Language of document : ECLI:EU:F:2015:116

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

6 oktober 2015

Zaak F‑119/14

FE

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Aanwerving – Algemeen vergelijkend onderzoek – Plaatsing op de reservelijst – Besluit van het TABG om een geslaagde kandidaat niet aan te werven – Respectieve bevoegdheden van de jury en van het TABG – Voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek – Minimumduur van de beroepservaring – Berekeningswijzen – Kennelijke beoordelingsfout van de jury – Geen kennelijke beoordelingsfout – Verlies van een kans op aanwerving – Vergoeding”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee FE vraagt om nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie van 17 december 2013 houdende weigering van zijn aanwerving door het directoraat-generaal (DG) Justitie op basis van de reservelijst van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/42/05 alsmede om vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij door dat besluit zou hebben geleden.

Beslissing:      Het besluit van 17 december 2013 waarbij de Europese Commissie heeft geweigerd om FE aan te werven wordt nietig verklaard. De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 10 000 EUR aan FE. Het beroep wordt verworpen voor het overige. De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van FE.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Aanwerving – Vergelijkend onderzoek – Jury – Onafhankelijkheid – Grenzen – Vaststelling van onwettige besluiten – Verplichtingen van het tot aanstelling bevoegd gezag

(Ambtenarenstatuut, art. 30 en bijlage III)

2.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Organisatie en verloop van de examens van een vergelijkend onderzoek – Verdeling van de bevoegdheden tussen het tot aanstelling bevoegd gezag en de jury – Bepaling door de aankondiging van het vergelijkend onderzoek

(Ambtenarenstatuut, bijlage III)

3.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Toelatingsvoorwaarden – Bepaling door de aankondiging van het vergelijkend onderzoek – Minimumduur van de beroepservaring – Geen expliciete vermelding in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek van de berekeningswijze van die duur – Beoordeling door de jury – Toetsing van de regelmatigheid door het tot aanstelling bevoegd gezag – Vervanging van de berekeningswijze – Ontoelaatbaarheid

(Ambtenarenstatuut, art. 5, lid 3)

4.      Beroepen van ambtenaren – Beroep tot schadevergoeding – Nietigverklaring van de bestreden handeling waardoor geen adequaat herstel van de materiële schade wordt verzekerd – Verlies van een kans op aanwerving – Criteria

(Art. 340 VWEU; Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 1)

1.      Op het gebied van de aanwerving van het personeel van de Europese instellingen door middel van de organisatie van een algemeen vergelijkend onderzoek beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag, wegens het beginsel van onafhankelijkheid dat de uitoefening van de werkzaamheden van de jury van een vergelijkend onderzoek beheerst, niet over de bevoegdheid tot nietigverklaring of wijziging van een besluit dat de jury heeft genomen in het kader van haar bevoegdheden, zoals die welke met name zijn vastgelegd in artikel 30 van het Statuut en in artikel 5 van bijlage III erbij.

Daar het tot aanstelling bevoegd gezag geen onwettige besluiten mag nemen, kan het echter niet gebonden zijn aan het besluit van een jury waarvan de onwettigheid zijn eigen administratieve besluiten zou kunnen aantasten. Om die reden is het tot aanstelling bevoegd gezag, op straffe van nietigheid van het aanstellingsbesluit, verplicht om vóór de aanstelling van een ambtenaar na te gaan of de betrokken kandidaat voldoet aan de voorwaarden van het Statuut, zodat hij regelmatig in dienst van de Unie kan worden aangeworven.

Wanneer het bijvoorbeeld duidelijk is dat het besluit van de jury om een kandidaat toe te laten tot de examens van het vergelijkend onderzoek onwettig is door een kennelijke fout, moet het tot aanstelling bevoegd gezag, waaraan de jury de reservelijst heeft toegezonden met daarop de naam van die kandidaat die inmiddels is geslaagd voor de examens, dus weigeren om die geslaagde kandidaat aan te stellen.

(cf. punten 39 en 40)

Referentie:

Hof: arresten van 23 oktober 1986, Schwiering/Rekenkamer, 142/85, EU:C:1986:405, punten 19 en 20, en van 20 februari 1992, Parlement/Hanning, C‑345/90 P, EU:C:1992:79, punt 22

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest van 23 oktober 2012, Eklund/Commissie, F‑57/11, EU:F:2012:145, punt 49, en beschikking van 10 juli 2014, Mészáros/Commissie, F‑22/13, EU:F:2014:189, punt 48

2.      De aankondiging van een vergelijkend onderzoek vormt het wettigheidkader van elke selectieprocedure voor de vervulling van een ambt binnen de instellingen van de Unie, aangezien deze, onder voorbehoud van de relevante statutaire bepalingen van hoger rang, daaronder begrepen bijlage III bij het Statuut, ten eerste, de verdeling regelt van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag en de jury bij de organisatie en het verloop van de examens van het vergelijkend onderzoek en, ten tweede, de voorwaarden regelt voor de deelneming van de kandidaten, met name hun profiel, hun rechten en hun specifieke verplichtingen.

De aankondiging van een vergelijkend onderzoek zou dus haar doel worden ontnomen indien het tot aanstelling bevoegd gezag een geslaagde kandidaat van de reservelijst kon schrappen door zich te beroepen op een toelatingsvoorwaarde of -modaliteit die noch in die aankondiging noch in het Statuut voorkomt, of die in elk geval voorafgaande aan de vaststelling van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek niet op toegankelijke wijze bekend is gemaakt of noodzakelijkerwijs bekend is bij de jury en de betrokken kandidaten.

De aankondiging van een vergelijkend onderzoek heeft immers alleen aan de jury de taak toevertrouwd om in de uitoefening van haar werkzaamheden en in het kader van haar ruime beoordelingsbevoegdheid de lijst op te stellen van kandidaten die mogen deelnemen aan de examens van het vergelijkend onderzoek.

(cf. punten 42, 43 en 48)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten van 14 april 2011, Šimonis/Commissie, F‑113/07, EU:F:2011:44, punt 74, en van 15 oktober 2014, Moschonaki/Commissie, F‑55/10 RENV, EU:F:2014:235, punt 42

3.      Wat de berekeningswijze betreft van de minimumduur van de beroepservaring, kan de jury, die niet gehouden is aan enige in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek expliciet opgenomen modaliteit voor de berekeningswijze van de duur van de beroepservaring die voor de toelating daartoe minimaal is vereist, zich op basis van haar ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake redelijkerwijs op het standpunt stellen dat het niet nodig is om zich specifiek te houden aan de berekeningswijze van een bepaalde instelling. Het feit dat de jury van het vergelijkend onderzoek niet de berekeningswijze overneemt die de diensten van de betrokken instelling gebruiken voor de berekening van de minimumduur van een beroepservaring die wordt geacht verband te houden met een voltijdse arbeidservaring, betekent dus niet automatisch dat de jury de voorwaarde van de minimumduur van de beroepservaring die de betrokkene moet aantonen om tot de examens van het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten, onjuist beoordeelt.

Wat de vereiste vroegere beroepservaring betreft, kan het tot aanstelling bevoegd gezag, wanneer een aankondiging van een vergelijkend onderzoek specifiek ten minste twee jaar beroepservaring verlangt om te kunnen worden toegelaten tot de examens, een door de jury geselecteerde geslaagde kandidaat op het moment waarop het hem wil aanwerven niet van de reservelijst schrappen, door zich daartoe te beroepen op de beoordelingswijze en de berekeningswijze van de vereiste beroepservaring die het zelf niet heeft opgenomen in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek of die niet voorkomen in een rechtshandeling die tegen de leden van de jury alsmede tegen elke kandidaat van het vergelijkend onderzoek kan worden aangevoerd.

Kon het dit wel doen, dan zou op onherstelbare wijze afbreuk worden gedaan aan het beginsel van rechtszekerheid, één van de beginselen die elke procedure voor een vergelijkend onderzoek regelen. Daar komt nog bij dat dan ook het beginsel van gelijke behandeling zou worden geschonden.

(cf. punten 57 en 61‑64)

4.      Voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van een instelling moet worden voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden, namelijk de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, het bestaan van daadwerkelijke schade en een causaal verband tussen de gedraging en de gestelde schade.

De omstandigheid dat de verzoekende partij definitief de kans heeft verloren om te worden aangesteld in een ambt van administrateur van de rang AD 7geeft haar, met eerbiediging van de andere wettelijke voorwaarden, recht op schadevergoeding. De materiële schade die zij vergoed kan krijgen, houdt echter geen verband met gederfde inkomsten, maar met het verlies van de kans om als ambtenaar te zijn aangesteld in het in de betrokken aanwervingsprocedure bedoelde ambt.

Door gebruik te maken van de bevoegdheid van het Gerecht voor ambtenarenzaken om de schade ex aequo et bono te begroten, zal de materiële schade van de verzoekende partij dus volledig en op de juiste wijze worden vergoed, met name gelet op het maandelijkse salaris van het te vervullen ambt, de realiteit van de verloren kans, de eerst mogelijke datum van aanwerving en haar beroepssituatie gedurende de referentieperiode.

(cf. punten 120, 123, 129 en 130)

Referentie:

Hof: arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C‑136/92 P, EU:C:1994:211, punt 42, en van 21 februari 2008, Commissie/Girardot, C‑348/06 P, EU:C:2008:107, punt 52

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest van 13 september 2011, AA/Commissie, F‑101/09, EU:F:2011:133, punten 79‑82