Language of document : ECLI:EU:C:2004:817

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL

M. POIARES MADURO

van 16 december 2004 (1)

Zaak C‑160/03

Koninkrijk Spanje

tegen

Eurojust

„Eurojust – Oproepen voor indienen van sollicitaties – Ontvankelijkheid van beroep tegen orgaan van Europese Unie – Artikel 35 EU – Eisen ten aanzien van beroepsbekwaamheid – Regeling taalgebruik van instellingen van Unie”





1.     Deze zaak is in tweeërlei opzicht van belang. Enerzijds biedt het door het Koninkrijk Spanje ingestelde beroep tegen oproepen voor het indienen van sollicitaties voor de aanwerving van tijdelijke functionarissen bij Eurojust het Hof opnieuw de gelegenheid om stil te staan bij de betekenis en de strekking van de regeling van het taalgebruik van de instellingen en de organen van de Europese Unie. Het Hof heeft zich reeds uitgesproken over de regeling van het taalgebruik die op de inschrijvingsprocedures van een agentschap van de Europese Gemeenschap, het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)(2), van toepassing is. Thans dient het Hof zich te buigen over de regeling van het taalgebruik die van toepassing is op sollicitatieprocedures en op de interne werkzaamheden van een orgaan van de Unie, namelijk Eurojust. Dit is echter anderzijds pas mogelijk indien het Hof de ontvankelijkheid uitspreekt van een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld door een lidstaat tegen een maatregel die in het kader van de bepalingen van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie door een orgaan van de Unie is vastgesteld. Bijgevolg wordt het Hof in deze zaak verzocht een standpunt in te nemen ten aanzien van zowel de in het kader van het Verdrag betreffende de Europese Unie geboden beroepsmogelijkheden als de binnen de instellingen en organen van de Unie gestelde eisen met betrekking tot het taalgebruik.

I –     De zaak en haar context

2.     Alvorens het voorwerp en de middelen van dit beroep uiteen te zetten, acht ik het nodig een nadere toelichting te geven op de auteur en de inhoud van de bestreden oproepen voor het indienen van sollicitaties (hierna: „bestreden handelingen”).

A –     De auteur van de bestreden handelingen

3.     Eurojust is een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.(3) Overeenkomstig artikel 29 EU komt de oprichting van Eurojust tegemoet aan de noodzaak om de burgers van de Unie een hoog niveau van zekerheid te verschaffen door middel van een nauwere justitiële samenwerking tussen de lidstaten.

4.     Eurojust is opgericht als orgaan van de Unie met rechtspersoonlijkheid bij besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002(4) (hierna: „Eurojustbesluit”). Dit orgaan heeft tot taak om op het gebied van de zware criminaliteit de coördinatie inzake onderzoek en strafvervolging tussen de lidstaten te stimuleren en te verbeteren, de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten te verbeteren en aan deze autoriteiten bijstand te verlenen.

5.     Hiertoe heeft Eurojust een unieke structuur gekregen. Enerzijds bestaat dit orgaan volgens artikel 2 van het Eurojustbesluit uit door de afzonderlijke lidstaten gedetacheerde nationale leden. De nationale leden vormen samen het college. Dit college is verantwoordelijk voor de organisatie en de werking van Eurojust. Het benoemt de administratief directeur die verantwoordelijk is voor het dagelijks beheer.(5) Anderzijds beschikt Eurojust over een eigen administratieve structuur. Ingevolge artikel 25 van het reglement van orde van Eurojust(6) wordt het personeel van dit orgaan aangeworven door de administratief directeur na de evaluatie en goedkeuring van de formatieplaatsen door het college. In het onderhavige beroep staan de voorwaarden voor de aanwerving van personeel door het orgaan ter discussie.

B –     De inhoud van de bestreden handelingen

6.     Op 13 februari 2003 werden in het Publicatieblad van de Europese Unie(7) acht oproepen voor het indienen van sollicitaties ten behoeve van een reservelijst voor de aanwerving van tijdelijke functionarissen bij Eurojust gepubliceerd. Deze oproepen hadden in het bijzonder betrekking op de functies van functionaris voor de gegevensbescherming, rekenplichtige, IT‑deskundige (webmaster) voor het Europees justitieel netwerk, juridisch medewerker, bibliothecaris/archivaris, persvoorlichter en secretariaatsmedewerker bij de algemene administratie. Al deze oproepen omvatten een beschrijving van de aard van de functies, de vereisten om in aanmerking te komen voor deze functies en de voorwaarden voor de aanwerving en de selectie van de sollicitanten.

7.     Wat de vereiste kwalificaties betreft, wordt onder andere een bepaalde talenkennis verlangd. Deze vereisten verschillen naar gelang van de formatieplaatsen. Voor de functie van functionaris voor de gegevensbescherming en die van juridisch medewerker is een uitstekende kennis van het Engels en het Frans vereist; voorts wordt vermeld dat het vermogen te werken in andere officiële talen van de Europese Gemeenschappen tot aanbeveling strekt. De kandidaten voor de functie van persvoorlichter moeten het vermogen hebben om ten minste in het Engels en het Frans te communiceren; kennis van andere officiële talen van de Europese Gemeenschappen strekt tot aanbeveling. Voor de functie van secretariaatsmedewerker bij de algemene administratie is een grondige kennis van het Engels en het Frans vereist; bovendien strekt een redelijke kennis van andere officiële talen van de Gemeenschappen tot aanbeveling. Voor de functie van IT‑deskundige is een goede kennis van het Engels absoluut noodzakelijk en strekt het vermogen tot communicatie in ten minste twee andere officiële talen van de Europese Gemeenschappen, waaronder het Frans, tot aanbeveling. Voor de functie van rekenplichtige wordt een grondige kennis van één officiële taal en voldoende kennis van een andere taal van de Europese Gemeenschappen verlangd, waaronder voldoende kennis van het Engels. Enkel de oproep voor de functie van bibliothecaris/archivaris vermeldt geen bijzondere vereisten met betrekking tot de talenkennis.

8.     De voorwaarden voor de indiening van de sollicitaties zijn in alle bestreden handelingen eender geformuleerd. Enerzijds moet het sollicitatieformulier behalve in de taal van de publicatie waarin de kandidaat kennis neemt van de oproep, ook in het Engels worden ingevuld. Anderzijds moeten bepaalde in te dienen documenten, namelijk de sollicitatiebrief en het curriculum vitae, in het Engels zijn gesteld.

C –     Voorwerp en middelen van beroep

9.     Dit beroep heeft een dubbel voorwerp. Het verzoekschrift van het Koninkrijk Spanje strekt tot nietigverklaring van, enerzijds, het onderdeel van alle bestreden handelingen met betrekking tot de in het Engels in te dienen documenten en, anderzijds, de onderdelen van de bestreden handelingen die de taalkundige kwalificaties betreffen. Door het voorwerp van beroep toe te spitsen op de kwesties met betrekking tot de talenkennis wil verzoeker zowel de selectieprocedure als de selectiecriteria betwisten.

10.   Ter onderbouwing van zijn beroep voert het Koninkrijk Spanje drie middelen aan. In de eerste plaats zouden de bestreden handelingen zijn vastgesteld in strijd met de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: „RAP”).(8) Deze handelingen zouden in strijd zijn met artikel 12, lid 2, sub e, RAP, voorzover zij, al naar gelang het geval, méér dan een voldoende kennis van een andere taal dan de moedertaal, kennis van het Frans en, in alle gevallen, een noodzakelijke kennis van het Engels verlangen. In de tweede plaats is volgens verzoeker sprake van schending van de regeling van het taalgebruik van Eurojust(9), aangezien deze regeling Eurojust verplicht om zich te houden aan de communautaire regeling van het taalgebruik, die het gebruik en de eerbiediging van alle officiële talen van de Europese Gemeenschappen voorschrijft.(10) In de laatste plaats voert verzoeker schending van het uit artikel 12 EG voortvloeiende verbod van discriminatie op grond van nationaliteit aan, aangezien de in de bestreden handelingen opgenomen vereisten en voorwaarden kandidaten met Engels of Frans als moedertaal ongerechtvaardigd zouden bevoordelen.

II –  De ontvankelijkheid van het beroep

11.   Eurojust betwist de ontvankelijkheid van het beroep. Welnu, dit is een netelige kwestie. Zij verdient mijns inziens een nauwgezet onderzoek.

12.   Ter onderbouwing van de niet-ontvankelijkheid kunnen twee soorten overwegingen worden aangevoerd. De eerste soort is van algemene strekking en kan worden ontleend aan het feit dat de litigieuze handelingen buiten het kader van het gemeenschapsrecht zijn vastgesteld door een zelfstandig orgaan dat geen deel uitmaakt van het institutionele kader van de Unie, zoals vastgesteld in de artikelen 7 EG en 5 EU. Hieruit volgt dat de bestreden handelingen zich in tweeërlei opzicht onttrekken aan de gemeenschapsrechtelijke wettigheidstoetsing. De tweede soort overwegingen is ontleend aan de bewoordingen van de verdragsbepalingen. Noch artikel 230 EG noch artikel 35 EU staat een beroep tegen dit type handelingen toe. Er staat slechts één rechtsmiddel open en dat is krachtens artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat naar analogie op tijdelijke functionarissen van toepassing is ingevolge artikel 73 RAP, voorbehouden aan afgewezen sollicitanten.

13.   Het valt niet te ontkennen dat deze overwegingen enig gewicht in de schaal werpen. Zij geven het Hof een eenvoudige oplossing in handen, waardoor het zou kunnen volstaan met de vaststelling dat er geen enkele rechtsgrondslag is die het onderzoek van dit beroep toestaat. Deze oplossing heeft evenwel het grote nadeel dat zij geenszins strookt met de beginselen die de rechtspraak van het Hof altijd als leidraad hebben gediend. Zij zou erop neerkomen dat een lidstaat de mogelijkheid wordt onthouden om een handeling te betwisten die in strijd zou kunnen zijn met een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie. Mijns inziens is het van wezenlijk belang dat het Hof zich uitspreekt over vragen die verband houden met de afbakening van het fundamentele juridische kader van de Unie. De onderhavige zaak werpt dergelijke vragen op. Hoewel de aangevoerde argumenten voor niet-ontvankelijkheid stellig de aandacht verdienen, acht ik geen daarvan doorslaggevend. Vóór de ontvankelijkheid kunnen daarentegen uitstekende argumenten worden aangevoerd.

14.   Het moge duidelijk zijn dat de ontvankelijkheid niet, zoals verzoeker betoogt, op artikel 230 EG kan worden gebaseerd. De bestreden handelingen zijn geen communautaire handelingen. Zij zijn gebaseerd op bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie die de rechtgrondslag vormen voor de oprichting, de organisatie en de werking van Eurojust. Bijgevolg moet de ontvankelijkheid van het beroep in het kader van deze bepalingen worden vastgesteld. Één van de bepalingen inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, artikel 35 EU, schrijft voor dat „[h]et Hof van Justitie [...] bevoegd [is] de wettigheid na te gaan van kaderbesluiten en besluiten in elk door een lidstaat of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van dit Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid”.

15.   Deze formulering is duidelijk geïnspireerd op de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het beroep tot nietigverklaring.(11) Het Hof heeft in dit verband verklaard dat de Europese Gemeenschap „een rechtsgemeenschap is in die zin, dat noch haar lidstaten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele Handvest waarop de Gemeenschap is gegrond, namelijk het Verdrag”.(12) Het Hof trekt hieruit de conclusie dat hoewel artikel 230 EG slechts een beperkt aantal aanvechtbare handelingen vermeldt „in het stelsel van het Verdrag [...] echter [...] rechtstreeks beroep open [dient] te staan tegen alle door de instellingen getroffen bepalingen die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen”.(13) In een dergelijke Gemeenschap is immers het beginsel van een doeltreffende rechterlijke controle van de krachtens de bepalingen van het Verdrag handelende autoriteiten, de uitdrukking van een algemeen beginsel dat de naleving van het recht garandeert.(14)

16.   Dit beginsel verdient derhalve ruime erkenning. In de eerste plaats kan het niet worden beperkt tot het in artikel 7 EG bedoelde institutionele kader. Immers, volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn gemeenschapsorganen die door het EG-Verdrag van rechtspersoonlijkheid zijn voorzien, eveneens aan zijn controle onderworpen.(15) Elke andere oplossing zou in strijd zijn met het beginsel dat tegen elk bezwarend besluit van de Gemeenschap, ongeacht van wie het afkomstig is, een doeltreffende rechterlijke controle moet openstaan.(16)

17.   In de tweede plaats staat mijns inziens thans niets eraan in de weg om het communautaire rechtsstelsel en de daaruit voortvloeiende waarborgen ook uit te strekken tot de Europese Unie. In het kader van artikel 220 EG vat het Hof zijn taak in die zin op dat het gehouden is de naleving van het recht te eerbiedigen overeenkomstig de criteria van het gemeenschapsrecht(17). Ingevolge artikel 46 EU gelden de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende de bevoegdheid van het Hof en de uitoefening ervan voor de bepalingen van het EU-Verdrag inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(18). Bijgevolg dient het Hof in dit kader de eerbiediging van de wettigheid overeenkomstig dezelfde criteria te waarborgen. Dit is het logische gevolg van een op het beginsel van de rechtsstaat berustende Unie, zoals deze voortvloeit uit artikel 6 EU(19). In een Rechtsunie is het van wezenlijk belang dat de handelingen van de instellingen en de organen van de Unie onderworpen kunnen worden aan de controle door een rechter van de Unie voorzover zij beogen om rechtsgevolgen ten aanzien van derden teweeg te brengen.(20)

18.   Dit is duidelijk het geval bij de bestreden handelingen.(21)

19.   Anderzijds kunnen de in het EU-Verdrag opgenomen voorwaarden voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring niet worden genegeerd. Weliswaar gelden de in het kader van de Gemeenschap verankerde beginselen van wettigheid en doeltreffende rechterlijke controle ook in een Rechtsunie, maar dit betekent nog niet dat de regelingen en de voorwaarden van de wettigheidscontrole identiek zijn. De Gemeenschap en de Unie hebben immers voor een deel verschillende doelstellingen en zijn onderworpen aan verschillende voorwaarden. Aangezien het beroep op artikel 35 EU is gebaseerd, moeten twee bijzondere voorwaarden in aanmerking worden genomen.

20.   De eerste houdt verband met de aard van de bestreden handelingen. Artikel 35 EU lijkt het beroepsrecht te beperken tot de besluiten en kaderbesluiten die de Raad overeenkomstig artikel 34 EU heeft vastgesteld. Het staat namelijk vast dat in de toepasselijke wetgeving niet uitdrukkelijk is voorzien in een wettigheidscontrole met betrekking tot de handelingen van Eurojust. De reden hiervan is ongetwijfeld dat Eurojust geen wetgevende taak of beslissingsbevoegdheid heeft.(22) Het gaat om een orgaan met een in hoofdzaak operationele functie. Het Eurojustbesluit voorziet aldus enkel in een aansprakelijkheidsregeling(23) en in een stelsel van bijzondere beroepsprocedures in het kader van het recht op toegang tot persoonsgegevens.(24) Dat een dergelijke leemte evenwel geen hindernis voor de ontvankelijkheid van het beroep kan vormen, vloeit ondubbelzinnig voort uit het arrest Les Verts/Parlement, voornoemd. Zoals het Hof in dit arrest een beroep ontvankelijk heeft verklaard tegen een instelling wier wetgevende taak gaandeweg van wezenlijk belang was geworden,(25) dient ook een beroep ontvankelijk te worden verklaard tegen een orgaan voorzover dit een wetgevende taak heeft, ook al is deze van uitzonderlijke aard. Dat de handelingen van Eurojust niet uitdrukkelijk in artikel 35 EU zijn opgenomen, houdt ook verband met het feit dat zij afkomstig zijn van een orgaan dat pas is opgericht na het opstellen van de oorspronkelijke versie van deze bepaling. Uit deze omissie kan evenwel niet worden afgeleid dat deze handelingen onschendbaar zijn.

21.   Het Hof heeft in het kader van het stelsel van het EG-Verdrag reeds verklaard dat een beroep tot nietigverklaring zich kan richten tegen alle handelingen met rechtsgevolgen, ongeacht hun aard en vorm of de vraag van wie zij afkomstig zijn.(26) Een dergelijke rechtspraak is duidelijk ook in het kader van de Unie geboden. Artikel 35 EU moet in die zin worden uitgelegd, dat het bepaalde verzoekers de mogelijkheid biedt om te verzoeken om nietigverklaring van alle in het kader van titel VI vastgestelde maatregelen die rechtsgevolgen voor derden hebben. Mijns inziens vloeit dit dwingend voort uit „het wetmatigheidsconcept zelf”, zoals dit in het stelsel van een Rechtsunie dient te prevaleren.(27)

22.   De tweede voorwaarde heeft betrekking op de hoedanigheid van de verzoeker. Volgens artikel 35 EU hebben enkel de lidstaten en de Commissie het recht om beroep in te stellen. Op het eerste gezicht lijkt deze voorwaarde in het onderhavige geval geen probleem op te leveren. In beginsel hoeven de door artikel 35 EU geprivilegieerde verzoekers niet aan te tonen dat zij procesbelang hebben. Zoals het Hof heeft verklaard in het kader van het EG-Verdrag, hoeft een lidstaat voor de ontvankelijkheid van een beroep niet aan te tonen dat een door hem bestreden handeling voor hem rechtsgevolgen heeft.(28) Gelet op de overeenkomst tussen de in het EG‑ en EU-Verdrag opgenomen bepalingen met betrekking tot het beroep tot nietigverklaring, moet dezelfde rechtspraak in het kader van artikel 35 EU gelden.

23.   Voorts dient nog aandacht te worden besteed aan een bezwaar dat Eurojust in het onderhavige geval naar voren heeft gebracht. Aangezien op basis van de artikelen 90 en 91 van het Ambtenarenstatuut beroep openstaat tegen de bestreden handelingen, zouden alle pogingen tot ontvankelijkverklaring van het onderhavige beroep overbodig zijn. Deze tegenwerping miskent evenwel het belang dat de lidstaten bij dit type beroep hebben. Beroepen op basis van het Ambtenarenstatuut zijn van bijzondere aard, aangezien zij enkel de band tussen de verzoeker en de instelling raken.(29) De verdediging van de belangen die voortvloeien uit deze bijzondere band kan evenwel niet worden beschouwd als de enige mogelijkheid om zich tot het Hof te wenden. Een lidstaat, die geen belang bij deze band heeft, moet ter onderbouwing van een beroep tot nietigverklaring schending van bepalingen van het recht van de Unie kunnen aanvoeren.(30)

24.   In het onderhavige geval pleiten twee redenen voor een dergelijke oplossing. In de eerste plaats kent het stelsel van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de lidstaten een zeer bevoorrechte status toe.(31) Bijgevolg zou het weinig consequent zijn om particulieren een beroepsrecht toe te kennen zonder tevens de lidstaten recht op toegang tot de rechter te verlenen. In de tweede plaats staat in casu een fundamenteel vereiste van het recht van de Unie centraal, dat in eerste instantie door de lidstaten moet worden beschermd. Immers, uit hoofde van de verwijzing in artikel 41 EU naar artikel 290 EG moeten de instellingen van de Unie hun bevoegdheden uitoefenen onder eerbiediging van de verscheidenheid van talen. Zoals blijkt uit de artikelen 6, lid 3, EU en 149 EG, is de eerbiediging van de verscheidenheid van talen een van de wezenlijke kenmerken van de bescherming van de nationale identiteit van de lidstaten.(32) Bijgevolg kan de aan de kandidaten geboden mogelijkheid om hun bijzondere belangen te verdedigen niet in de weg staan aan het fundamentele belang van de verdediging van een regel zoals die van de verscheidenheid van talen binnen de Unie.(33) Het belang van de staten gaat niet op in dat van de particulieren; beide hebben naast elkaar een eigen belang.

25.   Bijgevolg ben ik van mening dat het onderhavige beroep ontvankelijk moet worden verklaard.

III –  Beoordeling van de middelen

26.   Verzoeker beroept zich op rechtsregels waarvan de relevantie voor de beslechting van het geschil door Eurojust wordt bestreden. Alvorens in te gaan op de wettigheid van de bestreden handelingen, acht ik het nodig de voorvraag naar de toepasselijkheid van de aangevoerde bepalingen te behandelen.

A –     Het toepasselijke recht

27.   Verzoeker beroept zich in het onderhavige geval op twee regelingen, te weten de RAP en de regeling van het taalgebruik in de Europese Gemeenschap, alsmede op een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, namelijk het in artikel 12 EG neergelegde discriminatieverbod.

28.   Dat de RAP van toepassing is, staat buiten kijf. Overigens wordt dit ook niet betwist. Artikel 30, lid 1, van het Eurojustbesluit bepaalt dat „[v]oor het personeel van Eurojust [...], met name voor zijn aanwerving en statuut, de verordeningen en regelingen van toepassing op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen [gelden]”. Hieruit volgt onder meer, dat de aanwerving van tijdelijke functionarissen bij Eurojust onderworpen is aan de aanstellingsvoorwaarden van artikel 12 RAP. Dit voorschrift bepaalt dat „[d]e aanstelling van tijdelijke functionarissen [...] erop gericht dient te zijn, de instelling de medewerking te verzekeren van personen die uit een oogpunt van vakbekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten der Gemeenschappen zijn aangeworven met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding”. Verder is hierin bepaald dat „[a]ls tijdelijke functionaris [...] slechts [kan] worden aangesteld hij:

[...] die blijk geeft van een grondige kennis van een van de talen der Gemeenschappen en van een voldoende kennis van een andere taal der Gemeenschappen voorzover dit voor de door hem te verrichten werkzaamheden noodzakelijk is”.

29.   Daarentegen is de toepasselijkheid van de regeling van het taalgebruik in de Gemeenschap omstreden. Eurojust voert hiertegen twee argumenten aan die dezelfde basis hebben: een vermeend verschil in formulering tussen de verschillende taalversies van artikel 31 van het Eurojustbesluit. In de eerste plaats verwijzen alle taalversies van dit besluit, met uitzondering van de Spaanse versie, naar de „officiële regeling van het taalgebruik van de Unie” en niet naar de „regeling van het taalgebruik van de instellingen van de Gemeenschap”, hetgeen tot de conclusie noopt dat verordening nr. 1 niet op dit orgaan van toepassing is. Volgens deze zienswijze is de regeling van het taalgebruik van de Unie een andere dan die van de Gemeenschappen en moet de vaststelling door de instellingen van de Unie van nadere bepalingen op dit punt worden afgewacht. In de tweede plaats acht Eurojust het, ook al zou de regeling van het taalgebruik van de Gemeenschap van toepassing zijn, uitgesloten dat deze voor een deel van zijn werkterrein geldt. Het feit dat artikel 31 van het Eurojustbesluit in alle taalversies behalve de Spaanse preciseert, dat deze regeling geldt voor alle „werkzaamheden” of „procedures” van Eurojust, zou betekenen dat interne mededelingen van Eurojust van de toepassing van de regeling zijn uitgesloten.

30.   Geen van beide argumenten kan de toets der kritiek doorstaan. In de eerste plaats volgt de toepasselijkheid van verordening nr. 1 ondubbelzinnig uit een vaste reeks van tekstuele verwijzingen. De regeling van het taalgebruik van de Unie, die onderdeel is van de derde pijler van de Unie, is immers opgenomen in artikel 41 EU. Deze bepaling verklaart artikel 290 EG uitdrukkelijk van toepassing op de bepalingen van de Unie inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, welk artikel op zijn beurt verwijst naar een verordening van de Raad ter regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Gemeenschap, welke in de vorm van verordening nr. 1 is vastgesteld.(34) Overigens is het opmerkelijk dat de laatste gewijzigde versie van deze verordening uitdrukkelijk verwijst naar de talen van de „instellingen van de Unie”. Bijgevolg is het wel degelijk deze regeling die door artikel 31 van het Eurojustbesluit van toepassing wordt verklaard op Eurojust als orgaan dat in het kader van de bepalingen van het Verdrag betreffende de Unie werkzaam is.

31.   In de tweede plaats is de uitsluiting van deze regeling voor een deel van de werkzaamheden van Eurojust eveneens ongerechtvaardigd. Een dergelijke uitsluiting berust op een onderscheid tussen operationele en zuiver administratieve taken waarvoor geen juridische basis bestaat. Niets wijst er immers op, dat administratieve taken zijn uitgesloten van het begrip „werktalen” in de zin van verordening nr. 1. Integendeel, er is alle reden om aan te nemen dat dit begrip zonder onderscheid de externe en de interne werkzaamheden van de instellingen omvat. In deze zin heeft ook het Hof van Justitie dit begrip gebruikt.(35) De werkingssfeer van de regeling van het taalgebruik omvat alle activiteiten van de instellingen en de organen van de Unie, ongeacht of deze verband houden met de externe of de interne werkzaamheden. Dit betekent evenwel niet dat elk onderscheid tussen externe en interne communicatie moet worden afgewezen. Maar dit onderscheid kan enkel relevant zijn met betrekking tot de wijze van toepassing van de regeling van het taalgebruik.(36)

32.   Ten slotte moet nog worden stilgestaan bij de toepasselijkheid van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. Eurojust betwist dit op grond dat dit uit artikel 12 EG voortvloeiende beginsel niet buiten het kader van de Gemeenschap van toepassing zou zijn. Deze tegenwerping snijdt mijns inziens geen hout. Het staat immers vast dat in artikel 12 EG een algemeen communautair rechtsbeginsel(37) als „specifieke uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel” is verankerd.(38) Deze beginselen hebben de rang van „fundamentele beginselen” van de communautaire rechtsorde.(39) Aldus maken zij deel uit van de fundamentele verworvenheden van de Gemeenschap.(40) Ingevolge artikel 2 EU stelt de Unie zich de „volledige handhaving en verdere ontwikkeling van het acquis communautaire” ten doel. Bovendien is de categorie waartoe deze beginselen behoren, niet geheel onbekend in het kader van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangezien artikel 6 EU bepaalt dat „[d]e Unie [...] de grondrechten [eerbiedigt], [...] als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht”.(41) Hieruit volgt mijns inziens dat het fundamentele beginsel van non‑discriminatie en de specifieke uitdrukking ervan, het beginsel van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit wel degelijk binnen de werkingssfeer van het EU‑Verdrag van toepassing zijn. Bijgevolg moeten deze beginselen tegen de in dit kader optredende instellingen en organen kunnen worden ingeroepen.(42)

33.   Deze op de bescherming van het acquis communautaire gebaseerde slotsom strookt ook met een streven naar samenhang.(43) De totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid berust zowel op de bepalingen van het EU‑Verdrag als op die van het EG-Verdrag. Het is van wezenlijk belang dat voor de activiteiten die de instellingen van de Unie in dit kader ontplooien, ongeacht hun grondslag, dezelfde maatstaven gelden. In die zin bepaalt artikel 3 EU uitdrukkelijk dat „[d]e Unie beschikt over één institutioneel kader dat de samenhang en de continuïteit van het optreden gericht op het verwezenlijken van de doelstellingen van de Unie verzekert, en tegelijk het acquis communautaire in acht neemt en ontwikkelt”.

34.   Ten slotte wil ik aan dit hoofdstuk over het toepasselijke recht nog een laatste opmerking toevoegen. Volgens mij behoort de kwestie van de vereisten betreffende de talenkennis niet alleen tot het terrein van de verordeningen of van specifieke bepalingen van het Verdrag. Deze kwestie dient te worden gekoppeld aan fundamentele rechten, een fundamenteel beginsel en een fundamentele doelstelling van de Europese Unie.(44) Ik herinner er in dit verband aan, dat de eerbieding en de bevordering van de taalkundige verscheidenheid geenszins onverenigbaar zijn met de doelstelling van een gemeenschappelijke markt. In tegendeel, vanuit het perspectief van een op het vrije verkeer van personen gebaseerde Gemeenschap „[is] de bescherming van de rechten en de voorrechten van het individu op taalgebied van bijzonder belang [...]”.(45) Vaststaat dat de mogelijkheid voor een burger van de Unie om zijn eigen taal te gebruiken de uitoefening van de vrijheid om in een andere lidstaat te reizen en in de staat van ontvangst te integreren kan vergemakkelijken.(46) In deze omstandigheden verklaart het Hof dat elke vorm van indirecte discriminatie op grond van talenkennis moet worden vervolgd.(47)

35.   In een als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid ontworpen Unie, waarmee een door pluralisme gekenmerkte samenleving tot stand dient te worden gebracht,(48) is de eerbiediging van de taalkundige verscheidenheid des te meer van fundamenteel belang. Dit volgt uit het feit dat de Unie ingevolge artikel 6, lid 3, EU de nationale identiteit van de lidstaten dient te eerbiedigen. Het beginsel van de eerbiediging van de taalkundige verscheidenheid is bovendien uitdrukkelijk verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(49) en in het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa.(50) Dit beginsel is een specifieke uitdrukking van de verscheidenheid die kenmerkend is voor de Europese Unie.

36.   „Mijn vaderland is de Portugese taal”. Deze beroemde uitspraak van Pessoa(51), herhaald door talrijke schrijvers, zoals bijvoorbeeld Camus(52), brengt goed de samenhang tot uitdrukking die kan bestaan tussen de taal en het gevoel deel uit te maken van een natie. Taal is niet enkel een functioneel middel voor sociale communicatie. Het is een wezenlijk kenmerk van de persoonlijke identiteit en, tegelijkertijd, een fundamenteel element van de nationale identiteit.(53)

37.   Mijns inziens kan de regeling van het taalgebruik van de Unie niet los worden gezien van deze context en dit uitgangspunt. Deze regeling waarborgt immers dat de rechten op het gebied van taalgebruik van de individuen, die rechtstreeks toegang tot de instellingen van de Unie hebben, worden erkend. Zij vloeit voort uit de bijzondere aard van de betrekkingen tussen de Unie en haar burgers. Bijgevolg moet de regeling worden beschouwd als een rechtstreekse uitdrukking van de aan de Europese Unie eigen taalkundige verscheidenheid. Uit dien hoofde vormt zij een fundamentele institutionele regeling van de Europese Unie.

38.   Weliswaar kan hieruit geen absoluut beginsel van de gelijkheid van talen in de Unie worden afgeleid. Zoals uit het arrest Kik/BHIM, reeds aangehaald, volgt, kunnen de verwijzingen in het Verdrag naar het gebruik van de talen in de Europese Unie „niet worden beschouwd als de uitdrukking van een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat elke burger kan eisen dat alles wat zijn belangen zou kunnen raken, onder alle omstandigheden in zijn eigen taal wordt gesteld”.(54) Er zijn immers omstandigheden waarin dit recht niet van toepassing kan zijn. Deze omstandigheden kunnen echter slechts beperkt zijn en moeten in alle gevallen gerechtvaardigd zijn. Hoe dan ook hebben de instellingen en de organen van de Unie de plicht om het beginsel van de taalkundige verscheidenheid te eerbiedigen.

B –     Toepassing op het onderhavige geval

39.   In het onderhavige geval moet niet alleen worden nagegaan of de selectie‑ en aanstellingsvoorwaarden voor tijdelijke functionarissen bij een orgaan van de Unie in overeenstemming zijn met het recht van de Unie. Vereisten met betrekking tot de talenkennis zoals die in casu worden betwist, kunnen namelijk hetzij op grond van de regeling van het taalgebruik die voor de interne werkzaamheden van een orgaan gekozen is, hetzij op grond van de aard van de vacatures, worden opgelegd. Ik ben van mening dat tussen deze twee soorten rechtvaardigingen bij de beoordeling zorgvuldig moet worden onderscheiden. Bijgevolg dient vooraf te worden stilgestaan bij de juridische regeling van het gebruik van talen in de instellingen en organen van de Unie.

1.      De regeling van het taalgebruik van de instellingen en organen van de Unie

40.   Uit de voorgaande overwegingen met betrekking tot het toepasselijke recht volgt duidelijk dat het beginsel van de eerbiediging van de taalkundige verscheidenheid binnen de Unie een fundamenteel vereiste voor alle instellingen en organen van de Unie vormt. Niettemin kan dit vereiste niet als absoluut worden beschouwd. In de praktijk dienen beperkingen te worden toegelaten, teneinde de eerbiediging van het beginsel te verenigen met hetgeen uit institutioneel en administratief oogpunt noodzakelijk is. Deze beperkingen moeten evenwel binnen de perken blijven en gerechtvaardigd zijn. In elk geval mogen zij niet de kern aantasten van het beginsel dat de instellingen de eerbiediging en het gebruik van alle officiële talen van de Unie voorschrijft.

41.   Om te beoordelen of eventuele beperkingen gerechtvaardigd zijn, moet rekening worden gehouden met de context waarin deze dienen te gelden. De exacte bepaling van de reikwijdte van een dergelijk beginsel hangt immers af van de betrokken instelling of het betrokken orgaan, de omstandigheden van het concrete geval en de tegengestelde belangen waarmee in een dergelijke situatie rekening moet worden gehouden.

42.   In dit opzicht kunnen mijns inziens drie verschillende situaties worden onderscheiden.

43.   Het is duidelijk dat in het kader van de communicatie tussen de instellingen en de burgers van de Unie het beginsel van de eerbiediging van de taalkundige verscheidenheid de hoogst mogelijke bescherming vereist. In dit geval hangt dit beginsel immers samen met een fundamenteel democratisch uitgangspunt, ten aanzien waarvan het Hof zich beijvert om de eerbieding ervan te verzekeren.(55) Dit uitgangspunt vereist met name dat de rechtssubjecten van de Unie, de lidstaten en de burgers van de Unie gemakkelijk toegang hebben tot de juridische teksten van de Unie en tot de instellingen waarvan deze teksten afkomstig zijn. Enkel een dergelijke toegang kan de burgers van de Unie in staat stellen op doeltreffende wijze en op gelijke voet aan het democratische leven van de Unie deel te nemen.(56) Hieruit volgt dat in het kader van de uitoefening van de aan het burgerschap van de Unie inherente participatieve rechten op deelneming, de eerbiediging van de taalkundige verscheidenheid niet mag uitstuiten op technische moeilijkheden, die een efficiënte instelling kan en moet verhelpen.

44.   Deze rechten strekken zich eveneens uit tot de betrekkingen tussen de burgers en de administratie. In het kader van administratieve procedures is het van wezenlijk belang dat de betrokkenen, lidstaten en burgers, de instelling of het orgaan waarmee zij van doen hebben, kunnen begrijpen. Bijgevolg blijft overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 1 het beginsel van kracht dat de taal waarin wordt gecommuniceerd die van de betrokkene dient te zijn.(57) Vaststaat evenwel dat in dit kader de rechten van de betrokkenen op taalgebied onderworpen zijn aan bepaalde beperkingen in verband met redenen van administratieve aard. Zo is het gebruik van een andere taal dan die van de betrokkenen in bepaalde gevallen toelaatbaar wanneer blijkt dat de betrokkenen in staat zijn gesteld om kennis te nemen van het standpunt van de betrokken instelling.(58) Dienaangaande dient rekening te worden gehouden met het feit dat de bij de procedure betrokken partijen niet enkel als onder de rechtsmacht van een lidstaat vallende personen in de zin van artikel 2 van verordening nr. 1 worden beschouwd, maar als personen met mogelijkheden en interesses die in cognitief en materieel opzicht genoeg in hun mars hebben om in voldoende mate te worden geïnformeerd.(59)

45.   Een verschillende behandeling van de officiële talen door de Raad kan derhalve krachtens artikel 290 EG toelaatbaar zijn. Enerzijds echter moet de keuze van de Raad vanuit het oogpunt van de taalkundige verscheidenheid passend en evenredig zijn.(60) Anderzijds mag deze keuze niet tot ongerechtvaardigde discriminatie tussen de burgers van de Unie leiden.

46.   De regeling van de interne werking van de instellingen en de organen van de Unie moet van deze twee eerste gevallen worden onderscheiden. Weliswaar is de taalkundige verscheidenheid de fundamentele regel in het kader van externe procedures, dat wil zeggen wanneer het erom gaat de taalkundige rechten te eerbiedigen van personen die toegang hebben tot de instellingen en organen van de Unie. Het Verdrag en de rechtspraak gaan ervan uit dat de keuze van de taal waarin wordt gecommuniceerd, moet worden gemaakt door de lidstaat of de persoon die met de instellingen van doen heeft. Daarentegen behoort in het kader van de interne werking van de instellingen en organen van de Unie de keuze van de taal waarin wordt gecommuniceerd, tot de bevoegdheid van de instellingen, die hun functionarissen deze keuze kunnen opleggen. Zo kunnen de instellingen krachtens artikel 6 van verordening nr. 1 „de wijze van toepassing van de onderhavige regeling in hun reglement van orde vaststellen”.

47.   In dit kader moeten twee soorten dwingende en met elkaar strijdige vereisten in acht worden genomen. Aan de ene kant nopen elementaire redenen van doelmatigheid van de administratieve werkzaamheden tot een beperkte keuze van werktalen.(61) Het spreekt voor zich dat een stelsel van integraal taalkundig pluralisme praktisch gezien onbeheersbaar en economisch gezien onbetaalbaar is voor een instelling of orgaan met technische of gespecialiseerde bevoegdheden. Aan de andere kant kan de interne regeling van het taalgebruik evenwel niet geheel worden gescheiden van de regeling van de externe communicatie van de instellingen. De werking en de samenstelling van de organen en de instellingen van de Unie dienen steeds het streven te weerspiegelen om het geografische en taalkundige evenwicht van de Unie te bewaken en het non‑discriminatiebeginsel te eerbiedigen.(62) Dit is ook de ratio van de verplichting die de instellingen is opgelegd om op een zo breed mogelijke basis personeel onder de burgers van de lidstaten aan te werven.

48.   Met betrekking tot de vaststelling van de interne regeling van het taalgebruik moet derhalve een zekere functionele zelfstandigheid aan de instellingen en de organen van de Unie worden toegekend. Een dergelijke zelfstandigheid is noodzakelijk om hun goede werking te verzekeren.(63) Volgens het Hof is zij de uitdrukking van „een beginsel dat inherent is aan elk institutioneel stelsel”.(64) Niettemin dient deze zelfstandigheid strikt te worden afgebakend. Er mag uitsluitend binnen de door het Verdrag erkende kaders gebruik van worden gemaakt.(65) Ik herinner er in dit verband aan, dat het Verdrag de Raad aanwijst als instelling die in de eerste plaats verantwoordelijk is voor de vaststelling van de regeling van het taalgebruik van de instellingen van de Unie.(66) Deze verantwoordelijkheid impliceert een ruime beoordelingsbevoegdheid, mits deze niet het beginsel van de taalkundige verscheidenheid op losse schroeven zet. Daarentegen hebben de instellingen en de organen van de Unie slechts een beperkte beoordelingsbevoegdheid bij de uitvoering van deze regeling. Zij mogen hiervan slechts gebruik maken ter voldoening aan de functionele behoeften van hun interne organisatie.

49.   Bijgevolg kan de keuze van een of meer talen van de Unie op intern niveau slechts worden toegestaan, indien deze is gebaseerd op objectieve overwegingen die verband houden met functionele behoeften van het betrokken orgaan en zij niet tot ongerechtvaardigde discriminatie van burgers van de Unie leidt. Enerzijds moet worden gewaarborgd dat de gekozen regeling strookt met de specifieke behoeften van het betrokken orgaan, rekening houdend met, bijvoorbeeld, zijn geschiedenis, de plaats van de zetel, de behoeften van de interne communicatie of de aard van de hem opgedragen taken. Anderzijds moet worden verzekerd dat door de regeling de gelijke toegang van de burgers van de Unie tot de door de instellingen en organen van de Unie aangeboden functies niet in het gedrang komt. In dit opzicht moet iedereen die beschikt over de noodzakelijke bekwaamheden voor de uitoefening van de openstaande functies onder gelijke voorwaarden tot de aanwervingsprocedures toegang kunnen hebben en hieraan kunnen deelnemen.(67)

50.   Hoe dan ook kan de interne regeling van het taalgebruik niet enkel worden gerechtvaardigd op grond van de „aard der dingen” („la naturaleza de los hechos”), zoals Eurojust voor het Hof heeft gedaan.

2.      De wettigheid van de aanstellingsvoorwaarden

51.   In de bestreden handelingen heeft Eurojust eisen op taalkundig gebied opgenomen die niet stroken met die van artikel 12, lid 2, RAP. Zij verschillen hiervan zowel qua omvang als qua niveau van de gevraagde kennis. Het Koninkrijk Spanje betoogt dat dit onderscheid op zich reeds schending van de RAP oplevert.

52.   Aldus geformuleerd lijkt mij dit betoog ongegrond. De communautaire rechtspraak staat er immers niet aan in de weg dat een instelling of een orgaan van de Unie eisen met betrekking tot de beroepskwalificaties, in het bijzonder ten aanzien van de talenkennis, stelt die strenger zijn dan de minimumeisen van de RAP.(68) Deze bijkomende eisen moeten echter wel gerechtvaardigd zijn.(69) Anders gezegd, zij moeten beantwoorden aan een legitiem doel en met het nagestreefde doel evenredig zijn.

53.   Voor het Hof heeft Eurojust twee soorten rechtvaardigingsgronden aangevoerd.

a)       De rechtvaardigingsgrond met betrekking tot de werktaal

54.   Volgens Eurojust zijn de verlangde bekwaamheden noodzakelijk om de aangeworven kandidaten in staat te stellen binnen de organisatie met elkaar te communiceren. Zij zouden gerechtvaardigd zijn door de noodzaak om de werktalen van Eurojust te beheersen.

55.   Mijns inziens staat het buiten kijf dat de keuze van een interne voertaal noodzakelijk kan zijn om de goede werking van de instellingen en organen van de Unie te waarborgen.(70) Deze keuze lijkt des te meer gerechtvaardigd, nu het betrokken orgaan een gespecialiseerde instelling is die over beperkte middelen beschikt. Voor de verwezenlijking van dit legitieme doel lijkt de eis van de cumulatieve kennis van twee specifieke talen van de Unie voor alle betrokken functies, met uitzondering van die van rekenkundige en die van bibliothecaris/archivaris, echter niet geëigend. Teneinde de goede communicatie binnen het orgaan te waarborgen, lijkt het beheersen van één gemeenschappelijke taal te volstaan. Wanneer alle functionarissen van dit orgaan deze taal beheersen, spreekt het voor zich dat de eis van een tweede werktaal niet om redenen van interne communicatie te rechtvaardigen valt.

56.   Dit sluit evenwel niet uit dat een orgaan voor meerdere werktalen kan kiezen. Deze keuze moet evenwel duidelijk worden geformuleerd en gerechtvaardigd door de specifieke functionele behoeften van dit orgaan, rekening houdend met in het bijzonder de verscheidenheid van het aangeworven personeel. Het gebruik van meerdere talen binnen de diensten van de instelling kan kennis van een van deze werktalen rechtvaardigen. In dat geval lijkt echter de eis van een alternatieve kennis van deze talen te volstaan. Hoe dan ook kan de eis van een cumulatieve kennis van verschillende talen niet worden gerechtvaardigd door de behoeften van interne communicatie; deze eis kan slechts voortkomen uit de wil om bepaalde talen van de Unie een bevoorrechte positie te verschaffen. Ingevolge artikel 290 EG komt de bevoegdheid om de officiële talen van de Unie verschillend te behandelen echter uitsluitend toe aan de Raad, die bij de uitoefening ervan het beginsel van de taalkundige verscheidenheid moet eerbiedigen.

57.   In het onderhavige geval lijkt het vereiste van de cumulatieve kennis van twee specifieke talen van de Unie in de oproepen voor het indienen van sollicitaties voor de functie van functionaris voor de gegevensbescherming, de functie van juridisch medewerker, de functie van secretariaatsmedewerker bij de algemene administratie, de functie van IT‑deskundige en de functie van persvoorlichter duidelijk onevenredig. Dit vereiste kan niet enkel worden gerechtvaardigd door het doel van waarborging van de interne communicatie binnen het orgaan.

58.   De eis van voldoende kennis van het Engels om de functie van rekenplichtige te kunnen vervullen, zou toelaatbaar kunnen zijn, indien de keuze van het Engels als werktaal duidelijk was geformuleerd en naar behoren gerechtvaardigd. De opmerkingen die Eurojust bij het Hof heeft ingediend, ontberen evenwel duidelijkheid. Nu eens lijkt het alsof er voor één interne voertaal is gekozen, zonder dat evenwel duidelijk wordt gemaakt welke dat is(71), dan weer lijkt het erop dat de twee in de oproepen voor het indienen van sollicitaties vereiste talen de interne voertalen van het orgaan zijn.(72) Overigens bevat ook de interne regeling van Eurojust geen verduidelijking dienaangaande. Aangezien Eurojust de keuze van een of meerdere werktalen duidelijk heeft uiteengezet noch gerechtvaardigd, dient ook de hiertoe aangevoerde rechtvaardiging te worden afgewezen.

59.   Rest nog het onderzoek van de andere rechtvaardigingsgrond die Eurojust ter verdediging van de bestreden handelingen heeft aangevoerd.

b)      De rechtvaardiging door de aard van de werkzaamheden

60.   Eurojust betoogt voorts dat de taalkundige eisen verband houden met de werkzaamheden die in het kader van de in het geding zijnde functies dienen te worden verricht.

61.   Ik erken dat de aard van de functie beheersing van een andere taal dan de interne voertaal van het orgaan kan rechtvaardigen. Een maatregel die taalkundige eisen invoert die verder gaan dan die van de RAP, mag evenwel geen afbreuk doen aan een fundamenteel beginsel zoals het discriminatieverbod. Bijgevolg dienen taalkundige eisen die op grond van de aard van de werkzaamheden worden opgelegd, nauw verband te houden met de te vervullen vacatures; zij mogen er niet toe leiden dat het vereiste van de geografische diversiteit van het personeel van de Unie in het gedrang komt.

62.   Bij de eerste van deze voorwaarden gaat het om de vraag, of de gestelde taalkundige eisen noodzakelijk en rechtstreeks verband houden met de te vervullen vacatures. Wanneer dit verband niet wordt aangetoond, leveren deze eisen discriminatie op van de burgers van de Unie die in de zin van artikel 12 RAP voldoende bekwaam zijn om de vacatures te vervullen. Zelfs los van het criterium van de nationaliteit, kan een dergelijke op de taal gebaseerde discriminatie een ongerechtvaardigde hindernis voor de toegang tot arbeid vormen.

63.   Bij de tweede van deze voorwaarden moet worden nagegaan, of de vastgestelde eisen niet te zeer afbreuk doen aan de doelstelling om een geografisch evenwicht binnen de instellingen en organen van de Unie te waarborgen. Stellig verschaft de voorrang die aan bepaalde talen in het kader van de eisen met betrekking tot de beroepskwalificaties wordt gegeven, een voordeel aan de burgers van de Unie die deze taal als moedertaal hebben. Een dergelijk voordeel kan tot indirecte discriminatie van de andere burgers van de Unie leiden. Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit verzet zich er bijgevolg tegen, dat een door de behoeften van de dienst gedicteerd taalvereiste ertoe leidt dat de vacatures aan een of meer nationaliteiten wordt voorbehouden.(73)

64.   In het onderhavige geval is niet komen vast te staan, dat de eisen met betrekking tot de te vervullen vacatures discriminerend zijn op grond van taal of nationaliteit.

65.   Enerzijds lijken de bestreden handelingen geen afschrikkend effect te hebben gehad op burgers van de Unie met een andere moedertaal dan de in voornoemde handelingen vereiste taal. Integendeel, de verstrekte inlichtingen lijken te getuigen van een evenwichtige vertegenwoordiging van de verschillende nationaliteiten in het kader van de aanwervingsprocedure en binnen het betrokken orgaan.

66.   Anderzijds is Eurojust niet erg uitgebreid ingegaan op het mogelijke verband tussen de betrokken werkzaamheden en de daaraan gestelde taalkundige vereisten. Wat dit betreft heeft Eurojust zich ertoe beperkt „impliciete” redenen aan te voeren, die uit de omschrijving van de aangeboden functies voortvloeien. Zij zouden in het bijzonder verband houden met de noodzaak om voortdurend, zowel nationaal als internationaal, contact te onderhouden met personen of externe lichamen, en met de noodzaak snel over geschikte arbeidsmiddelen te beschikken. In deze samenhang herinner ik eraan, dat de organen van de Unie een zekere mate van zelfstandigheid bij de vaststelling van de aard van hun functionele behoeften moet worden toegekend. Hieruit volgt dat alleen de kennelijke ongeschiktheid van de gestelde eisen de wettigheid van de bestreden handelingen kan aantasten. In het onderhavige geval heeft het Koninkrijk Spanje geen enkel concreet element naar voren gebracht dat de relevantie in twijfel kan trekken van de taalkundige eisen die voor de vacatures gelden.

67.   Ook al volstaat de rechtvaardigingsgrond die stoelt op de interne voertaal in casu niet om de gegrondheid van de gestelde eisen aan te tonen, een rechtvaardiging in verband met de aard van de functies kan niet worden verworpen. Aangezien de onwettigheid van de taalkundige eisen in de oproepen voor het indienen van sollicitaties niet is komen vast te staan, ben ik van mening dat de middelen die tegen dit onderdeel van de bestreden handelingen zijn aangevoerd, moeten worden afgewezen.

3.      De wettigheid van de selectiecriteria

68.   De eis dat een deel van de bij de sollicitaties verlangde documenten in het Engels moet worden ingediend, is in strijd met de regel dat particulieren het recht hebben om te kiezen in welke van de officiële talen zij zich tot de instellingen en de organen van de Unie wenden. Deze regel geldt voor Eurojust krachtens artikel 2 van verordening nr. 1, dat in artikel 31 van het Eurojustbesluit van toepassing is verklaard op Eurojust.(74)

69.   Bijgevolg rijst de vraag of deze schending kan worden gerechtvaardigd. De situatie waarin kandidaten zich bevinden die gevolg geven aan een oproep voor het indienen van sollicitaties die uitgaat van een orgaan van de Unie, is niet te vergelijken met die van burgers die zich in het kader van de deelname aan het democratische leven van de Unie tot de instellingen richten. Hun sollicitatie maakt deel uit van een georganiseerde selectieprocedure en houdt rechtstreeks verband met de uitoefening van bepaalde werkzaamheden. Bijgevolg kan de in het geding zijnde eis zijn gerechtvaardigd, indien hij enerzijds rechtstreeks verband houdt met de kwalificaties die noodzakelijk zijn voor het vervullen van de vacatures en anderzijds niet op buitensporige wijze inbreuk maakt op de juridische belangen van de mogelijk betrokken personen.

70.   Dit betekent dat hij hoe dan ook niet kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van redenen die verband houden met de voorwaarden betreffende de organisatie en het beheer van de selectieprocedure. Een persoon kan niet enkel om technische redenen van een selectieprocedure worden uitgesloten. Een dergelijke uitsluiting zou afbreuk doen aan het fundamentele recht van toegang tot arbeid van de betrokken personen. Daarentegen is het zeer wel mogelijk om van een kandidaat voor een functie binnen een orgaan van de Unie te eisen, dat hij in zijn sollicitatieformulier aantoont dat hij over bepaalde, voor het vervullen van de betrokken functie vereiste kwalificaties beschikt.

71.   Dit is zeker het geval bij oproepen voor het indienen van sollicitaties waarbij een uitstekende, grondige of voldoende kennis van de Engelse taal deel uitmaakt van de kwalificaties voor het vervullen van de aangeboden functies. In dit geval kan een verband worden aangetoond tussen het vereiste om het sollicitatieformulier in het Engels op te stellen en de verlangde beroepskwalificaties. Door de publicatie van de oproepen voor het indienen van sollicitaties in alle officiële talen van de Unie zijn bovendien alle belanghebbenden in de gelegenheid om kennis te nemen van deze vereisten. Ten slotte behouden de sollicitanten het recht om hun sollicitatieformulier ook in de taal van de publicatie van de oproep voor het indienen van sollicitaties in te dienen. Bijgevolg is de inbreuk op de taalkundige rechten van de betrokkenen beperkt en hoe dan ook gerechtvaardigd door de werkzaamheden die de betrokken functies meebrengen.

72.   Er rest evenwel één geval waarin deze voorwaarden niet lijken te zijn nageleefd. Volgens de oproep voor het indienen van sollicitaties voor de functie van bibliothecaris/archivaris moeten de sollicitatiedocumenten in het Engels worden ingediend. De oproep bevat evenwel geen uitdrukkelijke specificatie met betrekking tot de taalkundige kwalificaties. Bijgevolg is niet aangetoond dat de vacature en de vereiste indiening van de sollicitatiedocumenten in het Engels verband met elkaar houden. Ongetwijfeld kan uit een ander in de oproep vermeld selectiecriterium, volgens hetwelk „grondige kennis van de bronnen van de belangrijkste juridische documentatie voor [...] het gewoonterecht (common law)” is vereist, worden afgeleid dat kennis van het Engels noodzakelijk is. Maar niets wijst erop dat het voor het vervullen van de betrokken vacature noodzakelijk is om Engels te spreken en te schrijven.

73.   Bij gebreke van duidelijke informatie over de talenkennis die voor de betrokken functie is vereist, is het onmogelijk om na te gaan of de in het geding zijnde eis gerechtvaardigd is. Bijgevolg ben ik van mening dat het vereiste om de sollicitatieformulieren in het Engels te stellen, zoals opgenomen in de oproep voor het indienen van sollicitaties voor de functie van bibliothecaris/archivaris criterium, onwettig is.

IV –  Gevolgen van de voorgestelde oplossing

74.   Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Hof om gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden handelingen. Gelet op het voorgaande dient hieraan gedeeltelijk gevolg te worden gegeven.

75.   Het Hof heeft er in zijn rechtspraak met betrekking tot vergelijkende onderzoeken voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen(75) evenwel steeds blijk van gegeven, niet alleen oog te hebben voor het belang van de wettigheid en de belangen van de ten onrechte afgewezen kandidaten, maar ook voor de belangen van de reeds geselecteerde kandidaten die geen verwijt kan worden gemaakt. Om die reden heeft het Hof geoordeeld dat de onregelmatigheid van een vergelijkend onderzoek niet automatisch tot de nietigverklaring van de gehele uitslag ervan leidt.

76.   Een dergelijke oplossing lijkt mij in het onderhavige geval geboden. Mocht het Hof deze conclusie overnemen, dan dient te worden vastgesteld dat de gedeeltelijke nietigverklaring van de oproep voor het indienen van sollicitaties voor de functie bibliothecaris/archivaris de benoeming die reeds op grond van de gepubliceerde oproep heeft plaatsgevonden, onverlet laat.

V –     Conclusie

77.   In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:

1)     de oproep van Eurojust voor het indienen van sollicitaties voor de functie van bibliothecaris/archivaris nietig te verklaren voorzover hierin wordt geëist dat de sollicitatiedocumenten in het Engels worden gesteld en ingediend;

2)     het beroep voor het overige te verwerpen.


1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.


2 – Arrest van 9 september 2003, Kik/BHIM (C‑361/01 P, Jurispr. blz. I‑8283).


3 – Volgens artikel 2 EU stelt de Unie zich onder andere tot doel de „handhaving en ontwikkeling van de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit.”


4 – Besluit betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken (PB L 63, blz. 1).


5 – Artikel 28 van het Eurojustbesluit.


6– PB 2002, C 286, blz. 1.


7 – PB 2003, C 34 A. blz. 1-19.


8 – Deze regeling dient ter aanvulling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Economische Gemeenschappen en regelt de aanstellings‑ en arbeidsvoorwaarden van tijdelijke functionarissen, hulpfunctionarissen, plaatselijke functionarissen en bijzondere adviseurs die bij de Gemeenschappen werkzaam zijn.


9 – Artikel 31, lid 1, van het Eurojustbesluit luidt: „De officiële regeling van het taalgebruik van de Unie is van toepassing op de werkzaamheden van Eurojust.”


10 – Artikel 1 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385), zoals dit ten tijde van het instellen van het onderhavige beroep gold, bepaalt: „De officiële talen en de werktalen van de Instellingen van de Unie zijn het Deens, het Duits, het Engels, het Fins, het Frans, het Grieks, het Italiaans, het Nederlands, het Portugees, het Spaans en het Zweeds.”


11 – Zie in die zin Gautier, M., L’influence du modèle communautaire sur la coopération en matière de justice et d’affaires intérieures, Bruylant, Brussel, 2003, blz. 564.


12 – Arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, Jurispr. blz. 1339, punt 23).


13 – Punt 24 van het arrest Les Verts/Parlement, aangehaald in voetnoot 12.


14 – Zie in het bijzonder arrest van het Gerecht van 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie (T‑111/96, Jurispr. blz. II‑2937, punt 60), en arrest van 15 mei 1986, Johnston (222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18).


15 – Zie in het bijzonder arresten van 10 juli 2003, Commissie/EIB (C‑15/00, Jurispr. blz. I ‑7281, punt 75), en 2 december 1992, SGEEM en Etroy/EIB (C‑370/89, Jurispr. blz. I‑6211, punten 15 en 16). Voorts is het interessant op te merken dat de Commissie in een mededeling met betrekking tot het kader voor Europese regelgevende agentschappen betoogt, dat Europese agentschappen de beginselen van het institutionele stelsel, waarvan zij deel uitmaken, en in het bijzonder het algemene beginsel van wettigheid moeten eerbiedigen (COM 2002/718 def).


16 – Zie in het bijzonder beschikking van het Gerecht van 8 juni 1998, Keeling/BHIM (T‑148/97, Jurispr. blz. II‑2217, punt 33).


17 – Zie laatstelijk arrest van 29 april 2004, Commissie/CAS Succhi di Frutta (C‑496/99 P, Jurispr. blz. I‑3801, punt 63).


18 – Arrest van 12 mei 1998, Commissie/Raad (C‑170/96, Jurispr. blz. I‑2763, punt 15).


19 – Zie Rideau, J., „L’incertaine montée vers l’Union de droit”, De la Communauté de droit à l’Union de droit. Continuités et avatars européens, LGDJ, Parijs, 2000, blz. 1.


20 – Ik wijs in dit verband op de bewoordingen van het op 29 oktober 2004 te Rome door de vertegenwoordigers van de lidstaten ondertekende Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa waarvan artikel III‑365 bepaalt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie „ook de wettigheid na[gaat] van de handelingen van de organen of instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd” (IGC 87/2/04).


21 – Dit wordt niet betwist in de zaken waarin de communautaire rechter zich heeft moeten buigen over de wettigheid van vergelijkbare handelingen in het kader van het EG-Verdrag: zie in het bijzonder arrest van het Gerecht van 11 juli 1996, Bernardi/Parlement (T‑146/95, Jurispr. blz. II‑769); beschikking van het Gerecht van 30 maart 2000, Méndez Pinedo/ECB (T‑33/99, JurAmbt. blz. I‑A‑63 en II‑273), en arrest van het Hof van 12 juli 1989, Belardinelli e.a./Hof van Justitie (225/87, Jurispr. blz. 2353, punten 13 en 14).


22 – Deze beperkte regeling met betrekking tot geschillen geldt ook voor andere agentschappen van de Unie: zie dienaangaande het onderzoek van Molinier, J., „Le régime contentieux des Agences de l’Union européenne”, Les Agences de l’Union européenne. Recherche sur les organismes communautaires décentralisés, Presses de l’Université des sciences sociales, Toulouse, 2002, blz. 113.


23 – Artikel 24 van het Eurojustbesluit.


24 – Artikel 19 van het Eurojustbesluit. Dienaangaande preciseert de considerans van het Eurojustbesluit dat de bevoegdheden van het gemeenschappelijke controleorgaan, dat belast is met de controle van de activiteiten van Eurojust, „de bevoegdheden van de nationale rechtbanken en de beroepen die bij hen kunnen worden ingesteld onverlet [laten]”.


25 – In dit arrest, aangehaald in voetnoot 12, verklaart het Hof namelijk dat „het Europees Parlement [...] niet uitdrukkelijk [wordt] genoemd bij de instellingen wier handelingen vatbaar zijn voor beroep, omdat het EEG-Verdrag in zijn oorspronkelijke versie het enkel raadgevende en controlerende bevoegdheden verleende en niet de bevoegdheid om handelingen met rechtsgevolgen jegens derden vast te stellen” (punt 24).


26 – Arresten van 31 maart 1971, Commissie/Raad (22/70, Jurispr. blz. 263); 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9), en Les Verts/Parlement, aangehaald in voetnoot 12, punt 24.


27 – Zie, naar analogie, de conclusie van advocaat-generaal Mancini in de zaak Les Verts/Parlement, aangehaald in voetnoot 12, punt 7.


28 – Zie in die zin beschikking van 27 november 2001, Portugal/Commissie (C‑208/99, Jurispr. blz. I‑9183, punt 23).


29 – Zie met betrekking tot de bijzondere aard van deze band en de daaraan verbonden rechtsmiddelen onder meer arrest van 22 oktober 1975, Meyer-Burckhardt/Commissie (9/75, Jurispr. blz. 1171).


30 – Zie in die zin arrest van 20 maart 1985, Italië/Commissie (41/83, Jurispr. blz. 873, punt 30).


31 – Deze status blijkt uit de bijzondere rol die aan de lidstaten is toegekend bij het initiatief voor de in het kader van titel VI van het EU-Verdrag vast te stellen maatregelen (artikel 34, lid 2, EU) en uit de hen verleende bevoegdheid zich tot het Hof te wenden om de wettigheid te laten onderzoeken van handelingen die rechtsgevolgen voor derden kunnen hebben (artikel 35, lid 6, EU).


32 – Artikel 6 EU bepaalt: „De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten.” Artikel 149 EG, ingevoerd bij het Verdrag van Maastricht, herinnert aan de eerbiediging door de Gemeenschap van de culturele en taalkundige verscheidenheid van de lidstaten.


33 – Zie in die zin arrest van 22 mei 1990, Parlement/Raad (C‑70/88, Jurispr. blz. I‑2041, punt 26).


34 – Ingevolge artikel 28 EU geldt hetzelfde ten aanzien van de bepalingen betreffende een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van titel V van het EU-Verdrag.


35 – Zie bijvoorbeeld arrest van 3 december 1981, Bakke-d’Aloya/Raad (280/80, Jurispr. blz. 2887, punt 13).


36 – Zie punt 46 van de onderhavige conclusie.


37 – Arrest van 3 oktober 2000, Ferlini (C‑411/98, Jurispr. blz. I‑8081, punt 39).


38 – Arrest van 19 maart 2002, Commissie/Italië (C‑224/00, Jurispr. blz. I‑2965, punt 14).


39 – Zie laatstelijk, met betrekking tot het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit als „fundamenteel verbod” van de Gemeenschap, arrest van 16 september 2004, Commissie/Oostenrijk (C‑465/01, Jurispr. blz. I‑8291, punt 25). Zie met betrekking tot het beginsel van gelijke behandeling als „fundamenteel beginsel” van het gemeenschapsrecht, arrest van 15 januari 2002, Gottardo (C‑55/00, Jurispr. blz. I‑413, punt 34).


40 – Zij vormen „fundamentele bepalingen van de communautaire rechtsorde” die het Hof dient te beschermen (zie in die zin advies 1/91 van 14 december 1991, Jurispr. blz. I‑6079, punt 41). Zie ook Pescatore, P., „Aspects judiciaires de l’acquis communautaire”, Revue trimestrielle de droit européen, 1981, blz. 617.


41 – Opmerking verdient dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de regel van non-discriminatie in artikel 21 ervan wil verankeren als een fundamenteel recht dat aan de instellingen van de Unie kan worden tegengeworpen (PB 2000, C 364, blz. 1).


42 – Zie in die zin de rechtspraak inzake het recht van toegang van het publiek tot documenten van de instellingen van de Unie: arrest Gerecht van 19 oktober 1995, Carvel/Raad (T‑194/94, Jurispr. blz. II‑2765), en arrest Hof van 6 december 2001, Raad/Hautala (C‑353/99 P, Jurispr. blz. I‑9565).


43 – Zie in die zin Timmermans, C., „The Constitutionnalization of the European Union”, Yearbook of European Law, 2002, vol. 21, blz. 1.


44 – Zie in die zin Nic Shuibhne, N., „Commentaire de l’arrêt Kik/OHMI (C‑361/01 P)”, Common Market Law Review, 2004, blz. 1093.


45 – Arresten van 11 juli 1985, Mutsch (137/84, Jurispr. blz. 2681, punt 11), en 24 november 1998, Bickel en Franz (C‑274/96, Jurispr. blz. I‑7637, punt 13).


46 – Arresten Mutsch, punt 16, en Bickel en Franz, punt 16 (aangehaald in voetnoot 45).


47 – Arrest van 28 november 1989, Groener (C‑379/87, Jurispr. blz. 3967, punten 19 en 23).


48 – Dit is een van de fundamentele waarden van de Unie volgens artikel 2 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, aangehaald in voetnoot 20.


49 – Artikel 22 van het Handvest bepaalt: „De Unie eerbiedigt de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid”.


50 – Artikel 3, lid 3, van dit Verdrag bepaalt: „De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europees cultureel erfgoed.”


51 – „A minha pátria é a língua portuguesa” (B. Soares, pseudoniem van F. Pessoa, Livro do Desassossego, Lissabon, 1931-1932).


52 – Naar verluidt zou Camus hebben gezegd: „Oui, j’ai une patrie, c’est la langue française”.


53 – Aldus kan worden verklaard dat de Gemeenschap een gemeenschappelijke munt heeft uitgegeven, terwijl het ondenkbaar zou zijn dat de Unie een gemeenschappelijke taal aanneemt (in die zin, De Witte, B., „Language Law of the European Union: Protecting or Eroding Linguistic Diversity?”, Culture and the European Union, Oxford University Press, Oxford, 2004).


54 – Punt 82 van het arrest Kik/BHIM, aangehaald in voetnoot 2 (cursivering van mij).


55 – Arrest van 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad (138/79, Jurispr. blz. 3333, punt 33).


56 – Zie in die zin artikel 21, derde alinea, EG, dat bepaalt: „Iedere burger van de Unie kan de in dit artikel of in artikel 7 genoemde instellingen of organen aanschrijven in een van de in artikel 314 genoemde talen en ook in die taal antwoord krijgen.”


57 – Arrest Gerecht van 27 februari 1992, BASF e.a./Commissie (T‑79/89, T‑84/89–T‑86/89, T‑89/89, T‑91/89, T‑92/89, T‑94/89, T‑96/89, T‑98/89, T‑102/89 en T‑104/89, Jurispr. blz. II‑315, punten 54 en 55), en arrest Hof van 10 februari 1998, Duitsland/Commissie (C‑263/95, Jurispr. blz. I‑441, punt 27).


58 – Zie in het bijzonder arresten Gerecht van 14 juli 1994, Parker Pen/Commissie (T‑77/92, Jurispr. blz. II‑549, punten 73‑75), en 7 februari 2001, Bonaiti Brighina/Commissie (T‑118/99, JurAmbt. blz. I‑A-25 en II‑97, punten 16‑19), alsmede arrest Kik/BHIM, aangehaald in voetnoot 2, punten 92‑94.


59 – Arrest Kik/BHIM, aangehaald in voetnoot 2, punten 88 en 89.


60 – Arrest Kik/BHIM, aangehaald in voetnoot 2, punt 94.


61 – Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Kik/BHIM, aangehaald in voetnoot 2, punt 63, alsmede de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaak die leidde tot het arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C‑137/92 P, Jurispr. blz. I‑2555), punt 43.


62 – Zie in die zin arrest van 4 maart 1964, Lassalle/Parlement (15/63, Jurispr. blz. 59), waarin het Hof gewag maakt van het streven naar „een, in de lijn der Gemeenschap liggend [geografisch] evenwicht” binnen het personeel van de Gemeenschappen (Jurispr. blz. 75).


63 – Zie in het bijzonder arrest van 15 september 1981, Lord Bruce of Donington (208/80, Jurispr. blz. 2205, punt 17).


64 – Arrest van 23 september 1986, AKZO Chemie/Commissie (5/85, Jurispr. blz. 2585, punt 37).


65 – Zie in die zin arrest van 28 november 1991, Luxemburg/Parlement (C‑213/88 en C‑39/89, Jurispr. blz. I‑5643, punt 34).


66 – Dienaangaande zij opgemerkt dat het Verdrag van Nice, waarbij het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie is gewijzigd, de Raad opdraagt om voorschriften met betrekking tot het taalgebruik bij het Hof en het Gerecht in het kader van het Statuut van het Hof en niet meer in het kader van de reglementen voor de procesvoering vast te stellen (artikel 64 van het Statuut). Hieruit volgt dat deze voorschriften de rang van primair recht krijgen en dat elke wijziging met eenparigheid van stemmen overeenkomstig de procedure van artikel 245 EG door de Raad moet worden goedgekeurd. Deze wijziging bevestigt het belang dat het Verdrag toekent aan de voorschriften met betrekking tot de regeling van het taalgebruik en de bijzondere verantwoordelijkheid die op dit punt op de Raad rust.


67 – Dit vloeit eveneens voort uit artikel 15, juncto artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat enerzijds het recht van elke burger op toegang tot arbeid in de Unie en het recht om deel te nemen aan de in de Unie georganiseerde aanwervingsprocedures beschermt en anderzijds het recht om niet te worden gediscrimineerd op grond van onder andere taal.


68 – Zie arrest Hof van 13 juli 1989, Cendoya/Commissie (108/88, Jurispr. blz. 2711, punt 24), en arrest Gerecht van 18 september 2003, Pappas/Comité van de Regio’s (T‑73/01, Jurispr. blz. 1A‑207, II‑1011, punt 85).


69 – Zie in die zin arrest Lassalle/Parlement, aangehaald in voetnoot 62, Jurispr. blz. 75.


70 – Zie punt 47 van de onderhavige conclusie.


71 – Punten 49 en 65 van het verweerschrift.


72 – Punten 13 en 28 van de memorie van dupliek. Dit volgt eveneens impliciet uit de opmerkingen van Eurojust ter terechtzitting.


73 – Arrest Lassalle/Parlement, aangehaald in voetnoot 62.


74 – Zie punt 30 van onderhavige conclusie.


75 – Zie in het bijzonder arresten van 14 juli 1983, Detti/Hof van Justitie (144/82, Jurispr. blz. 2421, punt 33), en 6 juli 1993, Commissie/Albani e.a. (C‑242/90 P, Jurispr. blz. I‑3839, punten 13 en 14).