Language of document :

Beroep ingesteld op 12 april 2022 – BNP Paribas/ECB

(Zaak T-186/22)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: BNP Paribas (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Gosset-Grainville, M. Trabucchi en M. Dalon, advocaten)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

sectie 1.10 en de secties 3.10.1 tot en met 3.10.8 van ECB-besluit nr. ECB-SSM-2022-FRBNP-7 (samen met de bijlagen erbij) van 2 februari 2022 nietig verklaren voor zover het maatregelen voorschrijft die moeten worden genomen met betrekking tot de onherroepelijke betalingstoezeggingen voor de depositogarantiestelsels of afwikkelingsfondsen;

de verwerende partij verwijzen in alle kosten;

overeenkomstig de artikelen 88 en 89 van het reglement voor de procesvoering een maatregel tot organisatie van de procesgang vaststellen waarbij de ECB wordt gelast de besluiten mee te delen inzake de onherroepelijke betalingstoezeggingen die voor 2021 ten behoeve van andere banken zijn aangegaan, met name de besluiten betreffende andere Franse banken.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

De ECB heeft het recht verkeerd toegepast en artikel 266 VWEU geschonden. Door in het kader van het bestreden besluit een principiële maatregel van algemene strekking op te leggen die berust op een redenering die geen rekening houdt met verzoeksters individuele prudentiële situatie, is de ECB de haar bij verordening nr. 1024/20131 verleende bevoegdheden, zoals verduidelijkt in de rechtspraak van het Gerecht van de Europese Unie, te buiten gegaan.

De ECB heeft een kennelijk onjuiste beoordeling gemaakt en het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden. Door geen rekening te houden met alle relevante factoren die verzoeksters specifieke situatie kenmerken, heeft de ECB onjuiste conclusies getrokken als het gaat om de prudentiële risico’s die het gebruik van onherroepelijke betalingstoezeggingen (hierna: „OBT”) voor de individuele situatie van verzoekster zou meebrengen.

De ECB heeft het recht onjuist toegepast door iedere nuttige werking te ontnemen aan de Unierechtelijke bepalingen inzake het gebruik van OBT. Aangezien de ECB haar analyse heeft gebaseerd op principiële overwegingen op grond waarvan de OBT uiteindelijk hoe dan ook volledig in mindering moeten worden gebracht op tier 1-kernkapitaal, wordt iedere nuttige werking ontnomen aan de Unierechtelijke bepalingen op basis waarvan kredietinstellingen de OBT mogen aanwenden om een deel van hun verplichtingen tegenover afwikkelingsfondsen en depositogarantiestelsels na te komen.

De ECB heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden door verzoekster een aftrekkingsmaatregel op te leggen die niet gerechtvaardigd is en niet evenredig is aan haar prudentiële situatie.

____________

1 Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63).