Language of document : ECLI:EU:C:2016:248

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. MENGOZZI

van 12 april 2016 (1)

Zaak C‑121/15

Association nationale des opérateurs détaillants en énergie (ANODE)

tegen

Premier ministre,

Ministre de l’Économie, de l’Industrie et du Numérique,

Commission de régulation de l’énergie,

ENGIE, voorheen GDF Suez

[verzoek van de Conseil d’État (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2009/73/EG – Interne markt voor aardgas – Interventie van de staat in prijs voor levering van aardgas – Belemmering van totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt – Openbaredienstverplichting – Algemeen economisch belang – Doelstellingen ,voorzieningszekerheid’ en ,territoriale samenhang’ – Dekking van alle kosten”





1.        Het Hof wordt in deze zaak opnieuw verzocht in te gaan op de delicate kwestie van de grenzen van de bevoegdheid van de lidstaten om te interveniëren in de vaststelling van de prijs voor de levering van aardgas. Dit is een delicate kwestie omdat ze inhoudt dat twee eisen die enigszins met elkaar in tegenspraak zijn, met elkaar moeten worden verzoend: enerzijds de uitdrukkelijke doelstelling van richtlijn 2009/73(2) om de nationale markten open te stellen met het oog op de totstandbrenging van een volledig opengestelde interne markt voor aardgas binnen de Europese Unie, en anderzijds de eisen inzake openbaredienstverlening in het algemeen economisch belang op grond waarvan de lidstaten een grote handelingsvrijheid blijven behouden.

2.        De door de Franse Conseil d’État in deze prejudiciële verwijzing gestelde vragen maken deel uit van een geschil over de geldigheid van de Franse regeling met betrekking tot de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas. Op basis van deze regeling zijn bepaalde leveranciers, onder wie met name de historische leverancier, verplicht aan bepaalde categorieën van eindverbruikers de levering van aardgas tegen gereguleerde tarieven aan te bieden. Het staat alle leveranciers, ook diegenen die de gereguleerde tarieven moeten aanbieden, echter vrij aanbiedingen te doen die met de gereguleerde tarieven concurreren. De verbruikers die recht hebben op de levering tegen gereguleerde prijzen, hebben dus de keuze tussen twee soorten aanbiedingen, namelijk de aanbiedingen tegen gereguleerde tarieven, die enkel door bepaalde leveranciers worden aangeboden, en de aanbiedingen tegen de marktprijs, die door alle marktdeelnemers worden aangeboden.

3.        De Conseil d’État wil met zijn vragen in wezen vernemen of dit soort regeling uit de aard der zaak de totstandbrenging van een opengestelde en door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt, als bedoeld in richtlijn 2009/73, belemmert en, zo ja, of het nastreven van de doelstellingen van de voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang een dergelijke interventie eventueel kan rechtvaardigen. De Conseil d’État wenst eveneens te vernemen of een dergelijke overheidsinterventie mag zijn gebaseerd op het beginsel dat alle kosten van de historische leverancier moeten worden gedekt. Om deze vragen te beantwoorden, staat het aan het Hof om in overeenstemming met zijn vroegere rechtspraak en in het bijzonder met de zaak die tot zijn belangrijke arrest Federutility (C‑265/08, EU:C:2010:205) heeft geleid, een billijk evenwicht te vinden tussen alle belangen in kwestie.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Unierecht

4.        Richtlijn 2009/73 maakt deel uit van het „derde energiepakket”(3). Deze richtlijn heeft tot doel binnen de Unie een volledig opengestelde markt tot stand te brengen waarop alle consumenten hun leveranciers vrijelijk kunnen kiezen en alle aanbieders hun producten vrijelijk aan hun afnemers kunnen leveren.(4) In deze context erkent zij echter dat de naleving van de eisen inzake openbaredienstverlening fundamenteel is.(5) Daarom wil zij in dit verband gemeenschappelijke, door alle lidstaten na te leven minimumnormen vaststellen, waarbij rekening wordt gehouden met de doelstellingen op het gebied van de bescherming van de verbruikers, leverings‑ en voorzieningszekerheid, milieubescherming en gelijkwaardige mededingingsniveaus in alle lidstaten. Deze richtlijn erkent eveneens het belang dat de eisen inzake openbaredienstverlening, die op nationaal vlak moeten worden bepaald, op nationale basis kunnen worden uitgelegd, rekening houdend met de nationale omstandigheden en met inachtneming van de Uniewetgeving.(6)

5.        In overeenstemming met deze benadering wordt enerzijds in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73 bepaald dat „[d]e lidstaten [...] op basis van hun institutionele organisatie en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel [waarborgen] dat aardgasbedrijven, onverminderd lid 2, volgens de beginselen van deze richtlijn worden geëxploiteerd met het oog op de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte, zekere en in milieuopzicht duurzame aardgasmarkt; wat hun rechten en plichten betreft, mogen zij deze bedrijven niet verschillend behandelen.”

6.        Anderzijds mogen de lidstaten volgens artikel 3, lid 2, van deze richtlijn „[m]et volledige inachtneming van de toepasselijke bepalingen van het Verdrag, met name artikel [106 VWEU], [...] in het algemeen economisch belang aan bedrijven die in de gassector actief zijn openbaredienstverplichtingen opleggen, die betrekking kunnen hebben op de zekerheid, met inbegrip van voorzienings‑ en leveringszekerheid, regelmaat, kwaliteit en prijs van de leveringen, en milieubescherming, waaronder energie-efficiëntie, energie uit hernieuwbare bronnen en klimaatbescherming. Deze verplichtingen zijn duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar en waarborgen de gelijke toegang van [...] aardgasbedrijven [van de Unie] tot nationale consumenten. Met betrekking tot leverings‑ en voorzieningszekerheid en energie-efficiëntie/vraagzijdebeheer, alsmede ter verwezenlijking van milieudoelstellingen en doelstellingen voor energie uit hernieuwbare bronnen in de zin van dit lid, kunnen de lidstaten gebruikmaken van planning op lange termijn, daarbij rekening houdend met de mogelijkheid dat derden toegang tot het systeem wensen.”

B –    Frans recht

7.        In Frankrijk bepaalt de code de l’énergie de doelstellingen van het energiebeleid. Dit heeft als doel de strategische onafhankelijkheid van de natie te waarborgen en haar economische concurrentievermogen te bevorderen, en met name de voorzieningszekerheid te vrijwaren, een concurrerend energieprijspeil te handhaven en de sociale en territoriale samenhang te waarborgen door eenieders toegang tot energie te verzekeren.(7) Ditzelfde wetboek bepaalt dat aan de leveranciers van aardgas eisen inzake openbaredienstverlening worden opgelegd en dat deze met name betrekking hebben op de voorzieningszekerheid en op de kwaliteit en de prijs van de geleverde producten en diensten.(8)

8.        Artikel L. 410‑2 van de code de commerce stelt het beginsel dat tenzij de wet anders bepaalt, de prijzen van goederen, producten en diensten vrijelijk worden bepaald door het spel van de concurrentie. Volgens de tweede alinea van dit artikel kunnen de prijzen evenwel bij een aan de Conseil d’État voorgelegd decreet na raadpleging van de mededingingsautoriteit worden gereguleerd „[i]n sectoren of zones waar de prijsconcurrentie beperkt is wegens hetzij monopolies of aanhoudende voorzieningsmoeilijkheden, hetzij wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen”. De derde alinea van dezelfde bepaling stelt dat „[d]e bepalingen van de eerste twee alinea’s [...] er niet aan in de weg [staan] dat de regering, bij een aan de Conseil d’État voorgelegd decreet, tijdelijke maatregelen tegen buitensporige prijsstijgingen‑ of dalingen neemt die worden gerechtvaardigd door een crisissituatie, uitzonderlijke omstandigheden, een algemene ramp of een klaarblijkelijk abnormale situatie van de markt in een bepaalde sector. Het decreet wordt goedgekeurd na raadpleging van de Conseil national de la consommation [nationale consumentenraad]. Het preciseert de geldigheidsduur ervan, die niet langer mag zijn dan zes maanden.”

9.        Overeenkomstig de tweede alinea van artikel L. 410‑2(9) bepalen de artikelen L. 445‑1 tot en met L. 445‑4 van de code de l’énergie de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas. De regels om deze tarieven te bepalen zijn vastgesteld bij decreet nr. 2009‑1603 van 18 december 2009 (hierna: „decreet nr. 2009‑1603”), zoals gewijzigd bij decreet 2013‑400 van 16 mei 2013 (hierna: „decreet nr. 2013‑400”)(10). Laatstgenoemd decreet is de handeling waarvan in de nationale procedure de ongeldigheid wordt aangevoerd.

10.      De regeling van de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas, zoals deze blijkt uit de verwijzingsbeslissing, heeft de volgende kenmerken.

11.      Wat in de eerste plaats de bedrijven betreft die de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas moeten toepassen: deze zijn beperkt in aantal. Deze tarieven moeten uitsluitend door de historische leverancier, namelijk GDF Suez (thans Engie genaamd), 22 lokale distributiebedrijven en de vennootschap Total Energie Gaz worden toegepast.(11)

12.      Wat in de tweede plaats de persoonlijke werkingssfeer van deze tarieven betreft, en meer in het bijzonder de klanten die deze kunnen genieten, blijven ingevolge een wetswijziging van 2014(12) vanaf 1 januari 2016 enkel de huishoudelijke verbruikers (met inbegrip van de verenigingen van appartementeigenaars in gebouwen met meerdere appartementen van wie het verbruik lager is dan 30 000 kWh/jaar) en de niet-huishoudelijke eindverbruikers van wie het verbruik lager is dan 30 000 kWh/jaar in aanmerking komen voor de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas.

13.      Wat in de derde plaats de criteria voor de vaststelling van de gereguleerde tarieven betreft: deze vaststelling is gebaseerd op het beginsel van de kostendekking. Deze tarieven worden bepaald op basis van de intrinsieke kenmerken van de leveringen en de daaraan verbonden kosten, en ze dekken alle kosten met uitzondering van welke tegemoetkoming ook voor hun klanten die hebben gebruikgemaakt van hun recht om voor een marktconform aanbod te kiezen.(13) Voor de berekening van deze tarieven worden de voorzieningskosten en de andere kosten van de betrokken gasleveranciers in aanmerking genomen.(14) Ze bevatten een variabel deel dat is verbonden aan het effectieve verbruik en een forfaitair deel dat berekend wordt op basis van de vaste kosten voor de levering van aardgas waarbij ook rekening kan worden gehouden met de door de klant verbruikte, bestelde of gereserveerde hoeveelheid en de gebruiksvoorwaarden, met name de spreiding van de gevraagde hoeveelheden tijdens het jaar.(15)

14.      Wat in de vierde plaats de procedure voor de vaststelling van de gereguleerde tarieven betreft, blijkt uit artikel L. 445‑2 van de code de l’énergie dat de besluiten over de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas gezamenlijk worden vastgesteld door de ministers die bevoegd zijn voor economische zaken respectievelijk energie, op advies van de Commission de régulation de l’énergie (hierna: „CRE”).

15.      Meer in het bijzonder blijkt uit artikel 4 van decreet nr. 2009‑1603, zoals gewijzigd bij decreet nr. 2013‑400, dat twee ministeriële besluiten – na advies van de CRE – enerzijds voor elke leverancier een tariefformule bepalen waarin alle kosten voor de voorziening in aardgas zijn opgenomen en anderzijds een methode voor het evalueren van de andere kosten. De tariefformule en de andere kosten maken het mogelijk de gemiddelde kostprijs voor de levering van aardgas te bepalen, op basis waarvan de gereguleerde tarieven voor de verkoop ervan worden vastgesteld afhankelijk van de voorwaarden voor het leveren van de dienst aan de betrokken klanten. De CRE voert elk jaar een gedetailleerde analyse uit van alle kosten voor de voorziening in aardgas en de andere kosten.

16.      Voor elke leverancier bepaalt een besluit van de ministers die bevoegd zijn voor economische zaken respectievelijk energie op advies van de CRE, na de door laatstgenoemde meegedeelde analyse, de gereguleerde tariefschalen, in voorkomend geval op basis van de voorstellen van de leverancier.(16) Deze schalen worden indien nodig opnieuw onderzocht en gewijzigd na advies van de CRE en in voorkomend geval volgens de voorstellen van de leverancier, op basis van de evolutie van de tariefformule, alsook van de evolutie van de andere kosten.(17)

17.      Tot slot wijzigt de betrokken leverancier, volgens een bij ministerieel besluit bepaalde frequentie en ten hoogste eenmaal per maand, de schalen van zijn gereguleerde tarieven door er de schommelingen van de kosten voor de voorziening in aardgas in door te berekenen, zoals die volgen uit de toepassing van zijn tariefformule, behoudens verzet van de eerste minister in geval van een uitzonderlijke prijsstijging van de olieproducten of van de marktprijzen voor aardgas tijdens de laatste maand of tijdens een cumulatieve periode van drie maanden.(18)

II – Feiten van het hoofdgeding, nationale procedure en prejudiciële vragen

18.      Bij verzoekschrift van 17 juli 2013 heeft de Association nationale des opérateurs détaillants en énergie (ANODE) beroep ingesteld bij de Conseil d’État met het oog op de nietigverklaring van decreet nr. 2013‑400 wegens bevoegdheidsoverschrijding. ANODE voert in haar beroep onder meer aan dat de artikelen L. 445‑1 tot en met L. 445‑4 van de code de l’énergie, die ten uitvoer zijn gelegd bij het decreet waarvan zij nietigverklaring vordert, in strijd zijn met de doelstellingen van richtlijn 2009/73.

19.      In het kader van dit geding stelt de Conseil d’État in de eerste plaats de vraag of een interventie van de staat in de prijzen, zoals die in de Franse regeling is bepaald, moet worden geacht het prijspeil voor de levering van aardgas aan eindverbruikers los van de vrije marktwerking te bepalen, en aldus naar haar aard – in strijd met artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73 – de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt belemmert.

20.      Indien dat het geval is, vraagt de Conseil d’État zich in de tweede plaats af volgens welke criteria de verenigbaarheid van een dergelijke regeling moet worden beoordeeld en in het bijzonder of artikel 106, lid 2, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73, de lidstaten toestaat om via de invoering van gereguleerde prijzen doelstellingen zoals de voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang na te streven. De Conseil d’État stelt eveneens de vraag of een interventie van een staat in de vaststelling van de prijs is toegestaan wanneer die gebaseerd is op het beginsel dat alle kosten van de historische leverancier moeten worden gedekt, en welke bestanddelen van de kosten eventueel in aanmerking mogen worden genomen voor de vaststelling van de gereguleerde tarieven.

21.      In die omstandigheden heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet de interventie van een lidstaat die bestaat in het opleggen aan de historische exploitant van de verplichting om eindverbruikers tegen gereguleerde tarieven de levering van aardgas aan te bieden, maar er niet aan in de weg staat dat zowel de historische leverancier als de alternatieve leveranciers concurrerende aanbiedingen doen tegen prijzen die lager zijn dan die tarieven, worden geacht los van de vrije marktwerking het prijspeil voor de levering van aardgas aan eindverbruikers te bepalen, en belemmert zij uit de aard der zaak de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, volgens welke criteria moet dan worden beoordeeld of een dergelijke interventie van de staat in de prijs voor de levering van aardgas aan eindverbruikers verenigbaar is met richtlijn 2009/73/EG?

In het bijzonder:

a)      In hoeverre en onder welke voorwaarden staat artikel 106, lid 2, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73/EG, de lidstaten toe om, door te interveniëren in de prijs voor de levering van aardgas aan eindverbruikers, andere doelstellingen na te streven dan de handhaving van de leveringsprijs op een redelijk niveau, zoals de voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang?

b)      Staat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73/EG, met name gelet op de doelstellingen ,voorzieningszekerheid’ en ,territoriale samenhang’, een interventie van een lidstaat in de vaststelling van de prijs voor de levering van aardgas toe die is gebaseerd op het beginsel dat alle kosten van de historische leverancier moeten worden gedekt, en mogen de door de tarieven te dekken kosten andere bestanddelen omvatten dan het representatieve gedeelte van de voorziening op lange termijn?”

III – Procedure voor het Hof

22.      De verwijzingsbeslissing is op 18 december 2014 ingekomen bij het Hof. ANODE, Engie, de Franse, de Hongaarse en de Poolse regering, alsmede de Europese Commissie hebben opmerkingen ingediend.

IV – Juridische analyse

23.      In beide prejudiciële vragen is in wezen de vraag aan de orde of een regeling inzake gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas, zoals de regeling die in Frankrijk bestaat en wordt beschreven in de punten 7 tot en met 17 van deze conclusie, verenigbaar is met richtlijn 2009/73 en artikel 106, lid 2, VWEU.

24.      Het Hof heeft in zijn rechtspraak, en in het bijzonder in het arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205), reeds het analysekader bepaald om te beoordelen of een interventie van een staat in de prijzen, inzonderheid in de aardgassector, verenigbaar is met het Unierecht. In dit arrest en de daaropvolgende rechtspraak(19) heeft het Hof verschillende aanwijzingen gegeven met betrekking tot de criteria waarop een dergelijke beoordeling moet steunen. De door de Conseil d’État voorgelegde vragen moeten dus in lijn met deze rechtspraak worden onderzocht.

A –    Belemmering van de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt

25.      Om te beginnen stelt de verwijzende rechter de vraag of een interventie van een staat in de aardgasprijzen, zoals die waarin de Franse regeling in kwestie voorziet, uit haar aard de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt, waarnaar in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73 wordt verwezen, belemmert.

26.      De verwijzende rechter benadrukt in het bijzonder dat de Franse regeling in de eerste plaats wordt gekenmerkt door het feit dat de gereguleerde prijzen niet aan alle, maar slechts aan bepaalde gasleveranciers zijn opgelegd, meer in het bijzonder aan de zogenaamde historische leverancier, in de tweede plaats door het feit dat deze regeling niet eraan in de weg staat dat noch de leveranciers die deze gereguleerde tarieven moeten toepassen, noch de andere leveranciers aan alle verbruikers aanbiedingen doen tegen prijzen die lager zijn dan de gereguleerde tarieven, en in de derde plaats door het feit dat deze reglementering steunt op het beginsel van de kostendekking. Volgens de verwijzende rechter kon dankzij dit laatste kenmerk worden verhinderd dat de historische exploitant prijzen hanteerde die zodanig laag waren dat zij misbruik opleverden.

27.      In dit verband moet worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat, ook al volgt uit geen enkele bepaling van richtlijn 2009/73(20) dat de prijs voor de levering van aardgas uitsluitend door het spel van vraag en aanbod moet worden bepaald, dit vereiste evenwel uit de doelstelling en de algemene opzet van deze richtlijn volgt, die, zoals verschillende punten van de considerans ervan(21) alsook verschillende bepalingen ervan(22) aangeven, tot doel heeft de totstandbrenging van een volledig en werkelijk opengestelde aardgasmarkt na te streven waarop alle consumenten hun leveranciers vrijelijk kunnen kiezen en alle leveranciers hun producten vrijelijk aan hun klanten kunnen leveren(23).

28.      Bovendien moet worden opgemerkt dat het Hof in het arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205) een maatregel van interventie door de overheid in de verkoopprijs van aardgas heeft gekwalificeerd als een maatregel die „naar zijn aard een belemmering voor de totstandkoming van een operationele interne gasmarkt vormt”.(24)

29.      In casu voorziet de betrokken Franse regeling in een interventie van de staat die er in wezen in bestaat bepaalde bedrijven te verplichten op de markt aan bepaalde categorieën van klanten de verkoop van aardgas aan te bieden tegen prijzen die het resultaat zijn van een berekening volgens door de overheid vastgestelde criteria en tarieven.

30.      Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, leveren de volgens deze regeling vastgestelde tarieven gereguleerde prijzen op die niet het resultaat zijn van een vrije prijsvorming op basis van het spel van vraag en aanbod op de markt. Deze tarieven zijn daarentegen het gevolg van een prijsvorming op basis van door de overheid opgelegde criteria, die zich dus buiten de dynamiek van de marktkrachten situeert.

31.      Een maatregel waarbij de verplichting wordt opgelegd om een product of een dienst op de markt tegen een bepaalde prijs aan te bieden, tast noodgedwongen de vrijheid aan van de betrokken ondernemingen om actief te zijn op de markt in kwestie, en aldus ook het mededingingsproces dat zich op deze markt afspeelt. Hoewel de gevolgen van een dergelijke maatregel op de markt afhankelijk zijn van de subjectieve en objectieve werkingssfeer ervan, doet dit geen afbreuk aan de vaststelling dat een dergelijke maatregel, doordat hij ingrijpt in het mededingingsproces, naar zijn aard in strijd is met de doelstelling van de totstandbrenging van een opengestelde en door concurrentie gekenmerkte markt, waarbij deze vaststelling uiteraard losstaat van de omstandigheid dat de maatregel eventueel kan worden gerechtvaardigd door het geldende wettelijke kader.

32.      In casu verschilt de betrokken Franse regeling inderdaad, zoals de verwijzende rechter en de Franse Republiek opmerken, op verschillende punten van de Italiaanse regeling die aan de oorsprong lag van de zaak die tot het arrest Federutility (C‑265/08, EU:C:2010:205) heeft geleid en die voorzag in de bepaling van een referentieprijs die alle aardgasleveranciers in hun commerciële aanbiedingen moesten opnemen.

33.      Geen van de kenmerken van de in deze zaak aan de orde zijnde regeling , zoals deze door de verwijzende rechter worden benadrukt en in punt 26 van deze conclusie zijn vermeld, kan echter afdoen aan de vaststelling dat een tariefbepaling volgens door de overheid opgelegde verplichtingen, de werking van de mededinging noodzakelijkerwijze beïnvloedt en dat een regeling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding onverenigbaar is met de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73 vastgestelde doelstelling van de totstandbrenging van een open en door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt.

34.      In de eerste plaats doet de omstandigheid dat de Franse regeling inzake de gereguleerde tarieven de verplichting om aardgas tegen een bepaalde prijs aan te bieden, uitsluitend aan bepaalde marktdeelnemers oplegt, geen afbreuk aan de vaststelling dat voor zover deze regeling de handelingsvrijheid van deze bedrijven op de markt beperkt, zij het mededingingsproces dat er zich afspeelt, beïnvloedt. Een dergelijke regeling heeft tot gevolg dat de gelijkheid tussen de marktdeelnemers wordt verbroken en is duidelijk in strijd met het vereiste dat in overweging 3 van de considerans van richtlijn 2009/73 en in de in punt 27 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak wordt vermeld, dat alle deelnemers hun producten vrijelijk aan hun klanten kunnen leveren.

35.      In de tweede plaats kan vanuit hetzelfde oogpunt het feit dat de bedrijven die de gereguleerde tarieven moeten toepassen, hun aanbiedingen op de markt eveneens vrijelijk kunnen bepalen, niet afdoen aan de vaststelling dat de betrokken interventie van de staat het mededingingsspel op de markt beïnvloedt. Want niettegenstaande deze mogelijkheid bestaan op de markt, ingevolge de interventie van de staat, noodzakelijkerwijze twee segmenten, namelijk een „gereguleerd” segment, dat in de aardgassector in Frankrijk overigens zeer groot is(25), waar de prijzen van het product of de dienst buiten het spel van vraag en aanbod worden vastgesteld, en een vrij segment. Een dergelijke opdeling van de markt is op zich onverenigbaar met de idee van een volledig en werkelijk opengestelde en door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt. In dit verband geeft de – door de verwijzende rechter overgenomen – bewering van de Franse regering dat de gereguleerde tarieven in de praktijk een referentieplafond voor de vaststelling van de prijzen van de aanbiedingen van de andere leveranciers vormen, aan dat deze tarieven een concrete impact hebben op de markt.

36.      In de derde plaats kan het feit dat de vaststelling van de gereguleerde prijzen op het beginsel van kostendekking is gebaseerd, evenmin afbreuk doen aan de vaststelling dat de gereguleerde tarieven de mededinging aantasten. Dit kenmerk, dat zeker geen mededingingsbevorderend effect heeft, heeft volgens mij eerder tot gevolg dat het de betrokken leveranciers een soort waarborg biedt dat ze via de gereguleerde tarieven in staat zullen zijn om hun kosten volledig terug te winnen, ten minste voor het deel van hun cliënteel dat van deze tarieven gebruikmaakt. De andere leveranciers hebben echter geen vergelijkbare waarborg, wat duidelijk een concurrentienadeel vormt dat het gevolg is van het bestaan van deze regeling.

37.      Tot slot is de overweging van de verwijzende rechter dat de gereguleerde tarieven hebben verhinderd dat de dominante exploitant prijzen hanteerde die zodanig laag waren dat zij misbruik opleverden, volgens mij niet relevant voor de beoordeling van de invloed van deze tarieven op de mededinging, aangezien die praktijk al verboden werd door de regeling inzake misbruik van machtspositie en in het bijzonder door artikel 102 VWEU.

38.      Mijn conclusie is dat de interventie van een lidstaat die bestaat in het opleggen aan bepaalde leveranciers, onder wie de historische leverancier, van de verplichting om eindverbruikers de levering van aardgas tegen gereguleerde tarieven aan te bieden, maar er niet aan in de weg staat dat alle leveranciers concurrerende aanbiedingen doen tegen prijzen die lager zijn dan die tarieven, naar haar aard de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73 belemmert.

B –    Voorwaarden voor de interventie van de lidstaten

39.      Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat hoewel de interventie van een staat in de vaststelling van de prijs voor de levering van aardgas aan de eindverbruiker, de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt belemmert, deze interventie toch kan worden toegestaan in het kader van richtlijn 2009/73, op voorwaarde dat de in deze richtlijn gestelde voorwaarden zijn vervuld.(26)

40.      Richtlijn 2009/73 heeft immers, zoals in de punten 43 en 44 van de considerans ervan wordt bepaald, naast de doelstelling van de totstandbrenging van een opengestelde en door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt, eveneens als doelstellingen de handhaving van „hoge normen” van openbaredienstverlening te waarborgen, de eindverbruiker te beschermen en de leverings‑ en voorzieningszekerheid te garanderen. Precies om aan deze laatste doelstellingen te voldoen, wordt in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73 bepaald dat het „onverminderd” lid 2 van dit artikel van toepassing is.

41.      Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat, in het licht van deze laatste bepaling(27) alsook van het erin vermelde artikel 106 VWEU(28), een interventie van een lidstaat in de vaststelling van de prijs voor de levering van aardgas slechts is toegestaan als drie voorwaarden worden nageleefd. In de eerste plaats moet de interventie een doelstelling van algemeen economisch belang nastreven, in de tweede plaats moet zij het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen en in de derde plaats moet zij voorzien in duidelijk gedefinieerde, transparante, niet-discriminerende en controleerbare openbaredienstverplichtingen en moet zij de aardgasbedrijven van de Unie gelijke toegang tot de consumenten waarborgen. Het is betreffende de draagwijdte van deze voorwaarden en de toepassing ervan op de onderhavige zaak dat de verwijzende rechter twijfels heeft in het kader van zijn tweede prejudiciële vraag.

1.      Algemeen economisch belang

42.      Wat de eerste voorwaarde betreft, namelijk dat de interventie van de staat in de vaststelling van de prijs voor de levering van aardgas moet zijn gerechtvaardigd door het nastreven van het algemeen economisch belang, vraagt de verwijzende rechter zich in het kader van zijn tweede prejudiciële vraag, onder a), af in hoeverre en onder welke voorwaarden een lidstaat andere doelstellingen van algemeen economisch belang mag nastreven dan de handhaving van de leveringsprijs op een redelijk niveau, welke doelstelling het Hof heeft erkend in het arrest Federutility (C‑265/08, EU:C:2010:205). De verwijzende rechter verwijst in het bijzonder naar de in artikel L. 100‑1 van de code de l’énergie vermelde doelstellingen van de voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang, die de Franse regering in het hoofdgeding heeft ingeroepen als doelstellingen van de regeling inzake de gereguleerde tarieven.

43.      In dit verband wijs ik vooraf erop dat hoewel richtlijn 2009/73 geen definitie bevat van het begrip „algemeen economisch belang”(29), uit de rechtspraak blijkt dat de verwijzing in artikel 3, lid 2, van deze richtlijn naar zowel dit begrip als artikel 106 VWEU, dat betrekking heeft op bedrijven die belast zijn met een dienst van algemeen economisch belang, impliceert dat dit begrip tegen de achtergrond van laatstgenoemde bepaling van het Verdrag moet worden uitgelegd.(30)

44.      Meer in het algemeen ben ik van mening dat volgens een systematische en coherente benadering in het Unierecht, de door richtlijn 2009/73 bepaalde voorwaarde dat de openbaredienstverplichtingen in de gassector „in het algemeen economisch belang” dienen te worden opgelegd, moet worden uitgelegd in het licht van de andere relevante bepalingen van het Unierecht en in het bijzonder van het primaire recht. In dit perspectief moet een dergelijke uitlegging in verband worden gebracht met de nieuwe context die volgt uit de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, die naast artikel 106 VWEU ook artikel 14 VWEU, het nieuwe protocol nr. 26 betreffende de diensten van algemeen belang (hierna: „Protocol nr. 26”) en artikel 36 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie betreffende de toegang tot diensten van algemeen economisch belang, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft gekregen, omvat.

45.      In deze nieuwe context leidt de analyse van de relevante bepalingen, alsook van de rechtspraak van het Hof, mij ertoe de volgende overwegingen te formuleren.

46.      Een eerste overweging heeft betrekking op de rol die in hoofde van de lidstaten moet worden erkend om de doelstellingen van algemeen economisch belang te definiëren die het opleggen van openbaredienstverplichtingen kunnen rechtvaardigen. In dit verband wijs ik erop dat Protocol nr. 26 in het algemeen uitdrukkelijk de essentiële rol en de ruime discretionaire bevoegdheid erkent van de overheden van de lidstaten om diensten van algemeen economisch belang te verrichten, te doen verrichten en te organiseren.(31) Wat in het bijzonder de aardgassector betreft, blijkt uit de tweede zin van overweging 47 van richtlijn 2009/73 dat „[d]e eisen inzake openbaredienstverlening [...] op nationaal niveau [dienen] te worden gedefinieerd, met inachtneming van nationale omstandigheden; het [Unie]recht dient echter door de lidstaten te worden nageleefd”.(32)

47.      Deze benadering, die een ruime handelingsvrijheid aan de lidstaten wil toekennen(33), komt naar voren in de rechtspraak met betrekking tot de openbaredienstverplichtingen in de energiesector, waarin het Hof er met verwijzing naar de doelstelling van artikel 106 VWEU en de desbetreffende rechtspraak(34) op gewezen heeft dat de lidstaten het recht hebben om met inachtneming van het Unierecht de omvang en de organisatie van hun diensten van algemeen economisch belang te definiëren(35).

48.      Een tweede overweging, die enigszins verband houdt met de eerste, heeft betrekking op de mogelijkheid die de lidstaten hebben om bij het definiëren van de doelstellingen van algemeen economisch belang hun nationale situaties en beleid in aanmerking te nemen. Aldus wordt in Protocol 26 uitdrukkelijk de eis erkend om rekening te houden met de diversiteit van de verschillende diensten van algemeen economisch belang en met de verschillen inzake de behoeften en de voorkeuren van de gebruikers die kunnen voortvloeien uit verschillende geografische, sociale of culturele omstandigheden.(36) Dezelfde eis wordt uitgedrukt met betrekking tot de aardgassector, zowel in overweging 44 van richtlijn 2009/73(37) als in de rechtspraak van het Hof, volgens welke de lidstaten bij het definiëren van de omvang en de organisatie van hun diensten van algemeen economisch belang rekening kunnen houden met doelstellingen van hun nationale beleid.(38)

49.      Uit deze overwegingen blijkt dat het in principe aan de lidstaten staat om, rekening houdend met hun nationale situaties en beleid, de doelstelling van algemeen economisch belang te definiëren die ze door het opleggen van openbaredienstverplichtingen in de gassector willen nastreven. Deze mogelijkheid om de doelstellingen van algemeen economisch belang te definiëren, houdt echter geen absolute vrijheid van de lidstaten in(39), maar moet met inachtneming van het Unierecht worden verwezenlijkt.

50.      Aldus moet in concreto worden bepaald hoe de aan de lidstaten geboden handelingsvrijheid betreffende de doelstellingen van algemeen economisch belang die ze via de oplegging van openbaredienstverplichtingen beogen na te streven, kan worden verzoend met het vereiste van inachtneming van het Unierecht.

51.      In dit verband moet eerst iets worden onderzocht waarover reeds veel is gediscussieerd, namelijk welke uitlegging dient te worden gegeven aan de opsomming in het in punt 6 van deze conclusie weergegeven artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73. Beweerd werd immers dat deze bepaling een uitputtende opsomming bevat van de gronden van algemeen economisch belang die de interventie van de staat kunnen legitimeren.(40) Het Hof heeft zich nog niet uitgesproken over deze kwestie, die niet onbelangrijk is, want als een dergelijke beperkende uitlegging wordt gevolgd, zal dit ertoe leiden dat een interventie van de staat waarmee een doelstelling van algemeen economisch belang wordt nagestreefd zoals de territoriale samenhang die niet in de lijst wordt vermeld, niet gerechtvaardigd is.

52.      In dit verband sluit ik mij echter volledig aan bij de benadering van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer volgens wiens opvatting deze lijst geen gronden van algemeen belang betreft, maar eerder de „soorten maatregelen” vermeldt die het voorwerp kunnen zijn van openbaredienstverplichtingen.(41) Een dergelijke uitlegging stemt volgens mij overeen met de letterlijke strekking van de bepaling in kwestie, waarin wordt bevestigd dat de openbaredienstverplichtingen „betrekking kunnen hebben” op de zekerheid, regelmaat, kwaliteit en prijs van de leveringen en op de andere erin opgesomde aspecten. Bijgevolg kunnen de lidstaten volgens deze bepaling aan de ondernemingen openbaredienstverplichtingen opleggen die onder meer betrekking hebben op – dat wil zeggen als voorwerp hebben – de zekerheid, regelmaat, kwaliteit en prijs van de leveringen. Deze verplichtingen moeten echter steeds strekken tot de verwezenlijking van een of meer doelstellingen van algemeen economisch belang.(42) Uit deze overwegingen volgt dat de opsomming in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73, geen uitputtende lijst betreft van de doelstellingen van algemeen economisch belang die de lidstaten in het kader van deze richtlijn kunnen nastreven.

53.      Nu dit is verduidelijkt, moet erop worden gewezen dat de lidstaten weliswaar vrij blijven om de doelstellingen van algemeen economisch belang te definiëren die ze willen nastreven door openbaredienstverplichtingen op te leggen, maar dat niet kan worden miskend dat de aardgassector een sector is waarvoor de Uniewetgever wetgeving heeft vastgesteld waarmee hij uitdrukkelijk bijzondere doelstellingen nastreeft.

54.      In dit verband heeft het Hof erop gewezen dat de lidstaten bij de door richtlijn 2009/73 aan hen opgelegde beoordeling of aan de ondernemingen die in de gassector actief zijn, in het algemeen economisch belang openbaredienstverplichtingen moeten worden opgelegd, de doelstelling van de liberalisering en de andere doelstellingen van richtlijn 2009/73 met elkaar dienen te verzoenen.(43)

55.      Dit door het Hof aldus geformuleerde vereiste dat de doelstellingen die de Uniewetgever in richtlijn 2009/73 uitdrukkelijk beoogd, met elkaar in evenwicht moeten zijn, geeft volgens mij het bijzondere belang van deze doelstellingen weer. Het betreft immers doelstellingen waarvan de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft gezegd dat zij moeten worden nagestreefd. Daaruit volgt dat het nastreven van deze doelstellingen een grotere rol kan spelen bij de beoordeling van de evenredigheid van een maatregel houdende een openbaredienstverplichting die de eveneens door richtlijn 2009/73 nagestreefde ruimere doelstelling van opening van de markten met het oog op de totstandbrenging van een interne aardgasmarkt mogelijkerwijs ondermijnt.

56.      In casu blijkt uit de voorgaande overwegingen dat de continuïteit van de energievoorziening wellicht een doelstelling van algemeen economisch belang vormt, die – mits inachtneming van de andere voorwaarden – een interventie van de staat met betrekking tot de prijs voor de levering van aardgas kan rechtvaardigen. Reeds op het niveau van het primaire recht duidt artikel 194, lid 1, onder b), VWEU immers de continuïteit van de energievoorziening in de Unie aan als een van de gronddoelstellingen van het Uniebeleid op het gebied van energie. Vervolgens blijkt, wat specifiek de aardgassector betreft, uit verschillende overwegingen van de considerans en uit de artikelen van richtlijn 2009/73 dat de continuïteit van de energievoorziening uitdrukkelijk als een van de gronddoelstellingen van deze richtlijn wordt beschouwd.(44) Meer bepaald wordt in richtlijn 2009/73 de voorzieningszekerheid zeer uitdrukkelijk als een van de doelstellingen beschouwd die in aanmerking moet worden genomen bij de eventuele oplegging van openbaredienstverplichtingen in de aardgassector.(45)

57.      Daarentegen wordt de territoriale samenhang in richtlijn 2009/73 niet specifiek vermeld als doelstelling van algemeen economisch belang die het opleggen van openbaredienstverplichtingen op het gebied van aardgas kan rechtvaardigen. In dit verband moet echter worden opgemerkt dat artikel 14 VWEU enerzijds uitdrukkelijk de rol erkent die de diensten van algemeen economisch belang hebben gespeeld in het bevorderen van de territoriale samenhang van de Unie en artikel 36 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie anderzijds de territoriale samenhang uitdrukkelijk vermeldt in het kader van het recht op toegang tot diensten van algemeen economisch belang. Voor zover een interventie van de staat de territoriale samenhang tot doel heeft, in die zin dat zij een algemene en gelijke toegang tot aardgas op het volledige grondgebied van een lidstaat beoogt, waarbij de doelstelling erin bestaat een situatie te vermijden waarin bepaalde regio’s van een land, bijvoorbeeld wegens hun geografische ligging of hun natuurlijke omstandigheden, niet over die toegang zouden beschikken, moet het nastreven van een dergelijke doelstelling bovendien ongetwijfeld worden geacht in overeenstemming met richtlijn 2009/73 te zijn, inzonderheid met artikel 3, lid 3, ervan, dat bepaalt dat „[de lidstaten m]et name [...] passende maatregelen [nemen] ter bescherming van op het gassysteem aangesloten eindafnemers in afgelegen gebieden”. In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de doelstelling van de territoriale samenhang, wanneer deze aldus wordt uitgelegd, deel uitmaakt van de doelstellingen van richtlijn 2009/73.

58.      Ik kom dan ook tot de slotsom dat uit de voorgaande overwegingen blijkt dat richtlijn 2009/73, en met name artikel 3, lid 2, uitgelegd in het licht van de artikelen 14 en 106 VWEU alsook van Protocol nr. 26, de lidstaten toestaat om na te gaan of in het algemeen economisch belang aan ondernemingen die in de gassector actief zijn, openbaredienstverplichtingen moeten worden opgelegd met betrekking tot de prijs voor de levering van aardgas teneinde met name de voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang te waarborgen, voor zover alle andere voorwaarden van deze richtlijn zijn vervuld.

2.      Inachtneming van het evenredigheidsbeginsel

59.      De tweede voorwaarde die moet zijn vervuld om een interventie van een lidstaat in de vaststelling van de prijs voor de levering van aardgas te kunnen toestaan, is dat de aan de ondernemingen opgelegde openbaredienstverplichtingen het evenredigheidsbeginsel naleven. Het Hof heeft de nadruk gelegd op een strikte controle van de inachtneming van dit beginsel en aldus gepreciseerd dat deze openbaredienstverplichtingen aan de vrije totstandkoming van de prijs voor de levering van aardgas mogen afdoen voor zover dit noodzakelijk is ter verwezenlijking van de door deze verplichtingen beoogde doelstellingen van algemeen economisch belang.(46)

60.      De naleving van het evenredigheidsbeginsel vereist in de eerste plaats dat deze maatregel geschikt is om de erdoor nagestreefde doelstelling van algemeen economisch belang te verwezenlijken.(47) In de tweede plaats, wat de duur van de interventie van de staat in de prijzen betreft, heeft het Hof geoordeeld dat deze beperkt moet zijn tot wat strikt noodzakelijk is ter verwezenlijking van het erdoor nagestreefde doel, teneinde met name te voorkomen dat een maatregel die naar zijn aard een belemmering voor de totstandkoming van een operationele interne gasmarkt vormt, onbeperkt zou blijven gelden.(48) In de derde plaats heeft het Hof erop gewezen dat de toegepaste interventiemethode niet verder mag gaan dan hetgeen noodzakelijk is ter verwezenlijking van de beoogde doelstelling van algemeen economisch belang.(49) In de vierde plaats dient de evenredigheid van de maatregel ook te worden getoetst aan de persoonlijke werkingssfeer van de maatregel.(50)

61.      Het staat aan de verwijzende rechter om in het kader van het hoofdgeding te beoordelen of het opleggen aan bepaalde leveranciers van de verplichting om aan bepaalde categorieën van klanten de levering van aardgas tegen gereguleerde tarieven aan te bieden, voldoet aan het evenredigheidsvereiste. Het Hof kan deze rechter voor zover mogelijk en aan de hand van de beschikbare informatie evenwel op basis van het recht van de Unie de noodzakelijke aanwijzingen daartoe verstrekken.(51)

a)      Geschiktheid van de maatregel ter verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen van algemeen belang

62.      In de eerste plaats dient de verwijzende rechter na te gaan of de maatregel in kwestie, in de vorm waarin die is vastgesteld, geschikt is ter verwezenlijking van de ingeroepen doelstellingen, namelijk de voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang. De geschiktheid van de maatregel veronderstelt het bestaan van een directe band tussen de opgelegde verplichting en de beoogde doelstelling. Dienaangaande moet een onderscheid tussen deze twee doelstellingen worden gemaakt.

63.      Wat de voorzieningszekerheid betreft, verwijst de verwijzende rechter naar het argument van de Franse regering dat de voorzieningskeuzen van de historische leverancier en het feit dat diens voorzieningsportefeuille hoofdzakelijk bestaat uit aan de olieprijs gekoppelde langetermijnovereenkomsten, een grotere voorzieningszekerheid waarborgen. Bovendien voegt de Franse regering in haar opmerkingen daaraan toe dat de instabiliteit van de groothandelsmarkt voor aardgas kan leiden tot een volatiliteit van de gasprijs die de prijs voor de levering van gas aan de eindverbruikers beïnvloedt. De gereguleerde tarieven en hun berekeningsmodaliteiten zouden een afvlakkingsmechanisme bevatten voor de gasprijzen, dat tot gevolg heeft dat de impact voor de eindverbruiker van plotselinge evoluties ten gevolge van de volatiliteit van de prijzen voor olie en gas, wordt getemperd.

64.      In dit verband merk ik in de eerste plaats op dat het dossier geen aanwijzing bevat van het bestaan van een verplichting in hoofde van de leveranciers die de gereguleerde tarieven moeten toepassen (noch in hoofde van de andere leveranciers) om langetermijn-voorzieningsovereenkomsten te sluiten teneinde de voorzieningszekerheid tegen redelijke prijzen (namelijk de gereguleerde prijzen) te waarborgen in geval van een energiecrisis of een grote prijsvolatiliteit.(52) De verwijzingsbeslissing verwijst trouwens naar „keuzen” inzake voorziening van de historische leverancier, wat erop lijkt te wijzen dat het sluiten van langetermijnovereenkomsten eerder steunt op de commerciële beslissing van de genoemde leverancier dan op een op hem rustende juridische verplichting. Aangezien er geen band bestaat tussen het sluiten van langetermijn-voorzieningsovereenkomsten en de gereguleerde tarieven, is het op basis van de in het dossier voorgestelde informatie echter niet duidelijk hoe het opleggen van deze tarieven kan worden gerechtvaardigd op basis van het bestaan van deze overeenkomsten.

65.      In de tweede plaats is het stellig niet uitgesloten dat in geval van een energiecrisis die tot een zeer grote prijsstijging zou leiden, een maatregel die de verplichting inhoudt om aardgas tegen een bepaalde prijs aan te bieden en te leveren, eventueel geschikt kan worden geacht om de voorzieningszekerheid te waarborgen, doch vastgesteld moet worden dat een dergelijke interventie, die een uitzonderlijk karakter heeft, onder strikte voorwaarden reeds kan worden verricht volgens artikel L. 410‑2, alinea 3, van de code du commerce. De verwijzende rechter dient te beoordelen of er plotselinge evoluties zijn van de aardgasprijs ten gevolge van de volatiliteit van de prijzen voor gas zelf of voor olie, die de vaststelling zouden rechtvaardigen van een dergelijke maatregel, die in wezen een permanente interventie van de staat in de prijs is. Bij de beoordeling van de evenredigheid van deze maatregel wat de doelstelling van de voorzieningszekerheid betreft, moet de verwijzende rechter eveneens rekening houden met de maatregelen die in het kader van verordening nr. 994/2010(53) zijn vastgesteld.

66.      Wat de territoriale samenhang betreft, vermeldt de verwijzingsbeslissing het argument van de Franse regering dat de gereguleerde tarieven voor de verkoop van gas het mogelijk maken de prijzen op het gehele nationale grondgebied te harmoniseren. De Franse Republiek voert in haar opmerkingen aan dat de kosten voor de distributie over het transmissienet, die de transporteur aan de gasleveranciers factureert, sterk kunnen schommelen naargelang van de afstand van de klant tot de hoofdtransmissie-infrastructuren en dat de tarievenregeling in deze omstandigheden de kostenverschillen die tussen de klanten bestaan, kan verminderen door een gedeeltelijke gelijkstelling in te voeren.

67.      Het lijkt niet uitgesloten dat de doelstelling van de territoriale samenhang, zoals deze in punt 57 van deze conclusie is omschreven, kan worden gewaarborgd door het opleggen van een verplichting om het gas tegen een bepaalde prijs te leveren. Het staat echter aan de verwijzende rechter om in het kader van de analyse van het noodzakelijke karakter van de maatregel na te gaan of er geen maatregelen mogelijk zijn die eveneens geschikt zijn om deze doelstelling te waarborgen maar die de totstandbrenging van een opengestelde interne aardgasmarkt minder belemmeren dan een algemene prijsverplichting, die niet geldt voor bepaalde categorieën van – volgens objectieve geografische criteria geïdentificeerde – klanten die in afgelegen gebieden wonen maar op het geheel van bepaalde categorieën van – op basis van hun gasverbruik geïdentificeerde – klanten.

b)      Duur van de maatregel

68.      Wat in de tweede plaats de duur van de maatregel betreft, moet worden opgemerkt dat uit de informatie waarover het Hof beschikt, blijkt dat de betrokken Franse regeling niet voorziet in een beperking van de duur van de verplichting om aan de eindverbruiker de levering van aardgas tegen gereguleerde tarieven aan te bieden, wat aan deze verplichting een permanent karakter verleent. Het is juist dat de Franse regeling, zoals de Franse regering in haar opmerkingen benadrukt, in een verplichting tot periodieke herziening van de gereguleerde tarieven voorziet.(54) Deze verplichting tot periodieke herziening blijkt echter betrekking te hebben op de vaststelling van het niveau van deze tarieven en niet op de noodzaak en de voorwaarden voor de interventie van de staat in de prijzen op basis van de evolutie van de gassector. Zij lijkt dus niet te kunnen afdoen aan de vaststelling dat het om een permanente interventie gaat.(55)

69.      Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of een maatregel waarin een in wezen permanente verplichting wordt opgelegd om aardgas tegen een bepaalde prijs te leveren, in de vorm waarin die maatregel is vastgesteld, kan worden geacht niet verder te gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is om de twee aangevoerde doelstellingen te bereiken.

c)      Noodzakelijk karakter van de maatregel

70.      In de derde plaats staat het eveneens aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de betrokken regeling noodzakelijk. Hij moet dus nagaan of de methode van overheidsinterventie in de bij deze – aldus vastgestelde – regeling ingevoerde prijzen, niet verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is ter bereiking van de nagestreefde doelstellingen van algemeen economisch belang, en of er geen passende, minder hinderlijke maatregelen kunnen worden getroffen.

71.      In dit verband heeft het Hof in het arrest Federutility (C‑265/08, EU:C:2010:205) erop gewezen dat wanneer een interventie van de staat in de prijzen voor de levering van aardgas kan worden gerechtvaardigd, het evenredigheidsvereiste met name verlangt dat deze interventie in beginsel enkel betrekking heeft op het prijsbestanddeel dat een rechtstreekse opwaartse invloed ondergaat als gevolg van de specifieke omstandigheden waarvan de interventie van de staat de gevolgen wil beperken.(56)

72.      In deze context vraagt de verwijzende rechter zich met zijn tweede prejudiciële vraag, onder b), af of, rekening houdend met beide beoogde doelstellingen, een interventie van de staat in de aardgasprijs kan worden gebaseerd op het beginsel van de dekking van de volledige kosten van de historische leverancier. Bovendien vraagt hij zich in wezen af welke bestanddelen van de kosten door de gereguleerde tarieven kunnen worden gedekt.

73.      Wat allereerst de toelaatbaarheid in de zin van richtlijn 2009/73 betreft van de vaststelling van gereguleerde tarieven die op het beginsel van kostendekking zijn gebaseerd, moet worden opgemerkt dat deze richtlijn geen aanwijzingen verstrekt over de berekeningsmodaliteiten van dergelijke tarieven en evenmin over de kosten die eventueel kunnen worden gedekt. Deze richtlijn steunt immers, zoals de Commissie terecht opmerkt, op de idee dat de prijs voor de levering van aardgas in beginsel uit de vrije mededinging moet voortvloeien. In deze omstandigheden, en voor zover alle voorwaarden voor een interventie van de staat in de prijs zijn vervuld, verzet niets zich in beginsel tegen de toepassing van een methode voor de vaststelling van gereguleerde tarieven die gebaseerd zijn op de kosten. De vraag die dan rijst betreft echter de vraag welke kosten bij die berekeningsmethode in aanmerking kunnen worden genomen, gelet op het evenredigheidsbeginsel.

74.      In dit verband merk ik met betrekking tot de verwijzing naar de „volledige” kosten om te beginnen op dat het door het Hof in de punten 36 en 38 van het arrest Federutility (C‑265/08, EU:C:2010:205) geformuleerde vereiste dat, de interventie van de staat in de prijs beperkt moet worden tot wat strikt noodzakelijk is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel, lijkt te impliceren dat in de mate van het mogelijke het bestanddeel van de prijs moet worden geïdentificeerd waarin dient te worden geïntervenieerd teneinde de door de geplande interventie beoogde doelstelling te bereiken.

75.      Als in casu dus blijkt dat het echt noodzakelijk is om in gereguleerde tarieven te voorzien om de doelstelling van de voorzieningszekerheid en die van de in punt 57 van de onderhavige conclusie omschreven territoriale samenhang te waarborgen, dan is voor de naleving van het evenredigheidsbeginsel vereist dat de interventie in beginsel beperkt is tot de bestanddelen van de prijs die een opwaartse invloed ondergaan doordat deze doelstellingen worden nagestreefd.

76.      Zoals in de punten 42 tot en met 58 van deze conclusie is uiteengezet, beschikken de lidstaten over een handelingsvrijheid bij het definiëren, uitvoeren en organiseren van de openbaredienstverplichtingen die zij in het algemeen economisch belang aan de aardgasbedrijven willen opleggen, zodat hun een organisatorische autonomie moet worden toegekend om de operationele modaliteiten van deze verplichtingen in concreto te definiëren. Ook al moet die autonomie hen in staat stellen om deze openbaredienstverplichtingen aldus te organiseren dat de werking ervan is gewaarborgd, een methode van berekening van de gereguleerde tarieven die gebaseerd is op de dekking van de volledige kosten leidt volgens mij evenwel noodzakelijkerwijze ertoe dat ook kosten in aanmerking worden genomen – welke kosten met toepassing van een dergelijke methode bestanddelen van het tarief vormen(57) – die geen opwaartse invloed kunnen ondergaan als gevolg van het feit dat de ingeroepen doelstelling van algemeen economisch belang wordt nagestreefd. In die omstandigheden betwijfel ik of een op de dekking van de volledige kosten gebaseerde methode van vaststelling van de gereguleerde tarieven verenigbaar is is met het bovenvermelde vereiste, dat door het Hof in het arrest Federutility (C‑265/08, EU:C:2010:205) is uitgedrukt en volgens hetwelk de interventie van een staat niet verder mag gaan dan hetgeen noodzakelijk is ter verwezenlijking van de door de interventie beoogde doelstelling van algemeen economisch belang.

77.      Wat vervolgens de verwijzing naar de dekking van de kosten van „de historische leverancier” betreft, moet eraan worden herinnerd dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73 vereist dat de openbaredienstverplichtingen niet-discriminerend zijn. Ik verwijs aangaande dit aspect echter naar de punten 81 tot en met 83 van deze conclusie.

d)      Persoonlijke werkingssfeer

78.      In de vierde plaats moet het vereiste van evenredigheid eveneens worden getoetst aan de persoonlijke werkingssfeer van de maatregel en meer in het bijzonder aan de kring van de begunstigden ervan. In het arrest Federutility (C‑265/08, EU:C:2010:205) heeft het Hof dit aspect van de evenredigheid van de betrokken maatregel getoetst aan de beoogde doelstelling, namelijk de handhaving van de leveringsprijs voor aardgas op een redelijk niveau om de eindverbruiker te beschermen. Het Hof heeft geoordeeld dat het evenredigheidsvereiste in beginsel niet wordt geëerbiedigd indien de regeling gelijkelijk ten goede komt aan particulieren en aan ondernemingen, als eindafnemers van gas.(58)

79.      In casu bepaalt de betrokken regeling dat de begunstigden van de levering tegen gereguleerde prijzen vanaf 1 januari 2016 de huishoudelijke afnemers zijn, alsook de ondernemingen die minder dan 30 000 kWh/jaar verbruiken. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of een dergelijk systeem, dat gelijkelijk ten goede lijkt te komen aan huishoudelijke afnemers en aan kleine en middelgrote ondernemingen, het evenredigheidsvereiste eerbiedigt wat de persoonlijke werkingssfeer van de maatregel betreft, gelet op de doelstellingen van voorzieningszekerheid en territoriale samenhang.

3.      Duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar karakter van de openbaredienstverplichtingen en noodzaak van een gelijke toegang van de gasbedrijven van de Unie tot de consumenten

80.      Tot slot moet de betrokken maatregel voldoen aan de andere voorwaarden van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73, betreffende het duidelijk gedefinieerde, transparante, niet-discriminerende en controleerbare karakter van de openbaredienstverplichtingen, alsook aan de noodzaak van een gelijke toegang van de gasbedrijven van de Unie tot de consumenten. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in casu het geval is.

81.      Wat in het bijzonder het niet-discriminerende karakter betreft, kunnen de hierna volgende overwegingen worden geformuleerd.

82.      In de eerste plaats merk ik op dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73 in de mogelijkheid voorziet om openbaredienstverplichtingen op te leggen „aan bedrijven die in de gassector” in het algemeen „actief zijn”, en niet slechts aan bepaalde bedrijven. Bovendien blijkt uit artikel 3, lid 1, van deze richtlijn dat de lidstaten de aardgasbedrijven „wat hun rechten en plichten betreft, [...] niet verschillend [mogen] behandelen”. De voorwaarde van het niet-discriminerende karakter strekt ertoe dat de betrokken verplichtingen in gelijke mate bindend zijn voor alle marktdeelnemers in de sector zodat de mededinging niet wordt beïnvloed.(59) In die omstandigheden mag een regeling ter aanwijzing van de ondernemingen die met openbaredienstverplichtingen belast zijn, a priori geen enkele onderneming uitsluiten die actief is in de gassector.(60)

83.      In casu moet worden vastgesteld dat de betrokken regeling van de gereguleerde tarieven uitsluitend voor bepaalde gasbedrijven geldt en dat uit geen enkel gegeven in de stukken blijkt dat de toepassing van deze regeling niet beperkt is tot bepaalde marktdeelnemers die tijdens een bepaalde periode zonder onderscheid uitsluitend op basis van vooraf vastgestelde objectieve criteria ervoor in aanmerking zouden komen.(61)

V –    Conclusie

84.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Conseil d’État als volgt te beantwoorden:

„De interventie van een lidstaat waarbij bepaalde leveranciers, onder wie de historische leverancier, de verplichting wordt opgelegd om eindverbruikers de levering van aardgas tegen gereguleerde tarieven aan te bieden, maar niet eraan in de weg staat dat alle leveranciers die op de markt actief zijn, concurrerende aanbiedingen doen tegen prijzen die lager zijn dan die tarieven, belemmert naar haar aard de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte aardgasmarkt als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG.

Richtlijn 2009/73, en met name artikel 3, lid 2, ervan, uitgelegd in het licht van de artikelen 14 en 106 VWEU alsook van Protocol nr. 26 betreffende de diensten van algemeen belang, staat de lidstaten toe na te gaan of in het algemeen economisch belang aan ondernemingen die in de gassector actief zijn, openbaredienstverplichtingen moeten worden opgelegd met betrekking tot de prijs voor de levering van aardgas teneinde onder meer de voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang te waarborgen, voor zover enerzijds alle bij artikel 3, lid 2, van deze richtlijn gestelde voorwaarden – inzonderheid wat het niet-discriminerende karakter van die verplichtingen betreft – zijn vervuld, en anderzijds de betrokken maatregel het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt.

Als dat het geval is, verzet artikel 3, lid 2, van richtlijn 2009/73 zich in beginsel niet tegen een methode van berekening van de prijs waarbij wordt uitgegaan van de kosten, op voorwaarde dat de toepassing van een dergelijke methode niet tot gevolg heeft dat de interventie van de staat verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is ter verwezenlijking van de met de interventie beoogde doelstellingen van algemeen economisch belang.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 – Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (PB 2009, L 211, blz. 94).


3 – Het „derde energiepakket” werd in juli 2009 vastgesteld en omvat naast richtlijn 2009/73, richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (PB 2009, L 211, blz. 55), verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (PB 2009, L 211, blz. 1), verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1228/2003 (PB 2009, L 211, blz. 15), alsook verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1775/2005 (EG) (PB 2009, L 211, blz. 36).


4 – Zie punt 3 van de considerans van richtlijn 2009/73.


5 – Zie punten 44 en 47 van de considerans van richtlijn 2009/73.


6 – Ibidem.


7 – Zie artikel L. 100‑1 van de code de l’énergie.


8 – Zie artikel L. 121‑32 van de code de l’énergie. Zie wat de bepaling van overeenkomsten van openbaredienstverlening tussen de Staat en GDF SUEZ betreft, artikel L. 121‑46 van de code de l’énergie en voetnoot 52 van deze conclusie.


9 – Zie artikel L. 445‑1 van de code de l’énergie.


10 – Decreet nr. 2009‑1603 van 18 december 2009 inzake de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas, zoals gewijzigd door decreet nr. 2013‑400 van 16 mei 2013 (JORF nr. 113 van 17 mei 2013, blz. 8189, tekst nr. 12).


11 – Zie artikel 2 van decreet nr. 2009‑1603, zoals gewijzigd bij decreet nr. 2013‑400 van 16 mei 2013.


12 – Zie de consumptiewet nr. 2014‑344 van 17 maart 2014 (JORF nr. 65 van 18 maart 2014, blz. 5400, tekst nr. 1).


13 – Artikel L. 445‑3 van de code de l’énergie, gelezen in samenhang met artikel L. 441‑1 van dat wetboek.


14 – Zie artikel 3 van decreet nr. 2009‑1603, zoals gewijzigd door decreet nr. 2013‑400. Volgens artikel 4 van dit decreet bevatten de andere kosten met name de kosten voor het gebruik van de aardgastransmissienetten, voor de opslag en de verkoop van de geleverde diensten, met inbegrip van een redelijke commerciële marge. Zie eveneens advies nr. 13‑A‑09 van de Franse mededingingsautoriteit van 25 maart 2013 betreffende een ontwerp van decreet inzake de gereguleerde tarieven voor de verkoop van aardgas, blz. 4.


15 – Zie artikel 3 van decreet nr. 2009‑1603, zoals gewijzigd door decreet nr. 2013‑400.


16 – Artikel 5 van decreet nr. 2009‑1603, zoals gewijzigd bij decreet nr. 2013‑400.


17 – Ibidem.


18 – Artikel 6 van decreet nr. 2009‑1603, zoals gewijzigd bij decreet nr. 2013‑400.


19 – Zie in het bijzonder arrest Enel Produzione (C‑242/10, EU:C:2011:861) met betrekking tot richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG (PB 2003, L 176, blz. 37) en arrest Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570).


20 – Het Hof heeft deze uitlegging een eerste maal gehanteerd in het arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 18) met betrekking tot richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG (PB 2003, L 176, blz. 57). Nadien heeft het erop gewezen dat de in het arrest Federutility aangaande de toelaatbaarheid van een interventie van de staat met het oog op prijsregulering ontwikkelde uitlegging en verstrekte aanwijzingen eveneens voor richtlijn 2009/73 gelden (zie arrest Commissie/Polen, C‑36/14, EU:C:2015:570, punten 45 en 53).


21 – Zie punten 3, 5, 22, 33 en 44 van de considerans van richtlijn 2009/73.


22 – Zie artikelen 3, leden 1 en 4, 13, lid 1, onder a), 34, lid 2, 37, 40, onder a), en 48, lid 3, onder a), van richtlijn 2009/73.


23 – Zie in deze zin arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 18). Zie eveneens arrest Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570, punt 45).


24 – Zie punt 35 van dit arrest. Zie tevens arrest Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570, punt 56).


25 – Aldus blijkt uit het jaarlijkse activiteitenverslag van de CRE voor 2014 (blz. 3) dat in dat jaar aan 67,5 % van alle residentiële sites (wat neerkomt op 68,7 % van het verbruik op jaarbasis) en aan 40,2 % van alle niet-residentiële sites (wat neerkomt op 10,4 % van het verbruik op jaarbasis) tegen de gereguleerde tarieven werd geleverd.


26 – Zie wat richtlijn 2003/55 betreft, arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 24) en wat richtlijn 2009/73 betreft, arrest Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570, punten 52 en 53). Zie eveneens voetnoot 20 van deze conclusie.


27 – Zie wat richtlijn 2003/55 betreft, arresten Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punten 20‑22 en 47) en Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570, punten 51 en 52).


28 – Zie wat richtlijn 2003/55 betreft, arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 33) en wat richtlijn 2003/54 betreft, arresten Enel Produzione (C‑242/10, EU:C:2011:861, punt 42) en Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570, punt 51).


29 – Zie wat dit begrip betreft, de overwegingen van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de punten 53‑55 van zijn conclusie in de zaak Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2009:640).


30 – Zie arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 26) en voetnoot 20 van deze conclusie.


31 – Zie artikel 1, eerste streepje van Protocol nr. 26.


32 – Cursivering van mij.


33 – In dit verband merk ik op dat advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in zijn conclusie in de zaak Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2009:640, punt 46) reeds erop gewezen had dat uit de vaagheid van richtlijn 2009/73 ten aanzien van het voorzien in openbaredienstverplichtingen in het algemeen economisch belang, de wil van de Uniewetgever bleek om aan de lidstaten een ruime handelingsvrijheid toe te kennen. Deze vaststelling betrof richtlijn 2003/55. Aangezien richtlijn 2009/73 niets heeft veranderd aan de relevante bepalingen van richtlijn 2003/55, geldt deze vaststelling eveneens voor richtlijn 2009/73.


34 – Het Hof heeft gepreciseerd dat deze bepaling het belang van de lidstaten om gebruik te maken van bepaalde ondernemingen als instrument van economisch of fiscaal beleid, beoogt te verzoenen met het belang van de Unie bij naleving van de mededingingsregels en bij behoud van de eenheid van de gemeenschappelijke markt. Zie in deze zin arresten Albany (C‑67/96, EU:C:1999:430, punt 103); Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 28), en Enel Produzione (C‑242/10, EU:C:2011:861, punt 41).


35 – Zie arresten Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 29 alsook de aldaar aangehaalde rechtspraak) en Enel Produzione (C‑242/10, EU:C:2011:861, punt 50).


36 – Zie artikel 1, tweede streepje van Protocol nr. 26.


37 – Volgens de tweede zin van deze overweging van de considerans „[...] is [het] belangrijk dat de eisen inzake openbaredienstverlening op nationale basis kunnen worden geïnterpreteerd, rekening houdend met de nationale omstandigheden en met inachtneming van de [Unie]wetgeving”.


38 – Zie arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punten 29 en 30).


39 – Advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer gebruikte deze uitdrukking reeds in zijn conclusie in de zaak Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2009:640, punt 47).


40 – Zie de verwijzingen naar de rechtsleer in voetnoot 30 van de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2009:640).


41 – Ibidem.


42 – Aldus had de lidstaat, met name in de zaak die tot het arrest Federutility (C‑265/08, EU:C:2010:205) heeft geleid, een verplichting „met betrekking tot de prijs” opgelegd – die het opleggen van een maatregel met betrekking tot de prijs voor de levering van gas tot voorwerp had – die erop gericht was de doelstelling van algemeen economisch belang van de prijsstabiliteit na te streven ter bescherming van de eindverbruiker. Zie arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punten 20, 24 en 32). In casu heeft de openbaredienstverplichting betrekking op de prijs, maar deze zou volgens de verklaringen van de Franse regering voor de verwijzende rechter erop gericht zijn de doelstellingen van algemeen belang van de voorzieningszekerheid en de territoriale samenhang na te streven.


43 – Zie in die zin, wat de doelstelling van de bescherming van de eindverbruiker betreft, arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 32).


44 – Overwegingen 1, 8, 21, 22, 35, 40, 44, 47 en 55, artikelen 3, leden 2, 5 en 7, 5, 6, 11, leden 3, onder b), 5, onder b), 7 en 8, 13, lid 2, 17, lid 2, onder f), 22, lid 1, 34, lid 2, 36, lid 1, onder a), 41, lid 8, 48, lid 3, onder b), en 52, leden 1, onder d), 4 en 6, van richtlijn 2009/73.


45 – Zie met name de overwegingen 44 en 47 van richtlijn 2009/73.


46 – Zie arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 33) alsook, in die zin, arrest Enel Produzione (C‑242/10, EU:C:2011:861, punt 42).


47 – Zie arrest Enel Produzione (C‑242/10, EU:C:2011:861, punt 56).


48 – Zie arresten Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punten 33 en 35); Enel Produzione (C‑242/10, EU:C:2011:861, punt 75), en Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570, punt 56).


49 – Zie arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 36).


50 – Zie arresten Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 39) en Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570, punt 60).


51 – Zie in die zin arresten Federutility e.a.(C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 34) en Enel Produzione (C‑242/10, EU:C:2011:861, punt 49).


52 – De verwijzingsbeslissing vermeldt artikel L. 121‑46 van de code de l’énergie waarin wordt bepaald dat „[d]e doelstellingen en de regels om de uitvoering van de [...] openbaredienstverplichtingen te verzekeren, [...] het voorwerp [zijn] van overeenkomsten” tussen de staat en GDF Suez met betrekking tot de haar opgelegde openbaredienstverplichtingen, en dat deze overeenkomsten met name betrekking hebben op de openbaredienstverplichtingen inzake voorzieningszekerheid. Hoewel de verwijzende rechter deze bepaling vermeldt, verstrekt hij echter geen informatie met betrekking tot het bestaan zelf van deze overeenkomsten. Meer in het bijzonder is enerzijds voor het Hof aangevoerd dat de laatste overeenkomst inzake openbaredienstverlening op 31 december 2013 verstreken was en niet is verlengd, en is er anderzijds geen aanwijzing dat een eventuele overeenkomst inzake openbaredienstverlening tussen de Franse Staat en GDF-Suez zou hebben voorzien in een verplichting om langetermijn-voorzieningsovereenkomsten te sluiten.


53 – Verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van richtlijn 2004/67/EG van de Raad (PB 2010, L 295, blz. 1).


54 – De Franse regering merkt op dat de CRE elk jaar een gedetailleerde analyse maakt van de kosten voor de voorziening met aardgas en de andere kosten, dat de ministers die bevoegd zijn voor economische zaken respectievelijk energie ten minste eenmaal per jaar op basis van de analyse van de CRE de tariefformule vaststellen alsook de berekeningsmodaliteiten voor de andere kosten, en dat elke leverancier zijn tariefschalen wijzigt volgens een bij besluit bepaalde frequentie (zie punten 14‑18 van deze conclusie).


55 – Zie in dit verband arresten Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punt 35) alsook Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570, punten 57 en 58).


56 – Zie arrest Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punten 37 en 38).


57 – In een methode voor de vaststelling van de gereguleerde prijs volgens welke deze prijs wordt vastgesteld op basis van de volledige kosten, is elk kostenbestanddeel noodzakelijkerwijze een bestanddeel van de gereguleerde prijs.


58 – Zie arresten Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2010:205, punten 39‑43) en Commissie/Polen (C‑36/14, EU:C:2015:570, punt 60).


59 – Zie in deze zin conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Federutility e.a. (C‑265/08, EU:C:2009:640, punt 81).


60 – Zie in dit verband arrest Commissie/Frankrijk (C‑220/07, EU:C:2008:354, punt 31) wat het mechanisme betreft voor de aanwijzing van de ondernemingen die belast zijn met openbaredienstverplichtingen volgens richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (Universeledienstrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 51).


61 – Zie in die zin arrest Enel Produzione (C‑242/10, EU:C:2011:861, punt 86).