Language of document : ECLI:EU:F:2012:28

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE
(Eerste kamer)

7 maart 2012

Zaak F‑31/11

BI

tegen

Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding

„Openbare dienst – Beroepstermijn – Taal van afwijzing van klacht”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij BI vraagt om, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de directrice van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) van 14 april 2010 om hem te ontslaan en, ten tweede, veroordeling van het Cedefop tot vergoeding van de materiële en de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker zal alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Beroep – Termijnen – Aanvang – Kennisgeving – Begrip – Besluit tot afwijzing van klacht waarvan aan ambtenaar kennis is gegeven in een taal die hij niet beheerst, maar in die klacht wordt gebruikt – Daaronder begrepen

(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 3)

2.      Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht – Termijnen – Regels van openbare orde – Verval van recht – Verschoonbare dwaling – Begrip

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

1.      Ook al regelen het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden niet welke taal de instellingen van de Unie in het kader van de tot hun personeel gerichte besluiten moeten gebruiken, wanneer de administratie een individueel besluit tot een ambtenaar of functionaris richt, moet zij dit besluit op grond van haar zorgplicht in een taal stellen die hij grondig beheerst.

Gaat het om een besluit tot afwijzing van een klacht, dan kan de kennisgeving van dat besluit in een taal die noch de moedertaal van de betrokken ambtenaar of functionaris is noch die waarin de klacht was opgesteld, regelmatig worden geacht op voorwaarde dat de betrokkene naar behoren kennis heeft kunnen nemen van dat besluit. Is de adressaat van dat besluit daarentegen van mening dat hij niet in staat is het te begrijpen, dan dient hij het bevoegde gezag van de instelling onverwijld te verzoeken om een vertaling in de taal van de klacht of in zijn moedertaal. Wordt dit verzoek onverwijld gedaan, dan begint de termijn pas te lopen vanaf de datum waarop de vertaling aan de betrokken ambtenaar of functionaris wordt verstrekt.

Kiest een ambtenaar of functionaris er echter vrijwillig voor om zijn klacht in te dienen in een taal die niet zijn moedertaal is, dan impliceert die keuze dat hij accepteert dat de instelling in haar antwoord ook die taal gebruikt.

Het is in elk geval toegestaan dat een administratie haar interne communicatietalen kan kiezen, indien die keuze berust op objectieve overwegingen. Gebruikt de administratie voor de opstelling van het besluit waarbij zij zich over de klacht uitspreekt de door de klager gekozen taal, dan berust dit op objectieve overwegingen verband houdende met de keuze van de taal die door de klager zelf is gemaakt. Om die reden kan het gebruik door de betrokken instelling van dezelfde taal als die waarin de klacht is ingediend geen willekeur opleveren.

(cf. punten 19‑22)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 23 maart 2000, Rudolph/Commissie, T‑197/98, punten 44 en 46, en aangehaalde rechtspraak; 7 februari 2001, Bonaiti Brighina/Commissie, T‑118/99, punten 15 en 17

Gerecht voor ambtenarenzaken: 3 maart 2009, Patsarika/Cedefop, F‑63/07, punt 31, en aangehaalde rechtspraak; 29 juni 2011, Angioi/Commissie, F‑7/07, punten 91 en 106

2.      De rechter van de Unie heeft erkend dat het mogelijk is dat de niet-inachtneming van de regels op het gebied van de klacht- en beroepstermijnen niet tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep leidt, wanneer die schending te wijten is aan een verschoonbare dwaling van de ambtenaar of de functionaris. Het begrip verschoonbare dwaling kan echter slechts betrekking hebben op uitzonderlijke omstandigheden waarin met name de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in doorslaggevende mate, bij een justitiabele te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een persoon met normale kennis van zaken mag worden verwacht, een begrijpelijke verwarring kan veroorzaken.

De advocaat van een verzoeker die namens en met instemming van zijn cliënt de tekst van de klacht zelf in een bepaalde taal heeft opgesteld en die vervolgens het besluit tot afwijzing van de klacht in diezelfde taal ontvangt, moet er wegens de kennis en de zorgvuldigheid die van een beroepsjurist mag worden verwacht wel van op de hoogte zijn dat, daar de beroepstermijnen dwingend zijn en niet ter beschikking van partijen staan, deze beginnen te lopen vanaf de datum van de kennisgeving van het besluit tot afwijzing van de klacht in de originele versie, opgesteld in de door de betrokkene gekozen taal, en niet vanaf de latere datum, waarop de verzoeker de afwijzing van de klacht vertaald in een andere taal heeft ontvangen.

(cf. punten 29 en 32)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 5 juli 2011, Coedo Suárez/Raad, F‑73/10, punten 40, en aangehaalde rechtspraak