Language of document : ECLI:EU:C:2022:619

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

1 augustus 2022 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Artikelen 3, 6 tot en met 8 en 14 – Begrip ‚gewone verblijfplaats’ – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen – Verordening (EG) nr. 4/2009 – Artikelen 3 en 7 – Onderdanen van twee verschillende lidstaten die in een derde staat wonen als arbeidscontractant bij de delegatie van de Europese Unie in die derde staat – Vaststelling van de bevoegdheid – Forum necessitatis”

In zaak C‑501/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona (rechter in tweede aanleg provincie Barcelona, Spanje) bij beslissing van 15 september 2020, ingekomen bij het Hof op 6 oktober 2020, in de procedure

MPA

tegen

LCDNMT,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, J. Passer, F. Biltgen, L. S. Rossi (rapporteur) en N. Wahl, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 september 2021,

gelet op de opmerkingen van:

–        MPA, vertegenwoordigd door A. López Jiménez, abogada,

–        LCDNMT, vertegenwoordigd door C. Martínez Jorba en P. Tamborero Font, abogadas,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door I. Gavrilova, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Balta, H. Marcos Fraile en C. Zadra als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Galindo Martín, M. Kellerbauer, N. Ruiz García, M. Wilderspin en W. Wils als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 februari 2022,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3, 7, 8 en 14 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1, met rectificatie in PB 2020, L 351, blz. 64), van de artikelen 3 en 7 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 8, blz. 19), alsook van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen MPA en LCDNMT – twee arbeidscontractanten van de Europese Unie die zijn aangesteld bij de delegatie van de Unie in Togo – over een echtscheidingsverzoek, waarin tevens werd verzocht om vaststelling van de regeling en wijze van uitoefening van de zorg en de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de minderjarige kinderen van het koppel, toekenning van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen en een regeling voor het gebruik van de gezinswoning in Lomé (Togo).

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

3        Artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, gesloten te Wenen op 18 april 1961 en in werking getreden op 24 april 1964 (United Nations Treaty Series, deel 500, blz. 95; hierna: „Verdrag van Wenen”), bepaalt:

„De diplomatieke ambtenaar geniet immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van de ontvangende staat. Hij geniet eveneens immuniteit ten aanzien van de burger‑ en administratiefrechtelijke rechtsmacht van die staat, met uitzondering van de volgende gevallen:

a)      een zakelijke actie betreffende particulier onroerend goed dat gelegen is op het grondgebied van de ontvangende staat, tenzij hij dit onroerend goed onder zich heeft ten behoeve van de zendstaat voor de werkzaamheden van de zending;

b)      een geding betreffende erfopvolging waarin de diplomatieke ambtenaar als particulier en niet ten behoeve van de zendstaat betrokken is als uitvoerder van een uiterste wilsbeschikking, bewindvoerder, erfgenaam of legataris;

c)      een geding betreffende een door de diplomatieke ambtenaar in de ontvangende staat buiten zijn officiële werkzaamheden om verrichte beroeps‑ of bedrijfsbezigheden.”

 Unierecht

 Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten

4        Artikel 11 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (hierna: „Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten”), dat is opgenomen onder hoofdstuk V („Ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Unie”) bepaalt:

„De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van elk der lidstaten:

a)      vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, behoudens de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Unie, en voorts op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en overige personeelsleden. [...]

[...]”

5        Artikel 17, eerste alinea, van dit protocol, dat deel uitmaakt van hoofdstuk VII („Algemene bepalingen”), luidt:

„De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie uitsluitend in het belang van de Unie verleend.”

 Statuut en RAP

6        Krachtens artikel 1 ter van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) wordt de Europese dienst voor extern optreden (EDEO), tenzij in het Statuut anders is aangegeven, voor de toepassing van dit Statuut gelijkgesteld met de instellingen van de Unie.

7        In artikel 23 van het Statuut is bepaald:

„De voorrechten en immuniteiten welke de ambtenaren genieten zijn uitsluitend in het belang van de Unie toegekend. Behoudens het bepaalde in het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten zijn de betrokkenen niet ontheven van het vervullen van hun particuliere verplichtingen en van het naleven van de geldende wetten en de voorschriften betreffende de openbare orde en veiligheid.

[...]”

8        Artikel 3 bis, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) bepaalt:

„Als ‚arbeidscontractant’ in de zin van deze regeling wordt aangemerkt het personeelslid dat niet is tewerkgesteld in een ambt dat voorkomt in de lijst van het aantal ambten gevoegd bij de afdeling van de begroting die op de instelling betrekking heeft, en dat is aangesteld om hetzij voltijds, hetzij deeltijds,

[...]

d)      een ambt te vervullen bij een vertegenwoordiging of een delegatie van de Europese instellingen;

[...]”

9        Artikel 85, lid 1, eerste alinea, RAP is geformuleerd als volgt:

„De overeenkomst met een in artikel 3 bis bedoelde arbeidscontractant wordt gesloten voor bepaalde tijd, namelijk voor ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar. De overeenkomst mag ten hoogste eenmaal voor bepaalde tijd verlengd worden, voor ten hoogste vijf jaar. De minimumlooptijd van de eerste overeenkomst is zes maanden voor functiegroep I en negen maanden voor de andere functiegroepen. Na de eerste verlenging kan de overeenkomst alleen nog voor onbepaalde tijd worden verlengd.”

 Verordening nr. 2201/2003

10      In de overwegingen 5, 11, 12, 14 en 33 van verordening nr. 2201/2003 staat te lezen:

„(5)      Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.

[...]

(11)      Onderhoudsverplichtingen zijn van de werkingssfeer van onderhavige verordening uitgesloten, omdat zij reeds door verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] worden geregeld. De gerechten die uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd zijn, zullen over het algemeen bevoegd zijn om uitspraak te doen inzake onderhoudsverplichtingen, krachtens artikel 5, [punt] 2, van verordening [nr. 44/2001].

(12)      De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.

[...]

(14)      De toepassing van de onderhavige verordening dient de toepassing van het internationaal publiekrecht inzake diplomatieke immuniteiten onverlet te laten. Indien het uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd gerecht zijn bevoegdheid niet kan uitoefenen wegens het bestaan van diplomatieke immuniteit overeenkomstig het internationale recht, dient de bevoegdheid te worden bepaald in de lidstaat waar de betrokkene geen enkele immuniteit geniet, overeenkomstig de wet van deze lidstaat.

[...]

(33)      Deze verordening erkent de grondrechten en is in overeenstemming met de beginselen, die zijn erkend bij het [Handvest]. In het bijzonder beoogt zij de grondrechten van het kind, zoals die in artikel 24 van het [Handvest] zijn erkend, ten volle te eerbiedigen.”

11      Artikel 1 („Toepassingsgebied”) van verordening nr. 2201/2003 bepaalt:

„1.      Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

a)      echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk;

b)      de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

[...]

3.      Deze verordening is niet van toepassing op:

[...]

e)      onderhoudsverplichtingen;

[...]”

12      Hoofdstuk II („Bevoegdheid”) van verordening nr. 2201/2003 bestaat uit drie afdelingen. Afdeling 1 („Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk”) van dat hoofdstuk omvat de artikelen 3 tot en met 7 van deze verordening.

13      Artikel 3 („Algemene bevoegdheid”) van deze verordening bepaalt in lid 1:

„Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:

a)      op het grondgebied waarvan:

–        de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of

–        zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of

–        de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of

–        in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of

–        zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of

–        zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn ‚domicile’ (woonplaats) heeft;

b)      waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun ‚domicile’ (woonplaats) hebben.”

14      Artikel 6 („Exclusieve aard van de bevoegdheden op grond van de artikelen 3, 4 en 5”) van die verordening luidt:

„De echtgenoot die:

a)      zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft; of

b)      onderdaan van een lidstaat is of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn ‚domicile’ (woonplaats) op het grondgebied van een van die lidstaten heeft,

kan slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 voor de gerechten van een andere lidstaat worden gedaagd.”

15      Artikel 7 („Residuele bevoegdheid”) van verordening nr. 2201/2003 bepaalt in lid 1:

„Indien geen gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 bevoegd is, wordt in elke lidstaat de bevoegdheid beheerst door de wetgeving van die lidstaat.”

16      Afdeling 2 („Ouderlijke verantwoordelijkheid”) van hoofdstuk II van deze verordening bevat de artikelen 8 tot en met 15.

17      Artikel 8 („Algemene bevoegdheid”) van die verordening bepaalt in lid 1:

„Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.”

18      Artikel 12 („Prorogatie van rechtsmacht”) van verordening nr. 2201/2003 bepaalt in de leden 1, 3 en 4:

„1.      De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel 3 ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:

a)      ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt;

en

b)      de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

[...]

3.      De gerechten van een lidstaat zijn ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien:

a)      het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is;

en

b)      hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

4.      Indien het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een derde staat die geen verdragsluitende partij is bij het [Haagse] Verdrag [...] van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, wordt de op het onderhavige artikel gebaseerde bevoegdheid geacht met name in het belang van het kind te zijn indien een procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt te zijn.”

19      In artikel 14 („Residuele bevoegdheid”) van voornoemde verordening is het volgende opgenomen:

„Indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 8 tot en met 13 bevoegd is, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat beheerst door de wetgeving van die lidstaat.”

 Verordening nr. 4/2009

20      In de overwegingen 8, 15 en 16 van verordening nr. 4/2009 staat te lezen:

„(8)      De Gemeenschap en haar lidstaten hebben deelgenomen aan onderhandelingen in het kader van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, die op 23 november 2007 hebben geresulteerd in de aanneming van het [Haagse] Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden [...] en van het Haagse protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen[, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/941/EG van de Raad van 30 november 2009 (PB 2009, L 331, blz. 17)]. In het kader van deze verordening moet derhalve met deze twee instrumenten rekening worden gehouden.

[...]

(15)      Teneinde de behartiging van de belangen van onderhoudsgerechtigden te waarborgen en een goede rechtsbedeling in de Europese Unie te bevorderen, dienen de bevoegdheidsregels die voortvloeien uit verordening [nr. 44/2001] te worden aangepast. Het feit dat de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een derde staat heeft, mag niet langer een reden zijn om de toepassing van communautaire bevoegdheidsregels uit te sluiten, en er dient geen enkele verwijzing naar de bevoegdheidsregels van het nationale recht meer te worden opgenomen. In deze verordening dient dus te worden bepaald in welk gevallen een gerecht van [een] lidstaat een subsidiaire bevoegdheid kan uitoefenen.

(16)      Teneinde meer in het bijzonder een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering, dient in deze verordening ook een forum necessitatis (noodbevoegdheid) te worden opgenomen, waardoor een gerecht van een lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden kennis kan nemen van een geschil dat een nauwe band met een derde staat heeft. Een dergelijk uitzonderlijk geval zou zich kunnen voordoen wanneer een procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt, bijvoorbeeld door een burgeroorlog, of wanneer van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in dat land een procedure aanhangig maakt of voert. De op het forum necessitatis gebaseerde bevoegdheid kan evenwel alleen worden uitgeoefend als het geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat van het gerecht waar de zaak aanhangig is gemaakt, bijvoorbeeld door de nationaliteit van een van de partijen.”

21      Artikel 3 („Algemene bepalingen”) van verordening nr. 4/2009 luidt:

„In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:

a)      het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of

b)      het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, of

c)      het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de staat van personen, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust, of

d)      het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.”

22      Artikel 6 („Subsidiaire bevoegdheid”) van deze verordening bepaalt:

„Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 bevoegd is, en indien geen enkel gerecht van een staat die partij is bij het Verdrag van Lugano, maar die geen lidstaat is, op grond van de bepalingen van genoemd verdrag bevoegd is, zijn de gerechten van de lidstaat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen bevoegd.”

23      Artikel 7 („Forum necessitatis”) van die verordening luidt:

„Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4, 5 en 6 bevoegd is, kunnen de gerechten van een lidstaat in uitzonderingsgevallen kennisnemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt.

Het geschil moet voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.”


 Spaans recht

24      Artikel 22 quater van Ley Orgánica 6/1985 del Poder Judicial (organieke wet 6/1985 inzake de rechterlijke macht) van 1 juli 1985 (BOE nr. 157 van 2 juli 1985, blz. 20632), zoals gewijzigd bij Ley Orgánica 7/2015 (organieke wet 7/2015) van 21 juli 2015 (BOE nr. 174 van 22 juli 2015, blz. 61593), bepaalt onder c) en d):

„Bij gebreke van de bovengenoemde criteria zijn de Spaanse gerechten bevoegd:

[...]

c)      op het gebied van persoonlijke en vermogensrechtelijke betrekkingen tussen echtgenoten, nietigverklaring van het huwelijk, scheiding van tafel en bed en echtscheiding en bijbehorende wijzigingen, op voorwaarde dat geen enkel ander buitenlands gerecht bevoegd is, wanneer beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Spanje hebben op het tijdstip waarop het verzoek wordt ingediend of wanneer zij hun laatste gewone verblijfplaats in Spanje hadden en een van hen daar [nog] woont, of wanneer Spanje de gewone verblijfplaats is van de verweerder, of, in het geval van een gemeenschappelijk verzoek, wanneer een van de echtgenoten in Spanje woont, [...], of wanneer de verzoeker de Spaanse nationaliteit heeft en vóór de indiening van het verzoek ten minste zes maanden zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft, alsook wanneer beide echtgenoten de Spaanse nationaliteit hebben.

d)      op het gebied van verwantschap en ouder-kindrelaties, bescherming van minderjarigen en ouderlijke verantwoordelijkheid, wanneer het kind of de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft op het tijdstip waarop het verzoek wordt ingediend of de verzoeker de Spaanse nationaliteit heeft of zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft, of, in ieder geval, sinds ten minste zes maanden vóór indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft.”

25      Artikel 22 octies van deze wet, zoals gewijzigd, luidt:

„1.      De Spaanse gerechten zijn niet bevoegd in de gevallen waarin de in de Spaanse wetgeving vastgestelde bevoegdheidsgronden niet voorzien in die bevoegdheid.

[...]

3.      [...] De Spaanse gerechten mogen zich echter niet verschonen, noch zich onbevoegd verklaren wanneer het geschil een band heeft met Spanje en de gerechten van de verschillende staten die betrokken zijn bij het geschil zich onbevoegd hebben verklaard. [...]”

26      Artikel 40 van de Código Civil (burgerlijk wetboek) bepaalt dat de woonplaats van diplomaten die op grond van hun ambt in een andere staat dan Spanje verblijven en het recht op diplomatieke immuniteit genieten, hun laatste woonplaats op het Spaanse grondgebied is.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

27      MPA, de moeder van de kinderen in het hoofdgeding, en LCDNMT, hun vader, zijn op 25 augustus 2010 in het huwelijk getreden in de Spaanse ambassade in Guinee-Bissau. Zij hebben twee kinderen, geboren in Spanje op 10 oktober 2007 en 30 juli 2012. De moeder heeft de Spaanse nationaliteit en de vader heeft de Portugese nationaliteit. Hun kinderen hebben zowel de Spaanse als de Portugese nationaliteit.

28      De echtgenoten hebben van augustus 2010 tot februari 2015 in Guinee-Bissau gewoond en zijn vervolgens verhuisd naar Togo. De scheiding van tafel en bed vond plaats in juli 2018. Sindsdien wonen de moeder en de kinderen in de echtelijke woning te Togo en heeft de vader zijn intrek genomen in een hotel in die staat.

29      Beide echtgenoten werken voor de Europese Commissie en zijn aangesteld bij de delegatie van de Europese Unie in Togo. Hun beroepsgroep is die van arbeidscontractanten.

30      Op 6 maart 2019 heeft de moeder bij de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n° 2 de Manresa (rechter in eerste aanleg en instructie nr. 2 Manresa, Spanje) een echtscheidingsverzoek ingediend, waarin zij tevens verzocht om vaststelling van de regeling en wijze van uitoefening van de zorg en de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de minderjarige kinderen van het koppel, toekenning van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen en het genot van de gezinswoning in Togo.

31      De vader voerde aan dat de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n° 2 de Manresa geen internationale bevoegdheid had.

32      Bij beschikking van 9 september 2019 heeft deze rechter vastgesteld dat hij niet internationaal bevoegd was omdat partijen zijns inziens hun gewone verblijfplaats niet in Spanje hadden.

33      De moeder heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij betoogt dat beide echtgenoten in het land van tewerkstelling een diplomatieke status genieten als erkende personeelsleden van de Unie en dat die status door de ontvangende staat wordt toegekend en ook van toepassing is op hun minderjarige kinderen. In dit verband voert zij aan dat zij wordt beschermd door de immuniteit waarin artikel 31 van het Verdrag van Wenen voorziet en dat haar vorderingen niet vallen onder de in dat artikel genoemde uitzonderingen. De moeder stelt dat de bevoegdheid om kennis te nemen van kwesties betreffende echtscheidingen, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsbijdragen volgens de verordeningen nr. 2201/2003 en nr. 4/2009 wordt vastgesteld op basis van de gewone verblijfplaats. Volgens artikel 40 van de Código Civil is haar gewone verblijfplaats niet de plaats waar zij als arbeidscontractant van de Unie is tewerkgesteld, maar haar verblijfplaats voordat zij die status verkreeg, namelijk Spanje.

34      De moeder beroept zich ook op het forum necessitatis zoals erkend door verordening nr. 4/2009 en beschrijft de situatie waarin de Togolese gerechten zich bevinden. Hiertoe heeft zij verslagen van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties overgelegd. Zij wijst erop dat in een van deze verslagen wordt gewezen op het gebrek aan passende opleiding en bijscholing van rechters en het aanhoudende klimaat van straffeloosheid voor inbreuken op mensenrechten. In een ander verslag wordt melding gemaakt van de bezorgdheid van de Verenigde Naties met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de toegang tot de rechter en de straffeloosheid voor inbreuken op mensenrechten.

35      De vader voert aan dat geen van beide echtgenoten een diplomatieke functie voor hun respectieve lidstaten, namelijk het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, bekleedt maar dat zij als arbeidscontractanten bij de delegatie van de Unie in Togo werkzaam zijn. In dit verband wijst hij erop dat het laissez-passer waarover zij beschikken geen diplomatiek paspoort is, maar een vrijgeleide of veilig reisdocument, dat alleen geldig is op het grondgebied van derde staten. Bovendien is volgens hem niet het Verdrag van Wenen, maar het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van toepassing. Dit protocol is echter alleen van toepassing op handelingen die door ambtenaren en personeelsleden van de instellingen van de Unie in hun officiële hoedanigheid worden verricht, zodat het in casu de bevoegdheid van de Togolese gerechten niet uitsluit en niet noopt tot toepassing van het forum necessitatis.

36      De verwijzende rechter merkt op dat er geen rechtspraak bestaat over het begrip „gewone verblijfplaats” van echtgenoten om de bevoegdheid voor een echtscheiding vast te stellen, noch over het begrip „gewone verblijfplaats” van minderjarige kinderen in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde geval, zodat hij de gevolgen moet bepalen van een diplomatieke of soortgelijke status zoals die van personen die functies uitoefenen als ambtenaren of andere personeelsleden die voor de Unie werken en die voor de uitoefening van die functies in derde staten zijn gedetacheerd. In het kader van de beoordeling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten die een echtscheiding aanvragen, merkt de verwijzende rechter op dat arbeidscontractanten in hun staat van tewerkstelling de status van diplomatiek personeelslid van de Unie hebben, maar dat zij in de lidstaten uitsluitend als personeelsleden van de Unie worden beschouwd. Voorts wijst hij erop dat hij zich genoodzaakt ziet de duur, de regelmatigheid en de bestendigheid van het verblijf van de echtgenoten in Togo te bepalen en dat niet buiten beschouwing kan worden gelaten dat hun fysieke aanwezigheid in die derde staat voortvloeit uit het feit dat zij functies uitoefenen voor de Unie.

37      In deze omstandigheden heeft de Audiencia Provincial de Barcelona (rechter in tweede aanleg provincie Barcelona, Spanje) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Welke uitlegging moet worden gegeven aan het begrip ‚gewone verblijfplaats’ in artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009 als het gaat om onderdanen van lidstaten die in een derde staat verblijven vanwege de aan hen toebedeelde taken als arbeidscontractant van de [Unie] en die in de derde staat een diplomatieke status als personeelslid van de Unie genieten, wanneer hun verblijf in die staat betrekking heeft op de uitoefening van de taken die zij verrichten voor de Unie?

2)      Indien voor de toepassing van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009 de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten afhankelijk is van hun hoedanigheid van arbeidscontractant van de Unie in een derde staat, welke gevolgen zou dit dan hebben voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van hun minderjarige kinderen overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003?

3)      Indien wordt aangenomen dat de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats niet in de derde staat hebben, kan voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 dan als aanknopingspunt de nationaliteit van de moeder, haar verblijfplaats in Spanje vóór het huwelijk, de Spaanse nationaliteit van de minderjarige kinderen en de omstandigheid dat zij in Spanje zijn geboren, in aanmerking worden genomen?

4)      Indien wordt vastgesteld dat de ouders en de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats niet in een lidstaat hebben, staat de omstandigheid dat verweerder de nationaliteit van een lidstaat heeft, gelet op het feit dat geen enkele andere lidstaat overeenkomstig verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om te oordelen over de vorderingen, in de weg aan de toepassing van de regels inzake residuele bevoegdheid van de artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003?

5)      Indien wordt vastgesteld dat de ouders en de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats niet in een lidstaat hebben, hoe moet, om de onderhoudsbijdrage voor de kinderen te bepalen, het forum necessitatis in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 dan worden uitgelegd en, meer in het bijzonder, aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om te oordelen dat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd of dat een procedure onmogelijk blijkt in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is (in dit geval Togo)? Moet de betrokkene bewijzen dat hij in die staat vruchteloos een procedure aanhangig heeft gemaakt of een poging daartoe heeft ondernomen, en is er louter op grond van de nationaliteit van een van de partijen sprake van een voldoende band met de lidstaat [van de aangezochte rechter]?

6)      Is in een geval als het onderhavige, waarin de echtgenoten nauwe banden hebben met bepaalde lidstaten (nationaliteit, vorige verblijfplaats), de omstandigheid dat op grond van de verordeningen geen enkele lidstaat bevoegd is, in strijd met artikel 47 van het [Handvest]?”

 Procedure bij het Hof

38      De verwijzende rechter heeft verzocht deze zaak te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

39      Op 19 oktober 2020 heeft het Hof op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslist om dit verzoek niet in te willigen, aangezien niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 107, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

40      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats in de zin van die bepalingen, het feit dat de betrokken echtgenoten de hoedanigheid hebben van arbeidscontractanten van de Unie die zijn tewerkgesteld bij een delegatie van de Unie in een derde staat waar zij beweerdelijk de diplomatieke status genieten, een beslissende factor kan vormen.

41      Wat in de eerste plaats de uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 betreft, is het van belang eraan te herinneren dat in dat artikel de algemene criteria voor de bevoegdheid ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk zijn vastgelegd. Deze objectieve, alternatieve en exclusieve criteria komen tegemoet aan de behoefte aan een regeling die is afgestemd op de specifieke situatie van geschillen over de ontbinding van de huwelijksband [zie in die zin arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot – Echtscheiding), C‑289/20, EU:C:2021:955, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

42      Het begrip „gewone verblijfplaats” komt voor in de zes aanknopingspunten voor bevoegdheid in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003. Deze bepaling verleent dus, zonder een hiërarchie tussen de aanknopingspunten aan te brengen, de bevoegdheid om uitspraak te doen over kwesties betreffende de ontbinding van de huwelijksband aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich, naargelang van het geval, de huidige of de vroegere verblijfplaats van de echtgenoten of van een van hen bevindt.

43      In dit verband bevat verordening nr. 2201/2003 geen definitie van het begrip „gewone verblijfplaats”, in het bijzonder van de gewone verblijfplaats van een echtgenoot in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening. Bij gebreke van een dergelijke definitie of een uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten waarmee de betekenis en de strekking van dit begrip kunnen worden bepaald, dient een autonome en uniforme uitlegging te worden gegeven, rekening houdend met de context van de bepalingen waarin dat begrip wordt vermeld en met de doelstellingen van die verordening [zie in die zin arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot – Echtscheiding), C‑289/20, EU:C:2021:955, punten 38 en 39].

44      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat, wat de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 betreft, moet worden vastgesteld dat het begrip „gewone verblijfplaats” in beginsel wordt gekenmerkt door twee aspecten, te weten, ten eerste, de wil van de betrokkene om het gewone centrum van zijn belangen op een bepaalde plaats te vestigen en, ten tweede, de omstandigheid dat de betrokkene met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig is op het grondgebied van de betrokken lidstaat [arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot – Echtscheiding), C‑289/20, EU:C:2021:955, punt 57], met dien verstande dat een echtgenoot op één bepaald moment slechts één gewone verblijfplaats in de zin van deze bepaling kan hebben [zie in die zin arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot – Echtscheiding), C‑289/20, EU:C:2021:955, punt 51].

45      Wat in de tweede plaats de uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 4/2009 betreft, blijkt uit de bewoordingen van dat artikel, met als opschrift „Algemene bepalingen”, dat dit artikel algemene criteria vaststelt voor de toekenning van bevoegdheid aan de gerechten van de lidstaten die uitspraak doen op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Het gaat om alternatieve criteria, zoals blijkt uit het gebruik van het nevenschikkend voegwoord „of” na de beschrijving van elk criterium [arrest van 5 september 2019, R (Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen), C‑468/18, EU:C:2019:666, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

46      Artikel 3 van verordening nr. 4/2009 biedt aldus de mogelijkheid om een verzoek inzake onderhoudsplicht op grond van meerdere bevoegdheidsgronden in te dienen, onder meer bij het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, overeenkomstig punt a) van dat artikel 3, of bij het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, overeenkomstig punt b) van dat artikel [zie in die zin arrest van 17 september 2020, Landkreis Harburg (Subrogatie van een openbaar lichaam in de rechten van de onderhoudsgerechtigde), C‑540/19, EU:C:2020:732, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

47      Aangezien verordening nr. 4/2009 geen definitie geeft van het begrip „gewone verblijfplaats” als bedoeld in artikel 3, onder a) en b), dient te worden gestreefd naar een autonome en eenvormige uitlegging van dit begrip, overeenkomstig de in punt 43 van het onderhavige arrest genoemde beginselen.

48      In dit verband zij eraan herinnerd dat de bevoegdheidsregels van verordening nr. 4/2009 niet alleen tot doel hebben de nabijheid te waarborgen tussen de onderhoudsgerechtigde, die over het algemeen als de zwakste partij wordt beschouwd, en het bevoegde gerecht, maar eveneens tot doel heeft een goede rechtsbedeling te waarborgen, niet alleen vanuit het oogpunt van een optimalisering van de rechterlijke organisatie maar ook in het belang van de partijen – ongeacht of het de verzoeker of de verweerder betreft – om onder meer eenvoudig toegang te hebben tot de rechter en de bevoegdheidsregels te kunnen voorzien [zie in die zin arrest van 4 juni 2020, FX (Verzet tegen de tenuitvoerlegging van een aanspraak op levensonderhoud), C‑41/19, EU:C:2020:425, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

49      Zoals met name volgt uit overweging 8 van verordening nr. 4/2009 en zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, houdt deze verordening nauw verband met het Haagse protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen [arrest van 5 september 2019, R (Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen), C‑468/18, EU:C:2019:666, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Volgens artikel 3 van dit protocol beheerst het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde in beginsel de onderhoudsverplichtingen, waarbij deze verblijfplaats een voldoende mate van bestendigheid moet vertonen, zodat een tijdelijke of incidentele aanwezigheid is uitgesloten [zie in die zin arrest van 12 mei 2022, W. J. (Verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde), C‑644/20, EU:C:2022:371, punt 63].

50      Deze bepaling is een afspiegeling van het stelsel van aanknopingsregels waarop dit protocol is gebaseerd, welk stelsel ertoe strekt de voorzienbaarheid van het toepasselijke recht te waarborgen door ervoor te zorgen dat het aangewezen recht een voldoende nauwe band met de betrokken gezinssituatie vertoont, met dien verstande dat het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde in beginsel de meest nauwe band lijkt te hebben met diens situatie en derhalve het meest geschikt lijkt om de concrete problemen van deze onderhoudsgerechtigde te regelen [arrest van 12 mei 2022, W. J. (Verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde), C‑644/20, EU:C:2022:371, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

51      Het voornaamste voordeel van deze aanknoping bestaat erin dat daarmee het bestaan en de omvang van de onderhoudsverplichting kunnen worden vastgesteld, rekening houdend met de wettelijke en feitelijke omstandigheden van het sociale milieu in de staat waar de onderhoudsgerechtigde woont en het merendeel van zijn activiteiten uitvoert. Voor zover de onderhoudsgerechtigde zijn onderhoudsbijdrage zal gebruiken om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, moet namelijk het concrete probleem worden bezien in relatie tot een bepaalde samenleving, namelijk die waarin de onderhoudsgerechtigde woont en zal wonen [zie in die zin arrest van 12 mei 2022, W. J. (Verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde), C‑644/20, EU:C:2022:371, punt 65].

52      Bijgevolg is het gerechtvaardigd om ervan uit te gaan dat, gelet op deze doelstelling, de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde overeenkomt met de plaats waar zich feitelijk het gewone centrum van zijn leven bevindt, rekening houdend met zijn sociale en gezinsmilieu. Dit geldt des te meer wanneer die onderhoudsgerechtigde een jong kind is [zie in die zin arrest van 12 mei 2022, W. J. (Verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde), C‑644/20, EU:C:2022:371, punt 66].

53      Gelet op deze overwegingen en op het feit dat artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009 en artikel 3 van het Haagse protocol berusten op een gemeenschappelijk aanknopingspunt, te weten de gewone verblijfplaats van de betrokkene, en nauw verband met elkaar houden, is het gerechtvaardigd dat de definitie van dit aanknopingspunt in beide instrumenten door dezelfde beginselen wordt geleid en door dezelfde elementen wordt gekenmerkt. Hoewel de concrete beoordeling van waar degene die om een onderhoudsbijdrage verzoekt, de onderhoudsgerechtigde of, in voorkomend geval, de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft, afhangt van de specifieke omstandigheden van elk geval, die met name naargelang van de leeftijd en de omgeving van de betrokkene kunnen verschillen, is het dus logisch dat het begrip „gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009 wordt gekenmerkt door ten eerste de wil van de betrokkene om het gewone centrum van zijn leven op een bepaalde plaats te vestigen en ten tweede de omstandigheid dat de betrokkene met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig is op het grondgebied van de betrokken lidstaat.

54      In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de echtgenoten in het hoofdgeding in augustus 2010 op de Spaanse ambassade te Guinee-Bissau zijn gehuwd en dat zij van augustus 2010 tot februari 2015 in die staat hebben verbleven, waarna zij zijn verhuisd naar Togo, waar zij – ondanks hun scheiding van tafel en bed sinds juli 2018 – evenals hun twee kinderen, nog steeds wonen.

55      Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt daarentegen geenszins dat de vader van de kinderen in het hoofdgeding, die de Portugese nationaliteit heeft, alleen of samen met de moeder van hun gemeenschappelijke kinderen zijn gewone verblijfplaats had in de lidstaat van die rechterlijke instantie, namelijk het Koninkrijk Spanje. De moeder, die de Spaanse nationaliteit bezit en het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband heeft ingediend bij de gerechten van die lidstaat, stelt dat zij haar eigen gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft behouden, niettegenstaande het feit dat zij ten minste sinds augustus 2010 in derde staten – en meer bepaald sinds februari 2015 in Togo – als arbeidscontractant van de Unie werkzaam is, en sindsdien met haar kinderen in deze derde staat woont.

56      Gelet op deze omstandigheden en op de twee elementen die het begrip „gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 kenmerken – zoals in punt 44 van dit arrest in herinnering is gebracht – blijkt dat de echtgenoten in het hoofdgeding, onder voorbehoud van een nadere verificatie door de verwijzende rechter op basis van alle feitelijke omstandigheden van het concrete geval [zie in die zin arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot – Scheiding), C‑289/20, EU:C:2021:955, punt 52] niet hun gewone verblijfplaats hebben in de lidstaat van het gerecht waarbij het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband aanhangig is gemaakt.

57      Ten eerste zijn de echtgenoten in het hoofdgeding, behalve in voorkomend geval tijdens vakanties of bij de geboorte van kinderen – doorgaans incidentele of tijdelijke onderbrekingen van de normale gang van zaken in hun leven (zie naar analogie arrest van 28 juni 2018, HR, C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 51) – immers ten minste sinds augustus 2010 fysiek en permanent afwezig van het grondgebied van het Koninkrijk Spanje. Vast staat dat de echtgenote in het hoofdgeding na de scheiding van tafel en bed niet is verhuisd naar de lidstaat van het gerecht waarbij het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband aanhangig is gemaakt. In het bijzonder blijkt uit niets in het dossier dat deze echtgenote in de zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan haar verzoek tot ontbinding van de huwelijksband heeft verbleven op het grondgebied van die lidstaat, waarvan zij onderdaan is, zoals is bepaald in artikel 3, lid 1, onder a), zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003.

58      In die omstandigheden kan in casu niet voldaan zijn aan de in punt 44 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarde dat de aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat van de verwijzende rechter voldoende bestendig is. Wat betreft de omstandigheid dat het verblijf in Togo van de echtgenoten in het hoofdgeding als arbeidscontractanten van de Unie die voor onbepaalde tijd bij haar delegatie in die derde staat zijn tewerkgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, lid 1, RAP, die van toepassing zijn op de in artikel 3 bis RAP bedoelde arbeidscontractanten, die niet aan roulatie naar het hoofdkantoor te Brussel zijn onderworpen, een rechtstreekse band heeft met de uitoefening van hun taken, zij erop gewezen dat dit op zich niet belet dat dit verblijf een dergelijke bestendigheid vertoont (zie naar analogie arrest van 28 juni 2018, HR, C‑512/17, EU:C:2018:513, punten 12 en 47) en evenmin het oordeel toelaat dat de fysieke afwezigheid van de betrokkenen van het grondgebied van de lidstaat van het gerecht waarbij het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband aanhangig is gemaakt, in casu louter tijdelijk of incidenteel is.

59      Ten tweede wijst niets in het dossier erop dat de echtgenoten in het hoofdgeding, of althans de echtgenote, zouden hebben besloten om het permanente of gewone centrum van hun belangen in het Koninkrijk Spanje te vestigen ofschoon zij sinds meerdere jaren voortdurend afwezig zijn van het grondgebied van die lidstaat. Zelfs indien een van de echtgenoten het voornemen had geuit om in de toekomst naar Spanje te verhuizen, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat, ondanks hun scheiding van tafel en bed sinds juli 2018, geen van de echtgenoten in het hoofdgeding Togo heeft verlaten, zoals in punt 57 van het onderhavige arrest is opgemerkt. Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, lijkt het overigens twijfelachtig dat de echtgenoten na hun scheiding van tafel en bed daadwerkelijk de bedoeling hadden Togo te verlaten om hun gewone verblijfplaats naar het grondgebied van het Koninkrijk Spanje over te brengen. Ambtenaren en andere personeelsleden die dat wensen stellen zich namelijk vrijwillig kandidaat voor posten bij delegaties van de Unie, zoals die in Togo.

60      Een in wezen vergelijkbare beoordeling lijkt in casu geboden met betrekking tot de gewone verblijfplaats van de verweerder of de onderhoudsgerechtigde in de zin van respectievelijk artikel 3, onder a), en artikel 3, onder b), van verordening nr. 4/2009, aangezien, onder voorbehoud van nadere verificaties door de verwijzende rechter, niets erop wijst dat de betrokkenen hun gewone verblijfplaats naar het grondgebied van het Koninkrijk Spanje hebben overgebracht.

61      Aan deze overwegingen wordt niet afgedaan door het – overigens uitsluitend met betrekking tot de uitlegging van verordening nr. 2201/2003 ontwikkelde – betoog van de Spaanse regering, dat de echtgenoten in het hoofdgeding op grond van hun hoedanigheid van arbeidscontractanten bij de delegatie van de Europese Unie te Togo in deze derde staat de diplomatieke status genieten en dus krachtens artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen in aanmerking komen voor de immuniteit van rechtsmacht in burgerlijke zaken in de ontvangststaat, hetgeen volgens deze regering zou moeten leiden tot erkenning, krachtens artikel 40 van de Código Civil, van de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar deze arbeidscontractanten deze diplomatieke status niet bezitten, in casu het Koninkrijk Spanje.

62      Zelfs indien deze stelling juist is, heeft zij immers geen invloed op de uitlegging van het begrip „gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009, aangezien het aangezochte gerecht op grond van deze bepalingen slechts bevoegdheid kan aanvaarden indien de echtgenoten, gezamenlijk of afzonderlijk, en/of hun kinderen (laatstgenoemden als onderhoudsgerechtigden voor de toepassing van artikel 3, onder b), van verordening nr. 4/2009) een gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat van dat gerecht, welke gewone verblijfplaats voldoet aan de in de punten 44 en 53 van dit arrest genoemde criteria.

63      Het feit dat er geen sprake is van een dergelijke gewone verblijfplaats in de lidstaat van het aangezochte gerecht, volstaat om vast te stellen dat dit gerecht niet bevoegd is op grond van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009, los van de vraag of de echtgenoten in het hoofdgeding en hun kinderen in Togo immuniteit genieten voor de civiele rechter van die derde staat.

64      Een tegenargument kan niet worden ontleend aan de eveneens door de Spaanse regering aangevoerde overweging 14 van verordening nr. 2201/2003, waaruit volgt dat indien het uit hoofde van deze verordening bevoegde gerecht zijn bevoegdheid niet kan uitoefenen wegens het bestaan van diplomatieke immuniteit overeenkomstig het internationale recht, de bevoegdheid dient te worden bepaald in de lidstaat waar de betrokkene geen enkele immuniteit geniet, overeenkomstig de wet van deze lidstaat.

65      Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, ziet deze overweging op de situatie waarin de rechter van een lidstaat weliswaar bevoegd is op grond van verordening nr. 2201/2003, maar deze bevoegdheid niet kan uitoefenen wegens het bestaan van diplomatieke immuniteit. Het staat evenwel vast dat in het hoofdgeding noch de echtgenoten, noch hun kinderen in enige lidstaat diplomatieke immuniteit genieten. In het bijzonder volgt uit artikel 11, onder a), van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten dat de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie op het grondgebied van de lidstaten slechts zijn vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij hebben gedaan „in hun officiële hoedanigheid”, dat wil zeggen in het kader van de aan de Unie opgedragen taak (arrest van 30 november 2021, LR Ģenerālprokuratūra, C‑3/20, EU:C:2021:969, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat, zoals artikel 23 van het Statuut bevestigt, een dergelijke immuniteit van rechtsmacht niet geldt voor rechtsvorderingen betreffende privaatrechtelijke betrekkingen, zoals verzoeken tussen echtgenoten in huwelijkszaken, ouderlijke verantwoordelijkheid of onderhoudsverplichtingen met betrekking tot hun kinderen, die naar hun aard niet zien op de deelname van de persoon die immuniteit geniet aan de uitoefening van de taken van de Unie-instelling waartoe hij behoort (zie in die zin arrest van 11 juli 1968, Sayag en Zurich, 5/68, EU:C:1968:42, blz. 585).

66      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats in de zin van die bepalingen, het feit dat de betrokken echtgenoten de hoedanigheid hebben van arbeidscontractanten van de Unie die zijn tewerkgesteld bij een delegatie van de Unie in een derde staat waar zij beweerdelijk de diplomatieke status genieten, geen beslissende factor kan vormen.

 Tweede vraag

67      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter, ingeval de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten afhangt van hun hoedanigheid van arbeidscontractant van de Unie die is aangesteld bij een delegatie van de Unie in een derde staat, te vernemen welke gevolgen deze situatie heeft voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van hun minderjarige kinderen overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003.

68      Gezien het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

 Derde vraag

69      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een kind als aanknopingspunt rekening moet worden gehouden met de nationaliteit van de moeder en haar verblijfplaats vóór het huwelijk in de lidstaat van het gerecht waarbij een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is gemaakt, of met de omstandigheid dat haar minderjarige kinderen in die lidstaat geboren zijn en de nationaliteit van die lidstaat bezitten.

70      Volgens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 wordt de bevoegdheid van het gerecht van een lidstaat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind bepaald aan de hand van het criterium van de gewone verblijfplaats van dat kind op het tijdstip dat de zaak bij dat gerecht aanhangig wordt gemaakt.

71      In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van een kind een autonoom Unierechtelijk begrip is, zodat het moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen waarin het wordt genoemd en de doelen van verordening nr. 2201/2003, met name het doel dat voortvloeit uit overweging 12, volgens hetwelk de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (arrest van 28 juni 2018, HR, C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72      Volgens de rechtspraak van het Hof moet de gewone verblijfplaats van een kind worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of incidenteel is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt (arrest van 28 juni 2018, HR, C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak), wat overeenkomt met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt (arrest van 28 juni 2018, HR, C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 42).

73      Tot die factoren behoren de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van een lidstaat en de nationaliteit van het kind, waarbij de relevante factoren variëren naargelang van de leeftijd van het kind (arrest van 8 juni 2017, OL, C‑111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, alsmede de familiale en sociale banden die het in de betrokken lidstaat heeft, zijn van belang (zie in die zin arrest van 28 juni 2018, HR, C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 43).

74      Het Hof heeft erkend dat ook met de bedoeling van de ouders om zich met het kind op een bepaalde plaats te vestigen rekening kan worden gehouden, wanneer daaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare maatregelen, zoals de koop of de huur van een woning in de betrokken lidstaat (zie in die zin arrest van 28 juni 2018, HR, C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75      Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 72 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, voor het bepalen van de gewone verblijfplaats van een kind in een bepaalde lidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, ten minste vereist is dat het kind fysiek in die lidstaat aanwezig is geweest en dat de mogelijk in aanmerking te nemen bijkomende factoren moeten aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of incidenteel is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt.

76      Bijgevolg kan in het hoofdgeding voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de minderjarige kinderen overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, geen rekening worden gehouden met de nationaliteit van de moeder van die kinderen en haar verblijf in Spanje vóór het huwelijk en de geboorte van de kinderen, welke banden voor die doeleinden irrelevant zijn.

77      Daarentegen kunnen de Spaanse nationaliteit van de minderjarige kinderen in het hoofdgeding en het feit dat zij in Spanje zijn geboren, relevante factoren vormen, zonder evenwel beslissend te zijn. Het feit dat een kind afkomstig is uit een lidstaat en dat het de cultuur van die lidstaat deelt met een van zijn ouders, is namelijk niet beslissend om de gewone verblijfplaats van dat kind te bepalen (zie in die zin arrest van 28 juni 2018, HR, C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 52). Dit geldt temeer wanneer, zoals in het hoofdgeding, uit niets blijkt dat de betrokken kinderen fysiek, anders dan incidenteel, aanwezig zouden zijn op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht en daar, gelet op hun leeftijd, tot op zekere hoogte zouden zijn geïntegreerd in het bijzonder op school of in een sociale en familiale omgeving.

78      Op de derde vraag moet dus worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een kind de nationaliteit van de moeder en haar verblijfplaats vóór het huwelijk in de lidstaat van het gerecht waarbij een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is gemaakt, geen relevante aanknopingspunten zijn, terwijl de omstandigheid dat haar minderjarige kinderen in die lidstaat geboren zijn en de nationaliteit van die lidstaat bezitten, ontoereikend is.

 Vierde vraag

79      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of – ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 en de artikelen 8 tot en met 13 van deze verordening bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek tot ontbinding van de huwelijksband respectievelijk een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid – de artikelen 7 en 14 van die verordening aldus moeten worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, in de weg staat aan de toepassing van de in de artikelen 7 en 14 vastgelegde bepalingen betreffende residuele bevoegdheid om de bevoegdheid van dit gerecht vast te stellen.

80      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, terwijl artikel 7 („Residuele bevoegdheid”) van verordening nr. 2201/2003 valt onder afdeling 1 („Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk”) van hoofdstuk II van deze verordening, artikel 14 van die verordening, eveneens met het opschrift „Residuele bevoegdheid”, is opgenomen in afdeling 2 („Ouderlijke verantwoordelijkheid”) van dat hoofdstuk. Aangezien de artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003 betrekking hebben op respectievelijk de residuele bevoegdheid ter zake van de ontbinding van de huwelijksband en die ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor kinderen, dienen deze twee bevoegdheidsregelingen achtereenvolgens te worden onderzocht.

81      Wat in de eerste plaats de residuele bevoegdheid inzake ontbinding van de huwelijksband betreft, blijkt uit de bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 dat alleen wanneer geen enkele rechterlijke instantie van een lidstaat op grond van de artikelen 3 tot en met 5 van deze verordening bevoegd is, de bevoegdheid in elke lidstaat wordt geregeld door het nationale recht.

82      Hoewel deze bepaling, zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie heeft opgemerkt, op zichzelf beschouwd echtgenoten die hun gewone verblijfplaats niet in een lidstaat hebben en verschillende nationaliteiten hebben, de mogelijkheid lijkt te bieden om op basis van de nationale bevoegdheidsregels een subsidiair forum te kiezen, moet de werkingssfeer van deze bepaling niettemin worden uitgelegd in het licht van artikel 6 van verordening nr. 2201/2003.

83      Artikel 6 van deze verordening („Exclusieve aard van de bevoegdheden op grond van de artikelen 3, 4 en 5”) bepaalt dat „de echtgenoot die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft of onderdaan van een lidstaat is [...] slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 voor de gerechten van een andere lidstaat [kan] worden gedaagd”.

84      Derhalve kan volgens artikel 6 van verordening nr. 2201/2003 een verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft of die onderdaan van een lidstaat is, gelet op de exclusieve aard van de in de artikelen 3 tot en met 5 van die verordening omschreven bevoegdheden, slechts krachtens deze bepalingen – en dus met uitsluiting van de bevoegdheidsregels van het nationale recht – worden gedaagd voor de rechterlijke instanties van een andere lidstaat (arrest van 29 november 2007, Sundelind Lopez, C‑68/07, EU:C:2007:740, punt 22).

85      Hieruit volgt dat wanneer een gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 niet bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek tot ontbinding van de huwelijksband, artikel 6 van deze verordening dit gerecht belet zich overeenkomstig artikel 7, lid 1, van die verordening bevoegd te verklaren op grond van de in het nationale recht opgenomen residuele bevoegdheidsregels wanneer de verweerder onderdaan is van een andere lidstaat dan die van dat gerecht.

86      In casu heeft de echtgenoot, die de verweerder is in de voor de Spaanse gerechten ingestelde vordering tot ontbinding van de huwelijksband, de Portugese nationaliteit, zodat de echtgenoten in het hoofdgeding, gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte informatie en onder voorbehoud van nadere verificaties door deze rechter, niet hun gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, in het bijzonder de lidstaat van die rechter. Hoewel de verwijzende rechter zich dus niet op grond van de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd kan verklaren om uitspraak te doen over een dergelijke vordering, staat artikel 7, lid 1, van deze verordening hem niet toe zijn bevoegdheid te ontlenen aan de in het nationale recht opgenomen residuele bevoegdheidsregels, aangezien artikel 6, onder b), van die verordening eraan in de weg staat dat verweerder in het hoofdgeding, die onderdaan is van een andere lidstaat dan die van genoemde rechter, voor die rechter wordt gedaagd.

87      Hieraan moet worden toegevoegd dat, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, deze uitlegging niet betekent dat de echtgenoot die om ontbinding van de huwelijksband verzoekt, de mogelijkheid wordt ontnomen om zijn vordering in te stellen bij de gerechten van de lidstaat waarvan de verweerder onderdaan is, wanneer de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 geen ander forum aanwijzen. In een dergelijk geval staat artikel 6, onder b), van deze verordening er immers niet aan in de weg dat de gerechten van de lidstaat waarvan de verweerder onderdaan is, bevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering tot ontbinding van de huwelijksband, krachtens de nationale bevoegdheidsregels van die lidstaat.

88      Wat in de tweede plaats de residuele bevoegdheid ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 8 tot en met 13 van die verordening bevoegd is, de bevoegdheid in elke lidstaat wordt beheerst door de wetgeving van die lidstaat.

89      Het feit dat een voor een gerecht van een lidstaat gebracht geding niet binnen de werkingssfeer van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 kan vallen wanneer het kind geen gewone verblijfplaats heeft in die lidstaat, belet niet noodzakelijkerwijs dat dit gerecht bevoegd is om op grond van een andere bepaling kennis te nemen van dat geding.

90      Indien in casu de in de punten 70 tot en met 78 van dit arrest gegeven uitlegging, volgens welke, in wezen, de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat een noodzakelijke voorwaarde is om vast te stellen dat het daar zijn gewone verblijfplaats heeft, tot gevolg zou hebben dat het niet mogelijk is om van enige lidstaat een gerecht op grond van de bepalingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid van verordening nr. 2201/2003 als bevoegd aan te wijzen, neemt dat niet weg dat elke lidstaat vrij blijft om overeenkomstig artikel 14 van deze verordening de bevoegdheid van zijn eigen gerechten aan te nemen op grond van de regels van het nationale recht die afwijken van het criterium van de nauwe verbondenheid, waarop de bepalingen van die verordening zijn gebaseerd (zie in die zin arrest van 17 oktober 2018, UD, C‑393/18 PPU, EU:C:2018:835, punt 57).

91      Bijgevolg staat artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 er niet aan in de weg dat het aangezochte gerecht voor de vaststelling van zijn eigen bevoegdheid toepassing geeft aan de regels van nationaal recht, waaronder, in voorkomend geval, de regel die is gebaseerd op de nationaliteit van het betrokken kind, zelfs al is de vader van het kind – de verweerder – onderdaan van een andere lidstaat dan die van dat gerecht.

92      Gelet op deze overwegingen is het in een situatie als die in het hoofdgeding niet uitgesloten, zoals de advocaat-generaal in punt 95 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, dat de internationale bevoegdheid ter zake van de ontbinding van de huwelijksband en die ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid toekomen aan gerechten van verschillende lidstaten. Deze vaststelling zou kunnen leiden tot de vraag of het belang van het kind, waarvan de eerbiediging overeenkomstig de overwegingen 12 en 33 van verordening nr. 2201/2003 met name moet worden gewaarborgd door de bevoegdheidsregels inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, door deze versnippering niet in het gedrang kan komen.

93      Zoals in overweging 5 van verordening nr. 2201/2003 is aangegeven, is deze verordening, teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen, van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.

94      Hoewel verordening nr. 2201/2003 – zoals ook de advocaat-generaal in punt 96 van zijn conclusie heeft opgemerkt –, met name artikel 12, lid 3, ervan, de echtgenoten de mogelijkheid biedt om versnippering van fora als bedoeld in punt 92 van het onderhavige arrest te voorkomen door voor de behandeling van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid de bevoegdheid van het ter zake van echtscheiding bevoegde gerecht te aanvaarden wanneer die bevoegdheid in het belang van het kind is, neemt dit niet weg dat een dergelijke versnippering, die zich op grond van het door die verordening ingevoerde regeling steeds kan voordoen, niet noodzakelijk in het belang van het kind is. De betrokken ouder kan namelijk in het belang van het kind een dergelijk verzoek willen indienen bij andere gerechten, waaronder die van de lidstaat waarvan hij onderdaan is. Deze laatste keuze kan met name worden ingegeven door het gemak om zich in zijn moedertaal uit te drukken en de eventueel lagere proceskosten [zie naar analogie arrest van 5 september 2019, R (Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen), C‑468/18, EU:C:2019:666, punten 50 en 51].

95      Hieraan moet worden toegevoegd dat, overeenkomstig artikel 12, lid 4, van verordening nr. 2201/2003, indien het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een derde staat die geen verdragsluitende partij is bij het Haagse Verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, de op lid 3 van dat artikel gebaseerde bevoegdheid wordt geacht met name in het belang van het kind te zijn indien een procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt te zijn.

96      Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord:

–        Ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek tot ontbinding van de huwelijksband, moet artikel 7 van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 6 ervan, aldus worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, belet dat de in artikel 7 van die verordening vastgelegde bepalingen betreffende residuele bevoegdheid worden toegepast om de bevoegdheid van dit gerecht vast te stellen, zonder dat dit evenwel eraan in de weg staat dat de gerechten van de lidstaat waarvan hij onderdaan is, krachtens de nationale bevoegdheidsregels van die lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van een dergelijk verzoek.

–        Ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 8 tot en met 13 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, moet artikel 14 van deze verordening aldus worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, niet belet dat de in artikel 14 van die verordening vastgelegde bepalingen betreffende de residuele bevoegdheid worden toegepast.

 Vijfde vraag

97      Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, voor het geval de gewone verblijfplaats van alle partijen bij het geschil over onderhoudsverplichtingen niet in een lidstaat is gelegen, onder welke voorwaarden de bevoegdheid die in uitzonderingsgevallen is gebaseerd op het in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 bedoelde forum necessitatis, kan worden vastgesteld. De verwijzende rechter vraagt zich met name af, ten eerste, aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om te oordelen dat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd of dat een procedure onmogelijk blijkt in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, en of de partij die zich op artikel 7 van die verordening beroept, moet aantonen dat zij deze procedure vruchteloos voor de gerechten van die derde staat heeft ingesteld of een poging daartoe heeft ondernomen, en, ten tweede, of het voor de vaststelling dat een geschil voldoende verband houdt met de lidstaat van het aangezochte gerecht, mogelijk is om zich op de nationaliteit van een van de partijen te baseren.

98      Volgens artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 4/2009 kunnen, indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 6, 5 en 6 bevoegd is, de gerechten van een lidstaat in uitzonderingsgevallen kennisnemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt. Krachtens de tweede alinea van dat artikel moet het geschil voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.

99      Artikel 7 van verordening nr. 4/2009 stelt aldus vier cumulatieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een gerecht van een lidstaat waarbij een verzoek inzake onderhoudsverplichtingen is ingediend, zich bij wijze van uitzondering bevoegd kan verklaren op grond van de noodbevoegdheid (forum necessitatis). Ten eerste moet dit gerecht vaststellen dat geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van verordening nr. 4/2009. Ten tweede moet het bij hem aanhangige geding nauw verbonden zijn met een derde staat. Ten derde kan de betrokken procedure in die derde staat niet redelijkerwijs aanhangig worden gemaakt of worden gevoerd, of blijkt een procedure daar onmogelijk. Ten vierde en tot slot moet het geschil voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.

100    Ofschoon het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of al deze voorwaarden zijn vervuld opdat hij zich in voorkomend geval kan beroepen op de bevoegdheid die hem bij artikel 7 van verordening nr. 4/2009 is verleend, moeten voor elk van deze voorwaarden en gelet op de door deze rechter verstrekte gegevens, de volgende verduidelijkingen worden gegeven.

101    Wat in de eerste plaats de vraag betreft of is voldaan aan de eerste in punt 99 van dit arrest vermelde voorwaarde, moet worden opgemerkt dat het niet volstaat dat het aangezochte gerecht vaststelt dat het zelf niet bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van verordening nr. 4/2009, maar moet het zich er ook van vergewissen dat, met name wanneer meerdere gerechten zijn aangezocht, geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van die artikelen bevoegd is. De door de verwijzende rechter als uitgangspunt van de vijfde vraag vermelde omstandigheid dat de verweerder of de onderhoudsgerechtigde(n) hun gewone verblijfplaats in een derde staat hebben, dat wil zeggen dat zij niet voldoen aan de criteria van respectievelijk artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009, volstaat dus niet om vast te stellen dat er geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening bevoegd is in de zin van artikel 7 ervan. Bijgevolg staat het eveneens aan de verwijzende rechter om na te gaan of hij en de gerechten van de andere lidstaten op grond van de in artikel 3, onder c) of d), of in de artikelen 4 tot en met 6 van die verordening opgesomde bevoegdheidsgronden onbevoegd zijn om over die vordering uitspraak te doen.

102    Met betrekking tot, ten eerste, artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 verleent deze bepaling de bevoegdheid hetzij aan het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een hoofdvordering betreffende de staat van personen van wie het onderhoudsverzoek een nevenverzoek is, hetzij aan het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, waarvan het onderhoudsverzoek een nevenverzoek is, tenzij deze bevoegdheden uitsluitend op de nationaliteit van een van de partijen berusten.

103    Indien in casu, zoals blijkt uit de punten 86 tot en met 92 van dit arrest, de verwijzende rechter niet bevoegd zou zijn om uitspraak te doen over het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband, maar wel op grond van de in artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 opgenomen residuele bevoegdheidsregel bevoegd zou kunnen zijn om uitspraak te doen over het verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid overeenkomstig de bepalingen van nationaal recht die uitgaan van de nationaliteit van verzoekster in het hoofdgeding, zou de verwijzende rechter moeten bepalen of hij wegens die omstandigheid en gelet op artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009 onbevoegd zou zijn om kennis te nemen van de vordering betreffende de onderhoudsverplichtingen van de kinderen.

104    Met betrekking tot, ten tweede, de bevoegdheidsgronden van de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 4/2009 moet, hoewel niets in het dossier bij het Hof erop wijst dat deze op het hoofdgeding van toepassing zouden zijn, met name worden verduidelijkt dat de forumkeuze waarin artikel 4 van deze verordening voorziet, krachtens lid 3 van dat artikel hoe dan ook uitgesloten is voor geschillen betreffende een onderhoudsverplichting jegens een kind dat jonger is dan 18 jaar, en dat, wat de bevoegdheid op grond van artikel 5 van die verordening betreft, uit dit dossier niet blijkt dat verweerder in het hoofdgeding vrijwillig is verschenen om een andere reden dan om de bevoegdheid van het aangezochte gerecht van een lidstaat te betwisten. Daarentegen is het niet uitgesloten dat de gerechten van de Portugese Republiek zich in voorkomend geval bevoegd kunnen achten op grond van artikel 6 van die verordening, aangezien zowel de vader als zijn kinderen de Portugese nationaliteit bezitten, indien de kinderen partij zijn in de procedure inzake de onderhoudsvordering als onderhoudsgerechtigden, wat evenwel door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

105    Wat in de tweede plaats de in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 gestelde voorwaarde betreft dat het aan het gerecht voorgelegde geschil nauw verbonden is met een derde staat, moet worden opgemerkt dat deze verordening geen enkele aanwijzing bevat over de omstandigheden waarin een dergelijke nauwe band kan worden vastgesteld. Gelet op de bevoegdheidscriteria waarop die verordening is gebaseerd, in het bijzonder die van de gewone verblijfplaats, moet het aangezochte gerecht echter kunnen vaststellen dat er sprake is van een dergelijke nauwe band wanneer uit de omstandigheden van het geval blijkt – hetgeen dit gerecht dient na te gaan – dat alle partijen in het geding hun gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de betrokken derde staat. Los van de criteria waarop de bevoegdheid inzake onderhoudsverplichtingen in die derde staat is gebaseerd, in het bijzonder wanneer het gaat om een staat die geen partij is bij het Haagse Verdrag van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden, is het immers in beginsel redelijk om, rekening houdend met het criterium van de nauwe verbondenheid, ervan uit te gaan dat de gerechten van de staat waarin het minderjarige kind – de onderhoudsgerechtigde – en de onderhoudsplichtige hun gewone verblijfplaats hebben, in de beste positie verkeren om de behoeften van dat kind, gelet op met name de sociale en familiale omgeving waarin het opgroeit en zal opgroeien, te beoordelen.

106    In de derde plaats is het, wil het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, in uitzonderlijke gevallen de uit artikel 7 van verordening nr. 4/2009 voortvloeiende bevoegdheid kunnen uitoefenen, ook van belang dat de betrokken procedure redelijkerwijs niet aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd of onmogelijk blijkt te zijn voor de gerechten van de betrokken derde staat.

107    Hoewel in overweging 16 van deze verordening burgeroorlog wordt genoemd als voorbeeld van een geval waarin de procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt te zijn, en aldus het uitzonderlijke karakter wordt geïllustreerd van de gevallen waarin de bevoegdheid op basis van het forum necessitatis kan worden uitgeoefend, bevat deze verordening geen aanwijzingen over de omstandigheden waarin het aangezochte gerecht van een lidstaat zou kunnen vaststellen dat de procedure inzake onderhoudsverplichtingen redelijkerwijs niet aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd voor de gerechten van de betrokken derde staat. Uit voornoemde overweging 16 blijkt evenwel dat „[t]eneinde meer in het bijzonder een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering”, het forum necessitatis is ingesteld waardoor het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, in uitzonderlijke omstandigheden kennis kan nemen van een geschil dat een nauwe band heeft met een derde staat „wanneer van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in [die derde staat] een procedure aanhangig maakt of voert”.

108    Uit deze verduidelijkingen volgt enerzijds dus dat het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt, om in voorkomend geval zijn bevoegdheid krachtens artikel 7 van verordening nr. 4/2009 te kunnen vaststellen, van degene die om een onderhoudsbijdrage verzoekt niet kan verlangen dat hij aantoont dat hij de vordering in kwestie vruchteloos bij de gerechten van de betrokken derde staat aanhangig heeft gemaakt of een poging daartoe heeft ondernomen. Het volstaat dus dat het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, gelet op alle feitelijke en juridische gegevens van de zaak, zich ervan kan vergewissen dat de hinderpalen in de betrokken derde staat van dien aard zijn dat het onredelijk zou zijn om van de verzoeker te verlangen dat hij de onderhoudsvordering bij de gerechten van die derde staat instelt.

109    Zoals de advocaat-generaal in punt 126 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, zou de verplichting voor een dergelijke verzoeker om te trachten zich tot de gerechten van de betrokken derde staat te wenden, enkel om de noodzaak aan te tonen met het oog op de toepassing van het forum necessitatis, immers in strijd zijn met de doelstelling van verordening nr. 4/2009, die overeenkomstig de in punt 48 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak met name beoogt de onderhoudsgerechtigde te beschermen en een goede rechtsbedeling te bevorderen. Deze vaststelling geldt temeer wanneer de onderhoudsgerechtigde een kind is, waarvan het belang bij de uitlegging en de uitvoering van verordening nr. 4/2009 als leidraad moet dienen en, zoals artikel 24, lid 2, van het Handvest stelt, een essentiële overweging vormt bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, A, C‑184/14, EU:C:2015:479, punt 46).

110    Anderzijds is het – aangezien, zoals in overweging 16 van verordening nr. 4/2009 staat te lezen, de op het forum necessitatis gebaseerde bevoegdheid „meer in het bijzonder” tot doel heeft om een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering – in beginsel gerechtvaardigd dat het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, zich op die bevoegdheid kan beroepen in uitzonderlijke gevallen en onder voorbehoud van een uitvoerige analyse van de in de betrokken derde staat geldende procedurevoorwaarden, wanneer de toegang tot de rechter in die derde staat rechtens of feitelijk wordt belemmerd, meer bepaald door de toepassing van procedurevoorwaarden die discriminerend zijn of indruisen tegen de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces.

111    In de vierde plaats moet het betrokken geding „voldoende nauw verbonden” zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt. In dit verband kan ter beantwoording van de twijfels van de verwijzende rechter worden volstaan met op te merken dat een dergelijke band volgens overweging 16 van verordening nr. 4/2009 met name kan bestaan in de nationaliteit van een van de partijen.

112    Gelet op deze verduidelijkingen en op de door de moeder van de minderjarige kinderen in het hoofdgeding aangevoerde gegevens staat het aan de verwijzende rechter om te bepalen of hij zich op artikel 7 van verordening nr. 4/2009 kan beroepen om kennis te nemen van het door MPA ten gunste van haar kinderen ingediende verzoek om een onderhoudsbijdrage. In dit verband kan de verwijzende rechter zich bevoegd verklaren om een risico van rechtsweigering te verhelpen, maar mag hij zich niet uitsluitend baseren op algemene omstandigheden die verband houden met de tekortkomingen van het gerechtelijk apparaat in de derde staat, zonder de eventuele gevolgen van deze omstandigheden voor de betrokken zaak te analyseren.

113    Gelet op een en ander dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 7 van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat:

–        wanneer de gewone verblijfplaats van alle partijen bij het geschil over onderhoudsverplichtingen niet in een lidstaat is gelegen, de bevoegdheid die in uitzonderingsgevallen is gebaseerd op het in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 bedoelde forum necessitatis kan worden vastgesteld indien geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van die verordening, indien in de derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, of indien een procedure daar onmogelijk blijkt, en indien dit geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt;

–        om er in uitzonderingsgevallen van uit te gaan dat in een derde staat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, moet na uitvoerig onderzoek van de in elk concreet geval aangevoerde gegevens blijken dat de toegang tot de rechter in die derde staat rechtens of feitelijk wordt belemmerd, meer bepaald door de toepassing van procedurevoorwaarden die discriminerend zijn of indruisen tegen de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces, zonder dat van de partij die zich op artikel 7 beroept, wordt verlangd dat zij aantoont dat zij vruchteloos bij de gerechten van dezelfde derde staat een dergelijke procedure aanhangig heeft gemaakt of heeft getracht die aanhangig te maken, en

–        om te oordelen dat een geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat van het gerecht waar de zaak aanhangig is gemaakt, kan worden uitgegaan van de nationaliteit van een van de partijen.

 Zesde vraag

114    Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat zelfs wanneer de betrokken echtgenoten wegens hun nationaliteit en hun vorige verblijfplaats nauwe banden hebben met lidstaten, geen enkele lidstaat bevoegd is op grond van verordeningen nr. 2201/2003 en nr. 4/2009.

115    Zoals met name volgt uit de punten 87 tot en met 92 en 98 tot en met 113 van dit arrest en zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in wezen heeft opgemerkt, blijkt dat krachtens de bepalingen van verordeningen nr. 2201/2003 en nr. 4/2009, met name de artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 7 van verordening nr. 4/2009, die voorzien in mechanismen om een bevoegd gerecht aan te wijzen wanneer geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de andere bepalingen van die verordeningen bevoegd is, de gerechten van ten minste één lidstaat bevoegd moeten zijn om kennis te nemen van vorderingen betreffende, respectievelijk, de ontbinding van de huwelijksband, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichtingen.

116    Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is de zesde vraag derhalve hypothetisch en hoeft zij niet te worden beantwoord.

 Kosten

117    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 3, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, en artikel 3, onder a) en b), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen moeten aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats in de zin van die bepalingen, het feit dat de betrokken echtgenoten de hoedanigheid hebben van arbeidscontractanten van de Europese Unie die zijn tewerkgesteld bij een delegatie van de Unie in een derde staat waar zij beweerdelijk de diplomatieke status genieten, geen beslissende factor kan vormen.

2)      Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een kind de nationaliteit van de moeder en haar verblijfplaats vóór het huwelijk in de lidstaat van het gerecht waarbij een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is gemaakt, geen relevante aanknopingspunten zijn, terwijl de omstandigheid dat haar minderjarige kinderen in die lidstaat geboren zijn en de nationaliteit van die lidstaat bezitten, ontoereikend is.

3)      Ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek tot ontbinding van de huwelijksband, moet artikel 7 van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 6 ervan, aldus worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, belet dat de in artikel 7 van die verordening vastgelegde bepalingen betreffende residuele bevoegdheid worden toegepast om de bevoegdheid van dit gerecht vast te stellen, zonder dat dit evenwel eraan in de weg staat dat de gerechten van de lidstaat waarvan hij onderdaan is, krachtens de nationale bevoegdheidsregels van die lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van een dergelijk verzoek.

Ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 8 tot en met 13 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, moet artikel 14 van deze verordening aldus worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, niet belet dat de in artikel 14 van die verordening vastgelegde bepalingen betreffende de residuele bevoegdheid worden toegepast.

4)      Artikel 7 van verordening nr. 4/2009 moet aldus worden uitgelegd dat

–        wanneer de gewone verblijfplaats van alle partijen bij het geschil over onderhoudsverplichtingen niet in een lidstaat is gelegen, de bevoegdheid die in uitzonderingsgevallen is gebaseerd op het in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 bedoelde forum necessitatis kan worden vastgesteld indien geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van die verordening, indien in de derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, of indien een procedure daar onmogelijk blijkt, en indien dit geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt;

–        om er in uitzonderingsgevallen van uit te gaan dat in een derde staat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, na uitvoerig onderzoek van de in elk concreet geval aangevoerde gegevens moet blijken dat de toegang tot de rechter in die derde staat rechtens of feitelijk wordt belemmerd, meer bepaald door de toepassing van procedurevoorwaarden die discriminerend zijn of indruisen tegen de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces, zonder dat van de partij die zich op artikel 7 beroept, wordt verlangd dat zij aantoont dat zij vruchteloos bij de gerechten van dezelfde derde staat een dergelijke procedure aanhangig heeft gemaakt of heeft getracht die aanhangig te maken, en

–        om te oordelen dat een geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat van het gerecht waar de zaak aanhangig is gemaakt, kan worden uitgegaan van de nationaliteit van een van de partijen.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.