Language of document : ECLI:EU:T:2020:610

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)

16 december 2020 (*)

„Mededinging – Ondernemersvereniging – Wedstrijden hardrijden op de schaats – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld – Reglement van een sportfederatie – Evenwicht tussen mededingingsrecht en specifieke kenmerken van de sport – Sportweddenschappen – Hof van Arbitrage voor Sport – Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten – Territoriale werkingssfeer van artikel 101 VWEU – Mededingingsbeperkende strekking – Corrigerende maatregelen”

In zaak T‑93/18,

International Skating Union, gevestigd te Lausanne (Zwitserland), vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. van Vliet, G. Meessen en F. van Schaik als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Mark Jan Hendrik Tuitert, wonende te Hoogmade (Nederland),

Niels Kerstholt, wonende te Zeist (Nederland),

en

European Elite Athletes Association, gevestigd te Amsterdam (Nederland),

vertegenwoordigd door B. Braeken en J. Versteeg, advocaten,

interveniënten,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit C(2017) 8230 final van de Commissie van 8 december 2017 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT/40208 – Toelatingsregels van de internationale schaatsunie),

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, L. Madise, P. Nihoul, R. Frendo (rapporteur) en J. Martín y Pérez de Nanclares, rechters,

griffier: E. Artemiou, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting van 12 juni 2020,

het navolgende

Arrest

I.      Feiten van het hoofdgeding

A.      International Skating Union

1        De International Skating Union (hierna: „verzoekster” of „ISU”) is de enige door het Internationaal Olympisch Comité (IOC) erkende sportfederatie die zich bezighoudt met de reglementering en de organisatie van wedstrijden kunstrijden en hardrijden op de schaats op internationaal niveau.

2        De leden van verzoekster zijn nationale schaatsbonden die het kunstrijden en hardrijden op de schaats op nationaal niveau regelen (hierna: „leden”). Bij die bonden zijn lokale schaatsclubs- en verenigingen aangesloten waarvan de individuele leden beroeps(kunst)rijders zijn.

3        Verzoekster verricht tevens een commerciële activiteit, aangezien zij de organisator is van de belangrijkste internationale wedstrijden hardrijden op de schaats, waarvan zij de volledige rechten in handen heeft. De internationale wedstrijden die verzoekster organiseert, zijn onder meer de Europese en wereldkampioenschappen langebaanrijden en shorttracken en de World Cups langebaanrijden en shorttracken. Daarnaast organiseert verzoekster internationale kwalificatietoernooien voor de Olympische Winterspelen.

B.      Regelgeving van verzoekster

4        Als internationaal bestuurslichaam voor de schaatssport is verzoekster onder meer bevoegd tot het vaststellen van de lidmaatschapsregels die door haar leden en door individuele schaatsers moeten worden nageleefd.

5        De regels die verzoekster vaststelt, zijn neergelegd in haar statuten. Deze vormen haar „grondwet” en omvatten tevens procedureregels, het algemeen reglement, specifieke reglementen, technische regels, de gedragscode, antidopingregels, regels voor antidopingprocedures en al haar mededelingen die van kracht zijn.

6        Binnen dat geheel van regels voorzien de regels 102 en 103 van het algemeen reglement van verzoekster (hierna: „toelatingsregels”) in de voorwaarden waaronder schaatsers mogen deelnemen aan de wedstrijden hardrijden op de schaats en kunstschaatsen die onder de bevoegdheid van verzoekster vallen. De toelatingsregels omvatten sinds 1998 een „algeheel systeem van voorafgaande toestemming” (hierna: „systeem van voorafgaande toestemming”) dat bepaalt dat schaatsers enkel kunnen deelnemen aan wedstrijden waarvoor verzoekster of haar leden toestemming hebben verleend en die volgens de regels van verzoekster zijn georganiseerd door vertegenwoordigers die zij erkent. De versies van de toelatingsregels die relevant zijn voor de onderhavige zaak zijn die van juni 2014 (hierna: „toelatingsregels van 2014”) en die van juni 2016 (hierna: „toelatingsregels van 2016”).

7        Wat de toelatingsregels van 2014 betreft, blijkt uit regel 102, lid 2, onder c), en lid 7, gelezen in samenhang met regel 103, lid 2, dat professionele schaatsers en vertegenwoordigers van verzoekster die zonder toestemming van verzoekster of een van haar leden aan een wedstrijd deelnamen, voor het leven konden worden uitgesloten van alle door verzoekster georganiseerde wedstrijden.

8        Regel 102, lid 1, onder a), i), van de toelatingsregels van 2014 bepaalde dat eenieder die wilde „deelnemen aan de activiteiten en wedstrijden die onder de bevoegdheid van de ISU [vielen], de beginselen en beleidsregels [diende] na te leven die in de statuten van de ISU [waren] neergelegd”.

9        Regel 102, lid 1, onder a), ii), bepaalde sinds 2002 dat „de toelatingsvoorwaarde [...] in het leven [was] geroepen voor de adequate bescherming van de economische en andere belangen van de ISU, die haar financiële inkomsten aanwendt voor het beheer en de ontwikkeling van haar sportdisciplines en ter ondersteuning of ten bate van haar leden en hun schaatsers”.

10      De toelatingsregels zijn in juni 2016 herzien, met name met het oog op de aanpassing van de sanctieregels. Regel 102, lid 7, bepaalt sindsdien dat de sancties voor sporters die deelnemen aan een sportwedstrijd die onder de bevoegdheid van verzoekster valt en waarvoor zij geen toestemming heeft verleend, afhankelijk zijn van de ernst van de inbreuk. De regeling voorziet in een waarschuwing voor een eerste inbreuk, in een schorsing van maximaal vijf jaar voor deelname aan een niet-toegestane wedstrijd waarbij sprake is van onzorgvuldigheid van de deelnemer, in een schorsing van maximaal tien jaar voor deelnemers die willens en wetens hebben deelgenomen aan een niet-toegestane wedstrijd en, tot slot, in een levenslange schorsing voor zeer ernstige inbreuken, zoals in het bijzonder de deelname aan niet-toegestane wedstrijden die de integriteit en de bevoegdheid van verzoekster ondermijnen.

11      Daarnaast is de verwijzing naar de adequate bescherming van de economische belangen van verzoekster, die voorkwam in de toelatingsregels van 2014, in de versie van 2016 geschrapt. Regel 102, lid 1, onder a), ii), bepaalt thans dat „de toelatingsvoorwaarde [...] in het leven [is] geroepen voor de adequate bescherming van de ethische waarden, de statutaire doelstellingen en andere legitieme belangen” van verzoekster „die haar financiële inkomsten aanwendt voor het beheer en de ontwikkeling van de sportdisciplines van de ISU en ter ondersteuning of ten bate van haar leden en hun schaatsers”.

12      Voorts zij erop gewezen dat artikel 25 van de statuten van verzoekster (hierna: „arbitrageregeling”) sinds 30 juni 2006 bepaalt dat eventuele beroepen van schaatsers tegen besluiten van niet-toelating enkel aanhangig kunnen worden gemaakt bij het Hof van Arbitrage voor Sport (hierna: „CAS”) in Lausanne (Zwitserland).

13      Op 25 oktober 2015 heeft verzoekster mededeling nr. 1974, „Open internationale wedstrijden”, bekendgemaakt, waarin de procedure is neergelegd die in het kader van het systeem van voorafgaande toestemming moet worden gevolgd om toestemming te verkrijgen voor het organiseren van een open internationale wedstrijd. Die procedure is zowel van toepassing op leden als op externe organisatoren.

14      Mededeling nr. 1974 bepaalt dat die wedstrijden te allen tijde vooraf door de raad van verzoekster moeten worden goedgekeurd en moeten worden georganiseerd volgens de regels van verzoekster. Wat de termijn voor het indienen van een verzoek om toestemming betreft, maakt die mededeling onderscheid tussen leden en externe organisatoren. Externe organisatoren moeten hun verzoek om toestemming namelijk uiterlijk zes maanden vóór de geplande wedstrijddatum indienen, terwijl verzoeken van leden tot drie maanden vóór die datum kunnen worden ingediend.

15      Mededeling nr. 1974 bevat voorts een reeks algemene, financiële, technische, sportieve en ethische vereisten waaraan organisatoren moeten voldoen. Allereerst preciseert zij dat een verzoek om toestemming vergezeld moet gaan van technische en sportieve informatie zoals informatie over de plaats van de wedstrijd en het bedrag van de uit te reiken prijzen en van algemene en financiële informatie zoals het businessplan, de begroting en informatie betreffende de televisieverslaggeving over het evenement. Vervolgens moeten de organisator en alle met hem samenwerkende personen ter naleving van de ethische regels een verklaring overleggen waarin zij instemmen met de gedragscode van verzoekster en waarin zij met name toezeggen dat zij zich niet zullen inlaten met weddenschappen. Tot slot bepaalt mededeling nr. 1974 dat verzoekster zich het recht voorbehoudt om voor al die vereisten om aanvullende informatie te verzoeken.

16      Wat meer in het bijzonder de ethische vereisten betreft, bepaalt artikel 4, onder h), van de gedragscode van verzoekster sinds 25 januari 2012 dat eenieder die op welke wijze dan ook met haar samenwerkt zich dient „te onthouden van deelname aan iedere vorm van weddenschap en [...] geen weddenschappen of kansspelen in welke vorm dan ook [mag] ondersteunen die verband houden met wedstrijden of activiteiten die onder de bevoegdheid van de ISU vallen”.

17      Op grond van mededeling nr. 1974 kan verzoekster zich voor de toewijzing of afwijzing van een verzoek om toestemming met name baseren op de vereisten van die mededeling, die in punt 15 hierboven zijn samengevat, alsook op haar fundamentele doelstellingen, die „met name” zijn omschreven in artikel 3, lid 1, van haar statuten, dat in wezen bepaalt dat verzoekster tot doel heeft de twee schaatsdisciplines te reglementeren, te organiseren en te promoten.

18      Indien een verzoek wordt afgewezen, kan de betrokken aanvrager op grond van mededeling nr. 1974 tegen het besluit van verzoekster in beroep gaan bij het CAS nadat hij overeenkomstig de procedureregels van verzoekster een arbitrageovereenkomst heeft ondertekend.

19      Mededeling nr. 1974 bepaalt voorts dat alle organisatoren een solidariteitsbijdrage aan verzoekster dienen te betalen. Die bijdrage, waarvan het bedrag per geval wordt bepaald, wordt gebruikt om de sporten die onder de bevoegdheid van verzoekster vallen, op lokaal niveau te promoten en te ontwikkelen.

II.    Voorgeschiedenis van het geding

A.      Administratieve procedure

20      Op 23 juni 2014 hebben twee van de interveniënten, te weten de professionele schaatsers Mark Jan Hendrik Tuitert en Niels Kersholt (hierna: „klagers”), bij de Europese Commissie een klacht ingediend over de onverenigbaarheid van de toelatingsregels van 2014 met de artikelen 101 en 102 VWEU. Klagers stelden onder meer dat die regels hen hadden verhinderd om deel te nemen aan een schaatswedstrijd die in 2014 in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) zou worden georganiseerd (hierna: „Grand Prix van Dubai”) door de Koreaanse vennootschap Icederby International Co. Ltd. Voor die competitie zou een nieuw wedstrijdformat worden gebruikt, waarbij langebaanschaatsers en shorttrackers het op een speciale ijsbaan tegen elkaar zouden opnemen.

21      Op 5 oktober 2015 heeft de Commissie een procedure ingeleid tegen verzoekster overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18).

22      Op 8 januari 2016 heeft verzoekster de Commissie laten weten dat zij van plan was om de toelatingsregels te wijzigen. De betrokken wijzigingen zijn na goedkeuring door het congres van verzoekster op 11 juni 2016 in werking getreden.

23      Op 27 september 2016 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar aan verzoekster gericht, waarop zij op 16 januari 2017 heeft geantwoord.

24      Op 1 februari 2017 is een hoorzitting gehouden in het kader van de administratieve procedure van de Commissie.

25      Op 27 april 2017 heeft verzoekster een reeks toezeggingen ingediend om aan de mededingingsbezwaren van de Commissie tegemoet te komen. De Commissie heeft evenwel vastgesteld dat die toezeggingen haar bezwaren niet binnen een redelijke termijn konden wegnemen.

26      Op 6 oktober 2017 heeft de Commissie een letter of facts naar verzoekster gestuurd, die zij op 25 oktober 2017 heeft beantwoord.

27      Op 30 oktober 2017 heeft verzoekster een nieuwe reeks toezeggingen ingediend om tegemoet te komen aan de bezwaren van de Commissie, die wederom te kennen heeft gegeven dat die toezeggingen niet volstonden om de geuite bezwaren weg te nemen.

28      Op 8 december 2017 heeft de Commissie besluit C(2017) 8230 final inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT/40208 – Toelatingsregels van de internationale schaatsunie) vastgesteld (hierna: „bestreden besluit”).

B.      Bestreden besluit

1.      Relevante markt

29      In casu is de relevante markt die de Commissie heeft afgebakend, de internationale markt voor de organisatie en commerciële exploitatie van wedstrijden hardrijden op de schaats (hierna: „relevante markt”). De Commissie heeft niettemin vastgesteld dat de toelatingsregels de mededinging ook zouden beperken indien een kleinere markt zou worden afgebakend, aangezien verzoekster zowel de organisator van de belangrijkste wedstrijden als het regelgevende orgaan voor die discipline is (overweging 115 van het bestreden besluit).

30      Volgens de Commissie kon verzoekster de mededinging op de relevante markt beïnvloeden omdat zij het bestuursorgaan en de enige regelgevende instantie voor wedstrijden hardrijden op de schaats is en bevoegd is om toestemming te verlenen voor de internationale wedstrijden in die discipline. Daarnaast is verzoekster verantwoordelijk voor de organisatie van de belangrijkste schaatstoernooien. Dat verzoekster aanzienlijke marktmacht heeft, wordt bevestigd door het feit dat behalve zijzelf en haar leden geen enkele onderneming erin is geslaagd om de relevante markt te betreden (overwegingen 116‑134 van het bestreden besluit).

2.      Toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU

31      Volgens de Commissie is verzoekster een ondernemersvereniging en vormen de toelatingsregels een besluit van een ondernemersvereniging in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU (overwegingen 147‑152 van het bestreden besluit).

32      De Commissie heeft in afdeling 8.3 van het bestreden besluit geconcludeerd dat zowel de toelatingsregels van 2014 als die van 2016 een mededingingsbeperkende strekking hebben in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Zij meent in wezen dat die regels de mogelijkheden voor professionele langebaanschaatsers en shorttrackers beperken om vrij deel te nemen aan internationale competities van derden, waardoor potentiële organisatoren van concurrerende wedstrijden verstoken blijven van de diensten van atleten die noodzakelijk zijn om die wedstrijden te organiseren. De Commissie is tot die slotsom gekomen na een analyse van de inhoud, de doelstellingen en de economische en juridische context van die regels en van de subjectieve intentie van verzoekster om externe organisatoren uit te sluiten (overwegingen 162‑188 van het bestreden besluit).

33      De Commissie heeft opgemerkt dat het gezien haar conclusie dat de toelatingsregels een mededingingsbeperkende strekking hebben, niet nodig was om de gevolgen ervan te onderzoeken. Niettemin heeft zij in afdeling 8.4 van het bestreden besluit de redenen uiteengezet waarom die regels volgens haar tevens als een mededingingsbeperking naar gevolg konden worden aangemerkt (overwegingen 189‑205 van het bestreden besluit).

34      In afdeling 8.5 van het bestreden besluit is de Commissie nagegaan of de toelatingsregels mogelijk buiten de werkingssfeer van artikel 101 VWEU vallen. Dienaangaande heeft zij in wezen opgemerkt dat die regels niet enkel zuiver legitieme doelstellingen nastreven, maar tevens andere belangen van verzoekster dienen, waaronder haar economische belangen. Daarenboven zijn volgens de Commissie niet alle toelatingsregels inherent aan de nagestreefde legitieme doelstellingen en zijn zij hoe dan ook niet in verhouding tot die doelstellingen (overweging 220 en overwegingen 225‑266 van het bestreden besluit).

3.      Beoordeling van de arbitrageregeling

35      De Commissie heeft in afdeling 8.7 van het bestreden besluit erkend dat arbitrage een algemeen aanvaarde methode voor geschillenregeling is en dat het sluiten van een arbitragebeding als zodanig de mededinging niet beperkt. Niettemin versterkt de arbitrageregeling volgens haar de mededingingsbeperkende gevolgen van de toelatingsregels (overweging 269 van het bestreden besluit).

36      Die conclusie is ten eerste gebaseerd op het feit dat de arbitrageregeling het volgens de Commissie moeilijker maakt om daadwerkelijke rechtsbescherming te verkrijgen tegen eventuele besluiten van niet-toelating van verzoekster die onverenigbaar zijn met artikel 101 VWEU. Ten tweede meent de Commissie dat atleten gedwongen zijn om de arbitrageregeling en de exclusieve bevoegdheid van het CAS te accepteren (overwegingen 270‑276 van het bestreden besluit).

4.      Dispositief

37      De conclusie van de Commissie in het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt:

„Artikel 1

De International Skating Union heeft inbreuk gemaakt op artikel 101 [VWEU] en op artikel 53 van de [EER-Overeenkomst] door de toelatingsregels voor hardrijden op de schaats, en met name de regels 102 en 103 van de algemene reglementen van 2014 en 2016 van de ISU, vast te stellen en toe te passen. De inbreuk is in juni 1998 begonnen en duurt nog steeds voort.

Artikel 2

De International Skating Union dient de in artikel 1 beschreven inbreuk te beëindigen en dient alle maatregelen die zij in dat verband heeft genomen binnen 90 dagen na kennisgeving van dit besluit ter kennis van de Commissie te brengen.

De International Skating Union dient zich voortaan te onthouden van handelingen of gedragingen als omschreven in artikel 1, alsook van iedere handeling of gedraging met een soortgelijke strekking of soortgelijk gevolg.

[...]

Artikel 4

Indien de International Skating Union de in artikel 2 neergelegde bevelen niet nakomt, zal de Commissie haar per dag een dwangsom opleggen van 5 % van haar gemiddelde dagomzet van vorig jaar.”

III. Procedure en conclusies van partijen

38      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 februari 2018, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

39      Op 17 mei 2018 heeft de Commissie ter griffie van het Gerecht haar verweerschrift ingediend.

40      Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 juni 2018, hebben de European Elite Athletes Association en klagers verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.

41      De verzoeken tot interventie zijn betekend aan de hoofdpartijen, die hiertegen geen bezwaar hebben gemaakt. Zij hebben het Gerecht wel overeenkomstig artikel 144 van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht om bepaalde vertrouwelijke gegevens in het dossier uit te sluiten van mededeling aan interveniënten, en daartoe een niet-vertrouwelijke versie van de betrokken akten overgelegd.

42      Bij beschikking van 12 september 2018 heeft de president van de Zevende kamer de verzoeken tot interventie toegewezen.

43      Vanwege de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering is de onderhavige zaak op 25 maart 2019 toegewezen aan een andere rechter-rapporteur, die lid is van de Vijfde kamer, aan welke kamer de zaak dan ook is toegewezen.

44      Na een nieuwe wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering is de rechter-rapporteur op 16 oktober 2019 toegevoegd aan de Vierde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

45      Op 20 december 2019 heeft het Gerecht op voorstel van de Vierde kamer de zaak krachtens artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering naar een uitgebreide kamer verwezen.

46      Het Gerecht (Vierde kamer – uitgebreid) heeft op voorstel van de rechter-rapporteur besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering de partijen schriftelijk vragen gesteld en hun verzocht ter terechtzitting hierop te antwoorden. Voorts heeft verzoekster op verzoek van het Gerecht een exemplaar van mededeling nr. 1974 overgelegd.

47      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

48      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

49      Interveniënten verzoeken het Gerecht het beroep te verwerpen.

IV.    In rechte

50      Verzoekster voert ter ondersteuning van haar beroep acht middelen aan. Met haar eerste middel stelt zij in wezen dat het bestreden besluit tegenstrijdig is gemotiveerd. Met haar tweede en haar derde middel betwist zij de vaststelling dat de toelatingsregels een mededingingsbeperkende strekking en mededingingsbeperkende gevolgen hebben. Met haar vierde middel uit verzoekster kritiek op de beoordeling van de Commissie of de toelatingsregels inherent en evenredig zijn aan de doelstelling om de integriteit van het hardrijden op de schaats te beschermen tegen sportweddenschappen. Met haar vijfde middel stelt verzoekster dat haar besluit om geen toestemming te verlenen voor het organiseren van de Grand Prix van Dubai niet door de Commissie in aanmerking kon worden genomen, aangezien dat besluit niet binnen de territoriale werkingssfeer van artikel 101 VWEU valt. Het zesde middel van verzoekster is gericht tegen de conclusie dat haar arbitrageregeling de geconstateerde mededingingsbeperking versterkt. Met haar zevende middel stelt zij dat de Commissie artikel 7 van verordening nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) heeft geschonden door in artikel 2 van het dispositief van het bestreden besluit corrigerende maatregelen op te leggen die geen verband houden met de geconstateerde inbreuk. Met haar achtste middel betwist verzoekster artikel 4 van het dispositief van het bestreden besluit, waarbij zij zich op dezelfde gronden baseert als die welke zij ter ondersteuning van het zevende middel heeft aangevoerd, alsook op het vage en onnauwkeurige karakter van de corrigerende maatregelen.

51      De Commissie, die wordt ondersteund door interveniënten, betwist alle argumenten van verzoekster.

A.      Eerste middel: tegenstrijdige motivering van het bestreden besluit

52      Met haar eerste middel stelt verzoekster dat het bestreden besluit onrechtmatig is, aangezien het kennelijk tegenstrijdig is gemotiveerd.

53      Volgens vaste rechtspraak is de motiveringsplicht van artikel 296, tweede alinea, VWEU een wezenlijk vormvoorschrift dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de omstreden handeling betreft (zie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 146 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arresten van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punten 114 en 115, en 13 december 2016, Printeos e.a./Commissie, T‑95/15, EU:T:2016:722, punt 44), en kan er dus geen sprake van zijn dat het Gerecht in het kader van het toezicht op de nakoming van de motiveringsplicht de inhoudelijke rechtmatigheid toetst van de redenen die de Commissie ter rechtvaardiging van haar besluit aanvoert. Hieruit volgt dat de grieven en argumenten waarmee de gegrondheid van het bestreden besluit wordt betwist, geen doel treffen en irrelevant zijn in het kader van een middel inzake ontbrekende of ontoereikende motivering (zie arrest van 15 juni 2005, Corsica Ferries France/Commissie, T‑349/03, EU:T:2005:221, punten 58 en 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      In casu voert verzoekster ter ondersteuning van haar eerste middel een hele reeks argumenten aan waarmee zij in feite de gegrondheid van het bestreden besluit betwist. Derhalve moet overeenkomstig de in punt 53 hierboven aangehaalde rechtspraak worden vastgesteld dat die argumenten irrelevant zijn voor het onderhavige middel. Voor de analyse van het eerste middel hoeft dus enkel te worden nagegaan of het bestreden besluit, zoals verzoekster beweert, tegenstrijdig is gemotiveerd.

55      Dienaangaande stelt verzoekster in wezen dat de motivering van het bestreden besluit tegenstrijdig is, voor zover de Commissie heeft geconcludeerd dat de toelatingsregels naar hun aard de mededinging beperken, maar niet heeft vastgesteld dat het systeem van voorafgaande toestemming, dat een onderdeel van die regels is, niet onlosmakelijk verbonden is met het nastreven van legitieme doelstellingen. Die tegenstrijdigheid wordt nog versterkt door de vaststelling van de Commissie dat verzoekster de inbreuk kon beëindigen zonder haar systeem van voorafgaande toestemming in te trekken.

56      Uit de rechtspraak volgt dat de motivering logisch moet zijn en geen inhoudelijke tegenstrijdigheden mag bevatten die aan een goed begrip van de aan de bestreden handeling ten grondslag liggende redenen in de weg zouden staan (zie in die zin arresten van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 169, en 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 151).

57      In casu is de Commissie tot de slotsom gekomen dat de toelatingsregels, zoals die door verzoekster zijn vastgesteld en op de relevante markt worden toegepast, zowel een mededingingsbeperkende strekking als mededingingsbeperkende gevolgen hebben in de zin van artikel 101 VWEU (zie de afdelingen 8.3‑8.5 van het bestreden besluit).

58      Blijkens afdeling 8.5 van het bestreden besluit heeft verzoekster tijdens de administratieve procedure aangevoerd dat de toelatingsregels niet onder het verbod van artikel 101 VWEU vallen, onder meer omdat het systeem van voorafgaande toestemming, dat deel uitmaakt van die regels, onmisbaar is om ervoor te zorgen dat alle organisatoren van schaatswedstrijden de standaarden en doelstellingen van verzoekster naleefden.

59      De Commissie heeft in overweging 254 van het bestreden besluit vastgesteld dat in de onderhavige zaak geen standpunt hoefde te worden ingenomen over de vraag of een systeem van voorafgaande toestemming onlosmakelijk verbonden is met het nastreven van legitieme doelstellingen. Daarentegen heeft zij meerdere gronden aangevoerd ter ondersteuning van haar conclusie dat het systeem van voorafgaande toestemming van verzoekster niet evenredig is aan de doelstellingen die zij nastreeft en bijgevolg onder het verbod van artikel 101 VWEU viel (zie de overwegingen 254‑258 van het bestreden besluit).

60      Aldus heeft de Commissie de rechtspraak toegepast op grond waarvan niet elk besluit van een ondernemersvereniging dat de handelingsvrijheid van (een van) de partijen beperkt, automatisch onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt. Volgens die rechtspraak vallen de beperkingen die uit een besluit van een ondernemersvereniging voortvloeien niet onder het verbod van artikel 101 VWEU indien zij aan twee cumulatieve voorwaarden voldoen. Ten eerste moeten de beperkingen onlosmakelijk verbonden zijn met het nastreven van legitieme doelstellingen en, ten tweede, moeten zij evenredig zijn aan die doelstellingen (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 42).

61      Zoals opgemerkt in punt 59 hierboven heeft de Commissie in casu meerdere gronden aangevoerd ter rechtvaardiging van haar conclusie dat het systeem van voorafgaande toestemming niet voldoet aan het tweede criterium van de in punt 60 hierboven aangehaalde rechtspraak, te weten het evenredigheidscriterium. Aangezien de criteria van die rechtspraak cumulatief zijn, hoefde de Commissie in het bestreden besluit geen standpunt in te nemen over de vraag of het betrokken systeem onlosmakelijk verbonden is met het nastreven van legitieme doelstellingen, en is haar besluit dus niet tegenstrijdig gemotiveerd.

62      De Commissie heeft weliswaar in overweging 339 van het bestreden besluit erkend dat verzoekster een einde aan de geconstateerde inbreuk kon maken en tegelijkertijd een systeem van voorafgaande toestemming kon blijven hanteren, maar die constatering doet geen afbreuk aan de conclusie dat de toelatingsregels de mededinging beperken, aangezien duidelijk is dat de Commissie een dergelijk systeem enkel zal aanvaarden indien hieraan „substantiële wijzigingen” worden aangebracht die de inbreuk beëindigen, dat wil zeggen wijzigingen die erop gericht zijn om het onevenredige karakter van dat systeem weg te nemen. Hieruit volgt dat de Commissie, anders dan verzoekster stelt, er niet mee heeft ingestemd dat verzoekster het systeem van voorafgaande toestemming zoals dat door haar was vastgesteld kon blijven gebruiken, en dat de motivering van haar besluit in dat verband niet tegenstrijdig is.

63      Bijgevolg moet het eerste middel worden afgewezen.

B.      Tweede, derde en vierde middel: de toelatingsregels hebben geen mededingingsbeperkende strekking en geen mededingingsbeperkende gevolgen en vallen niet binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU

64      Met haar tweede, derde en vierde middel betwist verzoekster, ten eerste, de beoordeling die de Commissie van het bestaan van een mededingingsbeperking heeft verricht en, ten tweede, haar conclusie dat de toelatingsregels onder het verbod van artikel 101 VWEU vallen. Het Gerecht acht het passend om die middelen gezamenlijk te onderzoeken.

65      Besluiten van ondernemersverenigingen vallen slechts onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU indien zij „ertoe strekken of ten gevolge hebben” dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Volgens vaste rechtspraak van het Hof sinds het arrest van 30 juni 1966, LTM (56/65, EU:C:1966:38), volgt uit het alternatieve karakter van deze voorwaarde, dat blijkt uit het voegwoord „of”, dat eerst moet worden gelet op de strekking van het besluit van een ondernemersvereniging (zie in die zin arresten van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 16, en 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 24).

66      Het begrip mededingingsbeperkende strekking kan uitsluitend worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen die de goede werking van de normale mededinging naar hun aard in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, p. 359; 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punten 49, 50 en 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 31).

67      Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat het kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU te hebben, met name worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context (zie arrest van 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Om na te gaan of de Commissie de toelatingsregels terecht als een mededingingsbeperking naar strekking heeft aangemerkt, moeten die regels dus in casu in het licht van de vermeende doelstellingen ervan worden beoordeeld, alsook in het licht van hun specifieke context, die met name wordt gekenmerkt door de bevoegdheid van sportfederaties om toestemming te verlenen.

1.      Verplichtingen voor een sportfederatie die toestemmingsbevoegd is

69      Verzoekster stelt dat de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 1 juli 2008, MOTOE (C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 51 en 52), en die in voetnoot 267 van het bestreden       besluit is aangehaald, in casu niet van toepassing is, aangezien die rechtspraak betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 102 en 106 VWEU en niet op die van artikel 101 VWEU, dat in casu aan de orde is.

70      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat uit die rechtspraak volgt dat een regeling die aan een rechtspersoon die zelf wedstrijden organiseert en commercieel exploiteert, de bevoegdheid verleent om de personen aan te wijzen die deze wedstrijden mogen organiseren en de omstandigheden vast te stellen waarin deze wedstrijden worden georganiseerd, die entiteit een duidelijk voordeel ten opzichte van haar concurrenten toekent. Met een dergelijk recht kan de bevoegde onderneming verhinderen dat andere marktdeelnemers de betrokken markt betreden. Daarom moet de uitoefening van die regelgevende functie aan beperkingen, verplichtingen of controle worden onderworpen teneinde te voorkomen dat de betrokken rechtspersoon de mededinging kan vervalsen door de wedstrijden te bevoordelen die hij zelf organiseert of mede-organiseert (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 51 en 52).

71      Vastgesteld moet worden dat uit het arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas (C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 88 en 92), blijkt dat het Hof die rechtspraak naar analogie heeft toegepast op een zaak waarin artikel 101 VWEU van toepassing was op de regels van een ondernemersvereniging die, net zoals in casu, zowel marktdeelnemer als regelgever op de relevante markt was. Derhalve moet het argument van verzoekster dat de in punt 70 hierboven aangehaalde rechtspraak uitsluitend van toepassing is in een zaak die betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 102 en 106 VWEU, worden verworpen.

72      Voorts stelt verzoekster dat het arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas (C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 88 en 92), niet rechtvaardigt dat de in punt 70 aangehaalde rechtspraak in casu wordt toegepast, omdat het Hof die rechtspraak in dat arrest heeft toegepast om een mededingingsbeperkend gevolg te onderzoeken en niet, zoals in casu, voor de analyse van een mededingingsbeperkende strekking. Uit de rechtspraak volgt evenwel dat een overeenkomst in een bepaalde context een mededingingsbeperkende strekking kan hebben, terwijl in andere omstandigheden een onderzoek van de gevolgen ervan noodzakelijk is [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 84]. Het feit dat het Hof het reglement van de orde van beëdigde boekhouders als een mededingingsbeperking naar gevolg heeft aangemerkt, staat er dus niet aan in de weg dat de in punt 70 hierboven aangehaalde rechtspraak wordt toegepast om een mededingingsbeperking naar strekking te onderzoeken.

73      In casu blijkt uit punt 4 hierboven dat verzoekster bevoegd is om regels vast te stellen voor de disciplines die onder haar bevoegdheid vallen. Hoewel die regelgevende bevoegdheid niet aan haar is gedelegeerd door een overheidsorgaan, zoals in de zaken die hebben geleid tot de arresten die in de punten 70 en 71 hierboven zijn aangehaald, neemt dit niet weg dat verzoekster, als enige door het IOC erkende internationale sportfederatie voor de betrokken disciplines, een regelgevende activiteit verricht (zie in die zin arrest van 26 januari 2005, Piau/Commissie, T‑193/02, EU:T:2005:22, punt 78).

74      Daarnaast blijkt uit de overwegingen 38 tot en met 41 van het bestreden besluit, die overigens niet door verzoekster worden betwist, dat veruit de meeste beroepsschaatsers zeer beperkte mogelijkheden hebben om inkomsten te verwerven met hardrijden op de schaats. Bovendien is verzoekster, zoals de Commissie in overweging 172 van het bestreden besluit heeft vastgesteld welke vaststelling evenmin door verzoekster wordt betwist belast met de organisatie van en het toezicht op de belangrijkste wedstrijden hardrijden op de schaats, waaraan de schaatsers van de betrokken disciplines moeten deelnemen om in hun levensonderhoud te voorzien. Er zij aan herinnerd dat schaatsers die zonder toestemming van verzoekster deelnemen aan een wedstrijd, op grond van de toelatingsregels die verzoekster in het kader van de uitoefening van haar regelgevende activiteit vaststelt, kunnen worden bestraft met een schorsing. Aangezien de schaatsers het zich niet kunnen veroorloven om niet deel te nemen aan de belangrijkste wedstrijden die door verzoekster worden georganiseerd, zijn externe organisatoren die een schaatswedstrijd willen organiseren genoodzaakt om verzoekster vooraf om toestemming te vragen indien zij willen dat de schaatsers aan die wedstrijd deelnemen.

75      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat die situatie, waarin verzoekster zelf wedstrijden organiseert en tevens bevoegd is om toestemming te verlenen voor wedstrijden die door derden worden georganiseerd, tot tegenstrijdige belangen kan leiden. In die omstandigheden vloeit uit de in de punten 70 en 71 hierboven aangehaalde rechtspraak voort dat verzoekster gehouden is om er bij de behandeling van verzoeken om toestemming op toe te zien dat die derden niet onterecht van de markt worden geweerd, waardoor de mededinging op die markt zou worden vervalst.

76      Derhalve moet bij het onderzoek van de argumenten waarmee verzoekster kritiek uit op de beoordeling die de Commissie van de inhoud en de doelstellingen van de toelatingsregels heeft verricht, rekening worden gehouden met het feit dat verzoekster bij de uitoefening van haar regelgevende activiteit is gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de in de punten 70 en 71 hierboven aangehaalde rechtspraak.

2.      Inhoud en doelstellingen van de toelatingsregels

77      Volgens vaste rechtspraak kan de verenigbaarheid van een regeling met de mededingingsregels van de Europese Unie niet in abstracto worden beoordeeld. Niet elke overeenkomst tussen ondernemingen of elk besluit van een ondernemersvereniging waardoor de handelingsvrijheid van de partijen of van een van hen wordt beperkt, valt noodzakelijkerwijs onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU. Bij de toepassing van deze bepaling op een concreet geval moet namelijk in de eerste plaats rekening worden gehouden met de algehele context waarbinnen het betrokken besluit van de ondernemersvereniging is genomen of zijn werking ontplooit, en meer in het bijzonder met de doelstellingen daarvan. Vervolgens moet worden onderzocht of de daaruit voortvloeiende beperkingen inherent en evenredig zijn aan legitieme doelstellingen (zie in die zin arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, EU:C:2002:98, punt 97, en 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 42).

78      Wat betreft de doelstellingen die kunnen worden nagestreefd, moet in herinnering worden gebracht dat artikel 165, lid 1, tweede alinea, VWEU bepaalt dat de Unie bijdraagt tot de bevordering van de Europese inzet op het gebied van sport, rekening houdend met haar specifieke kenmerken, haar op vrijwilligerswerk berustende structuren en haar sociale en educatieve functie. Volgens lid 2 van dat artikel is het optreden van de Unie erop gericht om de Europese dimensie van de sport te ontwikkelen, door de eerlijkheid en de openheid van sportcompetities en de samenwerking tussen de verantwoordelijke sportorganisaties te bevorderen, en door de fysieke en morele integriteit van sportlieden, met name jonge sporters, te beschermen.

79      Derhalve moet het onderzoek naar de vraag of beperkingen op sportgebied gerechtvaardigd kunnen zijn, rekening houden met de specifieke kenmerken van sport in het algemeen en met de sociale en educatieve functie ervan (zie in die zin en naar analogie arrest van 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punt 40).

80      In casu betwist verzoekster de beoordeling die de Commissie van de inhoud en de doelstellingen van de toelatingsregels heeft verricht. Zij stelt in het bijzonder dat de toelatingsregels een legitieme doelstelling nastreven, te weten de bescherming van de integriteit van het hardrijden op de schaats tegen de risico’s van weddenschappen.

a)      Inhoud van de toelatingsregels

81      Verzoekster betwist zowel de inhoudelijke analyse van de toelatingsregels als die van mededeling nr. 1974. In de eerste plaats stelt zij dat die regels enkel als een mededingingsbeperking naar strekking zouden kunnen worden gekwalificeerd indien zij schaatsers volledig zouden verbieden om deel te nemen aan wedstrijden die door derden worden georganiseerd, wat in casu niet het geval is.

82      Dat argument moet bij voorbaat worden afgewezen, omdat hiermee zou worden aanvaard dat een gedraging enkel als beperking naar strekking kan worden aangemerkt indien alle concurrentie op de relevante markt wordt uitgeschakeld. Er moet evenwel worden vastgesteld dat de kwalificatie als mededingingsbeperking naar strekking niet is voorbehouden aan besluiten van ondernemersverenigingen die alle concurrentie uitschakelen. Uit de rechtspraak blijkt immers dat die kwalificatie van toepassing is op alle besluiten van ondernemersverenigingen die gelet op de bewoordingen, de doelstellingen en de context ervan naar hun aard de goede werking van de mededinging in voldoende mate ongunstig beïnvloeden (zie in die zin arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 117).

83      In de tweede plaats voert verzoekster aan dat op basis van de gegevens die de Commissie in aanmerking heeft genomen geenszins kan worden vastgesteld dat de toelatingsregels een mededingingsbeperkende strekking hebben. Volgens haar heeft de Commissie vier elementen in aanmerking genomen om de toelatingsregels als mededingingsbeperking naar strekking te kwalificeren, namelijk het ontbreken van een rechtstreeks verband met legitieme doelstellingen, de zwaarte van de sancties, de verwijzing naar de bescherming van de economische belangen van verzoekster en het ontbreken van een verband met een wedstrijd of reeks wedstrijden die door haar worden georganiseerd.

1)      Ontbreken van een rechtstreeks verband met legitieme doelstellingen

84      Volgens verzoekster heeft de Commissie ten onrechte vastgesteld dat er een rechtstreeks verband ontbreekt tussen de toelatingsregels en legitieme doelstellingen.

85      Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de toelatingsregels niet expliciet vermelden welke legitieme doelstellingen zij nastreven. Regel 102 verwijst weliswaar, zoals verzoekster aanvoert, sinds 1998 naar de „beginselen en beleidsregels die in [haar] statuten en reglementen [zijn neergelegd]” en preciseert sinds de wijziging van 2016 dat „de toelatingsvoorwaarde [...] in het leven [is] geroepen voor de adequate bescherming van de ethische waarden [van de ISU]”, maar dat neemt niet weg dat de „ethische waarden” dan wel kunnen worden afgeleid uit de gedragscode van verzoekster, maar dat haar statuten en reglementen geen uitdrukkelijke omschrijving of opsomming van de „beginselen en beleidsregels” bevatten. Op basis van louter die vage bewoordingen kan dus niet worden vastgesteld wat de precieze legitieme doelstellingen van die regels zijn.

86      In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de toelatingsregels tussen 1998 en de publicatie van mededeling nr. 1974 op 20 oktober 2015 in geen enkel toelatingscriterium voorzagen voor eventuele wedstrijden die externe organisatoren in de vorm van open internationale wedstrijden wilden organiseren. Vóór de publicatie van die mededeling was er dus op het gebied van de toelatingscriteria voor wedstrijden niets geregeld in het regelgevingskader van verzoekster, waardoor verzoekster volledig discretionair kon beslissen om derden geen toestemming te verlenen voor het organiseren van wedstrijden.

87      Die discretionaire bevoegdheid is sinds de publicatie van mededeling nr. 1974, waarbij de inhoud van de toelatingsregels is aangevuld, niet wezenlijk gewijzigd. Mededeling nr. 1974 somt weliswaar een aantal algemene, financiële, technische, sportieve en ethische vereisten op, maar die zijn niet uitputtend, aangezien die mededeling onder meer preciseert dat verzoekster voor de toewijzing of afwijzing van verzoeken om toestemming „met name” rekening houdt met de door haar vastgestelde vereisten, wat inhoudt dat zij een verzoek om toestemming op andere gronden dan de expliciet in die mededeling genoemde vereisten kan toewijzen of afwijzen. Zoals in punt 15 hierboven is aangegeven, blijkt bovendien uit de inhoud van mededeling nr. 1974 dat verzoekster zich het recht voorbehoudt om de organisatoren om aanvullende informatie te verzoeken in verband met de verschillende hierboven genoemde vereisten.

88      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de vereisten van mededeling nr. 1974 niet kunnen worden aangemerkt als duidelijk omschreven, transparante, niet-discriminatoire en verifieerbare toelatingscriteria die de daadwerkelijke toegang van wedstrijdorganisatoren tot de relevante markt kunnen waarborgen (zie in die zin en naar analogie arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 99).

89      Uit die overwegingen volgt dat verzoekster sinds 1998 en zelfs na de vaststelling van mededeling nr. 1974 over een ruime beoordelingsmarge beschikte om door derden voorgestelde wedstrijden niet toe te staan, waarbij zij zich ook op niet expliciet vermelde gronden kon baseren, wat tot afwijzingsbesluiten kon leiden die op onrechtmatige gronden waren vastgesteld. Bijgevolg heeft de Commissie in de overwegingen 163 en 185 van het bestreden besluit terecht vastgesteld dat er geen rechtstreeks verband was tussen de inhoud van de toelatingsregels en de legitieme doelstellingen die verzoekster tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd.

2)      Zwaarte van de sancties

90      Verzoekster stelt dat de zwaarte van de sancties niet relevant is voor het onderzoek naar de mededingingsbeperkende strekking van de inhoud van haar systeem van voorafgaande toestemming.

91      Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat het repressieve karakter van een regeling en de zwaarte van de sancties die van toepassing zijn bij overtreding, de mededinging ongunstig kunnen beïnvloeden, aangezien zij, indien zij verder gaan dan noodzakelijk is om het goede verloop van de sportcompetitie te verzekeren en uiteindelijk ongegrond zouden blijken, ertoe zouden kunnen leiden dat de sporter ten onrechte van competities wordt uitgesloten, waardoor de voorwaarden voor de uitoefening van de betrokken sportactiviteit zouden worden vervalst (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 47).

92      In casu kunnen schaatsers op grond van de toelatingsregels een sanctie opgelegd krijgen indien zij deelnemen aan wedstrijden waarvoor verzoekster of een van haar leden geen toestemming heeft verleend. Zoals blijkt uit punt 7 hierboven voorzagen de toelatingsregels tot aan de wijziging ervan in 2016 in één extreem strenge sanctie voor alle inbreuken, te weten een levenslange schorsing, waarbij het niet uitmaakte of het om een eerste inbreuk of recidive ging. Het betrof dus een zware sanctie. Hieruit volgt dat de beperkingen die voortvloeiden uit de toelatingsregels van 2014 kennelijk onevenredig waren aan de doelstelling om de integriteit van de schaatssport te beschermen.

93      Zoals blijkt uit punt 10 hierboven zijn de sanctieregels in 2016 versoepeld, voor zover zij niet langer een levenslange schorsing als enige sanctie voor alle inbreuken voorschrijven. Er zij evenwel op gewezen dat de carrière van schaatsers gemiddeld acht jaar duurt, wat overigens niet door verzoekster wordt betwist. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de sancties in de toelatingsregels van 2016, en zelfs de sancties met een vaste duur van 5 en 10 jaar, nog steeds onevenredig zijn voor zover zij onder meer van toepassing zijn op de deelname aan niet-toegestane wedstrijden van derden.

94      Bovendien blijkt niet duidelijk uit de toelatingsregels van 2016 wat de voorwaarden zijn die de scheidslijn tussen de verschillende inbreukcategorieën bepalen. In het bijzonder maken de regels geen duidelijk onderscheid tussen inbreuken die als „zeer ernstig” worden aangemerkt en inbreuken die dat niet zijn. Hieruit volgt dat de sanctieregeling niet erg voorspelbaar is en dus willekeurig zou kunnen worden toegepast, waardoor zij een buitensporig afschrikkend effect heeft.

95      In die omstandigheden is de zwaarte van de sancties die zijn neergelegd in de toelatingsregels, anders dan verzoekster stelt, een bijzonder relevant element voor de analyse van de inhoud van die regels. Die zware sancties kunnen sporters namelijk afschrikken om deel te nemen aan wedstrijden waarvoor verzoekster geen toestemming heeft verleend zelfs wanneer er geen legitieme gronden zijn die een dergelijke weigering rechtvaardigen en kunnen er bijgevolg toe leiden dat de markt wordt afgeschermd voor potentiële concurrenten, die verstoken blijven van de deelname van sporters die zij nodig hebben om hun sportwedstrijden te organiseren.

3)      Ontbreken van een verband tussen de toelatingsregels en een wedstrijd of reeks wedstrijden van verzoekster

96      Verzoekster stelt dat het ontbreken van een verband tussen de toelatingsregels en een door haar georganiseerde wedstrijd of reeks wedstrijden niet relevant kan zijn voor de analyse van een beperking naar strekking.

97      Uit de gezamenlijke lezing van de overwegingen 166 en 243 van het bestreden besluit blijkt dat de Commissie kritiek uit op het feit dat de toelatingsregels het opleggen van een sanctie niet afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de wedstrijd waaraan de betrokken sporters zonder toestemming zouden hebben deelgenomen, samenvalt met een wedstrijd van verzoekster. Die vaststelling is in feite niets anders dan een voorbeeld van het ontbreken van een rechtstreeks verband met de legitieme doelstellingen die verzoekster tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd en laat zien dat de toelatingsregels een ruime en zelfs buitensporig ruime draagwijdte hebben. Op grond van die regels kunnen sporters die deelnemen aan een niet-toegestane wedstrijd namelijk zelfs door verzoekster worden geschorst indien er op hetzelfde tijdstip geen wedstrijd van verzoekster is ingepland of de betrokken sporters om welke reden dan ook niet aan de wedstrijden van verzoekster kunnen deelnemen. Derhalve moet de grief waarmee verzoekster de relevantie van de vaststelling in de overwegingen 166 en 243 betwist, worden verworpen.

98      De argumenten die betrekking hebben op de verwijzing naar de bescherming van de economische belangen van verzoekster zullen in de punten 106 tot en met 111 hierna worden onderzocht in het kader van de analyse van de doelstellingen van de toelatingsregels.

b)      Doelstellingen van de toelatingsregels

99      De grieven waarmee verzoekster kritiek uit op het onderzoek dat de Commissie van de doelstellingen van de toelatingsregels heeft verricht, vallen uiteen in twee onderdelen. Ten eerste betwist verzoekster met haar vierde middel de conclusie dat de toelatingsregels niet worden gerechtvaardigd door de legitieme doelstelling om de integriteit van het hardrijden op de schaats te beschermen tegen de risico’s die verband houden met weddenschappen. Ten tweede stelt verzoekster met haar tweede middel dat de Commissie een oppervlakkige analyse van de nagestreefde doelstellingen heeft verricht door zich ter onderbouwing van haar conclusie dat de toelatingsregels van 2014 ertoe strekten om concurrerende wedstrijdorganisatoren uit te sluiten, te baseren op de in die regels neergelegde verwijzing naar de bescherming van de economische belangen.

1)      Eerste onderdeel: de toelatingsregels hebben tot doel om de integriteit van het hardrijden op de schaats te beschermen tegen de risico’s die verband houden met weddenschappen

100    Verzoekster heeft tijdens de administratieve procedure aangevoerd dat de toelatingsregels meerdere doelstellingen nastreefden die eigen zijn aan de specifieke kenmerken van de sport. Hoewel verzoekster tijdens de onderhavige procedure meerdere legitieme doelstellingen heeft aangevoerd, heeft zij enkel haar betoog betreffende de legitieme doelstelling om de integriteit van de schaatssport te beschermen tegen weddenschappen met gedetailleerde argumenten onderbouwd.

101    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft erkend dat de bescherming van de integriteit van de sport een legitieme doelstelling is (arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 43). Het nastreven van legitieme doelstellingen kan echter op zich niet in de weg staan aan de kwalificatie van een mededingingsbeperking naar strekking indien de middelen die worden gebruikt om die doelstellingen te bereiken in strijd zijn met de bepalingen van artikel 101 VWEU (zie in die zin arresten van 6 april 2006, General Motors/Commissie, C‑551/03 P, EU:C:2006:229, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 21). In het bijzonder moet worden nagegaan of de betrokken beperkingen inherent en evenredig zijn aan die doelstellingen (zie in die zin arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, EU:C:2002:98, punt 97, en 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 42).

102    In casu kan worden vastgesteld dat verzoekster bevoegd was om regels vast te stellen ter voorkoming van het risico dat wedstrijden en sporters worden gemanipuleerd door sportweddenschappen, hetgeen overigens in overeenstemming is met de aanbevelingen van het IOC van 24 juni 2010, getiteld „Sports betting: A challenge to be faced”, en met het Verdrag inzake de manipulatie van sportwedstrijden, dat in 2014 is vastgesteld door de Raad van Europa.

103    Maar ook al zouden de beperkingen die voortvloeien uit het in casu vastgestelde systeem van voorafgaande toestemming inherent zijn aan die legitieme doelstelling om de integriteit van de schaatssport te beschermen tegen de risico’s van weddenschappen, dan nog gaan die beperkingen, met name om de in de punten 92 tot en met 95 hierboven uiteenzette redenen, verder dan nodig is voor de verwezenlijking van een dergelijke doelstelling in de zin van de rechtspraak die in punt 77 hierboven is aangehaald.

104    Derhalve moet het betoog van verzoekster dat de beperkingen die voortvloeien uit de toelatingsregels worden gerechtvaardigd door de doelstelling om de integriteit van de schaatssport te beschermen tegen de risico’s van weddenschappen, worden verworpen.

2)      Tweede onderdeel: de Commissie kan zich niet baseren op de doelstelling om de economische belangen van verzoekster te beschermen

105    In de eerste plaats uit verzoekster kritiek op het feit dat de Commissie zich op de verwijzing in de toelatingsregels van 2014 naar de bescherming van haar economische belangen heeft gebaseerd ter onderbouwing van haar conclusie dat die regels ertoe strekten om haar economische belangen te beschermen. Verzoekster stelt in het bijzonder dat de Commissie ten onrechte op basis van de verwijzing in de toelatingsregels van 2014 naar de economische belangen heeft geconcludeerd dat die regels bedoeld waren om alle concurrerende wedstrijdorganisatoren uit te sluiten die haar economische belangen mogelijkerwijs konden schaden, terwijl uit de omstandigheden waarin die regels zijn vastgesteld blijkt dat die regels ervoor moesten zorgen dat alle wedstrijden die onder de bevoegdheid van verzoekster vielen aan gemeenschappelijke normen voldeden.

106    Zoals de Commissie in de overwegingen 164 en 165 van het bestreden besluit heeft opgemerkt, bepaalde regel 102, lid 1, onder a), ii), sinds 2002 en tot aan de wijziging ervan in 2016 dat de toelatingsvoorwaarde in het leven was geroepen voor de „adequate bescherming van de economische en andere belangen van de ISU”. Bovendien blijkt uit het dossier dat die bewoordingen in 2002 zijn toegevoegd om „duidelijk te maken wat de achterliggende redenen van de toelatingsregels [waren]”. Hieruit volgt dat het doel om de economische belangen te beschermen eerder bestond dan de wijziging van 2002, aangezien die wijziging die doelstelling enkel heeft verduidelijkt. Bijgevolg heeft de Commissie geen beoordelingsfout gemaakt toen zij vaststelde dat die doelstelling reeds bij de aanvang van de inbreuk in 1998 bestond en tot 2016 heeft voortgeduurd.

107    Daarentegen heeft de Commissie in overweging 187 van het bestreden besluit ten onrechte vastgesteld dat de toelatingsregels van 2016 weliswaar niet langer naar de economische belangen verwezen, maar dat uit de inhoud van die versie bleek dat die regels nog steeds tot doel hadden om de economische belangen van verzoekster te beschermen. Het loutere feit dat regel 102, lid 1, onder a), ii), van de versie van 2016 de „andere legitieme belangen” van verzoekster in verband brengt met het gebruik van haar inkomsten, volstaat immers niet om vast te stellen dat de toelatingsregels sinds 2016 in werkelijkheid nog steeds en bovenal bedoeld waren om de economische belangen van verzoekster te beschermen. Die fout van de Commissie kan evenwel niet afdoen aan de analyse van de legitieme doelstellingen die zij in het bestreden besluit heeft verricht.

108    Zoals verzoekster stelt (zie punt 105 hierboven), kan dienaangaande op goede gronden worden overwogen dat er gelet op de specifieke kenmerken van de sport op moet worden toegezien dat sportwedstrijden aan gemeenschappelijke standaarden voldoen die met name bedoeld zijn om een eerlijk verloop van de wedstrijden te waarborgen en de fysieke en morele integriteit van de sporters te beschermen. Daarnaast kon verzoekster redelijkerwijs stellen dat een systeem van voorafgaande toestemming dat in het leven is geroepen om erop toe te zien dat alle organisatoren dergelijke standaarden naleven, een geschikt mechanisme is om een dergelijke doelstelling te verwezenlijken.

109    Bovendien zij erop gewezen dat, ook al zou blijken dat de toelatingsregels van 2016 tevens de bescherming van de economische belangen van verzoekster beogen, de doelstelling van een federatie om haar economische belangen te beschermen op zich niet de mededinging verstoort. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, is het nastreven van economische doelstellingen immers inherent aan iedere onderneming, ook aan sportfederaties die een economische activiteit verrichten.

110    De Commissie heeft echter in de overwegingen 255 tot en met 258 van het bestreden besluit terecht opgemerkt dat het systeem van voorafgaande toestemming zoals dat in casu door verzoekster is vastgesteld, verder gaat dan nodig is om ervoor te zorgen dat sportwedstrijden aan gemeenschappelijk standaarden voldoen. Ten eerste gaan sommige van de verplichtingen die mededeling nr. 1974 aan externe organisatoren oplegt om financiële gegevens te verstrekken verder dan nodig is om de genoemde doelstelling te verwezenlijken. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het verstrekken van een voorlopige begroting weliswaar kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om te verifiëren of een externe organisator in staat is om een wedstrijd te organiseren, maar dat verzoekster geen enkel element aanvoert waaruit blijkt dat het verstrekken van het volledige businessplan noodzakelijk is om die doelstelling te verwezenlijken. Ten tweede verstrekt verzoekster geen enkele rechtvaardiging voor het feit dat het systeem van voorafgaande toestemming zoals dat bij mededeling nr. 1974 is vastgesteld, een kortere en dwingendere termijn voor het indienen van een verzoek om toestemming voorschrijft voor wedstrijden die door derden worden georganiseerd (zie punt 14 hierboven). Ten derde zijn de vereisten van mededeling nr. 1974 niet uitputtend en laten zij verzoekster een ruime beoordelingsmarge bij het toewijzen of afwijzen van aanvragen voor open internationale wedstrijden. Ten vierde bepaalt mededeling nr. 1974 niet wat de precieze termijn is voor de behandeling van een verzoek om toestemming, wat ook een willekeurige afhandeling van verzoeken om toestemming in de hand zou kunnen werken.

111    Hieruit volgt dat de Commissie zich wat de toelatingsregels van 2016 betreft weliswaar ten onrechte heeft gebaseerd op het doel om de economische belangen van verzoekster te beschermen, maar terecht heeft vastgesteld dat het systeem van voorafgaande toestemming onevenredig is en met name niet in verhouding staat tot de andere vermeende doelstelling van de toelatingsregels, namelijk dat alle wedstrijden aan gemeenschappelijke standaarden voldoen.

112    In de tweede plaats verwijt verzoekster de Commissie dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster haar inkomsten kan aanwenden voor de wedstrijden van haar leden, terwijl zij haar gelden niet ter beschikking stelt van derden, om hier vervolgens uit op te maken dat de toelatingsregels van 2016 nog steeds tot doel hadden om haar economische belangen te beschermen. Volgens verzoekster volgt hieruit dat de Commissie van haar verlangt dat zij de wedstrijden van derden financiert.

113    De Commissie heeft in de overwegingen 187 en 220 van het bestreden besluit evenwel slechts opgemerkt dat verzoekster niet haar eigen wedstrijden en die van haar leden mag financieren met de middelen die afkomstig zijn uit een solidariteitsbijdrage die mede door derden wordt betaald, wanneer zij datzelfde voordeel niet aan externe organisatoren verleent.

114    Zoals verzoekster aanvoert, heeft een sportfederatie met beperkte inkomsten weliswaar het recht om de solidariteitsbijdrage te gebruiken om wedstrijden te financieren die die financiering volgens haar kunnen gebruiken, en andere wedstrijden niet met die bijdrage te financieren, maar aangezien verzoekster zelf wedstrijden organiseert en daarnaast bevoegd is om toestemming te verlenen voor wedstrijden die door derden worden georganiseerd, dient zij erop toe te zien dat de mededinging tussen de marktdeelnemers niet wordt vervalst in de zin van de rechtspraak die in de punten 72 en 73 hierboven is aangehaald. Hieruit volgt dat verzoekster, zoals de Commissie terecht heeft vastgesteld, het verlenen van toestemming voor wedstrijden van derden niet afhankelijk kan stellen van de betaling van een solidariteitsbijdrage die zou worden gebruikt om enkel haar wedstrijden en die van haar leden te financieren. Bijgevolg moet het argument van verzoekster dat de Commissie van haar verlangt dat zij de wedstrijden van derden financiert, worden verworpen, aangezien verzoekster geen andere grieven heeft aangevoerd ter betwisting van de overwegingen 187 en 220 van het bestreden besluit betreffende de solidariteitsbijdrage.

3.      Andere elementen van de context waarin de toelatingsregels zijn vastgesteld

115    Verzoekster stelt dat de Commissie de context van de relevante markt niet grondig heeft onderzocht. In het bijzonder verwijt zij de Commissie dat zij niet de kunstrijdwedstrijden in aanmerking heeft genomen waarvoor zij toestemming had verleend.

116    Kunstrijdwedstrijden maken echter geen deel uit van de relevante markt die de Commissie heeft afgebakend, te weten de internationale markt voor de organisatie en commerciële exploitatie van evenementen voor hardrijden op de schaats, en die afbakening wordt door verzoekster niet betwist.

117    Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat bij de analyse van een beperking naar strekking rekening moet worden gehouden met alle relevante elementen van de economische en de juridische context waarin de coördinatie plaatsvindt, met name met de aard van de betrokken diensten en de daadwerkelijke voorwaarden waaronder de markten functioneren en de structuur ervan, en dat het daarbij irrelevant is of die elementen tot de relevante markt behoren (arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 78), maar in de zaak die tot die rechtspraak heeft geleid was er sprake van interacties tussen de relevante markt en een verwante, maar afzonderlijke markt, hetgeen in casu niet is vastgesteld. De enkele omstandigheid dat verzoekster tevens bevoegd is voor het kunstrijden en dat dezelfde regels van toepassing zijn op beide disciplines volstaat niet om dergelijke interacties te bewijzen. Derhalve was de Commissie niet verplicht om rekening te houden met de wedstrijden die verzoekster op een andere markt dan de relevante markt had toegestaan.

118    Zoals uiteengezet in de punten 86 tot en met 89 hierboven, voorzagen de toelatingsregels bovendien noch vóór noch na de bekendmaking van mededeling nr. 1974 in de waarborgen waarmee de uitoefening van de regelgevende functie van verzoekster moet worden omkleed om ervoor te zorgen dat derden de relevante markt daadwerkelijk kunnen betreden. Aangezien objectieve, transparante, niet-discriminatoire en verifieerbare toelatingscriteria ontbraken, werd de ruime beoordelingsmarge van verzoekster om dergelijke wedstrijden toe te staan of te weigeren, in het geheel niet beperkt.

119    Derhalve is de omstandigheid dat verzoekster toestemming heeft kunnen geven voor kunstrijdwedstrijden, gesteld al dat het hier inderdaad om onafhankelijke wedstrijden ging, niet relevant voor de analyse van de context van de toelatingsregels, omdat die omstandigheid niet afdoet aan de vaststelling dat verzoekster met het systeem van voorafgaande toestemming de mededinging op de relevante markt kan vervalsen door haar eigen wedstrijden ten nadele van de wedstrijden van derden te bevoordelen, en dat die regels dus geen daadwerkelijke toegang tot de markt waarborgen.

120    Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat de Commissie terecht heeft vastgesteld dat de toelatingsregels ertoe strekken om de mededinging te beperken. Gelet op de bewoordingen en de doelstellingen van de toelatingsregels en de context waarin zij zijn vastgesteld, is de invloed van die regels immers dermate nadelig dat zij kunnen worden geacht een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101 VWEU te hebben.

121    Aangezien het bestaan van een mededingingsbeperking naar strekking voldoende is onderbouwd door het onderzoek van de bewoordingen, de doelstellingen en de context van de toelatingsregels, hoeft geen uitspraak te worden gedaan over de argumenten van verzoekster die zijn gericht tegen de conclusies van de Commissie dat verzoekster de intentie had om externe organisatoren uit te sluiten. Een intentie is immers niet noodzakelijk om uit te maken of een besluit van een ondernemersvereniging een beperkende strekking heeft (zie in die zin arrest van 6 april 2006, General Motors/Commissie, C‑551/03 P, EU:C:2006:229, punt 77). Derhalve zijn de argumenten van verzoekster die tegen dat onderdeel van het onderzoek van de beperking naar strekking zijn gericht, niet ter zake dienend.

122    Bijgevolg moeten het tweede en het vierde middel van verzoekster worden afgewezen.

123    Aangezien de Commissie terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een beperking naar strekking, hoeven de mededingingsbeperkende gevolgen niet te worden onderzocht (arresten van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 17, en 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 25). Bijgevolg hoeft niet te worden ingegaan op de gegrondheid van het derde middel van verzoekster, namelijk dat de Commissie ten onrechte heeft vastgesteld dat de toelatingsregels tot gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt.

C.      Vijfde middel: het besluit betreffende de Grand Prix van Dubai van 2014 valt niet binnen de territoriale werkingssfeer van artikel 101 VWEU

124    Verzoekster stelt dat het besluit om geen toestemming te verlenen voor de Grand Prix van Dubai niet binnen de territoriale werkingssfeer van artikel 101 VWEU valt, aangezien die wedstrijd buiten de Europese Economische Ruimte (EER) zou worden gehouden.

125    Vooraf zij eraan herinnerd dat uit de rechtspraak volgt dat de bevoegdheid van de Commissie om op basis van de regels van het internationaal publiekrecht een gedraging vast te stellen en te bestraffen die buiten de Unie heeft plaatsgevonden, hetzij op grond van het uitvoeringscriterium, hetzij op grond van de gekwalificeerde gevolgen kan worden vastgesteld (arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 40 en 47). Op grond van het uitvoeringscriterium wordt de bevoegdheid van de Commissie bepaald door de plaats waar de gelaakte gedraging heeft plaatsgevonden (arrest van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85C‑129/85, EU:C:1993:120, punt 16). Overeenkomstig het criterium van de gekwalificeerde gevolgen kan de Commissie haar bevoegdheid tevens rechtvaardigen wanneer de gedraging voorzienbare, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen teweeg kan brengen op het grondgebied van de Unie (zie in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 48‑53).

126    In casu heeft de Commissie in artikel 1 van het dispositief van het bestreden besluit geconcludeerd dat verzoekster „inbreuk [had] gemaakt op artikel 101 [VWEU] door de toelatingsregels [...] vast te stellen en toe te passen”. Die conclusie moet in het licht van de motivering van het bestreden besluit worden gelezen.

127    Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit weliswaar herhaaldelijk kritiek uit op het besluit van verzoekster aangaande de Grand Prix van Dubai, maar niettemin geen betrekking heeft op het besluit als zodanig om geen toestemming voor die Grand Prix te verlenen. De Commissie heeft de weigering van verzoekster om toestemming te verlenen voor de Grand Prix van Dubai immers enkel aangehaald om te illustreren hoe zij de toelatingsregels in de praktijk toepast (zie onder meer de overwegingen 175, 176, 199‑205, 232‑235 en 243 van het bestreden besluit).

128    Aangezien het bestreden besluit betrekking heeft op de toelatingsregels en niet op de Grand Prix van Dubai, is de relevante vraag dus niet of die wedstrijd binnen of buiten de EER zou hebben plaatsgevonden, maar of de Commissie overeenkomstig de in punt 125 hierboven aangehaalde rechtspraak bevoegd was om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de toelatingsregels met artikel 101 VWEU.

129    In dat verband moet met name gelet op de strenge en onevenredige sancties die schaatsers riskeren indien zij deelnemen aan wedstrijden waarvoor verzoekster geen toestemming heeft verleend, alsook op het ontbreken van objectieve, transparante, niet-discriminatoire en verifieerbare toelatingscriteria – worden vastgesteld dat de toelatingsregels schaatsers verhinderen om hun diensten aan te bieden aan organisatoren van internationale schaatswedstrijden waarvoor verzoekster geen toestemming heeft verleend, en dat die organisatoren daardoor van hun diensten verstoken blijven voor concurrerende wedstrijden binnen of buiten de EER. Bijgevolg kunnen de toelatingsregels onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen op het grondgebied van de Unie teweegbrengen in de zin van de in punt 125 hierboven aangehaalde rechtspraak. Derhalve was de Commissie in casu bevoegd om het bestreden besluit vast te stellen en is de vaststelling van dat besluit niet in strijd met de territoriale werkingssfeer van artikel 101 VWEU.

130    Hieruit volgt dat het vijfde middel ongegrond moet worden verklaard.

D.      Zesde middel: betwisting van de conclusie dat de arbitrageregeling van verzoekster de mededingingsbeperkingen versterkt

131    Met haar zesde middel stelt verzoekster dat de conclusie in afdeling 8.7 van het bestreden besluit dat haar arbitrageregeling de door de toelatingsregels teweeggebrachte mededingingsbeperkingen versterkt ongegrond is en buiten beschouwing moet worden gelaten.

132    De Commissie voert tegen dat zesde middel primair een middel van niet-ontvankelijkheid aan op grond van de overweging dat verzoekster niet om nietigverklaring heeft verzocht van de conclusie betreffende de arbitrageregeling. Voorts heeft de Commissie ter terechtzitting verklaard dat haar analyse in afdeling 8.7 van het bestreden besluit ten overvloede is verricht en dat de in die afdeling uiteengezette conclusie betreffende de arbitrageregeling dus geen deel uitmaakte van de geconstateerde inbreuk. Gelet op die verklaring kan worden vastgesteld dat de Commissie het Gerecht verzoekt om dat middel als niet ter zake dienend te verwerpen. Volgens de rechtspraak betreft de relevantie of irrelevantie van een middel de mogelijkheid dat het, zo het gegrond is, tot de door de verzoekende partij nagestreefde nietigverklaring kan leiden, en niet het belang dat die partij bij het instellen van een dergelijk beroep of het aanvoeren van een bepaald middel kan hebben. Die vragen houden namelijk verband met de ontvankelijkheid van het beroep en van het middel (arrest van 21 september 2000, EFMA/Raad, C‑46/98 P, EU:C:2000:474, punt 38).

133    Voorts stelt de Commissie in het verweerschrift subsidiair dat het zesde middel hoe dan ook ongegrond is.

1.      Relevantie van het zesde middel

134    Verzoekster heeft in antwoord op een vraag ter terechtzitting bevestigd dat haar verzoek om afdeling 8.7 van het bestreden besluit buiten beschouwing te laten er in werkelijkheid toe strekt om de nietigverklaring van het bestreden besluit te verkrijgen voor zover het gebaseerd is op de overwegingen in die afdeling.

135    Artikel 1 van het bestreden besluit bepaalt dat verzoekster inbreuk heeft gemaakt op „artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door de toelatingsregels voor hardrijden op de schaats, en met name de regels 102 en 103 van de algemene reglementen van de ISU van 2014 en 2016, vast te stellen en toe te passen”. Daarnaast blijkt uit afdeling 8.6 van het bestreden besluit, met het opschrift „Conclusie betreffende artikel 101 [VWEU] en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst”, dat artikel 1 van het dispositief gebaseerd is op de motivering van de afdelingen 8.3 tot en met 8.5 van het bestreden besluit.

136    De beoordeling betreffende de arbitrageregeling is evenwel opgenomen in een afdeling die volgt op de conclusie dat sprake is van een mededingingsbeperking, namelijk in afdeling 8.7 van het bestreden besluit. In die afdeling heeft de Commissie niet vastgesteld dat de arbitrageregeling een autonome inbreuk op het mededingingsrecht vormde, maar enkel dat zij de door de toelatingsregels teweeggebrachte mededingingsbeperkingen versterkte.

137    Hieruit volgt dat de overwegingen in afdeling 8.7 van het bestreden besluit, die betrekking heeft op de arbitrageregeling, slechts ten overvloede zijn geformuleerd voor zover het gaat om de geconstateerde inbreuk, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, aangezien een fout in die afdeling, gesteld al dat daar sprake van zou zijn, geen afbreuk zou kunnen doen aan het bestaan van een mededingingsbeperking als zodanig. Bijgevolg zou de eventuele onrechtmatigheid van die afdeling niet tot de nietigverklaring van artikel 1 van het bestreden besluit kunnen leiden. Derhalve is het zesde middel van verzoekster niet ter zake dienend, voor zover het is aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van artikel 1 van het bestreden besluit.

138    Artikel 2 van het bestreden besluit bepaalt echter onder meer dat verzoekster een einde aan de in artikel 1 bedoelde inbreuk dient te maken en zich voortaan dient te onthouden van iedere handeling of gedraging met een soortgelijke strekking of een soortgelijk gevolg. Dat artikel moet worden gelezen in het licht van de overwegingen 338 tot en met 342 van het bestreden besluit, die bepalen welke maatregelen verzoekster moet nemen ter nakoming van haar verplichting om de inbreuk te beëindigen. In die overwegingen heeft de Commissie aangegeven dat verzoekster in wezen enkel een einde aan de inbreuk kon maken en tegelijkertijd haar systeem van voorafgaande toestemming kon behouden indien zij niet alleen de toelatingsregels en mededeling nr. 1974, maar ook haar arbitrageregeling substantieel zou wijzigen.

139    Aldus heeft de Commissie het geoorloofde behoud van het systeem van voorafgaande toestemming van verzoekster afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat zij onder meer haar arbitrageregeling substantieel zou wijzigen. Hieruit volgt dat afdeling 8.7 van het bestreden besluit deel uitmaakt van de noodzakelijke argumentatie ter ondersteuning van artikel 2 van het dispositief ervan.

140    Anders dan de Commissie stelt, is het zesde middel dus relevant voor zover het wordt aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek om artikel 2 van het bestreden besluit nietig te verklaren.

2.      Ten gronde

141    Wat betreft de gegrondheid van dit middel stelt verzoekster dat afdeling 8.7 van het bestreden besluit in wezen twee beoordelingsfouten bevat. Ten eerste heeft de Commissie ten onrechte geconcludeerd dat de arbitrageregeling het moeilijker maakte om daadwerkelijke rechtsbescherming te verkrijgen tegen een eventueel mededingingsbeperkend besluit van verzoekster. Ten tweede meent verzoekster dat die afdeling niet relevant is, voor zover de Commissie niet beweert dat het instellen van een arbitrageprocedure bij het CAS in strijd is met artikel 101 VWEU.

142    Zoals blijkt uit punt 132 hierboven, erkent de Commissie dat de arbitrageregeling niet in strijd is met artikel 101 VWEU. Zij verdedigt niettemin de beoordeling die zij in afdeling 8.7 van het bestreden besluit heeft verricht, en stelt dat zij bevoegd was om de litigieuze analyse uit te voeren.

143    In haar schriftelijke stukken voert de Commissie onder meer aan dat zij, indien zij een geldboete zou hebben opgelegd, de arbitrageregeling had kunnen aanmerken als een verzwarende omstandigheid in de zin van punt 28 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”).

144    Het bestreden besluit verwijst evenwel noch naar het begrip verzwarende omstandigheid, noch naar de richtsnoeren van 2006.

145    Dat neemt niet weg dat de Commissie na haar conclusie dat de toelatingsregels de mededinging beperkten, heeft vastgesteld dat de arbitrageregeling de door die regels teweeggebrachte beperkingen versterkte. Daarnaast heeft zij in wezen vastgesteld dat verzoekster, om het systeem van voorafgaande toestemming te kunnen behouden, substantiële wijzigingen moest aanbrengen in de toelatingsregels, mededeling nr. 1974 en de arbitrageregeling.

146    Aldus heeft de Commissie weliswaar in casu geen geldboete opgelegd, nadat zij dit in de mededeling van punten van bezwaar had overwogen, maar de omvang van de aan verzoekster opgelegde verplichtingen niettemin verruimd door het rechtmatige behoud van haar systeem van voorafgaande toestemming onder meer afhankelijk te stellen van de wijziging van de arbitrageregeling, omdat zij meende dat die regeling de door de toelatingsregels teweeggebrachte beperkingen versterkte.

147    Hoewel de Commissie dus uiteindelijk geen geldboete heeft opgelegd in het bestreden besluit, is zij in wezen toch de logica van de richtsnoeren van 2006 betreffende de bij de berekening van geldboeten in aanmerking te nemen verzwarende omstandigheden blijven volgen.

148    Gesteld al dat de Commissie zich, zoals zij aanvoert, voor de verruiming van de aan verzoekster opgelegde verplichtingen op de richtsnoeren van 2006 heeft gebaseerd en zij zich dus op de toepassing van die richtsnoeren kan beroepen zonder haar motivering te wijzigen, heeft zij de arbitrageregeling ten onrechte aangemerkt als een verzwarende omstandigheid in de zin van de richtsnoeren van 2006.

149    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de richtsnoeren weliswaar niet de rechtsgrondslag van de besluiten van de Commissie vormen, maar dat de Commissie door dergelijke gedragsregels vast te stellen en via de publicatie ervan aan te kondigen dat zij die regels zal toepassen, niettemin de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beperkt. Zij kan dus niet van die regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids‑ of het vertrouwensbeginsel. Het is dus niet uitgesloten dat dergelijke gedragsregels met een algemene strekking onder bepaalde voorwaarden en naargelang van de inhoud ervan rechtsgevolgen kunnen sorteren (zie in die zin arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punten 209‑211).

150    Punt 28 van de richtsnoeren van 2006 luidt als volgt:

„Het basisbedrag van de boete kan worden verhoogd wanneer de Commissie vaststelt dat er sprake is van verzwarende omstandigheden, zoals:

–        wanneer een onderneming een identieke of soortgelijke inbreuk pleegt of voortzet nadat de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit heeft vastgesteld dat deze onderneming in strijd met artikel [101 VWEU] of artikel [102 VWEU] heeft gehandeld. Het basisbedrag zal worden verhoogd tot 100 % per vastgestelde inbreuk;

–        weigering van medewerking of obstructie tijdens het verloop van het onderzoek;

–        het feit dat de betrokken onderneming een leidinggevende rol speelde of tot de inbreuk heeft aangezet. De Commissie zal tevens bijzondere aandacht besteden aan eventuele maatregelen die zijn genomen om andere ondernemingen te dwingen aan de inbreuk deel te nemen en/of aan eventuele vergeldingsmaatregelen tegen andere ondernemingen om de tenuitvoerlegging van de inbreukmakende praktijken af te dwingen.”

151    Uit het gebruik van „zoals” in punt 28, eerste alinea, van de richtsnoeren van 2006 blijkt dat de lijst van verzwarende omstandigheden niet-uitputtend is (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie, C‑444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punt 105).

152    Niettemin moet worden vastgesteld dat de verzwarende omstandigheden die in punt 28 van de richtsnoeren van 2006 zijn opgesomd, met elkaar gemeen hebben dat zij ongeoorloofde gedragingen of omstandigheden beschrijven die de inbreuk verergeren en een bijzondere veroordeling rechtvaardigen die zich vertaalt in een verhoging van de aan de verantwoordelijke onderneming opgelegde sanctie. De bevoegdheid van de Commissie om overeenkomstig punt 4 van de richtsnoeren van 2006 geldboeten op te leggen die op een zodanig niveau zijn vastgesteld dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat, brengt immers de noodzaak mee om het basisbedrag van geldboeten aan te passen, rekening houdend met onder meer eventuele verzwarende omstandigheden die op de inbreuk van toepassing zijn.

153    Hieruit volgt dat enkel ongeoorloofde gedragingen en omstandigheden die de inbreuk verergeren, zoals de drie omstandigheden die in punt 28 van de richtsnoeren zijn opgesomd, kunnen rechtvaardigen dat de geldboete voor een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie wordt verhoogd, aangezien niemand kan worden ontmoedigd om een geoorloofde of onschadelijke gedraging te verrichten.

154    In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat arbitrage, zoals de Commissie in overweging 269 van het bestreden besluit heeft erkend, een algemeen aanvaarde methode voor geschilregeling met verbindende kracht is en dat het sluiten van een arbitragebeding als zodanig niet de mededinging beperkt.

155    In de tweede plaats blijkt uit overweging 286 van het bestreden besluit dat de Commissie, anders dan verzoekster stelt, niet heeft vastgesteld dat de arbitrageregeling inbreuk maakt op het recht van sporters op een eerlijk proces.

156    In de derde plaats moet worden benadrukt dat het bindende karakter van arbitrage en het feit dat de arbitrageregeling bepaalt dat enkel het CAS bevoegd is om kennis te nemen van geschillen over niet-toelatingsbesluiten van verzoekster kunnen worden gerechtvaardigd door legitieme belangen die verband houden met de specifieke kenmerken van sport. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in die zin heeft geoordeeld in een zaak die onder meer een arbitrageregeling betrof. Dat Hof heeft erkend dat de betrokkenen er stellig belang bij hebben dat geschillen in de professionele sport, met name indien zij een internationale dimensie hebben, kunnen worden voorgelegd aan een gespecialiseerde rechter die snel en efficiënt uitspraak kan doen. Het heeft hieraan toegevoegd dat internationale sportevenementen van hoog niveau in verschillende landen worden georganiseerd door organisaties die in verschillende staten zijn gevestigd, en dat die evenementen vaak toegankelijk zijn voor sporters van over de hele wereld. In dat verband zorgt de toegang tot één gespecialiseerd internationaal arbitragetribunaal voor een zekere procedurele uniformiteit en meer rechtszekerheid (zie EHRM, 2 oktober 2018, Mutu en Pechstein tegen Zwitserland, CE:ECHR:2018:1002JUD004057510, punt 98).

157    In de vierde plaats zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat eenieder bij een nationale rechter vergoeding van de geleden schade kan vorderen wanneer er een causaal verband bestaat tussen die schade en een door artikel 101 VWEU verboden mededingingsregeling of feitelijke gedraging (arrest van 5 juni 2014, Kone e.a., C‑557/12, EU:C:2014:1317, punt 22).

158    Doordat eenieder het recht heeft om de vergoeding van dergelijke schade te vorderen, worden de mededingingsregels van de Unie immers gemakkelijker toepasbaar en worden – vaak verborgen – overeenkomsten of praktijken die de mededinging kunnen beperken of vervalsen, minder aantrekkelijk. In zoverre kunnen schadevorderingen bijdragen tot de handhaving van een daadwerkelijke mededinging in de Unie (arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punt 27, en 5 juni 2014, Kone e.a., C‑557/12, EU:C:2014:1317, punt 23).

159    Hoewel de arbitrageregeling in casu schaatsers verhindert om zich tot de nationale rechter te wenden met een verzoek tot nietigverklaring van eventuele niet-toelatingsbesluiten die in strijd zijn met artikel 101, lid 1, VWEU, kunnen schaatsers niettemin desgewenst een vordering tot schadevergoeding instellen bij de nationale rechter overeenkomstig de in de punten 157 en 158 hierboven aangehaalde rechtspraak. Daarnaast kunnen ook externe organisatoren die menen dat een besluit om geen toestemming te verlenen in strijd is met artikel 101, lid 1, VWEU een vordering tot schadevergoeding instellen. In dergelijke gevallen is de nationale rechter niet gebonden aan het oordeel van het CAS over de vraag of het besluit van niet-toelating of de weigering om toestemming te verlenen verenigbaar is met het mededingingsrecht van de Unie, en kan hij in voorkomend geval op grond van artikel 267 VWEU een verzoek om een prejudiciële beslissing indienen bij het Hof.

160    Daarenboven kunnen schaatsers en externe organisatoren jegens wie een besluit houdende niet-toelating of een besluit houdende weigering om toestemming te verlenen is vastgesteld dat in strijd is met artikel 101, lid 1, VWEU, tevens een klacht indienen bij een nationale mededingingsautoriteit of bij de Commissie, zoals klagers in casu hebben gedaan. Een eventueel besluit van de met de zaak belaste autoriteit kan in voorkomend geval nog door de Unierechter worden getoetst. De Unierechter kan immers worden verzocht om over een dergelijke kwestie uitspraak te doen in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Commissie of na een prejudiciële verwijzing van een nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit van een nationale mededingingsautoriteit.

161    Uit de overwegingen in de punten 157 tot en met 160 hierboven blijkt dat een beroep op het arbitragesysteem van het CAS, anders dan de Commissie stelt, geen afbreuk kan doen aan de volle werking van het mededingingsrecht van de Unie.

162    De door de Commissie aangehaalde rechtspraak laat deze conclusie onverlet. Anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 maart 2018, Achmea (C‑284/16, EU:C:2018:158, punt 55), is het CAS immers niet opgericht bij een verdrag waarbij de lidstaten ermee hebben ingestemd om geschillen die betrekking kunnen hebben op de toepassing of de uitlegging van het mededingingsrecht te onttrekken aan de bevoegdheden van hun eigen rechters en, bijgevolg, aan het stelsel van rechtsmiddelen waarin de lidstaten overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moeten voorzien op de onder het Unierecht vallende gebieden.      

163    Uit het voorgaande volgt dat het feit dat de arbitrageregeling het CAS de exclusieve bevoegdheid verleent om de rechtmatigheid van besluiten van niet-toelating te toetsen en het feit dat arbitrage in casu verplicht is geen ongeoorloofde omstandigheden zijn die de geconstateerde inbreuk verergeren zoals de in punt 28 van de richtsnoeren van 2006 opgesomde omstandigheden. Derhalve kon de Commissie de arbitrageregeling niet als een verzwarende omstandigheid aanmerken en kon zij bijgevolg niet concluderen dat die regeling de uit de toelatingsregels voortvloeiende mededingingsbeperkingen versterkte.

164    Hieruit volgt dat het zesde middel, waarmee verzoekster stelt dat de conclusie van afdeling 8.7 van het bestreden besluit ongegrond is, moet worden aanvaard.

E.      Zevende middel: schending van artikel 7, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 1/2003

165    Met haar zevende middel betwist verzoekster de rechtmatigheid van artikel 2 van het bestreden besluit en stelt zij in wezen dat de Commissie artikel 1 van verordening nr. 1/2003 heeft geschonden door corrigerende maatregelen aan haar op te leggen die geen verband houden met de vermeende inbreuk. Zij stelt in het bijzonder dat de Commissie artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 heeft geschonden door haar ten onrechte te verplichten om de toelatingsregels te wijzigen terwijl de te wijzigen aspecten ervan geen inbreuk vormen. Evenzo kon de Commissie haar niet verplichten om de arbitrageregeling te wijzigen, daar zij niet had vastgesteld dat die regeling een inbreuk vormde.

166    De Commissie brengt hiertegen in dat zij geen corrigerende maatregelen heeft opgelegd aan verzoekster. Zij stelt dat zij verzoekster op grond van artikel 7, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1/2003 enkel heeft gelast om een einde aan de inbreuk te maken, waarbij zij de wijze van beëindiging van de inbreuk aan de keuze van verzoekster heeft overgelaten.

167    Er zij aan herinnerd dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 als volgt luidt:

„Wanneer de Commissie, naar aanleiding van een klacht of ambtshalve, een inbreuk op artikel [101 VWEU] of artikel [102 VWEU] vaststelt, kan zij bij [besluit] de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen gelasten een einde aan de vastgestelde inbreuk te maken. Zij kan hun daartoe alle maatregelen ter correctie van gedragingen of structurele maatregelen opleggen die evenredig zijn aan de gepleegde inbreuk en noodzakelijk zijn om aan de inbreuk daadwerkelijk een einde te maken [...].”

168    De in die bepaling genoemde voorwaarde dat de corrigerende maatregelen evenredig zijn aan de gepleegde inbreuk houdt in dat de aan ondernemingen gegeven opdracht om een inbreuk op de mededingingsregels te beëindigen, niet verder mag gaan dan wat passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand (arrest van 6 april 1995, RTE en ITP/Commissie, C‑241/91 P en C‑242/91 P, EU:C:1995:98, punt 93).

169    Uit de bewoordingen van artikel 2 van het bestreden besluit blijkt dat de Commissie verzoekster heeft gelast om de gepleegde inbreuk daadwerkelijk te beëindigen en zich in de toekomst te onthouden van iedere handeling met een identieke of soortgelijke strekking of met een identiek of soortgelijk gevolg. In overweging 339 van het bestreden besluit heeft de Commissie aangegeven dat er „meerdere manieren” waren om de geconstateerde inbreuk daadwerkelijk te beëindigen, en heeft zij vervolgens twee manieren genoemd. Zo heeft zij ten eerste opgemerkt dat verzoekster haar systeem van voorafgaande toestemming en de bijbehorende sanctieregeling kon intrekken. Ten tweede heeft de Commissie in overweging 339 van het bestreden besluit aangegeven dat indien verzoekster ervoor zou kiezen om haar systeem van voorafgaande toestemming te handhaven, zij de inbreuk „enkel” daadwerkelijk kon beëindigen door de toelatingsregels, „de arbitrageregeling van de ISU” en de toelatingscriteria in mededeling nr. 1974 substantieel te wijzigen, waarna zij een reeks stappen heeft genoemd die verzoekster daartoe zou moeten nemen.

170    Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de Commissie in casu terecht het bestaan van een beperking naar strekking heeft vastgesteld, zodat het onderhavige middel moet worden afgewezen voor zover de Commissie hiermee wordt verweten dat de maatregelen die zij aan verzoekster heeft opgelegd geen verband houden met de vastgestelde inbreuk.

171    Daarentegen maakt de arbitrageregeling, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft benadrukt in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht, geen deel uit van de geconstateerde inbreuk en heeft de Commissie, zoals blijkt uit punt 163 hierboven, ten onrechte vastgesteld dat die regeling die inbreuk verergerde.

172    De Commissie heeft in overweging 339 van het bestreden besluit verklaard dat het systeem van voorafgaande toestemming enkel kon worden behouden indien verzoekster de arbitrageregeling zou wijzigen (zie punt 169 hierboven). Een dergelijke overweging, gelezen in het licht van artikel 2 van het bestreden besluit, waarbij verzoekster wordt gelast om de inbreuk te beëindigen en de Commissie in kennis te stellen van de maatregelen die zij in dat verband heeft genomen, heeft bindende kracht, zelfs indien zou worden aangenomen dat dat verzoek om de arbitrageregeling te wijzigen, zoals de Commissie beweert, geen „maatregel ter correctie” is in de zin van artikel 7, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 1/2003.

173    Uit het voorgaande volgt dat de Commissie verzoekster ten onrechte heeft verplicht om wijzigingen aan te brengen in de arbitrageregeling, die de geconstateerde inbreuk niet verergerde en bovendien geen onlosmakelijk onderdeel van die inbreuk was.

174    Bijgevolg moet het zevende middel gedeeltelijk worden aanvaard, voor zover de Commissie het behoud van het systeem van voorafgaande toestemming afhankelijk heeft gesteld van de verplichting om de arbitrageregeling substantieel te wijzigen, en moet het worden verworpen voor het overige.

F.      Achtste middel: ontbreken van een rechtsgrondslag voor het opleggen van dwangsommen

175    Verzoekster stelt dat er twee redenen zijn waarom de Commissie haar geen dwangsommen kon opleggen. Ten eerste zijn de opgelegde corrigerende maatregelen vaag en onnauwkeurig en ten tweede is er geen verband tussen die maatregelen en de geconstateerde inbreuk.

176    In de eerste plaats blijkt uit het onderzoek van het zevende middel dat de Commissie voldoende nauwkeurige aanwijzingen heeft verstrekt wat betreft de maatregelen die verzoekster moest nemen om een einde aan de geconstateerde inbreuk te maken. Derhalve moet verzoeksters argument dat de Commissie geen dwangsommen kon opleggen vanwege het vage en onnauwkeurige karakter van die maatregelen, worden verworpen.

177    In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de Commissie op grond van artikel 24, lid 1, onder a), van verordening nr. 1/2003, indien zij krachtens artikel 7 van die verordening een besluit vaststelt, tevens dwangsommen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen kan opleggen om hen te dwingen om een einde te maken aan een inbreuk op de bepalingen van artikel 101 VWEU of artikel 102 VWEU. Zoals uiteengezet in het kader van het zevende middel, maakt de arbitrageregeling evenwel geen deel uit van de geconstateerde inbreuk. Derhalve kon de Commissie niet van verzoekster verlangen dat zij die regeling zou wijzigen en kon zij bijgevolg geen dwangsommen opleggen om de nakoming van die verplichting af te dwingen.

178    Bijgevolg moet het achtste middel gedeeltelijk worden aanvaard, voor zover hiermee kritiek wordt geuit op het feit dat dwangsommen worden opgelegd ingeval de arbitrageregeling niet zou worden gewijzigd, en moet het worden verworpen voor het overige.

V.      Conclusie met betrekking tot de uitkomst van het beroep

179    De vordering van verzoekster moet worden afgewezen, voor zover zij verzoekt om artikel 1 van het bestreden besluit nietig te verklaren.

180    Daarentegen blijkt uit de analyse van het zesde en het zevende middel dat de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat de arbitrageregeling de door de toelatingsregels teweeggebrachte mededingingsbeperkingen versterkte, en verzoekster ten onrechte heeft verplicht om wijzigingen aan te brengen in die regeling, die geen onlosmakelijk onderdeel was van de in artikel 1 van het bestreden besluit vastgestelde inbreuk. Derhalve moet artikel 2 van het bestreden besluit gedeeltelijk nietig worden verklaard.

181    Tot slot vloeit uit de analyse van het achtste middel voort dat bijgevolg ook artikel 4 van het bestreden besluit, op grond waarvan dwangsommen kunnen worden opgelegd in geval van niet-naleving van artikel 2, gedeeltelijk nietig moet worden verklaard, voor zover het verband houdt met de verplichting om de arbitrageregeling te wijzigen.

 Kosten

182    Ingevolge artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering draagt elke partij haar eigen kosten indien partijen respectievelijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.

183    Aangezien verzoekster in casu in het ongelijk is gesteld wat betreft haar vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van het bestreden besluit en gedeeltelijk in het gelijk is gesteld wat betreft haar vordering tot nietigverklaring van de artikelen 2 en 4 van dat besluit, dient te worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

184    Volgens artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht bepalen dat een andere interveniënt dan de lidstaten of de instellingen zijn eigen kosten zal dragen. Gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak moet worden beslist dat interveniënten hun eigen kosten zullen dragen.

HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)

verklaart voor recht:

1)      De artikelen 2 en 4 van besluit C(2017) 8230 final van de Commissie van 8 december 2017 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT/40208 – Toelatingsregels van de internationale schaatsunie) worden nietig verklaard voor zover de Commissie met haar bevel aan de International Skating Union om de geconstateerde inbreuk op straffe van een dwangsom te beëindigen, verwijst naar de arbitrageregeling en verlangt dat die regeling wordt gewijzigd indien het systeem van voorafgaande toestemming wordt gehandhaafd.

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      De International Skating Union en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.

4)      De European Elite Athletes Association, Jan Hendrik Tuitert en Niels Kersholt dragen hun eigen kosten.

Gervasoni

Madise

Nihoul

Frendo

 

      Martín y Pérez de Nanclares

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 december 2020.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.