Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel (België) op 26 oktober 2020 – Q, R, S tegen United Airlines, Inc.

(Zaak C-561/20)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers: Q, R, S

Verweerster: United Airlines, Inc.

Prejudiciële vragen

Dienen artikel 3.1, a), en artikel 7 van verordening (EG) 261/20041 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, zoals geïnterpreteerd door Uw Hof, zo uitgelegd te worden dat een passagier recht heeft op een financiële compensatie lastens een niet-communautaire luchtvaartmaatschappij wanneer hij op zijn eindbestemming aankomt met een vertraging van meer dan drie uur ingevolge een vertraging van de laatste vlucht, waarvan de plaats van vertrek en de plaats van aankomst beiden gelegen zijn op het grondgebied van een derde land zonder een tussenstop op het grondgebied van een lidstaat, in een reeks van rechtstreeks aansluitende vluchten die aanvangt op een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat en welke vluchten allen materieel zijn uitgevoerd door die niet-communautaire luchtvaartmaatschappij en waarbij al die vluchten middels één boeking zijn gereserveerd door de passagier bij een communautaire luchtvaartmaatschappij die geen van die vluchten materieel heeft uitgevoerd?

Voor het geval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoordt, schendt verordening (EG) 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 in de interpretatie van de eerste vraag, het internationaal recht, en in het bijzonder het beginsel van de uitsluitende en volledige soevereiniteit van een staat over zijn grondgebied en luchtruim, doordat die interpretatie het recht van Unie van toepassing maakt op een situatie die zich afspeelt binnen het grondgebied van een derde land?

____________

1     PB 2004, L 46, blz. 1