Language of document : ECLI:EU:T:2015:436

Zaak T‑186/12

Copernicus-Trademarks Ltd

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

„Gemeenschapsmerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk LUCEA LED – Ouder gemeenschapswoordmerk LUCEO – Niet ouder – Beroep op voorrang – Voorrangsdatum ingeschreven in het register – Documenten inzake voorrang – Ambtshalve onderzoek – Rechten van de verdediging”

Samenvatting – Arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 25 juni 2015

1.      Gemeenschapsmerk – Procedurevoorschriften – Ambtshalve onderzoek van de feiten – Oppositieprocedure – Onderzoek beperkt tot aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten – Grenzen – Onderzoek of het merk ouder is – Ambtshalve onderzoek

(Verordening nr. 207/2009 van de Raad, art. 76, lid 1)

2.      Gemeenschapsmerk – Indiening van de aanvraag voor een gemeenschapsmerk – Recht op voorrang – Merkaanvraag met beroep op voorrang – Onderzoek van de formele en materiële vereisten door het Bureau – Voorrangsdatum ingeschreven in het register – Invloed

(Verordening nr. 207/2009 van de Raad, art. 29 en 30; verordening nr. 2868/95 van de Commissie, art. 1, regel 6)

3.      Gemeenschapsmerk – Indiening van de aanvraag voor een gemeenschapsmerk – Recht op voorrang – Merkaanvraag met beroep op voorrang – Onderzoek van de formele en materiële vereisten door het Bureau – Vereiste documenten inzake voorrang – Afschrift van het aanvraagformulier – Daarvan uitgesloten

(Verordening nr. 207/2009 van de Raad, art. 29 en 30; verordening nr. 2868/95 van de Commissie, art. 1, regel 6)

4.      Gemeenschapsmerk – Procedurevoorschriften – Beslissingen van het Bureau – Eerbiediging van de rechten van de verdediging – Draagwijdte van het beginsel

(Verordening nr. 207/2009 van de Raad, art. 75, tweede volzin)

1.      Artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 inzake het gemeenschapsmerk, volgens hetwelk in procedures inzake relatieve weigeringsgronden het onderzoek van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) beperkt blijft tot de door de partijen aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten en tot de door hen ingestelde vordering, staat niet eraan in de weg dat het Bureau ambtshalve onderzoekt of het merk waarop de oppositie is gebaseerd, ouder is.

(cf. punten 36, 39, 40)

2.      De inschrijving van een voorrangsdatum in het register door de onderzoeker staat niet eraan in de weg dat het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) in het kader van een oppositieprocedure onderzoekt of is voldaan aan de voorwaarden voor het beroep op voorrang.

De rechtspraak, volgens welke de aanvrager van een merk die de geldigheid van het gemeenschapsmerk waarop een oppositie is gebaseerd wil betwisten, dit dient te doen in het kader van een nietigheidsprocedure, kan niet worden toegepast op het beroep op voorrang voor een dergelijk merk. Om te beginnen kan de inschrijving van een voorrangsdatum voor een gemeenschapsmerk in het register immers niet, of minstens niet met succes, worden betwist in het kader van een nietigheidsprocedure. Voorts bestaat er geen andere specifieke procedure die een derde in staat stelt om de in het register ingeschreven voorrangsdatum voor een gemeenschapsmerk te betwisten en die kan worden vergeleken met de nietigheidsprocedure, waarvan een van de bijzondere kenmerken erin bestaat dat deze niet ambtshalve door het Bureau kan worden ingeleid.

(cf. punten 47‑51, 54, 55)

3.      Voor zover de door de artikelen 1 en 2 van besluit EX‑05‑5 van de voorzitter van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) vereiste gegevens niet beschikbaar zijn op de internetsite van een nationaal bureau voor de industriële eigendom van een lidstaat, moeten deze in beginsel worden overgelegd in de vorm van het document als bedoeld in regel 6, lid 1, van verordening nr. 2868/95, dit wil zeggen in de vorm van een afschrift dat door de instantie die de eerdere aanvraag heeft ontvangen, voor eensluidend met de eerdere aanvraag is gewaarmerkt en vergezeld gaat van een verklaring van deze instantie waarin de datum van indiening van de eerdere aanvraag wordt vermeld. Een afschrift van het aanvraagformulier voldoet niet aan die vereisten. Ook al moet het afschrift van het document inzake voorrang niet worden gewaarmerkt door de instantie waarbij de aanvraag werd ingediend, toch moet het steeds gaan om een document aan de hand waarvan de onderzoeker kan nagaan of en wanneer de merkaanvraag door het betrokken nationale bureau werd ontvangen.

Behoudens de situatie waarin de vereiste gegevens beschikbaar zijn op de internetsite van het nationale bureau waarbij de aanvraag werd ingediend, staat het dus aan de aanvrager die een beroep doet op een recht van voorrang voor een merk, om de vereiste documenten inzake voorrang over te leggen.

(cf. punten 77, 78, 82)

4.      Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punt 91)