Language of document : ECLI:EU:C:2021:335

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

29 april 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Toezicht op banken – Sanering en liquidatie van kredietinstellingen – Richtlijn 2001/24/EG – Maatregel die door een instantie van de lidstaat van herkomst is vastgesteld voor de sanering van een kredietinstelling – Overdracht van rechten, activa of passiva aan een ‚overbruggingsinstelling’ – Retouroverdracht aan de kredietinstelling waarvoor de saneringsmaatregel geldt – Artikel 3, lid 2 – Lex concursus – Werking van een saneringsmaatregel in andere lidstaten – Wederzijdse erkenning – Artikel 32 – Gevolgen van een saneringsmaatregel voor een aanhangig geding – Uitzondering op de toepassing van de lex concursus – Artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Effectieve rechterlijke bescherming – Rechtszekerheidsbeginsel”

In zaak C‑504/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 25 juni 2019, ingekomen bij het Hof op 2 juli 2019, in de procedure

Banco de Portugal,

Fundo de Resolução,

Novo Banco SA, Sucursal en España,

tegen

VR,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Wahl, F. Biltgen en L.S. Rossi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 september 2020,

gelet op de opmerkingen van:

–        Banco de Portugal en het Fundo de Resolução, vertegenwoordigd door J. M. Rodríguez Cárcamo, abogado, en A. M. Rodríguez Conde, abogada,

–        Novo Banco SA, Sucursal en España, vertegenwoordigd door A. Fernández de Hoyos en J. I. Fernández Aguado, abogados,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Centeno Huerta als gemachtigde,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. M. De Socio, avvocato dello Stato,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, S. Jaulino, A. Homem, A. Pimenta, C. Raimundo en P. Barros da Costa als gemachtigden, bijgestaan door T. Tönnies, advogada,

–        het Europees Parlement, vertegenwoordigd door L. Visaggio, M. Sammut, P. López-Carceller en R. Ignătescu als gemachtigden,

–        de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. de Gregorio Merino, I. Gurov en E. d’Ursel als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou, A. Nijenhuis, J. Rius Riu en K.‑P. Wojcik als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 november 2020,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB 2001, L 125, blz. 15), artikel 2 VEU, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en het algemene rechtszekerheidsbeginsel.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Banco de Portugal, het Fundo de Resolução (hierna: „afwikkelingsfonds”) en Novo Banco SA, Sucursal en España (hierna: „Novo Banco Spanje”), enerzijds, en VR, anderzijds, over een verzoek tot nietigverklaring van een overeenkomst inzake de verkoop van door VR verworven preferente aandelen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 3, 4, 6, 7, 11, 16, 23 en 30 van richtlijn 2001/24 luiden:

„(3)      Deze richtlijn past in het communautaire wetgevingskader dat tot stand is gekomen bij richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen [(PB 2000, L 126, blz. 1)]. Hieruit volgt dat zolang de kredietinstelling werkzaam is, zij met haar bijkantoren één enkel geheel vormt dat is onderworpen aan toezicht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de voor de gehele Gemeenschap geldende vergunning is verleend.

(4)      Het zou zeer ongepast zijn het geheel dat de kredietinstelling met haar bijkantoren vormt, op te breken wanneer er saneringsmaatregelen moeten worden vastgesteld of er een liquidatieprocedure moet worden geopend.

[…]

(6)      De administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst dienen als enige bevoegd te zijn tot het vaststellen en uitvoeren van saneringsmaatregelen overeenkomstig de in deze lidstaat geldende wetgeving en praktijken. Aangezien het onbegonnen werk is de in de lidstaten geldende wetgevingen en praktijken te harmoniseren, is het dienstig over te gaan tot wederzijdse erkenning door de lidstaten van de maatregelen die elke lidstaat treft om kredietinstellingen waaraan hij vergunning heeft verleend weer levensvatbaar te maken.

(7)      Gewaarborgd moet worden dat de door de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst vastgestelde maatregelen voor de sanering van kredietinstellingen, alsmede de maatregelen, vastgesteld door de personen of organen die door deze bevoegde instanties zijn aangewezen om het beheer over deze saneringsmaatregelen te voeren, in alle lidstaten rechtswerking hebben, met inbegrip van de maatregelen die opschorting van de betalingen, opschorting van executie of verlaging van de schuldvorderingen kunnen behelzen, alsmede elke andere maatregel die de reeds bestaande rechten van derden kan aantasten.

[…]

(11)      Ter inlichting van derden moet de tenuitvoerlegging van saneringsmaatregelen worden bekendgemaakt in de lidstaten waar zich bijkantoren bevinden wanneer die maatregelen de uitoefening van bepaalde rechten van derden kunnen doorkruisen.

[…]

(16)      De gelijke behandeling van de schuldeisers vereist dat de liquidatie van de kredietinstelling plaatsvindt overeenkomstig de beginselen van eenheid en universaliteit, die de exclusieve bevoegdheid veronderstellen van de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, alsmede de erkenning van hun beslissingen, die in de overige lidstaten zonder verdere formaliteiten de daaraan bij het recht van de lidstaat van herkomst toegekende rechtsgevolgen moeten kunnen sorteren, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.

[…]

(23)      Hoewel er dient te worden vastgehouden aan het beginsel dat het recht van de lidstaat van herkomst bepalend is voor alle procesrechtelijke en materieelrechtelijke gevolgen van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures, dient te worden bedacht dat die gevolgen strijdig kunnen zijn met de regels die normaliter in het kader van de economische en financiële werkzaamheden van de kredietinstelling en haar bijkantoren in andere lidstaten van toepassing zijn. Verwijzing naar het recht van een andere lidstaat betekent in sommige gevallen een noodzakelijke nuancering van het beginsel van toepassing van het recht van de lidstaat van herkomst.

[…]

(30)      Bij wijze van uitzondering op de toepassing van de lex concursus worden de gevolgen van de saneringsmaatregelen of de liquidatieprocedures voor een aanhangig rechtsgeding beheerst door het recht van de lidstaat waar dat geding aanhangig is. De gevolgen van die maatregelen of procedures voor de afzonderlijke executiemaatregelen die uit deze rechtsvorderingen voortkomen, worden beheerst door de wetgeving van de lidstaat van herkomst, overeenkomstig de algemene regel van de richtlijn.”

4        Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2001/24 bepaalt:

„Deze richtlijn is van toepassing op kredietinstellingen en hun in een andere lidstaat dan die van de statutaire zetel opgerichte bijkantoren, in de zin van artikel 1, punten 1 en 3, van richtlijn 2000/12/EG, behoudens de voorwaarden en uitzonderingen van artikel 2, lid 3, van die richtlijn.”

5        Volgens artikel 2, zevende streepje, van richtlijn 2001/24 worden onder „saneringsmaatregelen” verstaan „maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, en die van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten, met inbegrip van maatregelen die opschorting van de betaling, opschorting van executiemaatregelen of verlaging van de schuldvorderingen mogelijk maken”.

6        Artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Vaststelling van saneringsmaatregelen – toepasselijk recht”, luidt:

„1.      Alleen de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst zijn bevoegd te beslissen om ten aanzien van een kredietinstelling, met inbegrip van haar in andere lidstaten gevestigde bijkantoren, een of meer saneringsmaatregelen ten uitvoer te leggen.

2.      De saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de procedures van de lidstaat van herkomst, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.

Deze maatregelen hebben overeenkomstig de wetgeving van deze lidstaat en zonder verdere formaliteiten volledige rechtswerking in de gehele Gemeenschap, ook jegens derden in de andere lidstaten en zelfs indien de op dezen toepasselijke voorschriften van de lidstaat van ontvangst niet in dergelijke maatregelen voorzien of de tenuitvoerlegging daarvan afhankelijk stellen van voorwaarden die niet zijn vervuld.

Saneringsmaatregelen hebben rechtswerking in de gehele Gemeenschap zodra zij die hebben in de lidstaat waar zij worden getroffen.”

7        Artikel 32 van die richtlijn, met als opschrift „Aanhangige rechtsgedingen”, bepaalt:

„De gevolgen van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures voor een aanhangig rechtsgeding betreffende een goed of recht waarover de kredietinstelling het beheer en de beschikking heeft verloren, worden uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.”

 Spaans recht

8        Ley 6/2005 sobre saneamiento y liquidación de las entidades de crédito (wet 6/2005 inzake de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen) van 22 april 2005 (BOE nr. 97 van 23 april 2005, blz. 13912), heeft richtlijn 2001/24 in de Spaanse rechtsorde omgezet.

9        Artikel 19, lid 1, van die wet bepaalt:

„Wanneer ten aanzien van een kredietinstelling waaraan in een lidstaat van de Europese Unie een vergunning is verleend en die ten minste één bijkantoor in Spanje heeft of diensten verricht in Spanje een saneringsmaatregel is vastgesteld of een liquidatieprocedure is ingeleid, heeft die maatregel of procedure, zonder verdere formaliteiten, volledige rechtswerking in Spanje zodra de maatregel of procedure volledige rechtswerking heeft in de lidstaat waar de maatregel is vastgesteld of de procedure is ingeleid.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10      Op 10 januari 2008 heeft VR een overeenkomst gesloten met Banco Espírito Santo, Sucursal en España (hierna: „BES Spanje”), waarbij zij preferente aandelen van de IJslandse kredietinstelling Kaupthing Bank heeft verworven voor een bedrag van ongeveer 166 000 EUR (hierna: „overeenkomst inzake de verkoop van aandelen”). In die tijd was BES Spanje het Spaanse bijkantoor van de Portugese bank Banco Espírito Santo (hierna: „BES”).

11      Aangezien BES met ernstige financiële moeilijkheden kampte, heeft de raad van bestuur van Banco de Portugal bij besluit van 3 augustus 2014, zoals gewijzigd bij besluit van 11 augustus 2014 (hierna: „besluit van augustus 2014”), zogenoemde „afwikkelingsmaatregelen” voor deze kredietinstelling vastgesteld.

12      Bij dit besluit heeft Banco de Portugal beslist om een „overbruggingsbank” of „overbruggingsinstelling” op te richten, die Novo Banco SA werd genoemd, waaraan de in bijlage 2 bij dat besluit omschreven activa, passiva en andere buitenbalansposten van BES werden overgedragen.

13      Deze bijlage 2 vermeldde een aantal passiva die van de overdracht aan Novo Banco waren uitgesloten en dus in het vermogen van BES bleven. Deze passiva omvatten de in de eerste alinea, onder b), v), van deze bijlage 2 genoemde passiva, namelijk „aansprakelijkheden of risico’s, met name die welke voortvloeien uit fraude of schending van regulerende, strafrechtelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of beslissingen”.

14      Na de in punt 12 van dit arrest bedoelde overdracht heeft Novo Banco Spanje de handelsrelatie in stand gehouden die VR met BES Spanje was aangegaan en die betrekking had op de bewaring en het beheer van de effecten waarop de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen betrekking had, en is zij de provisie voor deze diensten blijven ontvangen.

15      Op 4 februari 2015 heeft VR bij de Juzgado de Primera Instancia de Vitoria (rechter in eerste aanleg Vitoria, Spanje) een vordering ingesteld tegen Novo Banco Spanje om, primair, de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen nietig te verklaren wegens een wilsgebrek, en het belegde bedrag terug te betalen of, subsidiair, deze overeenkomst te ontbinden wegens niet-nakoming van de zorgvuldigheids-, loyaliteits- en informatieplicht, alsook deze bankinstelling te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.

16      Voor die rechter heeft Novo Banco Spanje zich verdedigd met het argument dat zij niet in rechte kon worden aangesproken, omdat de aangevoerde aansprakelijkheid krachtens bijlage 2 bij het besluit van augustus 2014 een passief was dat niet aan haar was overgedragen.

17      Bij vonnis van 15 oktober 2015 heeft de Juzgado de Primera Instancia de Vitoria de vordering van VR toegewezen, op grond dat dat passief krachtens het besluit van augustus 2014 wel degelijk aan Novo Banco was overgedragen. Volgens deze rechter was de toestemming van VR op het tijdstip waarop de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen werd gesloten gebrekkig, omdat zij toen 68 jaar oud was, financieel niet onderlegd, en door BES Spanje niet naar behoren was geïnformeerd over de aard en de risico’s van de door haar verworven preferente aandelen. Derhalve heeft deze rechter de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen nietig verklaard en Novo Banco Spanje veroordeeld tot terugbetaling van de volledige koopprijs aan VR.

18      Novo Banco Spanje heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Audiencia Provincial de Álava (rechter in tweede aanleg Álava, Spanje). In de loop van deze procedure heeft zij twee besluiten van Banco de Portugal van 29 december 2015 overgelegd (hierna: „besluiten van 29 december 2015”).

19      Zoals de verwijzende rechter uiteenzet, blijkt uit die besluiten dat bijlage 2, eerste alinea, onder b), vii), van het besluit van augustus 2014 van toen af aan als volgt luidde: „Alle verbintenissen, garanties, aansprakelijkheden of risico’s die verband houden met de verkoop van, de financiële bemiddeling in, de sluiting van overeenkomsten met betrekking tot en de distributie van financiële instrumenten die door welke instelling ook zijn uitgegeven”. Daarbij werd ook bepaald dat „inzonderheid vanaf die dag de volgende passiva van BES niet aan Novo Banco zijn overgedragen: […] iii) alle schadeloosstellingen die verband houden met de niet-nakoming van vóór 20.00 uur op 3 augustus 2014 gesloten overeenkomsten (aankopen van onroerende en andere activa); […] vi) alle schadeloosstellingen en vorderingen die voortvloeien uit de nietigverklaring van door BES als aanbieder van financiële en beleggingsdiensten verrichte transacties en vii) elke aansprakelijkheid die het voorwerp van een van de in bijlage I beschreven procedures is”. De door VR ingestelde vordering is een van de in deze bijlage I bedoelde procedures.

20      Bovendien is in de besluiten van 29 december 2015 bepaald dat „voor zover activa, passiva of buitenbalansposten overeenkomstig de voorgaande punten binnen de vermogenssfeer van BES hadden moeten blijven, maar feitelijk zijn overgedragen aan Novo Banco, zij bij [deze] besluit[en] per 3 augustus 2014 (20.00 uur) door Novo Banco terug aan BES worden overgedragen”.

21      De Audiencia Provincial de Álava heeft het hoger beroep van Novo Banco Spanje verworpen, waarop deze een buitengewoon rechtsmiddel wegens procedurefouten heeft ingesteld bij de verwijzende rechter, de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje). Banco de Portugal en het afwikkelingsfonds werden toegelaten tot interventie aan de zijde van Novo Banco Spanje. Volgens deze partijen had Novo Banco Spanje in het hoofdgeding niet de hoedanigheid van verwerende partij mogen krijgen, aangezien het betrokken passief niet aan Novo Banco was overgedragen en dit passief, ook al zou het zijn overgedragen, vervolgens krachtens de besluiten van 29 december 2015 terug aan BES was overgedragen. Deze partijen voeren ook aan dat deze besluiten op grond van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24 zonder verdere formaliteiten volledige werking hebben in alle lidstaten.

22      Volgens de verwijzende rechter strekken de besluiten van 29 december 2015 niet alleen ertoe het besluit van augustus 2014 te verduidelijken, maar wijzigen deze dit besluit ook met terugwerkende kracht. Zo is de aansprakelijkheid ten aanzien van VR, die voortvloeide uit de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen en bij het besluit van augustus 2014 aan Novo Banco was overgedragen, krachtens de besluiten van 29 december 2015 met terugwerkende kracht vanaf 3 augustus 2014 terug aan BES overgedragen.

23      De verwijzende rechter twijfelt niet aan de mogelijkheid dat een door de bevoegde overheidsinstantie van de lidstaat van herkomst getroffen saneringsmaatregel terugwerkende kracht kan hebben, hetgeen het Hof reeds heeft erkend in het arrest van 24 oktober 2013, LBI (C‑85/12, EU:C:2013:697), en stelt evenmin de mogelijkheid ter discussie om aan Novo Banco overgedragen passiva later terug aan BES over te dragen. Hij vraagt zich daarentegen af of de inhoudelijke wijzigingen die zijn doorgevoerd bij de besluiten van 29 december 2015 moeten worden erkend in de aanhangige juridische procedures die vóór de vaststelling van deze besluiten waren ingeleid.

24      Dienaangaande vraagt de verwijzende rechter zich, gelet op het vereiste van een effectieve rechterlijke bescherming van de rechten van VR, dat voortvloeit uit artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, en gelet op het rechtszekerheidsbeginsel dat inherent is aan de rechtsstaat, af of Novo Banco Spanje, Banco de Portugal en het afwikkelingsfonds het bij het rechte eind hebben wanneer zij stellen de eventuele bevestiging door de verwijzende rechter van het arrest van de Audiencia Provincial de Álava geen effect zou sorteren of geen doel zou treffen, aangezien het betrokken passief door de besluiten van 29 december 2015 in ieder geval met ingang van 3 augustus 2014 terug aan het vermogen van BES is overgedragen.

25      Daarop heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is het met het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte als bedoeld in artikel 47 van het [Handvest], met het in artikel 2 [VEU] neergelegde beginsel van de rechtsstaat en met het algemene rechtszekerheidsbeginsel verenigbaar dat artikel 3, lid 2, van richtlijn [2001/24] aldus wordt uitgelegd dat in lopende gerechtelijke procedures in andere lidstaten zonder verdere formaliteiten de gevolgen moeten worden erkend van een besluit van de bevoegde administratieve instantie van de [lid]staat van herkomst, dat ertoe strekt de bij de inleiding van het rechtsgeding bestaande juridische context met terugwerkende kracht te wijzigen, waardoor de werking wordt ontnomen aan rechterlijke beslissingen die niet in overeenstemming zijn met de inhoud van het nieuwe besluit?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

 Overwegingen vooraf

26      Inleidend zij in de eerste plaats opgemerkt dat de verwijzende rechter – zoals volgt uit punt 22 van dit arrest – er blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing van uitgaat dat de besluiten van 29 december 2015 het besluit van augustus 2014 met name in die zin hebben gewijzigd dat de eventuele aansprakelijkheid van Novo Banco waarop de vordering van VR is gebaseerd, met terugwerkende kracht terug is overgedragen aan BES.

27      Novo Banco, Banco de Portugal, het afwikkelingsfonds en de Portugese regering betwisten de juistheid van die aanname. Dienaangaande voeren zij aan dat de besluiten van 29 december 2015 het besluit van augustus 2014 niet wijzigen, maar slechts verduidelijken, en dat de uitsluiting van de eventuele aansprakelijkheid waarop de vordering van VR is gebaseerd, uit de aan Novo Banco overgedragen activa en passiva, dus voortvloeit uit saneringsmaatregelen die niet zijn vastgesteld in de context van een aanhangige gerechtelijke procedure, maar reeds voordat VR op 4 februari 2015 haar vordering instelde.

28      Het staat echter niet aan het Hof om de draagwijdte van de besluiten van 29 december 2015 te beoordelen, aangezien er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid ervan te onderzoeken (arrest van 30 april 2020, Blue Air – Airline Management Solutions, C‑584/18, EU:C:2020:324, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Bij de beantwoording van de gestelde vraag dient er dus van te worden uitgegaan dat de besluiten van 29 december 2015 het besluit van augustus 2014 wel degelijk met terugwerkende kracht hebben gewijzigd, en dat deze zijn vastgesteld in de context van een aanhangige gerechtelijke procedure, aangezien VR haar vordering voor de Juzgado de Primera Instancia de Vitoria op 4 februari 2015 had ingesteld.

30      In de tweede plaats is het vaste rechtspraak dat het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Voorts kan het Hof bepalingen van het recht van de Unie in aanmerking nemen die door de nationale rechter in zijn vraag niet zijn genoemd. Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren [arresten van 13 september 2016, Rendón Marín, C‑165/14, EU:C:2016:675, punt 33; 8 juni 2017, Freitag, C‑541/15, EU:C:2017:432, punt 29, en 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Uitlevering aan Oekraïne), C‑398/19, EU:C:2020:1032, punt 35].

31      In casu heeft de vraag van de verwijzende rechter weliswaar betrekking op artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/24, maar zij opgemerkt dat – gelet op hetgeen in punt 26 van het onderhavige arrest is verduidelijkt en in punt 29 ervan in herinnering is gebracht – artikel 32 van deze richtlijn relevant is voor het antwoord dat aan de verwijzende rechter moet worden gegeven, aangezien daarin een uitzondering op artikel 3, lid 2, wordt vastgesteld met betrekking tot het recht dat van toepassing is op de gevolgen van de saneringsmaatregelen voor aanhangige rechtsgedingen.

 Ten gronde

32      Gelet op deze overwegingen vooraf, dient te worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3, lid 2, en artikel 32 van richtlijn 2001/24, gelezen tegen de achtergrond van het rechtszekerheidsbeginsel en van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat in een gerechtelijke procedure ten gronde die aanhangig is in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van een kredietinstelling, en die betrekking heeft op een passief waarover deze het beheer en de beschikking had verloren ten gevolge van een in de lidstaat van herkomst vastgestelde saneringsmaatregel, de gevolgen van een tweede saneringsmaatregel die ertoe strekt om dit passief, met terugwerkende kracht, vanaf een tijdstip vóór de inleiding van deze procedure, terug over te dragen aan deze kredietinstelling, zonder verdere voorwaarden worden erkend, wanneer deze erkenning ertoe leidt dat de kredietinstelling waaraan het passief door de eerste maatregel was overgedragen, met terugwerkende kracht niet langer in deze aanhangige procedure in rechte kan worden aangesproken, zodat wordt afgedaan aan rechterlijke beslissingen die reeds in het voordeel van de verzoekende partij in deze procedure zijn gewezen.

33      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat richtlijn 2001/24, zoals met name uit de overwegingen 4 en 16 ervan blijkt, gebaseerd is op de beginselen van eenheid en universaliteit en het beginsel vastlegt van wederzijdse erkenning van saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures, alsook van de gevolgen ervan.

34      Volgens artikel 3, lid 2, van deze richtlijn worden de saneringsmaatregelen in beginsel immers ten uitvoer gelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de lidstaat van herkomst. Voorts blijkt ten eerste uit de tweede alinea van deze bepaling dat deze maatregelen overeenkomstig de wetgeving van deze lidstaat en zonder verdere formaliteiten volledige rechtswerking hebben in de gehele Unie, ook jegens derden in de andere lidstaten en zelfs indien de op dezen toepasselijke voorschriften van de lidstaat van ontvangst niet in dergelijke maatregelen voorzien of de tenuitvoerlegging daarvan afhankelijk stellen van voorwaarden die niet zijn vervuld. Ten tweede hebben saneringsmaatregelen overeenkomstig de derde alinea van deze bepaling rechtswerking in de gehele Unie zodra zij die hebben in de lidstaat van herkomst. Deze bepalingen stipuleren aldus dat de maatregelen ter sanering van kredietinstellingen en de gevolgen ervan in beginsel door de lex concursus worden beheerst (arrest van 24 oktober 2013, LBI, C‑85/12, EU:C:2013:697, punt 49).

35      Zoals uitdrukkelijk blijkt uit overweging 23 van richtlijn 2001/24, kunnen die gevolgen echter strijdig zijn met de regels die normaliter in het kader van de economische en financiële werkzaamheden van de kredietinstelling en haar bijkantoren in andere lidstaten van toepassing zijn. Verwijzing naar het recht van een andere lidstaat betekent in sommige gevallen dus een noodzakelijke nuancering van het beginsel van toepassing van het recht van de lidstaat van herkomst.

36      Zo bepaalt artikel 32 van richtlijn 2001/24 als uitzondering op de toepassing van de lex concursus dat de gevolgen van saneringsmaatregelen voor een aanhangig rechtsgeding betreffende een goed of recht waarover de kredietinstelling het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend worden beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is (zie in die zin arrest van 24 oktober 2013, LBI, C‑85/12, EU:C:2013:697, punten 51 en 52).

37      In de eerste plaats blijkt uit de bewoordingen van dit artikel 32 dat voor de toepassing van de daarin vastgestelde uitzondering aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan.

38      Ten eerste moet het gaan om saneringsmaatregelen in de zin van artikel 2 van richtlijn 2001/24, hetgeen in casu het geval is, aangezien de besluiten van 29 december 2015 bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, zoals in punt 26 van het onderhavige arrest is vastgesteld.

39      Ten tweede moet er sprake zijn van een aanhangig rechtsgeding. Dienaangaande heeft het Hof, op basis van overweging 30 van richtlijn 2001/24, reeds geoordeeld dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen aanhangige rechtsgedingen en afzonderlijke executiemaatregelen die uit deze rechtsgedingen voortkomen, en dat het begrip „aanhangige rechtsgedingen” alleen de bodemprocedure omvat (zie in die zin arrest van 24 oktober 2013, LBI, C‑85/12, EU:C:2013:697, punten 53 en 54).

40      In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure van VR tegen Novo Banco Spanje als een bodemprocedure moet worden beschouwd, aangezien deze een vordering tot nietigverklaring, of – subsidiair – tot ontbinding, van de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen betreft. Voorts zijn de besluiten van 29 december 2015 vastgesteld nadat VR de procedure op 4 februari 2015 bij de Juzgado de Primera Instancia de Vitoria had ingesteld, en dus op een moment waarop deze procedure reeds aanhangig was.

41      Ten derde moet het aanhangige rechtsgeding betrekking hebben op „een goed of recht waarover de kredietinstelling het beheer en de beschikking heeft verloren”. Dienaangaande zijn bepaalde taalversies van artikel 32 van richtlijn 2001/24 weliswaar aldus geformuleerd dat wordt gesuggereerd dat deze voorwaarde alleen betrekking heeft op activa, maar is deze bepaling in andere taalversies ruimer geformuleerd, zoals de advocaat-generaal in punt 38 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt. Wanneer de taalversies van elkaar afwijken, moet deze bepaling dan ook worden uitgelegd in het licht van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 26 januari 2021, Hessischer Rundfunk, C‑422/19 en C‑423/19, EU:C:2021:63, punt 65).

42      Wat het doel van artikel 32 van richtlijn 2001/24 betreft, blijkt uit de overwegingen 23 en 30 ervan dat deze bepaling, als noodzakelijke nuancering van de toepassing van de lex concursus, waarop zij een uitzondering maakt, ertoe strekt de gevolgen van de saneringsmaatregelen of de liquidatieprocedures voor een aanhangig rechtsgeding te onderwerpen aan het recht van de lidstaat waar dat geding aanhangig is, ermee rekening houdend dat die gevolgen strijdig kunnen zijn met de regels die normaliter in het kader van de economische en financiële werkzaamheden van de kredietinstelling en haar bijkantoren in andere lidstaten van toepassing zijn. Gelet op deze doelstelling zou het niet logisch zijn om de gevolgen van saneringsmaatregelen voor een aanhangig rechtsgeding uit te sluiten van de toepassing van het recht van de lidstaat waar dat geding aanhangig is wanneer dit geding betrekking heeft op eventuele aansprakelijkheden die ten gevolge van deze saneringsmaatregelen aan een andere entiteit zijn overgedragen.

43      Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat artikel 32 van richtlijn 2001/24 van toepassing moet zijn op het aanhangige rechtsgeding dat betrekking heeft op een of meerdere, tot de activa of de passiva behorende vermogensbestanddelen van de kredietinstelling, die aan de vastgestelde saneringsmaatregelen onderworpen zijn (zie naar analogie arrest van 6 juni 2018, Tarragó da Silveira, C‑250/17, EU:C:2018:398, punt 25).

44      In casu heeft het aanhangige rechtsgeding betrekking op de eventuele aansprakelijkheid in verband met de sluiting van de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen, die een passief van het vermogen van BES Spanje is waarop de door Banco de Portugal in augustus 2014 vastgestelde saneringsmaatregel betrekking heeft en waarover BES Spanje het beheer en de beschikking heeft verloren in de zin van artikel 32 van richtlijn 2001/24; deze maatregel is door de besluiten van 29 december 2015 met terugwerkende kracht gewijzigd.

45      Tegen de achtergrond van die elementen blijkt dat in het hoofdgeding is voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden van dat artikel 32.

46      Wat in de tweede plaats de omvang betreft van de gevolgen van de saneringsmaatregelen, die worden geregeld door het recht van de lidstaat waar het geding aanhangig is, zij vastgesteld dat het recht van deze lidstaat alle gevolgen regelt die deze maatregelen voor dit geding kunnen hebben, zowel procedureel als materieel.

47      Ten eerste blijkt immers noch uit artikel 32 van richtlijn 2001/24, noch uit overweging 30 ervan, dat de Uniewetgever de bedoeling heeft gehad om de toepassing van deze uitzondering te beperken tot de procedurele gevolgen van een saneringsmaatregel. Ten tweede is overweging 23 van deze richtlijn, die – zoals blijkt uit punt 35 van dit arrest – de verwijzing naar het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst rechtvaardigt als noodzakelijke nuancering van het beginsel van toepassing van het recht van de lidstaat van herkomst, niet beperkt tot de vermelding van de procedurele gevolgen, maar geeft deze overweging aan dat zowel de procedurele als de materiële gevolgen van de saneringsmaatregelen strijdig kunnen zijn met de regels die normaliter in het kader van de economische en financiële werkzaamheden van de kredietinstelling en haar bijkantoren in andere lidstaten van toepassing zijn.

48      Bovendien zij gepreciseerd dat – zoals voortvloeit uit artikel 32 van richtlijn 2001/24 en overweging 30 ervan – de wet van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is alleen de gevolgen van deze maatregelen voor dit rechtsgeding regelt, zodat de toepassing van dit artikel in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding niet kan afdoen aan de geldigheid van de besluiten van 29 december 2015 als zodanig.

49      Uit artikel 3, lid 2, en artikel 32 van richtlijn 2001/24 volgt dus dat zowel de procedurele als de materiële gevolgen van een saneringsmaatregel voor een aanhangige gerechtelijke procedure ten gronde uitsluitend de gevolgen zijn die worden bepaald door het recht van de lidstaat waar deze procedure aanhangig is.

50      Deze uitlegging is ook geboden gelet op het algemene rechtszekerheidsbeginsel en op het recht op een effectieve rechterlijke bescherming zoals gewaarborgd door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest.

51      Wat betreft ten eerste het rechtszekerheidsbeginsel, zij eraan herinnerd dat dit beginsel volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn alsook dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen. Inzonderheid vereist dat beginsel dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (arrest van 11 juli 2019, Agrenergy en Fusignano Due, C‑180/18, C‑286/18 en C‑287/18, EU:C:2019:605, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      Bovendien heeft het Hof er reeds aan herinnerd dat rechtszekerheid in het bijzonder een dwingend vereiste is in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben (arrest van 21 juni 2007, ROM-projecten, C‑158/06, EU:C:2007:370, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      In casu beschikte VR, toen zij op 4 februari 2015 bij de Juzgado de Primera Instancia de Vitoria haar vordering instelde tegen Novo Banco Spanje, weliswaar over alle noodzakelijke elementen om met kennis van zaken een beslissing te nemen over de indiening van deze vordering en om de persoon tegen wie deze vordering moest worden gericht met zekerheid te identificeren, en wist zij inzonderheid dat nog een maatregel kon worden genomen waarbij de aansprakelijkheid voor de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen terug van Novo Banco aan BES werd overgedragen, die met terugwerkende kracht gevolgen kon sorteren, maar dit neemt niet weg dat VR, zodra haar vordering was ingesteld maar alvorens daarop definitief was beslist, niet in staat was om erop te anticiperen dat van deze mogelijkheid daadwerkelijk gebruik zou worden gemaakt en om dienovereenkomstig haar voorzieningen te treffen.

54      Bijgevolg zou de erkenning van de gevolgen van de besluiten van 29 december 2015 in de procedure in het hoofdgeding indruisen tegen het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien hierdoor afbreuk zou kunnen worden gedaan aan de reeds in het voordeel van VR gewezen rechterlijke beslissingen waarover nog een rechtsgeding aanhangig is, en de verwerende partij deze hoedanigheid met terugwerkende kracht zou kunnen verliezen voor de door de verzoekende partij ingestelde vordering.

55      Wat betreft ten tweede de beoordeling van die erkenning gelet op het recht op een effectieve rechterlijke bescherming, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest, bepaalt de eerste alinea van dit artikel dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

56      Voorts bepaalt artikel 52, lid 1, van het Handvest dat op de uitoefening van de in het Handvest opgenomen rechten en vrijheden beperkingen kunnen worden gesteld, op voorwaarde dat deze beperkingen, ten eerste, bij wet worden gesteld, ten tweede, de wezenlijke inhoud van de betrokken rechten en vrijheden eerbiedigen en, ten derde, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen [zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C‑245/19 en C‑246/19, EU:C:2020:795, punt 51].

57      Uit de rechtspraak van het Hof komt naar voren dat de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing, zoals gewaarborgd door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, onder meer vereist dat de belanghebbende zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden kan verdedigen en met volledige kennis van zaken kan beslissen of hij er baat bij heeft om bij de bevoegde rechter een vordering tegen een bepaalde entiteit aanhangig te maken (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, PI, C‑230/18, EU:C:2019:383, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58      In casu dient te worden vastgesteld dat de vordering die VR bij de Spaanse rechter heeft ingesteld met name is gebaseerd op een overeenkomstig artikel 47, eerste alinea, van het Handvest door het recht van de Unie gewaarborgd recht, aangezien zij zich beroept op het recht dat de erkenning van de gevolgen van de saneringsmaatregelen haar in deze vordering niet wordt tegengeworpen wanneer deze erkenning strijdig zou zijn met de desbetreffende bepalingen van richtlijn 2001/24.

59      Uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat de besluiten van 29 december 2015 zowel bij het instellen van de vordering van VR tegen Novo Banco Spanje op 4 februari 2015 als bij het wijzen van het vonnis op 15 oktober 2015 door de Juzgado de Primera Instancia de Vitoria, die deze vordering heeft toegewezen, nog niet waren vastgesteld.

60      Bijgevolg blijkt dat VR haar vordering terecht heeft gericht tegen Novo Banco Spanje, die toen de partij was die in rechte kon worden aangesproken wegens aansprakelijkheid in verband met de sluiting van de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen met VR. Zij had destijds immers geen vordering kunnen instellen tegen BES Spanje, aangezien deze aansprakelijkheid bij het besluit van augustus 2014 van BES op Novo Banco was overgegaan, zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld.

61      Het klopt dat richtlijn 2001/24 zich er niet tegen verzet dat de lidstaat van herkomst de op de saneringsmaatregelen van toepassing zijnde wettelijke regeling wijzigt, zelfs al doet hij dat met terugwerkende kracht (zie in die zin arrest van 24 oktober 2013, LBI, C‑85/12, EU:C:2013:697, punt 38).

62      In casu dient echter te worden benadrukt dat, zoals blijkt uit de punten 26 en 29 van het onderhavige arrest, de besluiten van 29 december 2015, die het besluit van augustus 2014, en inzonderheid de toerekening van de aansprakelijkheid in verband met de sluiting van de overeenkomst inzake de verkoop van aandelen met VR, met terugwerkende kracht hebben gewijzigd, zijn genomen in de context van een aanhangige gerechtelijke procedure die werd ingesteld om deze aansprakelijkheid te doen vaststellen. Deze besluiten strekken er immers juist toe het vonnis van de Juzgado de Primera Instancia de Vitoria van 15 oktober 2015 uit te hollen door de uitlegging die deze rechter aan het besluit van augustus 2014 heeft gegeven, ter discussie te stellen. Zoals blijkt uit punt 19 van dit arrest verwijzen deze besluiten uitdrukkelijk naar de door VR ingestelde vordering om, in strijd met dit vonnis, vast te stellen dat de aansprakelijkheid die uit deze vordering kon voortvloeien niet van BES aan Novo Banco was overgedragen.

63      Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest zou worden beperkt indien zou worden aanvaard dat de rechter bij wie de zaak aanhangig is, ertoe kan worden gebracht die vordering af te wijzen ten gevolge van saneringsmaatregelen die door de bevoegde instantie van de lidstaat van herkomst worden vastgesteld nadat die vordering is ingesteld en dat vonnis is gewezen, en die tot gevolg hebben dat de juridische context die relevant is voor de beslechting van het geschil dat tot deze vordering heeft geleid, of zelfs rechtstreeks de juridische situatie waarop dit geschil betrekking heeft, met terugwerkende kracht wordt gewijzigd, ook al zijn deze maatregelen op zich niet strijdig met richtlijn 2001/24, zoals in punt 61 van dit arrest in herinnering is gebracht.

64      Aan die conclusie kan bovendien niet worden afgedaan door het feit dat in het hoofdgeding nog geen einduitspraak was gedaan op het moment waarop de besluiten van 29 december 2015 zijn genomen, en evenmin door het feit dat – zoals de Portugese regering in haar antwoorden op de schriftelijke vragen van het Hof en ter terechtzitting heeft benadrukt –VR het recht had deze besluiten voor de Portugese rechterlijke instanties te betwisten binnen een termijn van drie maanden vanaf de bekendmaking ervan op de website van Banco de Portugal.

65      Wat dit laatste betreft, zij opgemerkt dat de mogelijkheid om een beroep tot nietigverklaring van de besluiten van 29 december 2015 in te stellen bij de Portugese rechterlijke instanties, in deze context niet relevant is, aangezien de vraag in casu betrekking heeft op de doeltreffendheid van de vordering die VR reeds tegen Novo Banco Spanje heeft ingesteld bij de bevoegde Spaanse rechterlijke instanties.

66      Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, en artikel 32 van richtlijn 2001/24, gelezen tegen de achtergrond van het rechtszekerheidsbeginsel en van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat in een gerechtelijke procedure ten gronde die aanhangig is in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van een kredietinstelling, en die betrekking heeft op een passief waarover deze het beheer en de beschikking had verloren ten gevolge van een in de lidstaat van herkomst vastgestelde saneringsmaatregel, de gevolgen van een tweede saneringsmaatregel die ertoe strekt om dit passief, met terugwerkende kracht, vanaf een tijdstip vóór de inleiding van deze procedure, terug over te dragen aan deze kredietinstelling, zonder verdere voorwaarden worden erkend, wanneer deze erkenning ertoe leidt dat de kredietinstelling waaraan het passief door de eerste maatregel was overgedragen, met terugwerkende kracht niet langer in deze aanhangige procedure in rechte kan worden aangesproken, zodat wordt afgedaan aan rechterlijke beslissingen die reeds in het voordeel van de verzoekende partij in deze procedure zijn gewezen.

 Kosten

67      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 2, en artikel 32 van richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen, gelezen tegen de achtergrond van het rechtszekerheidsbeginsel en van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat in een gerechtelijke procedure ten gronde die aanhangig is in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van een kredietinstelling, en die betrekking heeft op een passief waarover deze het beheer en de beschikking had verloren ten gevolge van een in de lidstaat van herkomst vastgestelde saneringsmaatregel, de gevolgen van een tweede saneringsmaatregel die ertoe strekt om dit passief, met terugwerkende kracht, vanaf een tijdstip vóór de inleiding van deze procedure, terug over te dragen aan deze kredietinstelling, zonder verdere voorwaarden worden erkend, wanneer deze erkenning ertoe leidt dat de kredietinstelling waaraan het passief door de eerste maatregel was overgedragen, met terugwerkende kracht niet langer in deze aanhangige procedure in rechte kan worden aangesproken, zodat wordt afgedaan aan rechterlijke beslissingen die reeds in het voordeel van de verzoekende partij in deze procedure zijn gewezen.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.