middelen had verzoekster in wezen gesteld dat het niet mogelijk was om op basis van de beschikbare gegevens vast te stellen dat er een potentieel risico bestond dat triclosan neurotoxische of reprotoxische effecten had. Zij had met name betoogd dat de vaststellingen met betrekking tot het ontbreken van een dergelijk risico reeds uit de bestaande gegevens hadden kunnen worden afgeleid. Ook had zij erop gewezen dat het wegens de verschillen tussen de rat en de mens niet mogelijk was om voor de mens conclusies te trekken uit het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat.

251    In punt 149 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat verzoekster in het kader van het bij haar ingestelde beroep alleen maar argumenten had aangevoerd ter betwisting van de noodzaak en de geschiktheid van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, en uiteengezet dat zij zich tot het onderzoek van die aspecten zou beperken. In de punten 150 tot en met 160 van die beslissing heeft zij verzoeksters argumenten ter betwisting van de noodzaak van dat verzoek onderzocht en afgewezen. In de punten 161 tot en met 168 van die beslissing heeft zij verzoeksters argumenten ter betwisting van de geschiktheid van dat verzoek onderzocht en afgewezen.

252    Verzoekster betoogt dat die overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn. In de eerste plaats zullen de argumenten worden onderzocht waarmee zij beoogt de overwegingen van die kamer met betrekking tot de noodzaak van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat ter discussie te stellen. In de tweede plaats zullen de argumenten worden onderzocht waarmee wordt beoogd de overwegingen van die kamer met betrekking tot de geschiktheid van dat verzoek ter discussie te stellen.

a)      Argumenten ter betwisting van de overwegingen van de kamer van beroep met betrekking tot de noodzaak van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat

253    In punt 150 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep uiteengezet dat ECHA, om aan te tonen dat een verzoek om aanvullende informatie in de context van de beoordeling van een stof noodzakelijk is, moet kunnen aantonen dat er een potentieel risico bestaat voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, dat dit risico moet worden opgehelderd en dat er een reële kans bestaat dat op grond van de gevraagde informatie betere risicobeheersmaatregelen kunnen worden getroffen.

254    In punt 151 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geconstateerd dat ECHA volgens verzoeksters betoog niet had aangetoond dat er een risico bestond dat moest worden opgehelderd omdat de bewijskracht van de beschikbare informatie niet volstond om een risico van hormoonontregeling bij de mens te identificeren.

255    In punt 152 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep in herinnering gebracht dat zelfs wanneer overeenkomstig bijlage XI bij verordening nr. 1907/2006 een op de bewijskracht van de bewijselementen gebaseerde benadering is gevolgd om de informatievereisten af te stemmen op de registratiebehoeften, ECHA niet verplicht is om een dergelijke benadering te volgen in de context van de beoordeling van een stof, mits dat agentschap zijn beoordelingsbevoegdheid correct had uitgeoefend door met name het bestaan van een potentieel risico aan te tonen. In die context heeft zij verwezen naar haar overwegingen in punt 64 van die beslissing.

256    In punt 153 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep uiteengezet dat ECHA in haar besluit twee potentiële risico’s met betrekking tot triclosan had geïdentificeerd, namelijk in de eerste plaats het potentiële risico op reprotoxische effecten en in de tweede plaats het potentiële risico op neurotoxische effecten.

257    In punt 154 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat verzoekster in het beroepschrift geen omstandige argumenten had aangevoerd die konden afdoen aan de bezorgdheid met betrekking tot het risico op reprotoxische effecten.

258    In de punten 155 tot en met 158 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep uiteengezet waarom ECHA, ondanks de door verzoekster aangevoerde argumenten, tot de slotsom mocht komen dat triclosan met name bij de mens een remmend effect kon hebben op thyroxine, wat ongewenste neurologische gevolgen teweegbrengt voor het nageslacht.

259    Verzoekster betoogt dat die overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn. In de eerste plaats voert zij argumenten aan die specifiek betrekking hebben op de overwegingen van die kamer inzake het risico op neurotoxiciteit van triclosan en in de tweede plaats argumenten die specifiek betrekking hebben op de overwegingen van die kamer inzake het potentiële risico op reprotoxiciteit van die stof. In de derde plaats voert zij argumenten aan die zijn ontleend aan de bevindingen van de Canadese instanties met betrekking tot triclosan. In de vierde plaats stelt zij dat die kamer in punt 152 van de bestreden beslissing is voorbijgegaan aan het feit dat bij de beoordeling van een stof de bewijskracht van de beschikbare informatie dient te worden bepaald. In de vijfde plaats stelt zij dat de betrokken kamer alleen maar heeft nagegaan of er geen sprake was van kennelijke beoordelingsfouten.

1)      Argumenten die specifiek betrekking hebben op de overwegingen van de kamer van beroep inzake het potentiële risico op neurotoxiciteit van triclosan

260    In de punten 153 en 155 tot en met 158 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep de argumenten onderzocht waarmee verzoekster beoogt te bewijzen dat ECHA niet had aangetoond dat er een potentieel risico bestond dat triclosan neurotoxisch was. In punt 153 van die beslissing heeft zij opgemerkt dat ECHA in zijn besluit heeft verwezen naar een enorme hoeveelheid informatie, en met name naar in-vitro- en in-vivo-onderzoeken die werden uitgevoerd op ratten en op mensen. Op basis van die informatie is ECHA tot de slotsom gekomen dat de in casu aan de orde zijnde stof, met name bij de mens een remmend effect kon hebben op thyroxine, wat ongewenste neurologische gevolgen teweegbrengt voor het nageslacht. In de punten 155 tot en met 158 van die beslissing heeft die kamer verzoeksters argumenten ter betwisting van de overwegingen die zijn gebaseerd op het potentiële risico op neurotoxiciteit van triclosan, onderzocht en afgewezen. In die context heeft zij opgemerkt dat verzoekster er in essentie alleen maar op had gewezen het niet eens te zijn met de conclusies die ECHA uit de beschikbare gegevens had getrokken, hetgeen neerkomt op een meningsverschil op wetenschappelijk gebied, en heeft zij, onder verwijzing naar haar overwegingen in punt 134 van die beslissing, in herinnering gebracht dat met dergelijke argumenten niet kon worden aangetoond dat de bestreden beslissing onjuist was. Ook heeft zij een aan de studie Axelstad (2013) ontleend argument afgewezen, waarbij zij met name heeft opgemerkt dat verzoekster niet had aangetoond dat de overwegingen van ECHA onjuist waren, maar louter had aangevoerd het niet eens te zijn met de uitlegging die dat agentschap aan de bestaande gegevens had gegeven. Dergelijke argumenten zouden niet hebben kunnen afdoen aan de rechtmatigheid van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat. Met betrekking de argumenten waarmee verzoekster aanvoert dat ECHA, gelet op de verschillen tussen ratten en mensen, op basis van de onderzoeksresultaten met betrekking tot ratten niet had mogen constateren dat er een potentieel risico bestond dat triclosan neurotoxisch was, heeft die kamer aangegeven dat die argumenten moesten worden afgewezen op grond van de overwegingen in de punten 163 tot en met 165 van de betrokken beslissing, waarin de argumenten waren onderzocht ter betwisting van de overwegingen van ECHA inzake de vraag of het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat geschikt was.

261    Verzoekster betoogt dat sommige van die overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn.

262    In de eerste plaats voert verzoekster in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel aan dat de kamer van beroep de door haar aangevoerde wetenschappelijke studies niet naar behoren heeft onderzocht. Volgens haar had die kamer, gelet op de functionele continuïteit die er bestond tussen ECHA en die kamer, moeten overgaan tot een onderzoek „de novo” van het besluit van ECHA, dat de toetsing van de wetenschappelijke beoordelingen in dat besluit omvat. Anders zou die kamer een leemte doen ontstaan in de procedurele bescherming van registranten zoals zijzelf.

263    In de tweede plaats voert verzoekster in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel aan dat de kamer van beroep in punt 156 van de bestreden beslissing ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd. Het stond aan ECHA en die kamer om aan te tonen dat er een risico bestond dat moest worden opgehelderd en dat het verkrijgen van de aanvullende informatie de risicobeheersmaatregelen daadwerkelijk kon verbeteren. Noch ECHA noch die kamer hebben dat evenwel aangetoond. Volgens verzoekster had die kamer in dat punt dan ook niet mogen constateren dat zij niet had aangetoond dat ECHA onjuiste conclusies had getrokken.

264    In de derde plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel aan dat de kamer van beroep in de punten 134, 155 en 156 van de bestreden beslissing niet had mogen uitgaan van de overweging dat een meningsverschil op wetenschappelijk gebied geen schending van het recht oplevert. Door aldus te werk te gaan, heeft die kamer geen rekening gehouden met het bestaan van een functionele continuïteit tussen haar en ECHA en heeft zij een inadequate toetsing verricht.

265    In de vierde plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel aan dat de kamer van beroep niet heeft kunnen verduidelijken op welke manier de ingeroepen bewijselementen, namelijk de bestaande studies bij de rat, de conclusies konden staven die ECHA eruit had getrokken. Ten eerste is de overweging van die kamer in punt 153 van de bestreden beslissing dat ECHA een groot aantal studies had onderzocht, ontoereikend. Relevant voor het gewicht dat aan de bewijselementen dient te worden gegeven om een bepaalde hypothese te bevestigen of weerleggen, zijn factoren zoals de kwaliteit van de gegevens, de samenhang van de resultaten, de aard en de ernst van de gevolgen en de relevantie van de informatie. Ten tweede bevat die beslissing een tegenstrijdigheid en steunt zij op bewijselementen die niet samenhangend zijn, aangezien die kamer zich met betrekking tot het potentiële risico van neurotoxiciteit bij de mens uitsluitend heeft gebaseerd op gegevens uit studies bij de rat. Ten derde hebben ECHA en die kamer geen rekening gehouden met studies bij de mens en andere soorten waaruit blijkt dat van neurotoxische effecten en hormoonontregeling geen sprake is. Indien de kamer van beroep daarmee rekening zou hebben gehouden, zou zij volgens verzoekster tot de slotsom zijn gekomen dat de gegevens, gelet op de interspecifieke verschillen van triclosan, niet konden worden geëxtrapoleerd. Ten vierde heeft de betrokken kamer geen rekening gehouden met haar aan het rapport Witorsch ontleende argumenten waaruit blijkt dat triclosan geen neurotoxische effecten heeft noch hormoonontregelend werkt. In dat rapport wordt het relevante bewijsmateriaal samengebracht en eveneens gedetailleerd omschreven en wordt de wijze waarop de bewijzen zijn gebruikt om tot een eindconclusie te komen, op een betrouwbare, samenhangende en transparante manier toegelicht.

266    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

267    Allereerst dienen verzoeksters argumenten te worden afgewezen voor zover zij daarmee aanvoert dat de kamer van beroep de relevante informatie zelf had moeten beoordelen teneinde te beslissen of er een potentieel risico bestond dat triclosan neurotoxisch was. Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren dat die kamer, zoals in de punten 55 tot en met 131 hierboven is uiteengezet, in het kader van een bij haar ingesteld beroep alleen maar onderzoekt of het besluit van ECHA, gelet op de door verzoekster aangevoerde argumenten, onjuist is.

268    Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht, voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep bij de toetsing van het besluit van ECHA een fout heeft gemaakt.

269    In de eerste plaats dienen de argumenten te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep had moeten constateren dat ECHA op basis van de beschikbare informatie niet had mogen vaststellen dat triclosan neurotoxisch was.

270    Het in punt 269 hierboven bedoelde betoog is immers gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat ECHA voor zijn verzoek om aanvullende informatie ter verduidelijking of triclosan neurotoxische effecten heeft, had moeten aantonen dat die stof neurotoxisch was.

271    Volgens het bij verordening nr. 1907/2006 ingevoerde stelsel kan evenwel, wanneer er bezorgdheid bestaat over potentiële risico’s van een stof voor de gezondheid van de mens en het milieu en die risico’s op basis van de beschikbare informatie niet kunnen worden weerlegd of bevestigd, in het kader van de beoordeling van die stof een besluit worden vastgesteld om aanvullende informatie te vragen ter verduidelijking van dat risico.

272    Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 heeft die verordening immers tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu te waarborgen. Bovendien volgt uit artikel 1, lid 3, tweede volzin, van die verordening dat de bepalingen ervan op het voorzorgsbeginsel zijn gebaseerd. Zoals blijkt uit overweging 66 van die verordening, is ECHA in het kader van de beoordeling van een stof waarvan wordt vermoed dat zij een risico voor de gezondheid of het milieu vormt, bevoegd om nadere informatie te vragen over deze stof.

273    Ten bewijze dat het neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat noodzakelijk was, hoefde ECHA dan ook niet aan te tonen dat triclosan op basis van de informatie waarover zij beschikte, als neurotoxisch moest worden beschouwd. Het agentschap kon ermee volstaan vast te stellen dat er sprake was van een potentieel risico van neurotoxiciteit.

274    In de tweede plaats dient het argument te worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep in punt 156 van de bestreden beslissing de bewijslast ten onrechte heeft omgekeerd.

275    Enerzijds moet, voor zover het in punt 274 hierboven vermelde argument betrekking heeft op de verdeling van de bewijslast tijdens de procedure bij de kamer van beroep, worden opgemerkt dat de kamer van beroep in punt 156, vierde volzin, van de bestreden beslissing terecht heeft geoordeeld dat het aan verzoekster stond om aan te tonen dat de vaststellingen van ECHA onjuist waren. Die verdeling van de bewijslast vloeit immers voort uit het feit dat de procedure bij die kamer een procedure op tegenspraak is. Derhalve dient verzoeksters argument te worden afgewezen, voor zover het betrekking heeft op de verdeling van de bewijslast tijdens die procedure.

276    Anderzijds moet, voor zover het in punt 274 hierboven vermelde argument betrekking heeft op de bewijslast tijdens de procedure bij ECHA, eraan worden herinnerd dat, ten bewijze dat een verzoek noodzakelijk is, het aan ECHA staat om aan te tonen dat de betrokken stof een potentieel risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu inhoudt, dat dit risico moet worden opgehelderd en dat er een reële kans bestaat dat op grond van de gevraagde informatie betere risicobeheersmaatregelen kunnen worden getroffen.

277    Evenwel dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep de op de procedure bij ECHA toepasselijke regels inzake de bewijslast niet heeft geschonden. De overweging van die kamer in punt 156, vierde volzin, van de bestreden beslissing heeft immers alleen betrekking op de verdeling van de bewijslast tijdens de procedure bij die kamer. Zoals blijkt uit punt 150 van die beslissing, heeft de betrokken kamer, wat de procedure bij ECHA betreft, daarentegen een benadering gevolgd die in overeenstemming is met de hierboven in punt 276 in herinnering gebrachte regel.

278    In het licht van die overwegingen dient het in punt 274 hierboven vermelde argument te worden afgewezen.

279    In de derde plaats voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in de punten 134, 155 en 156 van de bestreden beslissing niet had mogen uitgaan van de overweging dat een meningsverschil op wetenschappelijk gebied geen schending van het recht oplevert. Zij had haar toetsing niet mogen beperken op grond dat ECHA over een beoordelingsbevoegdheid beschikt.

280    Om te beginnen dient eraan worden herinnerd dat in het kader van een dergelijke procedure de verzoekende partij, gelet op het feit dat de procedure bij de kamer van beroep een procedure op tegenspraak is, omstandige argumenten ter betwisting van de overwegingen van ECHA moet aanvoeren. Wanneer de verzoekende partij tijdens de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het besluit van ECHA aanvoert dat op basis van de beschikbare informatie niet kan worden vastgesteld dat er een potentieel gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het milieu bestaat, of dat op basis van bepaalde informatie kan worden aangetoond dat een stof geen schadelijke gevolgen heeft voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, en ECHA die argumenten in zijn besluit vervolgens onderzoekt en afwijst, staat het in het kader van het beroep bij de kamer van beroep derhalve aan de verzoekende partij om omstandige argumenten aan te voeren ten bewijze dat de overwegingen waarop ECHA zich heeft gebaseerd, onjuist zijn. In dat geval kan elk argument waarmee de verzoekende partij voor die kamer alleen maar het bestaan aanvoert van studies waarmee ECHA geen rekening heeft gehouden, zonder dat zij aangeeft waarom de overwegingen van ECHA onjuist zouden zijn, worden geacht niet voldoende omstandig te zijn.

281    Verzoeksters argumenten die betrekking hebben op de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 134, 155 en 156 van de bestreden beslissing, dienen in het licht van het voorgaande te worden onderzocht.

282    Ten eerste heeft de kamer van beroep in punt 155 van de bestreden beslissing in wezen opgemerkt dat verzoeksters argumenten met betrekking tot de conclusies die uit de beschikbare informatie moesten worden getrokken, beperkt waren tot de vaststelling dat verzoekster het niet eens was met de conclusies die ECHA had getrokken. In die context heeft zij verwezen naar de vierde volzin van punt 134 van die beslissing, waarin zij heeft uiteengezet dat het feit dat verzoekster het niet eens was met een vaststelling op wetenschappelijk gebied van ECHA, niet volstond om aan te tonen dat die vaststelling onjuist was.

283    Ten tweede heeft de kamer van beroep in punt 156 van de bestreden beslissing opgemerkt dat verzoekster in het kader van het beroep had aangevoerd dat het volgens de studie Axelstad (2013) onwaarschijnlijk was dat triclosan relevante schadelijke gevolgen zou teweegbrengen. Dienaangaande heeft zij eraan herinnerd dat in die studie eveneens erop werd gewezen dat het nodig zou kunnen zijn om triclosan later te beoordelen als potentieel neurotoxische stof. Zij heeft er eveneens aan herinnerd dat ECHA had aangevoerd dat de betrokken studie de bezorgdheid niet kon wegnemen dat triclosan, door het thyroxineniveau bij de moeder te verlagen, de hersenontwikkeling bij het nageslacht zou kunnen beïnvloeden. In die context heeft zij opgemerkt dat verzoekster niet had aangetoond dat die vaststelling van ECHA onjuist was, maar alleen maar had aangegeven het niet eens te zijn met de uitlegging die ECHA aan de beschikbare informatie had gegeven. Aldus heeft zij weerom verwezen naar de vierde volzin van punt 134 van die beslissing, waarin zij heeft uiteengezet dat het feit dat verzoekster het niet eens was met een conclusie op wetenschappelijk gebied van ECHA niet volstond om aan te tonen dat die conclusie onjuist was.

284    In het licht van de overwegingen in punt 280 hierboven kan de kamer van beroep niet worden verweten dat zij de argumenten waarmee verzoekster alleen maar had aangegeven dat zij het niet eens was met de conclusie van ECHA, als onvoldoende gedetailleerd heeft afgewezen om de in de punten 155 en 156 van de bestreden beslissing uiteengezette redenen.

285    In die context dient eveneens te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de punten 155 en 156 van de bestreden beslissing verzoeksters argumenten heeft afgewezen hetzij omdat zij onvoldoende gedetailleerd waren, hetzij omdat zij ongegrond waren. Daarentegen heeft zij die argumenten niet afgewezen op grond dat daarmee niet kon worden aangetoond dat de overwegingen van ECHA kennelijk onjuist waren. Anders dan verzoekster stelt kan uit die punten dan ook niet worden afgeleid dat die kamer de intensiteit van haar toetsing heeft beperkt vanwege de beoordelingsmarge van ECHA.

286    Derhalve dient het argument met betrekking tot de punten 134, 155 en 156 van de bestreden beslissing eveneens te worden afgewezen.

287    In de vierde plaats dient, wat verzoeksters argumenten betreft inzake het rapport Witorsch, ten eerste te worden opgemerkt dat voor zover verzoekster dat rapport heeft aangevoerd in het kader van het zesde middel van het beroep, ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, haar betoog dient te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 200 tot en met 205. Ten tweede dient te worden opgemerkt dat verzoekster dat rapport niet heeft aangevoerd in het kader van het zevende en het achtste middel van het beroep bij de kamer van beroep, die betrekking hadden op schendingen van artikel 25 van verordening nr. 1907/2006 en van het evenredigheidsbeginsel. Aangezien de procedure bij die kamer een procedure op tegenspraak is, kan haar dan ook niet worden verweten in het kader van het onderzoek van die middelen geen rekening te hebben gehouden met het betrokken rapport. Hoe dan ook dient te worden geconstateerd dat verzoekster in het kader van dat beroep niet omstandig heeft uiteengezet waarom de overwegingen in het besluit van ECHA, gelet op de inhoud van het betrokken rapport, volgens haar als onjuist dienden te worden beschouwd. Ten derde kan, voor zover verzoekster stelt dat de overwegingen van de kamer van beroep gelet op die inhoud als onjuist moeten worden beschouwd, worden volstaan met de opmerking dat zij niet omstandig heeft uiteengezet waarom de overwegingen van de kamer van beroep, rekening houdend met die inhoud, als onjuist dienen te worden beschouwd. Derhalve dienen alle argumenten ontleend aan het betrokken rapport te worden afgewezen.

288    In de vijfde plaats dient, voor zover verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de gevolgen van triclosan bij de rat en die bij de mens, en dat de overwegingen in de bestreden beslissing tegenstrijdig zijn doordat die kamer zich voor de identificatie van een potentieel risico van neurotoxiciteit bij de mens uitsluitend op gegevens uit studies bij de rat zou hebben gebaseerd, te worden geconstateerd dat die argumenten betrekking hebben op punt 157 van die beslissing, waarin de argumenten worden behandeld ontleend aan de verschillen tussen de gevolgen van triclosan bij de rat en die bij de mens. Vastgesteld dient evenwel te worden dat die kamer in dat punt heeft verwezen naar haar overwegingen in de punten 163 tot en met 165 van die beslissing. Verzoeksters argumenten zullen derhalve in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de argumenten die op die overwegingen van de kamer van beroep betrekking hebben (zie punten 365‑383 hieronder).

289    In de zesde plaats dient, voor zover verzoekster stelt dat de kamer van beroep zich in punt 153 van de bestreden beslissing niet had mogen beperken tot de vaststelling dat ECHA een groot aantal studies had onderzocht, maar zelf had moeten onderzoeken of zij op basis van de beschikbare informatie het bestaan van een potentieel risico van neurotoxiciteit had kunnen uitsluiten, eraan te worden herinnerd dat die kamer, zoals hierboven in de punten 59 tot en met 86 is uiteengezet, zich in het kader van een bij haar ingesteld beroep beperkt tot het onderzoek van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. Derhalve kan die kamer niet worden verweten in punt 153 van die beslissing te hebben vastgesteld dat ECHA een groot aantal studies had onderzocht, en evenmin dat zij in de punten 154 tot en met 159 van die beslissing alleen maar de argumenten heeft onderzocht die verzoekster in het kader van het administratief beroep had ontwikkeld.

290    In het licht van die overwegingen dienen de argumenten die specifiek betrekking hebben op de overwegingen van de kamer van beroep inzake het potentiële risico op neurotoxiciteit van triclosan, te worden afgewezen, onder voorbehoud van de argumenten ontleend aan de verschillen tussen de gevolgen van triclosan bij de rat en die bij de mens, die in de punten 339 tot en met 386 hieronder zullen worden onderzocht.

2)      Argumenten die specifiek betrekking hebben op de overwegingen van de kamer van beroep inzake het potentiële risico op reprotoxiciteit van triclosan

291    In punt 154 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep, in het kader van het onderzoek van de argumenten waarmee verzoekster beoogt aan te tonen dat het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat niet noodzakelijk was, geoordeeld dat die argumenten onvoldoende gedetailleerd waren.

292    Volgens verzoekster is die overweging onjuist. Om te beginnen betoogt zij dat de kamer van beroep de door haar in het beroepschrift aangevoerde argumenten onjuist heeft opgevat. Voorts stelt zij dat die kamer in het licht van de bestaande studies had moeten vaststellen dat van een risico op reprotoxiciteit van triclosan geen sprake was.

i)      Argumenten inzake een onjuiste opvatting van verzoeksters argumenten

293    In het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel betoogt verzoekster dat de kamer van beroep in punt 154 van de bestreden beslissing de argumenten die zij in het beroepschrift had aangevoerd, onjuist heeft opgevat. Volgens haar heeft die kamer vastgesteld dat zij in het kader van het zevende en het achtste middel van het administratief beroep geen argument had aangevoerd ter betwisting van de noodzaak om, gelet op het potentiële risico op reprotoxiciteit van triclosan, het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat uit te voeren. Zij stelt evenwel dat zij in het beroepschrift argumenten naar voren heeft gebracht ter betwisting van de vaststelling van ECHA dat triclosan een potentieel risico van reprotoxiciteit oplevert. Zij geeft aan te hebben aangevoerd dat de vaststelling in het besluit van ECHA dat geen enkel resultaat met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen in haar registratiedossier was opgenomen, onjuist was aangezien de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) volgens haar dergelijke informatie bevatten.  

294    ECHA betwist die argumenten.

295    Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat verzoekster in het kader van het beroep tegen het besluit van ECHA argumenten heeft ontwikkeld met betrekking tot het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat (punten 47‑106 van het beroepschrift). Verzoeksters betoog ter zake bestond uit een inleidend gedeelte (punten 48‑51 van dat beroepschrift) en uit drie onderdelen, waarvan het eerste specifiek betrekking had op de bezorgdheid over de neurotoxiciteit van triclosan (punten 52‑85 van dat beroepschrift) en het tweede specifiek op de bezorgdheid over de reprotoxiciteit van die stof (punten 86‑97 van dat beroepschrift). Het derde onderdeel was ontleend aan schending van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 en van het evenredigheidsbeginsel (punten 98‑106 van het betrokken beroepschrift).

296    Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat het klopt dat verzoekster in het onderdeel van het beroepschrift dat specifiek betrekking heeft op schending van het evenredigheidsbeginsel, namelijk in de punten 98 tot en met 106 van dat beroepschrift, geen omstandige argumenten heeft aangevoerd ter betwisting van de overwegingen van ECHA met betrekking tot de noodzaak om, gelet op het potentiële risico op reprotoxiciteit van triclosan, de uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat te vragen.

297    Vastgesteld dient evenwel te worden dat verzoekster in punt 106 van het beroepschrift heeft aangegeven dat het verzoek tot uitvoering van die studie niet noodzakelijk was om de „hierboven uiteengezette redenen”. Anders dan ECHA stelt, blijkt uit die verwijzing naar dat punt en uit de context ervan voldoende duidelijk dat verzoekster in dat punt heeft verwezen naar de argumenten die zij in de punten 86 tot en met 97 van dat beroepschrift heeft ontwikkeld met betrekking tot het potentiële risico op reprotoxiciteit van triclosan. In die context had verzoekster met name aangevoerd dat de vaststelling in het besluit van ECHA dat geen enkel resultaat met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen was opgenomen in het registratiedossier, onjuist was.

298    Verzoekster voert dan ook terecht aan dat zij in punt 106 van het beroepschrift, in het kader van het onderdeel inzake schending van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 en van het evenredigheidsbeginsel, een argument heeft aangevoerd ter betwisting van de conclusie van ECHA dat triclosan een potentieel risico op reprotoxiciteit oplevert, namelijk het argument dat, anders dan in dat besluit was vastgesteld, resultaten met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen waren opgenomen in het registratiedossier.

299    In die context dient eveneens te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in haar antwoord op het zevende en het achtste middel niet uitdrukkelijk op dat argument heeft geantwoord.

300    Aangezien verzoekster het argument dat ten onrechte was vastgesteld dat er geen resultaten met betrekking tot het gewicht of de morfologie van mannelijke voortplantingsorganen in het registratiedossier waren opgenomen, in de punten 86 tot en met 97 van het beroepschrift had aangevoerd, en dus in het kader van het tweede onderdeel van het zesde middel, dient evenwel te worden nagegaan of de kamer van beroep er in het kader van het onderzoek van dat onderdeel wel degelijk op heeft geantwoord.

301    In die context dient in herinnering te worden gebracht dat de kamer van beroep, zoals in de punten 238 tot en met 242 hierboven is uiteengezet, in het kader van het onderzoek van het tweede onderdeel van het zesde middel van het beroep voor haar, niet alleen de argumenten ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 heeft onderzocht, maar eveneens, in punt 202 van de bestreden beslissing, het argument dat uit de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie had kunnen worden afgeleid dat er van een potentieel risico op reprotoxiciteit van triclosan geen sprake was. Zoals hierboven in de punten 238 tot en met 242 is uiteengezet, heeft zij zich in punt 202 van die beslissing immers in wezen gebaseerd op de overweging dat op grond van aanwijzingen in het besluit van ECHA met betrekking tot de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) kon worden verklaard waarom die studies onvoldoende informatie opleverden om betrouwbaar te kunnen beoordelen dat er geen gevolgen voor de voortplanting waren, en op de overweging dat verzoekster geen omstandige argumenten had aangevoerd ter betwisting van die overwegingen.

302    De overweging van de kamer van beroep in punt 154 van de bestreden beslissing, volgens welke verzoekster in het kader van het zevende en het achtste middel van het administratief beroep geen argument had aangevoerd ter betwisting van de noodzaak om, gelet op het potentiële risico op reprotoxiciteit van triclosan, het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat uit te voeren, dient te worden gelezen in het licht van dat antwoord van die kamer.

303    Zoals hierboven is uiteengezet, had de kamer van beroep reeds in het kader van het onderzoek van het tweede onderdeel van het zesde middel geantwoord op het argument dat verzoekster in het kader van dat onderdeel had aangevoerd. Haar kan dan ook niet worden verweten dat argument niet opnieuw te hebben onderzocht in het kader van het onderzoek van het achtste middel, in het kader waarvan verzoekster alleen maar naar dat argument heeft verwezen.

304    Derhalve heeft de kamer van beroep verzoeksters argumenten niet onjuist opgevat in punt 154 van de bestreden beslissing.

305    Hoe dan ook, gesteld al dat de kamer van beroep in punt 154 van de bestreden beslissing verzoeksters argumenten onjuist zou hebben opgevat, kan een dergelijke fout niet leiden tot nietigverklaring van die beslissing. De redenen waarom ECHA had geoordeeld dat de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986) onvoldoende informatie opleverden om betrouwbaar te kunnen beoordelen dat er geen gevolgen voor de voortplanting waren, rechtvaardigden op zich immers de conclusie dat de inhoud van die studies geen beletsel vormde voor het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, en in het beroepschrift voor die kamer had verzoekster geen argumenten aangevoerd ter betwisting van die overwegingen.

306    Derhalve dient het argument dat de kamer van beroep in punt 154 van de bestreden beslissing de argumenten die verzoekster in het beroepschrift had aangevoerd, onjuist heeft opgevat, te worden afgewezen.

ii)    Argumenten inzake studies waarin wordt bevestigd dat triclosan geen reprotoxische effecten heeft

307    In het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel voert verzoekster aan dat de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986), alsook het rapport Witorsch bevestigen dat triclosan geen reprotoxische effecten heeft. Zij betoogt dat ECHA en de kamer van beroep de bewijskracht van de bewijselementen hadden moeten bepalen. Volgens haar hebben ECHA en die kamer erkend dat de onderzochte monsters konden zijn besmet door dioxines die mogelijkerwijze aan de oorsprong lagen van de waargenomen resultaten.

308    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

309    Allereerst dienen verzoeksters argumenten, voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep had moeten onderzoeken of het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat noodzakelijk was, door de relevante informatie zelf opnieuw te beoordelen, te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

310    Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht, voor zover zij ermee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep bij de toetsing van het besluit van ECHA een fout heeft gemaakt.

311    In die context dienen in de eerste plaats de argumenten te worden afgewezen die verzoekster ontleent aan de studies Ciba-Geigy (1983) en Ciba-Geigy (1986). Zoals hierboven in punt 305 is uiteengezet, heeft ECHA in zijn besluit uiteengezet waarom die studies volgens dat agentschap onvoldoende informatie opleverden om betrouwbaar te beoordelen dat er geen gevolgen voor de voortplanting waren en heeft verzoekster in het kader van het beroep bij de kamer van beroep geen argumenten aangevoerd ter betwisting van die overwegingen.

312    In de tweede plaats dienen de argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met het rapport Witorsch, te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in punt 287.

313    Wat in de derde plaats het argument betreft dat de onderzochte monsters hadden kunnen zijn besmet met dioxinen die mogelijkerwijze aan de oorsprong lagen van de waargenomen resultaten, dient te worden opgemerkt dat verzoekster ter zake geen argument heeft aangevoerd in het kader van het zevende en het achtste middel van het beroep bij de kamer van beroep. Daarnaast dient hoe dan ook te worden opgemerkt dat die kamer, voor zover verzoekster ter zake argumenten heeft aangevoerd in het kader van het eerste onderdeel van het zesde middel van dat beroep, op die argumenten heeft geantwoord in punt 197 van de bestreden beslissing. Evenwel dient te worden vastgesteld dat verzoekster in het kader van het onderhavige beroep geen enkel omstandig argument aanvoert ter betwisting van dat antwoord.

314    Derhalve dienen te worden afgewezen de argumenten ontleend aan studies waarin wordt bevestigd dat triclosan geen reprotoxische effecten heeft, en dus alle argumenten die specifiek betrekking hebben op de overwegingen van de kamer van beroep inzake het potentiële risico op reprotoxiciteit van triclosan.

3)      Argumenten inzake de beoordeling door de Canadese instanties

315    In het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel voert verzoekster aan dat de Canadese instanties op grond van een op de bewijskracht van de bewijselementen gebaseerde benadering tot de slotsom zijn gekomen, zonder om aanvullende tests te verzoeken, dat triclosan geen neurotoxische of reprotoxische effecten had. Die instanties hebben met name twijfels geuit over de relevantie van de extrapolatie van de resultaten van proeven met ratten naar de mens. In die context verwijst verzoekster naar een rapport van die instanties dat dateert van 26 november 2016.

316    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

317    Allereerst dienen de argumenten van verzoekster, voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zelf had moeten beslissen of het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat noodzakelijk was door in het kader van haar eigen beoordeling rekening te houden met de beoordeling van de Canadese instanties, te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

318    Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht, voor zover zij ermee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep bij de toetsing van het besluit van ECHA een fout heeft gemaakt.

319    In die context dient eraan te worden herinnerd dat de kamer van beroep in de punten 150 tot en met 160 van de bestreden beslissing verzoeksters argumenten heeft onderzocht waarmee zij beoogt aan te tonen dat ECHA niet tot de slotsom had mogen komen dat het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat noodzakelijk was.

320    Voor zover verzoekster met haar argumenten aanvoert dat de kamer van beroep bij haar onderzoek rekening had moeten houden met het rapport van de Canadese instanties, dient eraan te worden herinnerd dat het, gelet op het feit dat de procedure bij die kamer een procedure op tegenspraak is, aan verzoekster stond om dat rapport tijdens die procedure over te leggen. Verzoekster voert evenwel niet aan dat zij dat rapport tijdens die procedure heeft ingediend. In die context dient te worden opgemerkt dat het betrokken rapport is gepubliceerd op 26 november 2016, dus na de terechtzitting voor die kamer van 9 juni 2016 (zie punt 22 hierboven), en verzoekster niet aanvoert dat dit rapport na de terechtzitting bij die kamer is ingediend.

321    Voor zover verzoekster daarnaast met haar argumenten aanvoert dat de beoordeling van de Canadese instanties aantoont dat de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 150 tot en met 160 van de bestreden beslissing onjuist zijn, dient te worden opgemerkt dat zij alleen maar het bestaan van die beoordeling inroept, zonder aan te geven waarom die bevindingen kunnen afdoen aan de rechtmatigheid van de overwegingen van die kamer, die zijn gebaseerd op de regels van verordening nr. 1907/2006. Derhalve dienen de argumenten die verzoekster aan die beoordeling ontleent, als onvoldoende gedetailleerd te worden afgewezen.

322    Derhalve dienen ook de aan de beoordeling van de Canadese instanties ontleende argumenten te worden afgewezen.

4)      Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep eraan is voorbijgegaan dat in het kader van de beoordeling van stoffen de bewijskracht moet worden bepaald

323    In het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in punt 152 van de bestreden beslissing eraan is voorbijgegaan dat bij de stoffenbeoordeling de bewijskracht moest worden bepaald en dat die bepaling haar dan ook in staat stelde haar beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen op het gebied van ingewikkelde wetenschappelijke en technische beoordelingen, door rekening te houden met alle relevante elementen.

324    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

325    Allereerst dienen verzoeksters argumenten te worden afgewezen, voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zelf een nieuw onderzoek had moeten uitvoeren door zelf de bewijskracht van de beschikbare informatie te bepalen. Zoals hierboven in de punten 55 tot en met 131 is uiteengezet, beperkt die kamer zich in het kader van een bij haar ingesteld beroep immers tot het onderzoek van de vraag of het besluit van ECHA, gelet op de door verzoekster aangevoerde argumenten, onjuist was.

326    Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht, voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep bij de toetsing van het besluit van ECHA een fout heeft gemaakt.

327    Dienaangaande dient ten eerste in herinnering te worden gebracht dat, zoals in de punten 136 en 137 hierboven is uiteengezet, uit punt 1.2 van bijlage XI bij verordening nr. 1907/2006 inderdaad blijkt dat, indien in het kader van de registratie van een stof aan de hand van een op de bepaling van de bewijskracht gebaseerde benadering kan worden bevestigd dat al dan niet sprake is van een bijzondere gevaarlijke eigenschap, er moet worden afgezien van verder onderzoek voor die eigenschap bij gewervelde dieren en mag worden afgezien van verder onderzoek waarbij geen gewervelde dieren betrokken zijn, en daarnaast uit de tweede alinea van bijlage XIII bij die verordening blijkt dat voor de identificatie van persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen, alsmede voor de identificatie van zeer persistente en zeer bioaccumulerende stoffen de bewijskracht wordt bepaald met behulp van het oordeel van deskundigen. Uit die bepalingen blijkt evenwel niet uitdrukkelijk dat de bewijskracht dient te worden bepaald bij de beoordeling van een stof.

328    Ten tweede, gesteld dat ECHA in het kader van de beoordeling van een stof, gelet op het evenredigheidsbeginsel, niet het recht zou hebben aanvullende informatie te vragen over een potentieel risico van een stof wanneer met betrekking tot het al dan niet bestaan van dat risico conclusies kunnen worden getrokken op grond van de bewijskracht van de beschikbare informatie, staat het, gelet op het feit dat de procedure bij de kamer van beroep een procedure op tegenspraak is (zie punten 59 tot en met 86 hierboven), niettemin aan de verzoekende partij, om uiteen te zetten waarom zij meent dat de overwegingen in het besluit van ECHA onjuist zijn.

329    Evenwel dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep in de punten 150 tot en met 160 van de bestreden beslissing een aantal van verzoeksters argumenten waarmee zij beoogt de noodzaak van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat ter discussie te stellen, heeft onderzocht, en dat met de door verzoekster in het kader van het onderhavige beroep aangevoerde argumenten die in de punten 260 tot en met 322 hierboven zijn onderzocht, niet kan worden aangetoond dat die kamer enig omstandig argument dat verzoekster in het kader van het beroep voor die kamer had aangevoerd, niet in aanmerking zou hebben genomen.

330    Derhalve dient dat argument van verzoekster te worden verworpen.

5)      Argument dat de kamer van beroep zich heeft beperkt tot het onderzoek van de vraag of er geen kennelijke beoordelingsfouten zijn gemaakt

331    In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in punt 152 van de bestreden beslissing een fout heeft gemaakt door zich met betrekking tot meningsverschillen op wetenschappelijk gebied te verlaten op ECHA, voor zover dat agentschap zijn beoordelingsbevoegdheid naar behoren had uitgeoefend. In dat punt heeft die kamer alleen nagegaan of er geen kennelijke beoordelingsfouten waren gemaakt door ECHA.

332    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

333    Dienaangaande dient te worden vastgesteld dat noch uit punt 152 van de bestreden beslissing, noch uit de andere punten van het onderdeel van die beslissing waarin de kamer van beroep heeft onderzocht of het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat noodzakelijk was, blijkt dat die kamer alleen heeft nagegaan of ECHA geen kennelijke beoordelingsfouten had gemaakt.

334    Zoals in de punten 323 tot en met 330 hierboven is uiteengezet, heeft de kamer van beroep in punt 152 van de bestreden beslissing immers in wezen alleen maar in herinnering gebracht dat het in het kader van het bij haar ingestelde beroep aan verzoekster stond om aan te tonen dat ECHA zich bij de conclusie met betrekking tot de noodzaak van het verzoek tot uitvoering van het neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat had vergist. Bovendien heeft zij, zoals hierboven in de punten 279 tot en met 285 is uiteengezet, in de punten 155 en 156 van die beslissing in wezen verklaard dat een argument waarmee een verzoekende partij alleen maar aangeeft het niet eens te zijn met de door ECHA getrokken conclusies, onvoldoende gedetailleerd is.

335     Daarentegen heeft de kamer van beroep, anders dan verzoekster stelt, in de punten 152, 155 en 156 van de bestreden beslissing de door verzoekster aangevoerde argumenten niet afgewezen omdat daarmee niet kon worden aangetoond dat de overwegingen van ECHA kennelijk onjuist waren.

336    Hieruit volgt dat ook dit argument, evenals alle argumenten waarmee wordt beoogd vraagtekens te plaatsen bij de overwegingen van de kamer van beroep die betrekking hebben op de noodzaak van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, dienen te worden afgewezen, onder voorbehoud van de argumenten ontleend aan de interspecifieke verschillen van triclosan, die hieronder in de punten 339 tot en met 386 zullen worden onderzocht.

b)      Argumenten ter betwisting van de overwegingen van de kamer van beroep met betrekking tot de geschiktheid van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat

337    In de punten 161 tot en met 167 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep verzoeksters argumenten onderzocht waarmee zij beoogt vraagtekens te plaatsen bij de overweging van ECHA dat het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat nuttige informatie zou opleveren over de gevolgen van triclosan bij mensen. In die context heeft zij zich uitgesproken over verzoeksters argumenten waarmee zij, gelet op de verschillen tussen de rat en de mens, kritiek formuleert op het feit dat de resultaten van studies bij de rat zouden worden geëxtrapoleerd naar de mens. Met die argumenten trekt verzoekster niet alleen de geschiktheid van het verzoek tot uitvoering van dat onderzoek in twijfel, maar eveneens de noodzaak ervan. In punt 167 van die beslissing is die kamer tot de slotsom gekomen dat het zesde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, diende te worden afgewezen. In punt 168 van die beslissing heeft zij geconstateerd dat, aangezien alle argumenten ter betwisting van de noodzaak van dat verzoek dienden te worden afgewezen en naast de onderzochte en afgewezen argumenten noch verzoekster noch PETA International Science Consortium hadden aangevoerd dat er alternatieven voor de proeven met gewervelde dieren bestonden, het zevende middel, ontleend aan schending van artikel 25 van verordening nr. 1907/2006, eveneens diende te worden afgewezen.

338    Verzoekster voert argumenten aan waarmee zij beoogt die overwegingen ter discussie te stellen. Allereerst dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht die betrekking hebben op de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 162 tot en met 167 van de bestreden beslissing. Vervolgens zullen de argumenten worden onderzocht waarmee wordt aangevoerd dat die kamer in punt 168 van die beslissing niet heeft onderzocht of er minder dwingende maatregelen konden worden genomen.

1)      Argumenten betreffende de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 161 tot en met 167 van de bestreden beslissing

339    In punt 161 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geconstateerd dat verzoekster met haar argumenten inzake de verschillen tussen ratten en mensen de geschiktheid van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat ter discussie heeft willen stellen. In punt 162, tweede volzin, van die beslissing heeft zij geoordeeld dat het aan verzoekster stond om aan te tonen dat de vaststelling van ECHA inzake de geschiktheid van dat verzoek onjuist was.

340    In de punten 163 tot en met 166 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep de argumenten onderzocht en afgewezen waarmee verzoekster heeft aangevoerd dat het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat niet geschikt was wegens de verschillen tussen de rat en de mens, die eraan in de weg stonden dat de resultaten van studies bij de rat worden geëxtrapoleerd naar de mens. In die punten heeft zij uiteengezet dat verzoeksters argumenten niet konden afdoen aan de overwegingen van ECHA dat, ondanks de verschillen tussen de rat en de mens, een potentieel risico op neurotoxiciteit bij de mens kon worden geïdentificeerd op basis van studies bij de rat, en dat een proef met ratten nuttige informatie zou opleveren over de gevolgen van triclosan voor de mens.

341    In die context heeft de kamer van beroep in punt 163 van de bestreden beslissing uiteengezet dat ECHA in zijn besluit moeilijkheden had vastgesteld om de resultaten met betrekking tot de rat te extrapoleren naar de mens en dus rekening had gehouden met de moeilijkheden waarop verzoekster had gewezen. Zij heeft eveneens uiteengezet dat ECHA de argumenten die verzoekster ter zake had aangevoerd, had onderzocht en de relevantie van studies bij de rat had gerechtvaardigd.

342    In punt 164 van de bestreden beslissing is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat uit het besluit van ECHA en de voor haar aangevoerde argumenten bleek dat in de procedure die had geleid tot de vaststelling van dat besluit zorgvuldig rekening was gehouden met de verschillen tussen ratten en mensen. Volgens haar vormden verzoeksters argumenten een herhaling van de argumenten die tijdens die procedure reeds waren aangevoerd en behandeld, werd ermee alleen maar betoogd dat er uiteenlopende wetenschappelijke meningen bestonden en dienden zij dan ook te worden afgewezen. In die context heeft zij verwezen naar haar overweging in punt 134 van de bestreden beslissing dat het feit dat verzoekster het standpunt van ECHA over een specifiek punt niet deelde, op zich niet volstond om aan te tonen dat het agentschap zijn beoordelingsbevoegdheid onjuist zou hebben uitgeoefend. Volgens haar kon het enkele feit dat verzoekster een andere wetenschappelijke mening had dan ECHA, dan ook niet afdoen aan de rechtmatigheid van de bestreden beslissing.

343    In punt 165 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep erkend dat er problemen waren met de uitvoering van onderzoeken naar toxiciteit bij gewervelde dieren die betrouwbare gegevens opleveren over de gevolgen van een bepaalde stof voor mensen. Het extrapoleren van resultaten van de ene naar de andere soort is ingewikkeld. Volgens die kamer voldeden de in het besluit van ECHA vastgestelde testmethoden op dat moment evenwel aan de stand van de techniek. Het bestaan van verschillen tussen de reactie van ratten en die van de mens bij de blootstelling aan triclosan volstaat dus niet om aan te tonen dat het gevraagde onderzoek geen nuttige informatie zou opleveren over de gevolgen van die stof voor de mensen die eraan worden blootgesteld. Volgens die kamer had verzoekster overigens geen geschikt alternatief voorgesteld voor het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat.

344    In punt 166 van de bestreden beslissing is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat verzoeksters argumenten dienden te worden afgewezen.

345    Verzoekster stelt dat sommige overwegingen van de kamer van beroep in de punten 134 en 162 tot en met 166 van de bestreden beslissing onjuist zijn.

346    In de eerste plaats voert verzoekster in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel aan dat de kamer van beroep in de punten 162 tot en met 165 van de bestreden beslissing de bewijslast ten onrechte heeft omgekeerd.

347    In de tweede plaats voert verzoekster in het kader van het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel aan dat de vaststelling van de kamer van beroep in de punten 134 en 164 van de bestreden beslissing, die gebaseerd zou zijn op de overweging dat een meningsverschil op wetenschappelijk gebied geen schending van het recht oplevert, onjuist is. Volgens haar had die kamer zich, gelet op de functionele continuïteit die er tussen ECHA en die kamer bestaat, niet mogen beperken tot een rechtmatigheidstoetsing en had zij zich, voor zover dat agentschap zijn beoordelingsbevoegdheid naar behoren had uitgeoefend, met betrekking tot de meningsverschillen op wetenschappelijk gebied niet mogen verlaten op ECHA. De rol van die kamer bestaat er juist in om de verschillende wetenschappelijke meningen zorgvuldig te onderzoeken teneinde te bepalen of het oordeel van ECHA in het licht van de relevante bewijzen gerechtvaardigd was. Volgens verzoekster had die kamer zich dus niet mogen beperken tot de opmerking dat ECHA haar argument zorgvuldig had onderzocht en dat argument niet had mogen afwijzen op grond dat het was gebaseerd op een ander wetenschappelijk standpunt. Volgens haar had de betrokken kamer daarentegen dienen over te gaan tot een onderzoek „de novo” van het besluit van ECHA, waarbij ook de in dat besluit opgenomen wetenschappelijke beoordelingen worden onderzocht. Anders zou zij een leemte doen ontstaan in de procedurele bescherming die registranten zoals zijzelf wordt geboden.

348    In de derde plaats voert verzoekster in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel aan dat er wegens de verschillende werking van triclosan bij de rat en bij de mens geen enkele zekerheid bestaat over de overdraagbaarheid naar de mens van de resultaten van studies bij de rat. Tussen de hormoonhuishouding van de rat en die van de mens, en dus met betrekking tot de manier zelf waarop triclosan wordt geacht neurotoxische effecten te hebben, bestaan er grote verschillen. Tussen de functie van de schildklier bij de mens en die bij de rat bestaan er waarneembare verschillen en die verschillen hebben een grote impact op de conclusies die uit de studies bij de rat moeten worden getrokken ter beoordeling van een potentieel risico voor de gezondheid van de mens. De overweging van de kamer van beroep dat de verschillen tussen mensen en ratten met betrekking tot de vatbaarheid voor triclosan veeleer kwalitatief dan kwantitatief van aard zijn, overtuigt niet en is tegenstrijdig. De kwalitatieve verschillen hebben betrekking op de manier zelf waarop triclosan schadelijke gevolgen teweegbrengt bij de mens en bij de rat. Die overweging geeft blijk van het feit dat de voor die kamer aangevoerde argumenten vanuit wetenschappelijk oogpunt werden miskend. In die context dient eveneens rekening te worden gehouden met de in punt 265 hierboven samengevatte argumenten van verzoekster, voor zover zij betrekking hebben op de verschillen tussen mensen en ratten.

349    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

350    Allereerst dienen de argumenten te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep de relevante informatie zelf had moeten beoordelen en beslissen of triclosan al dan niet een potentieel risico van neurotoxiciteit of van reprotoxiciteit oplevert. Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren dat de procedure bij die kamer, zoals hierboven in de punten 55 tot en met 131 is uiteengezet, een procedure op tegenspraak is en dat die kamer zich in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep dus beperkt tot het onderzoek van de vraag of de door verzoekster aangevoerde argumenten kunnen aantonen dat het besluit van ECHA onjuist is.

351    Vervolgens dienen de argumenten te worden onderzocht waarmee verzoekster beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep bij de toetsing van het besluit van ECHA een fout heeft gemaakt.

352    In de eerste plaats voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in punt 162, tweede volzin, en punt 165 van de bestreden beslissing de bewijslast ten onrechte heeft omgekeerd.

353    Voor zover enerzijds het in punt 352 hierboven vermelde argument betrekking heeft op de verdeling van de bewijslast tijdens de procedure bij de kamer van beroep, dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in punt 162, tweede volzin, en punt 165, derde volzin, van de bestreden beslissing terecht heeft vastgesteld dat het aan verzoekster stond om aan te tonen dat de conclusies van ECHA onjuist waren. Die verdeling van de bewijslast vloeit immers voort uit het feit dat de procedure bij die kamer een procedure op tegenspraak is. Derhalve dient verzoeksters argument te worden afgewezen, voor zover het betrekking heeft op de verdeling van de bewijslast tijdens die procedure.

354    Voor zover anderzijds het in punt 352 hierboven vermelde argument betrekking heeft op de verdeling van de bewijslast tijdens de procedure bij ECHA, dient eraan te worden herinnerd dat het, ten bewijze dat het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat geschikt was, aan ECHA stond om aan te tonen dat dit onderzoek nuttige informatie zou opleveren over de gevolgen van triclosan bij de mens.

355    Evenwel dient te worden geconstateerd dat de kamer van beroep de tijdens de procedure bij ECHA toepasselijke regels inzake de verdeling van de bewijslast niet heeft geschonden. De overwegingen van die kamer in punt 162, tweede volzin, en punt 165, derde volzin, van de bestreden beslissing hadden immers uitsluitend betrekking op de verdeling van de bewijslast tijdens de procedure bij die kamer.

356    Gelet op die overwegingen dient het in punt 352 hierboven vermelde argument te worden afgewezen.

357    In de tweede plaats voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in de punten 134 en 164 van de bestreden beslissing niet had mogen uitgaan van de overweging dat een meningsverschil op wetenschappelijke gebied geen enkele schending van het recht oplevert. Zij had haar toetsing niet mogen beperken op grond dat ECHA over een beoordelingsbevoegdheid beschikt.

358    Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de punten 134 en 164 van de bestreden beslissing de argumenten heeft onderzocht waarmee verzoekster beoogt aan te tonen dat ECHA ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat het, ondanks de verschillen tussen de rat en de mens, mogelijk was de resultaten van studies bij de rat, zoals die van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, te extrapoleren naar de mens.

359    In die context zij eraan herinnerd dat de verzoekende partij in het kader van een procedure bij de kamer van beroep, gelet op het feit dat die procedure een procedure op tegenspraak is, omstandige argumenten moet aanvoeren ter betwisting van de overwegingen van ECHA. Wanneer ECHA in zijn besluit de redenen heeft uiteengezet waarom het van mening was dat het mogelijk was, ondanks de verschillen tussen de rat en de mens, de resultaten van studies bij de rat te extrapoleren naar de mens, stond het derhalve aan verzoekster om omstandige argumenten aan te voeren ten bewijze dat de overwegingen waarop ECHA zich had gebaseerd, onjuist waren.

360    In het licht van het voorgaande dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht die betrekking hebben op de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 134 en 164 van de bestreden beslissing.

361    In punt 164, tweede volzin, van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat verzoeksters argumenten inzake de verschillen tussen de rat en de mens in wezen beperkt blijven tot de vaststelling dat verzoekster het niet eens was met de conclusies waartoe ECHA was gekomen. In die context heeft zij verwezen naar de vierde volzin van punt 134 van die beslissing, waarin zij heeft uiteengezet dat het feit dat verzoekster het niet eens was met een conclusie op wetenschappelijk gebied van ECHA, niet volstond om aan te tonen dat die vaststelling onjuist was.

362    In het licht van hetgeen hierboven in punt 359 is uiteengezet, kan de kamer van beroep niet worden verweten dat zij in punt 164 van de bestreden beslissing de argumenten waarmee verzoekster alleen aangaf het niet eens te zijn met de conclusie van die kamer, heeft afgewezen als onvoldoende gedetailleerd.

363    In die context dient eveneens te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de punten 134 en 164 van de bestreden beslissing verzoeksters argumenten heeft afgewezen omdat zij onvoldoende gedetailleerd waren. Daarentegen heeft die kamer de door verzoekster aangevoerde argumenten niet afgewezen op grond dat zij ermee niet kon aantonen dat de overwegingen van ECHA kennelijk onjuist waren. Anders dan verzoekster stelt, kan uit die punten dan ook niet worden afgeleid dat die kamer de intensiteit van haar toetsing heeft beperkt omdat ECHA over een beoordelingsmarge beschikt.

364    Derhalve dienen verzoeksters argumenten inzake de overweging van de kamer van beroep dat een verschillende wetenschappelijke mening geen schending van het recht oplevert, eveneens te worden afgewezen.

365    In de derde plaats dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht waarmee zij vraagtekens plaatst bij de overwegingen van de kamer van beroep betreffende de verschillen tussen de rat en de mens.

366    Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat de kamer van beroep in punt 163 van de bestreden beslissing erop heeft gewezen dat ECHA had erkend dat het extrapoleren naar de mens van relevante informatie uit studies bij de rat moeilijkheden opleverde. Die kamer heeft eveneens uiteengezet dat ECHA de door verzoekster ter zake aangevoerde argumenten had onderzocht en de relevantie van studies bij ratten had gerechtvaardigd. In die context heeft zij, bij wijze van voorbeeld, in de vijfde volzin van dat punt opgemerkt dat het mechanisme waarmee triclosan de schildklieractiviteit verstoort, volgens de testresultaten eveneens relevant kan zijn voor de mens. Daarnaast heeft zij in de zesde volzin van dat punt opgemerkt dat ECHA in zijn besluit had vastgesteld dat de verschillen tussen de rat en de mens veeleer kwalitatief dan kwantitatief van aard waren.

367    Verzoekster betoogt dat de overweging van de kamer van beroep in punt 163, zesde volzin, van de bestreden beslissing, dat de verschillen tussen de rat en de mens veeleer kwalitatief dan kwantitatief van aard zijn, onjuist is.

368    Dienaangaande dient te worden vastgesteld dat een dergelijke fout, ofschoon verzoekster terecht aanvoert dat de overweging van de kamer van beroep in punt 163 van de bestreden beslissing onjuist is, niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.

369    In punt 163, zesde volzin, van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep verwezen naar de inhoud van het besluit van ECHA. Evenwel dient te worden geconstateerd dat dit agentschap zich in zijn besluit niet had gebaseerd op de overweging dat de verschillen tussen de rat en de mens veeleer kwalitatief dan kwantitatief van aard waren. Op bladzijde 19 van dat besluit heeft dat agentschap er immers op gewezen dat, zolang niet was aangetoond dat de rat een ongeschikt model was omdat de verschillen tussen de mens en de rat met betrekking tot de vatbaarheid voor chemische effecten op de klaring van dat hormoon veeleer kwalitatief dan kwantitatief van aard zijn, de bij de rat verkregen resultaten met betrekking tot de daling van het schildklierhormoon T4 niet buiten beschouwing mochten worden gelaten en als relevant moesten worden beschouwd voor het beheer van de risico’s voor de gezondheid van de mens.

370    De kamer van beroep heeft in punt 163, zesde volzin, van de bestreden beslissing de inhoud van het besluit van ECHA dan ook onjuist weergegeven. De vaststellingen van dat agentschap waren immers gebaseerd op de overweging dat niet was aangetoond dat de verschillen tussen de rat en de mens met betrekking tot de daling van het schildklierhormoon T4 veeleer kwalitatief dan kwantitatief van aard waren. In de bestreden beslissing heeft die kamer zich daarentegen gebaseerd op de tegenovergestelde overweging dat die verschillen veeleer kwalitatief dan kwantitatief van aard waren.

371    De fout die de kamer van beroep in de zesde volzin van punt 163 van de bestreden beslissing heeft gemaakt, is evenwel niet van dien aard dat zij de nietigverklaring van die beslissing tot gevolg heeft.

372    In die context dient immers te worden opgemerkt dat de kamer van beroep zich in punt 163 van de bestreden beslissing niet uitsluitend heeft gebaseerd op de onjuiste overweging in de zesde volzin van dat punt, volgens welke de verschillen tussen de rat en de mens veeleer kwalitatief dan kwantitatief van aard waren. In de vijfde zin van dat punt heeft zij immers eveneens rekening gehouden met de vaststelling van ECHA dat het mechanisme waarmee triclosan het hormoongehalte in het bloed doet dalen, een mechanisme is dat eveneens voor de mens relevant kan zijn.

373    Dienaangaande had ECHA op bladzijde 18 van zijn besluit uiteengezet dat triclosan volgens meerdere studies bij dieren de werking van het schildklierhormoon T4 aantastte en dat een daling van die hormoongehaltes volgens studies bij dieren en waarnemingen bij de mens rampzalige gevolgen kon hebben voor de hersenontwikkeling bij de foetus. Bij de mens zijn volgens die studies een daling van het IQ en achterstand met mentale vaardigheden waargenomen bij kinderen die zijn geboren uit moeders van wie de T4-concentraties laag waren tijdens de zwangerschap. Op bladzijde 19 van dat besluit had ECHA uiteengezet dat triclosan, ondanks de verschillen tussen ratten en mensen, klaring van het schildklierhormoon T4 bij de mens tot gevolg kon hebben.

374    Met betrekking tot die overwegingen voert verzoekster alleen maar aan dat er wegens de verschillende werking van triclosan bij ratten en mensen geen enkele zekerheid bestaat over de overdraagbaarheid naar de mens van de resultaten van studies bij de rat. Tussen de hormoonhuishouding bij de rat en die bij de mens, en dus met betrekking tot de manier zelf waarop triclosan wordt geacht neurotoxische effecten te hebben, bestaan er grote verschillen. Tussen de functie van de schildklier bij de mens en die bij de rat bestaan er waarneembare verschillen en die verschillen hebben een grote impact op de conclusies die uit studies bij de rat moeten worden getrokken om te beoordelen of er sprake is van een potentieel risico voor de gezondheid van de mens.

375    In die context dient eraan te worden herinnerd dat de vraag of, gelet op de verschillen tussen de rat en de mens, op basis van studies bij de rat relevante informatie kan worden geëxtrapoleerd naar de mens impliceert dat zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten worden beoordeeld ten aanzien waarvan ECHA over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. Dienaangaande is de toetsing door het Gerecht dan ook beperkt (zie in die zin arrest van 21 juli 2011, Etimine, C‑15/10, EU:C:2011:504, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve dient te worden onderzocht of verzoeksters argumenten kunnen aantonen dat de kamer van beroep zich met betrekking tot dergelijke beoordelingen kennelijk heeft vergist of haar bevoegdheid heeft misbruikt, dan wel of zij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden.

376    Dienaangaande dient om te beginnen in herinnering te worden gebracht dat verordening nr. 1907/2006 weliswaar tot doel heeft dierproeven, met name proeven met gewervelde dieren, zo veel mogelijk te vermijden, maar dat in die verordening niettemin wordt erkend dat het uitvoeren van proeven met gewervelde dieren een methode vormt waarmee de eigenschappen van chemische stoffen kunnen worden beoordeeld. Derhalve kan het enkele feit dat er verschillen bestaan tussen de rat en de mens niet aantonen dat de kamer van beroep zich kennelijk heeft vergist. Tussen mensen en gewervelde dieren zullen er immers altijd verschillen bestaan. Aan de relevantie van de resultaten van proeven met die dieren voor de mens en aan de evenredigheid van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat kan dan ook uitsluitend worden afgedaan door verschillen die bestaan tussen de gewervelde dieren waarop het verzoek om een test uit te voeren betrekking heeft, en mensen.

377    Vervolgens dient te worden geconstateerd dat verzoekster geen enkel argument aanvoert dat kan afdoen aan de overweging van de kamer van beroep dat bij de mens een mechanisme is waargenomen dat identiek is aan het mechanisme waarmee triclosan het gehalte van het schildklierhormoon T 4 in het bloed van ratten doet dalen, of aan de vaststelling dat, indien een dergelijke daling van de hormoongehaltes plaatsvindt tijdens de zwangerschap, de hersenontwikkeling bij de foetus daardoor riskeert te worden beïnvloed.

378    Bovendien heeft verzoekster in het kader van haar beroep bij de kamer van beroep geen enkel argument aangevoerd dat kan afdoen aan de overwegingen op bladzijde 19 van het besluit van ECHA die zien op de gevallen waarin triclosan een verhoogde afbraak van het schildklierhormoon T4 bij de mens tot gevolg kan hebben.

379    Ten slotte zijn de verschillen in de hormoonhuishouding van de rat en die van de mens, zoals het Koninkrijk Denemarken ter terechtzitting heeft uiteengezet, goed bekend, zodat daarmee bij de extrapolatie naar de mens van relevante informatie uit studies bij de rat rekening kan worden gehouden.

380    In het licht van die overwegingen dient te worden geconstateerd dat verzoeksters argumenten niet kunnen aantonen dat de conclusie van de kamer van beroep, volgens welke de resultaten van studies bij ratten, ondanks het feit dat met de daling van de concentraties van het schildklierhormoon T4 bij de rat geen identiek effect op de T4-concentraties bij de mens kan worden voorspeld, niet als irrelevant kunnen worden beschouwd voor de mens, niet aannemelijk is.

381    Derhalve dienen verzoeksters argumenten te worden afgewezen, voor zover zij daarmee beoogt vraagtekens te plaatsen bij de overweging in punt 163, vijfde volzin, van de bestreden beschikking, dat het mechanisme waarmee triclosan het hormoongehalte in het bloed doet dalen, een mechanisme is dat ook voor de mens relevant zou kunnen zijn.

382    Hieruit volgt dat de onjuiste overweging van de kamer van beroep in punt 163, zesde volzin, van de bestreden beslissing niet kan afdoen aan de vaststelling van die kamer dat ECHA mocht oordelen dat het mogelijk was, ondanks de verschillen tussen ratten en mensen, om de resultaten van studies bij de rat te extrapoleren naar de mens.

383    Gelet op die overwegingen dient ook verzoeksters argument dat de redenering van de kamer van beroep tegenstrijdig is omdat die kamer zich, ondanks de verschillen tussen ratten en mensen, heeft gebaseerd op gegevens uit studies bij de rat, te worden afgewezen.

384    Derhalve dienen al verzoeksters argumenten inzake de verschillen tussen mensen en ratten – zowel die met betrekking tot de overweging van de kamer van beroep over de noodzaak van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat (zie punt 288 hierboven), als die met betrekking tot de geschiktheid van dat verzoek – te worden afgewezen.

385    In de vierde plaats, voor zover verzoekster zich beroept op het rapport Witorsch, dient dit argument te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in punt 287.

386    Derhalve dienen de argumenten inzake de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 161 tot en met 167 van de bestreden beslissing, en de argumenten ter betwisting van de overwegingen van de kamer van beroep met betrekking tot de noodzaak van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, te worden afgewezen.

2)      Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep niet heeft onderzocht of er minder dwingende maatregelen konden worden genomen

387    In punt 168 van de bestreden beslissing is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat, aangezien alle argumenten ter betwisting van de noodzaak van het verzoek tot uitvoering van het neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat dienden te worden afgewezen en aangezien, buiten de argumenten die waren onderzocht en afgewezen, noch verzoekster noch PETA International Science Consortium had aangevoerd dat er alternatieven voor de proeven met gewervelde dieren bestonden, het zevende middel van het bij haar ingestelde beroep, ontleend aan schending van artikel 25 van verordening nr. 1907/2006, eveneens diende te worden afgewezen.

388    In het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel voert verzoekster aan dat die overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn. ECHA heeft niet aangetoond dat er een alternatieve oplossing bestond voor het uitvoeren van proeven met gewervelde dieren. De kamer van beroep heeft geweigerd na te gaan of er minder dwingende maatregelen bestonden. Volgens verzoekster heeft die kamer, ondanks het feit dat zij over dezelfde bevoegdheden als ECHA beschikt, geen volledig onderzoek verricht naar de evenredigheid en evenmin is nagegaan of er minder dwingende maatregelen bestonden dan het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat om opheldering te verschaffen over de potentiële risico’s op neurotoxiciteit en reprotoxiciteit van triclosan. Die kamer heeft derhalve artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 geschonden. Voorts had die kamer volgens verzoekster de bewijskracht van de beschikbare informatie kunnen bepalen met behulp van de door verzoekster aangebrachte studies, met name het rapport Witorsch, in plaats van de uitvoering te vragen van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, dat voor de mens niet relevant was.

389    ECHA betwist die argumenten.

390    Allereerst dienen de argumenten van verzoekster, voor zover zij daarmee aanvoert dat de kamer van beroep zich niet had mogen beperken tot de toetsing van het besluit van ECHA, maar zelf opnieuw had moeten onderzoeken of minder dwingende maatregelen konden worden genomen, te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

391    Vervolgens, voor zover verzoekster met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zich bij de toetsing van het besluit van ECHA heeft vergist, dient om te beginnen eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 25, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, om dierproeven te voorkomen, voor de toepassing van die verordening slechts in laatste instantie proeven met gewervelde dieren worden uitgevoerd.

392    Voor zover verzoekster in de eerste plaats betoogt dat de studies bij de rat niet relevant zijn voor de mens, dient te worden opgemerkt dat zij geen enkel ander argument aanvoert dan de argumenten die in de punten 339 tot en met 384 hierboven reeds zijn onderzocht en afgewezen.

393    Voor zover verzoekster zich in de tweede plaats beroept op het rapport Witorsch, dient dat argument te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in punt 287.

394    In het licht van die overwegingen dienen de argumenten te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 heeft geschonden door niet te onderzoeken of er minder dwingende maatregelen konden worden genomen.

395    Hieruit volgt dat alle argumenten dienen te worden afgewezen waarmee verzoekster de overwegingen van de kamer van beroep met betrekking tot de noodzaak en de geschiktheid van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, betwist.

3.      Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat het deskundigenadvies van Mihaich niet-ontvankelijk dient te worden verklaard 

396    In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep vragen met betrekking tot de ontvankelijkheid onderzocht (punten 117‑131). In het bijzonder heeft zij uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van bepaalde bewijselementen die verzoekster had overgelegd (punten 122‑131). In die context was zij van oordeel dat het rapport Mihaich, dat verzoekster had overgelegd in het kader van haar opmerkingen betreffende de memorie in interventie van PETA International Science Consortium, niet ontvankelijk was (punten 125‑130). Dienaangaande heeft zij erop gewezen dat verzoekster dat rapport niet samen met haar beroepschrift had ingediend (punt 125). Zij heeft uiteengezet dat de partijen op grond van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 geen verdere bewijzen mogen overleggen na de eerste memoriewisseling, tenzij de kamer van beroep beslist dat de vertraging waarmee het bewijsaanbod geschiedt, naar behoren is gemotiveerd (punt 126). Zij heeft opgemerkt dat de vertraging waarmee dat rapport was ingediend, gelet op het feit dat het dateerde van 2015 en dus van latere datum was dan het beroepschrift, in beginsel eventueel kon worden gerechtvaardigd en gepreciseerd dat de vertraging waarmee een experimentele studie met betrekking tot een stof na het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep is ingediend, kan worden gerechtvaardigd wanneer de resultaten van een dergelijke studie kunnen worden beschouwd als nieuwe feiten die bij het verstrijken van de termijn voor het instellen van dat beroep niet beschikbaar waren (punt 127). Zij heeft uiteengezet dat het betrokken rapport geen experimentele studie inhield, maar een advies dat een deskundige had opgesteld op basis van bestaande experimentele studies met betrekking tot de hormoonontregelende eigenschappen van triclosan, en erkend dat de in het betrokken „rapport” gehanteerde methodologie weliswaar nieuw was, maar dat de gegevens waarop dat rapport was gebaseerd, dat niet waren, maar reeds bestonden en beschikbaar waren voor ECHA op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd gegeven (punt 128). Zij is tot de slotsom gekomen dat het betrokken rapport een deskundigenadvies inhield dat overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder f), van verordening nr. 771/2008 had moeten zijn ingediend in het kader van het beroepschrift, dat niets eraan in de weg stond dat verzoekster tijdig opdracht tot het opstellen van een dergelijk deskundigenadvies zou hebben gegeven, te weten vóór het verstrijken van de termijn voor het instellen van het administratief beroep, en dat het feit dat de betrokken deskundige in een eerder stadium nog geen advies had uitgebracht, dan ook niet de vertraging kon rechtvaardigen waarmee dat rapport was ingediend (punt 129).

397    In het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat die overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn.

398    In de eerste plaats betoogt verzoekster dat de kamer van beroep artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 en artikel 8, lid 4, onder f), van die verordening heeft geschonden. De vertraging waarmee het rapport Mihaich is ingediend, is gerechtvaardigd in de zin van die bepalingen. Volgens haar moet die kamer in het kader van haar onderzoek de meest recente relevante wetenschappelijke bewijzen in aanmerking nemen. Bovendien heeft die kamer geen rekening gehouden met het feit dat PETA International Science Consortium het volledige rapport niet bij haar memorie in interventie had kunnen voegen omdat het destijds niet beschikbaar was. Als bijlage bij haar beroepschrift had zij dat document evenmin kunnen overleggen. Voorts wordt in de eerste van bovengenoemde bepalingen geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten bewijzen en staat die bepaling er niet aan in de weg dat bepaalde soorten bewijzen te laat worden ingediend. Dat rapport vormt geen louter deskundigenadvies, maar moet als een wetenschappelijke studie worden beschouwd.  Het rapport is gebaseerd op een systematische en gevalideerde benadering met betrekking tot de vermeende rol die triclosan bij de hormoonontregeling speelt. In het deskundigenadvies van Mihaich wordt niet alleen het relevante bewijsmateriaal samengebracht, maar wordt het gedetailleerd beschreven en wordt de wijze waarop de bewijzen zijn aangewend om tot een definitieve conclusie te komen, op een betrouwbare, consistente en transparante manier toegelicht.  

399    In de tweede plaats stelt verzoekster dat de uitkomst van de procedure anders had kunnen zijn indien het rapport Mihaich in aanmerking was genomen. Indien de kamer van beroep dat rapport in aanmerking had genomen, zou die volgens haar tot de slotsom zijn gekomen dat de gegevens met betrekking tot de rat, gelet op de uiteenlopende gevolgen die triclosan voor de verschillende soorten teweegbrengt, niet konden worden geëxtrapoleerd naar de mens. De bevindingen van dat rapport bevestigen dat triclosan geen negatieve gevolgen heeft.  

400    ECHA betwist die argumenten.

401    Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat in de onderhavige context een onderscheid dient te worden gemaakt tussen drie documenten, te weten:

–        het rapport Mihaich, dat op 27 januari 2017 is gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift;  

–        de poster voor de presentatie van het rapport Mihaich tijdens een wetenschappelijke conferentie, die PETA International Science Consortium op 12 januari 2016 heeft ingediend in het kader van haar memorie in interventie voor de kamer van beroep;

–        het op verzoeksters verzoek opgestelde deskundigenadvies van Mihaich, dat niet door derden is geverifieerd en dat verzoekster op 22 februari 2016 bij ECHA heeft ingediend in het kader van haar bij de kamer van beroep ingediende opmerkingen over de memorie in interventie.

402    Het document dat de kamer van beroep in de punten 125 tot en met 130 van de bestreden beslissing (van 19 december 2016) niet-ontvankelijk heeft verklaard, is het deskundigenadvies van Mihaich dat verzoekster in het kader van haar opmerkingen over de memorie in interventie bij haar had ingediend, en niet het rapport Mihaich, dat pas op 27 januari 2017 is gepubliceerd, nadat de bestreden beslissing was gegeven.

403    In de eerste plaats dient het argument te worden afgewezen dat de kamer van beroep artikel 8, lid 4, onder f), van verordening nr. 771/2008 heeft geschonden door het betrokken advies niet-ontvankelijk te verklaren. Die bepaling heeft immers betrekking op verzoeken tot tussenkomst. De punten 125 tot en met 130 van de bestreden beslissing hebben evenwel geen betrekking op het verzoek tot tussenkomst voor die kamer, maar op een document dat door verzoekster was ingediend.

404    Wat in de tweede plaats het argument ontleend aan schending van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 betreft, dient eraan te worden herinnerd dat, volgens de bewoordingen van die bepaling, de partijen in een beroepsprocedure bij de kamer van beroep van ECHA na de eerste memoriewisseling geen verdere bewijzen mogen indienen, tenzij de kamer van beroep van oordeel is dat de vertraging waarmee het bewijsaanbod geschiedt, naar behoren is gemotiveerd.

405    Derhalve dient te worden onderzocht of de kamer van beroep in de omstandigheden van de onderhavige geval had moeten oordelen dat de vertraging waarmee het betrokken advies was ingediend, naar behoren was gemotiveerd.

406    In die context dient te worden opgemerkt dat verzoekster had uiteengezet waarom zij het betrokken advies had ingediend in het kader van haar opmerkingen over de memorie in interventie voor de kamer van beroep. Zoals uit verzoeksters schriftelijke stukken immers blijkt, heeft zij, na kennis te hebben genomen van het feit dat het rapport Mihaich niet tijdig beschikbaar zou zijn, Mihaich gecontacteerd en haar verzocht een advies op te stellen op basis van het manuscript van het rapport dat zou verschijnen. Verzoekster heeft dat advies daarop in het kader van die opmerkingen ingediend.

407    Anders dan verzoekster stelt, kan niet worden geoordeeld dat die omstandigheden de te late indiening van het betrokken advies rechtvaardigen. Zoals de kamer van beroep in punt 129 van de bestreden beslissing terecht heeft uiteengezet, was dat advies immers afkomstig van een deskundige die de conclusies heeft geanalyseerd die uit de beschikbare informatie moesten worden getrokken door de bewijskracht van die informatie te bepalen. Aangezien met die analyse werd beoogd af te doen aan de conclusies die ECHA op basis van dezelfde informatie had getrokken, ging het evenwel om een analyse die tegelijk met het beroepschrift had kunnen worden ingediend. Niets stond er immers aan in de weg dat verzoekster tijdig opdracht tot het opstellen van een dergelijk advies zou hebben gegeven. Het feit dat Mihaich het betrokken advies ten tijde van de indiening van het beroepschrift nog niet formeel had uitgebracht, rechtvaardigt dan ook niet de vertraging waarmee dat advies is ingediend.

408    Het argument ontleend aan schending van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 dient derhalve eveneens te worden afgewezen.

409    In het licht van die overwegingen dienen ook de aan het betrokken advies ontleende argumenten te worden afgewezen.

4.      Argumenten ter betwisting van de inleidende opmerkingen van de kamer van beroep

410    In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in punt 134 van de bestreden beslissing een ontoereikende toetsing heeft verricht. Volgens haar heeft die kamer zich met betrekking tot de wetenschappelijke meningsverschillen verlaten op ECHA en heeft zij alleen maar nagegaan of er geen sprake was van kennelijke beoordelingsfouten van ECHA.

411    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

412    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat punt 134 van de bestreden beslissing behoort tot het deel van de bestreden beslissing waarin de kamer van beroep inleidende opmerkingen heeft geformuleerd. Die kamer heeft in dat punt dus geen van verzoeksters argumenten ter betwisting van het besluit van ECHA onderzocht of verworpen.

413    Het is juist dat de kamer van beroep verder, in het kader van haar analyse van verzoeksters argumenten in de punten 156, 157 en 164 van de bestreden beslissing, heeft verwezen naar punt 134 van die beslissing. Eveneens zij eraan herinnerd dat de in de punten 156, 157 en 164 van die beslissing uiteengezette gronden door verzoekster in het kader van het onderhavige beroep worden betwist. Zoals in de punten 279 tot en met 285, 331 tot en met 336, en 363 hierboven is uiteengezet, heeft die kamer van beroep zich in de punten 156, 157 en 164 van die beslissing evenwel beperkt tot de vaststelling dat verzoeksters argumenten dienden te worden afgewezen op grond dat zij onvoldoende gedetailleerd waren. Daaruit kan dan ook niet worden afgeleid dat die kamer alleen maar heeft nagegaan of er geen sprake was van kennelijke beoordelingsfouten van ECHA.

414    Hieruit volgt dat het argument dat de kamer van beroep alleen maar heeft nagegaan of er geen kennelijke beoordelingsfouten waren gemaakt, eveneens dient te worden afgewezen. Aangezien die kamer in punt 232 van de bestreden beslissing, in het kader van het onderzoek van het tiende middel, met betrekking tot het verzoek tot uitvoering van de vistest, eveneens naar punt 134 van die beslissing heeft verwezen, zal daarmee rekening worden gehouden in punt 451 hieronder.

415    Derhalve dienen alle argumenten te worden afgewezen waarmee verzoekster beoogt af te doen aan de overwegingen waarop de kamer van beroep de verwerping van het administratief beroep heeft gebaseerd, voor zover dat beroep betrekking had op het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat.

C.      Argumenten ontleend aan de verwerping van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de vistest

416    In zijn besluit heeft ECHA verzoekster verzocht de vistest uit te voeren. In het kader van het administratief beroep heeft verzoekster aangevoerd dat dit agentschap niet het recht had de uitvoering van die test te vragen. In het kader van het tiende middel van dat beroep heeft zij betoogd dat dit verzoek noch in overeenstemming was met artikel 25 van verordening nr. 1907/2006, noch met het evenredigheidsbeginsel. De uitvoering van een dergelijke test was niet noodzakelijk omdat op basis van de beschikbare informatie kon worden aangetoond dat er geen ongewenste hormoonontregelende effecten op vissen waren bij concentraties die geen algemene toxiciteit opleverden. In die context heeft verzoekster aangevoerd dat uit de studies BASF en Foran was gebleken dat triclosan onvoldoende krachtig was om dergelijke in-vivo-effecten teweeg te brengen en dat het bijgevolg niet nodig was om dieren op te offeren ter verkrijging van gegevens die niet relevant zijn.

417    In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht en afgewezen. Om te beginnen heeft zij in herinnering gebracht, onder verwijzing naar punt 101 van die beslissing, dat ECHA, ten bewijze dat een verzoek om aanvullende informatie in de context van de beoordeling van een stof noodzakelijk was, moest aantonen dat er een potentieel risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu bestond, dat dit risico moest worden opgehelderd en dat er een reële kans bestond dat de gevraagde informatie betere risicobeheersmaatregelen zou opleveren (punt 225). Vervolgens heeft zij opgemerkt dat verzoekster in wezen aanvoerde dat ECHA niet had aangetoond dat er een potentieel risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu bestond, en dat verzoekster zich, ten bewijze dat er geen potentieel risico was, had gebaseerd op meerdere studies die waren opgenomen in het registratiedossier van triclosan (punt 226). Bovendien heeft zij uiteengezet dat er, zoals uit punt 44 van die beslissing blijkt, sprake was van aanzienlijke milieublootstelling aan triclosan en dat ECHA in zijn besluit duidelijk had vastgesteld dat er potentiële ongewenste gevolgen voor vissen waren (punten 227 en 228). Volgens haar was er in het besluit van ECHA dan ook duidelijk een potentieel risico op ongewenste gevolgen voor de hormoonhuishouding bij vissen geïdentificeerd, waardoor triclosan mogelijkerwijze als zeer zorgwekkende stof moest worden beschouwd, en was dit risico zo belangrijk dat dit moest worden opgehelderd. Ten slotte heeft zij verzoeksters argumenten ontleend aan de studies BASF en Foran onderzocht (punten 229‑232). Ten eerste heeft zij uiteengezet dat verzoeksters argumenten, voor zover zij daarmee zou hebben willen aanvoeren dat ECHA geen rekening met de studies BASF en Foran had gehouden, dienden te worden afgewezen aangezien ECHA in zijn besluit had uiteengezet waarom de informatie in die studies naar zijn mening niet volstond om de gevolgen van triclosan voor de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen te beoordelen. Ten tweede heeft zij in herinnering gebracht dat verzoeksters argumenten, voor zover zij daarmee te kennen zou hebben willen geven het niet eens te zijn met de beoordeling van ECHA, eveneens dienden te worden afgewezen. Zoals in punt 134 van die beslissing is uiteengezet, kon volgens haar aan de rechtmatigheid van het besluit van ECHA niet worden afgedaan door een louter wetenschappelijk meningsverschil.

418    Op grond van die overwegingen is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat zowel verzoeksters argument ontleend aan schending van artikel 25 van verordening nr. 1907/2006 als dat ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel dienden te worden afgewezen.

419    Verzoekster stelt dat die overwegingen onjuist zijn.

420    In de eerste plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel aan dat de kamer van beroep in de punten 229 tot en met 231 van de bestreden beslissing een fout heeft gemaakt door haar beoordelingsbevoegdheid niet daadwerkelijk uit te oefenen en door niet aan te tonen, op basis van de beschikbare wetenschappelijke gegevens, dat er een potentieel risico bestond dat de uitvoering van aanvullende testen kon rechtvaardigen. Zij stelt dat zij een groot aantal wetenschappelijke gegevens en studies bij haar beroepschrift heeft gevoegd, waaruit duidelijk blijkt hoe weinig waarschijnlijk het is dat triclosan de door ECHA beweerde ongewenste gevolgen voor de fecunditeit of vruchtbaarheid van vissen zou teweegbrengen. De kamer van beroep heeft alleen maar een volledig onderdeel van het besluit van ECHA overgenomen, verzoeksters argumenten afgewezen zonder de gegrondheid ervan te onderzoeken en geen daadwerkelijk gebruik gemaakt van haar beoordelingsbevoegdheid, wat zou hebben verondersteld dat met alle relevante feiten en omstandigheden van de situatie rekening zou zijn gehouden.

421    In de tweede plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel aan dat ECHA en de kamer van beroep, in strijd met de toepasselijke regels, de bewijslast hebben omgekeerd en artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 hebben geschonden. Volgens haar stond het niet aan haar om aan te tonen dat er geen aanleiding was tot bezorgdheid met betrekking tot triclosan. Veeleer stond het aan ECHA om aan te tonen dat er een potentieel risico van hormoonontregeling bij de vis bestond.

422    In de derde plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel aan dat de vaststellingen van ECHA en de kamer van beroep niet volstonden om aan te tonen dat het verzoek tot uitvoering van de vistest noodzakelijk was. Zij wijst erop dat het verband tussen triclosan en de geïdentificeerde ongewenste effecten volgens die vaststellingen niet „honderd procent overtuigend” waren. In geen enkele studie wordt het gestelde risico aangetoond. Bovendien dient het relevante risico en de blootstelling aan dat risico te worden geïdentificeerd om te kunnen vaststellen of er van een potentieel risico sprake is. In punt 227 van de bestreden beslissing heeft die kamer evenwel alleen maar gewezen op verschillende bewijzen met betrekking tot het risico en de blootstelling, zonder enig verband tussen beide aan te tonen. Die kamer heeft met name niet onderzocht of de in de beschikbare studies gebruikte concentratieniveaus overeenkwamen met de niveaus die redelijkerwijze konden voorkomen in reële omstandigheden.

423    In de vierde plaats voert verzoekster in het kader van het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel aan dat de kamer van beroep in punt 232 van de bestreden beslissing niet had mogen uitgaan van de overweging dat een meningsverschil op wetenschappelijk gebied op zich niet volstond om de rechtmatigheid van dat besluit in twijfel te trekken. Volgens haar bestaat de opdracht van die kamer er juist in om de verschillende wetenschappelijke meningen zorgvuldig te onderzoeken teneinde vast te stellen of het oordeel van ECHA in het licht van de relevante bewijzen gerechtvaardigd was. Zij stelt dat die kamer heeft geweigerd de door haar aangevoerde bewijselementen te onderzoeken.

424    In de vijfde plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel aan dat de kamer van beroep in punt 231 van de bestreden beslissing niet alleen maar had mogen oordelen dat ECHA de studies BASF en Foran in aanmerking had genomen. Zij wijst erop dat zij in het beroepschrift heeft toegelicht dat de door haar ingediende studie BASF een studie van niveau 3 was. Wanneer de resultaten van dat soort studies negatief zijn, wordt volgens haar algemeen aanvaard dat de uitvoering van een aanvullende studie van de onderzochte effecten niet noodzakelijk is. De betrokken kamer had die studie dan ook niet mogen negeren.

425    In de zesde plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel aan dat de kamer van beroep eveneens rekening had moeten houden met het deskundigenadvies van Mihaich dat zij in het kader van haar opmerkingen over de memorie in interventie had ingediend bij de kamer van beroep.

426    In de zevende plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel aan dat zij een groot aantal wetenschappelijke gegevens en studies bij haar beroepschrift heeft gevoegd, waaruit blijkt hoe weinig waarschijnlijk het is dat triclosan de door ECHA beweerde ongewenste gevolgen zou teweegbrengen voor de fecunditeit of vruchtbaarheid van vissen.

427    ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

428    Allereerst dienen verzoeksters argumenten, voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep bij het onderzoek naar de gegrondheid van het bij haar ingestelde beroep niet had mogen volstaan met het onderzoek van de vraag of het besluit van ECHA onjuist was, maar zelf had moeten nagaan of de uitvoering van de vistest moest worden gevraagd, te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

429    Vervolgens dienen de argumenten te worden onderzocht waarmee verzoekster beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep bij de toetsing van het besluit van ECHA een fout heeft gemaakt.

430    In de eerste plaats betoogt verzoekster dat de kamer van beroep in punt 231 van de bestreden beslissing de bewijslast ten onrechte heeft omgekeerd. Ingevolge artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 stond het niet aan haar om aan te tonen dat er geen reden was tot bezorgdheid met betrekking tot triclosan, maar wel aan ECHA om aan te tonen dat er een potentieel risico van hormoonontregeling bij vissen bestond.

431    Voor zover enerzijds het in punt 430 hierboven vermelde argument betrekking heeft op de verdeling van de bewijslast tijdens de procedure bij de kamer van beroep, dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de punten 232 en 233 van de bestreden beslissing terecht heeft geoordeeld dat het aan verzoekster stond om aan te tonen dat de conclusies van ECHA onjuist waren. Die verdeling van de bewijslast vloeit immers voort uit het feit dat de procedure bij die kamer een procedure op tegenspraak is. Derhalve dient dat argument te worden afgewezen voor zover het betrekking heeft op de bewijslast tijdens die procedure.

432    Voor zover anderzijds het in punt 430 hierboven vermelde argument betrekking heeft op de bewijslast tijdens de procedure bij ECHA, dient eraan te worden herinnerd dat het, ten bewijze dat een verzoek om aanvullende informatie noodzakelijk is, aan ECHA staat om aan te tonen dat de betrokken stof een potentieel risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu inhoudt, dat dit risico moet worden opgehelderd en dat er een reële kans bestaat dat op grond van de gevraagde informatie betere risicobeheersmaatregelen kunnen worden getroffen.

433    Evenwel dient vastgesteld te worden dat de kamer van beroep de regels inzake de verdeling van de bewijslast tijdens de procedure bij ECHA niet heeft geschonden. Zoals blijkt uit de punten 225, 227 en 228 van de bestreden beslissing, heeft die kamer met betrekking tot de procedure bij ECHA immers een benadering gevolgd die in overeenstemming was met het in punt 432 hierboven in herinnering gebrachte beginsel.

434    Gelet op die overwegingen dient het in punt 430 hierboven vermelde argument te worden afgewezen.

435    Wat in de tweede plaats verzoeksters argument betreft dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing een volledig onderdeel van het besluit van ECHA heeft overgenomen, volstaat de vaststelling dat niets eraan in de weg staat dat die kamer bij de toetsing die zij naar aanleiding van een beroep tegen een besluit van ECHA moet verrichten, de overwegingen in herinnering brengt waarop dat besluit is gebaseerd, en nagaat of met de argumenten die verzoekster in het kader van het beroep voor haar heeft aangevoerd kan worden aangetoond dat die overwegingen onjuist zijn. Derhalve dient dat argument te worden afgewezen.

436    In de derde plaats voert verzoekster aan dat de kamer van beroep de argumenten niet had mogen afwijzen waarmee zij beoogde aan te tonen dat ECHA geen potentieel risico voor de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen had aangetoond.

437    Ten eerste betoogt verzoekster dat de gegevens waarop ECHA zich in zijn besluit heeft gebaseerd, anders dan de kamer van beroep in punt 227 van de bestreden beslissing heeft vastgesteld, niet volstonden om het bestaan van een dergelijk risico aan te tonen.

438    Zoals de kamer van beroep in punt 102 van de bestreden beslissing in herinnering heeft gebracht, hangt het bestaan van een potentieel risico op schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu af van de schadelijke eigenschappen van die stof en daarnaast van de blootstelling aan die stof.

439    In de punten 227 en 228 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat er volgens de vaststellingen van ECHA aanwijzingen waren dat triclosan negatieve gevolgen voor vissen kon teweegbrengen en dat daarnaast sprake was van aanzienlijke milieublootstelling aan triclosan.

440    De kamer van beroep heeft geen fout gemaakt door te oordelen dat ECHA op basis van die gegevens kon vaststellen dat sprake was van een potentieel milieurisico dat moest worden opgehelderd en dat die gegevens het verzoek tot uitvoering van de vistest derhalve konden rechtvaardigen.

441    Zoals hierboven in de punten 269 tot en met 273 is uiteengezet, was ECHA immers niet verplicht om, ten bewijze van het bestaan van een dergelijk potentieel risico, vast te stellen dat triclosan, op basis van de informatie waarover dat agentschap beschikte, moest worden geacht daadwerkelijk gevaarlijke eigenschappen te hebben. Anders dan verzoekster stelt, stond het voor de vaststelling van een besluit waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht dan ook niet aan ECHA om vast te stellen dat er een verband tussen triclosan en de geïdentificeerde negatieve gevolgen bestond. Ter rechtvaardiging van zijn verzoek om aanvullende informatie diende ECHA alleen maar aan te tonen dat er een potentieel risico bestond dat er een dergelijk verband zou zijn.

442    Met betrekking tot verzoeksters argument dat de kamer van beroep in die context niet heeft onderzocht of de in de beschikbare studies gebruikte concentratieniveaus overeenkwamen met de niveaus die redelijkerwijze konden voorkomen in reële omstandigheden, dient eraan te worden herinnerd dat de kamer van beroep zich in het kader van een bij haar ingesteld beroep beperkt tot het onderzoek of op grond van de door verzoekster aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, onjuist is. Evenwel dient te worden vastgesteld dat verzoekster in het kader van het tiende middel van het beroepschrift geen dergelijk argument heeft aangevoerd. Die kamer kan dan ook niet worden verweten dat zij dat argument niet heeft onderzocht.

443    Hieruit volgt dat de argumenten met betrekking tot de overwegingen van de kamer van beroep in punt 227 van de bestreden beslissing dienen te worden afgewezen.

444    Ten tweede betoogt verzoekster dat de kamer van beroep in punt 232 van de bestreden beslissing niet had mogen uitgaan van de overweging dat een meningsverschil op wetenschappelijk gebied op zich niet volstond om de rechtmatigheid van het besluit van ECHA ter discussie te stellen. Met betrekking tot de studie BASF voert zij in die context aan dat die studie een studie van niveau 3 was en dat over het algemeen aanvaard wordt dat, wanneer de resultaten van een dergelijke studie negatief zijn, de uitvoering van een aanvullende studie van de onderzochte effecten niet noodzakelijk is.

445    Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat punt 232 van de bestreden beslissing behoort tot het deel van die beslissing waarin de kamer van beroep verzoeksters argumenten heeft onderzocht die betrekking hebben op het feit dat met de studies BASF en Foran kan worden aangetoond dat er van een potentieel gevaar voor de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen geen sprake is. In de punten 229 tot en met 231 van die beslissing heeft de betrokken kamer geconstateerd dat ECHA die studies in aanmerking had genomen. In die context heeft zij opgemerkt dat ECHA in zijn besluit had uiteengezet waarom de in die studies vervatte informatie het niet mogelijk maakte om een potentieel risico voor de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen uit te sluiten. In punt 232 van de bestreden beslissing heeft die kamer zich uitgesproken over de vraag of verzoeksters argumenten betreffende die studies konden afdoen aan die overwegingen van ECHA.

446    Zoals uit punt 229 van de bestreden beslissing blijkt, heeft de kamer van beroep opgemerkt dat ECHA in zijn besluit het argument had onderzocht en afgewezen waarmee verzoekster aanvoerde dat het onderzoek BASF een studie van niveau 3 was en dat over het algemeen werd aanvaard dat, wanneer de resultaten van een dergelijke studie negatief waren, de uitvoering van een aanvullende studie van de geanalyseerde effecten niet noodzakelijk was. Dienaangaande had zij met name uiteengezet dat het soort studies als de studie BASF niet kon dienen als definitieve test en dat deze vanuit statistisch oogpunt geen goede basis vormden.

447    Bovendien heeft de kamer van beroep in punt 230 van de bestreden beslissing verzoeksters argumenten ontleend aan de studie Foran onderzocht en afgewezen.

448    Aangezien de procedure bij de kamer van beroep een procedure op tegenspraak is, kon verzoekster zich, gelet op de gedetailleerde uiteenzetting van de redenen waarom de studies BASF en Foran niet volstonden om het bestaan van een potentieel risico voor de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen uit te sluiten, niet beperken tot de stelling dat die studies bestonden en een andere slotsom dan die van ECHA rechtvaardigden. Met een dergelijk betoog kon op zich immers niet worden aangetoond dat de overwegingen van ECHA onjuist waren.

449    Vastgesteld dient te worden dat verzoekster in het kader van het beroep bij de kamer van beroep alleen maar heeft aangevoerd dat ECHA, gelet op de in de studies BASF en Foran vervatte informatie, tot de slotsom had moeten komen dat er van een potentieel risico van triclosan voor de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen geen sprake was. Zij heeft daarentegen niet uiteengezet waarom de gedetailleerde overwegingen van ECHA, namelijk dat de in die studies vervatte informatie ontoereikend was, als onjuist dienden te worden beschouwd. In die omstandigheden kunnen de argumenten die verzoekster in het kader van dat beroep met betrekking tot de studies BASF en Foran heeft aangevoerd, niet als voldoende gedetailleerd worden beschouwd.

450    In die omstandigheden kan de kamer van beroep niet worden verweten zich in punt 232 van de bestreden beslissing te hebben beperkt tot de opmerking, onder verwijzing naar haar overwegingen in punt 134, vierde en vijfde volzin, van die beslissing, dat het loutere feit dat er een ander wetenschappelijk standpunt bestaat, op zich niet volstond om aan te tonen dat het besluit van ECHA onjuist was.

451    In die context dient eveneens te worden opgemerkt dat de kamer van beroep zich zodoende heeft beperkt tot de afwijzing van verzoeksters argumenten op grond dat zij onvoldoende gedetailleerd waren. Daarentegen kan uit punt 232 van de bestreden beslissing en uit de verwijzing naar punt 134 van de bestreden beslissing niet worden afgeleid dat die kamer de intensiteit van haar toetsing heeft beperkt tot de vraag of ECHA kennelijke fouten had gemaakt.

452    Derhalve dienen ook de argumenten die punt 232 van de bestreden beslissing betreffen en ontleend zijn aan de studies BASF en Foran te worden afgewezen, net zoals bijgevolg alle argumenten waarmee werd aangevoerd dat de kamer van beroep verzoeksters argumenten ten bewijze dat ECHA geen potentieel risico voor de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen had aangetoond, niet had mogen afwijzen.

453    In de vierde plaats dient om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 396 tot en met 409 het argument te worden afgewezen waarmee verzoeksters in het tweede onderdeel van het tweede middel aanvoert dat de kamer van beroep eveneens rekening had moeten houden met het deskundigenadvies van Mihaich dat zij in het kader van haar opmerkingen over de memorie in tussenkomst voor die kamer had ingediend.

454    In de vijfde plaats voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel aan dat zij een groot aantal wetenschappelijke gegevens en studies bij het beroepschrift heeft gevoegd waaruit blijkt hoe weinig waarschijnlijk het is dat triclosan de door ECHA aangevoerde negatieve gevolgen zou hebben teweeggebracht voor de fecunditeit of vruchtbaarheid van vissen.

455    Voor zover enerzijds verzoeksters argument betrekking heeft op de studies BASF en Foran, alsook op het deskundigenadvies van Mihaich dat zij in het kader van haar opmerkingen over de memorie in interventie voor die kamer had ingediend, dient dat argument te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 430 tot en met 453.

456    Voor zover anderzijds verzoeksters argument betrekking heeft op andere studies dan die welke in punt 455 hierboven zijn genoemd, dient eraan te worden herinnerd dat de kamer van beroep, zoals in de punten 59 tot en met 86 hierboven is uiteengezet, zich in het kader van een bij haar ingesteld beroep in beginsel beperkt tot het onderzoek van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.

457    Evenwel dient te worden vastgesteld dat verzoekster in het kader van het tiende middel van het beroep bij de kamer van beroep geen omstandig argument heeft aangevoerd waaruit kan blijken dat de overwegingen in het besluit van ECHA onjuist waren, maar alleen heeft gesteld dat naar haar mening uit beschikbare studies kon worden afgeleid dat triclosan geen potentieel risico voor de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen opleverde.

458    In die omstandigheden kan de kamer van beroep niet worden verweten dat zij zich in punt 232 van de bestreden beslissing heeft beperkt tot de opmerking dat het enkele feit dat er een ander wetenschappelijk standpunt bestaat, op zich niet volstond om aan te tonen dat het besluit van ECHA onjuist was.

459    Gelet op de voorgaande overwegingen dienen alle argumenten inzake de afwijzing van het voor de kamer van beroep aangevoerde middel met betrekking tot het verzoek tot uitvoering van de vistest, van de hand te worden gewezen.

D.      Argument ontleend aan een onsamenhangende benadering door de kamer van beroep

460    Verzoekster voert aan dat de kamer van beroep geen consistent toetsingsniveau heeft toegepast in het geheel van de bestreden beslissing. In punt 241 van die beslissing heeft de betrokken kamer nauwgezet onderzocht of de documentatie inzake cardiotoxiciteit noodzakelijk was. In die context heeft die kamer zelf de wetenschappelijke relevantie en de betrouwbaarheid onderzocht van de studie die ECHA had aangehaald om aan te tonen dat er een potentieel risico bestond. Die kamer heeft haar beoordelingsbevoegdheid dan ook niet op samenhangende wijze uitgeoefend.

461    ECHA betwist die argumenten.

462    Dienaangaande dient er in de eerste plaats aan te worden herinnerd dat, zoals in de punten 46 tot en met 459 hierboven is uiteengezet, de door verzoekster in het kader van het beroep voor het Gerecht aangevoerde argumenten geen fouten van de kamer van beroep aan het licht hebben gebracht die nietigverklaring van de bestreden beslissing zouden rechtvaardigen, voor zover die beslissing betrekking had op de verzoeken tot uitvoering van de persistentietest, het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat en de vistest. Voor zover verzoekster met haar argumenten doelt op het bestaan van een fout in punt 241 van die beslissing, volstaat het op te merken dat dit punt behoort tot een deel van die beslissing waarin de kamer van beroep heeft uiteengezet welke overwegingen haar ertoe hebben gebracht om het besluit van ECHA nietig te verklaren voor zover verzoekster daarbij werd verplicht informatie te verstrekken over de gevolgen van triclosan voor het cardiovasculaire systeem. Evenwel dient te worden vastgesteld dat verzoekster niet verzoekt om nietigverklaring van dat deel van de betrokken beslissing.

463    In de tweede plaats en hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep, anders dan verzoekster stelt, geen onsamenhangende benadering heeft gevolgd in het kader van het door haar verrichte onderzoek.

464    Vastgesteld dient immers te worden dat, zoals uit de punten 235 tot en met 238 en punt 241 van de bestreden beslissing blijkt, verzoekster in het kader van het beroep bij de kamer van beroep omstandige argumenten heeft aangevoerd volgens welke ECHA niet heeft aangetoond dat er een potentieel risico bestaat dat triclosan gevolgen zou hebben voor het cardiovasculaire systeem, op grond dat dit agentschap zich uitsluitend op één enkele studie heeft gebaseerd en dat die studie niet relevant is voor de mens omdat triclosan in het kader van die studie in kunstmatig hoge doses is toegediend en door blootstelling die niet relevant is voor de blootstelling van de mens aan triclosan.

465    In de punten 241 en 242 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep dan ook alleen maar verzoeksters omstandige argumenten onderzocht en toegewezen.

466    Anders dan verzoekster stelt, kan het feit dat andere van haar argumenten door de kamer van beroep zijn afgewezen omdat zij onvoldoende gedetailleerd waren en dus niet konden afdoen aan de rechtmatigheid van het besluit van ECHA, niet als tegenstrijdig worden beschouwd.

467    Derhalve dient verzoeksters betoog ontleend aan een onsamenhangende benadering van de kamer van beroep te worden afgewezen.

E.      Argumenten ontleend aan schending van de rechten van de verdediging

468    Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep haar rechten van verdediging heeft geschonden door haar belangrijkste argumenten en wetenschappelijk bewijzen van de hand te wijzen zonder de gegrondheid ervan te onderzoeken.

469    Dat argument dient te worden afgewezen.

470    Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat de eerbiediging van de rechten van verdediging inhoudt dat eenieder tegen wie een beslissing kan worden genomen die zijn belangen aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld om naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen die als grondslag voor die beslissing tegen hem in aanmerking worden genomen (arrest van 10 december 2009, Cofac/Commissie, T‑159/07, niet gepubliceerd, EU:T:2009:490, punt 33).

471    Anders dan verzoekster betoogt, heeft het enkele feit dat de kamer van beroep in het kader van het bij haar ingestelde beroep niet zelf heeft onderzocht of de verzoeken tot uitvoering van de persistentietest, het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat en de vistest noodzakelijk waren, maar – terecht – alleen maar heeft nagegaan of verzoekster met haar argumenten kon aantonen dat het besluit van ECHA onjuist was, verzoekster geenszins belet om haar standpunt met betrekking tot de elementen van die beslissing naar behoren kenbaar te maken.

472    Derhalve dient verzoeksters argument ontleend aan schending van haar rechten van verdediging eveneens te worden afgewezen.

F.      Argument ontleend aan de bepalingen van verordening nr. 1223/2009

473    Ter terechtzitting heeft verzoekster het argument aangevoerd dat de verzoeken om informatie niet in overeenstemming waren met het evenredigheidsbeginsel, omdat de uitvoering van studies die dierproeven inhouden, aanleiding kan geven tot een handelsverbod op grond van de bepalingen van verordening nr. 1223/2009 (zie punt 35 hierboven).

474    Voor zover verzoekster met haar argumenten een middel ontleend aan de niet-inaanmerkingneming van de bepalingen van verordening nr. 1223/2009 wenst aan te voeren, dienen die argumenten niet-ontvankelijk te worden verklaard. Volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering mogen in de loop van het geding immers geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Ten eerste dient te worden opgemerkt dat het gaat om een nieuw middel. Anders dan verzoekster stelt, kan dat middel dus niet worden gekoppeld aan de argumenten inzake schending van het evenredigheidsbeginsel die zij in het kader van de schriftelijke behandeling heeft uiteengezet. Ten tweede dient te worden geconstateerd dat niets eraan in de weg stond dat verzoekster dat middel tijdens de schriftelijke behandeling aanvoerde.

475    Die argumenten zouden hoe dan ook ongegrond dienen te worden verklaard. Zoals in de punten 59 tot en met 86 hierboven is uiteengezet, wordt de omvang van de door de kamer van beroep verrichte toetsing immers bepaald door de middelen die verzoekster voor haar aanvoert. Tijdens de procedure bij die kamer heeft verzoekster evenwel geen argumenten met betrekking tot verordening nr. 1223/2009 aangevoerd.

476    Hieruit volgt dat ook het aan de bepalingen van verordening nr. 1223/2009 ontleende argument dient te worden afgewezen.

477    Gelet op een en ander dient het beroep te worden verworpen.

IV.    Kosten

478    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van ECHA in diens kosten te worden verwezen.

479    Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Bijgevolg zullen het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden hun eigen kosten dragen.

480    Bovendien dient verzoeksters verzoek te worden afgewezen om de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, op grond van artikel 135, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in haar kosten te verwijzen. Krachtens die bepaling kan het Gerecht een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, ten dele of zelfs volledig in de kosten verwijzen, indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep, met name indien door haar toedoen voor de andere partij kosten zijn opgekomen die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt. Anders dan verzoekster stelt, kan de houding van de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, evenwel niet rechtvaardigen dat zij in haar kosten worden verwezen.

HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      BASF Grenzach GmbH zal haar eigen kosten dragen, alsook de kosten van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding.

3)      Het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden zullen hun eigen kosten dragen.

Gratsias

Labucka

Papasavvas

Dittrich

 

      Ulloa Rubio

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 september 2019.

ondertekeningen


Inhoud


I. Voorgeschiedenis van het geding en bestreden beslissing

II. Procedure bij het Gerecht en conclusies van partijen

III. In rechte

A. Argumenten met betrekking tot de verwerping van het beroep bij de kamer van beroep voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de persistentietest

1. Argumenten ter betwisting van de verwerping door de kamer van beroep van het tweede middel van het bij haar ingestelde beroep

a) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep haar opdracht in het kader van een beroep bij haar heeft veronachtzaamd

1) Omvang en intensiteit van de toetsing door de kamer van beroep

i) Toetsingsomvang

ii) Toetsingsintensiteit

2) Verzoeksters argumenten

b) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met de bewijskracht van de beschikbare informatie

c) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de intensiteit van de door de kamer van beroep verrichte toetsing ontoereikend was

2. Argumenten ter betwisting van de afwijzing door de kamer van beroep van het eerste middel van het bij haar ingestelde beroep

3. Argumenten ontleend aan de bevindingen van de Canadese instanties

B. Argumenten ontleend aan de verwerping van het beroep bij de kamer van beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat

1. Argumenten ter betwisting van de afwijzing door de kamer van beroep van het zesde middel van het bij haar ingestelde beroep

a) Argumenten ter betwisting van de overwegingen waarop de kamer van beroep de verwerping van het eerste onderdeel van het zesde middel van het bij haar ingestelde beroep heeft gebaseerd

1) Argumenten betreffende de overwegingen van de kamer van beroep inzake de studies Allmyr, Cullinan en Koeppe

2) Argumenten ontleend aan de overwegingen van de kamer van beroep inzake het rapport Witorsch

b) Argumenten ter betwisting van de overwegingen waarop de kamer van beroep de afwijzing van het tweede onderdeel van het zesde middel van het bij haar ingestelde beroep heeft gebaseerd

1) Argumenten volgens welke de kamer van beroep had moeten constateren dat artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 was geschonden

2) Argumenten betreffende de overwegingen van de kamer van beroep inzake de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie

2. Argumenten ter betwisting van de verwerping door de kamer van beroep van het zevende en het achtste middel van het bij haar ingestelde beroep

a) Argumenten ter betwisting van de overwegingen van de kamer van beroep met betrekking tot de noodzaak van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat

1) Argumenten die specifiek betrekking hebben op de overwegingen van de kamer van beroep inzake het potentiële risico op neurotoxiciteit van triclosan

2) Argumenten die specifiek betrekking hebben op de overwegingen van de kamer van beroep inzake het potentiële risico op reprotoxiciteit van triclosan

i) Argumenten inzake een onjuiste opvatting van verzoeksters argumenten

ii) Argumenten inzake studies waarin wordt bevestigd dat triclosan geen reprotoxische effecten heeft

3) Argumenten inzake de beoordeling door de Canadese instanties

4) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep eraan is voorbijgegaan dat in het kader van de beoordeling van stoffen de bewijskracht moet worden bepaald

5) Argument dat de kamer van beroep zich heeft beperkt tot het onderzoek van de vraag of er geen kennelijke beoordelingsfouten zijn gemaakt

b) Argumenten ter betwisting van de overwegingen van de kamer van beroep met betrekking tot de geschiktheid van het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat

1) Argumenten betreffende de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 161 tot en met 167 van de bestreden beslissing

2) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep niet heeft onderzocht of er minder dwingende maatregelen konden worden genomen

3. Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat het deskundigenadvies van Mihaich niet-ontvankelijk dient te worden verklaard

4. Argumenten ter betwisting van de inleidende opmerkingen van de kamer van beroep

C. Argumenten ontleend aan de verwerping van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de vistest

D. Argument ontleend aan een onsamenhangende benadering door de kamer van beroep

E. Argumenten ontleend aan schending van de rechten van de verdediging

F. Argument ontleend aan de bepalingen van verordening nr. 1223/2009

IV. Kosten




*      Procestaal: Engels.