Language of document : ECLI:EU:C:2017:361

Zaak C36/16

Minister Finansów

tegen

Posnania Investment SA

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny)

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde –Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 2, lid 1, onder a) – Artikel 14, lid 1 – Belastbare handelingen – Begrip ,levering van goederen onder bezwarende titel’ – Overdracht van onroerend goed aan de staat of een lagere overheid ter voldoening van een belastingschuld – Daarvan uitgesloten”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 mei 2017

Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Goederenleveringen – Begrip – Begrip levering van goederen onder bezwarende titel – Overdracht van onroerend goed aan de staat of een lagere overheid ter voldoening van een belastingschuld – Daarvan uitgesloten

[Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 2, lid 1, a), en 14, lid 1]

Artikel 2, lid 1, onder a), en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat voor de heffing van belasting over de toegevoegde waarde geen sprake is van een belastbare levering van goederen onder bezwarende titel wanneer, net als het geval is in het hoofdgeding, de eigendom van onroerend goed door een ondernemer voor de belasting over de toegevoegde waarde aan de schatkist of eenlagere overheid van een lidstaat wordt overgedragen ter voldoening van een achterstallige belastingschuld.

Wat de vraag betreft, of de overdracht van een onroerende zaak aan een overheidsinstantie, in casu de overdracht van een perceel aan een gemeente, ter voldoening van achterstallige belastingschulden valt aan te merken als een handeling onder bezwarende titel, moet erop worden gewezen dat slechts sprake is van levering van goederen „onder bezwarende titel” in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van de btw‑richtlijn als er tussen de leverancier en de koper een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en de door de leverancier ontvangen prijs de werkelijke tegenwaarde vormt voor het geleverde goed (arresten van 27 april 1999, Kuwait Petroleum, C‑48/97, EU:C:1999:203, punt 26, en 21 november 2013, Dixons Retail, C‑494/12, EU:C:2013:758, punt 32).

De betalingsverplichting die de belastingplichtige, als schuldenaar van een belastingschuld, heeft jegens de belastingdienst, als schuldeiser van die vordering, is echter eenzijdig van aard, aangezien het betalen van de belasting door die belastingplichtige slechts tot gevolg heeft dat de schuld krachtens de wet tenietgaat, ook al vindt de betaling, zoals in casu, plaats middels de overdracht van een onroerend goed.

Een belasting is immers een door de overheid opgelegde verplichte heffing over middelen van personen ten aanzien van wie zij heffingsbevoegd is. De heffing is bedoeld om via de begrotingen van overheidsinstanties te worden besteed aan algemene diensten en voorzieningen. Bij een dergelijke heffing is, ongeacht of het om een geldbedrag of, zoals in het onderhavige geval, een lichamelijke zaak gaat, geen sprake van een prestatie van de overheid en dus evenmin van een tegenprestatie van de belastingplichtige.

(zie punten 31, 33, 34, 42 en dictum)