Language of document : ECLI:EU:C:2022:401

Zaak C569/20

Strafprocedure

tegen

IR

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad)

 Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 19 mei 2022

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikel 8 – Recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn – Kennisgeving van de terechtzitting – Onmogelijkheid om de beklaagde te lokaliseren ondanks de redelijke inspanningen van de bevoegde autoriteiten – Mogelijkheid van een verstekprocedure en van een veroordeling bij verstek – Artikel 9 – Recht op een nieuw proces, of op een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld”

Justitiële samenwerking in strafzaken – Versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn –
Richtlijn 2016/343 – Recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn – Recht op een nieuw proces – Beklaagde die is gevlucht – Onmogelijkheid om die beklaagde te lokaliseren en in kennis te stellen van het tegen hem aangespannen proces ondanks de redelijke inspanningen van de bevoegde autoriteiten – Verstekprocedure – Toelaatbaarheid – Voorwaarde – Noodzaak om het recht op een nieuw proces van die beklaagde te waarborgen – Mogelijkheid om dat recht te weigeren – Voorwaarden

(Richtlijn 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad, overwegingen 38, 42 en 43 en art. 8 en 9)

(zie punten 47‑50, 59 en dictum)

Samenvatting

Indien een beklaagde niet kan worden gelokaliseerd, kan hij bij verstek worden berecht of veroordeeld. Hij heeft vervolgens wel het recht de procedure ten gronde in zijn aanwezigheid te laten heropenen

Dit recht kan hem echter worden geweigerd indien hij zich opzettelijk aan de berechting heeft onttrokken door te verhinderen dat de autoriteiten hem van de terechtzitting  in kennis stelden

In Bulgarije was een strafprocedure gestart tegen IR, die werd aangeklaagd wegens deelneming aan een criminele organisatie met het doel fiscale delicten te plegen waarop een gevangenisstraf staat. Een eerste tenlastelegging was hem persoonlijk betekend en IR had een adres opgegeven waarop hij bereikbaar was. Bij aanvang van de gerechtelijke fase van de procedure was hij daar echter niet aangetroffen, zodat de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije; hierna: „verwijzende rechter”) hem niet voor de terechtzitting had kunnen oproepen. De door die rechter ambtshalve toegevoegde advocaat had overigens geen contact met hem gehad. Bovendien was de aan IR betekende tenlastelegging wegens een procedurefout nietig verklaard, en de procedure was beëindigd. Nadat een nieuwe tenlastelegging was opgesteld en de procedure was heropend, was opnieuw naar IR gezocht zonder dat hij kon worden gelokaliseerd. De verwijzende rechter heeft daar ten slotte uit afgeleid dat IR was gevlucht en dat de zaak in die omstandigheden bij verstek kon worden behandeld.

Om de betrokkene naar behoren te kunnen informeren over de procedurele waarborgen waarover hij beschikt, wil de verwijzende rechter evenwel weten onder welke hypothese van richtlijn 2016/343(1) de situatie valt van IR, die is gevlucht nadat hij in kennis is gesteld van de eerste tenlastelegging en voordat de gerechtelijke fase van de strafprocedure is aangevangen.(2)

Het Hof antwoordt dat de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343 aldus moeten worden uitgelegd dat een beklaagde die de bevoegde nationale autoriteiten ondanks hun redelijke inspanningen niet hebben kunnen lokaliseren en aan wie die autoriteiten daardoor de informatie betreffende het tegen hem aangespannen proces niet hebben kunnen verstrekken, kan worden berecht en, in voorkomend geval, bij verstek kan worden veroordeeld. In dat geval moet deze persoon na de kennisgeving van die veroordeling evenwel in beginsel de mogelijkheid hebben om zich rechtstreeks te beroepen op het bij deze richtlijn toegekende recht om het proces te laten heropenen of toegang te krijgen tot een gelijkwaardige voorziening in rechte, zodat de zaak in zijn aanwezigheid opnieuw ten gronde kan worden behandeld. Het Hof verduidelijkt evenwel dat dit recht aan die persoon kan worden ontzegd indien uit nauwkeurige en objectieve aanwijzingen blijkt dat hij voldoende informatie heeft ontvangen om te weten dat tegen hem een proces ging worden gevoerd, en door opzettelijke handelingen en met de bedoeling om zich aan de berechting te onttrekken, heeft verhinderd dat de autoriteiten hem tijdig officieel van de terechtzitting in kennis stelden.

Beoordeling door het Hof

Het Hof herinnert er om te beginnen aan dat artikel 8, lid 4, en artikel 9 van richtlijn 2016/343, betreffende de inhoud en de reikwijdte van het recht op een nieuw proces, moeten worden geacht rechtstreekse werking te hebben. Dit recht is voorbehouden aan personen van wie het proces bij verstek wordt gevoerd, ook al is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn. Aan de andere kant berust de door richtlijn 2016/343 aan de lidstaten geboden mogelijkheid om, wanneer wel aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, ervan is voldaan, een verstekprocedure te voeren en de beslissing ten uitvoer te leggen zonder te voorzien in het recht op een nieuw proces, op de veronderstelling dat de naar behoren ingelichte betrokkene vrijwillig en op ondubbelzinnige wijze heeft afgezien van de uitoefening van het recht om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn.

Deze uitlegging waarborgt de naleving van de doelstelling van richtlijn 2016/343, die er in bestaat het recht op een eerlijk proces in strafzaken te versterken teneinde het vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtsstelsels te doen toenemen en de naleving van de rechten van de verdediging te waarborgen, terwijl tegelijkertijd wordt voorkomen dat een persoon die wel in kennis is gesteld van een terechtzitting, maar ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn, na een veroordeling bij verstek aanspraak kan maken op een nieuwe terechtzitting en aldus op onrechtmatige wijze de doeltreffendheid van de strafvervolging en de goede rechtsbedeling kan ondermijnen. Met betrekking tot de informatie over de terechtzitting en de gevolgen van een eventuele afwezigheid verduidelijkt het Hof dat het aan de nationale rechter staat om na te gaan of de betrokkene in kennis is gesteld van een officieel document met ondubbelzinnige vermelding van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn eventuele afwezigheid indien hij niet door een gemachtigde advocaat wordt vertegenwoordigd. Voorts moet die rechter verifiëren of dit document tijdig is betekend, zodat de betrokkene, indien hij besluit om aan de terechtzitting deel te nemen, zijn verdediging naar behoren kan voorbereiden.

Meer in het bijzonder met betrekking tot beklaagden die zijn gevlucht, stelt het Hof vast dat richtlijn 2016/343 zich verzet tegen een nationale regeling die het recht op een nieuw proces uitsluit op de enkele grond dat de betrokkene is gevlucht en de autoriteiten er niet in zijn geslaagd om hem te lokaliseren. Alleen indien er duidelijke en objectieve aanwijzingen zijn dat de betrokkene er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat tegen hem een proces zal worden gevoerd, maar met opzet vermijdt officieel in kennis te worden gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, kan hij worden geacht in kennis te zijn gesteld van de terechtzitting en vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te hebben gedaan van zijn recht om daarop aanwezig te zijn, welke situatie onder artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343(3) valt. Met name kan worden vastgesteld dat er van dergelijke nauwkeurige en objectieve aanwijzingen sprake is wanneer deze persoon vrijwillig een onjuist adres aan de in strafzaken bevoegde nationale autoriteiten heeft meegedeeld of zich niet meer bevindt op het door hem meegedeelde adres. Om te bepalen of de aan de betrokkene verstrekte informatie toereikend was, moet voorts bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving aan de betrokkene, enerzijds, en de zorgvuldigheid die de betrokkene aan de dag heeft gelegd om die informatie in ontvangst te nemen, anderzijds.

Het Hof verduidelijkt bovendien dat deze uitlegging strookt met het recht op een eerlijk proces, dat is neergelegd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


1      Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB L 65, blz. 1).


2      Artikel 8 van richtlijn 2016/343 gaat over het recht om bij de eigen terechtzitting aanwezig te zijn. Volgens lid 2 van dit artikel kunnen de lidstaten voorzien in de mogelijkheid dat een proces dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, plaatsvindt in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat hij tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid, of dat de betrokkene, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een advocaat die hij zelf heeft gemachtigd of die door de staat werd aangesteld. Artikel 8, lid 4, van deze richtlijn bepaalt dat wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van de betrokkene, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dat artikel gestelde voorwaarden omdat de betrokkene, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, de lidstaten niettemin kunnen bepalen dat een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer de betrokkenen in kennis worden gesteld van die beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9. Meer in het bijzonder moeten verdachten of beklaagden krachtens artikel 9 over het recht op een nieuw proces beschikken wanneer zij niet bij hun terechtzitting aanwezig waren en niet aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die richtlijn was voldaan.


3      Onder voorbehoud van de bijzondere behoeften van kwetsbare personen als bedoeld in de overwegingen 42 en 43 van richtlijn 2016/343.